direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch - Bedrijf
Plan: Wedderbergen - Wedderveer
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0007.010402-0001

Artikel 3 Agrarisch - Bedrijf

 

3. 1.       Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Agrarisch - Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    gebouwen ten behoeve van:

1.    agrarische bedrijven met een in hoofdzaak grondgebonden bedrijfsvoering;

2.    agrarische bedrijven met een in hoofdzaak grondgebonden bedrijfsvoering, in combinatie met een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - gemengd agrarisch bedrijf’;

3.    een kwekerij- c.q. hoveniersbedrijf, al dan niet in combinatie met detailhandel in tuininrichtingsartikelen en -benodigdheden, voorzover ten dienste van en ondergeschikt aan de bedrijfsfunctie, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - kwekerijbedrijf’;

4.    bedrijfswoningen;

b.    aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen;

c.    het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden;

d.    de bescherming van de functie van de in het aanliggende gebied gesitueerde molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element, ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’;

en in beperkte mate voor:

e.    water;

met de daarbijbehorende:

f.     wegen, straten en paden;

g.    groenvoorzieningen;

h.    parkeervoorzieningen;

i.      nutsvoorzieningen;

j.      torensilo’s;

k.    tuinen, erven en terreinen;

l.      bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3. 2.       Bouwregels

3. 2. 1. Voor het bouwen van de in lid 3.1. sub a. genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

a.    de gebouwen zullen binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b.    het aantal bedrijfswoningen zal ten hoogste één per agrarisch bedrijf bedragen, tenzij de aanduiding ‘maximum aantal bedrijfswoningen’ is aangegeven, in welk geval het aantal bedrijfswoningen ten hoogste het aangegeven aantal zal bedragen;

c.    de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering zal, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - gemengd agrarisch bedrijf’, voor wat betreft de stalruimte, niet meer bedragen dan:

-       1700 m² oppervlakte in combinatie met ten hoogste 25.000 vleeskuikens;

d.    de oppervlakte van een bedrijfswoning zal ten hoogste 120 m² bedragen, ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;

e.    indien in het bouwvlak een gevellijn is aangegeven, zal (zullen) per hoofdgebouw één (of meer) gevel(s) in de gevelbouwgrens worden gebouwd;

f.     ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ zal de afstand van de bedrijfswoning tot de zijdelingse perceelgrens ten minste 10,00 m bedragen;

g.    ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ zal de afstand van de bedrijfswoning tot de weg ten minste 12,00 m bedragen;

h.    de goothoogte van een bedrijfswoning zal ten hoogste 8,00 m bedragen;

i.      de goothoogte van overige gebouwen zal ten hoogste 5,50 m bedragen;

j.      de dakhelling van een gebouw zal ten minste 20° bedragen;

k.    de dakhelling van een gebouw zal ten hoogste 60° bedragen.

3. 2. 2. Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:

a.    de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zal ten hoogste 70 m² bedragen;

b.    de goothoogte van een aan- of uitbouw of bijgebouw zal ten hoogste 3,50 m bedragen;

c.    de bouwhoogte van een overkapping zal ten hoogste 3,50 m bedragen.

3. 2. 3. Voor het bouwen van torensilo’s gelden de volgende regels:

a.    er zullen ten hoogste 2 torensilo's per agrarisch bedrijf worden gebouwd;

b.    de bouwhoogte van een torensilo zal ten hoogste 15,00 m bedra­gen.

3. 2. 4. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

a.    de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning c.q. het verlengde daarvan ten hoogste 1,00 m zal bedragen;

b.    de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak zal ten hoogste 10,00 m bedragen;

c.    de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak zal ten hoogste 5,00 m bedragen.

3. 3.       Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, na­dere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing.

3. 4.       Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, ontheffing verlenen van:

 

a.    het bepaalde in lid 3.2.1. sub a. en toestaan dat de gebouwen gedeeltelijk buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits:

1.    de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;

2.    de totale oppervlakte van de gebouwen niet groter is dan de oppervlakte van het bouwvlak;

b.    het bepaalde in lid 3.2.1. sub c en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ten behoeve van een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering wordt vergroot, mits:

1.    deze ontheffing uitsluitend wordt verleend ten behoeve van de verbetering van het dierenwelzijn en/of het verbeteren van de milieusituatie bij een gelijkblijvende productieomvang en bij een gelijkblijvend aantal dieren;

2.    bij toepassing van deze ontheffingsbevoegdheid de richtlijnen van het Informatie- en Kenniscentrum Landbouw gehanteerd worden;

c.    het bepaalde in lid 3.2.1. sub g en h en toestaan dat de goothoogte van een gebouw wordt vergroot;

d.    het bepaalde in lid 3.2.1. sub i en toestaan dat de dakhelling van een gebouw wordt verlaagd c.q. dat een gebouw (gedeeltelijk) wordt voorzien van een plat dak.

3. 5.       Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van de bedrijfsgebouwen en vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;

b.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een intensief veehouderijbedrijf, tenzij de gronden ter plaatse zijn voorzien van de aanduiding ‘‘specifieke vorm van agrarisch - gemengd agrarisch bedrijf’;

c.    het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;

d.    het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de uitoefening van detailhandel, tenzij de gronden ter plaatse zijn aangeduid als ‘specifieke vorm van bedrijf - kwekerijbedrijf’, in welk geval detailhandel in tuininrichtingsartikelen en -benodigdheden is toegestaan;

e.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een horecabedrijf.

3. 6.       Ontheffing van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, ontheffing verlenen van:

 

a.    het bepaalde in lid 3.5. sub c. en toestaan dat de gronden worden gebruikt ten behoeve van een minicamping, mits:

1.    het aantal kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, ten hoogste 15 bedraagt;

2.    de minicamping landschappelijk wordt ingepast waarbij het kamperen zoveel mogelijk achter de gebouwen (woningen, boerderijen) wordt ingepast;

3.    uitsluitend in de periode van 1 maart tot 1 oktober wordt gekampeerd;

4.    het betreffende perceel goed bereikbaar is;

5.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het landschappelijk karakter van het aangrenzende agrarische gebied;

b.    het bepaalde in lid 3.5. sub d. en toestaan dat de gronden en bouwwerken worden gebruikt voor productiegebonden detailhandel, mits:

1.    de productiegebonden detailhandel in de bestaande bebouwing plaatsvindt en een lokaal verzorgingsgebied heeft;

2.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het winkelapparaat in Wedde.

3. 7.       Aanlegvergunning

3. 7. 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

-       het verwijderen van erfbeplanting;

3. 7. 2. Het in lid 3.7.1. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

a.    het normale onderhoud betreffen;

b.    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

c.    noodzakelijk zijn voor het aansluiten van bouwwerken op het net van openbare voorzieningen.

3. 7. 3. De in lid 3.7.1. genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het open landschap.