direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Zonneparken gemeente Stadskanaal
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0037.TAMOP2502-vs01

Regels

Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het corrigeren van de regels voor verleende tijdelijke zonneparken als opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Stadskanaal als verwoord in het Chw-bestemmingsplan gemeente Stadskanaal van 8 april 2024 op de locatie van TAM-omgevingsplan Zonneparken gemeente Stadskanaal die is voorzien van de functies:

In de verbeelding behorende bij dit plan en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22d) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Stadskanaal. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.omgevingswet.overheid.nl.

De in deze wijziging uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22d van het omgevingsplan van de gemeente Stadskanaal. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage [22d] gelezen worden. Bijlagen 1 (Lijst SBI), 2 (Kaart landschappelijke waarden), 3 (Lijst percelen landschappelijke inpassing), en 4 (Welstandsnota) uit dit TAM-omgevingsplan zonneparken gemeente Stadskanaal zijn gelijk aan bijlagen 1, 4, 5 en 7 uit het Chw-bestemmingsplan gemeente Stadskanaal.

In de in dit deel weergegeven artikelen moet in de artikel kop na het woord 'Artikel' en de spatie en direct voor het artikelnummer '22d.' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in het vigerende bestemmingsplan op de locatie bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan Zonneparken gemeente Stadskanaal;
  • 2. De regels in hoofdstuk 22 (zijnde de Bruidsschat) blijven van toepassing en zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan Zonneparken gemeente Stadskanaal gaan de regels uit hoofdstuk 22 voor.
  • 3. De regels in dit TAM-omgevingsplan Zonneparken gemeente Stadskanaal zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Zonneparken gemeente Stadskanaal, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0037.TAMOP2502-vs01

Artikel 2 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. Daarnaast geldt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit de aanvrager dient te motiveren waarom hij/zij van oordeel is dat voldaan wordt aan de beoordelingsregels.

Artikel 3 Algemene begripsbepalingen

 Begripsbepalingen die zijn opgenomen in:

  • a. bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • b. bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
  • c. bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving
  • d. bijlage I bij het Omgevingsbesluit; en
  • e. bijlage I bij de Omgevingsregeling;

zijn van toepassing op dit hoofdstuk

Artikel 4 Aanvullende begripsbepalingen

In deze regels wordt verstaan onder:

4.1 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan Zonneparken gemeente Stadskanaal met identificatienummer NL.IMRO.0037.TAMOP2502-vs01 van de gemeente Stadskanaal;

4.2 Omgevingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

4.3 aan- of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk

een bijbehorend bouwwerk dat in directe fysieke verbinding staat met het hoofdgebouw waaraan het wordt aan- of uitgebouwd. Een aangebouwd bijbehorend bouwwerk houdt een toevoeging in van een afzonderlijke ruimte behorende bij een hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel, terwijl een uitgebouwd bijbehorend bouwwerk een vergroting van een bestaande ruimte is;

4.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

4.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

4.6 aanleggelegenheid

gelegenheid voor het afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, gedurende de tijd die daadwerkelijk gebruikt wordt voor een recreatief verblijf op of in de omgeving van het vaartuig;

4.7 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren;

4.8 agrarisch bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond waarop volgens de regels van een bestemmingsplan zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan;

4.9 agrarisch grondgebruik

een agrarische activiteit ten behoeve van agrarisch doelmatig gebruik of agrarisch hobbymatig gebruik, waarvan de productie afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond. Onder agrarisch grondgebruik wordt tevens verstaan het gebruik van agrarische gronden buiten gebouwen voor intensieve agrarische activiteiten, zoals uitloop voor (pluim)vee;

4.10 agrarische bedrijfsvoering

een bedrijfsvoering gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van vee;

4.11 appartement

het geheel van bijbehorende vertrekken als afzonderlijk gemeubileerde woongelegenheid, bedoeld voor verblijfsrecreatie, in een groter gebouw;

4.12 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

4.13 bed & breakfast

een bedrijfsmatige voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt als toeristisch-recreatieve activiteit, welke bedrijfsmatige voorziening ondergeschikt is aan de hoofdfunctie;

4.14 bedrijfsgebouw

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

4.15 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

4.16 beperkt kwetsbaar object

een object zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden, met dien verstande dat conform artikel 1 lid 2 Bevi de eigen inrichting niet onder de bescherming valt;

4.17 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte

de totale bruto vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, een (dienstverlenend) bedrijf en/of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke

4.18 beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis

beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten, die door hun beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend, zoals aangegeven in bijlage Aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

4.19 bestaand
  • 1. bij bouwwerken: een legaal bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, tenzij in de regels anders is bepaald
  • 2. bij gebruik: het legaal gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald.
4.20 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

4.21 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

4.22 bijbehorend bouwwerk

een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw/bedrijfswoning verbonden, daar al dan niet tegenaan gebouwd(e) gebouw of overkapping;

4.23 bijboot

een licht vaartuig, waarvan de bovenkant niet hoger is dan 1,5 meter boven de waterlijn en de oppervlakte niet groter is dan 15 m²;

4.24 biomassavergistingscentrale

een installatie die is gericht op de vergisting van biomassa met als doel het opwekken van duurzame energie;

4.25 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

4.26 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

4.27 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

4.28 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

4.29 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel;

4.30 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

4.31 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

4.32 chalet

een verblijf bestaande uit een lichte constructie en uit lichte (houten) materialen, niet zijnde een kampeermiddel, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief dag- en/of nachtverblijf;

4.33 conferentiepark

een sport-, recreatie- en congrescentrum met bijbehorende voorzieningen in de vorm van verblijfsaccommodatie, een kampeerterrein en daaraan ondersteunende voorzieningen;

4.34 cultuurgrond

grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden;

4.35 dagrecreatie

activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie;

4.36 (dag)recreatief medegebruik

een (dag)recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;

4.37 dagrecreatieve voorzieningen

openbaar toegankelijke voorzieningen ten behoeve van recreatief gebruik zoals voet-, fiets- en ruiterpaden, picknickplaatsen, parkeervoorzieningen, visoevers en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen;

4.38 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

4.39 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waaronder e-commerce niet is begrepen zonder showroom en toonbankfunctie;

4.40 dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling

een bedrijf of instelling, waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van diensten op administratief, adviesgevend, financieel, informatietechn(olog)isch, intermediair, juridisch, (lichaams)verzorgend, ontwerptechnisch, (para)medisch, therapeutisch of daarmee gelijk te stellen terrein, alsmede uitzend- en/of detacheringsbedrijven en uitleen- en/of verhuurbedrijven in kleinschalige roerende goederen, zoals bibliotheken, waaronder niet wordt begrepen seksinrichtingen, uitleen- en verhuurbedrijven in grootschalige roerende goederen, zoals transportmiddelen, machines of werktuigen en reparatie- en herstelbedrijven, waaronder een garagebedrijf;

4.41 dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder belwinkel en internetverkeer, met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;

4.42 dunning

velling die geschiedt als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van overblijvende houtopstand;

4.43 e - commerce

het doen van zakelijke transacties waarbij de interactie tussen de partijen elektronisch plaatsvindt en de daarbij behorende opslag en verzendfaciliteiten;

4.44 eerste bouwlaag

de bouwlaag op de begane grond;

4.45 erf

een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

4.46 erker

een hoek- of rondvormig uitgebouwd deel van een hoofdgebouw, bouwkundig bestaande uit een 'lichte' constructie met een overwegend transparante uitstraling;

4.47 evenement
  • a. elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
    • 1. bioscoopvoorstellingen;
    • 2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;
    • 3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
    • 4. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
    • 5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
    • 6. activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.1a en een snuffelmarkt als bedoeld in artikel 5.2.4 van de van de geldende Algemene plaatselijke verordening gemeente Stadskanaal;
  • b. onder een evenement wordt in ieder geval verstaan voor het publiek toegankelijke verrichtingen van vermaak op het gebied van kunst, ontwikkeling, ontspanning, sport of vermaak alsmede herdenkingsplechtigheden, tentoonstellingen, optochten (niet zijnde een betoging als bedoeld onder artikel 2.1.2.2 uit de geldende Algemene Plaatselijke Verordening Stadskanaal), kermissen, circussen, filmopnamen, feesten, braderieën en dergelijke;
4.48 gebouw

elk bouwwerk, dat voor een mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

4.49 geluidsbelasting

de geluidsbelasting vanwege een weg, een industrieterrein en/of een spoorweg;

4.50 geluidsgevoelige objecten

gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder;

4.51 geluidszoneringsplichtige inrichting

een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een geluidszone moet worden vastgesteld;

4.52 geurgevoelig object

gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt;

4.53 groepsaccommodatie

een voorziening ten behoeve van verblijfsrecreatie voor groepen van personen, daaronder begrepen voorzieningen die rechtstreeks ten dienste staan van en rechtstreeks verband houden met de verblijfsrecreatie;

4.54 grondgebonden agrarische bedrijvigheid

een agrarische bedrijfsvoering gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van vee, nader te onderscheiden in:

  • a. akker- en tuinbouw op open grond: de teelt van gewassen op open grond;
  • b. veehouderijbedrijf op open grond: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel met gebruikmaking van de open grond.
4.55 groothandelcentra

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstraling ten verkoop, het verkopen en / of het leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit;

4.56 grootschalige sportactiviteit

voorzieningen en accommodaties ten behoeve van sportieve activiteiten en spel die door hun omvang en ruimtebehoefte, voor zowel de activiteiten als het parkeren, niet passen binnen centrum- en woongebieden zoals een gymhal, bowlingbanen, indoorcarting, skihal en daarmee voor wat betreft de invloed op de omgeving te vergelijken voorzieningen;

4.57 hakhout

één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

4.58 handelsreclame

iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

4.59 hobbymatig agrarisch gebruik

niet bedrijfsmatig agrarisch grondgebruik;

4.60 hogere grenswaarde

een bij een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder;

4.61 hoofdgebouw

een gebouw, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

4.62 horecabedrijf

een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een seksinrichting;

4.63 horecabedrijf categorie 1

een horecabedrijf dat vooral is gericht op het overdag en 's-avonds verstrekken van in hoofdzaak alcoholvrije dranken en eenvoudige etenswaren, zoals ijssalons, croissanterieën, lunchrooms, cafetaria's en snackbars;

4.64 horecabedrijf categorie 2

een horecabedrijf met een in het algemeen hoge bezoekersfrequentie gedurende de avond, dat voornamelijk is gericht op het verstrekken van maaltijden en/of (alcoholische) dranken, zoals een bar, (grand)café, feestcafé, eetcafé, restaurant, café-restaurant en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen horecabedrijf;

4.65 horecabedrijf categorie 3

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse, waarbij het beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dansen wezenlijke onderdelen vormen, zoals discotheken, dancings en nachtclubs

4.66 horecabedrijf categorie 4

een horecabedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van logies zoals hotels en pensions al dan niet in combinatie met een restaurant of een café-restaurant;

4.67 houtopstand

zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die:

  • 1. een oppervlakte van grond beslaat van tien are of meer, of
  • 2. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.
4.68 houtteelt

de teelt van bomen vanwege de houtproductie;

4.69 huishouden

persoon of groep personen, die een huishouden voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling daarvan;

4.70 intensieve veehouderij

agrarische bedrijfsvoering, zelfstandig of als neventak, gericht op het geheel of nagenoeg geheel in gebouwen houden van varkens, pluimvee, vleeskalveren en vleesstieren alsmede pelsdieren, met uitzondering van geitenhouderijen en het biologisch houden van dieren overeenkomstig de geldende biologische regelgeving;

4.71 kampeermiddel

een onderkomen dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatief verblijf, maar zonder een met de grond verbonden constructie en zonder een plaatsgebonden karakter, waaronder wordt begrepen:

  • 1. een tent, een tentwagen, een kampeerauto/camper of een caravan;
  • 2. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde;
  • 3. één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
4.72 kampeerplaats

een standplaats voor een kampeermiddel;

4.73 kampeerterrein

een terrein ter beschikking gesteld voor het plaatsen dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen;

4.74 kantoor

het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen waaronder congres- en vergaderaccommodaties;

4.75 karakteristiek gebouw

gebouw dat van cultuurhistorische waarde is op grond van karakteristieke hoofdvorm, architectuur, landschappelijke en/of stedenbouwkundige situering, en een bijdrage levert aan de herkenbaarheid van de omgeving, gaafheid of zeldzaamheid;

4.76 karakteristieke hoofdvorm

ruimtelijke verschijningsvorm van een gebouw zoals die wordt bepaald door bouwmassa naar hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen, dakvorm, nokrichting, dakoverstekken, goothoogte, daklijsten en schoorstenen, erkers en balkons;

4.77 kas

een bouwwerken, niet zijnde een tunnelkas of een naar de aard daarmee vergelijkbaar bouwwerk, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander licht doorlaten materiaal, dienend tot het kweken van groente, vruchten, bloemen of planten;

4.78 kleinschalige duurzame energiewinning

energie die gewonnen wordt uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, niet zijnde windmolens/-turbines en vergisting, waarbij weinig tot geen schadelijke milieueffecten optreden bij winning en omzetting en die in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar is, zoals zon, wind, water, aard- en omgevingswarmte;

4.79 kunstobject

voortbrengsel van de beeldende kunsten al dan niet in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

4.80 kunstwerk

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct of een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening;

4.81 kwekerij

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van beplantingsgewassen zoals bos- en haagplantsoen, laan- en parkbomen, vruchtbomen, (rozen)struiken, coniferen en overige sierheesters, tuin- en perkplanten of daarmee vergelijkbare producten al dan niet in potten op een gesloten bed/ondergrond en al dan niet in kassen;

4.82 kwetsbaar object

een object zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, waarvoor ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen een grenswaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht genomen moet worden, met dien verstande dat conform artikel 1 lid 2 Bevi de eigen inrichting niet onder de bescherming valt;

4.83 landbouwschuur

opslag van agrarische hulpmaterialen zoals machines of opslag van gewassen zoals stro, hooi en zaagsel;

4.84 landschappelijke waarden

waarden in verband met de verschijningsvorm van een gebied en de aanwezigheid van waarneembare structuren en/of elementen in dat gebied;

4.85 landschapselement

elementen in het landschap in de vorm van bomen, bosschages, poelen en/of andere natte elementen en weg- en laanbeplanting;

4.86 ligplaats innemen

het afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, anders dan voor aanleggen;

4.87 logiesverstrekking

een (bedrijfs)activiteit waarbij de (bedrijfs)uitoefening uitsluitend is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van logies

4.88 maatschappelijke voorzieningen

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, religieuze en levensbeschouwelijke voorzieningen, alsmede ondergeschikte voorzieningen voor sport en sportieve recreatie en voorzieningen voor openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;

4.89 manege

een bedrijf met een publieksgericht karakter, dat is gericht op het bieden van gelegenheid tot het berijden en verzorgen van paarden en pony's (waaronder het lesgeven, de verhuur, het dresseren en trainen, alsmede het organiseren van wedstrijden en/of andere hippische evenementen) en daaraan ondergeschikte detailhandel en horeca;

4.90 mestsilo

een bouwwerk bedoeld voor het opslaan van mest;

4.91 modelvliegterrein

een terrein waar radiografisch bestuurbare modelvliegtuigen worden bestuurd;

4.92 natuurlijke waarden

biotische en abiotische waarden van een gebied;

4.93 natuurzorgcentrum

een camping met een overwegend zorgaspect, waar mensen met een zorg- of hulpvraag, zoals mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, mensen met een burn-out, langdurig werkelozen of ex-verslaafden, in een natuurlijke omgeving kunnen verblijven, waarbij het zorgaspect bestaat uit begeleiding, arbeidsre-integratie en/of tijdelijke logeeropvang;

4.94 neventak intensieve veehouderij

een bedrijf waarvan een onderdeel van de bedrijfsvoering bestaat uit niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering die is gericht op het houden van dieren, zoals rundveemesterij (exclusief vetweiderij), varkens-, vleeskalver-, pluimvee- of pelsdierhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen;

4.95 niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering

een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt, en die als zodanig niet afhankelijk is van agrarische gronden als productiemiddel, zoals een intensieve veehouderij;

4.96 nutsgebouw

een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen en telefooncellen;

4.97 nutsvoorzieningen

een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede energieopwekking of -buffering en soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, bergbezinkbassins, telefooncellen en zendmasten;

4.98 ondersteunende horeca

er is sprake van ondersteunende horeca indien:

  • a. de horeca-activiteit ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit;
  • b. de openingstijden van de horeca-activiteit gelijk zijn aan de openingstijden van de hoofdactiviteit;
  • c. de toegang van de horeca-activiteit uitsluitend mogelijk is via de hoofdactiviteit.
4.99 overig bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw en bijbehorend bouwwerk zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

4.100 overkapping

elk bouwwerk dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand;

4.101 paardenfokkerij

een grondgebonden agrarisch bedrijf waard paarden worden gehouden ten behoeve van de fokkerij;

4.102 paardenhouderij

een bedrijf, niet zijnde een agrarisch bedrijf of een manege, waarbij het geheel of in overwegende mate gaat om het voortbrengen van producten en diensten door middel van het houden van paarden, zoals het houden, stallen of africhten van paarden en/of pony's, alsmede de handel in paarden en/of pony's;

4.103 peil
  • a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
4.104 perifere detailhandel

detailhandel volgens een formule die vanwege de aard en/of omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, zoals de verkoop van auto's, boten, caravans, tuininrichtingsartikelen, vee- en diervoeders, bouwmaterialen, keukens en sanitair, alsmede woninginrichting, waaronder meubelen, waaronder in ieder geval niet wordt begrepen een supermarkt;

4.105 permanente bewoning

de bewoning van een ruimte als hoofdverblijf;

4.106 productiegebonden detailhandel

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;

4.107 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

4.108 randsassortimentsartikelen

artikelen, die niet behoren tot het hoofdassortiment van een detailhandelsbedrijf, maar daar wel ondersteunend aan zijn, zoals accessoires;

4.109 recreatief medegebruik

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;

4.110 recreatieve bewoning

bewoning, niet zijnde permanente bewoning, door personen die hun hoofdverblijf elders hebben

4.111 recreatiewoning

een gebouw, geen woonkeet en geen caravan zijnde, bestemd om uitsluitend door een gezin of een daarmee gelijk te stellen persoon of groep van personen, dat/die zijn hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden bewoond. Onder recreatiewoning worden tevens een chalet of een trekkershut begrepen;

4.112 risicovolle inrichting

een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten;

4.113 sanitaire unit

een gebouw, bestaande uit een enkele was- en toiletgelegenheid, ten behoeve van een enkel kampeermiddel of een standplaats op een kampeerterrein;

4.114 sanitaire voorziening

een sanitaire voorziening ten behoeve van de gezamenlijke gebruikers van een kampeerterrein

4.115 schuilstal

een overdekte ruimte die maximaal aan drie zijden is omsloten door wanden, waarvan het/de betreffende dier(en) gebruik moeten kunnen maken in geval van weidegang, met als doel bescherming tegen (extreme) weersomstandigheden in zowel zomer als winter uit oogpunt van dierenwelzijn en waarbij in en nabij de schuilgelegenheid geen opslag is toegestaan met uitzondering van voer en stro in de schuilgelegenheid;

4.116 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een seksclub of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

4.117 stacaravan

een caravan, die als een gebouw valt aan te merken;

4.118 standplaats

het vanaf een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen, een tafel of enig ander middel, waaronder niet wordt begrepen:

  • a. vaste plaatsen of jaarmarkten of markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h van de Gemeentewet;
  • b. vaste plaatsen op evenementen.
4.119 supermarkt

een gebouw of een ruimte in een gebouw, door zijn inrichting kennelijk bedoeld voor detailhandel in (hoofdzakelijk) een grote verscheidenheid aan levensmiddelen door middel van zelfbediening;

4.120 trekkershut

een verblijf, bestaande uit een lichte constructie en lichte materialen, niet zijnde een kampeermiddel, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor (kortdurend) recreatief dag- en/of nachtverblijf;

4.121 verblijfsaccommodatie

een voorziening die is bedoeld voor de recreatieve bewoning door bezoekers of gebruikers van een conferentiepark;

4.122 verblijfsrecreatie

recreatief verblijf, waarbij overnacht wordt in kampeermiddelen en/of recreatiewoningen;

4.123 verkoopvloeroppervlakte

de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte voor detailhandel;

4.124 vermaakscentrum

een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op de vermaaksfunctie door het bieden van gelegenheid tot de beoefening van kans- of behendigheidsspelen, al dan niet met behulp van automaten of apparatuur, of door het (ver)tonen van films of voorstellingen, dan wel door het bieden van soortgelijk amusement, één en ander al dan niet in combinatie met een horecafunctie in de vorm van het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren, zoals een amusementshal, speelautomaten- en/of kansspelautomatenhal, snooker- of poolcentrum, bowlinghal, paintballcentrum, bioscoop, theater, schouwburg, dansschool, casino, wedlokaal en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijf, met uitzondering van een seksinrichting;

4.125 volkstuin

gronden waarop niet bedrijfsmatige teelt van groenten en/of fruit en het kweken van siergewassen wordt uitgeoefend

4.126 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel daarvan die door de ligging, de situatie ter plaatse en de indeling van het gebouw het sterkst op de weg is gericht;

4.127 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel daarvan die door de ligging, de situatie ter plaatse en de indeling van het gebouw het sterkst op de weg gericht is;

4.128 voorkeursgrenswaarde

een bij een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder;

4.129 vrijstaande bijbehorende bouwwerken

een bijbehorend bouwwerk dat vrijstaand van het hoofdgebouw waar het bij hoort wordt/is gebouwd en hoort bij het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel;

4.130 vuurwerkbedrijf

een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op de vervaardiging of assemblage van vuurwerk of de handel in vuurwerk, c.q. de opslag van vuurwerk en/of de daarvoor benodigde stoffen, niet bedoeld periodieke verkoop in consumentenvuurwerk, c.q. de opslag van vuurwerk en/of de daarvoor benodigde stoffen;

4.131 waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit, waaronder duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten;

4.132 windturbine

door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit;

4.133 wonen

het gehuisvest zijn van een huishouden in een woning;

4.134 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding voor permanent gebruik;

4.135 wooncentrum

een gebouw voor de huisvesting van personen die bij hun normale, dagelijkse functioneren huishoudelijke, sociale, sociaal-medische en/of medische begeleiding en/of verzorging behoeven, zoals ouderen, psychiatrische patiënten of gehandicapten;

4.136 woongebouw

een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat met één of meer gemeenschappelijke toegangen en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;

4.137 woonhuis

een gebouw dat één woning omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;

4.138 woonschip

een zich in het water bevindend object, dat (nagenoeg) voortdurend dient als woning;

4.139 woonwagen

een voor bewoning bestemd gebouw en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;

4.140 zorgwoning

een woning voor de huisvestiging van bepaalde categorieën van de bevolking, zoals ouderen, jongeren, of mensen met een beperking, waarbij de mate en de vorm van de geboden zorg en ondersteuning aan de bewoners dusdanig is dat niet langer gesproken kan worden van zelfstandige bewoning, maar die gezien de maatschappelijke ontwikkelingen en hun geringe ruimtelijke impact wel aanvaardbaar zijn in de woonomgeving.

Artikel 5 Meet- en rekenbepalingen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

5.1 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

5.2 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil c.q. de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen als goten van dakkapellen niet meegerekend;

5.3 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

5.4 de oppervlakte van een bouwwerk

de oppervlakte gemeten op vloerniveau langs de verticale projectie van de buitenomtrek van de overkapping c.q. van de opgaande scheidingsconstructies inclusief de overstekken;

5.5 de afstand tot de (zijdelingse) (bouw)perceelgrens

vanaf enig punt van een (hoofd)gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, tot de (zijdelingse) perceelgrens.

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen, worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, alsmede het plaatsen van een nieuwe muur om een bestaande gevel en het verlengde daarvan, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen ten hoogste 0,5 m bedraagt;

5.6 de hoogte van een windturbine

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

Hoofdstuk 2 Regels gebruiksactiviteiten

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de in dit hoofdstuk toegestane gebruiksactiviteiten.

Artikel 7 Agrarisch

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch'.

7.2 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. agrarisch grondgebruik:
  • b. bestaande erven, terreinen en voorzieningen aangrenzend aan en ten behoeve van agrarische bedrijven als bedoeld in artikel 'Agrarisch - Bedrijf';
  • c. behoud, herstel en ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden;
  • d. dagrecreatie, ter plaatse van bestaande dagrecreatieve terreinen en van dagrecreatie voorzieningen;

met de daarbijbehorende:

  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. wegen, paden en verhardingen;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder begrepen watergangen en voorzieningen voor het beheersen van water, inclusief de natuurlijke inrichting van de watergangen en de oevers.
7.3 Verboden gebruiksactiviteiten

De gronden en bouwwerken mogen in ieder geval niet worden gebruikt voor:

  • a. wonen en daaraan gerelateerde vormen van huisvesting;
  • b. boom(hout)-, fruit- en sierteelt, met uitzondering van teelt van niet-opgaande gewassen;
  • c. het opslaan van mest, kuilvoer en/of andere landbouwproducten, met uitzondering van:
    • 1. tijdelijke opslag van akkerbouwproducten;
    • 2. mestopslag in mestsilo's, ter plaatse van de aanduiding 'silo';
    • 3. bestaande mestopslag in mestbassins;
    • 4. bestaande opslag van mest, kuilvoer en/of andere landbouwproducten voorzover het geen bouwwerken betreft;
  • d. agrarisch grondgebruik anders dan in de vorm van cultuurgrond, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - cultuurgrond';
  • e. het opwekken van elektriciteit door middel van (co-)vergisting van mest en/of landbouwproducten;
  • f. verblijfsrecreatie
  • g. risicovolle inrichtingen.
7.4 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 van het omgevingsplan wordt ook verleend onder de voorwaarde dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de landschappelijke waarden, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, in de volgende gevallen en in afwijking van:

  • a. het bepaalde in lid 7.2 sub a ten behoeve van de uitbreiding van het gebruik van de gronden voor grondgebonden agrarische bedrijvigheid in de vorm van akker- en tuinbouw als bedoeld in artikel Agrarisch - Bedrijf, met dien verstande dat:
    • 1. er sprake is van een uitbreiding van een bestaand bedrijf;
    • 2. de uitbreiding aansluit op het bestaande bouwvlak van het betreffende bedrijf;
    • 3. de aaneengesloten oppervlakte van het bouwvlak en het deel buiten het bouwvlak dat wordt gebruikt voor grondgebonden agrarische bedrijvigheid in de vorm van akker- en tuinbouw ten hoogste 2 hectare bedraagt;
    • 4. andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad;
    • 5. de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van de voorzieningen wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting of voorwaarde bij de omgevingsvergunning;
    • 6. over de landschappelijke aanvaardbaarheid en de wijze van inpassing van de voorzieningen advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; en
    • 7. voor het bouwen van bouwwerken de in artikel 'Agrarisch - Bedrijf bouwen' lid 'Gebouwen en overkappingen', 'Overige bouwwerken' en 'Afwijken van de bouwregels' genoemde regels en maatvoeringseisen die gelden voor het aangrenzende bouwvlak van toepassing zijn;
  • b. het bepaalde in lid 7.2 sub a ten behoeve van de uitbreiding van het gebruik van de gronden voor niet-grondgebonden agrarische bedrijvigheid in de vorm van een veehouderijbedrijf, een intensieve veehouderij of een neventak intensieve veehouderij; indien:
    • 1. geen sprake is van de uitbreiding en/of wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen en/of bestaande diersoorten;
    • 2. de uitbreiding aansluit op het bestaande bouwvlak van het betreffende bedrijf;
    • 3. de aaneengesloten oppervlakte van het bouwvlak en het deel buiten het bouwvlak dat wordt gebruikt voor niet-grondgebonden agrarische bedrijvigheid ten hoogste 2 hectare bedraagt;
    • 4. andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad;
    • 5. de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van de voorzieningen wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting of voorwaarde bij de omgevingsvergunning;
    • 6. over de landschappelijke aanvaardbaarheid en de wijze van inpassing van de voorzieningen advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; en
    • 7. voor het bouwen van bouwwerken de in artikel 'Agrarisch - Bedrijf bouwen' lid 'Gebouwen en overkappingen', 'Overige bouwwerken' en' Afwijken van de bouwregels' genoemde regels en maatvoeringseisen die gelden voor het aangrenzende bouwvlak van toepassing zijn;
    • 8. de uitbreiding en/of wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande ammoniakemissie van de betreffende veehouderij;
    • 9. de wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden ten gevolge van de betreffende veehouderij;
    • 10. de toename van stikstofdepositie vanaf de betreffende veehouderij en de bijbehorende gronden niet leidt tot een overschrijding dan wel verdere overschrijding van de kritische depositiewaarden voor verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden;
    • 11. dit noodzakelijk is om tegemoet te komen aan aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van het milieu dan wel bijdraagt aan verbetering van het welzijn van de te houden dieren doordat zij netto meer leefruimte tot hun beschikking hebben;
  • c. het bepaalde in lid 7.3 sub c ten behoeve van mest- en kuilvoeropslag, met dien verstande dat:
    • 1. objectief wordt aangetoond dat de opslag van mest en kuilvoer buiten de gronden met de bestemming 'Agrarisch - Bedrijf' of 'Agrarisch - Paardenfokkerij' op grond van ruimtelijke of milieuhygiënische belemmeringen noodzakelijk is; en
    • 2. een afstand van 25 meter van de grens van het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Bedrijf' of 'Agrarisch - Paardenfokkerij' niet wordt overschreden; en
    • 3. andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad; en
    • 4. de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer aansluitend op het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Bedrijf' of 'Agrarisch - Paardenfokkerij', wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting of voorwaarde bij de omgevingsvergunning;
    • 5. voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van opslag van mest en kuilvoer tevens de in artikel 'Agrarisch - bouwen' lid 'Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten' genoemde regels van toepassing zijn;
    • 6. over de landschappelijke aanvaardbaarheid en de wijze van inpassing van de voorzieningen advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur;
  • d. het bepaalde in lid 7.3 sub f ten behoeve van het houden van een kleinschalig kampeerterrein op gronden bij agrarische bedrijven direct grenzend aan een bouwvlak, met dien verstande dat:
    • 1. de agrarische hoofdfunctie behouden blijft;
    • 2. het behoud van bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden wordt gewaarborgd;
    • 3. de grootte van het betreffende kampeerterrein minimaal 0,2 ha en maximaal 1 ha bedraagt;
    • 4. een landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd in die zin dat het kampeerterrein in ieder geval door opgaande beplanting wordt omzoomd;
    • 5. ten hoogste 25 kampeerplaatsen worden gerealiseerd;
    • 6. de afstand van een kampeerterrein ten minste 50 m tot de bestemmingsgrens van een bestemming waar een (bedrijfs)woning is toegestaan bedraagt, met dien verstande dat deze regel niet geldt voor bestaande kampeerterreinen, indien deze op een kortere afstand zijn gesitueerd;
    • 7. uitsluitend in de periode van 15 maart tot 1 november kampeermiddelen zijn toegestaan.

Artikel 8 Bedrijf

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Bedrijf.'

8.2 Algemene gebruiksregels

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. bedrijven genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2, alsmede naar de aard, de invloed op de omgeving en qua milieubelasting daarmee gelijk te stellen bedrijven;
  • b. een biomassavergistingscentrale, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - biomassavergistingsinstallatie';

met de daarbijbehorende:

  • c. groenvoorzieningen;
  • d. wegen, paden en verhardingen;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. erven en terreinen.
8.3 Verboden gebruiksactiviteiten

De gronden en bouwwerken mogen in ieder geval niet worden gebruikt voor:

  • a. bedrijven anders dan genoemd in lid 8.2;
  • b. geluidszoneringsplichtige inrichtingen en vuurwerkbedrijven;
  • c. wonen en daaraan gerelateerde vormen van huisvesting;
  • d. risicovolle inrichtingen;
  • e. reclamedoeleinden anders dan voor het op de gronden gevestigd bedrijf;
  • f. detailhandel;
  • g. afvalverwerking- en -bewerkingsbedrijven, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - biomassavergistingsinstallatie';
  • h. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bed & breakfast;
  • i. buitenopslag.

Artikel 9 Bedrijf - Nutsvoorziening

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Bedrijf - Nutsvoorziening'.

9.2 Algemene gebruiksregels

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. (openbare) nutsvoorzieningen, zoals transformatorvoorzieningen, gasvoorziening en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen;

met de daarbijbehorende:

  • b. groenvoorzieningen;
  • c. wegen, paden en verhardingen;
  • d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. erven en terreinen.
9.3 Verboden gebruiksactiviteiten

De gronden en bouwwerken mogen in ieder geval niet worden gebruikt voor reclamedoeleinden anders dan voor het op de gronden gevestigde bedrijf.

Artikel 10 Bos

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Bos'.

10.2 Algemene gebruiksregels

De gronden mogen worden gebruikt voor:

  • a. bos en bebossing;

met daaraan ondergeschikt:

  • b. dagrecreatieve voorzieningen;
  • c. schuilgelegenheid voor dieren, voorzover bestaand;

met de daarbijbehorende:

  • d. groenvoorzieningen;
  • e. wegen, paden en verhardingen;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. parkeervoorzieningen;
  • h. nutsvoorzieningen;
  • i. erven en terreinen.

Artikel 11 Groen

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen 'Groen',

11.2 Algemene gebruiksregels

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. bermen en beplanting;
  • c. plantsoenen;
  • d. voet- en fietspaden;
  • e. waterlopen en waterpartijen;

met daaraan ondergeschikt:

  • f. kunstobjecten;

met de daarbijbehorende:

  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. speelvoorzieningen.

Artikel 12 Verkeer

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Verkeer'

12.2 Algemene gebruiksregels

De gronden mogen worden gebruikt voor:

  • a. wegen en straten;
  • b. voet- en fietspaden;

met dien verstande dat:

  • c. van de in de functie begrepen wegen het aantal rijstroken ten hoogste twee bedraagt, in- en uitvoegstroken niet meegerekend;
  • d. de inrichting van de wegen, straten voet- en fietspaden hoofdzakelijk is gericht op de afwikkeling van verkeer;

met daaraan ondergeschikt:

  • e. kunstobjecten;
  • f. het innemen van standplaatsen ten behoeve van ambulante handel, markten, braderieën, verenigingsactiviteiten en dergelijke;

met de daarbijbehorende:

  • g. groenvoorzieningen;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • i. nutsvoorzieningen;
  • j. erven en terreinen.

Artikel 13 Water

13.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Water''.

13.2 Algemene gebruiksregels

Deze gronden mogen worden gebruikt voor:

  • a. waterlopen en waterpartijen;
  • b. scheepvaart en recreatievaart;
  • c. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. de ontwikkeling van natte natuur- en landschapswaarden, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zandwinning';
  • e. recreatieve doeleinden, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zandwinning';
  • f. erven/tuinen van bouwpercelen voor recreatiewoningen, als bedoeld in artikel Recreatie - Verblijfsrecreatie hippisch centrum, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zandwinning';
  • g. de winning, bewerking, verwerking, tijdelijke opslag en afvoer van zand, grind en klei en het uitvoeren van herinrichtings- en reconstructiewerken, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zandwinning';
  • h. het uitoefenen van activiteiten en werkzaamheden, die ondersteunend zijn aan het bepaalde onder d tot en met g, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zandwinning';
  • i. een jachthaven, ter plaatse van de aanduiding 'jachthaven';
  • j. wonen ter plaatse van ligplaatsen voor woonschepen en bijboten, ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats';
  • k. ongemotoriseerde watersportactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding 'sport';

met daaraan ondergeschikt:

  • l. oevers;
  • m. kades;
  • n. aanleggelegenheid;
  • o. kunstobjecten;

met de daarbijbehorende:

  • p. groenvoorzieningen;
  • q. wegen, paden en verhardingen;
  • r. parkeervoorzieningen;
  • s. nutsvoorzieningen;
  • t. erven en terreinen.

Hoofdstuk 3 Regels bouwactiviteiten

Artikel 14 Agrarisch - bouwen

14.1 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het (tijdelijk) omgevingsplan van de gemeente Stadskanaal gelden tevens de volgende beoordelingsregels in onderstaande leden:

14.2 Bouwwerken algemeen

Binnen de als 'Agrarisch - bouwen' aangewezen locaties mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

14.3 aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten

Binnen de als 'Agrarisch - bouwen' aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor overige bouwwerken van toepassing:

14.3.1 Bouwregels
  • a. er mogen geen bouwwerken ten behoeve van mestopslag en kuilvoeropslag worden gebouwd, met uitzondering van bestaande bouwwerken ten behoeve van kuilvoeropslag;
  • b. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • c. de hoogte van andere overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m.
14.4 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt ook verleend onder de voorwaarde dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de landschappelijke waarden, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, in de volgende gevallen en in afwijking van:

  • a. het bepaalde in lid 14.2 voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijvigheid in de vorm van akker- en tuinbouw als bedoeld in artikel 'Agrarisch -Bedrijf', met dien verstande dat:
    • 1. ten aanzien van het gebruik van de gronden tevens de in artikel 7.4 sub a genoemde omgevingsvergunning is verleend;
    • 2. voor het bouwen van bouwwerken de in artikel 'Agrarisch - Bedrijf bouwen', lid 2, 3 en 4 genoemde regels en maatvoeringseisen die gelden voor het aangrenzende bouwvlak van toepassing zijn;
  • b. het bepaalde in lid 14.2 voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van niet-grondgebonden agrarische bedrijvigheid in de vorm van een veehouderijbedrijf, een intensieve veehouderij of een neventak intensieve veehouderij als bedoeld in artikel 'Agrarisch - Bedrijf' ' met dien verstande dat:
    • 1. ten aanzien van het gebruik van de gronden tevens de in artikel 7.4 sub a genoemde omgevingsvergunning is verleend;
    • 2. voor het bouwen van bouwwerken de in artikel 'Agrarisch - Bedrijf bouwen', lid 2, 3 en 4 genoemde regels en maatvoeringseisen die gelden voor het aangrenzende bouwvlak van toepassing zijn;
  • c. het bepaalde in lid 14.2 voor het bouwen van schuilstallen, met dien verstande dat:
    • 1. de bijbehorende oppervlakte van aaneengesloten cultuurgrond ten minste 1 ha bedraagt;
    • 2. de oppervlakte per schuilstal ten hoogste 25 m² bedraagt;
    • 3. de bouwhoogte ten hoogste 5 m bedraagt;
    • 4. deze niet voor het bedrijfsmatig houden van vee mogen worden gebouwd;
  • d. het bepaalde in lid 14.3 voor het toestaan van bouwwerken ten behoeve van mest- en kuilvoeropslag in de vorm van respectievelijk sleufsilo's en kuilvoerplaten, met dien verstande dat:
    • 1. ten aanzien van het gebruik van de gronden voor de betreffende opslag tevens de in artikel 7.4 sub c genoemde omgevingsvergunning is verleend;
    • 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m.

Artikel 15 Bedrijf - bouwen

15.1 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels in onderstaande leden:

15.2 Bouwwerken algemeen

Binnen de als 'Bedrijf - bouwen' aangewezen locaties zijn de volgende algemene beoordelingsregels van toepassing

  • a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' bedraagt het bebouwingspercentage van het bouwvlak ten hoogste het in de aanduiding aangegeven percentage.
15.3 Bedrijfsgebouwen en overkappingen

Binnen de als 'Bedrijf - bouwen' aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor bedrijfsgebouwen en overkappingen

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - oppervlakteregeling' geldt dat de bestaande oppervlakte van de gebouwen en overkappingen met ten hoogste 20% mag worden vergroot;
  • b. de goothoogte bedraagt ten hoogste de in de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte;
  • c. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste de in de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
  • d. indien de bouwgrens gelijk is aan de bouwperceelgrens, bedraagt de afstand van een gebouw of overkapping tot de bouwperceelgrens ten minste 3 m dan wel de bestaande afstand indien deze minder bedraagt.
15.4 Overige bouwwerken

Binnen de als 'Bedrijf - bouwen' aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor overige bouwwerken van toepassing:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan ten hoogste 1 m bedraagt;
  • b. de hoogte van palen en masten bedraagt ten hoogste 6 m;
  • c. de hoogte van andere overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 5 m.
15.5 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt ook verleend onder de voorwaarde dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de landschappelijke waarden, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, in de volgende gevallen en in afwijking van:

  • a. het bepaalde in lid 15.3 sub a ten behoeve van een verhoging van het bebouwingspercentage tot ten hoogste 80%, met dien verstande dat deze afwijking niet van toepassing is op voormalige agrarische bouwpercelen waar sprake is van de aanwezigheid van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen.

Artikel 16 Bedrijf - Nutsvoorziening bouwen

16.1 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels in onderstaande leden.

16.2 Bedrijfsgebouwen en overkappingen

Binnen de als 'Bedrijf - Nutsvoorziening bouwen' aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor bedrijfsgebouwen en overkappingen van toepassing:

  • a. een gebouw of overkapping mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de goothoogte bedraagt niet meer dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte;
  • c. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte.
16.3 Overige bouwwerken

Binnen de als 'Bedrijf - Nutsvoorziening bouwen' aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor overige bouwwerken van toepassing:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • b. de hoogte van palen en masten bedraagt ten hoogste 15 m;
  • c. de hoogte van andere overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 7 m;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder b mag ter plaatse van de aanduiding 'antennemast' een antennemast worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 60 m;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder a en c mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - transformatorstation' de bouwhoogte van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen ten hoogste 3 m bedragen;
    • 2. andere overige bouwwerken ten hoogste 8 m bedragen.

Artikel 17 Bos - bouwen

17.1 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels in onderstaande leden.

17.2 Gebouwen en overkappingen

Binnen de als Bos - bouwen' aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor gebouwen en overkappingen van toepassing:

  • a. er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd, met uitzondering van bestaande schuilstallen voor dieren;
  • b. de oppervlakte van een gebouw of overkapping mag ten hoogste de bestaande oppervlakte bedragen.
17.3 Overige bouwwerken

Binnen de als 'Bos - bouwen' aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor overige bouwwerken van toepassing:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • b. de hoogte van palen en masten bedraagt ten hoogste 6 m;
  • c. de hoogte van andere overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 5 m.

Artikel 18 Groen - bouwen

18.1 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels in onderstaande leden.

18.2 Gebouwen en overkappingen

Binnen de als 'Groen - bouwen' aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor Bedrijfsgebouwen en overkappingen van toepassing:
Gebouwen en overkappingen ten behoeve van het in artikel 22 toegestane gebruik mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' met inachtneming van de volgende regels:
    • 1. het bebouwingspercentage per aanduidingsvlak bedraagt niet meer bedragen dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%) aangegeven percentage;
    • 2. de goothoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 4 m;
    • 3. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 6 m.
18.3 Overige bouwwerken
  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • b. de hoogte van palen en (reclame)masten bedraagt ten hoogste 6 m;
  • c. de hoogte van andere overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 5 m.

Artikel 19 Verkeer - bouwen

19.1 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels in onderstaande leden.

19.2 Gebouwen en overkappingen

Binnen de als 'Verkeer - bouwen' aangewezen locaties mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

19.3 Overige bouwwerken

Binnen de als 'Verkeer - bouwen' aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor overige bouwwerken van toepassing

  • a. de hoogte van palen en masten bedraagt ten hoogste 8 m, met dien verstande dat de hoogte van reclamemasten ten hoogste 6 m bedraagt;
  • b. de hoogte van kunstwerken bedraagt ten hoogste 15 m;
  • c. de hoogte van andere overige bouwwerken, anders dan rechtstreeks voor de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, bedraagt ten hoogste 5 m.

Artikel 20 Water - bouwen

20.1 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels in onderstaande leden.

20.2 Bouwwerken algemeen

Binnen de als 'Water - bouwen' aangewezen locaties mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

20.3 Overige bouwwerken

Binnen de als 'Water - bouwen' aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor overige bouwwerken van toepassing:

  • a. er mogen geen erf- en terreinafscheidingen worden gebouwd;
  • b. de hoogte van palen en masten bedraagt ten hoogste 6 m;
  • c. de hoogte van kunstwerken bedraagt ten hoogste 15 m;
  • d. de hoogte van andere overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 5 m.

Hoofdstuk 4 Regels aanlegactiviteiten

Artikel 21 Agrarisch - aanleggen

21.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch - aanleggen'.

21.2 Aanwijzen vergunningplicht uitvoeren werken

Het is verboden op of in de grond zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van dagrecreatieve voorzieningen;
  • b. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen;
  • c. het aanbrengen van bomen, opgaande beplanting en lijnvormige beplantingen;
  • d. het aanbrengen van landschapselementen groter dan 0,5 ha;
  • e. het graven en dempen van sloten;
  • f. het ontgronden, ophogen en egaliseren van gronden.
21.3 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in lid 21.2 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. noodzakelijk zijn voor het aansluiten van bouwwerken op het net van openbare nutsvoorzieningen.
21.4 Beoordelingsregels
  • a. De in lid 21.2 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de woonsituatie;
    • 3. de milieusituatie;
    • 4. de verkeersveiligheid;
    • 5. de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden;
    • 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
  • b. Voorzover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken.

Artikel 22 Bos - aanleggen

22.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Bos - aanleggen'.

22.2 Aanwijzing vergunningplichtige uitvoeren werken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op of in de grond de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van bomen en opgaande beplanting;
  • b. het ontgronden, afgraven, ophogen en egaliseren van gronden;
  • c. het aanbrengen van verhardingen.
22.3 Uitzonderingen vergunningsplicht

Het in lid 22.2 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. noodzakelijk zijn voor het aansluiten van bouwwerken op het net van openbare nutsvoorzieningen.
22.4 Beoordelingsregels
  • a. De in lid 22.2 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en natuurlijke waarden van het gebied;
  • b. Voorzover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken.

Hoofdstuk 5 Regels activiteiten binnen gebiedsaanwijzgingen

Artikel 23 Leiding - Gas

23.1 Algemeen

Binnen de met 'Leiding - Gas' aangeduide gebieden gelden regels voor een hoofdgastransportleiding met een bijbehorende belemmeringenstrook.

23.2 Verboden bouwactiviteiten

In afwijking van het bepaalde in de andere bouwregels mag in het gebied 'Leiding - Gas' niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de hoofdgastransportleiding, met uitzondering overige bouwwerken met een hoogte van ten hoogste 2 m en van bouwactiviteiten:

  • a. die betrekking hebben op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken;
  • b. waarbij de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot;
  • c. gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; en
  • d. zijn toegestaan op basis van overige bouwregels of beoordelingsregels in dit plan.
23.3 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt ook verleend voor een bouwactiviteit in het gebied 'Leiding - Gas', mits:

  • a. geen afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de hoofdgastransportleiding,
  • b. de belangen en de veiligheid van de betrokken hoofdgastransportleiding niet worden geschaad;
  • c. uit vooraf ingewonnen advies bij de betreffende leidingbeheerder is gebleken dat hiertegen uit oogpunt van doelmatig leidingbeheer geen bezwaar bestaat; en
  • d. wordt gebouwd overeenkomstig de overige bouwregels of beoordelingsregels in dit plan.
23.4 Aanwijzing vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

Het is verboden in het gebied 'Leiding - Gas' zonder omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:

  • a. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
  • b. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • c. het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de grond;
  • e. het opslaan van goederen, met uitzondering van het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding;
  • f. kwetsbaar object of beperkt kwetsbaar object.
23.5 Beoordelingsregels

Een vergunning als bedoeld in lid 23.4 wordt slechts verleend indien:

  • a. het veilig en doelmatig functioneren van de leiding niet wordt geschaad; en
  • b. mits vooraf advies wordt ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder.
23.6 Vergunningplichtige overige activiteiten
23.6.1 Aanwijzing vergunningplicht overige activiteiten

Het is verboden in het gebied 'Leiding - Gas' zonder omgevingsvergunning de volgende overige activiteiten te verrichten :

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • c. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen;
  • d. het rooien of aanbrengen van diepgewortelde beplanting en of bomen;
  • e. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
23.6.2 Uitzonderingen vergunningplicht overige activiteiten

Een vergunning als bedoeld in lid 23.6.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. het normaal onderhoud ten aanzien van de leiding en belemmeringstrook betreffen;
  • b. het normaal onderhoud en gebruik ten aanzien van de functies van de andere bestemmingen betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan en in overeenstemming zijn met de op dat moment geldende toepasselijke regelgeving dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • d. graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
23.6.3 Beoordelingsregels

De vergunning als bedoeld in lid 23.6.1 wordt slechts verleend indien

  • a. is aangetoond dat de desbetreffende werken en/of werkzaamheden niet strijdig zijn met de belangen en de veiligheid van de gasleiding;
  • b. uit vooraf ingewonnen schriftelijk advies bij de betreffende leidingbeheerder is gebleken dat hiertegen uit oogpunt van doelmatig leidingbeheer geen bezwaar bestaat.

Artikel 24 Waarde - Archeologie 1

24.1 Algemeen

Binnen de met 'Waarde - Archeologie 1' aangeduide gebieden gelden regels voor het behoud archeologische (verwachtings)waarden.

24.2 Aanvraagvereisten vergunningplichtige bouwactiviteiten
24.2.1 Indienen rapport

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het gebied 'Waarde - Archeologie 1' wordt in het geval het bouwwerken betreft die de bodem dieper dan 0,4 m verstoren, in aanvulling op artikel 22.35, door de aanvrager een rapport overgelegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders:

  • c. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
  • d. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
24.2.2 Bevoegdheid stellen vergunningvoorschriften
  • a. Indien uit het onder lid 24.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  • b. Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de vergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld onder b, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.
24.3 Vergunningplicht overige activiteiten
24.3.1 Aanwijzing vergunningplicht overige activiteiten

Het is verboden in het gebied 'Waarde - Archeologie 1' zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen, ontginnen van gronden, met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft dieper dan 0,4 m;
  • b. het graven of dempen van watergangen;
  • c. het graven van sleuven dieper dan 1,5 m ten behoeve van het aanbrengen van drainage;
  • d. het graven van sleuven dieper dan 1 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen en funderingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en/of apparatuur;
  • e. het permanent verlagen van het waterpeil.
24.3.2 Uitzonderingen vergunningplichtige activiteiten

Het verbod als bedoeld in lid 24.3.1 is niet van toepassing op activiteiten werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
  • b. het normale onderhoud betreffen;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
  • d. zijn gelegen in een gebied waarvoor op basis van een eerder onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
24.3.3 Beoordelingsregels

Een vergunning als bedoeld in lid 24.3.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. de volgende voorwaarden in acht genomen worden indien, op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
24.3.4 Advies

Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden kan een ter zake deskundige instantie om advies worden gevraagd. Bij negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.

Artikel 25 Waarde - Archeologie 2

25.1 Algemeen

Binnen de met 'Waarde - Archeologie 2' aangeduide gebieden gelden regels voor het behoud van archeologische (verwachtings)waarden.

25.2 Bouwregels
25.2.1 Indienen rapport

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het gebied 'Waarde - Archeologie 2' wordt in het geval dat het bouwwerken betreft die de bodem dieper dan 0,4 m verstoren, en een oppervlakte hebben van meer dan 200 m2, in aanvulling op artikel 22.35, door de aanvrager een rapport overgelegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders:

  • a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
  • b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
25.2.2 Bevoegdheid stellen vergunningvoorschriften

Indien uit het onder lid 25.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
25.3 Vergunningplicht overige activiteiten
25.3.1 Aanwijzing vergunningplicht overige activiteiten

Het is verboden in het gebied zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen, ontginnen van gronden, met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft dieper dan 0,4 m;
  • b. het graven of dempen van watergangen;
  • c. het graven van sleuven dieper dan 1,5 m ten behoeve van het aanbrengen van drainage;
  • d. het graven van sleuven dieper dan 1 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen en funderingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en/of apparatuur;
  • e. het permanent verlagen van het waterpeil
25.3.2 Uitzonderingen vergunningplichtige activiteiten

Het verbod als bedoeld in lid 25.3.1 is niet van toepassing op activiteiten werkzaamheden die :

  • a. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
  • b. het normale onderhoud betreffen;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
  • d. zijn gelegen in een gebied waarvoor op basis van een eerder onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
25.3.3 Beoordelingsregels

Een vergunning als bedoeld in lid 25.3.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. de volgende voorwaarden in acht genomen worden indien, op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
25.3.4 Advies

Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden kan een ter zake deskundige instantie om advies worden gevraagd. Bij negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.

Artikel 26 Waarde - Landschap

26.1 Algemeen

Binnen de voor 'Waarde - Landschap' aangewezen gebieden gelden regels voor de opbouw, het behoud en het herstel van landschappelijke en cultuurhistorische waarden in de gebieden zoals weergegeven op kaart in bijlage 2, zoals:

  • a. het reliëf en de herkenbaarheid van glaciale ruggen, inversieruggen, en dekzandruggen;
  • b. de landschappelijke openheid van essen en esgehuchten;
  • c. het besloten en kleinschalig open gebied Gorecht en Westerwolde.
  • d. karakteristieke laagten;
  • e. karakteristieke waterlopen, kanalen en wijken;
26.2 Verboden activiteiten

Het is verboden op de gronden de volgende activiteiten te verrichten :

  • a. voor op de kaart in bijlage 2 aangewezen glaciale ruggen, inversieruggen en dekzandruggen:
    • 1. het afgraven, diepploegen, egaliseren en afschuiven van glaciale ruggen, inversieruggen en dekzandruggen;
    • 2. het gebruik van gronden ten behoeve van houtteelt, boomteelt, fruitteelt en kwekerijen en de aanleg van nieuw bos;
  • b. voor op de kaart in bijlage 2 aangewezen essen en esgehuchten: het gebruik van gronden ten behoeve van houtteelt, bosbouw, boomteelt, alsmede bebossing en/of opgaande beplanting anders dan ten behoeve van erfbeplanting, wegbeplanting, schuilgelegenheid voor vee, tenzij ter plaatse gebruiksregels van 'Bos', 'Groen' en 'Natuur' van toepassing zijn, in welk geval de bestaande bebossing en opgaande beplanting is toegestaan;
  • c. voor op de kaart in bijlage 2 aangewezen besloten en kleinschalig open gebied Gorecht en Westerwolde: het kappen en rooien van houtwallen, houtsingels en meidoornhagen anders dan ten behoeve van het normale onderhoud;
  • d. voor op de kaart in bijlage 2 aangewezen karakteristieke waterlopen en kanalen en wijken:
    • 1. het verleggen of dempen van een waterloop;
    • 2. het wijzigen van het profiel van een waterloop.
26.3 Vergunningplicht overige activiteiten
26.3.1 Aanwijzing vergunningplicht overige activiteiten

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren, te doen en te laten uitvoeren: voor op de kaart in bijlage 2 aangewezen karakteristieke laagten: het diepploegen, ophogen, egaliseren of afschuiven van gronden;

26.3.2 Uitzonderingen vergunningsplicht

Het in lid 26.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. noodzakelijk zijn voor het aansluiten van bouwwerken op het net van openbare nutsvoorzieningen.
26.3.3 Beoordelingscriteria
  • a. De in lid 26.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de woonsituatie;
    • 3. de milieusituatie;
    • 4. de verkeersveiligheid;
    • 5. de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden;
    • 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
  • b. Voorzover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken.

Artikel 27 wetgevingzone - wijzigingsgebied 1

Binnen de met 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 1' aangewezen gebieden kunnen Burgemeester en wethouders, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • c. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • d. de woonsituatie;
  • e. de verkeersveiligheid; en
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden,

de bestemming van gebouwen van (voormalige) agrarische bedrijven en bijbehorende gronden met de bestemming 'Agrarisch' wijzigen in:

  • a. wonen waarbij het wonen slechts is toegestaan in het hoofdgebouw of in een bij het hoofdgebouw behorend karakteristiek gebouw en geen nieuwe woningen worden toegevoegd, met dien verstande dat worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het betrokken erf;
    • 2. de mogelijkheid van opslag van materialen en goederen op het erf wordt beperkt;
    • 3. het uitoefenen van detailhandel wordt beperkt tot een nevenactiviteit bij aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten voorzover de verkoop van producten een relatie hebben met de aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  • b. wonen waarbij het aantal wooneenheden per voormalig agrarisch bedrijf niet meer dan twee bedraagt, met dien verstande dat wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. het wonen is slechts toegestaan in het bestaande hoofdgebouw;
    • 2. de oppervlakte van het hoofdgebouw ten minste 180 m2 bedraagt;
    • 3. het toevoegen van een nieuwe woning past in het gemeentelijk woonbeleid;
    • 4. geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het betrokken erf;
    • 5. de mogelijkheid van opslag van materialen en goederen op het erf wordt beperkt;
    • 6. het uitoefenen van detailhandel wordt beperkt tot een nevenactiviteit bij aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten voorzover de verkoop van producten een relatie hebben met de aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
    • 7. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere grenswaarde;
  • c. wonen in combinatie met het bouwen van een nieuwe woning indien reeds een (bedrijfs)woning aanwezig is, mits:
    • 1. de nieuwe woning de woning vervangt die vanwege de bouwkundige staat, oppervlakte of inwendige vorm niet geschikt is of redelijkerwijs niet geschikt kan worden gemaakt voor een wijze van gebruik die voldoet aan de geldende bouwkundige voorschriften of aan hedendaagse eisen op het gebied van wooncomfort;
    • 2. de bestaande woning wordt gesloopt alsmede de bijbehorende bouwwerken voor zover deze in visueel landschappelijk opzicht niet bij de nieuwe woning passen;
    • 3. de ruimtelijk relevante kenmerken van de nieuwe bebouwing zoals onder meer bepaald wordt door de schaal en maat, en de erfinrichting passen in het voor het betrokken gebied kenmerkende bebouwingsbeeld;
    • 4. de gezamenlijke oppervlakte van een woning en bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 300 m2, tenzij voor de ruimtelijke inpassing van de nieuwe bebouwing een grotere oppervlakte noodzakelijk is in welk geval deze oppervlakte niet meer bedraagt dan die van de te slopen bebouwing als bedoeld in het tweede lid;
    • 5. over de ruimtelijke inpassing van de nieuwe bebouwing advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke- of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur;
    • 6. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere grenswaarde;
  • d. wonen waarbij het wonen slechts is toegestaan in het hoofdgebouw of in een bij het hoofdgebouw behorend karakteristiek gebouw, in combinatie met het toevoegen van een of twee nieuwe woningen ter compensatie van de gesloopte bebouwing, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
    • 1. de agrarische bedrijfsactiviteiten zijn en blijven gestaakt;
    • 2. alle voormalige agrarische bebouwing op het perceel wordt gesloopt. Het betreft voor hergebruik niet geschikte of niet geschikt te maken niet-karakteristieke of niet-beeldbepalende bebouwing. Hierbij hoeft de voormalige bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken niet gesloopt te worden, in die zin dat daarvan maximaal van 300 m2 aan bebouwing mag blijven staan ten behoeve van de te realiseren woonbestemming;
    • 3. er mag ter compensatie van de sloop van de voormalige agrarische bebouwing maximaal één woning gebouwd worden wanneer er ten minste 750 m2 bebouwing gesloopt;
    • 4. in afwijking van het bepaalde onder 3 mogen er maximaal twee woningen gebouwd worden wanneer er ten minste 2.000 m2 bebouwing gesloopt wordt;
    • 5. het is mogelijk om te slopen bebouwing van meerdere percelen onderdeel uit te laten maken van de planvorming om te komen tot een sloopnorm van ten minste 750 m2. Dit geeft een recht voor de bouw van maximaal één compensatiewoning;
    • 6. de ruimtelijke kwaliteit door de sloop en vervangende nieuwbouw verbetert;
    • 7. het toevoegen van één of twee nieuwe woningen past in het gemeentelijk woonbeleid;
    • 8. de gezamenlijke oppervlakte van een op te richten woning met bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer bedraagt dan 300 m2 waarbij een maximum bebouwingspercentage van 20% van het bouwperceel geldt;
    • 9. de nieuw te bouwen woning of woningen wordt of worden gebouwd op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, tenzij gemotiveerd wordt dat het bouwen van een woning of twee woningen op deze locatie uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is. In dat geval mag de woning of mogen de woningen op een andere locatie worden gebouwd;
    • 10. in het geval een nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, wordt onder begeleiding van een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur zorg gedragen voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
    • 11. in het geval een nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op een andere locatie dan op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur;
    • 12. de ruimtelijk relevante kenmerken van de nieuwe bebouwing, zoals onder meer bepaald wordt door de schaal en maat, en de erfinrichting, passen in het voor het betrokken gebied kenmerkende landschaps- en bebouwingsbeeld;
    • 13. de betreffende gronden waar de woning of woningen wordt of worden gebouwd is of zijn niet gelegen binnen de op kaart 6 van de Provinciale Omgevingsverordening van de provincie Groningen aangegeven 'NNN-beheergebieden, 'NNN-natuurgebieden', 'NNN-beheer aanpassingsgebied', 'NNN-natuur aanpassingsgebied', het 'Zoekgebied robuuste verbindingszone' of de 'bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland';
    • 14. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere grenswaarde.

Artikel 28 wetgevingzone - wijzigingsgebied 2

Binnen de met 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 2' aangewezen gebieden kunnen Burgemeester en wethouders, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • a. de te realiseren woningen passen binnen het gemeentelijk woonbeleid;
  • b. er zijn geen milieuhygiënische belemmeringen; en
  • c. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld. De ruimtelijke opzet en vormgeving van de woonhuizen dient aan te sluiten bij het bebouwingspatroon van de omgeving;
    • 2. de woonsituatie van aangrenzende gronden;
    • 3. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende gronden;
    • 4. de verkeersveiligheid in de nabije omgeving.

Hoofdstuk 6 Algemene regels activiteiten

Artikel 29 Anti-dubbeltelregel

29.1 overige zone - anti-dubbeltelregeling

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - anti-dubbeltelregeling' geldt de volgende regel:

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 30 Algemene bouwregels

30.1 overige zone - algemene bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - algemene bouwregels' gelden de volgende regels:

30.2 Vergunningsvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. het bebouwings- en/of landschapsbeeld;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • c. de cultuurhistorische waarden;
  • d. de natuurlijke waarden;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de sociale veiligheid;
  • g. de verkeersveiligheid;
  • h. de watersituatie;
  • i. de woonsituatie.
30.3 Bestaande afmetingen en situeringen
  • a. Daar waar bestaande afstanden meer of minder bedragen dan ingevolge de bouwregels is voorgeschreven, worden de bestaande afstanden als ten hoogste respectievelijk ten minste toelaatbaar aangehouden.
  • b. In die gevallen dat bestaande percentages, dakhellingen, kapvormen, bouw- en goothoogten, inhoud, oppervlakten en/of gevelindelingen afwijken van de bouwregels, worden de bestaande maatvoeringen als toelaatbaar aangehouden.
  • c. In die gevallen waar wordt afgeweken van de ingevolge de bouwregels vereiste situering van bouwwerken, wordt de bestaande situering van een bouwwerk als toelaatbaar aangehouden.
30.4 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen mogen in afwijking van dit plan uitsluitend worden overschreden door:

  • a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), liftschachten, galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, serres, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits:
    • 1. de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 m;
    • 2. de gronden niet zijn voorzien van een dubbelbestemming genoemd in hoofdstuk 5;
  • b. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits:
    • 1. de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m;
    • 2. de gronden niet zijn voorzien van een dubbelbestemming genoemd in hoofdstuk 5.

Artikel 31 Algemene gebruiksregels

31.1 overige zone - algemene gebruiksregels

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - algemene gebruiksregels' gelden de volgende regels:

31.2 Verboden gebruiksactiviteiten

De gronden en bouwwerken mogen in ieder geval niet worden gebruikt voor:

  • a. het storten van puin en afvalstoffen, anders dan in het kader van de in het plan toegestane bedrijfsvoering;
  • b. de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan voor de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  • c. de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen;
  • d. een seksinrichting;
  • e. kamperen en kampeermiddelen, voorzover niet toegelaten op grond van de geldende bestemming.
31.3 Landschappelijke inpassing

Ter plaatse van de in bijlage 3 opgenomen percelen is het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken in dit bestemmingsplan slechts toegestaan indien de voor die percelen in bijlage 3 benodigde landschappelijke inpassing van de gronden is dan wel wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

Artikel 32 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten

32.1 overige zone - aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten' gelden de volgende regels:

De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt ook verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd stadsgezicht, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, in de volgende gevallen:

  • a. het bepaalde in de van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages, met dien verstande:
    • 1. dat de bouwhoogte van reclamemasten ten hoogste 6 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van windturbines ten hoogste 15 m bedraagt;
  • b. de regels ten behoeve van het vergroten van overige bouwwerken, tot ten hoogste 10 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van reclamemasten ten hoogste 6 m bedraagt;
  • c. de regels ten behoeve van het bouwen van gebouwen en overige bouwwerken, van openbaar nut, zoals gemalen, transformatorstations, gasdrukregel- en meetstations, telefooncellen, wachthuisjes en dergelijke, met dien verstande dat:
    • 1. de inhoud ten hoogste 100 m2 bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte ten hoogste 3 m bedraagt.

Artikel 33 Algemene aanduidingsregels

33.1 geluidzone - industrie

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' gelden de volgende regels:

33.1.1 Regels voor bouwactiviteiten

Voor het bouwen van gebouwen geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' een op grond van de bestemming toelaatbaar geluidsgevoelig gebouw niet mag worden gebouwd, met uitzondering van geluidsgevoelige gebouwen wanneer de geluidbelasting niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, verkregen hogere grenswaarde of vastgestelde ten hoogste toegestane geluidbelasting.

33.1.2 Verboden gebruiksactiviteiten

Onder strijdig gebruik ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' wordt begrepen het gebruik van gebouwen als geluidsgevoelig object.

33.1.3 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

Er kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 33.1.2, mits de geluidbelasting vanwege het industrieterrein van de gevels van deze geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.

33.2 luchtvaartverkeerzone - hoogtebeperkingsgebied

Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - hoogtebeperkingsgebied' gelden de volgende regels:

33.2.1 Regels voor bouwactiviteiten

Voor het bouwen van bouwwerken geldt ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - hoogtebeperkingsgebied' dat de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte hoogtebeperkingsgebied (m)' aangegeven bouwhoogte niet mag worden overschreden. De geldende bouwhoogte dient tussen de op de verbeelding aangegeven aanduidingslijnen door lineaire interpolatie te worden bepaald.

33.2.2 Verboden gebruiksactiviteiten

Onder strijdig gebruik ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - hoogtebeperkingsgebied' wordt begrepen het aanleggen en instandhouden van opgaande beplanting hoger dan de ter plaatse aangegeven 'maximum bouwhoogte hoogtebeperkingsgebied (m)'.

33.3 overige zone - zonnepark

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - zonnepark' gelden de volgende regels:

33.3.1 Algemeen

De voor 'overige zone - zonnepark' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar geldende bestemming(en), mede bestemd voor het gedurende een periode van maximaal 30 jaar opwekken en opslaan van energie door middel van het omzetten van zonlicht in elektriciteit en/of warmte met gebruik van zonnepanelen, met de daarbij behorende voorzieningen.

33.3.2 Regels voor bouwactiviteiten
  • a. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
    • 1. er zullen uitsluitend bedrijfsgebouwen en/of overkappingen ten behoeve van het opwekken, het opslaan en de distributie van duurzame energie, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes en een inkoopstation worden gebouwd;
    • 2. de bouwhoogte van een bedrijfsgebouw of overkapping zal ten hoogste 3,00 m bedragen;
  • b. Voor het bouwen van zonnepanelen en de daarbij behorende voorzieningen gelden de volgende regels:
    • 1. per aanduidingsvlak zal ten hoogste één plaatsingssysteem worden toegepast;
    • 2. de zonnepanelen zullen per aanduidingsvlak in één richting worden geplaatst;
    • 3. de bouwhoogte van de zonnepanelen zal ten hoogste 2,50 m bedragen.
  • c. Voor het bouwen van overige andere bouwwerken geldt de volgende regel:
    • 1. de bouwhoogte van terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,50 m bedragen.
33.3.3 Regels voor gebruiksactiviteiten

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - zonnepark' is het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken slechts toegestaan indien:

  • a. de voor de percelen genoemd onder 5 tot en met 9 in bijlage 3 benodigde landschappelijke inpassing van de gronden is dan wel wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden;
  • b. het plaatsen en in werking hebben van een zonnepark voor een periode van maximaal 30 jaar plaatsvindt waarbij de volgende uiterlijke instandhoudingstermijn geldt:
a overige zone - zonnepark Alteveer
b overige zone - zonnepark Musselkanaal
  • 2. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - zonnepark Musselkanaal' zoals genoemd in de omgevingsvergunning d.d. 20 november 2020 met zaaknummer Z2020-00005762, en wel onder paragraaf 1.5: 30 jaar gerekend vanaf het moment dat is aangetoond dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is of als door het bevoegd gezag ingestemd is met het saneringsplan;
c overige zone - zonnepark Noorderdiep
d overige zone - zonnepark Gedempte Vleddermond
e overige zone - zonnepark Noord
  • c. de bestaande toestand dient hersteld te zijn na afloop van de genoemde periode van 30 jaar. Het zonnepark met bijbehorende voorzieningen, waaronder de frames met panelen, overige bouwwerken en kabels en leidingen en aangelegde beplanting dienen verwijderd te zijn na afloop van het uiterlijke instandhoudingstermijn van het betreffende zonnepark.
33.4 veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen

Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' gelden de volgende regels:

33.4.1 Algemeen

De voor 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, mede aangewezen voor het tegengaan van de vestiging van objecten voor langdurig verblijf van groepen verminderd zelfredzame personen.

33.4.2 Regels voor gebruiksactiviteiten

Gronden en opstallen ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' mogen niet worden gebruikt voor de vestiging van objecten voor langdurig verblijf van groepen verminderd zelfredzame personen.

33.5 vrijwaringszone - straalpad

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - straalpad' gelden de volgende regels:

33.5.1 Algemeen

Deze gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemmingen), tevens bestemd voor (werken ten behoeve van) een straalpad.

33.5.2 Regels voor bouwactiviteiten

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - straalpad' mag, in afwijking van het bepaalde bij de andere voor die gronden aangewezen bouwregels de bouwhoogte van bouwwerken ten hoogste 50 m bedragen.

Artikel 34 Algemene afwijkingsregels

34.1 overige zone - algemene afwijkingsregels

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - algemene afwijkingsregels' gelden de volgende regels:

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd stadsgezicht, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van:

  • a. het bepaalde in de van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages, met dien verstande:
    • 1. dat de bouwhoogte van reclamemasten ten hoogste 6 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van windturbines ten hoogste 15 m bedraagt;
  • b. de regels ten behoeve van het vergroten van overige bouwwerken, tot ten hoogste 10 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van reclamemasten ten hoogste 6 m bedraagt;
  • c. de regels ten behoeve van het bouwen van gebouwen en overige bouwwerken, van openbaar nut, zoals gemalen, transformatorstations, gasdrukregel- en meetstations, telefooncellen, wachthuisjes en dergelijke, met dien verstande dat:
    • 1. de inhoud ten hoogste 100 m³ bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte ten hoogste 3 m bedraagt.

Artikel 35 Regels met betrekking tot bomen

35.1 overige zone - regels met betrekking bomen

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels met betrekking bomen' gelden de volgende regels:

35.2 Algemeen
  • a. In dit artikel wordt verstaan onder:
    • 1. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;
    • 2. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.
  • b. In dit artikel wordt onder vellen mede verstaan:
    • 1. omzagen;
    • 2. rooien;
    • 3. knotten of kandelaberen;
    • 4. het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben;
    • 5. verplanten, met uitzondering van het ter plaatse lichten of laten zakken van bomen binnen een straal van één meter.
35.3 Aanwijzing vergunningplicht voor het vellen van houtopstanden

Het is verboden ter plaatse van de locatie 'overige zone - regels met betrekking bomen' zonder omgevingsvergunning:

  • a. een houtopstand te vellen of te doen vellen;
  • b. gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende bomenziekte kan verspreiden.
35.4 Uitzondering vergunningplicht
  • a. De vergunningplicht onder 35.3 geldt niet voor de volgende soorten bomen:
    • 1. wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;
    • 2. alle hagen;
    • 3. alle soorten naaldbomen (waaronder coniferen, dennen en sparren);
    • 4. alle soorten fruitbomen;
    • 5. meidoornbomen;
    • 6. berken;
    • 7. kweekgoed;
    • 8. houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouw- ondernemingen en niet gelegen is binnen de bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, ofwel in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale rijen, niet meer bomen omvat dan 20.
  • b. De vergunningplicht geldt verder niet voor:
    • 1. als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen;
    • 2. het periodiek vellen van een houtopstand ter uitvoering van regulier onderhoud.
35.5 Beoordelingsregels

Een vergunning als bedoeld in 35.3 wordt verleend indien:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de natuurwaarde van de houtopstand;
    • 2. de landschappelijke waarde van de houtopstand;
    • 3. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
    • 4. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
    • 5. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand.
  • b. in het geval van vellen van een boom een belangenafweging heeft plaatsgevonden waarbij ten minste één van de volgende belangen aan de orde is:
    • 1. waardering;
    • 2. overlast;
    • 3. kwaliteit;
    • 4. dringende redenen .
35.6 Voorschriften omgevingsvergunning

Burgemeester en wethouders kunnen aan de in lid 35.3 bedoelde vergunning voorschriften verbinden:

  • a. ter bescherming van in- en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna;
  • b. bestaande uit een herplantplicht of een financiële compensatie.
35.7 Bestrijding van boomziekten
  • a. Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van ziekteverspreiders, zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:
    • 1. de houtopstand te vellen;
    • 2. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.
  • b. Het niet voldoen aan de sub a bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

Artikel 36 Regels met betrekking tot het aanleggen of veranderen van een uitweg

36.1 overige zone - regels met betrekking tot het aanleggen of veranderen van een uitweg

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties ter plaatse van de aanduiding overige zone - regels met betrekking tot het aanleggen of veranderen van een uitweg':

36.2 Aanwijzing vergunningplicht voor het maken of veranderen van een uitweg

Het is verboden op de locatie 'overige zone - regels met betrekking tot het aanleggen of veranderen van een uitweg' zonder omgevingsvergunning :

  • a. een uitweg te maken naar de weg;
  • b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; of
  • c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
36.3 Beoordelingsregels

Een vergunning als bedoeld in 36.2 wordt verleend indien:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bruikbaarheid van de weg;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de veiligheid en doelmatig gebruik van de weg; in het belang van de bruikbaarheid van de weg;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
  • e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van groenvoorzieningen
  • f. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het milieu;
  • g. de uitweg:
    • 1. niet breder is dan 3,5 meter ten behoeve van een woning;
    • 2. niet breder is dan 6 meter ten behoeve van een bedrijf;
  • h. het gebouw, adres en/of perceel niet reeds door een uitweg wordt ontsloten;
  • i. het maximaal één uitweg betreft ten behoeve van een nieuw uit te geven bouwperceel of kavel.
36.4 Uitzondering vergunningplicht

Het bepaalde in lid 36.2 is niet van toepassing op beperkingenactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale verordening of waterschapsverordening.

Artikel 37 Regels met betrekking tot het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg

37.1 overige zone - regels met betrekking tot het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg

De regels in dit artikel zijn van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels met betrekking tot het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg'.

37.2 Aanwijzing vergunningplicht voor het plaatsen van voorwerpen op de weg

Het is verboden op de locatie 'overige zone – regels met betrekking tot het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg' zonder omgevingsvergunning de weg of een weggedeelte te gebruiken voor het plaatsen van voorwerpen anders dan overeenkomstig de functie daarvan is toegestaan .

37.3 Beoordelingsregels

De vergunning als bedoel in 37.2 wordt verleend indien:

  • a. het beoogde gebruik:
    • 1. geen schade toebrengt aan de weg;
    • 2. geen gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; dan wel
    • 3. geen belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
  • b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving, voldoet aan de redelijke eisen van welstand;
  • c. geen sprake is van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
37.4 Uitzondering vergunningplicht
  • a. Het verbod als bedoeld in 37.2 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, de Wegenverkeerswet 1994 of het Provinciaal wegenreglement.
  • b. De vergunningplicht als bedoeld in 37.2 geldt niet voor:
    • 1. evenementen;
    • 2. standplaatsen.
37.5 Nadere voorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen nadere voorschriften verbinden aan het plaatsen van objecten op of aan de weg om het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel het doelmatig beheer en onderhoud van de weg te bevorderen.

Artikel 38 Regels met betrekking tot parkeren

38.1 overige zone - regels met betrekking tot parkeren

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels met betrekking tot parkeren'.

38.2 Voldoende parkeergelegenheid
  • a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden;
  • b. De omgevingsvergunning voor het bouwwerk wordt beoordeeld aan de hand van de parkeernormen in de CROW-uitgave 2018 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381), met dien verstande dat indien voornoemde uitgave gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.

Artikel 39 Regels met betrekking tot reclame-uitingen

39.1 overige zone - regels met betrekking tot reclame-uitingen

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels met betrekking tot reclame-uitingen'.

39.2 Aanwijzing vergunningplicht hinderlijke of gevaarlijke reclame

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

39.3 Uitzondering vergunningplicht hinderlijke of gevaarlijke reclame

Het verbod in lid 39.2 is niet van toepassing in gevallen waarin door burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken in de afweging.

39.4 Beoordelingsregels
39.4.1 Weigering

Een vergunning als bedoeld in 39.2 wordt verleend indien:

  • a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving voldoet aan redelijke eisen met welstand;
  • b. er geen verkeersonveilige;
  • c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van het in de nabijheid gelegen onroerend goed.
39.4.2 Uitzondering

De weigeringsgrond als bedoeld in lid 39.4.1 geldt niet:

  • a. voor bouwwerken;
  • b. voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de van toepassing zijnde milieuwetgeving.

Artikel 40 Regels met betrekking tot welstand

40.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - welstandsgebied algemeen'' en van de aanduiding 'overige zone - welstandsgebied buitengebied''.

40.2 Redelijke eisen van welstand

Bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand. Of hiervan sprake is wordt per deelgebied beoordeeld aan de hand van de welstandscriteria die zijn opgenomen in de volgende leden:

40.2.1 overige zone - welstandsgebied algemeen
40.2.2 overige zone - welstandsgebied buitengebied

Artikel 41 Overige regels

41.1 overige zone - overige regels

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - overige regels' gelden de volgende regels:

41.2 Voldoende parkeergelegenheid
  • a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
  • b. De omgevingsvergunning voor het bouwwerk wordt beoordeeld aan de hand van de parkeernormen in de CROW-uitgave 2018 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381), met dien verstande dat indien voornoemde uitgave gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.
41.3 Duisternis

Er mag geen nieuwe ligboxenstal worden gebouwd waarbinnen de lichtsterkte meer dan 150 lux bedraagt, tenzij de stal tussen 20.00 uur en 6.00 uur is voorzien van voorzieningen die de lichtuitstraling met ten minste 90% reduceren.

Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotregels

Artikel 42 Overgangsrecht

42.1 overige zone - overgangsrecht

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - overgangsrecht' gelden de volgende regels:

42.2 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sublid a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid a. met maximaal 10%.
  • c. Sublid a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan of de daarvoor geldende beheersverordening, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan of die beheersverordening.
42.3 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het sublid a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in sublid a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Sublid a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan of de daarvoor geldende beheersverordening, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan of die beheersverordening.