direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoog- en middenspanningsstation Grondmanstraat Oldenzaal
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0173.BP16058-va01

Regels

Preambule

 

Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22, hoogspanningsstation Grondmanstraat en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Oldenzaal. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Oldenzaal. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a.' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Onderdeel omgevingsplan Oldenzaal

Dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoog- en middenspanningsstation Grondmanstraat Oldenzaal is onderdeel van het omgevingsplan Oldenzaal.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn op de locatie, bedoeld in het eerste lid, van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet.

1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in dit hoofdstuk.

1.4 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoog- en middenspanningsstation Grondmanstraat Oldenzaal, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0173.BP16058-on01.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn ook van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij artikel 2.2 t/m 2.23 een afwijkende of aanvullende begripsomschrijving bevat.

2.2 Afwijkende en aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling en in afwijking op het bepaalde in in lid 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de volgende aanvullende begrippen gehanteerd onder 2.3 tot en met 2.23:

2.3 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

2.4 bebouwingspercentage

de bebouwde oppervlakte van de gebouwen uitgedrukt in procenten van de totale oppervlakte van nader aangegeven gronden;

2.5 bedrijf

een bedrijfseconomische eenheid, gericht op het behalen van winst;

2.6 bestaand

bouwwerken die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van de TAM-Omgevingsplan bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;

2.7 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

2.8 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

2.9 bouwperceel

een grens van een bouwperceel;

2.10 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

2.11 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

2.12 dak

iedere bovenbeïndiging van een gebouw;

2.13 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

2.14 geluidsaandachtsgebied

een geluidsaandachtsgebied is het gebied rondom een geluidsbron (zoals een weg, spoorweg of industrieterrein) waar de geluidbelasting hoger kan zijn dan de standaardwaarde en waarvoor specifieke geluidregels gelden onder de Omgevingswet;

2.15 geluidbelasting in dB(A)

etmaalwaarde van het equivalente geluidniveau in dB(A) op een bepaalde plaats;  

2.16 geluidgevoelig object

een woning, ander geluidgevoelig gebouw of geluidsgevoelig terrein zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder – gelezen in samenhang met artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet – zoals deze luiden op het moment van ter inzagelegging van dit plan;

2.17 geluidzone

een op grond van de Wet geluidhinder – gelezen in samenhang met artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet, zoals deze luidt op het moment van ter inzagelegging van dit plan – vastgelegde zone rond een industrieterrein, weergeven met de aanduiding Waarde – geluidzone – industrie, waarbuiten de geluidbelasting ten gevolge van dat industrieterrein niet meer mag bedragen dan 50 dB(A);  

2.18 geluidproductieplafond (GPP)

een geluidproductieplafond is een omgevingswaarde die de maximaal toegestane hoeveelheid geluid aangeeft, uitgedrukt in Lden en Lnight, op een geluidreferentiepunt nabij een geluidbron zoals een weg, spoorweg of industrieterrein;

2.19 hoogspanningsstation

een installatie voor het schakelen van hoogspanningsverbindingen en/of het transformeren van elektrische energie en/of het regelen en meten ten behoeve van het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van het hoogspanningsnet;

2.20 landschappelijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;

2.21 normale onderhouds- en exploitatiewerkzaamheden

werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden waaronder begrepen de handhaving dan wel realisering van de functie;

2.22 omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Oldenzaal.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op artikel 22.24 van het omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

3.2 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.3 de afstand tussen de gebouwen

de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen.

3.4 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.5 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel

de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen.

3.6 peil
  • a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

Artikel 4 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2. van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Gebruiksactiviteiten

Artikel 5 Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod

5.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken.

5.2 Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod
  • a. Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in Hoofdstuk 2 Gebruiksactiviteiten aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in Hoofdstuk 3 Overige regels over gebruiksactiviteiten.
  • b. De regels in dit hoofdstuk hebben betrekking op het gebruiksdoel van de locaties en het gebruik van gronden en bouwwerken.

Artikel 6 Bedrijf - Nutsvoorziening

6.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie 'Bedrijf - Nutsvoorziening';
  • b. De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:
    • 1. een hoogspanningsstation voor het transporteren, verdelen en transformeren van energie;
    • 2. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten ten behoeve van openbaar nut;

met daarbij horende:

  • i. gebouwen, niet zijnde een bedrijfswoning;
  • ii. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • iii. erven en terreinen;
  • iv. overige ondergrondse en/of bovengrondse nutsvoorzieningen;
  • v. wegen en paden;
  • vi. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; en
  • vii. groenvoorzieningen.

Artikel 7 Groen

7.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie 'Groen';
  • b. De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:
    • 1. het behoud, beheer, herstel en/of de ontwikkeling van de natuur- en landschappelijke waarden;
    • 2. overige ondergrondse en/of bovengrondse nutsvoorzieningen;
    • 3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Artikel 8 Leiding - Hoogspanningsverbinding

8.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie 'Leiding - Hoogspanningsverbinding';
  • b. De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor een boven- en ondergrondse hoogspanningsverbinding met de daarbij behorende belemmeringenstrook en bijbehorende voorzieningen.

Artikel 9 Waarde - Archeologie

9.1 Toepassingsbereik
  • a. Dit artikel is van toepassing op de locatie 'Waarde - Archeologie'.
  • b. De regels geldend op de locaties aangewezen als 'Waarde - Archeologie' zijn gesteld met het oog op de bescherming en veiligstelling van de op en/of de in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

Hoofdstuk 3 Overige regels over gebruiksactiviteiten

Artikel 10 Beperking van zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in een veiligheidszone hoogspanningsverbinding

10.1 Toepassingsbereik en oogmerk
  • a. Dit artikel geldt ter plaatse van de locatie 'veiligheidszone – hoogspanningsverbinding'.
  • b. De regels in dit artikel zijn gesteld om zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare gebouwen waar kwetsbare doelgroepen kunnen verblijven, te beschermen.
10.2 Beperking voor zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in een veiligheidszone hoogspanningsverbinding

Het is ter plaatse van 'veiligheidszone – hoogspanningsverbinding' verboden om zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare- en kwetsbare locaties, waar kwetsbare doelgroepen kunnen verblijven, als nieuwe functie toe te voegen.

Hoofdstuk 4 Waarden

Artikel 11 Overig - industrieterrein met GPP

11.1 Begrenzing industrieterrein

De in dit artikel vastgestelde geluidsproductieplafonds gelden voor het gebied met de aanduiding 'Waarde - overig zone - Industrieterrein gpp', dat wordt begrensd door de locatie 'Bedrijf - Nutsvoorziening'.

11.2 Omgevingswaarden

Als omgevingswaarde voor de geluidproductieplafonds van het hoogspanningsstation gelden de geluidwaarden afkomstig van het in lid 11.1 bepaalde begrenzing van het industrieterrein uitgedrukt in Lden en Lnight, ter plaatse van het geluidreferentiepunt zoals, tezamen met het geluidaandachtsgebied is, vastgelegd in de Centrale Voorziening Geluidgegevens.

11.3 Geluidreferentiepunten

De geluidreferentiepunten zoals bedoeld in lid 11.2 zijn vastgelegd op coördinaten zoals opgenomen in de hierna weergegeven tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0173.BP16058-va01_0001.png"

11.4 Geluidproductieplafonds (GPP)

Ter plaatse van de geluidreferentiepunten zoals bedoeld in lid 11.3 gelden de omgevingswaarden in Lden en Lnight zoals opgenomen in de hierna weergegeven tabel als geluidproductieplafonds.

Tabel 2: geluidproductieplafonds ter plaatse van geluidreferentiepunten

afbeelding "i_NL.IMRO.0173.BP16058-va01_0002.png"

Artikel 12 Overig - geluidaandachtsgebied

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die liggen binnen het geluidaandachtsgebied zoals aangewezen in de Centrale Voorziening Geluidgegevens.

12.2 Voorrangsbepaling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels die, op grond van de besluiten van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, reeds voor de inwerkingtreding van dit hoofdstuk van toepassing waren, op de gronden binnen het geluidaandachtsgebied, zoals bedoeld in lid 12.1.

12.3 Beoordelingsregels bouwen binnen het geluidaandachtsgebied

In het geluidaandachtsgebied, zoals bedoeld in lid 12.1, geldt aanvullend op de regels die van toepassing zijn op die gronden, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat het realiseren of toevoegen van geluidgevoelige gebouwen niet is toegestaan.

Hoofdstuk 5 Ruimtelijke regels over bouwwerken

Artikel 13 Bouwwerken ten behoeve van een hoogspanningsstation

13.1 Beoordelingsregels bouwen van gebouwen

Ter plaatse van de locatie 'Bedrijf - Nutsvoorziening' wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwen van bouwwerken verleend als wordt voldaan aan de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het gebouw ten dienste van het hoogspanningsstation is;
  • c. de maximale bouwhoogte bedraagt 7 meter.
13.2 Beoordelingsregels bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Ter plaatse van de locatie 'Bedrijf – Nutsvoorziening' wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwen van bouwwerken verleend als wordt voldaan aan de volgende regels:

  • a. bouwwerken geen gebouw zijnde, mogen uitsluitend binnen de locatie 'bouwvlak gebouwen' worden gebouwd;
  • b. de maximale bouwhoogte bedraagt 9 meter, met uitzondering van:
    • 1. bliksempieken en portalen waarvan de maximale bouwhoogte 20 meter bedraagt;
    • 2. camerabeveiligingsmasten waarvan de maximale bouwhoogte 15 meter bedraagt;
    • 3. erf- en terreinafscheidingen waarvan de maximale bouwhoogte 3 meter bedraagt.

Artikel 14 Beperkingen bouwwerken vanwege archeologie

14.1 Aanwijzing vergunningplicht 'Waarde - Archeologie'

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten binnen de locatie 'Waarde – Archeologie'.

14.2 Uitzondering vergunningplicht

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.1, is niet benodigd indien;

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat bij de werkzaamheden geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • b. het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt gebruikt;
  • c. de nieuw te bouwen oppervlakte kleiner is dan 250 m2.
14.3 Beoordelingsregels bouwen van bouwwerken binnen 'Waarde - Archeologie'

Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 14.1, wordt verleend indien met een archeologisch onderzoek is vastgesteld dat met de oprichting van het bouwwerk geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de archeologische waarden.

14.4 Aanvullende beoordelingsregels in plaats van vergunningplicht

Indien er al elders in dit hoofdstuk een verbod is opgenomen om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, dan gelden de beoordelingsregels in dit artikel aanvullend op de in dit hoofdstuk gestelde beoordelingsregels voor bouwen en de geldt de vergunningplicht, zoals bedoeld in artikel 14.1 niet.

Artikel 15 Landschappelijke inpassing

15.1 Voorwaardelijke verplichting

Het gebruik van het hoogspanningsstation is niet toegestaan indien de landschappelijke inpassingsmaatregelen, zoals beschreven in het ruimtelijk inpassingsplan in bijlage Bijlage 2 Ruimtelijke inpassing van dit TAM-omgevingsplan, niet binnen drie jaar na realisatie van het eerste gebouw zijn uitgevoerd conform artikel 13 en duurzaam in stand gehouden.

15.2 Afwijken voorwaardelijke verplichting

Afwijken van het eerste lid via een omgevingsvergunning is toegestaan, mits wordt aangetoond dat de alternatieve inpassing gelijkwaardig bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit en binnen drie jaar na realisatie van het eerste bouwwerk is uitgevoerd conform artikel 13 en duurzaam in stand gehouden.

Artikel 16 Waterberging

16.1 Voorwaardelijke verplichting

Het gebruik van het hoogspanningsstation is niet toegestaan indien, na de realisatie van een waterberging met een inhoud van ten minste 84,7 m3, zoals weergegeven op de wadi- inrichtingstekening in bijlage Bijlage 3 Wadi Grondmanstraat van dit TAM-omgevingsplan, niet binnen drie jaar na de realisatie van het eerste gebouw uitvoering is gegeven conform artikel 13 en duurzaam in stand gehouden.

Hoofdstuk 6 Aanlegactiviteiten

Artikel 17 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van 'Waarde - Archeologie'

17.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op een aanlegactiviteit archeologie, als:

  • a. deze wordt verricht ter plaatse van de locatie 'Waarde – Archeologie', en bestaat uit:
  • b. het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm;
  • c. het verlagen van het waterpeil;
  • d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en/of telecommunicatieleidingen en daarmee in verband houdende constructies, installatie of apparatuur.
17.2 Vergunningplicht aanlegactiviteiten

Ter plaatse van 'Waarde – Archeologie' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit archeologie te verrichten.

17.3 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in lid 17.2, geldt niet als de bedoelde activiteiten:

  • a. een oppervlakte betreft die kleiner is dan 250 m2;
  • b. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen, met name werkzaamheden voor bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracé van kabels en leidingen;
  • c. op locaties waar op basis van onderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • d. gericht zijn op het uitvoeren van aanvullend of definitief archeologisch onderzoek.
17.4 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologie wordt alleen verleend als door de genoemde werken en werkzaamheden de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.

17.5 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologie wordt in ieder geval een archeologisch onderzoek verstrekt waarin is aangetoond dat de archeologische waarden door de activiteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.

17.6 Advies

Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologie wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige.

Hoofdstuk 7 Algemene regels

Artikel 18 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Hoofdstuk 8 Overgangsbepalingen

Artikel 19 Overgangsrecht

19.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het bepaalde in dit hoofdstuk mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de regels die op grond van dit omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen.
19.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met de regels die op grond van dit omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen.