direct naar inhoud van Artikel 29 Wonen - 4
Plan: Bestemmingsplan Bellingwolde
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0007.030403-VG01

Artikel 29 Wonen - 4

 

29. 1.    Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen - 4’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor:

1.    een aan-huis-verbonden beroep c.q. een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit zoals genoemd in bijlage 2;

2.    educatieve en sociaal-culturele doeleinden, ter plaatse van de aanduiding ‘maatschappelijk’;

b.    woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor:

1.    recreatieve dienstverlenende bedrijven, ambachtelijke bedrijvigheid, kunstnijverheidsbedrijven en bezoekerstuinen, die zijn genoemd in bijlage 3;

2.    logiesverstrekking;

3.    complementaire daghorecabedrijven;

4.    productiegebonden detailhandel;

voorzover het bouwpercelen met een oppervlakte van ten minste 1.500 m² betreft;

c.    aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een woon­huis;

met daaraan ondergeschikt:

d.    woonstraten en paden;

e.    parkeervoorzieningen;

f.     groenvoorzieningen;

g.    nutsvoorzieningen;

h.    water;

met de daarbijbehorende:

i.      tuinen en erven;

j.      bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

29. 2.    Bouwregels

29. 2. 1. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

a.    als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;

b.    een hoofdgebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd;

c.    een hoofdgebouw zal vrijstaand worden gebouwd;

d.    het aantal woningen per bouwvlak zal ten hoogste één bedragen;

e.    de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens zal ten minste 3,00 m bedragen;

f.     ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ zullen de goot- en bouwhoogte van een gebouw ten hoogste de aangegeven hoogte bedragen;

g.    de dakhelling van een hoofdgebouw zal ten minste 30° bedragen;

h.    de dakhelling van een hoofdgebouw zal ten hoogste 60° bedragen.

29. 2. 2. Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

a.    de aan- en uitbouwen en overkappingen zullen ten minste 3,00 m achter de naar de weg(en) gekeerde gevel(s) van het hoofdge­bouw dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd;

b.    bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’;

c.    de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 650 m² bedragen;

d.    de afstand van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tot de zijdelingse perceelgrens zal ten minste 3,00 m bedragen;

e.    de goothoogte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zal ten hoogste 3,00 m bedragen;

f.     in afwijking van het bepaalde in sub e. zullen de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ aangegeven hoogte bedragen;

g.    de dakhelling van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen zal ten hoogste 30° bedragen;

h.    in afwijking van het bepaalde in sub g. zal de dakhelling van een bijgebouw, ter plaatse van de aanduiding ‘maximale dakhelling (graden)’ ten hoogste de aangegeven dakhelling bedragen;

i.      de bouwhoogte van een overkapping zal ten hoogste 3,00 m bedragen.

29. 2. 3. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

a.    de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan ten hoogste 2,00 m zal bedragen;

b.    de bouwhoogte van de overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.

29. 3.    Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveilig­heid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing.

29. 4.    Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd dorpsgezicht, het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, ontheffing verlenen van:

a.    het bepaalde in lid 29.2.1. sub b. en toestaan dat de hoofdgebouwen in beperkte mate buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits:

1.    de oppervlakte van het buiten het bouwvlak gebouwde gedeelte van het hoofdgebouw ten hoogste 30% van de oppervlakte van het bouwperceel zal bedragen;

2.    minimaal 75% van het hoofdgebouw binnen het bouwvlak blijft gesitueerd;

3.    indien een gevelbouwgrens is aangegeven, de gevelbouwgrens of het verlengde daarvan niet wordt overschreden;

4.    de geluidbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeurgrenswaarde, of een vastgestelde hogere grenswaarde;

b.    het bepaalde in lid 29.2.1. sub e. en lid 29.2.2. sub d. en toestaan dat de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelgrens wordt ver­kleind;

c.    het bepaalde in lid 29.2.1. sub f. en toestaan dat de goothoogte van een hoofdgebouw wordt vergroot tot ten hoogste 6,00 m;

d.    het bepaalde in lid 29.2.1. sub g. en toestaan dat de dakhelling van een hoofdgebouw wordt verkleind c.q. dat een hoofdgebouw (gedeeltelijk) wordt voorzien van een plat dak;

e.    het bepaalde in lid 29.2.1. sub i. en lid 29.2.2. sub g. en h. en toestaan dat de dakhelling van gebouwen wordt vergroot tot ten hoogste 80°;

f.     het bepaalde in lid 29.2.2. sub a en toestaan dat de aan- en uitbouwen en overkappingen in de naar de weg(en) gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, dan wel in het verlengde daarvan worden gebouwd.

29. 5.    Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van bijgebouwen voor bewoning;

b.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijfsdoeleinden, anders dan in de vorm van de in bijlage 3 aangegeven vormen van bedrijvigheid;

c.    het gebruik van gebouwen ten behoeve van de in lid 29.1. sub a. onder 1. en sub b. genoemde functies, zodanig dat de bedrijfsvloeroppervlakte meer bedraagt dan 40% van de totale gezamenlijke vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel;

d.    het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.

29. 6.    Ontheffing van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd dorpsgezicht, het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, ontheffing verlenen van:

 

-       het bepaalde in lid 29.5. sub d. en toestaan dat de gronden worden gebruikt ten behoeve van een minicamping, mits:

1.    ten hoogste 15 kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, per bouwperceel, worden geplaatst;

2.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het gebied;

3.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woon- of be­drijfssituatie op nabijgelegen percelen;

4.    het kamperen niet binnen de periode van 1 november - 15 maart zal plaatsvinden;

5.    het kamperen direct aansluitend op de erven van de woonpercelen zal plaatsvinden;

6.    sanitaire voorzieningen zoveel mogelijk zullen worden ondergebracht in de bestaande bebouwing;

7.    het perceel waarop gekampeerd zal worden op een afstand van ten minste 50 meter van geluidsgevoelige objecten is gelegen;

8.    er dient een goede landschappelijke inpassing gewaarborgd te worden.