direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01

Regels

Dit plan beoogt een planologische wijziging mogelijk te maken op de locatie Venneweg 19 en 19i te Collendoorn (Hardenberg). Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg. Technisch is het dat niet, maar dat hoeft ook nog niet. Juridisch moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22t van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg. Dus:

  • hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22t, paragraaf 1;
  • hoofdstuk 2 (Functies en andere gebiedsaanwijzingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22t, paragraaf 2;
  • hoofdstuk 3 (Algemene regels ten aanzien van activiteiten) moet worden gelezen als hoofdstuk 22t, paragraaf 3;
  • hoofdstuk 4 (Procesregels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22t, paragraaf 4;
  • hoofdstuk 5 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22t, paragraaf 5.
  • bijlage 1 moet worden gelezen als bijlage Z.22t.1 (begrippen).
  • bijlage 2 moet worden gelezen als bijlage Z.22t.2 (sloopopgave).
  • bijlage 3 moet worden gelezen als bijlage Z.22t.3 (ruimtelijk kwaliteitsplan).

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. De begripsbepalingen in Bijlage 1 bij dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing voor dit TAM-omgevingsplan.
  • 2. De begripsbepalingen in de volgende bijlagen zijn van toepassing voor dit TAM-omgevingsplan, tenzij in Bijlage 1 bij dit TAM-omgevingsplan daarvan is afgeweken:
  • bijlage bij de Omgevingswet;
  • bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
  • bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • bijlage I bij het Omgevingsbesluit;
  • bijlage 1 bij de Omgevingsregeling.

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

  • 1. Voor dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:
    • a. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
    • b. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen worden hierbij buiten beschouwing gelaten;
    • c. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
    • d. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
    • e. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Ruimten, zoals kelders en kruip- en soortgelijke ruimten, onder de onderzijde van de begane grondvloer - en tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren - worden niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk, tenzij:
      • de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen, of;
      • de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft.
        In bestaande situaties wordt een kelder waarvan de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen of de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft, niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk. Bij recreatiewoningen wordt de inhoud van een kelder onder de recreatiewoning wel meegeteld bij de inhoud van de woning;
    • f. het bebouwingspercentage: een aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;
    • g. de bruto vloeroppervlakte: de oppervlakte van een ruimte of van een groep van ruimten gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen;
    • h. het verkoopvloeroppervlakte: de vloeroppervlakte van alle voor mensen toegankelijke ruimten binnen een gebouw voor detailhandel, onder welke ruimten niet zijn begrepen opslag-, personeels-, sanitaire en andere dienstruimten, garderobes en keukens;
    • i. de ashoogte van een windturbine:
      • turbines met een horizontale as: vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein;
      • turbines met een verticale as: vanaf de rotor tot aan het aansluitende afgewerkte terrein;
    • j. de tiphoogte van een windturbine:
      • turbines met een horizontale as: de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel;
      • turbines met een verticale as: de ashoogte van een windturbine plus het deel van de rotorbladen dat daarbovenuit steekt;
    • k. de rotordiameter van een windturbine: deze wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiameter, gemeten loodrecht op de as;
    • l. wijziging van een (spoor)weg: daaronder wordt bij een weg verstaan:
      • het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 meter;
      • het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 meter;
      • een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken;
      • het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of,
      • het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg;

en bij een spoorweg:

      • het verhogen van de maximumrijsnelheid;
      • het vervangen van spoormaterieel door minder stil spoormaterieel; of,
      • het verhogen van de treinintensiteit.
    • a. waar waarden gelden:
      • op een gevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen:
        - op de gevel als het gaat om een gevoelig gebouw; en,
        - op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen gevoelig gebouw;
      • op de begrenzing van een locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen als het gaat om een woonschip of woonwagen; en
      • in een gevoelige ruimte, als het gaat om een gevoelige ruimte.
    • b. de waarden voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten zijn niet van toepassing op:
      • het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en,
      • onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd.
  • 2. Bij de toepassing van het bepaalde over het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de grens van de locatie of de rooilijn met niet meer dan 1 meter wordt overschreden.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. Het oude planologische regime is niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid. Onder het oude planologische regime wordt verstaan de besluiten bedoeld in artikel 4.6, lid 1 onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet die deel uitmaken van het omgevingsplan.
  • 2. De regels in afdeling 22.2 (activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen) met uitzondering van de artikelen 22.36 tot en met 22.39, en de regels in afdeling 22.3 (milieubelastende activiteiten) zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels van dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Venneweg 19 en 19i te Collendoorn zoals dat is begrensd in het GML-bestand NL.IMRO.0160.0000TAM0020-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 4 Doelen

  • 1. Dit omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Hardenberg als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
  • 2. De gemeente Hardenberg staat voor een nieuwe periode van groei waarin we ons ontwikkelen tot landstad Hardenberg. Daarbij staan vier uitgangspunten centraal:
    • a. De groei vasthouden en doortrekken, een stabiele bevolkingsgroei is daarbij een voorwaarde.
    • b. Kwaliteiten toevoegen wordt belangrijker: we streven naar brede welvaart en een aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken of te ondernemen.
    • c. Ruimte als troefkaart: daarmee onderscheiden we ons, in Hardenberg krijg je veel voor weinig.
    • d. Bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden: we zijn een regionaal economisch en vervoersknooppunt voor noordoost-Nederland. Met de as Zwolle-Hardenberg als basis voor samenwerking en bereikbaarheid.
  • 3. De ontwikkeling naar landstad Hardenberg vindt plaats op basis van de volgende kenmerken:
    • a. een grote verscheidenheid in het landelijk gebied;
    • b. aantrekkelijk wonen;
    • c. een vitale economie; en,
    • d. samen bouwen aan een duurzame toekomst.

Hoofdstuk 2 Functies en andere gebiedsaanwijzingen

Artikel 5 Bedrijf - Bedrijf in landelijk gebied

5.1 Oogmerk functie bedrijf in landelijk gebied

De regels over de functie 'Bedrijf - Bedrijf in landelijk gebied' in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het toestaan van een hondenpension passend bij de landelijke gebiedskenmerken.

5.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
5.2.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:

  • a. de exploitatie van een hondenpension voor maximaal 60 honden, onder de voorwaarden in artikel 5.2.2; en
  • b. wonen door één huishouden in een bestaande bedrijfswoning;
  • c. ondergeschikte detailhandel rechtstreeks voortvloeiend uit de activiteiten van het hondenpension en ondergeschikt is aan het hondenpension met een maximale verkoopvloeroppervlakte van 40 m2.

5.2.2 Algemene regels toegestane gebruiksactiviteiten
  • 1. Voor de exploitatie van een bedrijf als bedoeld in artikel 5.2.1 eerste lid onder a gelden de volgende voorwaarden:
    • a. degene die de activiteit uitoefent, dient ook de bewoner te zijn van de bedrijfswoning;
    • b. er is voorzien in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat gerealiseerd is in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in Artikel 8.
  • 2. In aanvulling op artikel 22.63 mag het geluid op 50 meter afstand vanaf de grens van het bouwperceel als gevolg van een bedrijf niet meer dan de waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT bedragen dan in onderstaande tabel is opgenomen.
07.00 – 19.00 uur   19.00 – 23.00 uur   23.00 – 07.00 uur  
57 dB(A)   51 dB(A)   44 dB(A)  

  • 3. De geurbelasting mag op 30 meter afstand vanaf de grens van het bouwperceel als gevolg van een bedrijf waarbij emissies naar de lucht plaatsvinden, niet meer dan de waarden bedragen dan in onderstaande tabel is opgenomen.
Als 98 percentiel   Als 99,9 percentiel  
0,5 OuE/m3   2 OuE/m3  

5.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
5.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige afwijkende gebruiksactiviteiten

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren onder de voorwaarden in artikel 5.2.2:

  • a. de exploitatie van twee bedrijven op één bouwperceel; en,
  • b. bedrijfsactiviteiten die niet voldoen aan de voorwaarden in artikel 5.2.2 tweede en derde lid.

5.3.2 Extra beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  • b. de gebruiksactiviteit moet passen binnen de aard, schaal en het beeld van het perceel en de omgeving;
  • c. de gebruiksactiviteit mag de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden niet onevenredig aantasten;
  • d. de gebruiksactiviteit mag geen onevenredige nadelige invloed hebben op de afwikkeling van het verkeer en er moet sprake zijn van voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in Artikel 8; en
  • e. de gebruiksactiviteit doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in Artikel 4 en artikel 5.1.

5.4 Verboden gebruiksactiviteiten
5.4.1 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 5.2 en 5.3 is verboden. In ieder geval

omvat het verbod het gebruiken van gronden voor buitenopslag, met dien verstande dat dit verbod niet geldt ter plaatse van de aanduiding 'opslag'.

5.5 Toegestane ruimtelijke bouwactiviteiten
5.5.1 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten

Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 5.2.1 mits deze in overeenstemming is met artikel 10.3

5.6 Vergunningplichtige ruimtelijke bouwactiviteiten
5.6.1 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen te (ver)bouwen en bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 5.2.1 en 5.3.1, anders dan de vergunningvrije bouwactiviteiten bedoeld in artikel 5.5.1.

5.6.2 Vaste beoordelingsregels voor het bouwen

De omgevingsvergunning wordt verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a. het aantal bedrijfswoningen per bouwperceel mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal;
    • b. de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 400 m2;
    • c. bedrijfsgebouwen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden;
    • d. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m3, danwel de bestaande inhoud indien dat meer bedraagt;
    • e. de gezamenlijke oppervlakte van de bij de bedrijfswoning behorende bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 202 m2; en,
    • f. het bepaalde over bijbehorende bouwwerken is niet van toepassing op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk indien deze voldoet aan het bepaalde over hoofdgebouwen.
    • g. Voor de goothoogte, bouwhoogte en dakhelling van bouwwerken gelden de maatvoeringsbepalingen zoals in de tabel aangegeven:

Bouwwerken   Maximale goothoogte   Maximale bouwhoogte   Minimale dakhelling  
Bedrijfsgebouw (1)   2,5 meter   4,5 meter   18º  
Bedrijfswoning   3,5 meter   10 meter   30º  
Bijbehorende bouwwerken   3 meter   6 meter   18º  
Overkappingen     3,5 meter    
Erf- en perceelsafscheidingen op ten minste 1 meter achter de voorgevelrooilijn     2 meter    
Overige erf- en perceelsafscheidingen     1 meter    
Overige andere bouwwerken     12 meter    
(1) de maximale goothoogte en minimale dakhelling gelden niet voor technische installaties die verbonden zijn met en onderdeel uitmaken van bedrijfsgebouwen.  
    • a. Ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'beeldkwaliteit' gelden de beeldkwaliteitseisen zoals opgenomen in de beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen in hoofdstuk 4.4 van het ruimtelijk kwaliteitsplan zoals opgenomen in Bijlage 3.
5.6.3 Extra beoordelingsregels
  • 1. Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de in artikel 5.6.2 genoemde beoordelingsregels, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden:
    • a. het in afwijking van artikel 5.6.2 onder g verlagen van de dakhelling of het toestaan van een plat dak van gebouwen, mits:
      • bij bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken het oppervlak waarvoor een kleinere dakhelling of plat dak wordt toegestaan niet groter is dan 15% van het totale oppervlak van het gebouw;
      • de bedrijfswoning mag voor maximaal 30 m2 van een platte afdekking worden voorzien.
    • b. het in afwijking van artikel 5.6.2 onder g verlagen van de dakhelling of het toestaan van een plat dak bij bedrijfsgebouwen of bijbehorende bouwwerken mits de oppervlak niet groter is dan 30 m2.
    • c. het in afwijking van artikel 5.6.2 onder g verhogen van de toegestane bouwhoogte tot 3 meter voor erf- en terreinafscheidingen en 15 meter voor overige bouwwerken.
  • 2. De volgende beoordelingsregels zijn bij lid 1 t/m 2 van toepassing:
    • a. het (ver)bouwplan leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden;
    • b. ten gevolge van het (ver)bouwplan is er ter plaatse van de (nieuwe) gevoelige ruimten sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
    • c. het (ver)bouwen van hoofdgebouwen is passend in het straat- en bebouwingsbeeld;
    • d. het (ver)bouwen van hoofdgebouwen doet geen afbreuk aan de verkeersveiligheid;
    • e. het bouwplan voorziet in voldoende parkeervoorzieningen. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in Artikel 8; en,
    • f. het bouwen doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in de artikelen Artikel 4 en 5.1.

5.7 Geboden overige activiteiten
5.7.1 Instandhoudings- en voorwaardelijke verplichtingen
  • a. Binnen 12 maanden na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn dienen de gebouwen te worden gesloopt en de erfverhardingen te zijn verwijderd zoals aangegeven in de sloopopgave in Bijlage 2;
  • b. Binnen 18 maanden na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn dienen de landschapsmaatregelen te zijn aangebracht zoals aangegeven in het ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 3.

5.7.2 Beoordelingsregels afwijkmogelijkheden landschapsmaatregelen

Voor landschapsmaatregelen, die niet in overeenstemming zijn met artikel 5.7.1 lid b, kunnen met een omgevingsvergunning andere landschapsmaatregelen worden genomen.

De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing:

  • a. de investering in de landschapsmaatregelen is minimaal gelijk aan de in het ruimtelijk kwaliteitsplan opgenomen landschapsmaatregelen;
  • b. de gebiedskenmerken van het besloten veenontginningslandschap worden niet aangetast;
  • c. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige functies en waarden.

Artikel 6 Agrarisch - Agrarisch in landelijk gebied

6.1 Oogmerk functie agrarisch in landelijk gebied
  • 1. De regels over de functie 'agrarisch in landelijk gebied' zijn gesteld met het oog op:
    • a. het ontwikkelen van een productieve, vitale en veerkrachtige landbouw die tegelijk leverancier is van groene grondstoffen;
    • b. het bevorderen van natuurinclusieve landbouw; en,
    • c. het stimuleren van kringlooplandbouw en klimaatneutrale landbouw;
    • d. het behouden en ontwikkelen van agrarisch grondgebruik en faciliteren van bestaande agrarische bedrijven in hun ontwikkeling;
    • e. het bieden van ruimte voor zowel verbreding (multifunctionele landbouw) als specialisatie van bestaande bedrijven;
    • f. het behouden en versterken van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van het besloten veenontginningslandschap.

6.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
6.2.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:

  • a. het exploiteren van een agrarisch bedrijf, uitgezonderd glastuinbouw;
  • b. hobbymatige agrarische activiteiten;
  • c. extensief recreëren in de open lucht;
  • d. het gebruiken van gronden ten behoeve van de bestaande paardenbak;
  • e. het behouden en het ontwikkelen van de gebiedseigen kenmerken en kwaliteiten en karakter behorende bij het besloten veenontginningslandschap.

6.3 Verboden gebruiksactiviteiten
6.3.1 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 6.2 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • a. het gebruiken van gronden voor buitenopslag;
  • b. het gebruik van gronden voor recreatief nachtverblijf; en
  • c. paardenbakken, met uitzondering van de bestaande paardenbak.

6.4 Toegestane ruimtelijke bouwactiviteiten
6.4.1 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten

Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in 6.2 mits deze in overeenstemming is met Artikel 10.

6.5 Vergunningplichtige ruimtelijke bouwactiviteiten
6.5.1 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen te (ver)bouwen en bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in 6.2, anders dan de vergunningvrije bouwactiviteiten bedoeld in artikel 6.4.1.

6.5.2 Vaste beoordelingsregels voor het bouwen
  • 1. Gebouwen en overkappingen zijn niet toegestaan met uitzondering van 1 schuilgelegenheid met een oppervlakte van maximaal 15 m2 per hectare bij elkaar behorende grond.
  • 2. Voor de goothoogte, bouwhoogte en dakhelling van bouwwerken gelden de maatvoeringsbepalingen zoals in de tabel aangegeven.
Bouwwerken   Maximale bouwhoogte   Maximale goothoogte   Minimale dakhelling  
Erf- of perceelafscheidingen   1,5 meter      
Omheiningen van een paardenbak   1,5 meter      
Overige andere bouwwerken geen
gebouwen of overkappingen zijnde  
3 meter      
Schuilgelegenheid per één hectare bij elkaar behorende grond   5 meter   2,5 meter   18º  

6.6 Verboden ruimtelijke bouwactiviteiten
6.6.1 Aanwijzing verboden bouwactiviteiten

Bouwactiviteiten die afwijken van de bouwactiviteiten in subparagraaf 6.4 en 6.5 zijn verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • a. mestopslag;
  • b. de bouw van zonnecollectoren.

6.7 Vergunningplichtige overige activiteiten
6.7.1 Aanwijzing vergunningplichtige werken en werkzaamheden
  • 1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken:
    • a. aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    • b. aanleggen en dempen van wateren;
    • c. aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
    • d. verlagen van de bodem en afgraven van gronden, tenzij daarvoor een vergunning is vereist volgens de Omgevingswet; en,
    • e. bebossen of op een andere manier beplanten met houtopstanden.
  • 2. Deze vergunningplicht geldt niet voor het verrichten van het volgende:
    • a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    • b. werken en werkzaamheden, waarmee rechtens is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
    • c. werken en werkzaamheden die worden uitgevoerd ter ontwikkeling van de aan het besloten landschap eigen gebiedskenmerken als bedoeld in de Artikel 4 en 6.1;
    • d. werken en werkzaamheden in het kader van de uitvoering van het ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 3.

6.7.2 Beoordelingsregels werken en werkzaamheden

Voor het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden wordt omgevingsvergunning verleend indien door die werken of werkzaamheden, of door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, een of meer waarden of functies van de in dit hoofdstuk bedoelde gronden, die het plan beoogt te beschermen:

  • a. niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; of,
  • b. de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 7 Overige zone - gebieden met archeologische (verwachtings)waarde

7.1 Oogmerk

De regels over de 'Overige zone - gebieden met archeologische (verwachtings)waarde' zijn gesteld met het oog op:

  • a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van archeologische monumenten;
  • b. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ; en
  • c. het behouden en beschermen van de verwachte archeologische waarden.

7.2 Vergunningplichtige ruimtelijke bouwactiviteiten
7.2.1 Aanvraagvereisten vergunningplichtige ruimtelijke bouwactiviteiten
  • 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ruimtelijke bouwactiviteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarde wordt in de volgende gevallen, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in 12.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld:
    • a. er is sprake van een of meerdere bouwwerken met een (gezamenlijk) oppervlakte gelijk of meer dan de 'maximum oppervlakte van de bodemverstoring (m2)' zoals aangegeven op de kaart; en,
    • b. er is sprake van een diepte gelijk of meer dan de 'maximum diepte van de bodemverstoring (m)' zoals aangegeven op de kaart.
  • 2. Een dergelijke rapportage is niet noodzakelijk als aangetoond kan worden dat die gronden geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.

7.2.2 Bevoegdheid stellen vergunningvoorschriften

Indien uit het in 7.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning over:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen; en,
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

7.3 Vergunningplichtige overige activiteiten
7.3.1 Aanwijzing en beoordelingsregels vergunningplichtige werken en werkzaamheden
  • 1. Binnen een gebied met archeologische (verwachtings)waarde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken wanneer de oppervlakte gelijk of meer bedraagt dan de 'maximum oppervlakte van de bodemverstoring' en/of de diepte gelijk of meer dan de 'maximum diepte van de bodemverstoring' zoals aangegeven op de kaart:
    • a. het ophogen van de bodem;
    • b. het afgraven van gronden;
    • c. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    • d. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
    • e. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
    • f. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, waarbij de breedte van deze werken ten minste 1,25 m bedraagt;
    • g. het bebossen van gronden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regel niet de functie bos heeft;
    • h. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd;
    • i. het aanleggen van bos of boomgaard; en,
    • j. het verrichten van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen.
  • 2. Het onder het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het normale onderhoud of gebruik betreffen:
    • a. al in uitvoering zijn, of volgens een verleende vergunning al mogen worden uitgevoerd;
    • b. onderdeel zijn van werkzaamheden waarvoor al een omgevingsvergunning is verleend en in werking is;
    • c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden verricht, mits verricht door een ter zake deskundige; en,
    • d. uitgevoerd worden op gronden waarvan aangetoond kan worden dat deze geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.
  • 3. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden wordt, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in 12.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld.
  • 4. De vergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in het eerste lid genoemde werken en werkzaamheden, of de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal.

Hoofdstuk 3 Algemene regels ten aanzien van activiteiten

Artikel 8 Parkeeractiviteiten

8.1 Parkeergelegenheid
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg heeft.
  • 2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid; en,
    • b. een parkeerbalans en toelichting hierop.
  • 3. De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing:
    • a. er dient op eigen terrein in voldoende mate in parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, motorfietsen, fietsen of andere voertuigen te worden voorzien en standgehouden op of onder het gebouw, en/of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw of terrein behoort. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); en,
    • b. de parkeergelegenheid dient qua maatvoering passend te zijn, gelet op het gebruik van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. Er is sprake van een passende maatvoering indien deze is afgestemd op gangbare auto's, zoals opgenomen in de richtlijnen en maatvoering in de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); of,
    • c. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en b:
      • indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en,
      • als wordt voorzien in een parkeergelegenheid die gelet op de parkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is, bijvoorbeeld in de vorm van alternatieve parkeerruimte in de nabijheid, daarbij rekening houdend met de reeds bestaande bebouwing ter plaatse en de mogelijkheid van dubbelgebruik.
  • 4. Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de parkeergelegenheid.

8.2 Laden en lossen
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van het laden of lossen van goederen tot gevolg heeft.
  • 2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw te realiseren laad- en losruimte; en,
    • b. een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen.
  • 3. De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing:
    • a. er dient aan, in of onder dat gebouw, of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort in voldoende mate te zijn voorzien in laad- en losruimte; of
    • b. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a:
      • indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en,
      • als wordt voorzien in een laad- en losruimte die gelet op de verkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is.
  • 4. Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de laad- en losruimte.

Artikel 9 Planologische gebruiksactiviteiten

9.1 Toegestaan gebruik van bouwwerken voor mantelzorg
  • 1. Het is toegestaan mantelzorg te bieden in een woning of het huishouden aan te vullen met een huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen;
  • 2. Voor zover niet vergunningvrij is toegestaan op basis van artikel 22.36 en 22.37 mag deze mantelzorg of het extra huishouden niet plaatsvinden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een bedrijfswoning.

9.2 (Pre)mantelzorg
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren:
    • a. voor zover niet vergunningvrij is toegestaan op basis van 10.3: het bieden van mantelzorg danwel het huisvesten van een extra huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij de woning;
    • b. het tijdelijk bieden van pré-mantelzorg in een woning vooruitlopend op de verlening van mantelzorg.
  • 2. De omgevingsvergunning voor mantelzorg of een extra huishouden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk van een woning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden:
    • a. het gebruik leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
    • b. het gebruik moet passen binnen de aard, schaal en het beeld van het perceel en de omgeving;
    • c. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en,
    • d. het gebruik doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken voor het betreffende gebied en de betreffende functie.
  • 3. De omgevingsvergunning voor pré-mantelzorg wordt verleend als het bieden van pré-mantelzorg plaatsvindt in overeenstemming met de "Beleidsregel pré-mantelzorgwoningen gemeente Hardenberg" (datum vaststelling college 3 oktober 2023) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).

9.3 Verboden gebruiksactiviteiten
9.3.1 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten
  • 1. Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met het karakter en het oogmerk van de aan locaties toegedeelde functies in Hoofdstuk 2 zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.
  • 2. Het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
  • 3. Gebruiksactiviteiten die op grond dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.
  • 4. Het gebruik als seksinrichtingen is verboden.
  • 5. Het wonen in een zorgwoning door niet hulpbehoevenden of professionele hulpverleners die zorg- of hulp verlenen aan ter plaatse wonende hulpbehoevenden is verboden.
  • 6. Het gebruik als hyperscale datacentrum is verboden.

Artikel 10 Ruimtelijke bouwactiviteiten

10.1 Bestaande maatvoering toegestaan
  • 1. Indien afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan op grond van hoofdstuk 2 is voorgeschreven, dan mogen deze bestaande maten en aantallen als maximaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden.
  • 2. In die gevallen dat afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken minder bedragen dan op grond van hoofdstuk 2 is voorgeschreven, dan mogen deze bestaande maten en aantallen als minimaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden.

10.2 Anti-dubbeltelregel
  • 1. Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
  • 2. Bouwwerken die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een vergroting van het oorspronkelijke bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of het gebruik daarvan, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

10.3 Toegestane bouwactiviteiten
  • 1. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken mits het in overeenstemming is met:
    • a. artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of,
    • b. elders in het omgevingsplan algemeen vastgelegde vergunningvrije bouwactiviteiten (artikel 22.27 of diens opvolger), de toegedeelde functie én de vaste beoordelingsregels van dit omgevingsplan die op die locatie van toepassing zijn.
  • 2. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning bouwwerken te realiseren en in stand te houden ten behoeve van:
    • a. nutsvoorzieningen;
    • b. voorzieningen voor verkeer, parkeren en verblijf;
    • c. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen; en
    • d. waterhuishoudkundige voorzieningen.
  • 3. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines.
  • 4. Voor de bouwwerken als bedoeld in het tweede en derde lid gelden de volgende voorwaarden:
    • a. de bouwwerken behoren bij de toegedeelde functie;
    • b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter; en,
    • c. de oppervlakte bedraagt maximaal 15 m2.

10.4 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan:

  • a. de bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 10.3 (toegestane bouwactiviteiten); en
  • b. de toegestane bouwactiviteiten, als bedoeld in Hoofdstuk 2.

10.5 Vaste beoordelingsregels openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen
  • 1. De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen:
    • a. de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²;
    • b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 5 meter;
    • c. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 meter;
    • d. de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen bedraagt niet meer dan 12 meter; en,
    • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 10 meter.
  • 2. Voor een sport- of speeltoestel die niet in overeenstemming is met het eerste lid, geldt de mogelijkheid tot het verhogen van de toegestane bouwhoogte, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
    • a. niet hoger dan 4 meter; en,
    • b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.
  • 3. Er kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid maatwerk- of vergunningvoorschriften worden gesteld aan de locatie en de bouwhoogte van gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt.

10.6 Algemene beoordelingsregels afwijkmogelijkheden voor bouwactiviteiten (nadere beoordelingsruimte)
  • 1. Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de regels voor bouwactiviteiten in hoofdstuk 2, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden:
    • a. het afwijken tot niet meer dan 10% van de maten, afmetingen en percentages als opgenomen in hoofdstuk 2;
    • b. het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van de wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
    • c. het afwijken van functie- of bebouwingsgrenzen, indien noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, of uit oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en bebouwing, mits die afwijkingen ten opzichte van wat is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen;
    • d. het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits niet hoger dan 3 meter en de oppervlakte niet meer dan 50 m² bedraagt;
    • e. het bouwen van een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 meter, onder andere onder de specifieke voorwaarden zoals opgenomen in lid 4 en 6; en,
    • f. voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor:
      • ecologische voorzieningen, zoals uitkijkpunten en observatiehutten;
      • eenvoudige dagrecreatieve voorzieningen, zoals schuilgelegenheden, rustpunten en informatieborden,

waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 12 meter mag bedragen.

  • 2. De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing: er ontstaat geen onevenredige aantasting van:
    • a. de functie- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken;
    • b. de verkeersveiligheid;
    • c. de parkeervoorzieningen;
    • d. het bebouwingsbeeld;
    • e. het landschap.
  • 3. Er kunnen met het oog op landschappelijke inpassing voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden om de inpassing op het erf en in het landschap op zorgvuldige wijze plaats te laten vinden en in stand te houden, aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijden van het verrichten van de bouwactiviteit.
  • 4. In aanvulling op het tweede lid zijn voor het bouwen van een antenne-installatie voor mobiele communicatie de volgende beoordelingsregels van toepassing:
    • a. het doel van de antenneplaatsing is verbeterde dekking en/of capaciteit van een mobiel netwerk en kan niet bereikt worden met de plaatsing van vergunningsvrije antenne-installaties op gebouwen, bestaande zendmasten of andere bestaande bouwwerken zoals lichtmasten en verkeersportalen;
    • b. de antenne-installatie wordt zoveel mogelijk uit het zicht geplaatst;
    • c. de antenne-installatie en bijbehorende apparatuur dienen zoveel mogelijk te worden geïntegreerd in de architectuur of omgeving, ook door zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande bebouwing of (groen)elementen;
    • d. de antenne-installatie, de bijbehorende technische installaties en de bedrading moeten door zorgvuldige materiaal- en kleurkeuze in de omgeving ingepast worden;
    • e. de antenne-installatie mag geen afbreuk doen aan de visuele kwaliteit van een gebouw en de omgeving en specifieke architectonische kenmerken niet aantasten;
    • f. de antenne-installatie mag geen onevenredige of onomkeerbare afbreuk doen aan de waarde van monumentale gebouwen of beschermde dorpsgezichten, waarbij:
      • blijvende bouwkundige aantasting of (gevolg)schade aan het monument moet worden voorkomen;
      • de zichtbaarheid van de antenne vanaf de openbare ruimte moet worden geminimaliseerd;
      • bliksem- en brandbeveiliging moeten worden aangepast op de nieuwe situatie;
      • restauratie- en onderhoudswerkzaamheden, in aan of op het monument moeten ongehinderd doorgang kunnen vinden; en,
    • g. bij antenneplaatsing moet gestreefd worden naar een zo klein mogelijke impact op de ondergrond. Aansluitingen op ondergrondse infra moet plaatsvinden door zo weinig mogelijk ruimtebeslag in die ondergrond en zo weinig mogelijk graafwerkzaamheden. Het heeft de voorkeur dat aanbieders zoveel mogelijk opstelpunten delen (site-sharing).
  • 5. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een antenne-installatie voor mobiele communicatie voor de toetsing aan dit omgevingsplan worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. een toelichting op de locatiekeuze vanuit de gewenste mobiele connectiviteit en vanuit netwerktechnisch oogpunt voor tenminste één van de netwerken van de mobiele operators;
    • b. een toelichting of er is gekeken naar plaatsing op bestaande antenne-opstelpunten; en,
    • c. het bij een aanvraag van een omgevingsvergunning ter beoordeling voor te leggen materiaal dient een goed beeld te geven van de inpassing van de beoogde installatie in zijn omgeving, compleet met toebehorende infrastructuur.
  • 6. In aanvulling op het tweede lid zijn voor het bouwen van een antenne-installatie voor radiozendamateurs de volgende beoordelingsregels van toepassing:
    • a. het doel van de antenneplaatsing is verbeterde dekking en/of capaciteit van een radiozendnetwerk en kan niet bereikt worden met de plaatsing van een lagere antenne-installatie of vergunningsvrije antenne-installaties;
    • b. de antenne-installatie mag niet voor de voorgevelrooilijn staan, bij voorkeur op het achtererf;
    • c. de antenne-installatie mag niet op en/of boven gronden van derden komen;
    • d. indien er welstandseisen van toepassing zijn, dient er te worden voldaan aan redelijke eisen van welstand. De kleur dient in de meeste gevallen bij voorkeur grijs of vergelijkbaar te zijn;
    • e. de antenne-installatie mag niet meer dan 5 meter hoger zijn dan de nok van het hoofdgebouw op het perceel;
    • f. er wordt maximaal één antenne-installatie per bouwperceel op grond van dit lid opgericht;
    • g. de antenne-installatie bevindt zich niet in beschermd dorpsgezicht;
    • h. de antenne-installatie bevindt zich niet bij of in de onmiddellijke nabijheid van een rijks- of gemeentelijk monument; en,
    • i. de antenne-installatie mag geen onaanzienlijke inbreuk op hun woon- en leefomgeving veroorzaken.
  • 7. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een antenne-installatie voor radiozendamateurs voor de toetsing aan dit omgevingsplan worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. diploma radiozendamateur;
    • b. de door of namens de overheid verleende zendvergunning; en,
    • c. een motivering ten aanzien van het doel en de wijze van uitvoering van de antenne-installatie, waaruit blijkt dat de antenne-installatie geen onaanzienlijke inbreuk op hun woon- en leefomgeving veroorzaakt.

10.7 Verboden bouwactiviteiten

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken:

  • a. met een andere functie en anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in Hoofdstuk 2;
  • b. anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in dit artikel.

Artikel 11 Verrichten van werken en werkzaamheden

11.1 Aanwijzing toegestane aanlegactiviteiten

Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten en de aan te leggen werken in stand te houden en te gebruiken, mits deze niet in strijd zijn met de toegedeelde functie:

  • a. nutsvoorzieningen;
  • b. infrastructurele voorzieningen (waaronder parkeervoorzieningen);
  • c. verblijfsvoorzieningen;
  • d. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen; en,
  • e. vaar- en waterhuishoudkundige voorzieningen.

11.2 Vergunningplichtige activiteiten
11.2.1 Gesloten bodemenergiesysteem
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen.
  • 2. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
    • a. het gesloten bodemenergiesysteem de eerste waterscheidende laag niet doorboort; en,
    • b. het risico op lekkage van bodembedreigende stoffen naar het grondwater acceptabel is.

Hoofdstuk 4 Procesregels

Artikel 12 Algemene bepalingen

12.1 Rangorde
  • 1. Indien op basis van Artikel 7 op een locatie als gevolg van een stapeling van gebiedsaanwijzingen meerdere locatiegebonden en/of meer specifieke regelingen gelden, dan gaat de regeling voor die het meest bijdraagt aan de doelen van dit omgevingsplan als opgenomen in Artikel 4.
  • 2. De regels in dit plan gaan voor op het omgevingsplan dat van rechtswege is ontstaan.

12.2 Algemene indienings- en aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. de gegevens en bescheiden, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn';
  • b. de aanduiding (aard en omvang) van de activiteit of activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd c.q. de melding wordt ingediend;
  • c. naam, adres, e-mailadres (voor zover beschikbaar), en woonplaats van de melder of aanvrager en diens eventuele gemachtigde;
  • d. de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding;
  • e. een situatietekening of kaart met een schaal van tenminste 1:1.000 voorzien van een noordpijl waarop de ligging, indeling en uitvoering van de activiteit op de locatie ten opzichte van de omgeving is aangegeven; en
  • f. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventuele benodigde beoordeling op grond van dit plan.

12.3 Advies
  • 1. Het bevoegd gezag vraagt advies aan de stadsbouwmeester over de welstandsaspecten van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten;
  • 2. De stadsbouwmeester baseert zijn/haar welstandsadvies op de criteria uit de vastgestelde beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Voorzover de regels aan ruimtelijke bouwactiviteiten met betrekking tot de voorgeschreven maximale goothoogte en maximale bouwhoogte en de plaatsing op het bouwperceel ruimte bieden voor verschillende mogelijkheden van het realiseren van gebouwen, is deze ruimte tevens bedoeld voor het kunnen stellen van voorwaarden op basis van deze welstandscriteria (voor zover die binnen het betreffende gebied van toepassing zijn) mits:
    • a. de vermindering van de goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan 15% van de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte; en,
    • b. de binnen de regels te realiseren oppervlakte niet wordt verminderd.

12.4 Algemene beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning
  • 1. Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, als bedoeld in Hoofdstuk 2, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • a. er zijn geen geschikte alternatieven en het doorgang vinden van de activiteit is noodzakelijk met het oog op een van de daarop toepasselijke doelen en/of oogmerken; en,
    • b. het met weigering van de omgevingsvergunning of handhaving van de algemene regel, als bedoeld in de aanhef, te dienen belang is onevenredig in verhouding tot het doel en/of oogmerk van de activiteit.
  • 2. Bij de toepassing van het eerste lid, worden de rechtstreeks bij de activiteit betrokken omgevingsdoelen en/of –oogmerken afgewogen, af voor zover niet uit een instructieregel, dit omgevingsplan of de aard van de betrokken activiteit een beperking voortvloeit.

12.5 Algemene weigeringsgronden omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

  • a. het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit;
  • b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften;
  • c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en,
  • d. de gemeentelijke doelstellingen als opgenomen in Artikel 4.

12.6 Algemene bevoegdheid stellen maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften
  • 1. Er kunnen met het oog op de belangen zoals genoemd in dit omgevingsplan maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in Hoofdstuk 2.
  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald.
  • 3. Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
  • 4. Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
  • 5. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
  • 6. Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.

12.7 Gelijkwaardigheid
  • 1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in plaats van een maatwerkregel of een vergunningvoorschrift als bedoeld in 12.6, een gelijkwaardige maatregel te treffen.
  • 2. Met de gelijkwaardige maatregel wordt ten minste hetzelfde resultaat bereikt als met de voorgeschreven maatregel of het vergunningvoorschrift is beoogd.

12.8 Normadressaat
  • 1. Aan de hoofdstukken 1, 4 en 5 die algemeen geldende bepalingen bevatten, wordt door een ieder – waaronder de gemeente - voldaan.
  • 2. Aan het Hoofdstuk 2 dat gaat over de verschillende gebiedsaanwijzingen wordt voldaan door de eigenaar van de locatie en/of degene die uit anderen hoofde bevoegd is over de locatie te beschikken. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de locatie.
  • 3. Aan Hoofdstuk 3 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht en/of laat verrichten. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Hoofdstuk 5 Overgangsrecht- en slotbepalingen

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn' aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn' mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn' maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

13.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) als bedoeld in Hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn' en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit 'TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn' strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit 'TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn' strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

13.3 Overgangsrecht overig activiteiten
  • 1. Een ontheffing of vergunning voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn':
    • a. vergunningplichtig is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit;
    • b. meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.
  • 2. Een melding of een informatieplicht voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn' meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.
  • 3. Een voorschrift uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn' niet vergunningplichtig is, geldt als een maatwerkvoorschrift voor zover het mogelijk is op grond van dit omgevingsplan over die activiteit maatwerkvoorschriften te stellen.
  • 4. Op activiteiten die op het moment van de inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn' krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van de hoofdstukken 1 en 3 t/m 5 van dit omgevingsplan rechtstreeks van toepassing.