| Plan: | TAM-omgevingsplan Schuineslootweg 45a - 45e Schuinesloot |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0160.0000TAM0039-VG01 |
Dit TAM-omgevingsplan heeft betrekking op het onbebouwde perceel tussen de woonpercelen aan de Schuineslootweg 45a en 45e in Schuinesloot. De eigenaar (hierna: initiatiefnemer) van het perceel (hierna: plangebied) is voornemens om ter plaatse een vrijstaande woning te realiseren.
De beleidsnota 'Buurtschappennota' (vastgesteld d.d. 2 december 2014) van de gemeente Hardenberg biedt kaders voor de voorgenomen ontwikkeling. Deze buurtschappennota is opgesteld met als doel om binnen de gestelde kaders nieuwbouw op onbebouwde plekken in enkele buurtschappen te stimuleren en daarmee de leefbaarheid van de aangewezen gebieden te vergroten. De nota biedt ruimte om te kunnen voldoen aan de lokale behoefte naar woningen. Voor het buurtschap Schuinesloot geldt dat het gebied langs de Schuineslootweg (waaronder het plangebied) één van de aangewezen gebieden betreft.
Bovenstaande ontwikkelingen zijn niet in overeenstemming met de geldende regels van het omgevingsplan. De gronden zijn in de huidige situatie aangewezen voor een agrarische functie.
Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient het omgevingsplan te worden gewijzigd. Voorliggende motivering voorziet in een passend juridisch-planologisch kader en toont aan dat de ontwikkeling vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.
Het plangebied ligt tussen de woonpercelen aan de Schuineslootweg 45a en 45e, in het buurtschap Schuinesloot. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Ambt-Hardenberg, sectie W met de nummer 1778 en 1960. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied in het buurtschap Schuinesloot (rode ster) en ten opzichte van de directe omgeving (rode omlijning) indicatief weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.
|
| Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van Schuinesloot en de directe omgeving (Bron: Plattekaart.nl) |
Het omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel en een niet-tijdelijk deel. De bestemmingsplannen vallen onder het tijdelijke deel. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de onderdelen van het omgevingsplan die het meest relevant zijn.
| Naam | Vaststellingsdatum | |
| Omgevingsplan gemeente Hardenberg | 1 januari 2024 | |
| Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg | 2 december 2014 | |
| Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, herziening regels | 26 september 2016 | |
| Bestemmingsplan Facetherziening parkeren Hardenberg | 17 juli 2018 | |
| Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kleine Windturbines Bij Agrarische Bedrijven | 21 juni 2022 | |
In het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg' heeft het plangebied de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Besloten veenontginningslandschap' en dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van dit bestemmingsplan. Het plangebied is aangegeven met de rode lijn.
|
| Afbeelding 1.2: Uitsnede van het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" (Bron: omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart) |
Agrarisch met waarden - Besloten veenontginningslandschap
De voor 'Agrarisch met waarden - Besloten veenontginningslandschap' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor de uitoefening van één agrarisch bedrijf, uitgezonderd glastuinbouw, en de instandhouding van de sterke gebiedskenmerken van het besloten veenontginningslandschap.
Gebouwen zijn in beginsel uitsluitend toegestaan binnen een agrarisch bouwvlak, waar in voorliggend geval geen sprake van is.
Waarde Archeologie - 4
De voor 'Waarde Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de verwachte archeologische waarden.
Strijdigheid
Het gebruik van de gronden binnen het plangebied voor de functie wonen, en de realisatie van een vrijstaande woning van maximaal 750 m3 met bijgebouw van maximaal 100 m2, is in strijd met het omgevingsplan. De ontwikkeling past niet binnen de functieomschrijving en beoordelingsregels uit het tijdelijke omgevingsplan (bestemmingsplan).
Om deze ontwikkeling mogelijk te maken dient de functie gewijzigd te worden.
Het plan ''TAM-omgevingsplan Schuineslootweg 45a - 45e Schuinesloot” bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de functies van de gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een motivering. De motivering geeft een duidelijk beeld van het plan. En van de daaraan ten grondslag liggende gedachten. Dit maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het omgevingsplan.
Het plangebied ligt langs de Schuineslootweg in het Buurtschap Schuinesloot. In de directe omgeving van het plangebied is overwegend sprake van woonpercelen, agrarische cultuurgronden en enkele bedrijfspercelen. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Schuineslootweg. Aan de oost- en westzijde vormen respectievelijk de woonpercelen Schuineslootweg 45a en 45e de planbegrenzing. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan agrarische cultuurgronden.
Het plangebied zelf betreft een onbebouwd agrarisch perceel dat is ingeklemd tussen twee bestaande woonpercelen. Ter plaatse staan enkele groenstructuren.
In afbeelding 2.1 en 2.2 zijn respectievelijk een luchtfoto en een straatbeeld weergegeven van de huidige situatie ter plaatse van het plangebied.
|
| Afbeelding 2.1: Luchtfoto plangebied (Bron: Google Maps) |
|
| Afbeelding 2.2: Straatbeeld plangebied (Bron: Google Streetview) |
Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van het plangebied een vrijstaande woning met bijgebouw(en) te realiseren. Voor de positionering van deze woning wordt rekening gehouden met de rooilijn van de naastgelegen woningen.
Zoals reeds in Hoofdstuk 1 aangegeven, vloeit de in dit TAM-omgevingsplan besloten ontwikkeling voort uit de beleidsruimte die de beleidsregel 'Buurtschappennota' (vastgesteld door het college van B&W d.d. 2 december 2014) biedt. Deze beleidsregel bevat normen die burgemeester en wethouders hanteren bij aanvragen om de bouw van een woning/ woningen in de buurtschappen Schuinesloot, Rheezerveen, Hoogenweg, Radewijk, Ane of De Krim die niet in overeenstemming zijn met het omgevingsplan.
Belangrijk uitgangspunt voor de gewenste ontwikkeling is verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Naast een 'basisinspanning' ruimtelijke kwaliteit dient er ook een extra bijdrage te worden geleverd in het kader van de provinciale regeling 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving'. De basisinspanning betreft het landschappelijk inpassen van het nieuwe woonperceel. Hiertoe is door BJZ.nu een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. Hierna wordt een toelichting gegeven op de landschappelijke inpassing van het nieuwe woonperceel.
Op de KGO investering wordt nader ingegaan in paragraaf 3.2.4. De beleidskaders van de buurtschappennota worden nader toegelicht in paragraaf 3.3.3.
Door BJZ.nu is ten behoeve van de ontwikkeling een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld met daarbij een erfinrichtingsplan. Een uitsnede van dit plan is opgenomen in afbeelding 2.3. Voor het volledige ruimtelijk kwaliteitsplan wordt verwezen naar Bijlage 1 bij deze toelichting.
|
| Afbeelding 2.3: Uitsnede ruimtelijk kwaliteitsplan |
Situering bebouwing
Het plangebied zal een karakteristieke opbouw krijgen. Het woongedeelte bevindt zich daarbij aan de voorzijde, het werkgedeelte (schuren) aan de achterzijde. De woning zal in lijn met het bestaande weglint van Schuinesloot worden geplaatst, waardoor de herkenbare wand van bebouwing niet verstoord wordt. Zodoende is de impact op de omgeving beperkt. Daarnaast wordt de woning minimaal 5 meter uit de zijdelingse perceelgrens gebouwd, waardoor voldaan wordt aan de voorwaarden uit de Buurtschappennota.
Voor de ontsluiting van het erf wordt gebruik gemaakt van een nieuwe inrit op de Schuineslootweg.
Landschappelijke inpassing
Voor de landschappelijke inpassing is het van belang om aan te sluiten bij de structuur van het bebouwingslint van Schuinesloot. Kenmerkend voor de omgeving is de rechtlijnige inrichting van de erven, welke is afgeleid van de verkaveling. Deze rechtlijnige inrichting wordt enerzijds al geaccentueerd door de bestaande hagen aan de oostelijke en westelijke zijde van het perceel. Door middel van de aanplant van een beukenhaag langs het voorerf en de aanplant van een drietal beuken langs de inrit wordt dit verder geaccentueerd. Daarmee zal ook een beter balans zijn tussen groen en gebouwen en presenteert het erf zich als eenheid in het bebouwingslint.
Het eindbeeld van de aan te planten haag bestaat uit een geschoren haag van circa 1 meter hoog. De solitaire bomen langs de inrit kunnen uitgroeien tot beeldbepalende bomen. Ten slotte wordt de gebiedsvreemde beplanting op het erf (fijnsparren) gerooid. Met de voorgestelde landschapsmaatregelen wordt het erf ingepast in het landschap en neemt de ruimtelijke kwaliteit toe.
Aanvullende investering Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
De aanvullende maatregel bestaat uit het herstellen van de Slotwijk, welke ten noorden van de dorpskern van Schuinesloot ligt. De te herstellen wijk ligt op de grens van de percelen welke kadastraal bekend staan als HDB01 sectie W, nummers 90 en 2043.
Het veenontginningslandschap, waarin de te herstellen wijk is gelegen, kenmerkt zich als een rationeel landschap met rechte kavels en rechtlijnige structuurdragers zoals kanalen, vaarten en wijken. Deze watergangen werden aangelegd om de vervening van het gebied mogelijk te maken. In de loop der tijd is dit systeem van watergangen voor een gedeelte verdwenen. Andere watergangen zijn nog wel (gedeeltelijk) aanwezig, maar zijn smaller geworden dan oorspronkelijk en zijn vaak vol gegroeid met planten. Dit geldt ook voor de Slotwijk.
De wijk wordt over de gehele lengte hersteld door middel van de volgende herstelmaatregelen:
Voor de herstelde wijk worden de volgende beheermaatregelen getroffen:
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten:
In de NOVI is aangegeven dat het vorm geven van de opgaven nodig is op een lager schaalniveau. De aangewezen regio's werken samen met de provincies aan ruimtelijke voorstellen. Vervolgens wordt er gekeken of alle losse plannen bij elkaar tot een duurzaam landelijk beeld leiden. De stappen die genomen worden, staan beschreven in het programma NOVEX en het programma Mooi Nederland.
De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleine lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen. Er is daarmee geen sprake van strijd met het rijksbeleid.
Iedere provincie in Nederland stelt een omgevingsvisie op: een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de provinciale visie op de ruimte in Overijssel. Daarin worden uitspraken gedaan over ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur. In de Omgevingsverordening staan de regels die ervoor zorgen dat bij nieuwe ontwikkelingen rekening wordt gehouden met het provinciale beleid.
De Omgevingsvisie Overijssel bestaat uit drie delen: een deel Visie, een deel Beleid en een deel Uitwerking. Naast de Omgevingsvisie Overijssel is er de Omgevingsverordening Overijssel en de Catalogus Gebiedskenmerken.
De opgaven en kansen waar de provincie voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema’s. Dit is het vertrekpunt voor alle projecten en initiatieven in de provincie Overijssel. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de visie wordt het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel' gebruikt. In het uitvoeringsmodel staan de stappen 'of' (generieke beleidskeuzes), 'waar' (ontwikkelingsperspectieven) en 'hoe' (gebiedskenmerken) centraal.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Eén van de instrumenten is de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat het beleid van de Omgevingsvisie geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid.
Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, en natuurontwikkeling, wordt aan de hand van deze drie stappen bepaald of een initiatief binnen de visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. In afbeelding 3.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.
|
| Afbeelding 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
Of- generieke beleidskeuzes
Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes vastgelegd. Deze zijn doorvertaald in regels van de Omgevingsverordening.
Waar- ontwikkelingsperspectieven
Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.
Hoe- gebiedskenmerken
Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn.
Indien het initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat het volgende beeld:
Bij de 'Of – generieke beleidskeuzes' zijn de volgende artikelen uit de Omgevingsverordening van toepassing:
- artikel 4.5 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik):
Met de ontwikkeling wordt een plek in het bebouwingslint langs de Schuineslootweg ingevuld met een woonperceel. Het woonperceel is zowel uit ruimtelijk als functioneel oogpunt als passend aan te merken. Het gemeentelijke beleid 'Buurtschappennota' wordt hierbij gevolgd. Dit alles wordt landschappelijk ingepast.
- artikel 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit) en artikel 4.11 (kwaliteitsimpuls Groene Omgeving):
In deze paragraaf blijkt dat de ontwikkeling voldoet aan het Of-, Waar- en Hoe-benadering. Ook voldoet het aan het Uitvoeringsmodel. Het erf zal landschappelijk worden ingepast volgens de geldende gebiedskenmerken. Ook geeft het een kwaliteitsimpuls aan de groene omgeving (buitengebied) van de gemeente Hardenberg. Dit gebeurt door het herstel van de Slotswijk aan de noordzijde van de Elimmerweg. De kwaliteitsimpuls is nader beschreven in het ruimtelijk kwaliteitsplan, dat in Bijlage 1 te vinden is.
- artikel 4.14 (woonafspraken)
Het bouwen van nieuwe woningen kan alleen als dit past binnen de geldende woonafspraken. De nieuwe woningen worden gerealiseerd door de Buurtschappennota van de gemeente te volgen. De woning voldoet aan de kwalitatieve behoefte in de markt en wordt gebouwd voor de lokale behoefte. Hiermee voldoet het aan het beleid van de provincie.
Er zijn zes ontwikkelingsperspectieven: drie voor de Groene Omgeving en drie voor de Stedelijke Omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn.
Ontwikkelingsperspectieven in de Groene Omgeving:
Ontwikkelingsperspectieven in de Stedelijke Omgeving:
Het plangebied ligt in het ontwikkelingsperspectief: 'agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap'. De ambitie is gericht op modernisering en schaalvergroting van de landbouw. Initiatieven binnen dit gebied mogen de mogelijkheden van de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering).
Toetsing van het initiatief aan het Ontwikkelingsperspectief
Ten aanzien van het ontwikkelingsperspectief kan een nuancering aangebracht worden. Het plangebied ligt namelijk in een bebouwingslint aan de rand van een grootschalig landbouwgebied, waar reeds meerdere woonfuncties voorkomen. De woning past als toevoeging in dit lint. Ook is er geen sprake van beperking van agrarische mogelijkheden. Het voornemen is in overeenstemming met het ontwikkelingsperspectief.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van beleving) gelden voorwaarden voor ruimtelijke ontwikkelingen.
1. De 'Natuurlijke laag'
De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de 'Natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstype 'Stuwwallen'. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en van de overgang tussen stuwwal en omgeving. Ook dienen ontwikkelingen bij te dragen aan versterking van de potentiële natuurlijke kwaliteiten van de 'natte voet' van de stuwwal (kwelzone, brongebied) en deze beter zichtbaar maken.
Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag'
De gronden in het gebied zijn in gebruik of zijn in gebruik als tuin. De van oorsprong voorkomende natuurlijke laag is daardoor niet of nauwelijks meer aanwezig. Er wordt met een ruimtelijk kwaliteitsplan ingespeeld op de gebiedskenmerken. Het erf worden landschappelijk ingericht conform de hier geldende gebiedskenmerken, zie het Ruimtelijk kwaliteitsplan.
2. 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'
De 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden gebracht. Door de eeuwen heen is een patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid.
In het plangebied is het gebiedstype 'Oude hoevenlandschap' van toepassing. Dit is een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond.
De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen. Binnen deze structuren zijn er vol op mogelijkheden.
Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'
In voorliggend geval wordt er een nieuw woonperceel gerealiseerd op een locatie waar middels de buurtschappennota reeds een herontwikkeling ten behoeve van wonen als mogelijkheid werd gezien. Ten behoeve van dit plan is een ruimtelijke kwaliteitsplan uitgewerkt (zie paragraaf 2.2.2 en Bijlage 1) op basis van onder andere de gebiedskenmerken zoals hierboven beschreven. Hiermee wordt een zo optimaal mogelijke inpassing van deze woonlocatie in de omgeving bereikt, rekening houdend met de aanwezige gebiedskenmerken. Het voornemen is hiermee in overeenstemming met de gebiedskenmerken.
3. De 'stedelijke laag'
Vanuit de stedelijke laag is het gebiedskenmerk 'Woonwijken 1955 - nu' van toepassing op het plangebied. De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes.
Als ontwikkelingen plaatsvinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp.
Toetsing van het initiatief aan de 'stedelijke laag'
Dit plan gaat uit van de realisatie van een nieuw woonperceel met één woning op een open plek tussen bestaande woonpercelen. Er wordt aangesloten op de bestaande bebouwingsstructuur langs de Schuineslootweg. Het nieuwe bouwplan voegt zich hiermee in de aard, maat en het karakter van de omgeving waarin de woning wordt gerealiseerd. Hiermee is sprake van een passende ontwikkeling van deze locatie. Het initiatief is daarmee in overstemming met de ambities in de 'Stedelijk laag'.
4. De 'laag van de beleving'
In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Laag van de beleving' aangeduid met 'Donkerte'. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden.
Toetsing van het initiatief aan de 'laag van de beleving'
Het buurtschap Schuinesloot is gelegen binnen een gebied waarin het aspect 'donkerte' gezien wordt als een kwaliteit. Ook een buurtschap heeft echter te maken met een bepaalde mate van lichtuitstraling op de omgeving, zeker langs een bebouwingslint. Een bijdrage aan het behoudt van de omgevingswaarden kan echter worden geleverd door percelen langs het lint groen vorm te geven en het gebruik van kunstlicht zoveel mogelijk te minimaliseren. In voorliggend initiatief is met de invulling van het plangebied zoveel mogelijk rekening gehouden met de aanwezige gebiedswaarden (zie ook Bijlage 1). Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling past binnen de laag van beleving.
De ontwikkeling is in overeenstemming met het provinciaal beleid.
Sinds 2021 beschikt de gemeente Hardenberg over een eigen omgevingsvisie. In deze visie is het verhaal van de gemeente Hardenberg voor het heden en de komende 20 jaar uitgewerkt. In de visie komt alles samen in het verhaal van de gemeente tot 2040. Het verhaal heet 'Landstad Hardenberg'.
De visie is vertaald in vier thema's voor ontwikkeling. Dit betreffen de volgende:
Binnen elk thema heeft de gemeente ambities en staat de gemeente voor opgaven. Samen vormen ze de agenda voor toekomstige samenwerkingen. In dit geval is met name het thema 'Hardenberg in balans' relevant, aangezien deze gaat over het landelijk gebied. En thema 'Hardenberg Duurzaam' omdat dit belangrijke aspecten zijn voor de fysieke leefomgeving.
De gemeente zet zich al lang in om ontwikkelingen in het buitengebied bij te laten dragen aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het beleid beschrijft daarom voor elk landschapstype de belangrijkste gebiedskenmerken en ontwikkelingsrichtingen. De resultaten zijn vastgelegd in Landschap-Identiteit-Kaarten (LIK’s). Deze vormen de natuurlijke onderlegger voor ontwikkelvisies voor verschillende deelgebieden.
In dit geval ligt het gebied in het 'Besloten veenontginningslandschap' van de LIK Slagharen, De Krim en (Oud) Lutten. Dit gebied is rationeel ingericht met strookvormige verkaveling.
De natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten in het landelijk gebied blijven voortdurend aandacht vragen. Natuur en landschap staan onder druk, vanwege de energietransitie, klimaatmaatregelen en de transitie in de landbouw. Tegelijk vormen deze ontwikkelen juist een kans om bij te dragen aan de Landstad Hardenberg.
Een goede landschappelijke en ruimtelijke inpassing van vrijkomende agrarische bebouwing is hiervan een voorbeeld. De regeling ‘Erven met kwaliteit’ (voorheen rood-voor-rood) is hiervan de uitwerking. Ruimtelijke kwaliteit ziet de gemeente als “datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is”. De provincie gebruikt deze omschrijving ook.
Het verband tussen de fysieke leefomgeving en de gezondheid wordt steeds meer gezien. Vergeleken met de groten steden staat Hardenberg er goed voor. Door de noaberschap en de goede leefkwaliteit zijn de inwoners in staat om zelf regie te voeren over hun gezondheid. Die kwaliteiten wil de gemeente versterken. De gemeente gaat positieve gezondheid en samenwerkingen stimuleren.
De gemeente stimuleert woningeigenaren om te investeren in duurzaamheid en levensloopbestendigheid. Zo blijft de particuliere woningvoorraad ook in de toekomst aantrekkelijk. De gemeente wil minder energie verbruiken en duurzame energie opwekken. De gemeente werkt samen met andere partijen om iedereen goed te informeren en bewust te maken. Ook wil de gemeente zelf het goede voorbeeld geven.
Duurzame stroomopwek en de warmtetransitie moeten op een goede manier een plek krijgen in het landschap. Daarnaast reserveert de gemeente voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen en voor klimaatadaptatie.
Voorliggende ontwikkeling draagt bij aan de ambitie van de gemeente, namelijk kwaliteit toevoegen middels ruimtelijke inpassing. De woning wordt in lijn met het bestaande weglint van Schuinesloot geplaatst, waardoor de herkenbare wand van bebouwing niet verstoord wordt. Daarnaast wordt de rechtlijnigheid van het landschap versterkt door gebruik te maken van rechtlijnige groenelementen. Ten aanzien van het thema 'Hardenberg in Balans' geldt dat het initiatief bijdraagt aan het vitaal houden van het landelijk gebied en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Voor het thema 'Hardenberg Duurzaam' geldt dat de nieuwe woning duurzaam en gasloos gebouwd gaat worden. Ook blijft er genoeg ruimte over in het gebied om water te bergen.
Samenvattend wordt gesteld dat het initiatief past binnen de omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'.
De gemeente Hardenberg heeft de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid voor het buitengebied van de gemeente geformuleerd in de 'Visienota Buitengebied Gemeente Hardenberg'. De nota richt zich vooral op de realisatie van ruimtelijke kwaliteiten in het buitengebied.
De hoofddoelen van het ruimtelijk beleid zijn:
De hoofddoelen zijn in de visienota als volgt vertaald:
In dit geval is het thema 'wonen' van belang:
Dit heeft de gemeente vertaald in een aantal uitgangspunten/doelstellingen:
Wonen in het buitengebied wordt niet meer gezien als een ongewenste functie maar als een waardevol bestandsdeel van het totale woningaanbod van de gemeente. De gemeente streeft dan ook naar het in stand houden van een gevarieerd aanbod van woonmilieus. Daarbij gaat de gemeente uit van optimale benutting van de bestaande bebouwing en ruimte voor nieuwbouw. Dat wil zeggen dat, los van de sloop en vervanging of hergebruik van bestaande verspreide bebouwing, de nieuwbouw van woningen soms ook mogelijk is.
In de bebouwingslinten is incidenteel ruimte voor opvulling van open gaten met woningbouw of kleinschalige bedrijvigheid. Nader onderzoek per bebouwingslint zal moeten uitwijzen waar deze ruimte aanwezig is. Bij woningbouw op deze plekken moet er voor worden gewaakt dat het groene karakter van de betreffende kern niet (te zeer) wordt aangetast en dat doorzichten naar achterliggend landschap - althans waar planologisch gewenst - intact blijven.
Het plangebied ligt in het deelgebied 'Dedemsvaart-Zuid, Colenbranderbos, Slagharen-Oost/West, De Krim, Bergentheim-Zuid'. Het landschapstype in dit deelgebied betreft het veenontginningslandschap. Dit is goed te zien aan onder andere het kleinschalige landschap, eikenbomen - singels, kronkelend patroon van wegen, licht glooiend landschap en het verspreide bebouwingspatroon.
De ontwikkelingsrichting, gericht op de toekomst, gaat uit van versterking van de landbouw.
Zoals hiervoor is beschreven richt het ontwikkelingsperspectief in dit deelgebied zich vooral op de ontwikkeling van landbouw. Voorliggend plan gaat echter uit van de herontwikkeling van een onbebouwd agrarisch perceel dat is gelegen tussen bestaande woonpercelen langs het bebouwingslint in Schuinesloot. Hier wordt een woning gerealiseerd op basis van de 'Buurtschappennota'. Dit betreft vanwege de aanwezige milieu- en geurgevoelige functies (woningen) geen geschikte locatie voor landbouwontwikkeling. Juist door op dergelijke locaties te voorzien in woningbouw blijft er voldoende ruimte vrij in het buitengebied voor landbouwontwikkeling. De realisatie van een woning op deze plek heeft ook geen verdere beperking voor de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven in de omgeving tot gevolg (zie ook Hoofdstuk 4).
De Buurtschappennota geeft een visie op bouwmogelijkheden in Schuinesloot (inclusief De Belt), Rheezerveen, Hoogenweg, Radewijk, Ane en de Krim. Deze visie is gewenst omdat de gemeenteraad in april 2009 heeft gevraagd om onderzoek te doen naar mogelijkheden voor woningbouw in deze vijf buurtschappen om zo te kunnen voldoen aan de aanhoudende lokale vraag. In 2014 is daar het dorp De Krim aan toegevoegd. De meest actuele Buurtschappennota is vastgesteld op 2 december 2014.
De vijf buurtschappen en De Krim bezitten elk afzonderlijke kenmerken, kwaliteiten en identiteiten. Deze komen voort uit de ontstaansgeschiedenis van de oorspronkelijke nederzettingen. De ruimtelijke kwaliteiten bepalen hoe in dit verband met buurtschappen en dorpen kan worden omgegaan. Verbetering van ruimtelijke kwaliteit is het criterium, om eventuele bebouwing wel of juist niet toe te staan.
Een belangrijk aspect is de afbakening van het plangebied. Uitsluitend binnen het plangebied kunnen theoretische bouwlocaties mogelijk worden gemaakt.
Een belangrijk uitgangspunt, bij de bepaling van het plangebied, is dat het moet gaan om aaneengesloten bebouwing aan hoofdwegen. Zijwegen maken geen deel uit van het plangebied. Hiermee kan een begin van kernvorming worden voorkomen. Het moet gaan om een concentratie van bebouwing. Een uitzondering hierop is Schuinesloot, omdat hier al kernvorming heeft plaatsgevonden. Een bebouwingslint eindigt wanneer er sprake is van een zone of gebied, zonder duidelijk waarneembare bebouwing, met een lengte van 200 meter of meer. Het uitgangspunt is dat bij deze afstand visueel wordt aangenomen dat het lint eindigt en overgaat in onbebouwd landelijk gebied. Een belangrijk aspect in deze context is ook dat een lintbebouwing eindigt wanneer een woonlint overgaat in een agrarisch lint met agrarische (loonwerk) bedrijven. Het is immers niet de bedoeling om tussen agrarische bedrijven "belemmerende" woningbouwlocaties mogelijk te maken. Dit in verband met milieuwetgeving, maar ook uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.
Het uitgangspunt is dat een lintbebouwing eindigt wanneer er sprake is van een zone zonder duidelijk waarneembare bebouwing, met een lengte van 200 meter.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het buurtschap Schuinesloot, en hiermee van het deelgebied 'De Belt/Schuinesloot'.
Aan de orde is nu een mogelijke verdichting van de weglinten en het kanaallint. Het belangrijkste kenmerk is de informele bebouwingsstructuur gericht op de ontginnings-as en de doorzichten naar het achterliggende landelijk gebied. Deze informele bebouwingsstructuur heeft een bepaalde "dichtheid" van bebouwing. De kavelbreedtes variëren, maar er is toch een gemeenschappelijke maat.
De bebouwingsstructuur zegt dus iets over de "dichtheid" van bebouwing. Voorkomen moet worden dat de bestaande informele bebouwingsstructuur te veel wordt verstoord. Dit zou kunnen gebeuren als het lint volledig wordt dicht gebouwd. Het uitgangspunt voor de bebouwingsstructuur is dat er minimaal 30 meter onbebouwde ruimte aanwezig moet zijn tussen duidelijk waarneembare bebouwing. Is deze ruimte aanwezig, dan kan het perceel worden bebouwd, mits de afstand tussen hoofdgebouwen minimaal 10 meter bedraagt en de zijdelingse perceelgrensafstand minimaal 5 meter bedraagt en het bouwperceel minimaal 20 meter breed is.
Doorzichten in een lintbebouwing zijn waardevol. Een kavelstructuur van 70 meter wordt als referentie aangehouden. Onbebouwde openingen in het weglint met een breedte van minder dan 70 meter kunnen voor bebouwing in aanmerking komen. Er bestaan echter ook doorzichten die veel breder zijn, bijvoorbeeld 135 meter. Deze bredere doorzichten mogen worden opgevuld (bebouwd), mits er maar meer dan 70 meter onbebouwd landelijk gebied resteert. Er blijft dan immers nog steeds een waardevol doorzicht van meer dan 70 meter bestaan.
Uitganspunt voor bebouwing is dat er minimaal 30 meter aan onbebouwde ruimte aanwezig moet zijn tussen duidelijk waarneembare bebouwing. Als deze ruimte aanwezig is, kan het perceel worden bebouwd. In het betreffende geval is er sprake van een doorzicht/onbebouwde ruimte van circa 35 meter tussen de woningen aan de Schuineslootweg 45a en 45e, waarmee aan de eis van minimaal 30 meter wordt voldaan. De beoogde kavel is zo gesitueerd dat wordt aangesloten bij de eisen met betrekking tot de afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen (minimaal 5 meter). De kavel is meer dan 20 meter breed (circa 24 meter), waarmee aan de eis van minimaal 20 meter breedte wordt voldaan. Tenslotte wordt voldaan aan de afstand van minimaal 10 meter tussen de hoofdgebouwen. Geconcludeerd wordt dat voorliggend initiatief past binnen het gestelde in de Buurtschappennota.
|
| Afbeelding 3.2: Gewenste beeld (Bron: Buurtschappennota) |
Het Programma Wonen is op 26 maart 2019 door de gemeenteraad van Hardenberg vastgesteld. Het programma legt de woonambities voor de langere termijn vast.
Demografen verwachten dat het aantal inwoners en huishoudens van de gemeente Hardenberg het komende decennium zal blijven groeien. In tegenstelling tot de situatie in de meeste andere Nederlandse plattelandsgemeenten is nieuwbouw noodzakelijk om aan de lokale woningvraag te kunnen voldoen. Volgens de prognoses is er in de gemeente Hardenberg de komende tien jaar behoefte aan ruim 1.600 nieuwe woningen. Natuurlijk zijn er wel verschillen tussen de diverse kernen. Zo zijn ‘steden’ Hardenberg en Dedemsvaart in trek als woonlocatie, ook voor huishoudens van buiten de gemeente. En zijn de dorpen en buurtschappen vooral gewild bij de lokale bevolking en rustzoekers van buitenaf.
De afgelopen jaren is sterk ingezet op woningbouw op locaties binnen bestaand stedelijk gebied. Het bouwen van woningen op inbreidingslocaties is een goed streven, als dat betekent dat de kwaliteit van het gebied en de woonkwaliteit daarmee vergroot wordt.
Voor het buurtschap Schuinesloot gelden de volgende kwalitatieve uitgangspunten voor de particuliere sector:
De realisatie van een vrijstaande woning op deze open plek in het bebouwingslint van Schuinesloot draagt bij aan de lokale kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwbehoefte. Initiatiefnemer is voornemens om zelf de beoogde woning te bewonen. Geconcludeerd wordt dat het initiatief aansluit bij het gestelde in het 'Programma Wonen 2019 - 2025'.
Er moet rekening worden gehouden met de mogelijke extra verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. In de 'Parkeernormennota Hardenberg' is bepaald hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Dit is afhankelijk van de locatie en soort ontwikkeling. Het aantal verkeersbewegingen wordt bepaald door gebruik te maken van de kencijfers uit het CROW. Er wordt uitgegaan van gemiddelden.
Met het initiatief wordt een woning toegevoegd. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:
Voor een vrijstaande woning geldt, op basis van het CROW, een extra verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per weekdagetmaal.
De omliggende wegen zijn goed ingericht om deze verkeersbewegingen eenvoudig en veilig te kunnen verwerken.
Op basis van de te hanteren uitgangspunten zijn voor de vrijstaande woning 2,4 (afgerond 3) parkeerplaatsen nodig.
Op eigen erf is voldoende ruimte om te voorzien in de parkeerbehoefte. In het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) is te zien dat er voldoende ruimte is om op eigen terrein parkeerplaatsen te maken.
Er wordt hiermee voldaan aan het parkeerbeleid van de gemeente Hardenberg.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de gezondheid en het milieu worden beschermd. De aspecten sluiten aan op de onderdelen die zijn genoemd in artikel 1.2 van de Omgevingswet.
In het Bkl staan regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en andere activiteiten. Ze staan in paragraaf 5.2.4.2. Bkl. Ook zijn er regels opgenomen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen.
In dit geval zijn de bestaande woningen bestaande geluidgevoelige gebouwen. Hier wijzigt niets. De compensatiewoning is een nieuw geluidgevoelig gebouw dat beschermd moet worden tegen geluid.
In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden (artikel 17.5 Omgevingsregeling):
Het plangebied valt binnen het geluidsaandachtsgebied van de Schuineslootweg. Gezien de afstand van de woning tot de weg (circa 15 meter) en de verkeersintensiteit van de weg worden geen belemmeringen verwacht. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de geluidskaart van de Atlas Leefomgeving. Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting op de woning maximaal circa 52 dB bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl.
|
| Afbeelding 4.1: Uitsnede geluidskaart Atlas Leefomgeving (Bron: provincie Overijssel) |
De meest nabijgelegen spoorweg ligt op zeer ruime afstand van het plangebied. Het plangebied bevindt zich daarmee buiten het geluidsaandachtsgebied van spoorwegen.
Er zijn rondom het plangebied geen industrieterreinen aanwezig met een geluidsaandachtsgebied. Het aspect industrielawaai is daarmee niet van toepassing.
De in dit kader meest relevante milieubelastende functies betreffen de bedrijfspercelen aan de Schuineslootweg 49, 60, 76 en 78/78a. Ter plaatse van deze locaties zijn conform het omgevingsplan bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Bedrijven uit deze milieucategorie kennen in het gebiedstype 'rustige woonwijk' (rustig buitengebied) een grootste richtafstand van 30 meter voor geluid. De dichtstbijzijnde bedrijfslocatie bevindt zich in voorliggend geval aan de Schuineslootweg 60, op minimaal 15 meter van het plangebied. De overige bedrijfspercelen bevinden zich op minimaal 100 meter afstand.
Gemeten van bedrijfsperceel tot het plangebied wordt uitsluitend niet voldaan aan de richtafstand in relatie tot het bedrijf aan de Schuineslootweg 60. Één van de stedenbouwkundige voorwaarden die door de gemeente is gesteld is dat de woning moet worden gepositioneerd in lijn met de voorgevelrooilijn van de naastgelegen woningen. De afstand tussen de woning en het bedrijfsperceel bedraagt hiermee minimaal 25 meter.
Daarnaast bevindt de bedrijfsbebouwing op het perceel Schuineslootweg 60 zich achter de op het perceel aanwezige bedrijfswoning. De afstand van het plangebied tot deze bedrijfswoning en de daadwerkelijke bedrijfsbebouwing bedraagt respectievelijk minimaal 40 en 70 meter. De afstand tussen de woning binnen het plangebied en de bedrijfsbebouwing bedraagt nog meer met minimaal 80 meter. Het bedrijf moet voor wat betreft haar bedrijfsvoering en eventuele ontwikkelingsmogelijkheden reeds rekening houden met de naastgelegen woningen aan de Schuineslootweg 58a en 64 en ook de burgerwoningen aan de Schuineslootweg 45a en 45e.
De nieuw te bouwen woning komt tegenover het perceel Schuineslootweg 60 op nagenoeg dezelfde afstand als de huidige woningen van de percelen Schuineslootweg 45a en 45e. Dit is geborgd door het bouwvlak van de nieuw te realiseren woning dezelfde rooilijn heeft als de woningen van de percelen Schuineslootweg 45a en 45e. Hiermee kan de woning niet onbedoeld dichter op het bedrijfsbestemmingsvlak komen van het perceel Schuineslootweg 60.
Op basis van het bovenstaande mag worden verwacht dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omliggende bedrijven worden daarnaast niet verder beperkt in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden dan waar reeds sprake van is. In dit kader zijn dichter op deze bedrijven gelegen woningen in alle gevallen al maatgevend.
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het beschermen van de bodemkwaliteit is een onderdeel bij de afweging van de aspecten van de fysieke leefomgeving. Ter bescherming van de bodemkwaliteit zijn instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de kwaliteit van de bodem.
In het kader van de beoogde nieuwbouw is door Terra Carta een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. Het volledige onderzoek is in Bijlage 2 bij de toelichting opgenomen. De belangrijkste onderzoeksresultaten en -conclusie uit dit onderzoek zijn hieronder opgenomen.
Verkennend bodemonderzoek NEN5740
Zintuigelijke waarnemingen
De grond bestaat overwegend uit matig fijn, zwak siltig, zwak tot matig humeus zand. Ter plaatse van boring B5 wordt tussen 1,5 - 2,0 m-mv brokken vuursteen aangetroffen.
Uit visuele inspectie tijdens uitvoering van het bodemonderzoek blijkt de grond geheel vrij van potentieel verontreinigde bijmenging of ander bodemvreemd materiaal.
Grond(water)resultaten
Alle mengmonsters, van zowel de bovengrond als ook de ondergrond (inclusief grondwater), zijn geheel vrij van verontreiniging.
Conclusie
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
De bodem is van voldoende kwaliteit voor de uitvoering van dit voornemen.
Voor de bescherming van de luchtkwaliteit zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Locaties met hoge concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof zijn aangemerkt als aandachtsgebied. Vooral in en vlakbij een aandachtsgebied moeten overheden toetsen aan de omgevingswaarden. Dit is niet nodig indien een activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Volgens het Bkl dragen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging:
Er zijn een paar situaties die de overheid nog wel in het hele land moet beoordelen. Dit zijn:
Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.
Op circa 1,4 kilometer afstand van het plangebied is een geitenhouderij aanwezig (Schuineslootweg 134). Het onderzoek Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM laat een verband zien tussen het risico op longontsteking bij omwonenden en de afstand tot geitenhouderijen. GGD’en adviseren daarom uit voorzorg 2 kilometer afstand aan te houden tussen een geitenhouderij en een gevoelige bestemming (waaronder kinderopvang). In voorliggend geval is geen sprake van het mogelijk maken van een gevoelige bestemming (zoals een kinderopvang). Daarnaast is uit het onderzoek af te leiden dat het extra risico op longontsteking vanaf 500 meter tot een geitenhouderij snel afneemt. Aangezien de afstand in voorliggend geval circa 1,4 kilometer bedraagt is het extra risico op longontsteking beperkt.
De toekomstige bewoners zijn op de hoogte van de bovengenoemde feiten, zodat zij zelf een persoonlijke afweging kunnen maken.
Mochten toekomstige bewoners overwegen om op de betreffende locatie een kinderopvang/gastouderopvang te starten dan is een specifiek advies van de GGD nodig. Daarbij zal t.z.t. uiteraard uitgegaan worden van de dan geldende wetenschappelijke inzichten.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.
De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg.
Geurnormen voor het houden van dieren bestaan voor sommige diersoorten uit afstanden en voor sommige diersoorten uit geurwaarden. Deze normen staan in het Omgevingsplan (paragraaf 22.3.6). De geurnormen beogen mede een omgekeerde werking te hebben. De normen dienen niet alleen als toetsingskader voor milieuvergunningen, maar geven ook aan welke geurbelasting de gemeente aanvaardbaar vindt op het platteland.
In de omgeving van de woning zijn verschillende veehouderijen aanwezig. Er is onderzoek gedaan naar de mogelijke geurbelasting van deze veehouderijen. In Bijlage 3 is dit onderzoek opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat de voorgrond geurbelasting hoogstens 0,1 OUE/m3 bedraagt ter plaatse van de gevels van de te realiseren woning. Met deze waarde wordt ruimschoots voldaan aan de vastgestelde norm van 5 OUE/m3 98 percentiel voor een geurgevoelig object in de buffer rondom diverse kernen zoals gesteld in de gemeentelijke geurverordening en aan de 3.0 OUE/m3 uit de Wet geurhinder en veehouderijen. Het woon- en leefklimaat met betrekking tot de voorgrondgeurbelasting is te kwalificeren als ‘zeer goed’.
De achtergrondgeurbelasting bedraagt afgerond hoogstens 0,62 OU/m3. Met deze geurbelasting heeft <5 % van het aantal inwoners last van de achtergrondgeurbelasting en is de milieukwaliteitseis als ‘zeer goed’ te kwalificeren.
Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de achtergrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als ‘zeer goed’.
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor dit plan.
Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van het omgevingsplan. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van het omgevingsplan en 5.87a van het Bkl.
Op basis van de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen is het onderzoeksgebied in beginsel 100 meter. Het plangebied ligt op ongeveer 9 kilometer van een spoorlijn. Hiermee wordt geconcludeerd dat het trillingsniveau niet boven de streefwaarde uitkomt.
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Licht kan wenselijk zijn of juist hinderlijk. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt. Dit heet daglichttoetreding. In het Bbl staan regels voor voldoende daglicht in bouwwerken (nieuwbouw). Deze verschillen per gebruiksfunctie en soort ruimte.
Kunstlicht kan leiden tot diverse vormen van lichthinder. Kunstlicht komt van (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouw en sportterreinen. De provincie heeft voor sommige gebieden 'donkerte' als waarde bepaald.
Bij de vergunningaanvraag voor de bouw van de woning zal getoetst worden aan de regels over de daglichttoetreding en bezonning. Er zal naar verwachting geen onevenredige toename zijn van lichthinder in het landelijk gebied. Het plangebied bevindt zich in het bebouwingslint van Schuinesloot. Daarmee is sprake van een bundeling van licht veroorzakende stedelijke functies. Het plangebied valt binnen dit bebouwingscluster. Daarnaast wordt het overmatig gebruik van kunstlicht voorkomen.
Vanuit het aspect licht is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn groot en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen.
De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor de plannen voor waterbeheer in de regio. Ook is de provincie verantwoordelijk voor vergunningverlening voor drinkwaterwinning. De ambities zijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving.
De waterschappen beheren water en waterkeringen (dijken) en zuiveren afvalwater. Ook zorgen zij voor de kleine waardevolle wateren, zoals vennen en bronnetjes. Voor grotere rivieren, meren en kanalen en grondwaters bestaat de Europese Kaderrichtlijn. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen.
Bij nieuwe plannen dient rekening te worden gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Dit houdt in dat de gevolgen van het plan op de waterbelangen beschreven moeten worden. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets. De waterbelangen en waterhuishoudkundige doelstellingen worden hierbij afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen gaan over zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Voor dit plan is gebruikt gemaakt van de digitale watertoets. Hierdoor wordt ook het betrokken waterschap geïnformeerd. In dit geval is dat het waterschap Vechtstromen. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de 'korte procedure'. Hierbij is de standaard waterparagraaf van toepassing. In Bijlage 4 is het resultaat van de watertoets opgenomen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.
Het plan heeft een geringe invloed op de waterhuishouding:
Het initiatief is niet in strijd met de waterbelangen.
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ook gekeken worden naar de gevolgen van rampen. Daarvoor zijn in het Bkl risicobronnen aangewezen. Het gaat om:
Deze risicobronnen hebben aandachtsgebieden. Ze zijn digitaal te raadplegen in het Register Externe Veiligheid. Binnen een aandachtsgebied worden bij voorkeur geen kwetsbare gebouwen of locaties gerealiseerd. En ook geen beperkt kwetsbare gebouwen of locaties of zeer kwetsbare gebouwen. Soms kan dat toch, bijvoorbeeld als er extra maatregelen worden getroffen die worden vastgelegd in voorschriftengebieden. Denk bijvoorbeeld aan extra bouweisen.
De risico's ten aanzien van externe veiligheid zijn in te zien in onderstaande afbeelding. Het plangebied is hierin indicatief aangegeven met de blauwe ster.
|
| Afbeelding 6.1: Risico's externe veiligheid (Bron: ev-signaleringskaart.nl) |
Het voorgenomen plan maakt geen risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen mogelijk en vormt daarmee geen risicobron. Wel wordt een kwetsbaar gebouw gerealiseerd. Daarom dient gekeken te worden naar risicobronnen in de omgeving.
Het plangebied valt buiten de aandachtsgebieden van de risicobronnen in de omgeving. Daarmee kan geconcludeerd worden dat er geen (veiligheids)maatregelen getroffen moeten worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis.
Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan instructieregels voor de gemeente. Deze gaan over:
De aspecten cultuurhistorie (monumenten) en archeologie worden hierna uitgewerkt.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
Er bevinden zich binnen het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. In het Ruimtelijk kwaliteitsplan is rekening gehouden met het behoudt van zichtlijnen naar het achterliggende agrarische gebied. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan.
Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering met betrekking tot het plan.
In de Erfgoedwet staat een archeologische zorgplicht wanneer de bodem wordt verstoord. Er is dan onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
De archeologische verwachting is verwerkt in het omgevingsplan van rechtswege. Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Dit houdt in dat een archeologisch onderzoek nodig is wanneer de bodemverstorende activiteiten groter dan 500 m2 zijn en een diepte van 50 cm of meer hebben. De dubbelbestemming heeft in voorliggend geval echter slechts betrekking op een grondgebied van circa 100 m² aan de wegzijde van het plangebied (waar ook de woning niet is beoogd). Een archeologisch onderzoek is dan ook niet benodigd.
Het aspect archeologie is geen belemmering voor het plan.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is. En of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De ladder is beleidsneutraal overgezet naar het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling het toepassen van de ladder is vereist.
Voor de toetsing aan de ladder is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de volgende begrippen:
Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat 'voldoende substantieel' is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.
Uit de overzichtsuitspraak (ABRvS 28 juni 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1724, 201608869/1/R3) blijkt dat het realiseren van 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling.
In het plan is sprake van het toevoegen van één woning. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet van toepassing.
Voor de bescherming van het landschap geldt het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet staat dat 'landschappen' een onderdeel zijn van het fysieke leefomgeving. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. De gemeente Hardenberg heeft dit gedaan middels de Landschap Identiteits Kaarten.
De gemeente heeft voor het gebied een Landschap-Identiteit-Kaart (LIK) gemaakt. In de LIK wordt de identiteit van het gebied bepaald. Op deze wijze wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit van het gebied versterken.
Het plangebied ligt in het 'Besloten veenontginningslandschap' van de LIK Slagharen, De Krim en (Oud) Lutten.
De huidige ruimtelijke kwaliteiten voor dit gebied zijn als volgt gedefinieerd:
De visie voor dit gebied bestaat uit:
Er is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door het treffen van landschapsmaatregelen. Voor het bepalen van de landschapsmaatregelen is een ruimtelijke kwaliteitsplan (Bijlage 1) opgesteld. De landschappelijke kenmerkende waarden van het Besloten veenontginningslandschap zijn als uitgangspunt genomen. De landschapsmaatregelen bestaan uit het aanplanten van gebiedseigen beplanting ter plaatse van het erf. De LIK is gekoppeld aan de regels ter bescherming van de landschappelijke kenmerkende waarden. Hiermee is het plan in overeenstemming met de LIK.
Het is wenselijk dat bouwplannen voor gebouwen van goede kwaliteit zijn. En dat ze passen in het bebouwingsbeeld. Er zijn twee welstandsnota's, een voor de stads- en dorpskernen en een voor het buitengebied. Voor het buitengebied is dat de 'Welstandsnota Buitengebied'. Deze nota is vastgesteld op 3 december 2013. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente. Daarom is deze van toepassing.
Voor Hardenberg zijn drie gebieden te onderscheiden op basis van de gebiedskarakteristieken. In onderstaande afbeelding zijn de grootste verschillen weergegeven.
|
| Afbeelding 7.1: Uitsnede welstandsgebieden (Bron: Gemeente Hardenberg) |
De gemeente onderscheidt per gebied drie niveaus van welstand.
Het gebied ligt in het Veen-ontginningslandschap. En heeft niveau 1 voor de welstand. Bij de inrichting van het erf is rekening gehouden met de positie van de bebouwing op het erf. In het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) is hier nader op ingegaan. De aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de woning moet voldoen aan de welstandscriteria in de welstandsnota.
De natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Bij natuurbescherming gaat het om de bescherming van gebieden en de bescherming van soorten. In dit hoofdstuk komt aan de orde hoe dit plan rekening houdt met de bescherming hiervan.
Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. In deze gebieden worden dieren, planten en hun leefomgeving beschermd. Activiteiten die significante negatieve gevolgen kunnen hebben voor deze gebieden worden gedefinieerd als Natura 2000-activiteiten. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 5.1 lid e van de Omgevingswet vergunningplichtig.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Vecht- en Beneden-Reggegebied'. Dit ligt op ongeveer 12,5 kilometer van het plangebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder wordt tevens gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. In dit geval kan op basis van de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling in combinatie met de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten dat sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De bescherming van het NNN kent geen externe werking.
Het dichtstbijzijnde deel van het NNN ligt op circa 4,5 kilometer afstand van het plangebied. Het plangebied ligt daarmee niet in of in de directe nabijheid van het NNN, waarmee kan worden geconcludeerd dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Dit plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde gebieden.
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dit zijn flora- en fauna-activiteiten. Bij een activiteit is het nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit zijn. Er zijn maar weinig activiteiten waarbij vooraf al is uit te sluiten dat ze een flora- en fauna-activiteit tot gevolg hebben. Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bepaalt wanneer een vergunning nodig is.
Op de locatie is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten en conlusies. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting.
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. Sommige beschermde vogel-, vleermuis-, amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien deze werkzaamheden uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor het beschadigen/vernielen van de (winter)rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling, maar deze vrijstelling geldt niet voor het doden van beschermde dieren. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, mogen ze verjaagd worden of kan de bouwplaats ongeschikt gemaakt worden, zodat de dieren zelfstandig vertrekken. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren (opzettelijk) gedood worden, dient een ontheffing aangevraagd te worden.
Voor het rooien van de fijnsparren binnen het plangebied geldt de zorgplicht. Dit dient buiten het broedseizoen plaats te vinden.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor beschermde dieren niet af.
Het plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde soorten.
Het plan leidt niet tot negatieve effecten op de natuur.
Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Dit zijn bijvoorbeeld wegen, spoorwegen, luchthavens en waterstaatswerken (rivieren etc.). Voorbeelden van beperkingengebiedactiviteiten zijn het plaatsen van een reclamebord naast een snelweg of het bouwen op een zeedijk. Om de functie van het werk of object te beschermen, gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied).
Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Schuineslootweg. Deze weg heeft geen beperkingsgebied. Het plangebied ligt daarmee niet binnen een beperkingsgebied.
Het plangebied ligt niet binnen een beperkingsgebied.
Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving.
In Hoofdstuk 6 is al ingegaan op mogelijke buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Hieruit blijkt dat er geen buisleidingen aanwezig zijn. Daarnaast zal voorafgaand aan de bouw van de woning een Klic-melding worden gedaan. Hiermee wordt voorkomen dat kabels en leidingen tijdens de bouw van de woningen worden beïnvloed.
Het plangebied heeft in deze fase geen nadelige gevolgen op de kabels en leidingen.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Aan de hand van bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen. In kolom 1 staan de projecten opgesomd. In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is. In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt. Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt.
Het plan gaat uit van het toevoegen van één vrijstaande woning. Op basis van kolom 1 van bijlage V Ob valt dit onder een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen' (J11).
Beoordeeld moet worden of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Als dat het geval is moet een milieueffectrapport worden gemaakt. Of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben moet worden beoordeeld aan de hand van de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, dat wil zeggen: de kenmerken van het project, de plaats van het project en de potentiële effecten.
Het project leidt niet tot aanzienlijke milieugevolgen vanwege:
Er hoeft geen milieueffectrapport te worden gemaakt.
Dit plan brengt geen negatieve effecten op het milieu met zich mee. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
Overheden zijn verplicht om de kosten van een ontwikkeling te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur.
In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
Participatie is een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.
Initiatiefnemer heeft de omwonenden persoonlijk bezocht met en geïnformeerd over de plannen voor het realiseren van een woning met bijgebouw op de locatie tussen Schuineslootweg nummer 45a en 45e. De volgende omwonenden zijn bezocht:
De reacties waren unaniem positief. Er zijn geen bezwaren kenbaar gemaakt.
In deze paragraaf zal verslag worden gedaan van de reacties van de betreffende instanties.
Dit TAM-omgevingsplan heeft voor een periode van zes weken als ontwerp ter inzage gelegen. Er zijn tijdens de inzagetermijn geen geen zienswijzen binnengekomen.
Op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat het omgevingsplan voor de hele gemeente de regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Bkl staan de instructieregels voor de hoofdonderwerpen. Een omgevingsplan houdt in ieder geval voldoende rekening met onderstaande onderwerpen:
Deze onderwerpen zijn beoordeeld in hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 10. Hieruit blijkt dat het plan met alle aspecten voldoende rekening houdt. Geconcludeerd wordt dat met deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.