direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan De Slagen, fase 3
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0180.TAMOPH22f-VS01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan Staphorst

Dit plan wijzigt het Omgevingsplan gemeente Staphorst in die zin dat na hoofdstuk 22 van het 'Omgevingsplan gemeente Staphorst' [een hoofdstuk 22f] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.

De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22f] van het 'Omgevingsplan gemeente Staphorst'. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22f.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22f.]' gelezen worden.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan

De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in 1.4.

1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.

1.4 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan De Slagen, fase 3, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0180.TAMOPH22f-VS01.

Artikel 2 Begrippen

2.1 Van toepassing verklaring
  • a. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan van het omgevingsplan.
  • b. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in artikel 1 het bestemmingsplan 'De Slagen, partiële herziening fase 2' met identificatienummer NL.IMRO.0180.3102020001-VS01, vastgesteld op 15 december 2020, zijn van toepassing op dit plan van het omgevingsplan.
2.2 Aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.13 gehanteerd.

2.3 Plan

Het TAM-omgevingsplan De Slagen, fase 3 met identificatienummer NL.IMRO.0180.TAMOPH22f-VS01 van de gemeente Staphorst.

2.4 TAM-omgevingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

2.5 Locatievlak

Een geometrisch bepaald vlak dat in de regels is aangewezen voor een gebruiksdoel.

2.6 Beneden-bovenwoning

een woning in een gebouw dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd, dat twee geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat, elk met een eigen toegang vanaf de openbare ruimte of een gemeenschappelijke opgang, waarbij de benedenwoning uitsluitend op de begane grond is gesitueerd.

2.7 Beroep of bedrijf aan huis

beroeps- of bedrijfsactiviteit waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend.

2.8 Calamiteitenroute

een route die uitsluitend wordt gebruikt voor de bereikbaarheid van een gebied door hulpdiensten in geval van noodsituaties en/of bij wegwerkzaamheden op de reguliere routes.

2.9 Dove gevel

een gevel zonder te openen delen en zonder te openen ramen, deuren of andere geluidsgevoelige openingen van verblijfsruimten, met een voldoende geluidwerende constructie die voldoet aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Ventilatieroosters zijn hierbij wel toegestaan mits de geluidwerende constructie blijft voldoen aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving.

2.10 Gestapelde woning

een woning die deel uitmaakt van een gebouw waarin drie of meer zelfstandige woningen boven elkaar zijn gesitueerd.

2.11 Hoofdvolume

het bouwdeel van een gebouw dat qua maat, massa en verschijningsvorm bepalend is voor het hoofdkarakter van dat gebouw.

2.12 Woning

een complex van ruimten dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

2.13 Woonhuis

een gebouw dat één woning omvat en dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

Artikel 3 Wijze van meten

In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de meetbepalingen zoals opgenomen in artikel 2 van het bestemmingsplan 'De Slagen, partiële herziening fase 2' met identificatienummer NL.IMRO.0180.3102020001-VS01, vastgesteld op 15 december 2020

Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies

Artikel 4 Groen

4.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0180.TAMOPH22f-VS01 is aangewezen als 'Groen'.

4.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Groen' heeft de volgende functies:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. speelvoorzieningen;
  • c. waterlopen en -partijen;
  • d. voet- en fietspaden;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. met daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde.
4.3 Gebruiksactiviteiten
4.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies van de gronden.

4.4 Bouwactiviteiten
4.4.1 Algemeen
  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in 4.2;
  • b. er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen worden gebouwd.
4.4.2 Bouwwerken

Voor het bouwen van de in lid 4.4.1 sub c genoemde bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van nutsvoorzieningen bedraagt ten hoogste 3 m.
4.4.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van de in lid 4.4.1 sub b genoemde bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt ten hoogste 6,4 m;
  • b. in overige gevallen bedraagt de bouwhoogte ten hoogste 2 m.
4.5 Omgevingsplanactiviteit afwijken bouwactiviteiten
4.5.1 Bouwhoogte bouwwerken - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de bouwhoogte zoals bedoeld in lid 4.4.2 sub a.

4.5.2 Bouwhoogte bouwwerken - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.5.1 wordt alleen verleend indien:

  • a. de maximale bouwhoogte 6 meter bedraagt; en
  • b. de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en het bouwwerk ruimtelijk inpasbaar is.
4.5.3 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouw zijnde - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de bouwhoogte zoals bedoeld in lid 4.4.3 sub b.

4.5.4 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouw zijnde - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.5.3 wordt alleen verleend indien:

  • a. de maximale bouwhoogte 6 meter bedraagt; en
  • b. de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en het bouwwerk ruimtelijk inpasbaar is.

Artikel 5 Maatschappelijk

5.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0180.TAMOPH22f-VS01 is aangewezen als 'Maatschappelijk'.

5.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Maatschappelijk' heeft de volgende functies:

  • a. maatschappelijke voorzieningen;
  • b. wonen in samenhang met maatschappelijke voorzieningen;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. speelvoorzieningen;
  • f. nutsvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. voet- en fietspaden;
  • i. met daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde.
5.3 Gebruiksactiviteiten
5.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 5.2 genoemde functies van de gronden.

5.3.2 Wonen in samenhang met maatschappelijke voorzieningen

Tot een gebruik in overeenstemming met deze functie, zoals bedoeld in 5.2 wordt in ieder geval gerekend het gebruik van ruimten voor wonen, voor zover wonen uitsluitend op de boven de beganegrondverdieping gelegen verdiepingen plaatsvindt.

5.4 Bouwactiviteiten
5.4.1 Algemeen
  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in 5.2;
  • b. er zijn hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en kelders toegestaan.
5.4.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van de in lid 5.4.1 sub b genoemde hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het functievlak 'Maatschappelijk' worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 12 m.
5.4.3 Bijgebouwen

Voor het bouwen van de in lid 5.4.1 sub b genoemde bijgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte bedraagt ten hoogste 100 m2;
  • b. de goothoogte bedraagt ten hoogste 3,5 m;
  • c. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 8 m.
5.4.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van de in lid 5.4.1 sub b genoemde bouwwerken, geen gebouw zijnde (niet zijnde overkappingen) gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3 m.
5.4.5 Kelders

Voor het bouwen van de in lid 5.4.1 sub b genoemde kelders gelden de volgende bepalingen:

  • a. kelders mogen uitsluitend onder een hoofdgebouw worden gebouwd;
  • b. de (verticale) diepte van een kelder bedraagt ten hoogste 3 m.

Artikel 6 Verkeer

6.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0180.TAMOPH22f-VS01 is aangewezen als 'Verkeer'.

6.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Verkeer' heeft de volgende functies:

  • a. wegen met hoofdzakelijk een verbindingsfunctie voor het doorgaande verkeer;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • d. bermen en groenvoorzieningen;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. met daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde.
6.3 Gebruiksactiviteiten
6.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 6.2 genoemde functies van de gronden.

6.4 Bouwactiviteiten
6.4.1 Algemeen
  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in 6.2;
  • b. er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
6.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van de in lid 6.4.1 sub b genoemde bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt ten hoogte 6,5 m.
6.5 Omgevingsplanactiviteit afwijken bouwactiviteiten
6.5.1 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouw zijnde - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de bouwhoogte zoals bedoeld in lid 6.4.2 sub a.

6.5.2 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouw zijnde - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 6.5.1 wordt alleen verleend indien:

  • a. de maximale bouwhoogte ten hoogste 10 m bedraagt; en
  • b. de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en het bouwwerk ruimtelijk inpasbaar is.
6.6 Vegunningsvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen vergunningsvoorschriften stellen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.25 van het omgevingsplan, ten behoeve van:

  • a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid.

Artikel 7 Verkeer - Verblijfsgebied

7.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0180.TAMOPH22f-VS01 is aangewezen als 'Verkeer - Verblijfsgebied'.

7.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Verkeer - Verblijfsgebied' heeft de volgende functies:

  • a. wegen met hoofdzakelijk een functie ter ontsluiting van aanliggende percelen;
  • b. calamiteitenroute;
  • c. voet- en fietspaden;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. speelvoorzieningen;
  • g. met daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde.
7.3 Gebruiksactiviteiten
7.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 7.2 genoemde functies van de gronden.

7.4 Bouwactiviteiten
7.4.1 Algemeen
  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in 7.2;
  • b. er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
7.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van de in lid 7.4.1 sub b genoemde bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt ten hoogte 6,5 m.
7.5 Omgevingsplanactiviteit afwijken bouwactiviteiten
7.5.1 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouw zijnde - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de bouwhoogte zoals bedoeld in lid 7.4.2 sub a.

7.5.2 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouw zijnde - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 7.5.1 wordt alleen verleend indien:

  • a. de maximale bouwhoogte ten hoogste 10 m bedraagt; en
  • b. de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en het bouwwerk ruimtelijk inpasbaar is.
7.6 Vergunningsvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen vergunningsvoorschriften stellen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.25 van het omgevingsplan, ten behoeve van:

  • a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid.

Artikel 8 Woongebied

8.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0180.TAMOPH22f-VS01 is aangewezen als 'Woongebied'.

8.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Woongebied' heeft de volgende functies:

  • a. wonen en daaraan ondergeschikt:
    • 1. beroep aan huis;
    • 2. bedrijf aan huis;
    • 3. bed & breakfast;
    • 4. woonruimte in verband met mantelzorg of inwoning;
  • b. tuinen en erven;
  • c. parkeervoorzieningen en toeritten naar deze parkeervoorzieningen;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. speelvoorzieningen;
  • f. nutsvoorzieningen;
  • g. voet- en fietspaden;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
8.3 Gebruiksactiviteiten
8.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 8.2 genoemde functies van de gronden.

8.3.2 Beroep- of bedrijf aan huis

Tot een gebruik in overeenstemming met deze functie, zoals bedoeld in 8.2 wordt in ieder geval gerekend het gebruik van ruimten voor een beroep- of bedrijf aan huis, voor zover:

  • a. de woonfunctie in zowel ruimtelijke als visuele zin primair blijft;
  • b. de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep uitsluitend inpandig worden uitgevoerd;
  • c. maximaal 30% van de gezamenlijke oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen wordt gebruikt voor de aan huis verbonden activiteiten, met een absoluut maximum van 30 m²;
  • d. degene die de woning gebruikt tevens de persoon is die het aan huis verbonden beroep uitoefent;
  • e. de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten qua aard, omvang en intensiteit in overeenstemming is met het karakter van de omliggende woonomgeving;
  • f. behoudens een beperkte verkoop in het klein, die direct samenhangt met het aan huis verbonden beroep, geen detailhandel plaatsvindt;
  • g. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de verkeersafwikkeling en parkeersituatie ter plaatse, waarbij als uitgangspunt geldt dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden.
8.3.3 Bed & breakfast

Tot een gebruik in overeenstemming met deze functie, zoals bedoeld in 8.2 wordt in ieder geval gerekend het gebruik van ruimten voor een bed & breakfast, voor zover:

  • a. de woonfunctie in zowel ruimtelijke als visuele zin primair blijft;
  • b. uitsluitend logies en ontbijt worden aangeboden;
  • c. de voorziening geschikt is voor maximaal vier personen, verdeeld over twee slaapkamers;
  • d. sprake is van doorstroom in de recreatieve verhuur.
8.4 Bouwactiviteiten
8.4.1 Algemeen
  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in 8.2;
  • b. er zijn hoofdgebouwen in de vorm van woningen, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en kelders toegestaan.
8.4.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van de in lid 8.4.1 sub b genoemde woningen (i.c. hoofdgebouwen) gelden de volgende bepalingen:

  • a. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het functievlak 'Woongebied' worden gebouwd;
  • b. woonhuizen mogen uitsluitend vrijstaand, twee-aaneen, geschakeld, in rijen of als beneden-bovenwoning worden gebouwd;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b, mogen ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’ uitsluitend gestapelde woningen worden gebouwd;
  • d. het maximum aantal woningen binnen de functievlakken 'Woongebied' bedraagt gezamenlijk ten hoogste 441;
  • e. de goothoogte van een woonhuis bedraagt ten hoogste 8,5 m;
  • f. de bouwhoogte van een woonhuis bedraagt ten hoogste 12,5 m;
  • g. de horizontale bouwdiepte van een woonhuis bedraagt ten hoogste 20 m;
  • h. in afwijking van het bepaalde onder f en g, geldt ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal bouwlagen’ het daar aangegeven aantal bouwlagen als maximum aantal bouwlagen;
  • i. de afstand van het hoofdvolume tot de zijdelingse perceelsgrens dient als volgt te bedragen:
    • 1. voor vrijstaande, geschakelde of twee-aaneengebouwde woonhuizen aan de niet aangebouwde zijde ten minste 2 m.
8.4.3 Erkers, uitbouwen en ondergeschikte bouwdelen

Voor het bouwen van de in lid 8.4.1 sub b genoemde erkers, uitbouwen en ondergeschikte bouwdelen (i.c. bijbehorende bouwwerken) gelden de volgende bepalingen:

  • a. uitsluitend gebouwd aan de voor- en/of zijgevel van het woonhuis;
  • b. de hoogte mag ten hoogste 3,5 m bedragen;
  • c. de horizontale diepte mag ten hoogste 2,5 m bedragen;
  • d. de maximale bebouwingsbreedte mag ten hoogste 100% van de breedte van het woonhuis bedragen;
  • e. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en galerijen zijn toegestaan met overschrijding van de functiegrens, mits deze met niet meer dan 1,5 m wordt overschreden.
8.4.4 Bijgebouwen

Voor het bouwen van de in lid 8.4.1 sub b genoemde bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:
    • 1. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
    • 2. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2;
    • 3. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2;
  • b. de goothoogte bedraagt ten hoogste 3,5 m;
  • c. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 8 m;
  • d. de afstand van een bijgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 0,5 m, tenzij het bijgebouw in de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd;
  • e. de afstand van een bijgebouw tot de voorgevel van het woonhuis en het verlengde daarvan bedraagt ten minste 2 m.
8.4.5 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van de in lid 8.4.1 sub b genoemde bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende bepalingen:

  • a. indien het bouwwerk vóór de voorgevel van het woonhuis en het verlengde daarvan wordt gebouwd bedraagt de bouwhoogte ten hoogste 1,1 m;
  • b. in overige gevallen bedraagt de bouwhoogte ten hoogste 2,2 m.
8.4.6 Kelders

Voor het bouwen van de in lid 8.4.1 sub b genoemde kelders gelden de volgende bepalingen:

  • a. kelders mogen uitsluitend onder een hoofdgebouw worden gebouwd;
  • b. de (verticale) diepte van een kelder mag maximaal 3,5 m bedragen.
8.5 Omgevingsplanactiviteit afwijken bouwactiviteiten
8.5.1 Aantal woningen - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning af te wijken van het aantal woningen zoals bedoeld in lid 8.4.2 sub d.

8.5.2 Aantal woningen - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 8.5.1 wordt alleen verleend indien:

  • a. het aantal woningen ten hoogste 485 bedraagt;
  • b. de afwijking geen onevenredige gevolgen heeft voor:
    • 1. het stedenbouwkundige beeld en beeldkwaliteit, zoals vervat in Bijlage 1, van het plan;
    • 2. de verkeersontsluiting en parkeervoorzieningen;
    • 3. de gebruiks- en verblijfskwaliteit van de openbare ruimte;
    • 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • c. de afwijking past binnen de uitgangspunten van het stedenbouwkundig plan en bijdraagt aan een doelmatige en evenwichtige uitvoering daarvan;
  • d. er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8.5.3 Goot- en bouwhoogte - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning af te wijken van de goot- en bouwhoogten zoals bedoeld in lid 8.4.2 sub e en f.

8.5.4 Goot- en bouwhoogte - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 8.5.3 wordt alleen verleend indien:

  • a. sprake is van een vrijstaand woonhuis en de afwijking leidt tot een goothoogte van ten hoogste 10 m;
  • b. sprake is van een vrijstaand woonhuis en de afwijking leidt tot een bouwhoogte van ten hoogste 14 m.
8.6 Voorwaardelijke verplichtingen
8.6.1 Voorwaardelijke verplichting - beeldkwaliteitplan

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gebouwen overeenkomstig lid 8.2, indien niet wordt voldaan aan de stedenbouwkundige opzet, de beeldkwaliteit van bebouwing en de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals deze in criteria zijn opgenomen in Bijlage 1 bij deze regels.

8.6.2 Voorwaardelijke verplichting - dove gevel

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gebouwen overeenkomstig lid 8.2, indien ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - dove gevel’ de desbetreffende gevel niet als dove gevel wordt uitgevoerd en als zodanig blijvend in stand wordt gehouden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 9 Toepassingsbereik

De regels van dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied zoals opgenomen in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0180.TAMOPH22f-VS01.

Artikel 10 Aanvraagvereisten

  • a. de aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    • 1. het bepaalde in artikel 22.274 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit in dit plan; en
    • 2. het bepaalde in 22.276 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in dit plan.
  • b. in aanvulling op het bepaalde onder a worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels.

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene gebruiksregels

12.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijvingen, waaronder in ieder geval wordt begrepen het gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen:

  • a. voor een seksinrichting;
  • b. op een zodanige wijze dat onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de woonsituatie;
    • 4. de verkeersveiligheid;
    • 5. de milieusituatie.

Artikel 13 Algemene bouwregels

13.1 Parkeer-, laad- en losruimte
13.1.1 Parkeerruimte
  • a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte parkeergelegenheid wordt verwacht, mag niet worden gebouwd wanneer voor dit bouwwerk op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien;
  • b. Bij een omgevingsvergunning wordt beoordeeld of sprake is van voldoende parkeergelegenheid aan de hand van de normen die zijn neergelegd in het parkeerbeleid van de gemeente Staphorst, met dien verstande dat indien gedurende de planperiode een nieuwe versie verschijnt of vervangen wordt door een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen beleidsregel, met deze nieuwe versie of beleidsregel rekening wordt gehouden. Hierbij kunnen voorschriften worden opgenomen over het realiseren en in stand houden van parkeergelegenheid op eigen terrein.
  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid.
13.1.2 Afmetingen parkeerruimte

De in 13.1.1 bedoelde parkeerruimte moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:

  • a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,8 bij 5 m en ten hoogste 3,25 m bij 6 m bedragen;
  • b. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,5 bij 5 m bedragen.
13.1.3 Laad- en losruimte

Indien het gebruik van een bouwwerk aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat bouwwerk behoort.

13.1.4 Vergunningsvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen vergunningsvoorschriften stellen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.25 van het omgevingsplan, ten behoeve van:

  • a. het aantal parkeerplaatsen;
  • b. de situering van de parkeerplaatsen;
  • c. de situering van de laad- en losruimte.
13.2 Bodemgevoelige bijbehorende bouwwerken

In aanvulling op artikel 22.26 en 22.35 van het omgevingsplan mogen bodemgevoelige bijbehorende bouwwerken niet groter zijn dan 50 m2.

Hoofdstuk 4 Overgangsrecht

Artikel 14 Overgangsrecht bouwwerken

  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
  • d. Het overgangsrecht geldt vanaf inwerkingtreding van onderhavig TAM-omgevingsplan voor een duur van tien jaar.

Artikel 15 Overgangsrecht gebruik

  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  • e. Het overgangsrecht geldt vanaf inwerkingtreding van onderhavig TAM-omgevingsplan voor een duur van tien jaar.