direct naar inhoud van Regels
Plan: Binnenstad 2016
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.BP00086-0003

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het bestemmingsplan "Binnenstad 2016" met identificatienummer NL.IMRO.0153.BP00086- van de gemeente Enschede.

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels van het plan regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 afhaalpunt:

een locatie waar de consument uitsluitend via internet bestelde en betaalde goederen kan afhalen of retourneren, waar uitsluitend logistiek en opslag van bestelde goederen gedurende een korte periode plaatsvindt en waarbij geen sprake is van uitstalling ten verkoop en/of overige activiteiten.

1.6 afhaalzaak:

een bedrijf waar in hoofdzaak kant en klare maaltijden en kleine etenswaren, alsmede alcoholvrije dranken en consumptie-ijs, worden verkocht voor consumptie anders dan ter plaatse.

1.7 ambachtelijke bedrijvigheid:

Kleinschalige consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten waarin, geheel of overwegend, door middel van handwerk goederen worden vervaardigd, bewerkt, hersteld en/of geïnstalleerd, waaronder mede worden begrepen het verkopen en/of leveren, als aan de bedrijfsactiviteit gerelateerde en naar aard, omvang en openingstijden ondergeschikte activiteit, van goederen die verband houden met die bedrijfsactiviteit.

Tot ambachtelijke bedrijvigheid worden in ieder geval de volgende bedrijfsactiviteiten gerekend: fietsenmaker, schoen- en/of kledingreparatie, kledingmakerij, woningstoffeerderij, lijstenmakerij, naai-atelier, wasserette, sleutelmakerij, klompenmakerij, uurwerkreparatie, reparatie van kleine (elektrische) gebruiksgoederen, computerservice (systeembouw), grafisch ontwerp, decorbouw, goud- en/of zilversmederij, opslag van goederen voor particulieren, opslag van goederen voor bedrijvigheid die in hoofdzaak elders wordt uitgeoefend, kantoorfunctie voor bedrijvigheid die in hoofdzaak elders wordt uitgeoefend.

1.8 ander geluidgevoelig gebouw:

een bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw, niet zijnde een woning, dat vanwege de bestemming daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft:

  • a. een onderwijsgebouw;
  • b. een ziekenhuis;
  • c. een verpleeghuis;
  • d. een verzorgingstehuis;
  • e. een psychiatrische inrichting;
  • f. een kinderdagverblijf

met uitzondering van de delen van het gebouw die een andere gebruiksfunctie en/of bestemming hebben dan verblijfsruimten.

1.9 antennedrager:

antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

1.10 antenne-installatie:

installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

1.11 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of overkappingen.

1.12 bed and breakfast:

een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt. Een bed & breakfast is gevestigd in een woning of een daarbij behorend gebouw en wordt geleid door de bewoners van de betreffende woning. In planologische zin valt een bed & breakfast onder beroep of bedrijf aan huis.

1.13 bedrijf:

een onderneming gericht op het produceren, vervaardigen, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen.

1.14 beperkt kwetsbare objecten:

de objecten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, zijnde:

  • a. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare, en dienst- en bedrijfswoningen van derden;
  • b. kantoorgebouwen, voorzover zij niet als kwetsbaar object kunnen worden aangemerkt;
  • c. hotels en restaurants, voorzover zij niet als kwetsbaar object kunnen worden aangemerkt;
  • d. winkels , voorzover zij niet als kwetsbaar object kunnen worden aangemerkt;
  • e. sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen;
  • f. kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voorzover zij niet als kwetsbaar object kunnen worden aangemerkt;
  • g. bedrijfsgebouwen, voorzover zij niet als kwetsbaar object kunnen worden aangemerkt;
  • h. objecten die met de onder a tot en met e en g genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voorzover die objecten geen kwetsbare zijn, en
  • i. objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of electriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voorzover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.
1.15 beroep of bedrijf aan huis:

een dienstverlenend beroep op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig of technisch gebied of daarmee gelijk te stellen activiteiten, dan wel een kleinschalig bedrijf, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarvan de ruimtelijke uitwerking of uitstraling met de woonfunctie verenigbaar is en waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en degene die het beroep of het bedrijf uitoefent ook bewoner van de woning is.

1.16 beschermde boom:

een op het door burgemeester en wethouders vastgestelde bomenoverzicht weergegeven boom of boomgroep en alle gemeentelijke bomen die niet op dit overzicht zijn weergegeven, waarvoor in de algemene plaatselijke verordening een omgevingsvergunning voor het kappen van houtopstanden verplicht is gesteld.

1.17 bestaande bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan volgens het geldende recht aanwezig of in uitvoering zijn dan wel na dat tijdstip zijn of mogen worden opgericht krachtens een omgevingsvergunning die vóór dat tijdstip is aangevraagd.

1.18 bestaande woning als bedoeld in het verbod tot bouwkundig splitsen van woningen:

een woning die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan feitelijk aanwezig is dan wel na dat tijdstip is of kan worden gerealiseerd overeenkomstig een, al dan niet in afwijking van dit plan, verleende omgevingsvergunning.

1.19 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

1.20 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.21 bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

1.22 bouwen:

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk.

1.23 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

1.24 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.25 bouwperceelgrens:

De grens van een bouwperceel.

1.26 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.27 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.28 consumentenvuurwerk:

vuurwerk dat is ingedeeld in categorie 1, 2 of 3 en dat bij of krachtens het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

1.29 cultuurhistorisch attentiegebied:

een gebied gekenmerkt met een cultuurhistorisch waardevolle structuur, een waardevol stedenbouwkundig patroon en/of een gebied met een karakteristieke ruimtelijke samenhang.

1.30 cultuurhistorisch beeldbepalend gebouw:

een gebouw dat door zijn architectonische waarde(n) en/of zijn cultuurhistorische waarde de specificiteit en herkenbaarheid van zijn omgeving verhoogt.

1.31 cultuurhistorisch bijzonder complex:

een gebouw dat door zijn bijzondere architectonische verschijningsvorm qua cultuurhistorische waarde vergelijkbaar is met een cultuurhistorisch structuurbepalend gebouw.

1.32 cultuurhistorisch deskundige:

door burgemeester en wethouders benoemde persoon of groep van personen die expert is op het gebied van monumentenzorg en cultuurhistorie.

1.33 cultuurhistorisch structuurbepalend gebouw:

een gebouw dat bijdraagt aan de ritmiek van de bebouwing in een straat voor wat betreft vormgeving, stedenbouwkundige verschijningsvorm (bv. twee-onder-één kap of rijtjeswoningen), volume en functie (wonen, bedrijf, cultureel) en cultuurhistorische waarde heeft.

1.34 cultuurhistorische waarde:

de aan een bouwwerk en/of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt.

1.35 dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw of een bijbehorend bouwwerk.

1.36 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met uitzondering van afhaalzaken.

1.37 erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, voor zover het plan die inrichting niet verbiedt.

1.38 evenement:

elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening en zoals nader uitgewerkt in de beleidsregel 'Toetsingskader evenementenvergunningen', waaronder mede wordt verstaan:

  • a. een herdenkingsplechtigheid;
  • b. een braderie;
  • c. een themamarkt;
  • d. een beurs;
  • e. een grootschalig verkoopevenement in een evenementenhal;
  • f. een optocht op de weg niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.3 APV;
  • g. een besloten bijeenkomst voor zover die plaatsvindt op een doorgaans voor het publiek toegankelijke plaats, of waarvoor publiekelijk kaarten worden verkocht en/of publiekelijk reclame wordt gemaakt;
  • h. tentfeesten;
  • i. vechtsportgala's waarbij activiteiten in het kader van vecht- of verdedigingssporten worden georganiseerd;
  • j. het afsteken van vuurwerk door professionele vuurwerkbedrijven;
  • k. een feest met een besloten karakter met meer dan 50 personen, waarbij in de directe omgeving van het feest een grootschalig evenement plaatsvindt.
1.39 garagebedrijf:

een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bedoeld voor de verkoop, het onderhoud en/of de reparatie van motorvoertuigen.

1.40 garageboxen:

een zelfstandig, van bijbehorende bouwwerken te onderscheiden, complex van minimaal twee aaneengesloten gebouwen, kennelijk bestemd voor de stalling van (motor)voertuigen.

1.41 gastenverblijf:

een ruimte, al dan niet behorend tot een (bedrijfs)woning, die geschikt is voor incidentele overnachting van gasten en waarbij geen sprake is van permanente bewoning of van een bedrijfsmatig geëxploiteerd recreatieverblijf.

1.42 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.43 geluidgevoelig terrein:

een standplaats voor een woonwagen of een ligplaats in het water voor een woonschip.

1.44 geluidzoneringsplichtige inrichting:

een bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen inrichting die in belangrijke mate geluidhinder kan veroorzaken, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een geluidzone moet worden vastgesteld.

1.45 groothandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, het verkopen en/of leveren van goederen aan bedrijfsmatige (niet-consumptieve) afnemers ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit.

1.46 hoofdgebouw:

een gebouw, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.47 horecabedrijf:

een bedrijf, dat in zijn algemeenheid is gericht op het verstrekken van dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse en/of het bedrijfsmatig verstrekken van logies, met uitzondering van bed and breakfast, en/of het exploiteren van zaal-, congres- en vergaderaccommodatie; met een horecabedrijf wordt een afhaalzaak gelijkgesteld.

1.48 hotel:

een horecabedrijf, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies met als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en dranken voor consumptie ter plaatse.

1.49 huishouden:

een verzameling van één of meerdere personen die een zelfstandige huishouding voeren die zich kenmerkt door continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid.

1.50 kamerverhuurpand:

een woning / wooneenheid die wordt gebruikt door meerdere afzonderlijke huishoudens, die zich kenmerkt door het gezamenlijk gebruik van kook- en wasgelegenheid en / of toilet en in de meeste gevallen met een gezamenlijk gebruikte toegang. In afwijking van deze definitie wordt een kamer in een verzorgings- of verpleeghuis niet aangemerkt als onzelfstandige bewoning in een kamerverhuurpand.

1.51 kantoor:

een gebouw of een gedeelte daarvan, dat door zijn indeling en inrichting bedoeld is om uitsluitend of in hoofdzaak te worden gebruikt voor zakelijke dienstverlening, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.

1.52 kelder:

het beneden peil gelegen gedeelte van een gebouw.

1.53 kiosk:

bouwwerk voor detailhandel in het openbaar toegankelijk gebied, waar informatie kan worden verkregen en waar hoofdzakelijk lectuur, bloemen, lederwaren, frisdranken, versnaperingen en daarmee vergelijkbare producten worden verkocht.

1.54 kleinschalige ondergeschikte detailhandel

detailhandel in producten die in directe relatie staat met de aanwezige bedrijfsvoering en/of detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten. Kleinschalige ondergeschikte detailhandel is naar aard en omvang en openingstijden ondergeschikt en ondersteunend aan en een integraal onderdeel van de hoofdfunctie. Kleinschalige ondergeschikte detailhandel heeft een vloeroppervlak dat zichtbaar kleiner is dan het totale voor consumenten toegankelijke vloeroppervlak van de hoofdfunctie en beschikt niet over een afzonderlijke eigen ingang. Kleinschalige ondergeschikte detailhandel is alleen toegestaan tijdens de winkelopeningstijden en in geval van onderdeel van een horecabedrijf alleen voor zover dit is toegestaan op grond van de Drank- en Horecawet.

1.55 kleinschalige ondergeschikte horeca:

horeca in categorie 3b van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2), die naar aard en omvang en openingstijden ondergeschikt en ondersteunend is aan de hoofdfunctie. Kleinschalige ondergeschikte horeca is een integraal onderdeel van de hoofdfunctie en heeft een vloeroppervlak dat zichtbaar kleiner is dan het totale voor consumenten toegankelijke vloeroppervlak van de hoofdfunctie. Kleinschalige ondergeschikte horeca is niet toegankelijk buiten de openingstijden van de hoofdfunctie en beschikt niet over een afzonderlijke eigen ingang. Bij kleinschalige ondergeschikte horeca is geen terras toegestaan.

1.56 kwetsbare objecten:

de objecten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, zijnde:

  • a. woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde beperkt kwetsbare objecten;
  • b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals:
    • 1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;
    • 2. scholen, of
    • 3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor de dagopvang van minderjarigen.
  • c. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren:
    • 1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak (b.v.o.) van meer dan 1500 m² per object, of
    • 2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto meer dan 1000 m² bedraagt en winkels met een totaal b.v.o. van meer dan 2000 m² per winkel, voorzover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd, en
  • d. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen.
1.57 luifel:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt, waarbij de ene horizontale zijde bevestigd is aan de buitenzijde van een gebouw en de daar tegenoverliggende zijde vrij dragend is.

1.58 maatschappelijke voorzieningen:

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals de in bijlage 1 van deze regels onder de hoofdgroep 'Maatschappelijk' genoemde voorzieningen.

1.59 motorvoertuig:

alle motorrijtuigen als bedoeld in de Wegenverkeerswet met uitzondering van bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen. Onder motorvoertuigen worden boten, caravans en aanhangwagens mede begrepen.

1.60 nutsvoorzieningen:

gebouwde dan wel ongebouwde en/of ondergrondse infrastructurele voorzieningen, met uitzondering van hoogspanningsverbindingen en hoge druk aardgastransportleidingen, ten behoeve van algemene nutsdoeleinden zoals de watervoorziening, afval, energievoorziening, warmte-koude opslag of het (tele)communicatie-verkeer.

1.61 omgevingsvergunning:

omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.62 onderbouw:

een gedeelte van een gebouw dat wordt afgedekt door een vloer, waarvan de bovenkant minder dan 1,5 meter boven peil is gelegen.

1.63 onderdoorgang:

verblijfsgebied dat aan weerszijden en aan de bovenzijde geheel of gedeeltelijk wordt omsloten door een gebouw.

1.64 openbaar toegankelijk gebied:

weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen die uitsluitend zijn bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

1.65 overig bouwwerk:

niet eerder in de bouwregels genoemd bouwwerk, geen gebouw en geen bijbehorend bouwwerk zijnde.

1.66 overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand, niet zijnde een luifel.

1.67 perceelsgrens:

de grens van een (bouw)perceel.

1.68 praktijkruimte:

een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied.

1.69 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.70 publieksgerichte dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals een uitzendbureau, reisbureau, kapsalon, schoonheidsinstituut, pedicure, belwinkel, makelaar, bankfiliaal, kopieerwinkel, postkantoor, afhaalpunten (van goederen) en internetcafé, met uitzondering van seksinrichtingen.

1.71 raamprostitutie:

een vorm van prostitutie waarbij de klanten worden geworven via zichtbaarheid achter een raam. Het contact wordt afgewerkt in een ruimte met een besloten karakter.

1.72 risicovolle inrichting:
  • 1. een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer, waarbij op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde of richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
  • 2. een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer, waarop het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO) van toepassing is.
1.73 seksinrichting:

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht. Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar maar met uitzondering van raamprostitutie.

1.74 slopen:

geheel of gedeeltelijk afbreken.

1.75 stationsvoorzieningen:

gebouwen en overige gebouwde voorzieningen ten behoeve van het reizigersverkeer per rail, zoals perrons, wacht- en dienstruimten, kiosken en commerciële ruimten ten behoeve van detailhandel, horeca als bedoeld in categorie 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2) en consumentverzorgende dienstverlening.

1.76 straatmeubilair:

de op of bij de weg behorende bouwwerken, zoals bouwwerken voor bewegwijzering, beveiliging en regeling van het verkeer, verkeersborden, brandkranen, lichtmasten, parkeermeters, stadsplattegronden, zitbanken, bloem- en plantenbakken, papier-, glas- en andere inzamelbakken, kunstobjecten, gedenktekens, draagconstructies voor reclame alsmede telefooncellen, toiletgebouwtjes, abri's en andere, hiermee gelijk te stellen bouwwerken.

1.77 terras:

een buiten het gebouw, al dan niet in openbaar toegankelijk gebied, liggend deel van een horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

1.78 themamarkt:

een themamarkt als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening is geen reguliere warenmarkt, maar is vooral gericht op vermaak en verkoop met een specifiek thema en valt daardoor onder het begrip 'evenement'. Een themamarkt wordt gehouden in de open lucht en bestaat voor minimaal 67% uit kramen in een bepaald thema en voor maximaal 33% uit kramen met overig, ondergeschikt, aanbod. Voorbeelden hiervan zijn een CD-markt, een tweedehands boekenmarkt, een kunstmarkt.

1.79 tunnel:

Een ondergronds infrastructureel voor mensen toegankelijk bouwwerk om tussen twee punten transport, passage of communicatie mogelijk te maken.

1.80 verbindingsbrug:

een boven het verblijfsgebied gesitueerd voor mensen toegankelijk bouwwerk om tussen twee gebouwen transport, passage of communicatie mogelijk te maken.

1.81 verblijfsgebied:

Openbaar toegankelijk gebied dat is bestemd voor (de aanleg en instandhouding van) erfontsluitingswegen, pleinen, voet- en fietspaden, parkeerplaatsen, (openbare) nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, waterlopen en -partijen, wadi's, infiltratiestroken en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en geluidwerende voorzieningen.

1.82 verblijfsruimten:

de ruimten als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit geluidhinder, zijnde:

  • a. leslokalen en theorielokalen van onderwijsgebouwen;
  • b. onderzoeks- en behandelingsruimten van ziekenhuizen en verpleeghuizen;
  • c. onderzoeks-, behandelings-, recreatie-, en conversatieruimten, alsmede woon- en slaapruimten van verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven;
  • d. theorievaklokalen van onderwijsgebouwen;
  • e. ruimten voor patiëntenhuisvesting, alsmede recreatie- en conversatieruimten van ziekenhuizen en verpleeghuizen.
1.83 voorgevelrooilijn:

de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, die zoveel mogelijk aansluit bij de ligging van - een deel van de - voorgevels van de bestaande bebouwing.

1.84 vuurwerk:

vuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit

1.85 vuurwerkbedrijf:

inrichting of bedrijf voor de vervaardiging, verwerking en/of opslag van vuurwerk en/of groothandel in vuurwerk.

1.86 vuurwerkbesluit:

besluit houdende regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk;

1.87 warmte-koude opslag:

energievoorziening in de vorm van het opslaan van warmte en/of koude in de bodem waarbij gebruik wordt gemaakt van de temperatuur van het grondwater om gebouwen te verwarmen in de winter en/of af te koelen in de zomer.

1.88 woning / wooneenheid:

een (gedeelte van een) gebouw met woonfunctie / een complex van ruimten, dat door zijn indeling en inrichting uitsluitend bedoeld is voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

1.89 woongebouw:

een gebouw , dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

1.90 zakelijke dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van administratieve diensten aan of ten behoeve van bedrijven en/of personen, zoals administratie-, advocaten-, advies- en ingenieursbureaus met een beperkt publieksgerichte functie.

1.91 zendmast:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, waarop antenne-installaties worden geplaatst.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.2 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.4 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.5 buitenwerks gevelvlak van een bouwwerk:

het gedeelte van het bouwwerk dat, voorzover van wanden voorzien, van buitenaf zichtbaar is. Voor bouwwerken die niet of niet aan alle zijden door wanden omsloten worden, wordt de loodrechte projectie van de dakrand op het maaiveld als buitenwerks gevelvlak aangemerkt.

2.6 de plafondhoogte van de benedenverdieping van een gebouw:

de kleinste afstand tussen de begane grondvloer en de bovenliggende bouwkundige constructie van de betreffende ruimte(n).

2.7 de afstand tot de perceelsgrens:

de kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de perceelsscheiding van het bouwperceel.

2.8 de afstand tussen gebouwen:

de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen .

2.9 peil:
  • a. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw.
2.10 bruto vloeroppervlak van een gebouw (b.v.o.):

de totale en buitenwerks gemeten vloeroppervlakte van de ruimten van een gebouw met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige ruimten.

2.11 verkoopvloeroppervlak van een gebouw (v.v.o.):

de totale overdekte vloeroppervlakte die voor het publiek geheel of grotendeels toegankelijk is, bestemd en feitelijk ingericht voor de verkoop en uitstalling van goederen.

2.12 gebruiksoppervlak van kleinschalige ondergeschikte detailhandel:

de totale oppervlakte die in gebruik is voor de uitstalling van te verkopen producten binnen het voor consumenten toegankelijke vloeroppervlak van de hoofdfunctie.

2.13 gebruiksoppervlak van kleinschalige ondergeschikte horeca:

de oppervlakte van het totaal aan sta- of zitgelegenheden ten behoeve van de horeca-activiteit binnen het voor consumenten toegankelijke vloeroppervlak van de hoofdfunctie.

2.14 gebruiksoppervlak van een woning:

de gemeten vloeroppervlakte tussen de dragende muren van de ruimte of groep van ruimtes in een woning of commerciële bedrijfsruimte, met uitzondering van de bij de woning behorende bergruimte respectievelijk de bij de commerciële bedrijfsruimte behorende magazijnen en overige ruimten.

2.15 percentage gevellengte horeca in winkelstraten:

het percentage moet worden berekend over de in kaartbijlage 3 (gevellengten horeca in winkelstraten) bij deze regels weergegeven lengte van de betreffende gevellijn. Indien een winkelpand is gelegen aan twee of meer winkelstraten met een gevellijn geldt het percentage van de gevellijn voor de straat waaraan de voordeur van het betreffende winkelpand is gesitueerd.

2.16 maximum bebouwingspercentage voor bebouwing buiten het bouwvlak:

het aangegeven percentage moet worden berekend over het gehele bouwperceel, met uitzondering van de binnen het bouwvlak gelegen gronden.

2.17 ondergeschikte bouwdelen:

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijf - Nutsvoorziening

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor “Bedrijf - Nutsvoorziening” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. (openbare) nutsvoorzieningen die zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1);
  • b. de bij deze doeleinden behorende bouwwerken, erven, terreinen en voorzieningen, zoals groenvoorzieningen.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Op de voor “Bedrijf - Nutsvoorziening” aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in lid 3.1.

3.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de figuur 'gevellijn' dienen gebouwen in de bouwgrens te worden gebouwd;
  • c. ter plaatse van de aanduiding “maximum bouwhoogte (m)” mag de bouwhoogte niet worden overschreden.
3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1.3 van deze regels.

3.2.4 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 3.2.1, 3.2.2 en/of 3.2.3 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

3.3 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 3.1, voor het toestaan van een nutsvoorziening die niet is genoemd in de hoofdgroep Bedrijven van bijlage 1 van deze regels, mits die nutsvoorziening, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met de volgens lid 3.1 op die locatie toegestane nutsvoorzieningen.

De in dit lid genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
3.4 Wijzigingsbevoegdheid
3.4.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de bestemming te wijzigen in "Horeca";
  • b. de bestemming te wijzigen in "Detailhandel";
  • c. het toevoegen van de aanduiding "bedrijf", voor het toestaan van bedrijven die:
    • 1. zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1), met uitzondering van risicovolle, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven;
    • 2. niet zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met in die hoofdgroep genoemde bedrijven in de categorieën A en B, met uitzondering van risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven.
3.4.2 Toepassingscriteria

Burgemeester en wethouders kunnen uitsluitend toepassing geven aan de in lid 3.4.1 onder a en b genoemde wijzigingsbevoegdheid wanneer aan onderstaande criteria is voldaan:

  • a. wijziging in de bestemming "Horeca" is uitsluitend toegestaan op de locatie die reeds aan tenminste drie zijden wordt omsloten door de bestemming "Horeca".
  • b. wijziging in de bestemming "Detailhandel" is uitsluitend toegestaan op de locatie die reeds aan tenminste drie zijden wordt omsloten door de bestemming "Detailhandel".
3.4.3 Randvoorwaarden

Burgemeester en wethouders geven geen toepassing aan de in lid 3.4.1 genoemde wijzigingsbevoegdheden, indien hierdoor onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 4 Centrum

4.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Centrum” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  • b. Ter plaatse van de aanduiding "detailhandel uitgesloten" is, in afwijking van het bepaalde onder a.2, detailhandel niet toegestaan.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 1" is horeca in de categorieën 1a, 1b, 2a, 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2) toegestaan.
  • d. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 2a" is horeca in de categorieën 2a, 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2) toegestaan.
  • e. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 2b" is horeca in de categorieën 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2) toegestaan.
  • f. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 3" is horeca in categorie 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2) toegestaan.
  • g. Ter plaatse van de aanduiding "seksinrichting" is een seksinrichting toegestaan.
  • h. Ter plaatse van de aanduiding "kantoor" is zakelijke dienstverlening toegestaan.
  • i. Ter plaatse van de aanduiding "maatschappelijk" zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan die zijn genoemd in categorie A en B uit de hoofdgroep "Maatschappelijk" van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1).
  • j. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - telecom" is een bedrijf voor het technisch beheren en onderling verbinden van telecommunicatieverbindingen toegestaan.
  • k. Ter plaatse van de aanduiding "zend- en ontvangst installatie" is een zend- en ontvangstinstallatie of antenne-installatie ten behoeve van mobiele telecommunicatie toegestaan.
  • l. De voor "Centrum" aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor de bij de onder a tot en met k genoemde doeleinden behorende bouwwerken, erven, terreinen en voorzieningen, zoals bergingen, trappenhuizen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en (openbare) nutsvoorzieningen.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen
  • a. Op de voor “Centrum” aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken in overeenstemming met het bepaalde in lid 4.1 worden gebouwd.
  • b. Bestaande woningen mogen niet bouwkundig worden gesplitst in meerdere zelfstandige woningen.
  • c. In bestaande bebouwing buiten het bouwvlak is de realisatie van zelfstandige woningen niet toegestaan.
  • d. Het gebruiksoppervlak van woningen bedraagt tenminste 75 m2, tenzij op de verbeelding met een aanduiding is weergegeven dat ter plaatse een ander minimum gebruiksoppervlak geldt.
4.2.2 Bebouwing

Voor het bouwen van bebouwing gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1 van deze regels.

4.2.3 Onderdoorgang
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" is in afwijking van het bepaalde in lid 4.2.2 het bouwen van gebouwen met een onderdoorgang toegestaan en dienen bestaande onderdoorgangen in stand te worden gehouden.
  • b. De minimum bouwhoogte van een onderdoorgang is gelijk aan de bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping van het gebouw.
4.2.4 Zend- en ontvangst installatie

Ter plaatse van de aanduiding "zend- en ontvangstinstallatie" bedraagt de maximum bouwhoogte van een antenne-installatie 45 meter.

4.2.5 Nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.2 van deze regels.

4.2.6 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 4.2.1, 4.2.2, 4.2.3, 4.2.4 en/of 4.2.5 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

4.3 Afwijken van de bouwregels
4.3.1 Afwijkingsbevoegdheid
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.1 onder d, voor het realiseren van een woning met een gebruiksoppervlak kleiner dan 75 m2 dan wel, het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak.
  • b. Voor het overige gelden voor het afwijken van de bouwregels de algemene regels voor het afwijken van de bouwregels in artikel 23.5 van deze regels.
4.3.2 Toepassingscriteria

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.3.1 onder a wordt uitsluitend verleend in de hierna genoemde categorieën van gevallen:

  • a. Woningen boven winkels en andere commerciële ruimten of boven culturele dan wel maatschappelijke voorzieningen: indien de oppervlakte van de beschikbare woonruimte aantoonbaar te klein is om een woning met een gebruiksoppervlak van tenminste 75 m2 dan wel het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak te realiseren te realiseren;
  • b. Woningen voor specifieke doelgroepen: indien voor de betreffende doelgroep naar redelijkheid en billijkheid een kwalitatief goed woon- en leefklimaat gerealiseerd kan worden in een woning met een kleiner gebruiksoppervlak dan 75 m2 dan wel het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak en voor deze doelgroep nog geen of onvoldoende geschikte woonruimte aanwezig is.
4.3.3 Randvoorwaarden

De in lid 4.3.1 genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

4.4 Specifieke gebruiksregels
4.4.1 Beroep of bedrijf aan huis

Voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis in samenhang met wonen gelden de algemene gebruiksregels in artikel 24.2 van deze regels.

4.4.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting en/of raamprostitutie, tenzij op de verbeelding met een aanduiding is weergegeven dat ter plaatse een seksinrichting of raamprostitutie is toegestaan;
  • b. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor iedere vorm van bewoning, anders dan als huisvesting in verband met mantelzorg of als gastenverblijf behorende bij een woning.
4.5 Afwijken van de gebruiksregels
4.5.1 Afwijkingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 4.1, onder a.4, voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten of voorzieningen die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Cultuur & Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die daarmee naar aard en omvang vergelijkbaar zijn;
  • b. lid 4.1, onder a.5, voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1);
  • c. lid 4.1, onder a.5, voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1), met uitzondering van risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven, mits die bedrijfsactiviteiten, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving kunnen worden gelijkgesteld met de in lid 4.1 onder a.5 toegestane bedrijfsactiviteiten;
  • d. lid 4.1, onder a.6, voor het toestaan van horeca in de categorieën 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2), met dien verstande dat:
    • 1. horeca is beperkt tot een maximum van 20% per gevellengte zoals weergegeven in rode lijnen op de bij deze regels behorende kaartbijlage Gevellengte horeca in winkelstraten (bijlage 3);
    • 2. deze afwijkingsbevoegdheid niet van toepassing is ter plaatse van de aanduidingen "horecaconcentratiegebied" en "horecaontwikkelingsgebied".
  • e. lid 4.1, onder i, voor het toestaan van maatschappelijke voorzieningen die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met maatschappelijke voorzieningen die in die hoofdgroep zijn genoemd in categorie A of B;
  • f. lid 4.4.2, onder a, voor het toestaan van het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting, niet zijnde raamprostitutie.

4.5.2 Toepassingscriteria voor toevoegen horeca in winkelstraten

Burgemeester en wethouders kunnen bij de in lid 4.5.1 onder d genoemde afwijkingsbevoegdheid voor het toevoegen van horeca in een pand een grotere gevellengte horeca toestaan indien:

  • a. er nog slechts een beperkt aantal meters gevellijn beschikbaar is en invulling daarvan tot gevolg zou hebben dat de horecafunctie niet over de volledige gevellengte van het betreffende pand kan worden uitgeoefend; en
  • b. het onverkort vasthouden aan het beschikbare aantal meters gevellijn, gelet op de specifieke situatie ter plaatse van het betreffende pand, tot gevolg zou hebben dat het resterende deel van het winkelpand redelijkerwijs niet meer overeenkomstig de bestemming kan worden ingevuld dan wel daarin onevenredig wordt beperkt.
4.5.3 Toepassingscriteria voor toevoegen seksinrichtingen

Burgemeester en wethouders kunnen uitsluitend toepassing geven aan de in lid 4.5.1 onder f genoemde afwijkingsbevoegdheid wanneer aan onderstaande criteria wordt voldaan:

  • a. de loopafstand tussen twee seksinrichtingen onderling bedraagt tenminste 200 meter;
  • b. binnen een loopafstand van 100 meter van de plaats waar de vestiging van een seksinrichting is beoogd mogen geen scholen, peuterspeelzalen, crèches of religieuze gebouwen aanwezig of geprojecteerd zijn;
  • c. vestiging van een seksinrichting is niet toegestaan:
    • 1. in een gebouw, waar de entree met anderen moet worden gedeeld;
    • 2. op hoeken van kruispunten van doorgaande verkeerswegen;
    • 3. in cultuurhistorisch waardevolle panden als bedoeld in artikel 25.2.3.
4.5.4 Randvoorwaarden

De in lid 4.5.1 genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

4.6 Wijzigingsbevoegdheid
4.6.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. het verwijderen van de aanduiding "detailhandel uitgesloten";
  • b. het verwijderen van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 1";
  • c. het verwijderen van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 2a";
  • d. het verwijderen van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 2b";
  • e. het verwijderen van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 3";
  • f. het verwijderen van de aanduiding "kantoor";
  • g. het verwijderen van de aanduiding "maatschappelijk";
  • h. het verwijderen van de aanduiding "seksinrichting";
  • i. het verwijderen van de aanduiding "zend- en ontvangstinstallatie".
  • j. het toevoegen van de aanduiding "bedrijf", voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten die:
    • 1. zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1), met uitzondering van risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven;
    • 2. niet zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met in die hoofdgroep genoemde bedrijven in de categorieën A en B, met uitzondering van risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven.
4.6.2 Toepassingscriteria

Aan de in lid 4.6.1 onder a tot en met i genoemde wijzigingsbevoegdheden kunnen Burgemeester en wethouders uitsluitend toepassing geven wanneer aan tenminste één van onderstaande criteria is voldaan:

  • a. de betreffende activiteit ter plaatse is gedurende tenminste een half jaar beëindigd en er zijn geen redenen om aan te nemen dat de activiteit zal worden voortgezet;
  • b. met de eigenaar is overeenstemming bereikt over het beëindigen van de betreffende activiteit.
4.6.3 Randvoorwaarden

Burgemeester en wethouders geven geen toepassing aan de in lid 4.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheden, indien hierdoor onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 5 Cultuur en ontspanning

5.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Cultuur en Ontspanning” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    • 1. bedrijfsactiviteiten en voorzieningen, die zijn genoemd in de hoofdgroep Cultuur & Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1), met de daarbij behorende ondersteunende en facilitaire bedrijfsactiviteiten zoals kantoren, magazijn en opslag;
    • 2. horeca in de categorieën 2a, 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2), tot een maximum van 60% van het bruto vloeroppervlak;
    • 3. detailhandel, voor zover naar aard en omvang en openingstijden ondergeschikt en gerelateerd aan de onder 1 genoemde doeleinden, met een maximum van 20% van het bruto vloeroppervlak.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'brug' is een verbindingsbrug toegestaan.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding "kantoor" is zakelijke dienstverlening toegestaan.
  • d. Ter plaatse van de aanduiding "maatschappelijk" zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan, die zijn genoemd in categorie A uit de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1).
  • e. Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" is een ondergrondse openbaar toegankelijke parkeergarage en/of fietsenstalling toegestaan, met de daarbij behorende - al dan niet gebouwde - voorzieningen en bouwwerken zoals in- en uitritten, hellingbanen, stijgpunten en ondersteunende facilitaire voorzieningen voor het beheer en de veiligheid.
  • f. De voor "Cultuur en Ontspanning" aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor de bij de onder a tot en met f genoemde doeleinden behorende bouwwerken, erven, terreinen en voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en (openbare) nutsvoorzieningen.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen

Op de voor “Cultuur en ontspanning” aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken in overeenstemming met het bepaalde in lid 5.1 worden gebouwd.

5.2.2 Bebouwing

Voor het bouwen van bebouwing gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1 van deze regels.

5.2.3 Onderdoorgang
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" is in afwijking van het bepaalde in lid 5.2.2 het bouwen van gebouwen met een onderdoorgang toegestaan en dienen bestaande onderdoorgangen in stand te worden gehouden.
  • b. De minimum bouwhoogte van een onderdoorgang is gelijk aan de bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping van het gebouw.
5.2.4 Verbindingsbrug

Ter plaatse van de aanduiding "brug" is de minimum bouwhoogte van een verbindingsbrug gelijk aan de bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping van de door de verbindingsbrug te verbinden gebouwen. In geval van twee verschillende bouwhoogtes is de minimum bouwhoogte gelijk aan de laagste bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping.

5.2.5 Parkeergarage

Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" bedraagt de maximum bouwdiepte van een ondergrondse parkeergarage 2 parkeerlagen.

5.2.6 Nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.2 van deze regels.

5.2.7 Onderkelderen van gebouwen

Voor het onderkelderen van gebouwen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.3 van deze regels.

5.2.8 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 5.2.1, 5.2.2, 5.2.3, 5.2.4, 5.2.5, 5.2.6 en/of 5.2.7 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

5.3 Afwijken van de bouwregels

Voor het afwijken van de bouwregels gelden de algemene regels voor het afwijken van de bouwregels in artikel 23.5 van deze regels.

5.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. Tot een gebruik in overeenstemming met cultuur & ontspanning als bedoeld in lid 5.1 onder a.1 wordt in ieder geval mede gerekend:
    • 1. een poppodium.
  • b. Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:
    • 1. meer dan 100 m2 verkoop vloeroppervlak aan detailhandel als bedoeld in lid 5.1, onder a.3;
    • 2. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van kantoren, anders dan vermeld in lid 5.1, onder a.1;
    • 3. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
5.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 5.1, onder a.1, voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten of voorzieningen die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Cultuur & Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met de in die hoofdgroep genoemde bedrijfsactiviteiten of voorzieningen;
  • b. lid 5.1, onder a.2, voor het toestaan van een groter percentage bruto vloeroppervlak aan autonome horeca van categorie 2b of 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2);
  • c. lid 5.1, onder d, voor het toestaan van maatschappelijke voorzieningen die zijn genoemd in categorie B uit de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1);
  • d. lid 5.1, onder d, voor het toestaan van maatschappelijke voorzieningen die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met maatschappelijke voorzieningen die in die hoofdgroep zijn genoemd in de categorieën A en B;
  • e. lid 5.4, onder b.3, voor het toestaan van het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.

De in dit lid genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
5.6 Wijzigingsbevoegdheid
5.6.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. het verwijderen van de aanduiding “kantoor”;
  • b. het verwijderen van de aanduiding "maatschappelijk";
5.6.2 Toepassingscriteria

Burgemeester en wethouders kunnen uitsluitend toepassing geven aan de in lid 5.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheden wanneer aan tenminste één van onderstaande criteria is voldaan:

  • a. de betreffende activiteit ter plaatse is gedurende tenminste een half jaar beëindigd en er zijn geen redenen om aan te nemen dat de activiteit zal worden voortgezet;
  • b. met de eigenaar is overeenstemming bereikt over het beëindigen van de betreffende activiteit.
5.6.3 Randvoorwaarden

Burgemeester en wethouders geven geen toepassing aan de in lid 5.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheden, indien hierdoor onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 6 Detailhandel

6.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Detailhandel” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    • 1. detailhandel, met dien verstande dat het verkoopvloeroppervlak uitsluitend is toegestaan op de begane grond en in een eventueel aanwezige kelderverdieping;
    • 2. publieksgerichte dienstverlening in de vorm van reisbureau, kapsalon en postkantoor, uitsluitend toegestaan op de begane grond;
    • 3. het wonen, al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis, uitsluitend toegestaan op (een) eventueel aanwezige verdieping(en);
    • 4. horeca, voor zover voor deze gronden tevens het bepaalde in de artikelen 25.2.4 en 25.2.5 van toepassing is.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding "detailhandel" is in afwijking van het bepaalde onder a.1 verkoop vloeroppervlak van detailhandel tevens op de aanwezige verdiepingen toegestaan.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - 1" is, in afwijking van het bepaalde onder a.1, verkoop vloeroppervlak van detailhandel tevens op de 1e verdieping toegestaan.
  • d. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - 2" is, in afwijking van het bepaalde onder a.1, verkoop vloeroppervlak van detailhandel tevens op de 1e en 2e verdiepingen toegestaan.
  • e. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - 4" is, in afwijking van het bepaalde onder a.1, verkoop vloeroppervlak van detailhandel tevens op de 2e, 3e en 4e verdiepingen toegestaan.
  • f. Ter plaatse van de aanduiding "atelier" is op de verdieping(en) een atelier toegestaan.
  • g. Ter plaatse van de aanduiding "cultuur en ontspanning" zijn bedrijfsactiviteiten en voorzieningen toegestaan, die zijn genoemd in de hoofdgroep Cultuur & Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1).
  • h. Ter plaatse van de aanduiding "dienstverlening" is op de begane grond naast de onder a.2 genoemde tevens overige publieksgerichte dienstverlening toegestaan.
  • i. Ter plaatse van de aanduiding "fitnesscentrum" is op de verdieping(en) een sportschool of fitness centrum en daarmee naar aard en omvang vergelijkbare sportactiviteiten toegestaan.
  • j. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 2a" is horeca in de categorieën 2a, 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2) toegestaan.
  • k. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 2b" is horeca in de categorieën 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2) toegestaan.
  • l. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 3" is op de begane grond horeca in categorie 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2) toegestaan.
  • m. Ter plaatse van de aanduiding "kantoor" is op de verdieping(en) zakelijke dienstverlening toegestaan.
  • n. Ter plaatse van de aanduiding "maatschappelijk" zijn op de verdieping(en) maatschappelijke voorzieningen toegestaan, die zijn genoemd in categorie A uit de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1).
  • o. Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" is toegestaan:
    • 1. een bestaande openbaar toegankelijke ondergrondse parkeergarage en/of fietsenstalling (Van Heek garage);
    • 2. aan de Beltstraat een bestaande openbaar toegankelijke parkeergarage op parkeerdek(ken) boven de winkels (Zuidmolen);
    • 3. aan de Van Lochemstraat een bestaande openbaar toegankelijke parkeergarage op parkeerdek(ken) boven de winkels (Irenegarage);
    • 4. de bij een parkeergarage behorende - al dan niet gebouwde - voorzieningen en bouwwerken zoals (al dan niet inpandige) in- en uitritten, hellingbanen, autoliften, stijgpunten en ondersteunende facilitaire voorzieningen voor het beheer en de veiligheid.
  • p. Ter plaatse van de aanduiding "maximum vloeroppervlakte bvo (m2)" is in afwijking van het bepaalde onder l horeca in categorie 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2) tevens toegestaan op de verdiepingen, tot een maximum van het op de verbeelding weergegeven aantal vierkante meters bruto vloeroppervlak.
  • q. De voor "Detailhandel" aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor de bij de onder a tot en met o genoemde doeleinden behorende bouwwerken, erven, terreinen en voorzieningen, zoals bergingen, trappenhuizen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en (openbare) nutsvoorzieningen.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen
  • a. Op de voor “Detailhandel” aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken in overeenstemming met het bepaalde in lid 6.1 worden gebouwd.
  • b. Bestaande woningen mogen niet bouwkundig worden gesplitst in meerdere zelfstandige woningen.
  • c. Het gebruiksoppervlak van woningen bedraagt tenminste 75 m2, tenzij op de verbeelding met een aanduiding is weergegeven dat ter plaatse een ander minimum gebruiksoppervlak geldt.
6.2.2 Bebouwing

Voor het bouwen van bebouwing gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1 van deze regels.

6.2.3 Onderdoorgang
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" is in afwijking van het bepaalde in lid 6.2.2 het bouwen van gebouwen met een onderdoorgang toegestaan en dienen bestaande onderdoorgangen in stand te worden gehouden.
  • b. De minimum bouwhoogte van een onderdoorgang is gelijk aan de bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping van het gebouw.
6.2.4 Parkeergarage
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" bedraagt de maximum bouwdiepte van de bestaande ondergrondse parkeergarage "Van Heek garage" 2 parkeerlagen.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" bedraagt de maximum bouwhoogte van de bestaande bovengrondse parkeergarages aan de Beltstraat en de Van Lochemstraat 3 parkeerlagen boven winkels.
6.2.5 Nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.2 van deze regels.

6.2.6 Onderkelderen van gebouwen

Voor het onderkelderen van gebouwen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.3 van deze regels.

6.2.7 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 6.2.1, 6.2.2, 6.2.3, 6.2.4, 6.2.5 en/of 6.2.6 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

6.3 Afwijken van de bouwregels
6.3.1 Afwijkingsbevoegdheid
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2.1 onder c, voor het realiseren van een woning met een gebruiksoppervlak kleiner dan 75 m2 dan wel, het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak.
  • b. Voor het overige gelden voor het afwijken van de bouwregels de algemene regels voor het afwijken van de bouwregels in artikel 23.5 van deze regels.
6.3.2 Toepassingscriteria

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.3.1 onder a wordt uitsluitend verleend in de hierna genoemde categorieën van gevallen:

  • a. Woningen boven winkels en andere commerciële ruimten of boven culturele dan wel maatschappelijke voorzieningen: indien de oppervlakte van de beschikbare woonruimte aantoonbaar te klein is om een woning met een gebruiksoppervlak van tenminste 75 m2 dan wel het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak te realiseren;
  • b. Woningen voor specifieke doelgroepen: indien voor de betreffende doelgroep naar redelijkheid en billijkheid een kwalitatief goed woon- en leefklimaat gerealiseerd kan worden in een woning met een kleiner gebruiksoppervlak dan 75 m2 dan wel het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak en voor deze doelgroep nog geen of onvoldoende geschikte woonruimte aanwezig is.
6.3.3 Randvoorwaarden

De in lid 6.3.1 genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
6.4 Specifieke gebruiksregels
6.4.1 Beroep of bedrijf aan huis

Voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis in samenhang met wonen gelden de algemene gebruiksregels in artikel 24.2 van deze regels.

6.4.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

6.5 Afwijken van de gebruiksregels
6.5.1 Afwijkingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 6.1, onder a.4, voor het toestaan van horeca in categorie 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2), met dien verstande dat:
    • 1. horeca is beperkt tot een maximum van 10% per gevellengte zoals weergegeven in blauwe lijnen op de bij deze regels behorende kaartbijlage Gevellengte horeca in winkelstraten (bijlage 3);
    • 2. horeca is beperkt tot een maximum van 20% per gevellengte zoals weergegeven in rode lijnen op de bij deze regels behorende kaartbijlage Gevellengte horeca in winkelstraten (bijlage 3);
    • 3. lid 6.1, onder a.1, voor het toestaan van verkoopvloeroppervlak op de aanwezige verdieping(en);
  • b. lid 6.1, onder a.2, voor het toestaan van de in dit lid genoemde publieksgerichte dienstverlening op de aanwezige verdieping(en);
  • c. lid 6.1, onder g, voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten of voorzieningen die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Cultuur & Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met in die hoofdgroep genoemde bedrijfsactiviteiten en voorzieningen;
  • d. lid 6.1, onder h, voor het toestaan van overige publieksgerichte dienstverlening op de aanwezige verdieping(en);
  • e. lid 6.1, onder n, voor het op de verdieping(en) toestaan van maatschappelijke voorzieningen die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met in die hoofdgroep genoemde maatschappelijke voorzieningen in categorie A.

6.5.2 Toepassingscriteria toevoeging horeca in winkelstraten

Burgemeester en wethouders kunnen bij de in lid 6.5.1 onder a genoemde afwijkingsbevoegdheid voor het toevoegen van horeca in een pand een grotere gevellengte horeca toestaan indien:

  • a. er nog slechts een beperkt aantal meters gevellijn beschikbaar is en invulling daarvan tot gevolg zou hebben dat de horecafunctie niet over de volledige gevellengte van het betreffende pand kan worden uitgeoefend; en
  • b. het onverkort vasthouden aan het beschikbare aantal meters gevellijn, gelet op de specifieke situatie ter plaatse van het betreffende pand, tot gevolg zou hebben dat het resterende deel van het winkelpand redelijkerwijs niet meer overeenkomstig de bestemming kan worden ingevuld dan wel daarin onevenredig wordt beperkt.

6.5.3 Randvoorwaarden

De in lid 6.5.1 genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
6.6 Wijzigingsbevoegdheid
6.6.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. het verwijderen van de aanduiding "atelier";
  • b. het verwijderen van de aanduiding "cultuur & ontspanning";
  • c. het verwijderen van de aanduiding "dienstverlening";
  • d. het verwijderen van de aanduiding "fitnesscentrum";
  • e. het verwijderen van de aanduiding “kantoor”;
  • f. het verwijderen van de aanduiding "maatschappelijk";
  • g. het verwijderen van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 2a";
  • h. het verwijderen van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 2b";
  • i. het verwijderen van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 3".
6.6.2 Toepassingscriteria

Aan de in lid 6.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheden kunnen Burgemeester en wethouders uitsluitend toepassing geven wanneer aan tenminste één van onderstaande criteria is voldaan:

  • a. de betreffende activiteit ter plaatse is gedurende tenminste een half jaar beëindigd en er zijn geen redenen om aan te nemen dat de activiteit zal worden voortgezet;
  • b. met de eigenaar is overeenstemming bereikt over het beëindigen van de betreffende activiteit.
6.6.3 Randvoorwaarden

Burgemeester en wethouders geven geen toepassing aan de in lid 6.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheden, indien hierdoor onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 7 Gemengd - 1

7.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Gemengd - 1” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    • 1. het wonen, al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis, uitsluitend toegestaan op (een) eventueel aanwezige verdieping(en);
    • 2. detailhandel, met dien verstande dat het verkoopvloeroppervlak uitsluitend is toegestaan op de begane grond en in een eventueel aanwezige kelderverdieping;
    • 3. horeca in de categorieën 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2);
    • 4. maatschappelijke voorzieningen die zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep "Maatschappelijk" van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1).
  • b. Ter plaatse van de aanduiding "cultuur en ontspanning" zijn bedrijfsactiviteiten en voorzieningen toegestaan, die zijn genoemd in de hoofdgroep Cultuur & Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1).
  • c. Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" is een ondergrondse openbaar toegankelijke parkeergarage en/of fietsenstalling toegestaan, met de daarbij behorende - al dan niet gebouwde - voorzieningen en bouwwerken zoals in- en uitritten, hellingbanen, stijgpunten en ondersteunende facilitaire voorzieningen voor het beheer en de veiligheid.
  • d. De voor "Gemengd - 1" aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor de bij de onder a tot en met c genoemde doeleinden behorende bouwwerken, erven, terreinen en voorzieningen, zoals bergingen, trappenhuizen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en (openbare) nutsvoorzieningen.

7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen
  • a. Op de voor “Gemengd - 1” aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken in overeenstemming met het bepaalde in lid 7.1 worden gebouwd.
  • b. Bestaande woningen mogen niet bouwkundig worden gesplitst in meerdere zelfstandige woningen.
  • c. In bestaande bebouwing buiten het bouwvlak is de realisatie van zelfstandige woningen niet toegestaan.
  • d. Het gebruiksoppervlak van woningen bedraagt tenminste 75 m2, tenzij op de verbeelding met een aanduiding is weergegeven dat ter plaatse een ander minimum gebruiksoppervlak geldt.
7.2.2 Bebouwing

Voor het bouwen van bebouwing gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1 van deze regels.

7.2.3 Parkeergarage

Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" bedraagt de maximum bouwdiepte van een ondergrondse parkeergarage 2 parkeerlagen.

7.2.4 Onderdoorgang
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" is in afwijking van het bepaalde in lid 7.2.2 uitsluitend het bouwen van gebouwen met een onderdoorgang toegestaan en dienen bestaande onderdoorgangen in stand te worden gehouden.
  • b. De minimum bouwhoogte van een onderdoorgang is gelijk aan de bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping van het gebouw.
7.2.5 Nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.2 van deze regels.

7.2.6 Onderkelderen van gebouwen

Voor het onderkelderen van gebouwen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.3 van deze regels.

7.2.7 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 7.2.1, 7.2.2, 7.2.3, 7.2.4, 7.2.5, en/of 7.2.6 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

7.3 Afwijken van de bouwregels
7.3.1 Afwijkingsbevoegdheid
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2.1 onder c, voor het realiseren van een woning met een gebruiksoppervlak kleiner dan 75 m2 dan wel, het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak.
  • b. Voor het overige gelden voor het afwijken van de bouwregels de algemene regels voor het afwijken van de bouwregels in artikel 23.5 van deze regels.
7.3.2 Toepassingscriteria

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.3.1 onder a wordt uitsluitend verleend in de hierna genoemde categorieën van gevallen:

  • a. Woningen boven winkels en andere commerciële ruimten of boven culturele dan wel maatschappelijke voorzieningen: indien de oppervlakte van de beschikbare woonruimte aantoonbaar te klein is om een woning met een gebruiksoppervlak van tenminste 75 m2 dan wel het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak te realiseren te realiseren;
  • b. Woningen voor specifieke doelgroepen: indien voor de betreffende doelgroep naar redelijkheid en billijkheid een kwalitatief goed woon- en leefklimaat gerealiseerd kan worden in een woning met een kleiner gebruiksoppervlak dan 75 m2 dan wel het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak en voor deze doelgroep nog geen of onvoldoende geschikte woonruimte aanwezig is.
7.3.3 Randvoorwaarden

De in lid 7.3.1 genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
7.4 Specifieke gebruiksregels
7.4.1 Beroep of bedrijf aan huis

Voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis in samenhang met wonen gelden de algemene gebruiksregels in artikel 24.2 van deze regels.

7.4.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

7.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 7.1, onder a, ten behoeve van de vestiging van publieksgerichte dienstverlening;
  • b. lid 7.1, onder a.2, voor het toestaan van verkoopvloeroppervlak op de aanwezige verdieping(en);
  • c. lid 7.1, onder a.4, voor het toestaan van maatschappelijke voorzieningen die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met in die hoofdgroep genoemde maatschappelijke voorzieningen in de categorieën A en B;
  • d. lid 7.1, onder b, voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten of voorzieningen die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Cultuur & Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met in deze hoofdgroep genoemde bedrijfsactiviteiten of voorzieningen.

De in dit lid genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
7.6 Wijzigingsbevoegdheid
7.6.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. het verwijderen van de aanduiding "cultuur en ontspanning";
  • b. het toevoegen van de aanduiding "dienstverlening", voor het toestaan van publieksgerichte dienstverlening.
  • c. het toevoegen van de aanduiding "bedrijf", voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten die:
    • 1. zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1), met uitzondering van risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven;
    • 2. niet zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met in die hoofdgroep genoemde bedrijven in de categorieën A en B, met uitzondering van risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven.
7.6.2 Toepassingscriteria

Burgemeester en wethouders kunnen uitsluitend toepassing geven aan de in lid 7.6.1 onder a genoemde wijzigingsbevoegdheid wanneer aan tenminste één van onderstaande criteria is voldaan:

  • a. de betreffende activiteit ter plaatse is gedurende tenminste een half jaar beëindigd en er zijn geen redenen om aan te nemen dat de activiteit zal worden voortgezet;
  • b. met de eigenaar is overeenstemming bereikt over het beëindigen van de betreffende activiteit.
7.6.3 Randvoorwaarden

Burgemeester en wethouders geven geen toepassing aan de in lid 7.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheden, indien hierdoor onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 8 Gemengd - 2

8.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Gemengd - 2” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    • 1. het wonen, al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis, uitsluitend toegestaan op (een) eventueel aanwezige verdieping(en);
    • 2. publieksgerichte dienstverlening;
    • 3. horeca in de categorieën 2a, 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2);
    • 4. maatschappelijke voorzieningen die zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep "Maatschappelijk" van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1).
  • b. Ter plaatse van de aanduiding "detailhandel" is detailhandel toegestaan, met dien verstande dat het verkoopvloeroppervlak uitsluitend is toegestaan op de begane grond en in een eventueel aanwezige kelderverdieping.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding "horeca uitgesloten" is, in afwijking van het bepaalde onder a.3, horeca niet toegestaan.
  • d. Ter plaatse van de aanduiding "kantoor" is zakelijke dienstverlening toegestaan.
  • e. Ter plaatse van de aanduiding "maatschappelijk" zijn maatschappelijke voorzieningen zoals bedoeld onder a.4 tevens op de verdieping(en) toegestaan.
  • f. Ter plaatse van de aanduiding "fitnesscentrum" is een sportschool of fitness centrum en daarmee naar aard en omvang vergelijkbare sportactiviteiten toegestaan.
  • g. Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" is een ondergrondse openbaar toegankelijke parkeergarage en/of fietsenstalling toegestaan, met de daarbij behorende - al dan niet gebouwde - voorzieningen en bouwwerken zoals in- en uitritten, hellingbanen, stijgpunten en ondersteunende facilitaire voorzieningen voor het beheer en de veiligheid.
  • h. Ter plaatse van de aanduiding "wonen" is het wonen,al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf, tevens op de begane grond toegestaan.
  • i. De voor "Gemengd - 2" aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor de bij de onder a tot en met h genoemde doeleinden behorende bouwwerken, erven, terreinen en voorzieningen, zoals bergingen, trappenhuizen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en (openbare) nutsvoorzieningen.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Algemeen
  • a. Op de voor “Gemengd - 2” aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken in overeenstemming met het bepaalde in lid 8.1 worden gebouwd.
  • b. Bestaande woningen mogen niet bouwkundig worden gesplitst in meerdere zelfstandige woningen.
  • c. In bestaande bebouwing buiten het bouwvlak is de realisatie van zelfstandige woningen niet toegestaan.
  • d. Het gebruiksoppervlak van woningen bedraagt tenminste 75 m2, tenzij op de verbeelding met een aanduiding is weergegeven dat ter plaatse een ander minimum gebruiksoppervlak geldt.
8.2.2 Bebouwing

Voor het bouwen van bebouwing gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1 van deze regels.

8.2.3 Parkeergarage

Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" bedraagt de maximum bouwdiepte van een ondergrondse parkeergarage 2 parkeerlagen.

8.2.4 Nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.2 van deze regels.

8.2.5 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 8.2.1, 8.2.2, 8.2.3 en/of 8.2.4 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

8.3 Afwijken van de bouwregels
8.3.1 Afwijkingsbevoegdheid
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2.1 onder c, voor het realiseren van een woning met een gebruiksoppervlak kleiner dan 75 m2 dan wel, het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak.
  • b. Voor het overige gelden voor het afwijken van de bouwregels de algemene regels voor het afwijken van de bouwregels in artikel 23.5 van deze regels.
8.3.2 Toepassingscriteria

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.3.1 onder a wordt uitsluitend verleend in de hierna genoemde categorieën van gevallen:

  • a. Woningen boven winkels en andere commerciële ruimten of boven culturele dan wel maatschappelijke voorzieningen: indien de oppervlakte van de beschikbare woonruimte aantoonbaar te klein is om een woning met een gebruiksoppervlak van tenminste 75 m2 dan wel het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak te realiseren te realiseren;
  • b. Woningen voor specifieke doelgroepen: indien voor de betreffende doelgroep naar redelijkheid en billijkheid een kwalitatief goed woon- en leefklimaat gerealiseerd kan worden in een woning met een kleiner gebruiksoppervlak dan 75 m2 dan wel het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak en voor deze doelgroep nog geen of onvoldoende geschikte woonruimte aanwezig is.
8.3.3 Randvoorwaarden

De in lid 8.3.1 genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
8.4 Specifieke gebruiksregels
8.4.1 Beroep of bedrijf aan huis

Voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis in samenhang met wonen gelden de algemene gebruiksregels in artikel 24.2 van deze regels.

8.4.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

8.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 8.1, onder a.4, voor het toestaan van maatschappelijke voorzieningen die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met in die hoofdgroep genoemde maatschappelijke voorzieningen in de categorieën A en B;
  • b. lid 8.1, onder b, voor het toestaan van verkoopvloeroppervlak op de aanwezige verdieping(en).

De in dit lid genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
8.6 Wijzigingsbevoegdheid
8.6.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. het verwijderen van de aanduiding "detailhandel";
  • b. het verwijderen van de aanduiding "horeca uitgesloten";
  • c. het verwijderen van de aanduiding "kantoor";
  • d. het verwijderen van de aanduiding "fitnesscentrum";
  • e. het toevoegen van de aanduiding "cultuur en ontspanning", voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten en voorzieningen, die zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep Cultuur & Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1);
  • f. het toevoegen van de aanduiding "bedrijf", voor het toestaan van bedrijven die:
    • 1. zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1), met uitzondering van risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven;
    • 2. niet zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met in die hoofdgroep genoemde bedrijven in de categorieën A en B, met uitzondering van risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven.
  • g. het toevoegen van de aanduiding "wonen" voor het toestaan van woningen op de begane grond van een bestaand gebouw, indien dit ruimtelijk aanvaardbaar is en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 25 (algemene aanduidingsregels).
8.6.2 Toepassingscriteria
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen uitsluitend toepassing geven aan de in lid 8.6.1 onder a tot en met d genoemde wijzigingsbevoegdheid wanneer aan tenminste één van onderstaande criteria is voldaan:
    • 1. de betreffende activiteit ter plaatse is gedurende tenminste een half jaar beëindigd en er zijn geen redenen om aan te nemen dat de activiteit zal worden voortgezet;
    • 2. met de eigenaar is overeenstemming bereikt over het beëindigen van de betreffende activiteit.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen uitsluitend toepassing geven aan de in lid 8.6.1 onder g genoemde wijzigingsbevoegdheid wanneer aan de onderstaande criteria is voldaan:
    • 1. het gebruiksoppervlak van de woning bedraagt tenminste 75 m2, tenzij op de verbeelding met een aanduiding is weergegeven dat ter plaatse een ander minimum gebruiksoppervlak geldt;
    • 2. de financiële uitvoerbaarheid is anderszins verzekerd als bedoeld in artikel 6:12, 2e lid van de Wet ruimtelijke ordening;
    • 3. de kwaliteit van de bodem is aantoonbaar geschikt voor de te realiseren functies en eventueel noodzakelijke bodemsaneringen kunnen technisch en financieel worden uitgevoerd;
    • 4. een duurzame waterhuishouding is voldoende verzekerd;
    • 5. realisatie van de ontwikkeling leidt niet tot verstoring en/of vernietiging dan wel doding van door de Wet natuurbescherming beschermde planten- en diersoorten en, indien het laatste het geval is, er ten behoeve van dit plan voor deze handeling een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming kan worden verleend.
8.6.3 Randvoorwaarden

Burgemeester en wethouders geven geen toepassing aan de in lid 8.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheden, indien hierdoor onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 9 Gemengd - 3

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor “Gemengd - 3” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. detailhandel, met een maximum van 50% van het bruto vloeroppervlak.
  • b. horeca in de categorieën 2a, 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2), met een maximum van 30% van het bruto vloeroppervlak;
  • c. bedrijfsactiviteiten en voorzieningen, die zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep Cultuur & Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1);
  • d. het inrichten van een terras;
  • e. een theaterzaal met de daarbij behorende voorzieningen;
  • f. zakelijke dienstverlening, voor zover naar aard en omvang en openingstijden ondergeschikt en gerelateerd aan de onder a tot en met e genoemde doeleinden;
  • g. bij de onder a tot en met f genoemde doeleinden behorende ondersteunende en facilitaire bedrijfsactiviteiten zoals kantoren, magazijn en opslag.
  • h. De voor "Gemengd - 3" aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor de bij de onder a tot en met f genoemde doeleinden behorende bouwwerken, erven, terreinen en voorzieningen, zoals bergingen, trappenhuizen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en (openbare) nutsvoorzieningen.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Algemeen

Op de voor “Gemengd - 3” aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken in overeenstemming met het bepaalde in lid 9.1 worden gebouwd.

9.2.2 Bebouwing

Voor het bouwen van bebouwing gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1 van deze regels.

9.2.3 Nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.2 van deze regels, met dien verstande dat het bouwen van nutsvoorzieningen buiten het bouwvlak niet is toegestaan.

9.2.4 Bouwwerken op terrassen

Voor het bouwen van terrasoverkappingen en/of windschermen op een terras gelden de volgende bepalingen:

  • a. de minimum doorgangshoogte onder terrasoverkappingen bedraagt 2,25 meter;
  • b. de maximum bouwhoogte van windschermen bedraagt 1,80 meter;
  • c. bouwwerken mogen worden verankerd in de grond.
9.2.5 Onderkelderen van gebouwen

Voor het onderkelderen van gebouwen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.3 van deze regels.

9.2.6 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 9.2.1, 9.2.2, 9.2.3, 9.2.4, en/of 9.2.5 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

9.3 Afwijken van de bouwregels

Voor het afwijken van de bouwregels gelden de algemene regels voor het afwijken van de bouwregels in artikel 23.5 van deze regels.

9.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

9.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 9.1, onder a, voor het toestaan van een groter vloeroppervlak aan detailhandel, tot een maximum van 75% van het bruto vloeroppervlak;
  • b. lid 9.1, onder b, voor het toestaan van een groter vloeroppervlak aan horeca in de categorieën 2a, 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2), tot een maximum van 50% van het bruto vloeroppervlak;
  • c. lid 9.1, onder c, voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten of voorzieningen die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Cultuur & Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met de in die hoofdgroep genoemde bedrijfsactiviteiten of voorzieningen in de categorieën A en B.

De in dit lid genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 10 Groen

10.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Groen” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    • 1. groenstroken, plantsoenen, waterpartijen, -lopen, -bergingen, wadi's, infiltratiestroken en andere voorzieningen in het kader van de waterbeheersing;
    • 2. in- en uitritten, wandel- en fietspaden;
    • 3. speelvoorzieningen;
    • 4. (openbare) nutsvoorzieningen;
    • 5. bij deze doeleinden behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, straatmeubilair en andere werken.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" is een ondergrondse openbaar toegankelijke parkeergarage en/of fietsenstalling toegestaan, met de daarbij behorende - al dan niet gebouwde - voorzieningen en bouwwerken zoals in- en uitritten, hellingbanen, stijgpunten en ondersteunende facilitaire voorzieningen voor het beheer en de veiligheid.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding 'fietsenstalling' is een openbaar toegankelijke fietsenstalling toegestaan, met de daarbij behorende - al dan niet gebouwde - voorzieningen en bouwwerken zoals in- en uitritten, hellingbanen, stijgpunten en ondersteunende facilitaire voorzieningen voor het beheer en de veiligheid.
10.2 Bouwregels
10.2.1 Algemeen

Op de voor "Groen” aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in lid 10.1.

10.2.2 Speelvoorzieningen

Voor het bouwen van speelvoorzieningen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de maximum bouwhoogte van een bouwwerk bedraagt 4 meter;
  • b. de maximum oppervlakte van een bouwwerk bedraagt 20 m².
10.2.3 Parkeergarage

Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" bedraagt de maximum bouwdiepte van een ondergrondse parkeergarage 2 parkeerlagen.

10.2.4 Fietsenstalling

Ter plaatse van de aanduiding "fietsenstalling" bedraagt de maximum bouwhoogte van een fietsenstalling 6 meter.

10.2.5 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1.3 van deze regels.

10.2.6 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 10.2.1, 10.2.2, 10.2.5, 10.2.3 en/of 10.2.4 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

10.3 Nadere eisen
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken in de directe nabijheid van op grond van de Algemene plaatselijke verordening beschermde bomen indien dit noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van de betreffende boom of bomen.
  • b. Burgemeester en wethouders betrekken bij de onder a genoemde omgevingsvergunning de als uitwerking van de algemene plaatselijke verordening vastgestelde nadere regels voor de bescherming van bomen.

10.4 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.1 voor het realiseren van parkeerplaatsen, met dien verstande dat de aanleg van parkeerplaatsen niet tot gevolg mag hebben dat de groenvoorziening geheel komt te vervallen.

De in dit lid genoemde omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 11 Horeca

11.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Horeca” aangewezen gronden zijn bestemd voor horecabedrijven in de categorieën 1a, 1b, 2a en 2b van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2).
  • b. Ter plaatse van de aanduiding "cultuur en ontspanning" zijn bedrijfsactiviteiten en voorzieningen toegestaan, die zijn genoemd in categorie A uit de hoofdgroep Cultuur & Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1).
  • c. Ter plaatse van de aanduiding “detailhandel” is detailhandel toegestaan, met dien verstande dat het verkoopvloeroppervlak uitsluitend is toegestaan op de begane grond en in een eventueel aanwezige kelderverdieping.
  • d. Ter plaatse van de aanduiding “kantoor” is op de verdieping(en) zakelijke dienstverlening toegestaan, met een maximum bruto vloeroppervlak van 475 m2 .
  • e. Ter plaatse van de aanduiding “wonen” is op de verdieping(en) wonen, al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis, toegestaan.
  • f. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 1 uitgesloten" zijn in afwijking van het bepaalde onder a geen horecabedrijven in de categorieën 1a en 1b van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2) toegestaan.
  • g. Ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van horeca - 1” is een ondergronds horecabedrijf toegestaan uit de categorieën 1a, 1b, 2a en 2b van de bij deze regels behorende categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2).
  • h. Ter plaatse van de aanduiding "seksinrichting" is een seksinrichting toegestaan.
  • i. Ter plaatse van de aanduiding "theater" zijn filmzalen en een theaterzaal met de daarbij behorende voorzieningen toegestaan.
  • j. De voor "Horeca" aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor de bij de onder a tot en met i genoemde doeleinden behorende bouwwerken, erven, terreinen en voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en (openbare) nutsvoorzieningen.
11.2 Bouwregels
11.2.1 Algemeen
  • a. Op de voor “Horeca” aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken in overeenstemming met het bepaalde in lid 11.1 worden gebouwd.
  • b. Bestaande woningen mogen niet bouwkundig worden gesplitst in meerdere zelfstandige woningen.
  • c. Het gebruiksoppervlak van woningen bedraagt tenminste 75 m2, tenzij op de verbeelding met een aanduiding is weergegeven dat ter plaatse een ander minimum gebruiksoppervlak geldt.
11.2.2 Bebouwing

Voor het bouwen van bebouwing gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1 van deze regels.

11.2.3 Onderdoorgang
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" is in afwijking van het bepaalde in lid 11.2.2 uitsluitend het bouwen van gebouwen met een onderdoorgang toegestaan en dienen bestaande onderdoorgangen in stand te worden gehouden.
  • b. De minimum bouwhoogte van een onderdoorgang is gelijk aan de bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping van het gebouw.
11.2.4 Nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.2 van deze regels.

11.2.5 Onderkelderen van gebouwen

Voor het onderkelderen van gebouwen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.3 van deze regels.

11.2.6 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 11.2.1, 11.2.2, 11.2.3, 11.2.4 en/of 11.2.5 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

11.3 Afwijken van de bouwregels
11.3.1 Afwijkingsbevoegdheid
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 11.2.1 onder c, voor het realiseren van een woning met een gebruiksoppervlak kleiner dan 75 m2 dan wel, het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak.  
  • b. Voor het overige gelden voor het afwijken van de bouwregels de algemene regels voor het afwijken van de bouwregels in artikel 23.5 van deze regels.
11.3.2 Toepassingscriteria

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 11.3.1 onder a wordt uitsluitend verleend in de hierna genoemde categorieën van gevallen:

  • a. Woningen boven winkels en andere commerciële ruimten of boven culturele dan wel maatschappelijke voorzieningen: indien de oppervlakte van de beschikbare woonruimte aantoonbaar te klein is om een woning met een gebruiksoppervlak van tenminste 75 m2 dan wel het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak te realiseren te realiseren;
  • b. Woningen voor specifieke doelgroepen: indien voor de betreffende doelgroep naar redelijkheid en billijkheid een kwalitatief goed woon- en leefklimaat gerealiseerd kan worden in een woning met een kleiner gebruiksoppervlak dan 75 m2 dan wel het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak en voor deze doelgroep nog geen of onvoldoende geschikte woonruimte aanwezig is.
11.3.3 Randvoorwaarden

De in lid 11.3.1 genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

11.4 Specifieke gebruiksregels
11.4.1 Beroep of bedrijf aan huis

Voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis in samenhang met wonen gelden de algemene gebruiksregels in artikel 24.2 van deze regels.

11.4.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

11.5 Afwijken van de gebruiksregels
11.5.1 Afwijkingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 11.1, onder b, voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten of voorzieningen die zijn genoemd in categorie   B uit de hoofdgroep Cultuur & Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1);
  • b. lid 11.1, onder b, voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten of voorzieningen die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Cultuur & Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met in die hoofdgroep genoemde bedrijfsactiviteiten of voorzieningen in de categorieën A en B;
  • c. lid 11.1, onder c, voor het toestaan van verkoopvloeroppervlak op de aanwezige verdieping(en);
  • d. lid 11.4.2, onder a, voor het toestaan van het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting, niet zijnde raamprostitutie.
11.5.2 Toepassingscriteria

Burgemeester en wethouders kunnen uitsluitend toepassing geven aan de in lid 11.5.1 onder d genoemde afwijkingsbevoegdheid wanneer aan onderstaande critreria wordt voldaan:

  • a. de loopafstand tussen twee seksinrichtingen onderling bedraagt tenminste 200 meter;
  • b. binnen een loopafstand van 100 meter van de plaats waar de vestiging van een seksinrichting is beoogd mogen geen scholen, peuterspeelzalen, crèches of religieuze gebouwen aanwezig of geprojecteerd zijn;
  • c. vestiging van een seksinrichting is niet toegestaan:
    • 1. in een gebouw, waar de entree met anderen moet worden gedeeld;
    • 2. op hoeken van kruispunten van doorgaande verkeerswegen;
    • 3. in cultuurhistorisch waardevolle panden als bedoeld in artikel 25.2.3.
11.5.3 Randvoorwaarden

De in lid 11.5.1 genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

11.6 Wijzigingsbevoegdheid
11.6.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. het verwijderen van de aanduiding "cultuur en ontspanning";
  • b. het verwijderen van de aanduiding "detailhandel";
  • c. het verwijderen van de aanduiding “kantoor”,
  • d. het verwijderen van de aanduiding "wonen";
  • e. het verwijderen van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 1 uitgesloten";
  • f. het toevoegen van de aanduiding "wonen" voor het toestaan van woning(en) op de aanwezige verdieping(en) boven horeca, indien dit ruimtelijk aanvaardbaar is en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 25 (algemene aanduidingsregels).
11.6.2 Toepassingscriteria
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen uitsluitend toepassing geven aan de in lid 11.6.1 onder a tot en met e genoemde wijzigingsbevoegdheden wanneer aan tenminste één van onderstaande critreria is voldaan:
    • 1. de betreffende activiteit ter plaatse is gedurende tenminste een half jaar beëindigd en er zijn geen redenen om aan te nemen dat de activiteit zal worden voortgezet;
    • 2. met de eigenaar is overeenstemming bereikt over het beëindigen van de betreffende activiteit.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen uitsluitend toepassing geven aan de in lid 11.6.1 onder f genoemde wijzigingsbevoegdheid wanneer aan de onderstaande criteria is voldaan:
    • 1. het gebruiksoppervlak van de woning bedraagt tenminste 75 m2, tenzij op de verbeelding met een aanduiding is weergegeven dat ter plaatse een ander minimum gebruiksoppervlak geldt;
    • 2. de financiële uitvoerbaarheid is anderszins verzekerd als bedoeld in artikel 6:12, 2e lid van de Wet ruimtelijke ordening;
    • 3. de kwaliteit van de bodem is aantoonbaar geschikt voor de te realiseren functies en eventueel noodzakelijke bodemsaneringen kunnen technisch en financieel worden uitgevoerd;
    • 4. een duurzame waterhuishouding is voldoende verzekerd;
    • 5. realisatie van de ontwikkeling leidt niet tot verstoring en/of vernietiging dan wel doding van door de Wet natuurbescherming beschermde planten- en diersoorten en, indien het laatste het geval is, er ten behoeve van dit plan voor deze handeling een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming kan worden verleend.
11.6.3 Randvoorwaarden

Burgemeester en wethouders geven geen toepassing aan de in lid 11.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheden, indien hierdoor onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 12 Kantoor

12.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Kantoor” aangewezen gronden zijn bestemd voor zakelijke dienstverlening.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf' is ambachtelijke bedrijvigheid toegestaan.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' is detailhandel toegestaan, met dien verstande dat het verkoopvloeroppervlak uitsluitend is toegestaan op de begane grond en in een eventueel aanwezige kelderverdieping.
  • d. Ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening' is publieksgerichte dienstverlening toegestaan.
  • e. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 3" is op de begane grond horeca in categorie 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2) toegestaan.
  • f. Ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan, die zijn genoemd in categorie A uit de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1).
  • g. De voor "Kantoor" aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor de bij de onder a tot en met f genoemde doeleinden behorende bouwwerken, erven, terreinen en voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en (openbare) nutsvoorzieningen.
12.2 Bouwregels
12.2.1 Algemeen

Op de voor “Kantoor” aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken in overeenstemming met het bepaalde in lid 12.1 worden gebouwd.

12.2.2 Bebouwing

Voor het bouwen van bebouwing gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1 van deze regels.

12.2.3 Onderdoorgang
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" is in afwijking van het bepaalde in lid 12.2.2 uitsluitend het bouwen van gebouwen met een onderdoorgang toegestaan en dienen bestaande onderdoorgangen in stand te worden gehouden.
  • b. De minimum bouwhoogte van een onderdoorgang is gelijk aan de bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping van het gebouw.
12.2.4 Nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.2 van deze regels.

12.2.5 Onderkelderen van gebouwen

Voor het onderkelderen van gebouwen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.3 van deze regels.

12.2.6 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 12.2.1, 12.2.2, 12.2.3, 12.2.4, en/of 12.2.5 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

12.3 Afwijken van de bouwregels

Voor het afwijken van de bouwregels gelden de algemene regels voor het afwijken van de bouwregels in artikel 23.5 van deze regels.

12.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.

12.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 12.1, onder b, voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in categorie A uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1), met uitzondering van risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven;
  • b. lid 12.1, onder b, voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met in die hoofdgroep genoemde bedrijfsactiviteiten in categorie A, met uitzondering van risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven;
  • c. lid 12.1, onder f, voor het toestaan van maatschappelijke voorzieningen die zijn genoemd in categorie B uit de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1);
  • d. lid 12.1, onder f, voor het toestaan van maatschappelijke voorzieningen die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met in die hoofdgroep genoemde maatschappelijke voorzieningen in de categorieën A en B.

De in dit lid genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
12.6 Wijzigingsbevoegdheid
12.6.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. het verwijderen van de aanduiding "bedrijf";
  • b. het verwijderen van de aanduiding "detailhandel";
  • c. het verwijderen van de aanduiding “dienstverlening”,
  • d. het verwijderen van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 3";
  • e. het verwijderen van de aanduiding "maatschappelijk".
12.6.2 Toepassingscriteria

Burgemeester en wethouders kunnen uitsluitend toepassing geven aan de in lid 12.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheden wanneer aan tenminste één van onderstaande critreria is voldaan:

  • a. de betreffende activiteit ter plaatse is gedurende tenminste een half jaar beëindigd en er zijn geen redenen om aan te nemen dat de activiteit zal worden voortgezet;
  • b. met de eigenaar is overeenstemming bereikt over het beëindigen van de betreffende activiteit.
12.6.3 Randvoorwaarden

Burgemeester en wethouders geven geen toepassing aan de in lid 12.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheden, indien hierdoor onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 13 Maatschappelijk

13.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Maatschappelijk” aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, die zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1).
  • b. Ter plaatse van de aanduiding "cultuur en ontspanning" zijn bedrijfsactiviteiten en voorzieningen toegestaan, die zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep Cultuur & Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1).
  • c. Ter plaatse van de aanduiding "cultuur en ontspanning" zijn ondergeschikt aan de onder b genoemde doeleinden tevens de volgende activiteiten met de daarbij behorende voorzieningen toegestaan:
    • 1. evenementen in de categorieën zoals ter plaatse toegestaan in de beleidsregel 'Toetsingskader evenementenvergunningen';
    • 2. concerten;
    • 3. feesten en partijen;
    • 4. diners;
    • 5. zaalverhuur;
    • 6. congres- en vergaderactiviteiten.
  • d. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - detailhandel onder maaiveld" is detailhandel in de bestaande kelderverdieping toegestaan.
  • e. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 3" is op de begane grond horeca in categorie 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2) toegestaan.
  • f. Ter plaatse van de aanduiding “kantoor” is zakelijke dienstverlening toegestaan.
  • g. De voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor de bij de onder a tot en met d genoemde doeleinden behorende bouwwerken, erven, terreinen en voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en (openbare) nutsvoorzieningen.
13.2 Bouwregels
13.2.1 Algemeen

Op de voor “Maatschappelijk” aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken in overeenstemming met het bepaalde in lid 13.1 worden gebouwd.

13.2.2 Bebouwing

Voor het bouwen van bebouwing gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1 van deze regels.

13.2.3 Nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.2 van deze regels.

13.2.4 Onderkelderen van gebouwen

Voor het onderkelderen van gebouwen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.3 van deze regels.

13.2.5 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 13.2.1, 13.2.2, 13.2.3, en/of 13.2.4 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

13.3 Afwijken van de bouwregels

Voor het afwijken van de bouwregels gelden de algemene regels voor het afwijken van de bouwregels in artikel 23.5 van deze regels.

13.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
  • b. Voor het mogen houden van evenementen als bedoeld in lid 13.1 onder c.1 wordt voor wat betreft de hierna onder c genoemde criteria getoetst aan de beleidsregel 'Toetsingskader evenementenvergunningen' dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde respectievelijk vervangende beleidsregel.
  • c. De criteria waarop in de onder b genoemde beleidsregel de toelaatbaarheid van evenementen wordt getoetst zijn:
    • 1. het maximum aantal toeschouwers per aangewezen locatie;
    • 2. het aantal evenementendagen per aangewezen locatie;
    • 3. de tijdstippen en dagen waarop per aangewezen locatie evenementen mogen worden gehouden;
    • 4. de geluidsnormen waar een te houden evenement aan moet voldoen.
13.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:
    • 1. lid 13.1, onder a, voor het toestaan van maatschappelijke voorzieningen die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met maatschappelijke voorzieningen die in die hoofdgroep zijn genoemd in de categorieën A en B;
    • 2. lid 13.1, onder b, voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten of voorzieningen die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Cultuur & Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met in die hoofdgroep genoemde bedrijfsactiviteiten of voorzieningen in de categorieën A en B.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de in de beleidsregel als bedoeld in lid 13.4 onder b gestelde normen per toetsingscriterium voor het toestaan van een evenement dat naar aard, omvang en (eu)regionale uitstraling van bijzondere betekenis is.

De in dit lid genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
13.6 Wijzigingsbevoegdheid
13.6.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. het verwijderen van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - detailhandel onder maaiveld"
  • b. het verwijderen van de aanduiding “kantoor”,
  • c. het verwijderen van de aanduiding "cultuur en ontspanning".
13.6.2 Toepassingscriteria

Burgemeester en wethouders kunnen uitsluitend toepassing geven aan de in lid 13.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheden wanneer aan tenminste één van onderstaande critreria is voldaan:

  • a. de betreffende activiteit ter plaatse is gedurende tenminste een half jaar beëindigd en er zijn geen redenen om aan te nemen dat de activiteit zal worden voortgezet;
  • b. met de eigenaar is overeenstemming bereikt over het beëindigen van de betreffende activiteit.
13.6.3 Randvoorwaarden

Burgemeester en wethouders geven geen toepassing aan de in lid 13.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheden, indien hierdoor onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 14 Verkeer

14.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Verkeer” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    • 1. hoofdverkeerswegen met ten hoogste twee rijstroken;
    • 2. voet- en fietspaden;
    • 3. viaducten, bruggen en overige kunstwerken;
    • 4. verkeersvoorzieningen;
    • 5. parkeervoorzieningen;
    • 6. groenvoorzieningen;
    • 7. waterpartijen, -lopen, -bergingen, wadi's, infiltratiestroken en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
    • 8. geluidwerende voorzieningen;
    • 9. (openbare) nutsvoorzieningen;
    • 10. bij deze doeleinden behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, straatmeubilair, kunstwerken en andere werken.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' is een ondergrondse openbaar toegankelijke parkeergarage en/of fietsenstalling (Van Heek garage) toegestaan, met de daarbij behorende - al dan niet gebouwde - voorzieningen en bouwwerken zoals in- en uitritten, hellingbanen, stijgpunten en ondersteunende facilitaire voorzieningen voor het beheer en de veiligheid.
14.2 Bouwregels
14.2.1 Algemeen

Op de voor "Verkeer" aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in lid 14.1.

14.2.2 Gebouwen
  • a. Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van het openbaar vervoer of het wegverkeer gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de maximum bouwhoogte bedraagt 4 meter;
    • 2. de maximum inhoud van een gebouw bedraagt 50 m³.
14.2.3 Parkeergarage

Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" bedraagt de maximum bouwdiepte van de bestaande ondergrondse parkeergarage "Van Heek garage" 2 parkeerlagen.

14.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1.3 van deze regels.

14.2.5 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 14.2.1, 14.2.2, 14.2.4 en/of 14.2.3 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

14.3 Nadere eisen
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken in de directe nabijheid van op grond van de Algemene plaatselijke verordening beschermde bomen indien dit noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van de betreffende boom of bomen.
  • b. Burgemeester en wethouders betrekken bij de onder a genoemde omgevingsvergunning de als uitwerking van de algemene plaatselijke verordening vastgestelde nadere regels voor de bescherming van bomen.

Artikel 15 Verkeer - Openbaar Vervoer Station

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Verkeer - Openbaar Vervoer Station" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een treinstation en een busstation, met de daarbij behorende gebouwen, stationsvoorzieningen en overige voorzieningen en bouwwerken, zoals (openbare) nutsvoorzieningen, in- en uitritten, straatmeubilair en inpandige fietsenstallingen.
  • b. verkeers- en vervoersdoeleinden per rail;
  • c. erftoegangswegen, woonerven en pleinen;
  • d. voet- en fietspaden;
  • e. overige verkeersvoorzieningen;
  • f. gebouwde (gedeeltelijk) ondergrondse of (half)verdiept aangelegde voetgangersverbindingen;
  • g. kunstobjecten;
  • h. parkeervoorzieningen;
  • i. geluidwerende voorzieningen;
  • j. groenvoorzieningen, waterlopen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • k. (openbare) nutsvoorzieningen.
  • l. Ter plaatse van de aanduiding 'fietsenstalling' is een openbaar toegankelijke fietsenstalling toegestaan, met de daarbij behorende - al dan niet gebouwde - voorzieningen en bouwwerken zoals in- en uitritten, hellingbanen, stijgpunten en ondersteunende facilitaire voorzieningen voor het beheer en de veiligheid.
15.2 Bouwregels
15.2.1 Algemeen

Op de voor "Verkeer - Openbaar Vervoer Station" aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in lid 15.1.

15.2.2 Gebouwen
  • a. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:
    • 1. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding “maximum bouwhoogte (m)” mag de bouwhoogte niet worden overschreden.
  • b. Voor het bouwen van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'fietsenstalling' gelden de volgende bepalingen:
    • 1. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding “maximum bouwhoogte (m)” mag de bouwhoogte niet worden overschreden.
  • c. Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van het openbaar vervoer of het wegverkeer buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de maximum bouwhoogte bedraagt 4 meter;
    • 2. de maximum inhoud van een gebouw bedraagt 50 m³;
    • 3. er is geen sprake van onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid of de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
15.2.3 Luifels
  • a. Ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding "luifel" is het bouwen van een luifel toegestaan.
  • b. De minimum bouwhoogte van een luifel is gelijk aan:
    • 1. de bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping van het gebouw of;
    • 2. indien het een gebouw zonder verdiepingen betreft, 1 meter lager dan de bouwhoogte van het gebouw.
15.2.4 Onderdoorgang
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" is in afwijking van het bepaalde in lid 15.2.2 het bouwen van gebouwen met een onderdoorgang toegestaan en dienen bestaande onderdoorgangen in stand te worden gehouden.
  • b. De minimum bouwhoogte van een onderdoorgang is gelijk aan de bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping van het gebouw.
15.2.5 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1.3 van deze regels.

15.2.6 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 15.2.1, 15.2.2, 15.2.3, 15.2.4 en/of 14.2.5 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

15.3 Nadere eisen
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken in de directe nabijheid van op grond van de Algemene plaatselijke verordening beschermde bomen indien dit noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van de betreffende boom of bomen.
  • b. Burgemeester en wethouders betrekken bij de onder a genoemde omgevingsvergunning de als uitwerking van de algemene plaatselijke verordening vastgestelde nadere regels voor de bescherming van bomen.

Artikel 16 Verkeer - Parkeergarage

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor “Verkeer - Parkeergarage” aangewezen gronden zijn bestemd voor openbaar toegankelijke parkeergarages met de daarbij behorende voorzieningen zoals in- en uitritten, hellingbanen en ondersteunende facilitaire voorzieningen en bouwwerken voor het beheer en de veiligheid.

16.2 Bouwregels
16.2.1 Algemeen

Op de voor "Verkeer - Parkeergarage" aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in lid 16.1.

16.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding “maximum bouwhoogte (m)” mag de bouwhoogte niet worden overschreden.
16.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1.3 van deze regels.

16.2.4 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 16.2.1, 16.2.2 en/of 16.2.3 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

Artikel 17 Verkeer - Railverkeer

17.1 Bestemmingsomschrijving

De voor “Verkeer - Railverkeer” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. verkeers- en vervoersdoeleinden per rail;
  • b. (on)gelijkvloerse kruisingen ten behoeve van weg- en waterverkeer;
  • c. overige verkeersvoorzieningen;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. groenvoorzieningen, waterlopen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • f. geluidwerende voorzieningen;
  • g. (openbare) nutsvoorzieningen;
  • h. bij deze doeleinden behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, straatmeubilair en andere werken.
17.2 Bouwregels
17.2.1 Algemeen

Op de voor "Verkeer - Railverkeer" aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in lid 17.1.

17.2.2 Gebouwen
  • a. De maximum bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van het beheer en onderhoud van treinen en het railverkeer bedraagt 8 meter.
  • b. Voor het bouwen van overige gebouwen ten behoeve van het openbaar vervoer en het railverkeer gelden de volgende bepalingen:
17.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde voor het openbaar vervoer en het railverkeer

De maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor van het openbaar vervoer en het railverkeer bedraagt 8 meter.

17.2.4 Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1.3 van deze regels.

17.2.5 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 17.2.1, 17.2.2, 17.2.3 en/of 17.2.4 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

17.3 Nadere eisen
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken in de directe nabijheid van op grond van de Algemene plaatselijke verordening beschermde bomen indien dit noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van de betreffende boom of bomen.
  • b. Burgemeester en wethouders betrekken bij de onder a genoemde omgevingsvergunning de als uitwerking van de algemene plaatselijke verordening vastgestelde nadere regels voor de bescherming van bomen.
17.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 17.2.2, voor een maximum bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van het beheer en onderhoud van treinen en het railverkeer tot 10 meter;
  • b. lid 17.2.3, voor een maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het openbaar vervoer en het railverkeer tot 10 meter.

De in dit lid genoemde omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 18 Verkeer - Stadserf

18.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Verkeer - Stadserf” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    • 1. verblijfsgebied;
    • 2. gebouwde (gedeeltelijk) ondergrondse of (half)verdiept aangelegde voetgangersverbindingen;
    • 3. het houden van de dagmarkt, themamarkten en evenementen van de categorieën zoals ter plaatse toegestaan in de beleidsregel 'Toetsingskader evenementenvergunningen';
    • 4. het inrichten van een terras;
    • 5. kunstobjecten;
    • 6. bij deze doeleinden behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, straatmeubilair en andere werken.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' is een ondergrondse openbaar toegankelijke parkeergarage en/of fietsenstalling toegestaan (Van Heek garage), met de daarbij behorende - al dan niet gebouwde - voorzieningen en bouwwerken zoals in- en uitritten, hellingbanen, stijgpunten en ondersteunende facilitaire voorzieningen voor het beheer en de veiligheid.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van horeca - 1” is een ondergronds horecabedrijf toegestaan uit de categorieën 1a, 1b, 2a en 2b van de bij deze regels behorende categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2).
  • d. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 3" is een horecabedrijf toegestaan uit categorie 3 van de bij deze regels behorende categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2).
  • e. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - kiosk" is detailhandel in een kiosk toegestaan.
  • f. Ter plaatse van de aanduiding "brug" is een verbindingsbrug toegestaan.
  • g. Ter plaatse van de aanduiding "terras" is gedurende het gehele jaar een terras met de daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen toegestaan.
18.2 Bouwregels
18.2.1 Algemeen

Op de voor "Verkeer - Stadserf" aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in lid 18.1.

18.2.2 Gebouwen
  • a. Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van het openbaar vervoer of het wegverkeer gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de maximum bouwhoogte bedraagt 6 meter;
    • 2. de maximum inhoud van een gebouw bedraagt 50 m³.
  • b. Voor het bouwen van stijgpunten ter ontsluiting van een ondergrondse parkeergarage gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de maximum bouwhoogte bedraagt 6 meter;
    • 2. de maximum oppervlakte van een gebouw bedraagt 70 m2.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - kiosk" bedraagt de maximum bouwhoogte van een kiosk 4 meter.
18.2.3 Parkeergarage

Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" bedraagt de maximum bouwdiepte van de bestaande ondergrondse parkeergarage "Van Heek garage" 2 parkeerlagen.

18.2.4 Luifels
  • a. Ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding "luifel" is het bouwen van een luifel toegestaan.
  • b. De minimum bouwhoogte van een luifel is gelijk aan:
    • 1. de bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping van het gebouw of;
    • 2. indien het een gebouw zonder verdiepingen betreft, 1 meter lager dan de bouwhoogte van het gebouw.
18.2.5 Verbindingsbrug
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "brug" is het bouwen van een verbindingsbrug toegestaan.
  • b. De minimum bouwhoogte van een verbindingsbrug is gelijk aan de bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping van de door de verbindingsbrug te verbinden gebouwen. In geval van twee verschillende bouwhoogtes is de minimum bouwhoogte gelijk aan de laagste bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping.

18.2.6 Bouwwerken op terrassen
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "terras" is het bouwen van aangebouwde bijbehorende bouwwerken toegestaan.
  • b. De maximum bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken is gelijk is aan de verdiepingshoogte van de benedenverdieping van het hoofdgebouw, met een minimum van 2,25 meter.
  • c. Voor het bouwen van overige bouwwerken op een terras gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de minimum doorgangshoogte onder terrasoverkappingen bedraagt 2,25 meter;
    • 2. de maximum bouwhoogte van windschermen bedraagt 1,80 meter;
    • 3. bouwwerken mogen niet worden verankerd in de grond;
    • 4. ter plaatse van de aanduiding "terras" mogen, in afwijking van het bepaalde onder c.3, bouwwerken wel worden verankerd in de grond.
  • d. Het bouwen van andere overige bouwwerken als bedoeld in lid 23.1.3 op een terras is niet toegestaan.
18.2.7 Speelvoorzieningen

Voor het bouwen van speelvoorzieningen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de maximum bouwhoogte van een bouwwerk bedraagt 4 meter;
  • b. de maximum oppervlakte van een bouwwerk bedraagt 20 m².
18.2.8 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1.3 van deze regels.

18.2.9 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 18.2.1, 18.2.2, 18.2.3, 18.2.4, 18.2.5, 18.2.6, 18.2.7 en/of 18.2.8 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

18.3 Nadere eisen
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken in de directe nabijheid van op grond van de Algemene plaatselijke verordening beschermde bomen indien dit noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van de betreffende boom of bomen.
  • b. Burgemeester en wethouders betrekken bij de onder a genoemde omgevingsvergunning de als uitwerking van de algemene plaatselijke verordening vastgestelde nadere regels voor de bescherming van bomen.
18.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

De in dit lid genoemde bouwwerken mogen uitsluitend worden gerealiseerd onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

18.5 Specifieke gebruiksregels
  • a. Voor het mogen houden van evenementen als bedoeld in lid 18.1 onder a.3 wordt voor wat betreft de onder b genoemde criteria getoetst aan de beleidsregel 'Toetsingskader evenementenvergunningen' dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde respectievelijk vervangende beleidsregel.
  • b. De criteria waarop in de onder a genoemde beleidsregel de toelaatbaarheid van evenementen wordt getoetst zijn:
    • 1. het maximum aantal toeschouwers per aangewezen locatie;
    • 2. het aantal evenementendagen per aangewezen locatie;
    • 3. de tijdstippen en dagen waarop per aangewezen locatie evenementen mogen worden gehouden;
    • 4. de geluidsnormen waar een te houden evenement aan moet voldoen.

18.6 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de in de beleidsregel als bedoeld in lid 18.5 gestelde normen per toetsingscriterium voor het toestaan van een evenement dat naar aard, omvang en (eu)regionale uitstraling van bijzondere betekenis is.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaats vindt van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeersveiligheid;
    • 4. de parkeerdruk op de openbare ruimte;
    • 5. de sociale veiligheid;
    • 6. de milieusituatie;
    • 7. de monumentale of cultuurhistorische waarde;
    • 8. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 19 Verkeer - Verblijfsgebied

19.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Verkeer - Verblijfsgebied” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    • 1. erftoegangswegen, woonerven en pleinen;
    • 2. voet- en fietspaden;
    • 3. verkeersvoorzieningen;
    • 4. parkeervoorzieningen;
    • 5. kunstobjecten;
    • 6. gebouwde (gedeeltelijk) ondergrondse of (half)verdiept aangelegde voetgangersverbindingen;
    • 7. groenvoorzieningen;
    • 8. waterpartijen, -lopen, -bergingen, wadi's, infiltratiestroken en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
    • 9. speelvoorzieningen;
    • 10. (openbare) nutsvoorzieningen;
    • 11. bij deze doeleinden behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, straatmeubilair en andere werken.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'fietsenstalling' is een openbaar toegankelijke fietsenstalling toegestaan, met de daarbij behorende - al dan niet gebouwde - voorzieningen en bouwwerken zoals in- en uitritten, hellingbanen, stijgpunten en ondersteunende facilitaire voorzieningen voor het beheer en de veiligheid.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding 'openbaar vervoer' is een busstation toegestaan, met de daarbij behorende - al dan niet gebouwde - voorzieningen en bouwwerken, zoals perrons en overkappingen.
  • d. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' is een ondergrondse openbaar toegankelijke parkeergarage en/of fietsenstalling (Van Heek garage) toegestaan, met de daarbij behorende - al dan niet gebouwde - voorzieningen en bouwwerken zoals in- en uitritten, hellingbanen, stijgpunten en ondersteunende facilitaire voorzieningen voor het beheer en de veiligheid.
19.2 Bouwregels
19.2.1 Algemeen

Op de voor “Verkeer - Verblijfsgebied” aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in lid 19.1.

19.2.2 Gebouwen
  • a. Voor het bouwen van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'fietsenstalling' gelden de volgende bepalingen:
    • 1. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding “maximum bouwhoogte (m)” mag de bouwhoogte niet worden overschreden.
  • b. Voor het bouwen van overige gebouwen ten behoeve van het openbaar vervoer of het wegverkeer gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de maximum bouwhoogte bedraagt 4 meter;
    • 2. de maximum inhoud van een gebouw bedraagt 50 m³.
  • c. Voor het bouwen van stijgpunten ter ontsluiting van een ondergrondse parkeergarage gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de maximum bouwhoogte bedraagt 6 meter;
    • 2. de maximum oppervlakte van een gebouw bedraagt 70 m2.
  • d. Ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen" is de bouw van een vrijstaand bijgebouw bij op aangrenzende percelen aanwezige woningen toegestaan, met een maximum bouwhoogte van 3 meter.
19.2.3 Parkeergarage
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" bedraagt de maximum bouwdiepte van de bestaande ondergrondse parkeergarage "Van Heek garage" 2 parkeerlagen.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" is de minimum bouwhoogte van de bestaande hellingbanen ter ontsluiting van de aangrenzende gebouwde parkeergarages aan de Beltstraat (Zuidmolen) en aan de Van Lochemstraat (Irenegarage) met parkeerdekken op de verdiepingen gelijk aan de onderzijde van de vloer van het laagste parkeerdek.
19.2.4 Luifels
  • a. Ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding "luifel" is het bouwen van een luifel toegestaan.
  • b. De minimum bouwhoogte van een luifel is gelijk aan:
    • 1. de bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping van het gebouw of;
    • 2. indien het een gebouw zonder verdiepingen betreft, 1 meter lager dan de bouwhoogte van het gebouw.
19.2.5 Speelvoorzieningen

Voor het bouwen van speelvoorzieningen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de maximum bouwhoogte van een bouwwerk bedraagt 4 meter;
  • b. de maximum oppervlakte van een bouwwerk bedraagt 20 m².
19.2.6 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1.3 van deze regels.

19.2.7 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 19.2.1, 19.2.2, 19.2.3, 19.2.4, 19.2.5 en/of 19.2.6 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

19.3 Nadere eisen
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken in de directe nabijheid van op grond van de Algemene plaatselijke verordening beschermde bomen indien dit noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van de betreffende boom of bomen.
  • b. Burgemeester en wethouders betrekken bij de onder a genoemde omgevingsvergunning de als uitwerking van de algemene plaatselijke verordening vastgestelde nadere regels voor de bescherming van bomen.
19.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 19.2.1, voor het geheel of gedeeltelijk in dan wel boven het verblijfsgebied bouwen van luifels, balkons, galerijen, brandtrappen en andere ondergeschikte bouwdelen aan gebouwen, voor zover deze zijn geheel of gedeeltelijk in dan wel boven het verblijfsgebied;
  • b. lid 19.2.2, onder c, voor het bouwen van een stijgpunt ter ontsluiting van een ondergrondse parkeergarage met een maximum bouwhoogte tot 15 meter en/of met een maximum oppervlakte tot 90 m2;
  • c. lid 19.2.6, voor het bouwen van terrasoverkappingen en/of windschermen op een terras, met inachtneming van de volgende bepalingen:
    • 1. de minimum doorgangshoogte onder terrasoverkappingen bedraagt 2,25 meter;
    • 2. de maximum bouwhoogte van windschermen bedraagt 1,80 meter;
    • 3. bouwwerken mogen niet worden verankerd in de grond;
    • 4. voor de inrichting van het terras is tevens een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 19.5 verleend.

De in dit lid genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

19.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:
    • 1. lid 19.1 onder a, voor het toestaan van het inrichten van een terras bij een horecabedrijf;
    • 2. lid 19.1 onder a, voor het houden van een evenement van de categorieën zoals ter plaatse toegestaan in de beleidsregel 'Toetsingskader evenementenvergunningen';
  • b. Voor het mogen houden van een evenement als bedoeld onder a.2 wordt voor wat betreft de onder c genoemde criteria getoetst aan de beleidsregel 'Toetsingskader evenementenvergunningen' dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde respectievelijk vervangende beleidsregel.
  • c. De criteria waarop in de onder b genoemde beleidsregel de toelaatbaarheid van een evenement wordt getoetst zijn:
    • 1. het maximum aantal toeschouwers per aangewezen locatie;
    • 2. het aantal evenementendagen per aangewezen locatie;
    • 3. de tijdstippen en dagen waarop per aangewezen locatie evenementen mogen worden gehouden;
    • 4. de geluidsnormen waar een te houden evenement aan moet voldoen.
  • d. De in dit lid genoemde omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaats vindt van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeersveiligheid;
    • 4. de parkeerdruk op de openbare ruimte;
    • 5. de sociale veiligheid;
    • 6. de milieusituatie;
    • 7. de monumentale of cultuurhistorische waarde;
    • 8. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 20 Wonen

20.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Wonen” aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding "atelier" is een atelier toegestaan.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding "bedrijf" is ambachtelijke bedrijvigheid toegestaan.
  • d. Ter plaatse van de aanduiding "detailhandel" is detailhandel toegestaan, met dien verstande dat het verkoopvloeroppervlak uitsluitend is toegestaan op de begane grond.
  • e. Ter plaatse van de aanduiding "dienstverlening" is publieksgerichte dienstverlening toegestaan.
  • f. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 2b" is horeca in de categorieën 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2) toegestaan, met dien verstande dat horeca van categorie 3a uitsluitend is toegestaan op de begane grond .
  • g. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 3" is op de begane grond horeca in de categorie 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2) toegestaan.
  • h. Ter plaatse van de aanduiding "kantoor" is zakelijke dienstverlening toegestaan.
  • i. Ter plaatse van de aanduiding "maatschappelijk" zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan die zijn genoemd in categorie A uit de hoofdgroep "Maatschappelijk" van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1).
  • j. Ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein" is een openbaar toegankelijk parkeerterrein toegestaan, met de daarbij behorende - al dan niet gebouwde - voorzieningen en bouwwerken zoals in- en uitritten en ondersteunende facilitaire voorzieningen voor het beheer en de veiligheid.
  • k. De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor de bij de onder a tot en met j genoemde doeleinden behorende bouwwerken, erven, terreinen en voorzieningen, zoals bergingen, trappenhuizen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en (openbare) nutsvoorzieningen.
20.2 Bouwregels
20.2.1 Algemeen
  • a. Op de voor “Wonen” aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken in overeenstemming met het bepaalde in lid 20.1 worden gebouwd.
  • b. Bestaande woningen mogen niet bouwkundig worden gesplitst in meerdere zelfstandige woningen.
  • c. In bestaande bebouwing buiten het bouwvlak is de realisatie van zelfstandige woningen niet toegestaan.
  • d. Het gebruiksoppervlak van woningen bedraagt tenminste 75 m2, tenzij op de verbeelding met een aanduiding is weergegeven dat ter plaatse een ander minimum gebruiksoppervlak geldt.
20.2.2 Bebouwing

Voor het bouwen van bebouwing gelden de algemene bouwregels in artikel 23.1 van deze regels.

20.2.3 Onderdoorgang
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" is in afwijking van het bepaalde in lid 20.2.2 het bouwen van gebouwen met een onderdoorgang toegestaan en dienen bestaande onderdoorgangen in stand te worden gehouden.
  • b. De minimum bouwhoogte van een onderdoorgang is gelijk aan de bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping van het gebouw.
20.2.4 Nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.2 van deze regels.

20.2.5 Onderkelderen van gebouwen

Voor het onderkelderen van gebouwen gelden de algemene bouwregels in artikel 23.3 van deze regels.

20.2.6 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 20.2.1, 20.2.2, 20.2.3, 20.2.4 en/of 20.2.5 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

20.3 Afwijken van de bouwregels
20.3.1 Afwijkingsbevoegdheid
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 20.2.1 onder c, voor het realiseren van een woning met een gebruiksoppervlak kleiner dan 75 m2 dan wel, het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak.
  • b. Voor het overige gelden voor het afwijken van de bouwregels de algemene regels voor het afwijken van de bouwregels in artikel 23.5 van deze regels.
20.3.2 Toepassingscriteria

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 20.3.1 onder a wordt uitsluitend verleend in de hierna genoemde categorieën van gevallen:

  • a. Woningen boven winkels en andere commerciële ruimten of boven culturele dan wel maatschappelijke voorzieningen: indien de oppervlakte van de beschikbare woonruimte aantoonbaar te klein is om een woning met een gebruiksoppervlak van tenminste 75 m2 dan wel het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak te realiseren te realiseren;
  • b. Woningen voor specifieke doelgroepen: indien voor de betreffende doelgroep naar redelijkheid en billijkheid een kwalitatief goed woon- en leefklimaat gerealiseerd kan worden in een woning met een kleiner gebruiksoppervlak dan 75 m2 dan wel het ter plaatse middels een aanduiding toegestane kleinere gebruiksoppervlak en voor deze doelgroep nog geen of onvoldoende geschikte woonruimte aanwezig is.
20.3.3 Randvoorwaarden

De in lid 20.3.1 genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
20.4 Specifieke gebruiksregels
20.4.1 Beroep of bedrijf aan huis

Voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis in samenhang met wonen gelden de algemene gebruiksregels in artikel 24.2 van deze regels.

20.4.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

20.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 20.1, onder c, voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in categorie A uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1), met uitzondering van risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven;
  • b. lid 20.1, onder c, voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met in die hoofdgroep genoemde bedrijfsactiviteiten in categorie A, met uitzondering van risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven;
  • c. lid 20.1, onder d, voor het toestaan van verkoopvloeroppervlak op de aanwezige verdieping(en);
  • d. lid 20.1, onder i, voor het toestaan van maatschappelijke voorzieningen die zijn genoemd in categorie B uit de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1);
  • e. lid 20.1, onder i, voor het toestaan van maatschappelijke voorzieningen die niet zijn genoemd in de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met de in die hoofdgroep genoemde maatschappelijke voorzieningen in de categorieën A en B.

De in dit lid genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

20.6 Wijzigingsbevoegdheid
20.6.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. het verwijderen van de aanduiding "atelier";
  • b. het verwijderen van de aanduiding "bedrijf";
  • c. het verwijderen van de aanduiding "detailhandel";
  • d. het verwijderen van de aanduiding "dienstverlening";
  • e. het verwijderen van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 2b";
  • f. het verwijderen van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 3";
  • g. het verwijderen van de aanduiding "kantoor";
  • h. het verwijderen van de aanduiding "maatschappelijk"
  • i. het verwijderen van de aanduiding "parkeerterrein"
  • j. het toevoegen van de aanduiding "dienstverlening", voor het toestaan van publieksgerichte dienstverlening;
  • k. het toevoegen van de aanduiding "bedrijf", voor het toestaan van bedrijven die:
    • 1. zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1), met uitzondering van risicovolle, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven;
    • 2. niet zijn genoemd in de categorieën A en B uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) maar die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met in die hoofdgroep genoemde bedrijven in de categorieën A en B, met uitzondering van risicovolle inrichtingen, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven.
  • l. het toevoegen van een bouwvlak en/of het veranderen van de vorm van een bestaand bouwvlak, indien dit ruimtelijk aanvaardbaar is, met dien verstande dat:
    • 1. voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 25 (algemene aanduidingsregels);
    • 2. gebouwen ter plaatse van de figuur "gevellijn" gebouwd moeten worden in de bouwgrens;
    • 3. voor het overige het bepaalde in artikel 20 ten aanzien van de bestemming “Wonen” van overeenkomstige toepassing is.
20.6.2 Toepassingscriteria
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen uitsluitend toepassing geven aan de in lid 20.6.1 onder a tot en met i genoemde wijzigingsbevoegdheid wanneer aan tenminste één van onderstaande critreria is voldaan:
    • 1. de betreffende activiteit ter plaatse is gedurende tenminste een half jaar beëindigd en er zijn geen redenen om aan te nemen dat de activiteit zal worden voortgezet;
    • 2. met de eigenaar is overeenstemming bereikt over het beëindigen van de betreffende activiteit.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen uitsluitend toepassing geven aan de in lid 20.6.1 onder l genoemde wijzigingsbevoegdheid wanneer aan de onderstaande criteria is voldaan:
    • 1. het gebruiksoppervlak van de woning bedraagt tenminste 75 m2, tenzij op de verbeelding met een aanduiding is weergegeven dat ter plaatse een ander minimum gebruiksoppervlak geldt;
    • 2. de financiële uitvoerbaarheid is anderszins verzekerd als bedoeld in artikel 6:12, 2e lid van de Wet ruimtelijke ordening;
    • 3. de kwaliteit van de bodem is aantoonbaar geschikt voor de te realiseren functies en eventueel noodzakelijke bodemsaneringen kunnen technisch en financieel worden uitgevoerd;
    • 4. een duurzame waterhuishouding is voldoende verzekerd;
    • 5. realisatie van de ontwikkeling leidt niet tot verstoring en/of vernietiging dan wel doding van door de Wet natuurbescherming beschermde planten- en diersoorten en, indien het laatste het geval is, er ten behoeve van dit plan voor deze handeling een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming kan worden verleend.
20.6.3 Randvoorwaarden

Burgemeester en wethouders geven geen toepassing aan de in lid 20.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheden, indien hierdoor onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 21 Waarde - Archeologie

21.1 Bestemmingsomschrijving

De voor “Waarde - Archeologie” aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden, waarbij de bestemming "Waarde-Archeologie" voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).

21.2 Bouwregels
21.2.1 Algemeen

Op de voor "Waarde - Archeologie" aangewezen gronden mag uitsluitend ten behoeve van de daar voorkomende andere bestemming(en) worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in lid 21.1.

21.2.2 Bouwen van bouwwerken

Voor het bouwen van bouwwerken op de voor "Waarde - Archeologie" aangewezen gronden gelden de volgende bepalingen:

  • a. voor het bouwen van bouwwerken met een bodemverstoring tot 40 cm beneden maaiveld gelden geen beperkingen ten opzichte van de bouwregels behorende bij de daar voorkomende bestemming(en);
  • b. voor het bouwen van bouwwerken met een bodemverstoring van 40 cm en dieper beneden maaiveld kunnen burgemeester en wethouders uitsluitend een omgevingsvergunning verlenen indien op basis van een archeologisch rapport wordt aangetoond dat:
    • 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgelegd, en;
    • 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel;
    • 3. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
21.2.3 Uitzondering
  • a. De in lid 21.2.2 genoemde omgevingsvergunning is niet van toepassing op het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bebouwing, waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
  • b. Bij de in lid 21.2.2 genoemde omgevingsvergunning kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is indien de grond ter plaatse reeds zodanig is geroerd dat er feitelijk geen sprake meer kan zijn aantasting van mogelijk aanwezige archeologische waarden.
21.2.4 Voorwaarden aan de omgevingsvergunning

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 21.2.2 één of meerdere van de hierna genoemde voorwaarden verbinden indien uit het in lid 21.2.2 bedoelde rapport blijkt dat door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden zullen worden verstoord:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen overeenkomstig een daartoe door burgemeester en wethouders vastgesteld Programma van Eisen;
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

21.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
21.3.1 Uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden is het uitvoeren van de hierna genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden alleen toegestaan overeenkomstig een door burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning:
    • 1. het ophogen van de bodem;
    • 2. het verlagen van het grondwaterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap.
  • b. Ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden is het uitvoeren van de hierna genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, voor zover deze dieper reiken dan 40 cm beneden maaiveld, alleen toegestaan overeenkomstig een door burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning:
    • 1. het verlagen van de bodem of het afgraven van gronden;
    • 2. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen;
    • 3. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    • 4. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatie- of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies;
    • 5. het aanbrengen van constructies die verband houden met bovengrondse leidingen;
    • 6. het graven, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
    • 7. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
    • 8. het aanbrengen van funderingen op een andere wijze dan door het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het indrijven van objecten in de bodem;
    • 9. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
    • 10. bomen en/of diepwortelende beplanting aan te brengen;
    • 11. alle overige werken of werkzaamheden die de aanwezige archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten.
21.3.2 Uitzonderingen op de vergunningplicht
  • a. De in lid 21.3.1 genoemde omgevingsvergunningen zijn niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
    • 1. het normale onderhoud, gebruik of beheer betreffen;
    • 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
    • 3. worden uitgevoerd in het kader van onderzoek naar de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen.
  • b. Bij de in lid 21.3.1 genoemde omgevingsvergunning kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is indien de grond ter plaatse reeds zodanig is geroerd dat er feitelijk geen sprake meer kan zijn aantasting van mogelijk aanwezige archeologische waarden.
21.3.3 Voorwaarden aan de omgevingsvergunning
  • a. Alvorens een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 21.3.1 wordt verleend, dient door de aanvrager een archeologisch onderzoeksrapport te worden overgelegd waarin naar het oordeel van burgemeester en wethouders:
    • 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgelegd, en;
    • 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel;
    • 3. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
  • b. Indien uit het in dit lid onder a genoemde archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders na advies van de regio-archeoloog één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
21.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
21.4.1 Slopen van een bouwwerk

Ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden is het geheel of gedeeltelijk slopen van bouwwerken op of in gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie" alleen toegestaan overeenkomstig een door burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning.

21.4.2 Uitzonderingen op de vergunningplicht
  • a. De in lid 21.4.1 genoemde omgevingsvergunning is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden tot 30 cm boven maaiveld.
  • b. Bij de in lid 21.4.1 genoemde omgevingsvergunning kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is indien de grond ter plaatse reeds zodanig is geroerd dat er feitelijk geen sprake meer kan zijn aantasting van mogelijk aanwezige archeologische waarden.
21.4.3 Voorwaarden aan de omgevingsvergunning
  • a. Aan de omgevingsvergunning, als bedoeld in lid 21.4.1, kunnen burgemeester en wethouders de regel verbinden dat de sloopwerken vanaf maaiveld en dieper worden begeleid door een gekwalificeerd deskundige.
  • b. Indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van archeologische waarde worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gedaan bij burgemeester en wethouders, die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende regels kunnen verbinden aan de omgevingsvergunning.
21.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door de bestemming “Waarde - Archeologie” geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betreffende locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 22 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 23 Algemene bouwregels

23.1 Algemene bouwregels bebouwing
23.1.1 Bebouwing binnen het bouwvlak

Voor het bouwen van bebouwing binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen:

  • a. ter plaatse van de figuur 'gevellijn' dient in de bouwgrens te worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding “maximum bouwhoogte (m)” mag de bouwhoogte niet worden overschreden;
  • c. ter plaatse van de aanduiding “maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)” mogen de goothoogte en de bouwhoogte niet worden overschreden.
  • d. in aanvulling op het bepaalde onder b en c mag bebouwing op het achterste deel van het bouwperceel niet hoger zijn dan de bouwhoogte aan de straatzijde.
23.1.2 Bebouwing buiten het bouwvlak

Voor het bouwen van bebouwing buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen:

  • a. het perceelsgedeelte buiten het bouwvlak mag voor 50% worden bebouwd;
  • b. de maximum bouwhoogte bedraagt 5 meter;
  • c. ter plaatse van de figuur 'gevellijn' is bebouwing voor de voorgevel niet toegestaan;
  • d. de minimum bouwhoogte van een luifel gelijk is aan:
    • 1. de bouwhoogte van de bovenzijde van de vloer van de 1e verdieping van het gebouw of;
    • 2. indien het een gebouw zonder verdiepingen betreft, 1 meter lager dan de bouwhoogte van het gebouw.
23.1.3 Bouwwerken geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende bepalingen:

  • a. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 meter;
  • b. de maximum bouwhoogte van infrastructurele kunstobjecten, vlaggen- en lichtmasten bedraagt 10 meter;
  • c. de maximum bouwhoogte van bouwwerken t.b.v. beeldende kunst bedraagt 15 meter;
  • d. de maximum bouwhoogte van (brand)trappen, balkons, bordessen, galerijen, tussenbouwen en andere, al dan niet op de grond gelegen, bouwwerken voor buitenruimte, toegangs- en/of verbindingsconstructies aan of op een gebouw dan wel tussen gebouwen is gelijk aan de maximum bouwhoogte voor bebouwing;
  • e. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde bedraagt 5 meter.
23.1.4 Bouwregels bij herontwikkeling door (vervangende) nieuwbouw

Bij herontwikkeling van locaties en bestaande bebouwing door (gedeeltelijke) sloop en (vervangende) nieuwbouw gelden voor de nieuwbouw in aanvulling op het bepaalde in lid 23.1 de volgende bouwregels:

  • a. de minimum plafondhoogte van het gedeelte van de benedenverdieping dat direct toegankelijk is via het openbaar toegankelijk gebied bedraagt 3,50 meter, tenzij sprake is van één van onderstaande uitzonderingssituaties:
    • 1. de locatie is gelegen binnen de grenzen van een op de kaart in bijlage 5 van deze regels weergegeven gebied waar een minimum plafondhoogte van 4,75 meter geldt; in dat geval bedraagt de plafondhoogte van het gedeelte van de benedenverdieping dat direct toegankelijk is via het openbaar toegankelijk gebied tenminste 4,75 meter. Voor de benedenverdiepingen die niet direct toegankelijk zijn via het openbaar toegankelijk gebied is een lagere plafondhoogte toegestaan;
    • 2. de plafondhoogte van de benedenverdieping van de te slopen bestaande bebouwing is hoger dan 3,50 meter of, in geval de onder 1 beschreven uitzonderingssituatie van toepassing is, 4,75 meter; in dat geval geldt de plafondhoogte van de benedenverdieping van de te slopen bestaande bebouwing als minimum plafondhoogte voor het direct via het openbaar toegankelijk gebied toegankelijke deel van de benedenverdieping van de nieuwbouw.
  • b. de hoofdentree dient direct toegankelijk te zijn via het openbaar toegankelijk gebied;
  • c. de herontwikkeling of transformatie mag niet tot gevolg hebben dat voor de realisatie daarvan aanpassingen aan voorzieningen in het openbaar toegankelijk gebied noodzakelijk zijn.
23.2 Nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de volgende bepalingen:

23.3 Onderkelderen van gebouwen

Daar waar ingevolge het bepaalde in deze planregels het bouwen of verbouwen van gebouwen is toegestaan, is het tevens mogelijk deze gebouwen en het daarbij behorende erf geheel of gedeeltelijk te onderkelderen of van een onderbouw te voorzien, met dien verstande dat:

23.4 Nadere eisen
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor bebouwing als bedoeld in lid 23.1.2 nadere eisen stellen ten aanzien van:
    • 1. de hoogte en afmetingen van een luifel buiten het bouwvlak;
    • 2. de situering en afmetingen van balkons, terrassen, tussenbouwen, galerijen en andere, al dan niet op de grond gelegen, bouwwerken voor buitenruimte, toegangs- en/of verbindingsconstructies aan of op een gebouw dan wel tussen gebouwen buiten het bouwvlak;
    • 3. de situering van (brand)trappen en andere ondergeschikte bouwdelen aan of op een gebouw buiten het bouwvlak.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen de onder a genoemde nadere eisen uitsluitend stellen wanneer dit noodzakelijk is om onevenredige aantasting te voorkomen van:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  • c. Burgemeester kunnen bij een omgevingsvergunning voor bebouwing als bedoeld in de leden 23.1.1, 23.1.2, 23.1.3, 23.1.4, 23.2 en 23.3 tevens nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken in de directe nabijheid van op grond van de Algemene plaatselijke verordening beschermde bomen, indien dit noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van de betreffende boom of bomen.
  • d. Burgemeester en wethouders betrekken bij de onder c genoemde omgevingsvergunning de als uitwerking van de algemene plaatselijke verordening vastgestelde nadere regels voor de bescherming van bomen.
  • e. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor (vervangende) nieuwbouw als bedoeld in lid 23.1.4 onder a.1 en a.3 nadere eisen stellen ten aanzien van de plafondhoogte van een benedenverdieping die niet direct toegankelijk is via het openbaar toegankelijk gebied.
  • f. Burgemeester en wethouders kunnen de onder e genoemde nadere eisen uitsluitend stellen wanneer dit noodzakelijk is om onevenredige aantasting te voorkomen van:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de sociale veiligheid;
    • 3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  • g. Alvorens de onder e genoemde nadere eisen te stellen vragen burgemeester en wethouders advies aan de stadsbouwmeester.
23.5 Afwijken van de bouwregels
23.5.1 Afwijkingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 23.1.1 onder a, voor het toestaan van bebouwing die niet of niet volledig in de bouwgrens wordt gebouwd;
  • b. lid 23.1.1 onder d voor het buiten toepassing laten van de bouwregel dat bebouwing op de achterzijde van een bouwperceel niet hoger mag zijn dan aan de straatzijde;
  • c. lid 23.1.2 onder b, voor het toestaan van een maximum bouwhoogte van bebouwing buiten het bouwvlak tot 7,50 meter.
  • d. lid 23.1.3, onder a, voor een maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen tot 3 meter;
  • e. lid 23.1.3 onder b, voor een maximum bouwhoogte van infrastructurele kunstobjecten, vlaggen- en lichtmasten tot 15 meter;
  • f. lid 23.1.3, onder d, voor een maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot 7 meter;
  • g. lid 23.1.4, onder a, aanhef, voor het toestaan dat een afwijkende plafondhoogte wordt gerealiseerd;
  • h. lid 23.1.4, onder a.1, voor het toestaan dat een afwijkende plafondhoogte wordt gerealiseerd, mits niet lager dan 3,50 meter;
  • i. lid 23.1.4, onder a.2, voor het toestaan dat een lagere plafondhoogte dan die van de te slopen bebouwing wordt gerealiseerd, mits niet lager dan 3,50 meter;
  • j. lid 23.1.4 onder b voor het toestaan van een hoofdentree die niet direct toegankelijk is via het openbaar toegankelijk gebied;
  • k. lid 23.1.4 onder c, voor het toestaan van een herontwikkeling of transformatie, voor de realisatie waarvan aanpassingen aan voorzieningen in het openbaar toegankelijk gebied noodzakelijk zijn;
  • l. lid 23.3, voor het onderkelderen van gebouwen met kelders of onderbouwen waarvan de bovenkant van de vloer tot maximaal 5 meter onder het peil is gelegen;
  • m. lid 23.3, voor het onderkelderen van gebouwen met kelders of onderbouwen in het achtererfgebied tot maximaal 3 meter vanuit de boven het peil gelegen buitenwerkse gevelvlakken van het gebouw.

23.5.2 Toepassingscriteria
  • a. De omgevingsvergunningen als bedoeld in lid 23.5.1 onder a en c worden niet verleend voor het realiseren van bebouwing voor de voorgevelrooilijn.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 23.5.1 onder b wordt in ieder geval verleend in de situatie dat een gebouw aan twee of meer zijden een straatzijde heeft en er daardoor in de praktijk geen sprake is van een bouwperceel met een eenduidige straatzijde en achterzijde.
  • c. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 23.5.1 onder g, h en i wordt uitsluitend verleend, indien onverkort vasthouden aan de minimum plafondhoogte, gelet op de specifieke situatie ter plaatse van het betreffende gebouw, tot gevolg zou hebben dat er een onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld.
  • d. Alvorens een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 23.5.1 onder g, h en i te verlenen vragen burgemeester en wethouders advies aan de stadsbouwmeester. Burgemeester en wethouders kunnen naar aanleiding van het advies voorwaarden stellen aan de te verlenen omgevingsvergunning.
  • e. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 23.5.1 onder j wordt uitsluitend verleend in de situatie dat realisatie van de hoofdentree direct aan openbaar toegankelijk gebied gelet op de specifieke ruimtelijk-stedenbouwkundige situatie ter plaatse redelijkerwijs niet mogelijk of niet wenselijk is dan wel in het geval reeds een bestaande hoofdentree aanwezig is die niet direct toegankelijk is via het openbaar toegankelijk gebied.
  • f. Alvorens een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 23.5.1 onder k te verlenen vragen burgemeester en wethouders schriftelijk advies aan de eigenaar / beheerder van het betreffende openbaar toegankelijk gebied. Burgemeester en wethouders kunnen naar aanleiding van het advies voorwaarden stellen aan de te verlenen omgevingsvergunning.

23.5.3 Randvoorwaarden

De in lid 23.5.1 genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 24 Algemene gebruiksregels

24.1 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken, te laten gebruiken of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemmingen, tenzij voor dit afwijkende gebruik op grond van de regels in dit plan een omgevingsvergunning is verleend.

Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a onder 2° van de Wet op de economische delicten.

24.2 Beroep of bedrijf aan huis
24.2.1 Regeling beroep of bedrijf aan huis

Voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis in samenhang met wonen gelden de volgende regels:

  • a. het maximum vloeroppervlak voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis is afhankelijk van het woonmilieu en de daarbij behorende categorie-indeling, zoals opgenomen in de beleidsregel "Functiemenging per woonmilieu" dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde respectievelijk vervangende beleidsregel;
  • b. indien in de onder a bedoelde van toepassing zijnde categorie een maximum percentage is genoemd geldt dit voor het totale vloeroppervlak van de woning, met inbegrip van de daarbij behorende bergruimten en andere ruimten;
  • c. bedrijfsmatige activiteiten zijn beperkt tot ambachtelijke bedrijvigheid en bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in de hoofdgroep Dienstverlening van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1);
  • d. buitenopslag en bedrijfsmatige activiteiten in de openbare ruimte, anders dan laden en lossen, zijn niet toegestaan;
  • e. de uitoefening van detailhandels- en/of horeca-activiteiten is niet toegestaan.

24.2.2 Afwijkingsregels beroep of bedrijf aan huis

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 24.2.1, onder a, voor het toestaan van een groter vloeroppervlak voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis;
  • b. lid 24.2.1, onder c, ten behoeve van de uitoefening van een bedrijfsactiviteit aan huis, die niet is genoemd in de hoofdgroep Dienstverlening van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) mits die bedrijfsactiviteit, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in deze hoofdgroep.
  • c. lid 24.2.1, onder c, ten behoeve van de uitoefening van een bedrijfsactiviteit aan huis, die is genoemd in categorie A van de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1), met uitzondering van risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven, mits die bedrijfsactiviteit, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met de in lid 24.2.1 onder c toegestane bedrijfsactiviteiten aan huis en wordt voldaan aan de overige bepalingen in lid 24.2.1;
  • d. lid 24.2.1, onder c, ten behoeve van de uitoefening van een bedrijfsactiviteit aan huis, die niet is genoemd in categorie A van de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1), met uitzondering van risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, garagebedrijven en vuurwerkbedrijven, mits die bedrijfsactiviteit, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met de in lid 24.2.1 onder c toegestane bedrijfsactiviteiten aan huis en wordt voldaan aan de overige bepalingen in lid 24.2.1.
24.3 Ondergeschikt medegebruik voor detailhandel
  • a. Kleinschalig ondergeschikt medegebruik voor detailhandelsactiviteiten van horecapanden, panden met een bestemming of aanduiding 'cultuur & ontspanning', panden met een aanduiding 'atelier' en panden met een aanduiding voor ambachtelijke bedrijvigheid en/of publieksgerichte dienstverlening is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
    • 1. de detailhandelsactiviteiten zijn in overeenstemming met het bepaalde in artikel 1.54;
    • 2. het maximum gebruiksoppervlak van de aan de hoofdfunctie ondergeschikte detailhandelsactiviteiten bedraagt 40% van het voor consumenten toegankelijke vloeroppervlak van de hoofdfunctie, tot een maximum van 200 m2.
    • 3. Indien ter plaatse naast detailhandelsactiviteiten tevens sprake is van kleinschalige ondergeschikte horeca geldt het onder a.2 genoemde maximum gebruiksoppervlak als maximum gebruiksoppervlak voor beide ondergeschikte functies gezamenlijk.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a.2 en een gebruiksoppervlak groter dan 200 m2 toestaan, met inachtneming van het bepaalde onder a.3 en tot een maximum van 10% van het totale voor consumenten toegankelijke vloeroppervlak van de hoofdfunctie, indien dit 2000 m2 of meer bedraagt.
24.4 Ondergeschikt medegebruik voor horeca
  • a. Kleinschalig ondergeschikt medegebruik voor horeca-activiteiten van winkelpanden, panden met een bestemming of aanduiding 'cultuur & ontspanning', panden met een aanduiding 'atelier' en panden met een aanduiding voor ambachtelijke bedrijvigheid en/of publieksgerichte dienstverlening is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
    • 1. de horeca-activiteiten zijn in overeenstemming met het bepaalde in artikel 1.55;
    • 2. de horeca-activiteiten in winkels en publieksgerichte dienstverlening zijn uitsluitend toegestaan op de begane grond, tenzij ter plaatse op de verbeelding met een aanduiding is weergegeven dat detailhandel en/of publieksgerichte dienstverlening tevens op de verdieping(en) is toegestaan. In dat geval zijn ook de horeca-activiteiten tevens op de verdieping(en) toegestaan;
    • 3. het maximum gebruiksoppervlak van de aan de hoofdfunctie ondergeschikte horeca-activiteiten bedraagt 40% van het voor consumenten toegankelijke vloeroppervlak van de hoofdfunctie, tot een maximum van 200 m2 ;
    • 4. Indien ter plaatse naast horeca-activiteiten tevens sprake is van kleinschalige ondergeschikte detailhandel geldt het onder a.3 genoemde maximum gebruiksoppervlak als maximum gebruiksoppervlak voor beide ondergeschikte functies gezamenlijk.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a.3 en een gebruiksoppervlak groter dan 200 m2 toestaan, met inachtneming van het bepaalde onder a.4 en tot een maximum van 10% van het totale voor consumenten toegankelijke vloeroppervlak van de hoofdfunctie, indien dit 2000 m2 of meer bedraagt.
24.5 Tijdelijk afwijkend gebruik

Het tijdelijk in afwijking van de geldende bestemming gebruiken van leegstaande winkel- of horecapanden en van braakliggende terreinen voor culturele activiteiten en bij als en is toegestaan, onder de volgende voorwaarden:

  • a. voor het tijdelijk afwijkende gebruik is toestemming verleend door de eigenaar van het pand of terrein;
  • b. de duur van het tijdelijk afwijkend gebruik bedraagt maximaal 1 jaar;
  • c. er is geen sprake van verkeersaantrekkende activiteiten, die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • d. er is geen sprake van detailhandel en/of horeca, tenzij sprake is van kleinschalige ondergeschikte horeca- of detailhandelsactiviteiten als bedoeld in artikel 1.55;
  • e. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeersveiligheid;
    • 4. de parkeerdruk op de openbare ruimte;
    • 5. de sociale veiligheid;
    • 6. de milieusituatie;
    • 7. de monumentale of cultuurhistorische waarde;
    • 8. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
24.6 Verbod verkoop, vervaardiging, verwerking en opslag van vuurwerk
  • a. Het is verboden om de in dit plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken voor opslag, groothandel, verwerking en/of vervaardiging van vuurwerk.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a is de verkoop met opslag van consumentenvuurwerk wel toegestaan op gronden met de bestemmingen 'Centrum', 'Detailhandel' en 'Gemengd 1' en op gronden met de functieaanduiding 'detailhandel'.
  • c. De verkoop met opslag van consumentenvuurwerk als bedoeld onder b is alleen toegestaan onder de volgende voorwaarden:
    • 1. voor de opslag van consumentenvuurwerk geldt een maximum van 10.000 kg;
    • 2. er wordt voldaan aan de minimale veiligheidsafstanden tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten die genoemd zijn in het Vuurwerkbesluit.

Artikel 25 Algemene aanduidingsregels

25.1 Wetgevingszones - wijzigingsgebied met vermelding van volgnummer
25.1.1 wetgevingszone - wijzigingsgebied 1

Ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 1" zijn burgemeester en wethouders bevoegd om met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming te wijzigen in 'Wonen', al dan niet met handhaving van de ter plaatse geldende functieaanduidingen "detailhandel", "dienstverlening" en "maatschappelijk".

Voor een wijzigingsplan als bedoeld in dit lid gelden de volgende functionele en stedenbouwkundige eisen:

  • de maximum bouwhoogte bedraagt 21 meter;
  • commerciële en maatschappelijke functies zijn uitsluitend toegestaan op de begane grond;
  • parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden, bij voorkeur te realiseren geheel of gedeeltelijk beneden maaiveld.
25.1.2 Toepassingscriteria

Een wijzigingsplan als bedoeld in lid 25.1.1 kan niet eerder worden vastgesteld dan nadat:

  • a. in eventueel noodzakelijk aanvullend bodemonderzoek is aangetoond dat de kwaliteit van de bodem voldoende geschikt is voor het realiseren van de beoogde functie(s) en dat eventueel noodzakelijke maatregelen, waaronder de afvoer van vrijkomende verontreinigde grond, technisch en financieel kunnen worden uitgevoerd;
  • b. is aangetoond dat kan worden voldaan aan de gemeentelijke algemene randvoorwaarden en uitgangspunten voor een duurzame waterhuishouding;
  • c. voor zover noodzakelijk hogere grenswaarden als bedoeld in de Wet geluidhinder zijn vastgesteld en is aangetoond dat eventueel noodzakelijke geluidreducerende maatregelen technisch en financieel kunnen uitgevoerd;
  • d. is onderzocht of realisatie van het plan leidt tot verstoring of vernietiging van vaste rust- of verblijfplaatsen en/of functioneel leefgebied van op grond van de Wet natuurbescherming beschermde planten- en diersoorten en indien dit het geval is, of ten behoeve van deze ontwikkeling een ontheffing wet natuurbescherming noodzakelijk is en zo ja, of deze naar verwachting verleend zal kunnen worden;
  • e. is aangetoond dat het gemeentelijk kostenverhaal in voldoende mate anderszins verzekerd is.
25.1.3 Randvoorwaarden

Burgemeester en wethouders kunnen uitsluitend toepassing geven aan de in lid 25.1.1 genoemde wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

25.2 Overige zones
25.2.1 archeologisch waardevol gebied
a Bouwen van bouwwerken

Ter plaatse van de aanduiding "archeologisch waardevol gebied" gelden voor het bouwen van bouwwerken de volgende bepalingen:

  • a. voor het bouwen van bouwwerken met een bodemverstoring tot 40 cm beneden maaiveld en met een bodemverstoringsoppervlakte tot 50 m2 gelden geen beperkingen ten opzichte van de bouwregels behorende bij de daar voorkomende bestemming(en);
  • b. voor het bouwen van bouwwerken met een bodemverstoring van 40 cm en dieper beneden maaiveld en met een verstoringsoppervlakte van 50 m2 en meer kunnen burgemeester en wethouders uitsluitend een omgevingsvergunning verlenen indien op basis van een archeologisch rapport wordt aangetoond dat:
    • 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgelegd, en;
    • 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel;
    • 3. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
  • c. De in dit lid onder b genoemde omgevingsvergunning is niet van toepassing op het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bebouwing, waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
  • d. Bij de in dit lid onder b genoemde omgevingsvergunning kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is indien de grond ter plaatse reeds zodanig is geroerd dat er feitelijk geen sprake meer kan zijn aantasting van mogelijk aanwezige archeologische waarden.
  • e. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning als bedoeld in dit lid onder b, één of meerdere van de hierna genoemde voorwaarden verbinden indien uit het in dit lid onder b bedoelde rapport blijkt dat door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden zullen worden verstoord:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen overeenkomstig een daartoe door burgemeester en wethouders vastgesteld Programma van Eisen;
    • 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

b Uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "archeologisch waardevol gebied" is ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden het uitvoeren van de hierna genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden alleen toegestaan overeenkomstig een door burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning:
    • 1. het ophogen van de bodem;
    • 2. het verlagen van het grondwaterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding "archeologisch waardevol gebied" is ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden het uitvoeren van de hierna genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, voor zover deze dieper reiken dan 40 cm beneden maaiveld, alleen toegestaan overeenkomstig een door burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning:
    • 1. het verlagen van de bodem of het afgraven van gronden;
    • 2. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen;
    • 3. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    • 4. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatie- of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies;
    • 5. het aanbrengen van constructies die verband houden met bovengrondse leidingen;
    • 6. het graven, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
    • 7. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
    • 8. het aanbrengen van funderingen op een andere wijze dan door het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het indrijven van objecten in de bodem;
    • 9. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
    • 10. bomen en/of diepwortelende beplanting aan te brengen;
    • 11. alle overige werken of werkzaamheden die de aanwezige archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten.
  • c. De in dit lid onder a en b genoemde omgevingsvergunningen zijn niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
    • 1. het normale onderhoud, gebruik of beheer betreffen;
    • 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
    • 3. worden uitgevoerd in het kader van onderzoek naar de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen.
  • d. Alvorens een omgevingsvergunning als bedoeld in dit lid onder a en b wordt verleend, dient door de aanvrager een archeologisch onderzoeksrapport te worden overgelegd waarin naar het oordeel van burgemeester en wethouders:
    • 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgelegd, en;
    • 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel;
    • 3. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
  • e. Bij de in dit lid onder a en b genoemde omgevingsvergunningen kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is indien de grond ter plaatse reeds zodanig is geroerd dat er feitelijk geen sprake meer kan zijn aantasting van mogelijk aanwezige archeologische waarden.
  • f. Indien uit het in dit lid onder d genoemde archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders na advies van de regio-archeoloog één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

c Slopen van bouwwerken
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "archeologisch waardevol gebied" is ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden het geheel of gedeeltelijk slopen van bouwwerken op of in gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie" alleen toegestaan overeenkomstig een door burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning.
  • b. De in dit lid onder a genoemde omgevingsvergunning is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden tot 30 cm boven maaiveld.
  • c. Bij de in dit lid onder a genoemde omgevingsvergunning kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn indien de grond ter plaatse reeds zodanig is geroerd dat er feitelijk geen sprake meer kan zijn aantasting van mogelijk aanwezige archeologische waarden.
  • d. Aan de omgevingsvergunning, als bedoeld in dit lid onder a, kunnen burgemeester en wethouders de regel verbinden dat de sloopwerken vanaf maaiveld en dieper worden begeleid door een gekwalificeerd deskundige.
  • e. Indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van archeologische waarde worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gedaan bij burgemeester en wethouders, die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende regels kunnen verbinden aan de omgevingsvergunning.
25.2.2 archeologisch onderzoeksgebied b
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "archeologisch onderzoeksgebied b” mogen, in afwijking van het bepaalde elders in de regels van dit plan, geen bouwwerken worden gebouwd en/of werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden worden uitgevoerd die een bodemverstoring veroorzaken dieper dan 50 cm onder het maaiveld en met een bodemverstoringsoppervlakte meer dan 2.500 m².
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a voor de bouw van bouwwerken of uitvoering van werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden ten behoeve van de daar voorkomende bestemming(en), indien uit archeologisch vooronderzoek blijkt dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn dan wel indien daardoor geen onevenredige aantasting plaats vindt van de aanwezige archeologische waarden.
  • c. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afzien van het laten uitvoeren van archeologisch vooronderzoek als bedoeld onder b indien zij van oordeel zijn dat door bodemingrepen het terrein ter plaatse reeds zodanig is verstoord dat er redelijkerwijs geen sprake meer is van mogelijke aantasting van archeologische waarden.
  • d. Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door:
    • 1. de aanduiding “archeologisch onderzoeksgebied b” geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betreffende locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
    • 2. aan gronden de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" toe te kennen ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betreffende locatie archeologische waarden aanwezig zijn waarvoor op grond van de Erfgoedwet in het bestemmingsplan een beschermende bestemmingsregeling dient te worden opgenomen.
25.2.3 cultuurhistorisch attentiegebied
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorisch attentiegebied' zijn de gronden tevens aangewezen voor het behoud, herstel en versterking van de aanwezige cultuurhistorische waarden.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorisch attentiegebied' is het aanbrengen van wijzigingen in de karakteristieke hoofdvorm van de beeldbepalende en structuurbepalende gebouwen en bijzondere complexen zoals weergegeven op kaartbijlage 4 alleen toegestaan overeenkomstig een door burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning.
  • c. Bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld onder b wordt getoetst aan de beleidsregel 'Koesteren cultuurhistorie' dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde respectievelijk vervangende beleidsregel;
  • d. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder b is niet vereist voor werken en werkzaamheden:
    • 1. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning is verleend;
    • 2. die ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren;
    • 3. die van geringe omvang zijn, dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen.
  • e. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning als bedoeld onder b verplichten dat een cultuurhistorisch onderzoek wordt uitgevoerd zoals bedoeld in de beleidsregel 'Koesteren cultuurhistorie' dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, deze gewijzigde respectievelijk vervangende beleidsregel.
  • f. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder b wordt in ieder geval verleend in de volgende gevallen:
    • 1. de karakteristieke hoofdvorm is niet langer aanwezig en kan niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw worden hersteld;
    • 2. de karakteristieke hoofdvorm is in redelijkheid niet langer te handhaven;
    • 3. het betreft delen van een gebouw of ander bijbehorend bouwwerk, die op zichzelf niet als karakteristiek zijn aan te merken en door verbouw daarvan vindt geen onevenredige aantasting plaats van de karakteristieke hoofdvorm.
  • g. Alvorens een omgevingsvergunning als bedoeld onder b wordt verleend, vragen burgemeester en wethouders advies aan de cultuurhistorisch deskundige.
  • h. Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door:
    • 1. de aanduiding "cultuurhistorisch attentiegebied” geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van nader cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat op de betreffende locatie geen cultuurhistorische waarden (meer) aanwezig zijn;
    • 2. de kaartbijlage 'Cultuurhistorisch Attentiegebied' in bijlage 4 te wijzigen door het verwijderen van een of meer panden dan wel door het toevoegen van een of meer panden, indien dit noodzakelijk is als gevolg van nader cultuurhistorisch onderzoek en/of een wijziging van het cultuurhistoriebeleid.
25.2.4 horecaconcentratiegebied
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "horecaconcentratiegebied" op gronden met de bestemming Centrum:
    • 1. zijn de gronden in aanvulling op het bepaalde in artikel 4.1 onder a tevens aangewezen voor horeca in categorieën 2a, 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2);
    • 2. kunnen burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.1 onder a, voor het toestaan van horeca in de categorieën 1a en 1b van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2).
  • b. Ter plaatse van de aanduiding "horecaconcentratiegebied" op gronden met de bestemming "Detailhandel":
    • 1. zijn de gronden in afwijking van het bepaalde in artikel 6.1 onder a tevens aangewezen voor horeca in categorieën 2a, 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2);
    • 2. kunnen burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.1 onder a, voor het toestaan van horeca in de categorieën 1a en 1b van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2).

De in dit lid genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
25.2.5 horecaontwikkelingsgebied
  • a. Ter plaatse van de aanduiding "horecaontwikkelingsgebied" op gronden met de bestemming "Centrum":
    • 1. zijn de gronden in aanvulling op het bepaalde in artikel 4.1 onder a tevens aangewezen voor horeca in de categorieën 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2);
    • 2. kunnen burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.1 onder a, voor het toestaan van horeca in categorie 2a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2);
  • b. Ter plaatse van de aanduiding "horecaontwikkelingsgebied" op gronden met de bestemming "Gemengd - 1" kunnen burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.1 onder a, voor het toestaan van horeca in categorie 2a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2).
  • c. Ter plaatse van de aanduiding "horecaontwikkelingsgebied" op gronden met de bestemmingen "Detailhandel", "Kantoor", "Verkeer - Openbaar Vervoer Station" en "Wonen" kunnen burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de respectievelijke artikelen 6.1 onder a, 12.1 onder a, 15.1 onder a en 20.1 onder a, voor het toestaan van horeca in de categorieën 2b en 3a van de bij deze regels behorende Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2).

De in dit lid genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
25.2.6 gebied minimum gebruiksoppervlak
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'gebied minimum gebruiksoppervlak' bedraagt het gebruiksoppervlak van woningen, in afwijking van het bepaalde elders in de regels van dit plan, tenminste 50 m2.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a en toestaan dat een woning met een kleiner gebruiksoppervlak dan 50 m2 wordt gerealiseerd.
  • c. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder b wordt uitsluitend verleend in de hierna genoemde categorieën van gevallen:
    • 1. woningen boven winkels en andere commerciële ruimten of boven culturele dan wel maatschappelijke voorzieningen: indien de oppervlakte van de beschikbare woonruimte aantoonbaar te klein is om een woning met een gebruiksoppervlak van tenminste 50 m2 te realiseren;
    • 2. woningen voor specifieke doelgroepen: indien voor de betreffende doelgroep naar redelijkheid en billijkheid een kwalitatief goed woon- en leefklimaat gerealiseerd kan worden in een woning met een kleiner gebruiksoppervlak dan 50 m2 en voor deze doelgroep nog geen of onvoldoende geschikte woonruimte aanwezig is.

Artikel 26 Algemene afwijkingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit plan:

  • a. voor het afwijken van de in het plan voorgeschreven maten, afmetingen en percentages met ten hoogste 10%, met dien verstande dat deze afwijkingsbevoegdheid niet mag worden toegepast in combinatie met de afwijkingsbevoegdheden voor een afwijkende plafondhoogte van benedenverdiepingen in artikel 23.5.1 onder h, i en j;
  • b. voor het afwijken van de in het plan voorgeschreven maten, afmetingen, percentages en bouwgrenzen voor het realiseren van energie besparende voorzieningen aan een gebouw;
  • c. voor het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of verkeersintensiteit daartoe aanleiding geeft;
  • d. voor het uitvoeren van een bouwplan, indien op grond van de definitieve uitmeting of in verband met de verkaveling of situering blijkt dat aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk zou zijn en de afwijking van zodanig ondergeschikte aard blijft, dat de structuur van het bestemmingsplan niet wordt aangetast;
  • e. voor de bouw van antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie en overige antennes, zend- en sirenemasten tot een bouwhoogte van maximaal 15 meter;
  • f. voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van maximaal 10 meter, met uitzondering van erf- en perceelsafscheidingen;
  • g. voor het realiseren van luifels aan een gebouw boven openbaar toegankelijk gebied;
  • h. voor het realiseren van balkons, galerijen en andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw boven openbaar toegankelijk gebied;
  • i. voor het realiseren van brandtrappen en andere ondergeschikte bouwdelen aan of op een gebouw boven openbaar toegankelijk gebied.

De in dit artikel genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 27 Algemene wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen:

  • a. voor het aanpassen van de Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) van deze regels ten behoeve van het verschuiven van soorten bedrijven en/of voorzieningen naar een lagere of hogere categorie, indien dit uit het oogpunt van milieuhygiëne dan wel als gevolg van technische ontwikkelingen wenselijk of noodzakelijk is;
  • b. voor het wijzigen van de Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1) van deze regels door het aanvullen met nieuwe bedrijven of voorzieningen en/of het verwijderen van bestaande bedrijven of voorzieningen. Indien bedrijven of voorzieningen in de lijst worden opgenomen, worden zij gerangschikt onder die categorie, waarmee zij, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving het meest vergelijkbaar zijn;
  • c. voor het wijzigen van de Categorie-indeling horecabedrijven Binnenstad (bijlage 2) van deze regels, indien dit als gevolg van een wijziging van het gemeentelijk horecabeleid en de planologisch-juridische vertaling daarvan in het plan wenselijk of noodzakelijk is;
  • d. voor een wijziging in de situering van bestemmingsgrenzen en bouwvlakken, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken, dat verschuivingen in verband met ingekomen bouwplannen wenselijk of noodzakelijk zijn, mits de bestemmingsgrenzen of bouwgrenzen niet meer dan 5 meter worden verschoven;
  • e. voor het wijzigen van de voorgeschreven maten, afmetingen en percentages met ten hoogste 20%;
  • f. voor het bouwen van vrijstaande antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie met een maximum bouwhoogte van 50 meter;
  • g. voor het bouwen van zend- en sirenemasten met een maximum bouwhoogte van 50 meter.

De in dit artikel genoemde wijzigingsbevoegdheden worden uitsluitend toegepast onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • het woon- en leefklimaat;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de monumentale of cultuurhistorische waarde;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 28 Algemene procedureregels

28.1 Procedureregels wijziging

Bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid zoals bedoeld in deze regels, gelden de procedureregels zoals voorgeschreven in artikel 3.9a, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening, met dien verstande dat:

  • a. indien het een besluit op aanvraag betreft, burgemeester en wethouders de aanvrager zo nodig in de gelegenheid stellen te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen;
  • b. indien tegen het ontwerp-besluit zienswijzen naar voren zijn gebracht, het besluit tot het al dan niet vaststellen van de wijziging met redenen wordt omkleed;
  • c. burgemeester en wethouders het besluit tot het al dan niet vaststellen van de wijziging bekend maken aan de aanvrager en eventuele indieners van zienswijzen.

Artikel 29 Overige regels

29.1 Parkeren en laden en lossen
29.1.1 Parkeerregels
  • a. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, dient, onverminderd het bepaalde elders in de regels van dit plan, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's overeenkomstig de parkeerkencijfers van het CROW in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
  • b. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet, onverminderd het bepaalde elders in de regels van dit plan, in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
29.1.2 Uitzondering op de parkeerregels

Het bepaalde in lid 29.1.1 geldt niet voor gebouwen die zijn gelegen aan openbaar toegankelijk gebied met de bestemming 'Verkeer - Stadserf'.

29.1.3 Afwijken van de parkeerregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 29.1.1:

  • a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
  • b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
29.2 Geluidzoneringsplichtige inrichtingen

De vestiging van geluidzoneringsplichtige inrichtingen op gronden die niet zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder en voor zover dit in de regels van de betreffende bestemmingen en aanduidingen niet reeds expliciet is uitgesloten, is niet toegestaan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 30 Overgangsrecht

30.1 Overgangsrecht bouwwerken
30.1.1 Overgangsbepaling

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
30.1.2 Afwijken

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde in lid 30.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

30.1.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Lid 30.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

30.2 Overgangsrecht gebruik
30.2.1 Overgangsbepaling

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

30.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 30.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

30.2.3 Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in lid 30.2.1, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

30.2.4 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Lid 30.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 31 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan "Binnenstad 2016".