direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In het buitengebied van de gemeente Hardenberg in Collendoorn ligt het woonperceel Venneweg 19 en 19i. Ter plaatse bevindt zich een woning (met inwoning) met een aantal bijgebouwen en overkapte buitenrennen voor honden. Een aantal van deze bijgebouwen wordt momenteel gebruikt voor een hondenpension.

De initiatiefnemer heeft al enkele jaren hobbymatig een hondenpension en de capaciteit is langzaam gegroeid tot de opvang van circa 35 honden. Het voornemen is om het hondenpension bedrijfsmatig te gaan voeren en de capaciteit te laten groeien tot circa 60 honden. Hiervoor worden enkele ontsierende bijgebouwen gesloopt en vervangen door twee nieuwe schuren, waarmee ook de kwaliteit wordt verbeterd. Een deel van de bijgebouwen zijn voor privégebruik en blijven behouden. Initiatiefnemer wil het hondenpension planologisch mogelijk te maken, waarbij geïnvesteerd wordt in de ruimtelijke kwaliteit.

Samengevat bestaat de ontwikkeling uit het volgende:

  • Slopen van 201 m2 aan bebouwing in de vorm van losstaande overdekte kennels, bijgebouwen en overkappingen;
  • Realiseren van twee bedrijfsgebouwen van elk 200 m2 ten behoeve van het hondenpension;
  • Landschappelijk inpassen van het erf middels een ruimtelijk kwaliteitsplan, waarmee de kwaliteit wordt verbeterd;
  • Gebouwen inpassen middels een beeldkwaliteitsparagraaf.

Bovenstaande ontwikkelingen zijn niet in overeenstemming met de geldende regels van het omgevingsplan. De locatie ligt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan waaronder het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg'. Op basis van de huidige regels heeft het erf een woonbestemming met rondom een agrarische bestemming. Het bedrijfsmatig runnen van een hondenpension is niet toegestaan. Ook het bouwen van gebouwen voor de hondenpension is niet mogelijk.

Het omgevingsplan dient te worden gewijzigd. Voorliggende motivering voorziet in een passend juridisch-planologisch kader en toont aan dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Hardenberg. Het plangebied ligt aan de Venneweg 19 en 19i te Collendoorn. Hierna is de ligging van het plangebied ten opzichte van Hardenberg en de directe omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01_0001.png"  
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van Hardenberg en de directe omgeving (Bron: Plattekaart.nl)  

1.3 Het omgevingsplan

Het omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel en een niet-tijdelijk deel. De bestemmingsplannen vallen onder het tijdelijke deel. De voorbereidingsbesluiten ten aanzien van windenergie, zonneparken en datacentra gaan over deze specifieke onderwerpen en zijn in dit kader minder relevant. Het voorbereidingsbesluit Omgevingsverordening 2021 - gemeente Hardenberg bevat regels omtrent veehouderijen, grondwaterbescherming en bodembescherming. In dit geval zijn ook deze regels niet relevant.

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de onderdelen (bestemmingsplannen) van het omgevingsplan.

Naam   Vaststellingsdatum  
Omgevingsplan gemeente Hardenberg   1 januari 2024  
Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg;   2 december 2014  
Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, herziening regels;   29 september 2016  
Bestemmingsplan Facetherziening parkeren Hardenberg   17 juli 2018  
Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kleine Windturbines Bij Agrarische Bedrijven   21 juni 2022  

De bestemmingsplannen omtrent parkeren en kleine windturbines bevatten planologische regels omtrent parkeren en kleine windturbines. Voor het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg' het meest relevant. Hierbinnen heeft het plangebied de enkelbestemming 'Wonen - Besloten veenontginnigslandschap' en 'Agrarisch met waarden - Besloten veenontginningslandschap'. Ook gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5'.

In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van het bestemmingsplan. Het plangebied is aangegeven met de rode lijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01_0002.png"  
Afbeelding 1.2: Uitsnede van "Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg" (Bron: omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart)  

Gronden met de bestemming 'Wonen - besloten veenontginningslandschap' zijn met name bedoeld voor wonen met inbegrip van aan-huis-gebonden beroepen en met tuinen en erven. Het gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met bedrijfsdoeleinden anders dan een aan-huis-gebonden beroep is niet toegestaan. Een hondenpension is daarnaast geen aan-huis-gebonden-beroep zoals bedoeld in de regels van het bestemmingsplan. De oppervlakte aan bijgebouwen dient niet meer te zijn dan het bestaande.

Gronden met de bestemming 'Agrarisch - besloten veenontginningslandschap' zijn met name bedoeld voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en de instandhouding van de sterke gebiedskenmerken van het besloten veenontginningslandschap. Op deze gronden kan alleen gebouwd worden binnen een bouwvlak ten dienste van de agrarische (bedrijfs)functie.

Bij 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5' geldt dat er een archeologisch rapport overlegd moet worden als gronden verstoord wroden. Dit geldt alleen bij het roeren van gronden met een oppervlakte groter dan respectievelijk 500 m2 en 2.500 m2 en een diepte van 50 cm of meer. In dit rapport moet aangetoond worden dat de archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld en dat deze beschermd kunnen worden.

Strijdigheid 

Het uitoefenen van een hondenpension past zowel in de woon- als agrarische bestemming niet. Binnen beide bestemmingen ontbreken de bouw- en gebruiksregels. Daarnaast dient het aantal vierkante meters aan bebouwing te worden vergroot om het beoogde hondenpension toe te staan. Ter compensatie dient de ruimtelijke kwaliteit te worden verbeterd. De ontwikkeling dient daarom gepaard te gaan met een goede landschappelijke inpassing.

1.4 De bij het besluit horende stukken

Het plan ''TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn” bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01) en een renvooi;
  • regels (met bijbehorende bijlagen);
  • deze motivering (met bijbehorende bijlagen).

Op de verbeelding zijn de functies van de gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een motivering. De motivering geeft een duidelijk beeld van het plan. En van de daaraan ten grondslag liggende gedachten. Dit maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 2 Wijziging van de fysieke leefomgeving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt in het buitengebied in de buurtschap Collendoorn, ten noordwesten van Hardenberg. Verspreid in de omgeving liggen meerdere woonpercelen en (agrarische) bedrijven, in een overwegend agrarisch cultuurlandschap.

Het erf zelf ligt aan de Venneweg 19 en wordt volledig omgeven door agrarische cultuurgronden. Het erf bestaat uit een woning met inwoning en een aantal bijgebouwen. Het erf wordt ontsloten middels een inrit op de Venneweg. In onderstaande afbeelding 2.1 is een vogelvluchtimpressie opgenomen van het plangebied en in 2.2 enkele straatbeelden. In afbeelding 2.3 zijn foto's opgenomen van een groot deel van de huidige bebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01_0003.png"  
Afbeelding 2.1: Vogelvluchtimpressie plangebied (Bron: Cyclomedia)  
 
afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01_0004.png"  
Afbeelding 2.2: Luchtfoto plangebied vanaf de Venneweg (Bron: Ruimtelijk kwaliteitsplan Venneweg 19 De Erfontwikkelaar)
 
afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01_0005.png"  
Afbeelding 2.3: Fotoimpressie huidige situatie bebouwing (Bron: Initiatiefnemer)  

In afbeelding 2.4 is op een luchtfoto de huidige situatie weergegeven, waarbij de bijgebouwen zijn aangeduid met nummers. Het gaat om de volgende bijgebouwen:

  • Bijgebouw 1: 60 m2 + 36 m2;
  • Bijgebouw 2 (overkapping): 18 m2;
  • Bijgebouw 3: 46 m2;
  • Bijgebouw 4: 78 m2;
  • Bijgebouw/overkappingen 5: 121 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01_0006.png"  
Afbeelding 2.4: Luchtfoto plangebied Bron: principeverzoek initiatiefnemer  

Bijgebouw 1 behoort tot de bewoners van de inwoonsituatie, evenals bijgebouw 2. Bijgebouw 1 betreft een schuur met aangebouwde overkapping. De schuur is 60 m2 en de overkapping 36 m2. De overkapping zal gesloopt worden. Bijgebouw 2 betreft een vrijstaande overkapping. Beide gebouwen zijn in privégebruik. Bijgebouw 3 behoort bij het woongedeelte van initiatiefnemer en wordt ook privé gebruikt.

Bijgebouw 4 en 5 behoren ook tot initiatiefnemer en betreffen de bijgebouwen die worden gebruikt voor het hobbymatig houden van twee paarden en voor het hondenpension. Momenteel is hier ruimte voor het houden van circa 35 honden. Rond deze bijgebouwen liggen de loopweides voor de honden. Bijgebouw 5 betreft feitelijk een aaneenschakeling van gebouwen/bouwwerken. Het betreffen een aantal losse, overdekte buitenrennen waar honden opgevangen worden. Met kennelrekken zijn verschillende buitenruimtes gemaakt voor de honden. Door de open structuur wordt hondengeblaf vrijwel niet gedempt. Het geheel heeft een enigszins rommelige uitstraling.

Tot slot wordt opgemerkt dat nog een zesde bijgebouw, een kippenhok, niet op de luchtfoto staat. Dit kippenhok is nog in aanbouw en krijgt een oppervlakte van enkele vierkante meters (4 m2) en een bouwhoogte van 2 meter.

De totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt dan ook 359 m2. Bijgebouw 1, 2 en 3 liggen achter de voorgevel van de woning, er vanuit gaande dat de voorgevel de gevel is die naar de openbare weg gekeerd is. Gezien de voordeur aan deze zijde (zuidzijde) ligt, kan dit als meest logische voorgevel aangemerkt worden. De oppervlakte van deze bijgebouwen gezamenlijk is 124 m2. Dit past binnen de regels van vergunningsvrij bouwen. De bijgebouwen voldoen qua maatvoering ook aan de voorwaarden voor vergunningsvrij bouwen. Bijgebouw 4 is in 1968 gebouwd volgens het BAG en is in gebruik als onderdeel van het hondenpension (deels) en deels hobbymatig houden van paarden. In het verleden was dit een bakhuisje. In de nieuwe situatie is dit geen pension, maar puur hobbymatig voor paarden en wat opslag. Oppervlakte is bepaald aan de hand van het BAG. Doordat het gebouw al zolang aanwezig is, valt dit daarmee onder het overgangsrecht.

Tot slot is er ten zuiden van de schuren een mestopslag aanwezig. Binnen het plangebied worden ook hobbymatig enkele geiten, konijnen en kippen gehouden. Tussen de Venneweg en het erf ligt een paardrijbak met een grote weide dat gebruikt kan worden voor het hobbymatig houden van enkele dieren. Het bestaande erf is sober en functioneel ingericht. Er is een duidelijke scheiding tussen het ‘voor’ erf met fruitbomen en enige sierbeplanting en het achtererf dat veel functioneler is ingericht met grote eiken en gras.

2.2 Gewenste situatie

De gewenste situatie bestaat uit het planologisch inpassen van het hondenpension en tevens de uitbreiding en herinrichting daarvan aan de Venneweg 19/19i te Collendoorn. De locatie is gunstig vanwege de afstand tot woonbestemmingen en is goed bereikbaar vanuit de omliggende woonkernen. Het (hobbymatige) hondenpension is al op dit erf gevestigd dus verplaatsing ligt niet in de rede. Het bestaande hobbymatige hondenpension voor circa 35 honden zal hiermee worden vergroot naar maximaal 60 honden. Door het slopen van de verouderde bebouwing en het bouwen van twee nieuwe schuren voor het bedrijf, ontstaat een net en toekomstbestendig bedrijf. Om het geheel planologisch passend te maken zal een bedrijfsbestemming opgenomen moeten worden waarbinnen het bedrijf en de bedrijfswoning ingepast worden. Ook zal het geheel landschappelijk ingepast worden.

Het is wenselijk om twee gebouwen, met een oppervlakte van 200 m2 per gebouw te realiseren. Het bouwplan omvat twee dezelfde gebouwen met elk circa 18 kennels van circa 4 m2, die elk hun eigen overdekte buitenruimte hebben van eveneens circa 4 m2. Verder zijn er in de gebouwen een centrale gang en ondersteunende ruimtes voor personeel, kantoor, onderhoud en opslag. Verder moeten er mogelijkheden zijn om honden in quarantaine te zetten. Dit is eenvoudiger te organiseren met twee gebouwen. Opgemerkt wordt dat er dus overdekte buitenruimte voor de kennels onder de kappen van de gebouwen zit. Er zit geen verdieping in de gebouwen en de nokhoogte is met 4,4 meter laag. Ter vergelijking heeft een bijgebouw dat blijft behouden een nokhoogte van 5,05 meter. Er hoeven geen bomen gekapt te worden. De bouwvolumes van de twee gebouwen hebben een grote oppervlakte, maar juist door deze volumes toe te staan, voorkomen we dat er weer kleine aanbouwen of losse kennels komen. In onderstaande afbeelding een ontwerpschets van deze gebouwen. De uitstraling van het gebouw zal passend zijn in de omgeving. De gebouwen zullen een rechthoekig grondvlak met een zadeldak krijgen. De dakgoot zal subtiel vormgegeven worden, waarbij de gebruikte materialen niet glimmend zullen zijn. De detaillering van de gebouwen zal doelmatig zijn en sober. Het materiaal zal traditioneel zijn en bestaan uit bakstenen of houten gevels (of vergelijkbare varianten) met een dak van pannen, riet of plaatmateriaal.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01_0007.png"  
Afbeelding 2.4: Ontwerp nieuw te bouwen gebouwen ten behoeve van hondenpension (Bron: De Erfontwikkelaar)  

Naast deze twee nieuwe gebouwen blijft het bestaande gebouw (eerder aangeduid als bijgebouw 4 in afbeelding 2.3) in gebruik als privéruimte (opslag) en ruimte voor het hobbymatig houden van twee paarden. Op het perceel zullen andere bijgebouwen en overkappingen worden gesloopt ten behoeve van de nieuwe gebouwen voor het hondenpension. In afbeelding 2.5 zijn deze te slopen gebouwen rood aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01_0008.png"  
Afbeelding 2.5: Te slopen bebouwing Venneweg 19/19i (Bron: De Erfontwikkelaar)  

Onderdeel van de ontwikkeling betreft tevens het toestaan van een bestaande omheining rond de paardenbak, een schutting voor de voorgevel van de woning en een in aanbouw zijnde kippenhok. De omheining dient formeel geregeld te worden, aangezien aan de bouwhoogte van maximaal 1 meter niet wordt voldaan. De omheining is immers 1,5 m hoog. Het kippenhok overschrijdt de toegestane oppervlakte aan gebouwen. Het kippenhok staat binnen de huidige woonfunctie. Het kippenhok kan echter worden gezien als een schuilgelegenheid. Hiervoor zijn binnen de agrarische bestemming regels opgenomen. Schuilgelegenheden zijn toegestaan tot een goothoogte van 2,5 m, een bouwhoogte van 5 m en een oppervlakte van 15 m2. Dit is opgenomen als een 'beoordelingsregel voor het verlenen van een omgevingsvergunning' in artikel 6.5.2 van dit TAM-omgevingplan. Aan deze maatvoering wordt voldaan.
Nadat het TAM-omgevingsplan is vastgesteld zal voor de bouw van de hondenpension gebouwen, de omheining, de schutting en het kippenhok gelijktijdig een omgevingsvergunning worden aangevraagd.  

In onderstaande afbeelding is een uitsnede van het ruimtelijk kwaliteitsplan opgenomen om bovenstaande plannen en beplanting landschappelijk in te passen en tevens de ruimtelijke kwaliteit van afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01_0009.png" het plangebied te vergroten. Het volledige ruimtelijk kwaliteitsplan is als Bijlage 1 bijgevoegd.

 
Afbeelding 2.6: Uitsnede ruimtelijk kwaliteitsplan (Bron: De Erfontwikkelaar)  

De ruimtelijke kwaliteit verbeteren dient als compensatie voor het realiseren van een bedrijf met bedrijfsbebouwing in het buitengebied. Dit wordt bereikt door een erfbosje (8) aan te planten. En door een goede landschappelijke inpassing met streekeigen beplanting, waarbij het gaat om zomereiken langs het pad (14), een Hollandse linde (13), een houtsingel (10) en gemengde haag (16) rondom de weides van het hondenpension en hoogstamfruitbomen in deze weides.

De nieuwe gebouwen voor het hondenpension (1) zullen op het huidige erf gerealiseerd worden. Tussen de nieuwe gebouwen zal de buitenruimte voor de honden zijn (7).
Ter afscherming van de bedrijfswoning en bijbehorende tuin (5) zal een beukenhaag (9) geplant worden. En ter afscherming van de paardenbak een meidoornhaag (11). Ten zuiden van het blijvende bijgebouw wordt de opslag voor mest en voer (2) verplaatst wat wordt afgeschermd met een beukenhaag (12). Achter de beukenhaag staat een in aanbouw zijnde kippenhok (17). De inrit, keermogelijkheid (14) en parkeermogelijkheid (18) op het erf blijven bestaan op dezelfde locatie. Langs de inrit zal een meidoornhaag (15) aangeplant worden.

Naast deze ruimtelijke inpassing van het perceel zal ook de verschijning en materialen van de nieuw te bouwen gebouwen passend moeten zijn in het landschap. Hiervoor is een beeldkwaliteitsparagraaf opgesteld. Deze is onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1). Dit dient eveneens als compensatie voor de twee volumes van elk 200 m2 en het bedrijfsmatig gebruik daarvan. De vorm, detaillering, kleuren en materialen worden hiermee vastgelegd. Dit zijn de nieuwe welstandscriteria waaraan de nog aan te vragen omgevingsvergunning voor het bouwplan moet voldoen. In onderstaande afbeelding een uitsnede van de vormgeving.  

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01_0010.png"  
Afbeelding 2.7: Uitsnede beeldkwaliteitsparagraaf (Bron: De Erfontwikkelaar)  

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

3.1.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied;

In de NOVI is aangegeven dat het vorm geven van de opgaven nodig is op een lager schaalniveau. De aangewezen regio's werken samen met de provincies aan ruimtelijke voorstellen. Vervolgens wordt er gekeken of alle losse plannen bij elkaar tot een duurzaam landelijk beeld leiden. De stappen die genomen worden, staan beschreven in het programma NOVEX en het programma Mooi Nederland.

3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten van het rijksbeleid

De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleine lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen. Er is daarmee geen sprake van strijd met het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

Iedere provincie in Nederland stelt een omgevingsvisie op: een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de provinciale visie op de ruimte in Overijssel. Daarin worden uitspraken gedaan over ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur. In de Omgevingsverordening staan de regels die ervoor zorgen dat bij nieuwe ontwikkelingen rekening wordt gehouden met het provinciale beleid.

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel bestaat uit drie delen: een deel Visie, een deel Beleid en een deel Uitwerking. Naast de Omgevingsvisie Overijssel is er de Omgevingsverordening Overijssel en de Catalogus Gebiedskenmerken.

De opgaven en kansen waar de provincie voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema’s. Dit is het vertrekpunt voor alle projecten en initiatieven in de provincie Overijssel. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de visie wordt het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel' gebruikt. In het uitvoeringsmodel staan de stappen 'of' (generieke beleidskeuzes), 'waar' (ontwikkelingsperspectieven) en 'hoe' (gebiedskenmerken) centraal.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Eén van de instrumenten is de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat het beleid van de Omgevingsvisie geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid.

 

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, en natuurontwikkeling, wordt aan de hand van deze drie stappen bepaald of een initiatief binnen de visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. In afbeelding 3.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01_0011.png"  
Afbeelding 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  

Of- generieke beleidskeuzes

Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes vastgelegd. Deze zijn doorvertaald in regels van de Omgevingsverordening.

Waar- ontwikkelingsperspectieven

Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

Hoe- gebiedskenmerken

Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn.

3.2.3.1 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Indien het initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat het volgende beeld:

3.2.3.1.1 Of - generieke beleidskeuzes

Bij de 'Of – generieke beleidskeuzes' zijn de volgende artikelen uit de Omgevingsverordening van toepassing:

- artikel 4.4 (Principe van concentratie (lid 1)):

In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.

In dit geval gaat het om een ontwikkeling die voorziet in de lokale behoefte. Er is nagenoeg geen hondenpension in de omgeving. Uit ervaring weet initiatiefnemer dat er marktruimte is om ruimte te bieden aan in ieder geval 60 honden. Ook is het plangebied goed bereikbaar voor omliggende kernen. Hiermee wordt er voldaan aan de lokale behoefte.

- artikel 4.5 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik):

1. Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:

a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;

b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en

c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Een hondenpension is geen functie die passend is op een bedrijventerrein of in een woongebied. Bij een hondenpension is immers een bedrijfswoning gewenst en de gemeente Hardenberg wil in beginsel geen bedrijfswoningen op bedrijventerreinen. Bovendien is vanwege het geluidsaspect het buitengebied een meer passende locatie. Er worden twee nieuwe gebouwen gerealiseerd ten behoeve van het hondenpension. Overige bijgebouwen/aanbouwen hebben een lage kwaliteit en worden vervangen door toekomstbestendige gebouwen, waarmee er een forse kwaliteitsimpuls is. Ook zal dit het geluid van de honden reduceren. De gebouwen worden logisch gesitueerd en landschappelijk passend ingepast op het bestaande erf. Er is daarmee sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

- artikel 4.7 (oogmerk ruimtelijke kwaliteit), artikel 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit) en artikel 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit):

artikel 4.7

Deze paragraaf is gericht op het versterken van ruimtelijke kwaliteit door het toepassen van de OF-, WAAR- en HOE-benadering volgens het uitvoeringsmodel van de omgevingsvisie Overijssel.

artikel 4.8

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.

artikel 4.9

1. omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:

a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast;

b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en

c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

2.In omgevingsplannen kan gemotiveerd worden afgeweken van het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied, als:

a. er sprake is van sociaaleconomische of maatschappelijke redenen; en

b. voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van de ruimtelijke kwaliteit in overeenstemming met de uitspraken die de Catalogus Gebiedskenmerken doet voor dat gebied.

In de paragraaf 3.2.3.1.3 zal worden getoetst of het plan voldoet aan het de vier-lagen benadering. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het ontwikkelingsperspectief. Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit geldt dat er een forse bijdrage wordt geleverd aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, door het inpassen van het gehele erf en door de extra investeringen in het kader van de KGO. Er is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld, dat als Bijlage 1 is bijgevoegd. Hierbij is de catalogus gebiedskenmerken als basis gebruikt en is de KGO nader uitgewerkt.

- artikel 4.11 (Kwaliteitsimpuls Groene omgeving (lid 1)):

1. Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als:

a. daarvoor sociaaleconomische of maatschappelijke redenen voor zijn;

b. het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; en

c. in het geval de nieuwvestiging of een grootschalige uitbreiding plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water de compensatie bedoeld in onderdeel b gericht is op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.

2. Het eerste lid is in ieder geval van toepassing op:

a. nieuwe verblijfsrecreatieve complexen en verblijven;

b. uitbreidingen van bestaande verblijfsrecreatieve complexen;

c. de bouw van nieuwe woningen;

d. nieuwe bouwlocaties voor bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden;

e. grootschalige uitbreiding van bestaande locaties voor niet-agrarische bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden.

Het nieuwvestigen van bedrijven in de Groene omgeving is mogelijk wanneer er goede redenen voor zijn en de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd. In dit geval zijn er sociaaleconomische redenen om een dierenpension te realiseren. Er is een grote behoefte aan hondenpensions, dit blijkt uit ervaringen van initiatiefnemer. Er is in de zomerperiode zoveel vraag dat er 150 honden opgevangen zouden kunnen worden. En in de omgeving is enkel in Dedemsvaart een opvang aanwezig. Het dierenpension draagt daarmee bij aan de sociaaleconomische situatie. Uit het akoestisch onderzoek (zie hoofdstuk 4.1) blijkt dat er ten aanzien van het aspect 'geluid' sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en omliggende gevoelige functies niet worden aangetast. Ook de overige milieuaspecten vormen op voorhand geen belemmering voor het initiatief (zie Hoofdstuk 4 t/m Hoofdstuk 10). De schaal en impact op de omgeving is relatief gering.

Door forse investeringen in het groen en in het landschap, is er sprake van een kwaliteitsimpuls. In het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) is dit nader uitgewerkt. De nieuwe bebouwing wordt aansluitend op de bestaande bebouwing een aansluitend op de bestaande hondenweides gesitueerd. En op een locatie waar nu al honden worden opgevangen. De provincie heeft in de voorfase aangegeven dat wanneer de bebouwing laag blijft en stevige erfbeplanting rond de kennels wordt toegevoegd, aan de basisinspanning wordt voldaan, maar dat er wel een extra inspanning nodig is omdat er sprake is van twee gebouwen. De aanvullende kwaliteitsinvestering bestaat uit meerdere onderdelen. Zoals uit het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) blijkt, is er in dit geval inderdaad sprake van een nieuwe houtwal rondom de kennels. De bebouwing blijft bewust laag, zodat de visuele impact op de omgeving beperkt is. Daarnaast is er ook een beeldkwaliteitsparagraaf opgesteld om het uiterlijk van de nieuwe hondenpension te borgen (Bijlage 1). De bebouwing bestaat uit 1 laag met kap en maximale hoogte van 4,5 m; dit is geborgd in de bouwregels van het tam-omgevingsplan. Allereerst wordt de paardenbak ingepast door middel van een meidoornhaag. Deze meidoornhaag wordt doorgetrokken tot de Venneweg. Daarnaast wordt een erfbosje aangeplant ten zuiden van de weiden en worden enkele Hollandse lindes en een walnoot verspreid over het erf aangeplant, ook wordt een fruitboomgaard aangelegd. Tevens worden overtollige gebouwen/bouwwerken, van een lage kwaliteit, verwijderd. Totaal gaat het om de sloop van 201 m2 aan overkappingen/hondenkennels/bijgebouwen. Hiermee is er sprake van voldoende inspanning in het kader van de KGO.

- artikel 4.108a (instructieregel voorkeursgebieden windenergie)

1. Omgevingsplannen voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen binnen de aangewezen energiepotentiegebieden die liggen in de voorkeursgebieden windenergie, zoals opgenomen in het Provinciaal Programma Energiestrategie (programmeringsafspraken windenergie), die een optimale invulling van het gebied voor grootschalige clustering van windturbines in de weg staan.

2.In afwijking van het eerste lid kunnen nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan die van groot openbaar en bovenlokaal belang zijn en mits aannemelijk gemaakt is dat daarvoor geen reële alternatieven zijn.

3. Deze bescherming vervalt zodra is voldaan aan de doelstelling genoemd in Artikel 4.108c, eerste lid.

Het plangebied ligt binnen het voorkeursgebied windenergie dat kansrijk wordt geacht voor grootschalige clustering van windturbines. Hierin mogen geen nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden die de potenties van het voorkeursgebied aantasten. Uitzonderingen hierop zijn ontwikkelingen die van groot openbaar en bovenlokaal belang zijn en er geen reële alternatieven bestaan.

In dit geval is er sprake van een voornemen dat op het bestaande erf plaatsvindt. Deze wordt hergebruikt. De nieuwe bebouwing zal laag blijven, waarmee het geen belemmering vormt voor eventuele windturbines.

3.2.3.1.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven

Er zijn zes ontwikkelingsperspectieven: drie voor de Groene Omgeving en drie voor de Stedelijke Omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn.

Ontwikkelingsperspectieven in de Groene Omgeving:

  • 1. de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW)
  • 2. agrarisch ondernemen in het grootschalige landschap
  • 3. wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap

Ontwikkelingsperspectieven in de Stedelijke Omgeving:

  • 4. stedelijke netwerken als motor
  • 5. steden en dorpen als veelzijdige leefmilieus
  • 6. hoofdinfrastructuur: vlot en veilig

De locatie ligt in het ontwikkelingsperspectief: 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap'. De ambitie 'voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen staat' voorop. Daarnaast gelden de ruimtelijke kwaliteitsambities:

  • zichtbaar en beleefbaar mooi landschap;
  • sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel;
  • continu en beleefbaar watersysteem.

Toetsing van het initiatief aan het Ontwikkelingsperspectief

Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. In dit geval heeft het plangebied een woonfunctie en wordt er hobbymatig een hondenpension gerund. Om dit te bedrijfsmatig te kunnen uitvoeren is de wijziging naar bedrijfsfunctie noodzakelijk. De huidige woning wordt daarbij omgezet naar een bedrijfswoning. Het geheel zal landschappelijk worden ingepast, waarbij de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd. De omliggende agrarische bedrijven zullen daardoor niet worden beperkt. Het voornemen is in overeenstemming met het ontwikkelingsperspectief.

3.2.3.1.3 Hoe - gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van beleving) gelden voorwaarden voor ruimtelijke ontwikkelingen. De 'Stedelijke laag' en 'Laag van beleving' worden in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat er in of aangrenzend aan het gebied geen relevante eigenschappen voor deze lagen gelden.

1. De 'Natuurlijke laag'

De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. Binnen het plangebied is het gebiedstype 'dekzandvlakte en ruggen' van toepassing. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan beter zichtbaar en beleefbaar maken van hoogteverschillen en het watersysteem. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.

Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag'

De gronden in het gebied hebben een woonfunctie met een hobbymatig hondenpension. De van oorsprong voorkomende natuurlijke laag is daardoor niet of nauwelijks meer aanwezig. Er wordt met een ruimtelijk kwaliteitsplan ingespeeld op de gebiedskenmerken. Het erft wordt landschappelijk ingericht conform de geldende gebiedskenmerken, zie het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1). Daarnaast worden de nieuwe gebouwen zo gepositioneerd dat deze passen bij de richting van het landschap. Het plangebied vormt een groen eiland in de relatief open ruimte.

2. 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'

De 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden gebracht. Door de eeuwen heen is een patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid.

In het plangebied is het gebiedstype 'jonge heide- en veenontginningslandschap' van toepassing. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.

Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'

Door de inpassing met streekeigen beplanting, worden de kenmerken van het landschap van het landschapstype versterkt. Dit gebeurt door het erf in te richten conform de geldende landschapstype. Door de sloop de bebouwing wordt de ruimtelijke kwaliteit verbeterd. De erven langs de Venneweg worden gekenmerkt door uitgelijnde bebouwing en een half open erfensemble, wat ook op dit erf wordt doorgezet. Aan de noordzijde wordt een houtsingel aangeplant dat als groene rug van het erf zal gaan fungeren. De ruimte rondom het hondenpension en de rijbak wordt afgeschermd middels een streekeigen gemengde haag. Naast het inpassen van deze onderdelen draagt het ook bij aan de biodiversiteit. Zie tevens het ruimtelijke kwaliteitsplan in Bijlage 1. Daarmee is de ontwikkeling in overeenstemming met deze laag.

3.2.4 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

De ontwikkeling is in overeenstemming met het provinciaal beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Landstad Hardenberg
3.3.1.1 Algemeen

Sinds 2021 beschikt de gemeente Hardenberg over een eigen omgevingsvisie. In deze visie is het verhaal van de gemeente Hardenberg voor het heden en de komende 20 jaar uitgewerkt. In de visie komt alles samen in het verhaal van de gemeente tot 2040. Het verhaal heet 'Landstad Hardenberg'.

3.3.1.2 Thema's

De visie is vertaald in vier thema's voor ontwikkeling. Dit betreffen de volgende:

  • 1. Hardenberg in balans: over de verscheidenheid van het landelijk gebied;
  • 2. Hardenberg voor elkaar: over stedelijke ontwikkeling, een vitale samenleving en leefbare kernen;
  • 3. Hardenberg knooppunt: over een vitale economie en goede bereikbaarheid;
  • 4. Hardenberg duurzaam: over de energietransitie, klimaatadaptatie en een circulaire economie.

Binnen elk thema heeft de gemeente ambities en staat de gemeente voor opgaven. Samen vormen ze de agenda voor toekomstige samenwerkingen. In dit geval is met name het thema 'Hardenberg in balans' relevant, aangezien deze gaat over het landelijk gebied. En thema 'Hardenberg Duurzaam' omdat dit belangrijke aspecten zijn voor de fysieke leefomgeving.

3.3.1.3 Opgaven per gebied

De gemeente zet zich al lang in om ontwikkelingen in het buitengebied bij te laten dragen aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het beleid beschrijft daarom voor elk landschapstype de belangrijkste gebiedskenmerken en ontwikkelingsrichtingen. De resultaten zijn vastgelegd in Landschap-Identiteit-Kaarten (LIK’s). Deze vormen de natuurlijke onderlegger voor ontwikkelvisies voor verschillende deelgebieden.

In dit geval ligt het plangebied in het 'Besloten veenontginningslandschap van de LIK 'Noordelijke stadsrandzone Hardenberg'. Dit is een landschap met bebouwingslinten en verspreide bebouwing. Er is sprake van strakke, rechtlijnige wegen en erven.

3.3.1.4 Aandachtspunten voor natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten

De natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten in het landelijk gebied blijven voortdurend aandacht vragen. Natuur en landschap staan onder druk, vanwege de energietransitie, klimaatmaatregelen en de transitie in de landbouw. Tegelijk vormen deze ontwikkelen juist een kans om bij te dragen aan de Landstad Hardenberg.

Een goede landschappelijke en ruimtelijke inpassing is hierbij nodig. Ruimtelijke kwaliteit ziet de gemeente als “datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is”. De provincie gebruikt deze omschrijving ook.

3.3.1.5 Gezondheid

Het verband tussen de fysieke leefomgeving en de gezondheid wordt steeds meer gezien. Vergeleken met de groten steden staat Hardenberg er goed voor. Door de naoberschap en de goede leefkwaliteit zijn de inwoners in staat om zelf regie te voeren over hun gezondheid. Die kwaliteiten wil de gemeente versterken. De gemeente gaat positieve gezondheid en samenwerkingen stimuleren.

3.3.1.6 Duurzaamheid, klimaatadaptatie en energietransitie

De gemeente stimuleert woningeigenaren om te investeren in duurzaamheid en levensloopbestendigheid. Zo blijft de particuliere woningvoorraad ook in de toekomst aantrekkelijk. De gemeente wil minder energie verbruiken en duurzame energie opwekken. De gemeente werkt samen met andere partijen om iedereen goed te informeren en bewust te maken. Ook wil de gemeente zelf het goede voorbeeld geven.

Duurzame stroomopwek en de warmtetransitie moeten op een goede manier een plek krijgen in het landschap. Daarnaast reserveert de gemeente voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen en voor klimaatadaptatie.

3.3.1.7 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'

Deze ontwikkeling draagt bij aan de ambitie van de gemeente om kwaliteit toe te voegen. Met het voornemen wordt een woonperceel met meerdere bijgebouwen omgezet naar een landschappelijk ingepast hondenpension. Er is een behoefte aan kwalitatief goede hondenopvang. Het buitengebied van de gemeente is daarvoor het meest geschikt. Een stedelijke ontwikkeling is daarmee noodzakelijk in het landelijk gebied. Deze vindt plaats op een bestaand erf. Er worden meerdere bijgebouwen/overkappingen gesloopt en het geheel wordt landschappelijk ingepast. Hierdoor wordt de ruimtelijke kwaliteit verbeterd. Het draagt bij aan het vitaal houden van het landelijke gebied. Er wordt aan een kleinschalige bedrijf toekomstperspectief gegeven. Ook past dit in het streven om ondernemers vast te houden en ruimte om te groeien te geven.

Voor het thema 'Hardenberg Duurzaam' geldt dat de nieuwe gebouwen voor de honden duurzaam en gasloos moet gebouwd gaan worden. Ook blijft er genoeg ruimte over in het gebied om water te bergen. Samenvattend wordt gesteld dat het initiatief past binnen de omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'.

3.3.2 Visienota Buitengebied Hardenberg
3.3.2.1 Algemeen

De gemeente Hardenberg heeft de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid voor het buitengebied van de gemeente geformuleerd in de 'Visienota Buitengebied Gemeente Hardenberg'. De nota richt zich vooral op de realisatie van ruimtelijke kwaliteiten in het buitengebied.

De hoofddoelen van het ruimtelijk beleid zijn:

  • Op een duurzame en efficiënte wijze ruimte scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies;
  • Het vergroten van de leefbaarheid van het platteland;
  • Het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit.

De hoofddoelen zijn in de visienota als volgt vertaald:

  • 1. een thematische benadering van het buitengebied (8 thema's);
  • 2. een gebiedsgerichte benadering van het buitengebied;
  • 3. uitgangspunt hierbij: de landschapstypen en de visuele landschapskenmerken;
  • 4. een ontwikkelingsgerichte wijze van bestemmen.

3.3.2.2 Thematische benadering - visie

In dit geval is het thema 'Economie en infrastructuur' van belang. Dit heeft de gemeente vertaald in een aantal uitgangspunten/doelstellingen, waarvan 'het bieden van mogelijkheden voor (startende) bedrijvigheid in vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen' het meest overeenkomt met het voornemen.

Er wordt in de eerste plaats gedacht aan nieuwe economische functies op vrijgekomen agrarische bedrijfslocaties, maar daarnaast ook aan het bieden van groeimogelijkheden voor al gevestigde bedrijven en bieden van ruimte voor bedrijvigheid op woonpercelen. Incidenteel kan ook ruimte zijn voor gehele nieuwvestiging, waarbij in elk geval moet worden aangesloten op bestaande bebouwing.

3.3.2.3 Gebiedsgerichte benadering

Het plangebied ligt in het gebied 'Collendoorn, Gramsbergen-Zuid, Radewijk' en het landschapstype 'Besloten veenontginningslandschap'. Het betreft een kleinschalig landschap met boerenbedrijven, wonen en bedrijvigheid. De ontwikkelingsrichting is een 'gemengd gebied met functies voor wonen, (verbrede) landbouw en economie (bedrijven)'.

3.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de Visienota Buitengebied Hardenberg

Door de ontwikkeling wordt een nieuw bedrijf toegevoegd aan het buitengebied van Hardenberg. Dit betreft een bestaand woonperceel met hobbymatige hondenopvang dat wordt omgezet. Dit past bij het ruimte bieden aan bedrijvigheid op woonpercelen. Er is vraag naar hondenopvang. De nieuwe gebouwen voor het hondenpension zullen samen met de bebouwing die blijft bestaan een landelijk ingepast erf vormen. De inpassing vindt plaats coform de kenmerken van het veenontginningslandschap. Door de ontwikkeling wordt de leefbaarheid van het platteland vergroot. Het vernieuwde perceel vormt geen belemmering voor de omliggende ecologische functies. Ook vormt het geen belemmering voor de omliggende agrarische bedrijven.

De ontwikkeling is in overeenstemming is met de Visienota Buitengebied.

3.3.3 Beleidsnotitie Erven met kwaliteit (2024)
3.3.3.1 Inleiding

De raad van de gemeente Hardenberg heeft op 16 juli 2024 de gewijzigde beleidsnotitie ‘Erven met kwaliteit’ vastgesteld. De doelstelling van het beleid is de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied, door de sloop van landschapsontsierende gebouwen.

3.3.3.2 Landschapsontsierend

Het belangrijkste uitgangspunt voor het bepalen van de landschapsontsierendheid van een gebouw is dat een erf niet op zichzelf staat, maar een eenheid vormt met het landschap. Of een gebouw landschapsontsierend is, moet worden gezien in relatie tot de gebiedskenmerken (uit de LIK en de welstandsnota) en wordt bepaald door een aantal kenmerken, te weten:

  • het volume;
  • de vorm van het gebouw;
  • het materiaalgebruik;
  • het kleurgebruik;
  • de uitstraling;
  • de situering op het erf;
  • de passendheid bij de overige bebouwing op het erf.

Daarnaast kan een gebouw ook als landschapsontsierend worden aangemerkt als het geen (potentiële) gebruikswaarde meer heeft. Een gebouw dat niet voor andere (economische) doeleinden geschikt is, heeft geen gebruikswaarde. Deze komt leeg te staan, verloedert en wordt daarmee vanzelf landschapsontsierend.

3.3.3.3 Gebiedsgerichte benadering

Het bestemmingsplan Buitengebied (2014) kent een gebiedsgerichte benadering. De gebiedsgerichte benadering houdt in, dat in het ruimtelijk beleid rekening wordt gehouden met de zes verschillende landschapstypen in de gemeente. Per landschapstype verschillen de bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden. Het beleid kent een functionele gebiedsgerichte benadering. Dat wil zeggen dat in de gebieden die primair zijn aangewezen voor de landbouw zeer terughoudend wordt omgegaan met de toepassing van rood voor rood. Daar wordt de "nee, tenzij" benadering toegepast. In de overige gebieden wordt de "ja, mits" benadering toegepast. Deze benadering houdt in dat in agrarische ontwikkelingsgebieden wel schuren als landschapsontsierend kunnen worden aangemerkt maar dat in deze gebieden geen nieuwe woningen worden toegestaan, vanwege de mogelijke belemmering voor de landbouwontwikkeling.

3.3.3.4 Inzet voor andere ontwikkelingen

Het bestaande beleid biedt ruime mogelijkheden voor vestiging van niet-agrarische bedrijvigheid op een vrijkomend erf en geeft veel ruimte voor maatwerk. Het uitgangspunt daarbij is dat de activiteiten in bestaande gebouwen plaatsvinden.

De te slopen landschapsontsierende gebouwen kunnen worden ingezet voor andere ontwikkelingen dan woningbouw. Hierbij gelden de volgende sloopverhoudingen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01_0012.png"  

Het huidige beleid maakt het al mogelijk om bij nieuwe ontwikkelingen de sloop van schuren in te zetten als onderdeel van de KGO. Hiervan is tot nu toe echter maar mondjesmaat gebruik gemaakt.

Om de sloop van landschapsontsierende schuren nog meer te stimuleren wil de gemeente daarom extra (economische) ontwikkelingsmogelijkheden in het buitengebied bieden. Daarbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan het toestaan van extra bedrijfsgebouwen bij niet-agrarische bedrijven in het buitengebied.

3.3.3.5 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit'

De locatie is gunstig vanwege de afstand tot omliggende woonfuncties en is goed bereikbaar vanuit de omliggende woonkernen. Het (hobbymatige) hondenpension is al op dit erf gevestigd dus verplaatsing lijkt niet aan de orde. Gezien de beoogde inrichting kan het erf op een passende manier ruimte bieden voor de hondenkennels met buitenverblijf.

Er wordt 400 m2 gebouwd en ter plaatse wordt 201 m2 aan bebouwing gesloopt. Dat betekent dan dat er per saldo voor 199 m2 gecompenseerd moet worden. Uitgaande dat het dierenpension een gebiedseigen functie is, betekent dat er 398 m2 aan landschapsontsierende bebouwing met asbest of 597 m2 zonder asbest moet worden gesloopt. Wanneer het wordt omgerekend met de prijzen voor sloopmeters is de investering onevenredig ten opzichte van de geboden ontwikkelmogelijkheden. Er is daarmee sprake van een bijzondere omstandigheid om af te wijken van de beleidsregel:

  • De nieuwe gebouwen zijn laag (4,4 meter nokhoogte) en hebben geen verdieping en de buitenkennels aan beide zijden van de gebouwen zitten ook onder de overkapping.
  • De feitelijke binnenruimte is een stuk kleiner en het is ook niet wenselijk om weer allemaal losse buitenkennels buiten de bedrijfsgebouwen te plaatsen omdat dat een rommelig beeld gaat geven.
  • De huidige situatie oogt rommelig en is van weinig kwaliteit.
  • De vraag naar hondenopvang is groot.
  • De gemeente Hardenberg is gebaad bij een kwalitatief goede voorziening voor de opvang van (extra) honden in het buitengebied (nabij de kern Hardenberg).
  • De initiatiefnemer is sinds 2016 bezig om een bedrijfsfunctie te krijgen, waarbij er lange tijd ambtelijk geen positieve grondhouding was.
  • Het is een functie die beter passend is in het buitengebied dan in de bebouwde kom.

Geconcludeerd wordt dat het initiatief een bijzondere omstandigheid is om af te wijken van de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit'.

3.3.4 Parkeernormennota Hardenberg
3.3.4.1 Algemeen

Er moet rekening worden gehouden met de mogelijke extra verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. In de 'Parkeernormennota Hardenberg' is bepaald hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Dit is afhankelijk van de locatie en soort ontwikkeling. Het aantal verkeersbewegingen wordt bepaald door gebruik te maken van de kencijfers uit het CROW (versie 744, oktober 2024). Er wordt uitgegaan van gemiddelden voor de verkeersgeneratie. Vanuit de duurzaamheidsgedachte is de minimale parkeernorm voor auto’s voldoende.

3.3.4.2 Verkeersgeneratie

Met dit voornemen wordt het bestaande woonperceel met hobbymatige hondenpension omgezet naar een bedrijfsmatige hondenpension met een bedrijfswoning (met inwoning). Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:

  • ligging in het buitengebied;
  • weinig stedelijke gemeente (gemeente Hardenberg);
  • koop, vrijstaand (woning);
  • hondenpension (2 x 200 m2) maximaal 60 honden;

Voor een vrijstaande woning geldt, op basis van het CROW, een verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Er wordt geen nieuwe woning toegevoegd enkel krijgt deze een nieuwe functie in vorm van bedrijfswoning. Het aantal verkeersbewegingen voor de woning (met inwoning) verandert daarmee niet.

Een hondenpension wordt niet in het CROW benoemd. Het is aannemelijk dat de honden 's ochtends worden gebracht en 's avonds worden opgehaald, danwel ook blijven overnachten. Het is daarmee het meest te vergelijken met een kinderdagverblijf waar een verkeersgeneratie van 34,9 per 100 m2 bvo geldt. Uitgaande van deze vergelijkbare functies geldt voor het hondenpension met maximaal 60 honden een verkeersgeneratie van (34,9 per 100 m2 x 400 m2 = 139,6) 140 verkeersbewegingen.

In de piekperioden (hoogseizoen) is er sprake van het verblijven van maximaal 60 honden. De honden die gebracht worden verblijven één of meerdere dagen of zelfs enkele weken. Elke hond kent een andere verblijfsduur en in sommige gevallen worden meerdere honden door dezelfde eigenaar worden gebracht. De honden zullen verspreid over de dag worden gebracht en opgehaald. Dit zal gebeuren op basis van afspraken, zodat het voor de eigenaar te plannen is wanneer de klanten aanwezig zullen zijn. In de praktijk zal het aantal verkeersbewegingen daarmee waarschijnlijk lager liggen.

De Venneweg is goed ingericht om deze verkeerbewegingen eenvoudig en veilig te kunnen verwerken.

3.3.4.3 Parkeren

Voor vrijstaande woningen in het buitengebied zijn 2,0 parkeerplaatsen per woning nodig. Er zal op eigen erf geparkeerd worden. Dit zal in de nieuwe situatie niet veranderen.

Zoals hierboven aangegeven wordt een hondenpension niet in het CROW genoemd. Het is aannemelijk dat de honden 's ochtends worden gebracht en 's avonds worden opgehaald, danwel ook blijven overnachten. Het is daarmee het meest te vergelijken met een kinderdagverblijf. Uitgaande van een kinderdagverblijf geldt een parkeernorm van 1,4 per 100 m2 bvo. Voor het hondenpension zullen (1,4 per 100 m2 x 400 m2 = 5,6) afgerond 6 parkeerplaatsen nodig zijn.

De piekmomenten komen voor aan het begin en aan het eind van een vakantieperiode. Feitelijk zal de piek niet groot zijn, want de klanten zullen, zoals aangegeven, verspreid over de dag hun hond komen ophalen of brengen. Gezien initiatiefnemer het bedrijf alleen runt, is het ook niet mogelijk om grote aantallen klanten gelijktijdig te helpen. Ook daarom worden de bezoeken van klanten verspreid. Auto's komen dan ook nooit in grote aantallen tegelijk. Voor de functie is er op eigen terrein ruimte voor het parkeren van 10 auto's. In de praktijk zal het zodanig gereguleerd worden dat er nooit meer dan 10 klanten tegelijk aanwezig zijn. Mocht het onverhoopt toch voorkomen, dan is er ook langs de oprit nog ruimte voor parkeren, waarmee voorkomen wordt dat langs de openbare weg geparkeerd zal worden. In het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) is te zien dat er (ruim) voldoende ruimte is om op eigen terrein te parkeren. In de uitsnede van het ruimtelijk kwaliteitsplan in afbeelding 2.6 is de locatie aangeduid met nummer 18.

3.3.4.4 Conclusie

Er wordt hiermee voldaan aan het parkeerbeleid van de gemeente Hardenberg.

3.3.5 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Bescherming van gezondheid en milieu

In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de gezondheid en het milieu worden beschermd. De aspecten sluiten aan op de onderdelen die zijn genoemd in artikel 1.2 van de Omgevingswet.

4.1 Geluid

4.1.1 Wettelijk kader

In het Bkl staan regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en andere activiteiten. Ze staan in paragraaf 5.2.4.2. Bkl. Ook zijn er regels opgenomen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen.

4.1.2 Situatie plangebied

In dit geval is de bestaande woning een bestaand geluidgevoelige gebouw. Hier wijzigt niets. Het hondenpension geldt als een geluidbelastende functie.

4.1.2.1 Wegen

In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden (artikel 17.5 Omgevingsregeling):

  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m;
  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en
  • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

De Venneweg ligt op circa 115 meter van de bestaande woning. Echter wordt er geen nieuw geluidgevoelige functie toegevoegd. Een nader onderzoek naar de wegverkeerslawaai is daarmee niet nodig.

4.1.2.2 Spoorwegen

Op circa 4,1 kilometer van het plangebied ligt een spoorlijn met twee sporen. Daarmee ligt het buiten het geluidaandachtsgebied van 200 meter van de spoorlijn. Er worden geen nieuwe geluidgevoelige functies uitgebreid of toegevoegd. Geluidhinder is niet te verwachten.

4.1.2.3 Industrieterreinen

Er zijn rondom het plangebied geen industrieterreinen aanwezig met een geluidsaandachtsgebied, waardoor er naar verwachting geen sprake is van hinder.

4.1.2.4 Individuele bedrijven

Voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar geluid kan de handelwijze volgens de VNG-publicatie “bedrijven en milieuzonering” worden gevolgd. De bedrijven in de VNG-brochure met richtafstanden zijn gebaseerd op gemiddelden. De richtafstand geldt vanaf de grens van het plan tot aan de gevel van de woning in de betreffende richtingen. In deze publicatie wordt voor hondendressuurterreinen een afstand genoemd van 50 meter tot woningen. In dezelfde brochure wordt ook een afstand van 100 meter genoemd voor dierensasiels en pensions. De omliggende woningen zijn gelegen op minimaal 200 meter van het plangebied. Er wordt voldaan aan de richtafstand.

Er wordt geen nieuw geluidgevoelige functie wordt toegevoegd. Er wordt er wel een geluidbelastende functie toegevoegd. In dat kader is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het gehele onderzoek is als Bijlage 2 opgenomen. De gekozen uitgangspunten zoals 60 honden die elk altijd 5% van de tijd blaffen is extreem en zullen niet dagelijks plaatsvinden. De resultaten geven aan wat door deze ontwikkeling maximaal mogelijk wordt gemaakt. Er is een worst-case-bedrijfssituatie inzichtelijk gemaakt waarbij er 60 honden op het terrein aanwezig zijn waarbij alle honden 5% van de tijd blaffen. Er wordt voldaan aan de richtwaarde voor een rustige woonwijk of buitengebied voor zowel de gemiddelde geluidniveaus. Indien wordt uitgegaan van een hoog maximaal bronvermogen van 120 dB(A) voor een blaffende hond dan voldoet ook het maximaal A-gewogen geluidniveau bij de woningen aan een waarde van maximaal 60 dB(A).

In dit plan wordt het aanvaardbaar geluid voor deze activiteit geborgd doordat dit in de regels is opgenomen. Hiermee is het plan voor de opvang van 60 honden mogelijk binnen de richtwaarden van evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast worden deze richtwaarden voor de omgeving geborgd in het Omgevingsplan zodat deze voor deze activiteit blijven gelden.

4.1.3 Conclusie

Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.2 Bodemkwaliteit

4.2.1 Wettelijk kader

Het beschermen van de bodemkwaliteit is een onderdeel bij de afweging van de aspecten van de fysieke leefomgeving. Ter bescherming van de bodemkwaliteit zijn instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de kwaliteit van de bodem.

4.2.2 Situatie plangebied

Om te beoordelen of de bodem geschikt is voor het gewenste gebruik, is een bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3 van deze motivering. Er is een verkennend bodemonderzoek volgens de normen NEN5740 en NEN5707 (asbest in de bodem) uitgevoerd.

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740

Hierbij is de gehele locatie onderzocht. In de bodemmonsters en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde. In het grondwatermonster is een lichte verhoging van barium aangetroffen.

Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem"

Tijdens de maaiveld-inspectie zijn geen asbest verdachte materialen gevonden. Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond.

Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht.De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

4.2.3 Conclusie

De bodem is van voldoende kwaliteit voor de uitvoering van dit voornemen.

4.3 Luchtkwaliteit

4.3.1 Wettelijk kader

Voor de bescherming van de luchtkwaliteit zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Locaties met hoge concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof zijn aangemerkt als aandachtsgebied. Vooral in en vlakbij een aandachtsgebied moeten overheden toetsen aan de omgevingswaarden. Dit is niet nodig indien een activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Volgens het Bkl dragen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging:

  • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Er zijn een paar situaties die de overheid nog wel in het hele land moet beoordelen. Dit zijn:

  • een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
  • de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter. Of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
  • de aanleg van een auto(snel)weg.

4.3.2 Situatie plangebied

In dit geval gaat het niet om het toevoegen van een milieugevoelige functie en ook niet om een ontwikkeling die in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

4.3.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.

4.4 Geur

4.4.1 Wettelijk kader

De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg.

Geurnormen voor het houden van dieren bestaan voor sommige diersoorten uit afstanden en voor sommige diersoorten uit geurwaarden. Deze normen staan in het Omgevingsplan (paragraaf 22.3.6). De geurnormen beogen mede een omgekeerde werking te hebben. De normen dienen niet alleen als toetsingskader voor milieuvergunningen, maar geven ook aan welke geurbelasting de gemeente aanvaardbaar vindt op het platteland.

4.4.2 Situatie plangebied

In dit geval wordt er geen geurgevoelig object toegevoegd. De geurnormen gelden voor het houden van landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, zijnde: zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden.

In voorliggend geval is sprake van het houden van maximaal 60 honden. De omliggende geurgevoelige gebouwen (woningen van derden) liggen op ruim voldoende afstand (150 meter). Mogelijke geurhinder van de honden is daarmee niet aan de orde.

4.4.3 Conclusie

Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor dit plan.

4.5 Trillingen

4.5.1 Wettelijk kader

Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van het omgevingsplan. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van het omgevingsplan en 5.87a van het Bkl.

4.5.2 Situatie plangebied

Op basis van de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen is het onderzoeksgebied in beginsel 100 meter. Het plangebied ligt op ongeveer 4,1 km van een spoorlijn. Hiermee is aannemelijk dat het trillingsniveau niet boven de streefwaarde uitkomt.

4.5.3 Conclusie

Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6 Licht

4.6.1 Wettelijk kader

Licht kan wenselijk zijn of juist hinderlijk. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt. Dit heet daglichttoetreding. In het Bbl staan regels voor voldoende daglicht in bouwwerken (nieuwbouw). Deze verschillen per gebruiksfunctie en soort ruimte.

Kunstlicht kan leiden tot diverse vormen van lichthinder. Kunstlicht komt van (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouw en sportterreinen. De provincie heeft voor sommige gebieden 'donkerte' als waarde bepaald.

4.6.2 Situatie plangebied

Bij de vergunningaanvraag voor de bouw van de nieuwe bedrijfsgebouwen voor het hondenpension zal getoetst worden aan de regels over de daglichttoetreding en bezonning. Er zal naar verwachting per saldo geen toename zijn van lichthinder in het landelijk gebied. Er worden gebouwen gesloopt. En de nieuwe gebouwen zullen landschappelijke worden ingepast, waarbij deze op een natuurlijke manier worden afgeschermd van de omgeving. Tot slot zullen de nieuwe gebouwen maximaal 4,5 meter hoog worden (1 bouwlaag met kap) wat ook eventuele verre lichtuitstraling voorkomt.

4.6.3 Conclusie

Vanuit het aspect licht is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 5 Bescherming van de waterbelangen

5.1 Algemeen

Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn groot en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen.

De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor de plannen voor waterbeheer in de regio. Ook is de provincie verantwoordelijk voor vergunningverlening voor drinkwaterwinning. De ambities zijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving.

De waterschappen beheren water en waterkeringen (dijken) en zuiveren afvalwater. Ook zorgen zij voor de kleine waardevolle wateren, zoals vennen en bronnetjes. Voor grotere rivieren, meren en kanalen en grondwaters bestaat de Europese Kaderrichtlijn. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen.

Bij nieuwe plannen dient rekening te worden gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Dit houdt in dat de gevolgen van het plan op de waterbelangen beschreven moeten worden. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets. De waterbelangen en waterhuishoudkundige doelstellingen worden hierbij afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen gaan over zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

5.2 Wateradvies

Voor dit plan is gebruikt gemaakt van de digitale wateradvies. Hierdoor wordt ook het betrokken waterschap geïnformeerd. In dit geval is dat het waterschap Vechtstromen. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de 'korte procedure'. Hierbij is de standaard waterparagraaf van toepassing. In Bijlage 4 is het resultaat van het wateradvies opgenomen.De ruimtelijk relevante wateraspecten van dit plan zijn gering en tijdelijk van aard. Waterschap Vechtstromen heeft daardoor geen bezwaar tegen dit plan.

Het plan heeft een geringe invloed op de waterhuishouding:

  • Hemelwater: het regenwater zal worden afgevoerd in de tuin rondom de bedrijfswoning en rondom de gronden van de nieuwe bijgebouwen. Deze zijn van voldoende omvang om het regenwater op te vangen.
  • Afvalwater: de nieuwe bijgebouwen zullen, indien nodig, op het bestaande riool worden aangesloten.
  • Oppervlaktewater: er is geen sprake van openwater binnen het plangebied. Dit is dus verder niet van toepassing.
  • Wateroverlast en bebouwing: bij de bouw van de bijgebouwen wordt rekening gehouden met de eisen om eventueel wateroverlast tegen te gaan. Denk aan hoogteverschillen tussen de vloeren en grondwaterstanden.
  • Waterkwaliteit: Er worden tijdens de bouw- en gebruiksfase geen materialen gebruikt die de waterkwaliteit verminderen.

5.3 Conclusie

Het initiatief is niet in strijd met de waterbelangen.

Hoofdstuk 6 Waarborgen van de veiligheid

6.1 Wettelijk kader

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ook gekeken worden naar de gevolgen van rampen. Daarvoor zijn in het Bkl risicobronnen aangewezen. Het gaat om:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Deze risicobronnen hebben aandachtsgebieden. Ze zijn digitaal te raadplegen in het Register Externe Veiligheid. Binnen een aandachtsgebied worden bij voorkeur geen kwetsbare gebouwen of locaties gerealiseerd. En ook geen beperkt kwetsbare gebouwen of locaties of zeer kwetsbare gebouwen. Soms kan dat toch, bijvoorbeeld als er extra maatregelen worden getroffen die worden vastgelegd in voorschriftengebieden. Denk bijvoorbeeld aan extra bouweisen.

6.2 Situatie plangebied

De risico's ten aanzien van externe veiligheid zijn in te zien in onderstaande afbeelding. Het plangebied is aangegeven met de rode omlijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01_0013.png"  
Afbeelding 6.1: Risico's externe veiligheid (Bron: Atlas leefomgeving)  

Binnen het plangebied zijn geen buisleidingen of andere risicobronnen aanwezig. Ten noorden (260 m) en westen (336 m) liggen brandaandachtsgebieden van aardgasleidingen. Het plangebied ligt het niet in een aandachtsgebied of veiligheidszone van deze leidingen. Het aantal personen zal door het voornemen niet toenemen.

6.3 Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 7 Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

7.1 Cultureel erfgoed

7.1.1 Wettelijk kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan instructieregels voor de gemeente. Deze gaan over:

  • beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • in stand houden van archeologische monumenten.

De aspecten cultuurhistorie (monumenten) en archeologie worden hierna uitgewerkt.

7.1.2 Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

7.1.2.1 Situatie plangebied

Er bevinden zich binnen het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden.

7.1.2.2 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering met betrekking tot het plan.

7.1.3 Archeologie

In de Erfgoedwet staat een archeologische zorgplicht wanneer de bodem wordt verstoord. Er is dan onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

7.1.3.1 Situatie plangebied

De archeologische verwachting is verwerkt in het omgevingsplan van rechtswege. Ter plaatse gelden de bestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5'. Dit houdt in dat een archeologisch onderzoek nodig is wanneer de bodemverstorende activiteiten groter dan respectievelijk 500 m2 en 2.500 m2 zijn en een diepte van 50 cm of meer hebben.

Ter plaatse van het erf, waar gebouwd wordt, geldt de 'Waarde - Archeologie 4'. 'Waarde - Archeologie 5' is van toepassing op het zuidelijke agrarische deel van het plangebied, ten zuiden van de paardenbak. De nieuwe bijgebouwen zullen samen een oppervlakte van 400 m2 hebben, wat de oppervlakte van 500 m2 niet overschrijdt dat bij 'Waarde - Archeologie 4' van toepassing is. Het meeste daarvan komt op gronden waar momenteel ook bijgebouwen staan. Deze gronden zijn reeds geroerd. Een archeologisch onderzoek is daarmee niet benodigd. Mocht er sprake zijn van bevindingen tijdens de bouwwerkzaamheden, dan zal dat gemeld worden volgende de geldende procedures.

7.1.3.2 Conclusie

Het aspect archeologie is geen belemmering voor het plan.

7.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

7.2.1 Wettelijk kader

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is. En of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De ladder is beleidsneutraal overgezet naar het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling het toepassen van de ladder is vereist.

Voor de toetsing aan de ladder is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de volgende begrippen:

  • 'bestaand stedelijk gebied' is 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
  • Een 'stedelijke ontwikkeling' is de 'ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is'.

Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat 'voldoende substantieel' is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.

7.2.2 Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

Uit de overzichtsuitspraak (ABRvS 28 juni 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1724, 201608869/1/R3) blijkt dat het toevoegen van een gebouw met een ruimtebeslag van minder dan 500 m2 'in beginsel' geen stedelijke ontwikkeling is. In het plan is sprake van het toevoegen van twee gebouwen voor het hondenpension. Hiervoor zullen bestaande bijgebouwen worden gesloopt en zal het geheel landschappelijk worden ingericht waarbij de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet van toepassing.

7.3 Landschappelijke waarden

7.3.1 Wettelijk kader

Voor de bescherming van het landschap geldt het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet staat dat 'landschappen' een onderdeel zijn van het fysieke leefomgeving. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. De gemeente Hardenberg heeft dit gedaan middels de Landschap Identiteits Kaarten.

7.3.2 LIK (Landschap Identiteit Kaart)

De gemeente heeft voor het gebied een Landschap-Identiteit-Kaart (LIK) gemaakt. In de LIK wordt de identiteit van het gebied bepaald. Op deze wijze wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit van het gebied versterken.

In dit geval ligt het plangebied in het 'Besloten veenontginningslandschap' van de LIK 'Noordelijke Stadsrandzone Hardenberg'. De gemeente wil regie voeren op de ontwikkeling van het landelijk gebied. De identiteit van het gebied komt voort uit de ontstaansgeschiedenis en de daarmee samenhangende landschapstypen. In de LIK is daarom een onderscheid gemaakt tussen de verschillende landschapstypen die in het gebied voorkomen. Vervolgens is voor het gebied een overzicht gemaakt met de waardevolle en storende kenmerken. Er is ook een visie (wensbeeld) op de toekomstige ontwikkelingen gegeven.

7.3.3 Toetsing aan het LIK

Er is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door het treffen van landschapsmaatregelen. Voor het bepalen van de landschapsmaatregelen is een ruimtelijke kwaliteitsplan (Bijlage 1) opgesteld. De landschappelijke kenmerkende waarden van het Besloten veenontginningslandschap zijn als uitgangspunt genomen. De landschapsmaatregelen bestaan uit het aanplanten van gebiedseigen beplanting ter plaatse. De LIK is gekoppeld aan de regels ter bescherming van de landschappelijke kenmerkende waarden. Hiermee is het plan in overeenstemming.

7.4 Ruimtelijke kwaliteit en welstand

Het is wenselijk dat bouwplannen voor gebouwen van goede kwaliteit zijn. En dat ze passen in het bebouwingsbeeld. Er zijn twee welstandsnota's, een voor de stads- en dorpskernen en een voor het buitengebied. Voor het buitengebied is dat de 'Welstandsnota Buitengebied'. Deze nota is vastgesteld op 3 december 2013. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente. Daarom zou die van toepassing moeten zijn. Voor de woning met de daarbij behorende gebouwen is de welstandsnota van toepassing. Echter is voor dit plan ook een beeldkwaliteitsparagraaf opgesteld voor de nieuw te bouwen bedrijfsgebouwen. Deze is onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1. Hiermee worden de vorm, detaillering, kleuren en materialen vastgelegd, zie ook afbeelding 2.7. Deze zijn gebaseerd op de gebiedskarakteristieken en zijn daarmee passend in het veenontginningslandschap. Bij de inrichting van het erf is rekening gehouden met de positie van de bebouwing op het erf. De uitgangspunten vanuit de LandschapsIdentiteitskaarten voor dit landschap benadrukken de rechtlijnigheid en met name structuurdragende beplanting op de randen van het erf. De erven langs de Venneweg worden gekenmerkt door uitgelijnde bebouwing en een half open erfensemble, wat ook op dit erf wordt doorgezet. Aan de noordzijde wordt een houtsingel aangeplant dat als groene rug van het erf zal gaan fungeren. De ruimte rondom het hondenpension en de rijbak wordt afgeschermd middels een streekeigen gemengde haag.

De aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de bedrijfsgebouwen moet voldoen aan de welstandscriteria zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsparagraaf in het ruimtelijk kwaliteitsplan. Op pagina 10 van het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) worden de randvoorwaarden genoemd. In de regels van voorliggend plan is opgenomen dat wordt getoetst aan deze eisen.

Hoofdstuk 8 Natuurbescherming

8.1 Algemeen

De natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Bij natuurbescherming gaat het om de bescherming van gebieden en de bescherming van soorten. In dit hoofdstuk komt aan de orde hoe dit plan rekening houdt met de bescherming hiervan.

8.2 Gebiedsbescherming

8.2.1 Natura 2000-gebieden
8.2.1.1 Wettelijk kader

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. In deze gebieden worden dieren, planten en hun leefomgeving beschermd. Activiteiten die significante negatieve gevolgen kunnen hebben voor deze gebieden worden gedefinieerd als Natura 2000-activiteiten. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 5.1 lid e van de Omgevingswet vergunningplichtig.

8.2.1.2 Situatie plangebied

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Vecht- en Beneden-Reggegebied'. Dit ligt op ongeveer 8 kilometer van het plangebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder wordt tevens gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. In dit geval kan op basis van de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling in combinatie met de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten dat sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.

8.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)
8.2.2.1 Wettelijk kader

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De bescherming van het NNN kent geen externe werking.

8.2.2.2 Situatie plangebied

Het dichtstbijzijnde deel van het NNN ligt op circa 2,8 kilometer afstand van het plangebied. Er is daarmee geen sprake van een ontwikkeling in het NNN. Het plan gaat niet gepaard met aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

8.2.3 Conclusie

Dit plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde gebieden.

8.3 Soortenbescherming

8.3.1 Wettelijk kader

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dit zijn flora- en fauna-activiteiten. Bij een activiteit is het nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit zijn. Er zijn maar weinig activiteiten waarbij vooraf al is uit te sluiten dat ze een flora- en fauna-activiteit tot gevolg hebben. Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bepaalt wanneer een vergunning nodig is.

8.3.2 Situatie plangebied

In het plangebied is een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het volledig rapport is als Bijlage 5 bij de motivering bijgevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat de inrichting en het gevoerde beheer het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten maakt. Wel is het een functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied.

Als gevolg van het verwijderen van de nestkast en beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari.

Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit van de Omgevingswet vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood.

Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats'. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze amfibieën op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

8.3.3 Conclusie

Dit plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde soorten indien rekening wordt gehouden met het volgende aandachtspunten: werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren). En geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken).

8.4 Conclusie natuurbescherming

Het plan leidt vooralsnog niet tot negatieve effecten op de natuur. De sloopwerkzaamheden zullen buiten het broeidseizoen plaatsvinden en middels het zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken zullen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën niet worden gedood.

Hoofdstuk 9 Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen

9.1 Beperkingengebieden

9.1.1 Algemeen

Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Dit zijn bijvoorbeeld wegen, spoorwegen, luchthavens en waterstaatswerken (rivieren etc.). Voorbeelden van beperkingengebiedactiviteiten zijn het plaatsen van een reclamebord naast een snelweg of het bouwen op een zeedijk. Om de functie van het werk of object te beschermen, gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied).

9.1.2 Situatie plangebied

Het plangebied ligt aan een inrit die uitkomt op de Venneweg. Dit zal niet veranderen. Deze weg heeft geen beperkingsgebied. Het plangebied ligt daarmee niet binnen een beperkingsgebied.

9.1.3 Conclusie

Het plangebied ligt niet binnen een beperkingsgebied.

9.2 Kabels en leidingen

9.2.1 Algemeen

Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving.

9.2.2 Situatie plangebied

In Hoofdstuk 6 is al ingegaan op mogelijke buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Hieruit blijkt dat er geen buisleidingen aanwezig zijn. Daarnaast zal voorafgaand aan de realisatie van de bouwwerkzaamheden een Klic-melding worden gedaan. Hiermee wordt voorkomen dat kabels en leidingen tijdens de bouw worden beïnvloed.

9.2.3 Conclusie

Het plangebied heeft in deze fase geen nadelige gevolgen op de kabels en leidingen.

Hoofdstuk 10 Milieueffectrapportage

10.1 Wettelijk kader

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Aan de hand van bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen. In kolom 1 staan de projecten opgesomd. In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is. In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt. Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt.

10.2 Situatie plangebied

Het plan gaat uit van de sloop van bebouwing en het realiseren van nieuwe gebouwen. Daarnaast wordt een woonperceel omgezet naar een bedrijfsfunctie voor een hondenpension. Op basis van kolom 1 van bijlage V Ob valt dit onder een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen' (J11).

Beoordeeld moet worden of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Als dat het geval is moet een milieueffectrapport worden gemaakt. Of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben moet worden beoordeeld aan de hand van de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, dat wil zeggen: de kenmerken van het project, de plaats van het project en de potentiële effecten.

Het project heeft geen aanzienlijke milieugevolgen vanwege:

  • de kenmerken van het project: het heeft een woonfunctie waar hobbymatig een hondenpension wordt gehouden. Dit wordt omgezet naar een bedrijfsfunctie voor maximaal 60 honden in twee nieuwe bedrijfsgebouwen in plaats van de bestaande buitenkennels (minder geluidsoverlast van hondengeblaf).
  • de plaats van het project: het bestaande erf;
  • het ontbreken van relevante potentiële effecten. Dit blijkt uit de vorige hoofdstukken 4 t/m 11 van deze motivering.

Er hoeft geen milieueffectrapport te worden gemaakt.

10.3 Conclusie

Dit plan brengt geen negatieve effecten op het milieu met zich mee. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

Hoofdstuk 11 Uitvoerbaarheid

11.1 Economische uitvoerbaarheid

Overheden zijn verplicht om de kosten van een ontwikkeling te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur.

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

11.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

11.2.1 Participatie

Participatie is een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.

In dit geval zijn de directe buren geïnformeerd door initiatiefnemer. Dit is gebeurd door hen de plannen te laten zien. Hiervan is een verslag gemaakt dat als Bijlage 6 bij deze motivering is bijgevoegd.

De omliggende buren zijn positief over de groene aankleding en hopen dat het plan snel doorgang vindt zodat er een forse impuls komt voor de omgeving.

11.2.2 Afstemming met andere bestuursorganen

In deze paragraaf zal verslag worden gedaan van de reacties van de betreffende instanties.

Het waterschap is reeds geïnformeerd, door het gebruiken van de watertoets.

De plannen voor het realiseren van twee gebouwen voor het hondenpension zijn ook voorgelegd aan de provincie. De provincie heeft ambtelijk groen licht gegeven om verder te gaan met de plannen. Ze hebben daarbij aangeven dat het wel belangrijk is om de solitaire bomen en de bomen langs de inrit aan te planten in een maat die voor laanbomen gebruikt wordt. Daarnaast kan de meidoornhaag aan de westzijde wellicht hoger en losser (niet strak geschoren), zodat de meidoorns zowel het zicht wegnemen als bijdragen aan meer biodiversiteit voor insecten en vogels (bloei, vruchten, nestgelegenheid). Ook voor de overige elementen zoals de (beuken)haag en erfbosje kan met een ecoloog gekeken worden naar maximale biodiversiteit bij de soortenkeuze.

Aan de hand van deze opmerkingen is het ruimtelijk kwaliteitsplan opnieuw bekeken en aangepast tot het ontwerp in Bijlage 1 van voorliggend tam-omgevingsplan.

Het ontwerp TAM-omgevingsplan is ter kennisgeving voorgelegd aan de provincie hier is geen reactie meer op ontvangen.

11.2.3 Zienswijzen

Dit plan heeft voor 6 weken als ontwerp ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

Hoofdstuk 12 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat het omgevingsplan voor de hele gemeente de regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Bkl staan de instructieregels voor de hoofdonderwerpen. Een omgevingsplan houdt in ieder geval voldoende rekening met onderstaande onderwerpen:

  • waarborgen van veiligheid;
  • beschermen van waterbelangen;
  • beschermen van gezondheid en milieu;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed;
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies;
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen;
  • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen;

Deze onderwerpen zijn beoordeeld in hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 10. Hieruit blijkt dat het plan met alle aspecten voldoende rekening houdt. Geconcludeerd wordt dat met deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.