direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Hunnenweg VI
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0203.1486-0001

Toelichting

Hoofdstuk 1 INLEIDING

Aan de Hunnenweg te Voorthuizen bevindt zich het terrein 'Prinsenbosch'. Het terrein heeft in het verleden verschillende functies gehad. Aanvankelijk had het een recreatieve bestemming. In de periode rond het jaar 2000 is het terrein vervolgens tijdelijk in gebruik geweest voor de opvang van asielzoekers. Nadat de opvang van asielzoekers was beëindigd, is alle bebouwing gesloopt. De realisatie van de woonbestemming zoals die in het geldende bestemmingsplan uit 2009 is vastgelegd werd vertraagd door de crisis. De hoofdwegen- en hoofdgroenstructuur voor het woningbouwplan is reeds aangelegd. In 2017 hebben de gemeente Barneveld en grondeigenaar Molenstaete B.V. besloten om de locatie, zonder vergroting van het vigerend toegestane bebouwd oppervlak, te herontwikkelen tot een 'nieuw buurtschap' met 39 woningen. De bestaande Veldbeek wordt hierbij verruimd en de bestaande groenstructuren langs de randen en de bestaande infrastructuur worden zoveel als mogelijk ingepast. Daarnaast wordt vanuit de planexploitatie een substantiële financiële bijdrage geleverd aan natuurontwikkeling buiten het plangebied.


De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Daarom is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.

Voorliggend plan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na dit hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de bestaande situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving van het plan gegeven. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens in op het beleidskader. Het vijfde hoofdstuk gaat in op de randvoorwaarden, waarna in het zesde hoofdstuk de juridische aspecten worden besproken. In hoofdstuk 7 is aandacht voor de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op de resultaten van de procedure ten behoeve van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 BESTAANDE SITUATIE

2.1 Begrenzing plangebied

Het plangebied ligt aan de Hunnenweg ten noordoosten van de kern Voorthuizen. Deze weg vormt de westzijde van het plangebied. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door enkele bebouwde en onbebouwde percelen aan de Meeuwenveenseweg. Aan de oostzijde vormt een tweetal verblijfsrecreatieterreinen aan de Zevenbergjesweg de grens van het plangebied. De grens aan de zuidzijde wordt gevormd door enkele onbebouwde agrarische percelen, een woonperceel en de golfbaan. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1486-0001_0001.png"

Luchtfoto plangebied (rood omkaderd) en omgeving.

2.2 Geldende bestemmingen

Het plangebied ligt in het bestemmingsplan "Grenscorrecties" en heeft de bestemming(en) Groen, Tuin, Verkeer - Verblijf, Water en Wonen. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan. Het stedenbouwkundig plan voor het initiatief voorziet ook in deze functies, maar de verdeling van deze functies binnen het plangebied is anders van opzet dan beoogd in het geldende bestemmingsplan. De sfeer, de speelse groene verkaveling en het gedifferentieerde woningprogramma van 'Buurtschap Prinsenbosch' zijn anders dan de strakke, formele verkaveling met 15 grote villa's (van circa 2800 m3) in het geldende bestemmingsplan. Slechts 50% van het terrein is uitgeefbaar als kavel, de resterend 50% bestaat hoofdzakelijk uit natuur, water en collectief groen. Het vigerend toegestane bebouwd oppervlak wordt niet vergroot en het woningbouwprogramma bestaat uit meer, kleinere woningen. Realisatie van het stedenbouwkundig plan is binnen de geldende bestemming(en) niet toegestaan.

In het geldende bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken, bijvoorbeeld door wijziging of afwijken met een omgevingsvergunning. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1486-0001_0002.png"

Uitsnede verbeelding geldende bestemmingsplan "Grenscorrecties".

2.3 Ontstaansgeschiedenis

Het terrein ‘Prinsenbosch’ (circa 7,8 hectare) ligt aan de Hunnenweg in een landelijke omgeving op relatief jonge heideontginningen. De Hunnenweg is sedert vele jaren een sterk bebouwde en bewoonde weg. Aan de achterzijde grenst het kavel aan het uitgestrekte recreatielandschap van Voorthuizen. Tot 2009 is het gebied bestemd geweest als conferentie-oord. Binnen deze bestemming konden ongeveer 150 recreatiebungalows gerealiseerd worden met bijbehorende voorzieningen. Omstreeks 1999 zijn de gronden echter aangewend voor de destijds urgente behoefte aan asielzoekershuisvesting. De gronden werden gebruikt voor een tijdelijk AZC (tot en met 2005) en zijn nadien voorzien van een permanente woonbestemming. De navolgende afbeelding toont het plangebied op topografische kaarten van verschillende periodes (van begin 19e eeuw tot anno nu).

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1486-0001_0003.png"

Globale ligging plangebied (rood omkaderd) op topografische kaarten van verschillende periodes (van begin 19e eeuw tot anno nu) (bron: Bosch Slabbers landschapsarchitecten)

2.4 Ruimtelijke structuur

Het plangebied wordt grotendeels omzoomd door houtwallen. Langs de Hunnenweg is echter sprake van een vrije inkijk in het plangebied, aangezien ter plaatse opgaande begroeiing ontbreekt. De houtwallen en de aanwezige verharding, die reeds ten behoeve van het woningbouwplan aangelegd werden, benadrukken de langgerekte vorm van het plangebied. Aan weerszijden van de verharding liggen agrarische gronden (grasland). De verharding is voor het grootse deel aan weerszijden voorzien van laanbomen. De aanwezige ruimtelijke structuur vormt een belangrijk uitgangspunt voor de stedenbouwkundige opzet die in hoofdstuk 3 is beschreven.

Hoofdstuk 3 PLANBESCHRIJVING

3.1 Algemeen

Het voornemen bestaat om ter plaatse van het plangebied een nieuwe buurtschap te realiseren,met aandacht voor het omliggende landschap en veel ruimte voor groen. Hiermee wordt aangesloten op de landelijke ligging van het plangebied, op afstand van de omliggende dorpskernen en aangrenzend aan de bossen van de Veluwe. Het plan biedt ruimte aan maximaal 39 woningen, waarvan 5 tot 10 appartementen of aaneengebouwde woningen.

3.2 Stedenbouwkundig plan

Om een nieuw buurtschap te realiseren, met veel ruimte voor groen is bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan aandacht besteed aan de volgende aspecten:

  • in de verkaveling aanzetten tot saamhorigheid (nabuurschap);
  • herstellen en beleefbaar maken van de veldbeek;
  • landschappelijke zichten behouden in het gebied;
  • gebied een adres geven aan de Hunnenweg;
  • een rijke schakering aan gebiedseigen landschapselementen ontwerpen (beekgebied, bosschages, bomenrijen, bloemrijke graslanden, hagen);
  • een landschapseigen verkaveling, niet te rigide;
  • met de verkaveling verschillen maken op basis van landschapseigen structuren;
  • een passende architectuur toepassen, met maximale vrijheid waar het kan en een geregisseerd beeld waar het wenselijk is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1486-0001_0004.png"

Stedenbouwkundig plan, BoschSlabbers

Woningen

Het plangebied is opgedeeld in vijf deelgebieden (zie volgende afbeelding), met ieder zijn eigen kenmerken:

  • Aan de Veldbeek: De woningen 'aan de Veldbeek' liggen in het beekdal van de beek en krijgen kavels die enigszins verhoogd in het landschap liggen. In dit deel van het plangebied worden 4 vrijstaande woningen en een appartementengebouw mogelijk gemaakt. De vrijstaande woningen verschillen in oriëntatie, wat een gevarieerd beeld geeft. De woningen worden gescheiden door een groenstrook en krijgen een goothoogte van maximaal 4 m en een bouwhoogte van maximaal 11 m. In het verlengde van de woningen is aan de andere zijde van de beek een complex ten behoeve van minimaal 5 en maximaal 10 gestapelde of aaneengebouwde woningen gesitueerd. Dit complex krijgt een maximale goothoogte van 9 meter en een maximale bouwhoogte van 12 meter. Het complex ligt samen met de woningen in deelgebied 'De Kern' aan een collectieve groene ruimte.

  • De Kern: De woningen in 'De Kern' liggen in het hart van het nieuwe buurtschap. Hier ligt een krans van vrijstaande en/of twee-onder-een-kap woningen rondom een collectieve groene ruimte. De woningen en het appartementengebouw in deelgebied 'aan de Veldbeek' richten zich op elkaar en vormen tezamen echt een plek, een plek die ze ook samen gebruiken en beheren. De toegestane goothoogte is 7,5 m en de maximale bouwhoogte is 11 m.

  • Boerenerf: Aan de Hunnenweg is een extra boerenerf geprojecteerd in de reeks van boerenerven die in de huidige situatie is te vinden aan de Hunnenweg. Op het boerenerf wordt één vrijstaande woning gerealiseerd, met een maximale goothoogte van 4 m en een maximale bouwhoogte van 11 m. De woning wordt georiënteerd op de Hunnenweg.

  • Aan de Laan: De entree van de wijk wordt gevormd door de bestaande laan die extra allure krijgt door aan aantal vrijstaande villa's. Deze woningen hebben een rooilijn parallel aan de laan, wat een rustig en statig beeld geeft. De maximale goothoogte van de woningen is 7,5 m en de maximale bouwhoogte is 11 m.

  • Op ‘t Achterop: Aan de oostzijde van het plangebied ligt het deelgebied 'Achterop'. In dit deelgebied is een collectieve plek ontworpen waar de woningen omheen gerangschikt staan, zo zijn de woningen en bewoners op elkaar betrokken. In dit deelgebied worden zowel vrijstaande als twee-onder-één-kap-woningen gerealiseerd, met een maximale goothoogte van 7,5 m en bouwhoogte van maximaal 11 m.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1486-0001_0005.png"

Deelgebieden stedenbouwkundig plan, BoschSlabbers

Natuur, groen en parkeren

Door het hart van het plangebied stroomt de Veldbeek die een belangrijke ruimtelijke drager vormt voor de ontwikkeling. De beek maakt ruimte en verbindt de bosgebieden van de Veluwe ten oosten van het plangebied met de meer open Gelderse vallei ten westen van het plangebied. Het beekdal is natuurlijk vormgegeven en krijgt ruimte om te overstromen en een typische vegetatie te ontwikkelen.

De bebouwing in het plangebied wordt omarmd door een royale groenzoom van inheemse beplanting, minstens 15 meter breed. Deze zoom zal een bosachtige uitstraling geven aan het nieuwe buurtschap. Aan de binnenzijde is op de uitgeefbare kavels een overgangszone van deze groene zoom gepland, waarin verspreid bomen moeten worden geplant. Om te waarborgen dat deze bomen daadwerkelijk geplant worden, is in het voorliggende plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

De buurtschap wordt ontsloten vanaf de Hunnenweg op een bestaande laan. Binnen het plangebied worden de woningen ook ontsloten op deze laan, welke van west naar oost door het plangebied loopt.

Parkeren zal hoofdzakelijk plaatsvinden op de privékavels, welke voldoende ruim zijn om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. Naast de laan zullen, in grasbeton, (bezoekers)parkeerplaatsen aangelegd worden.

Nabuurschap

De landelijke ligging van Prinsenbosch, op afstand van een dorpskern met voorzieningen, betekent dat je eerder op elkaar aangewezen bent. Zij nodigt van nature uit tot nabuurschap. Met het inrichtingsplan wordt het nabuurschap op subtiele wijze gestimuleerd:

  • Het plan maakt dat je elkaar tegenkomt, je gebruikt dezelfde openbare ruimte en kan, bij wijze van spreken, niet ongezien wegkomen.
  • de woningen zijn op elkaar en op collectieve ruimtes gericht, dat maakt dat je ruimtes met elkaar deelt.
  • De woningen zijn zo gegroepeerd dat er kleinere clusters ontstaan, waarbinnen goed gemeenschappelijke initiatieven ontplooid kunnen worden.

Verder zal nabuurschap worden gestimuleerd door collectieve activiteiten en verantwoordelijkheden te organiseren, bijvoorbeeld door collectief eigenaarschap voor het groen in de buurt, de realisatie van een gezamenlijke veldschuur en het delen van goederen.

Het nieuwe buurtschap is openbaar toegankelijk en vrij te betreden vanaf de Hunnenweg.

Duurzaamheid, ecologie en gezondheid

Daarnaast bevat het plan veel groen. Groen maakt zuurstof aan en bindt fijnstof. Inheemse beplanting, die afgestemd is op de landschappelijke onderlegger, zorgt voor een goede basis voor diverse soorten fauna, vogels, kleine zoogdieren en insecten. Zo zal een zorgvuldige inrichting bijdragen aan de ecologische ontwikkeling van het gebied.

In het plan wordt al het regenwater opgevangen en afgevoerd naar het beekdal. Hierin zijn laagtes aangebracht waar het de tijd krijgt om te infiltreren. Dat betekent dat de woningen geen uitlogende materialen mogen gebruiken.

Tenslotte worden op woningniveau diverse ingrepen voorgesteld, zodat woningen niet alleen aardgasloos maar ook met ‘0 op de meter’ opgeleverd kunnen worden.

Diverse studies wijzen uit dat groen een positieve invloed heeft op het welzijn van mensen. Stedenbouw kan bijdragen aan een gezondere manier van leven. In dit plan zijn er diverse paden en is er volop de mogelijkheid om er op uit te trekken, de groene (bosrijke) omgeving in.

3.3 Beeldkwaliteitsplan

Voor het plangebied is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, welke onderdeel uitmaakt van het stedenbouwkundig plan. De kavels aan het boerenerf, de kavels in het beekdal en het appartementengebouw liggen het meest in het zicht en krijgen daarom de meeste beeldregie en regels mee.

  • Boerenerf: De woning krijgt een architectuur die refereert aan de typische Veluwse boerderij, die qua archetype, schaal, maat en korrel naadloos past in de ritmiek van de Hunnenweg. Een moderne toevoeging of twist maakt dat het gebouw wel helemaal van deze tijd is.
  • Beekdal: De woningen en het appartementengebouw krijgen een eigentijdse uitstraling. Landelijkheid, natuurlijke materialen en strakke detaillering bepalen hier het beeld. Archetype volumes op een moderne manier geïnterpreteerd.
  • Aan de Laan: De woningen staan op grote kavels, min of meer uit het zicht vanaf de doorgaande routes. Hier is meer vrijheid gepermitteerd. Woningen mogen hier expressie geven aan de persoonlijk smaak en het vermogen van de eigenaar, woningen mogen fier en zelfbewust aan de laan staan.
  • De Kern: De woningen krijgen een traditioneel karakter. De vrijstaande en 2-onder-1 kap woningen worden uitgevoerd in een traditionele stijl die aansluit bij het landelijke karakter van het terrein.
  • Op het Achterop: Hier is een grote mate van vrijheid toegestaan. Er wordt gestuurd op één onderdeel van de architectuur dat de samenhang borgt. Dit kan de kapvorm zijn, de kleur baksteen, het type dakbedekking,etc. De uiteindelijke keuze voor de samenhangende factor wordt later bepaald.

Hoofdstuk 4 BELEIDSKADER

4.1 Rijk

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Op 13 maart 2012 is de SVIR vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Ruimte. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht geworden.

De SVIR vervangt verschillende nota's, waaronder ook de Nota Ruimte en geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Met de SVIR zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Er is nu te vaak sprake van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale blik met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. De SVIR geeft invulling aan het streven van het kabinet naar deregulering en decentralisatie van de ruimtelijke ordening. Het Rijk heeft gekozen voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk gaat er vanuit dat de nationale belangen die via wet- en regelgeving opgedragen worden aan de andere overheden goed door hen worden behartigd.

Het Rijk heeft drie doelen gekozen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

De 13 nationale belangen zijn:

  • Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren (nationaal belang 1)
  • Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie (nationaal belang 2)
  • Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen (nationaal belang 3)
  • Efficiënt gebruik van de ondergrond (nationaal belang 4)
  • Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen (nationaal belang 5)
  • Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem (nationaal belang 6)
  • Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen (nationaal belang 7)
  • Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s (nationaal belang 8)
  • Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling (nationaal belang 9)
  • Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten (nationaal belang 10)
  • Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten (nationaal belang 11)
  • Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten (nationaal belang 12)
  • Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten (nationaal belang 13)

Doorwerking in plangebied

In dit geval is er sprake van twee van deze 13 nationale belangen, namelijk nationaal belang 11 en 12.

nationaal belang 11

Het plangebied maakt onderdeel uit van de EHS (thans het NNN). In het Besluit algemene regels omgevingsrecht (Barro) is vastgelegd dat doorwerking plaatsvindt op provinciaal niveau. Dit maakt het een provinciaal belang. Dit belang is getoetst in paragraaf 4.2.

nationaal belang 12

Het plangebied ligt in het radarverstoringsgebied van de defensieradar van Nieuw Milligen. In verband hiermee zijn er ter voorkoming van radarverstoring beperkingen van toepassing voor de bouw van windturbines. Dit belang is getoetst in paragraaf 5.8 (leidingen), waarin is geconcludeerd dat dit geen belemmering oplevert voor het plan.

Conclusie

De SVIR biedt een concreet toetsingskader voor dit plan. Uit de toetsing volgt dat de SVIR geen belemmering vormt.

4.1.2 Nationaal Waterplan 2016-2021

Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de aspecten van het ruimtelijk beleid die daartoe behoren. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst.

In het Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Daarnaast wordt ingezet op een verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder beschrijft het Nationaal Waterplan dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht en dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. De vijfde ambitie bestaat er uit dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen.

Doorwerking in plangebied

De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.14).

Conclusie

Het Nationaal Waterplan 2016-2021 biedt geen concreet toetsingskader voor onderhavig plan.

4.1.3 Crisis- en herstelwet

Op 1 januari 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. Deze wet geeft regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Op 25 april 2013 is de Crisis- en herstelwet via een wijzigingswet permanent gemaakt en zijn verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht doorgevoerd (zie kamerstukken 33.135).

De Chw omvat twee categorieën maatregelen:

  • tijdelijke maatregelen voor afgebakende lijsten met projecten en bevoegdheden;
  • wijzigingen van bijzondere wetten.

In Bijlage I van de Chw worden onder meer de volgende ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd, waarop de wet van toepassing is:

  • zeer diverse projecten op het gebied van duurzame energie;
  • gebiedsontwikkeling en werken van lokaal of regionaal belang, onderverdeeld in:
    • 1. een bestemmingsplan voor de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied, of de herstructurering van woon- en werkgebieden;
    • 2. een bestemmingsplan voor de aanleg of wijziging van wegen;
    • 3. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in bijlage I bedoelde projecten ten aanzien van wegen.

Doorwerking in plangebied

In dit geval is de Crisis- en herstelwet van toepassing, want er is sprake van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied. Dit heeft vooral consequenties voor de procedure en de regels voor het indienen van beroep en beroepsgronden en de informatie die daarover wordt verstrekt in de bekendmaking van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan en de vaststelling daarvan.

Conclusie

De Crisis- en herstelwet biedt geen concreet toetsingskader voor onderhavig plan, maar geeft wel randvoorwaarden die om een afweging in de procedure van het bestemmingsplan vragen.

4.2 Provincie

4.2.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Algemeen

De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. Met de Omgevingsvisie en -verordening loopt de provincie vooruit op de aankomende Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 van kracht wordt. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening.

Vanaf 2019 actualiseert de provincie de Omgevingsverordening opnieuw, zodat deze verder in lijn wordt gebracht met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en anticipeert op de eisen van de Omgevingswet.

4.2.1.1 Omgevingsvisie

Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer.

Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan:

  • energietransitie
  • klimaatadaptatie
  • circulaire economie
  • biodiversiteit
  • bereikbaarheid
  • economisch vestigingsklimaat
  • woon- en leefklimaat

Doorwerking in plangebied

Het plangebied is aangewezen als intrekgebied en Groene Ontwikkelzone. Verder is het beleid ten aanzien van de woon- en leefomgeving relevant voor het voorliggende plan.

Intrekgebied

Het plangebied is gelegen binnen een gebied dat is aangemerkt als intrekgebied. Het provinciale beleid voor water is gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma's of in kaders in de verordening.

Voor intrekgebieden zijn in de ruimtelijke verordening regels opgenomen. Het plan wordt hieraan getoetst in paragraaf 4.2.1.2 Omgevingsverordening.

Groene Ontwikkelzone

De provincie spant zich in voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden beschermd tegen aantasting van de kernkwaliteiten: dat zijn de natuurwaarden, de potentiële waarden en de omgevingscondities.

In de GO is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals de weidevogelgebieden en de rustgebieden voor winterganzen. De provincie treft maatregelen vanwege de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen, leefgebieden, een gunstige staat van instandhouding en het Natuurnetwerk Nederland.

Voor de GO zijn in de ruimtelijke verordening regels opgenomen. Het plan wordt hieraan getoetst in paragraaf 4.2.1.2 Omgevingsverordening.

Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.

De provincie streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt dit bij aan gezondheid. Goed wonen draagt onder andere bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie gaat voor het benutten van bestaande gebouwen en concentraties van bebouwing.

Verder staat een goede balans tussen vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën en voor verschillende doelgroepen voorop. Daarnaast is de ambitie om alle nieuwbouw aardgasloos aan te leggen en zoveel mogelijk circulair te bouwen.

Het plan sluit aan op de ambities van de provincie voor een duurzaam en divers woon- en leefklimaat:

  • 1. Bij de opbouw van het stedenbouwkundig plan voor het plangebied staat de ontwikkeling van een goed woon- en leefklimaat centraal. Ten opzichte de mogelijkheden binnen het geldende bestemmingsplan neemt de verstening niet toe en er is veel ruimte voor groen en natuur en aandacht voor nabuurschap. Het plan levert bovendien een substantiële financiële bijdrage aan de natuurontwikkeling elders in het Gelders Natuur Netwerk.
  • 2. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Voor de bepaling van het bestaand stedelijk gebied wordt de volgende definitie uit het Bro gevolgd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
    De locatie valt op grond hiervan binnen bestaand stedelijk gebied. Het geldende bestemmingsplan maakt immers een zodanig samenstel van bebouwing mogelijk dat het gebied als behorend bij zodanig bestaand stedenbouwkundig samenstel kan worden aangemerkt. Daaraan doet niet af dat de bebouwing waarin het voorgaande plan voorzag ten tijde van de vaststelling van het nieuwe plan nog niet was gerealiseerd (uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4654 (Lansingerland).
  • 3. Om vraag en aanbod op de woningmarkt met elkaar in balans te brengen en te houden, agenderen alle betrokken partijen in de regio in de Regionale Woonagenda de regionale opgaven op het gebied van wonen. Zij maken afspraken over wat zij hieraan gaan doen. De ontwikkeling past binnen de afspraken die zijn gemaakt in de Regionale Woonagenda en draagt bij aan een balans in vraag en aanbod.
  • 4. De nieuwe woningen worden aardgasloos gebouwd en kunnen ook met 'nul-op-de-meter' opgeleverd worden.

4.2.1.2 Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken.

De Omgevingsverordening is met ingang van 17 oktober 2014 in werking getreden. In deze verordening is bepaald dat het tijdstip waarop een bestemmingsplan in elk geval in overeenstemming met deze Omgevingsverordening moet zijn vastgesteld, wordt gesteld op de dag nadat de verordening twee jaar geldt. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening.

In de Omgevingsverordening is het plangebied opgenomen op de kaarten:

  • Kaart 2: Regels Landbouw
  • Kaart 3: Regels Glastuinbouw
  • Kaart 4: Regels Natuur
  • Kaart 6: Regels Water en Milieu

Aangezien het plan niet voorziet in het toevoegen, wijzigen, uitbreiden dan wel verwijderen van een veehouderijfunctie of glastuinbouwfunctie zijn voor dit plan uitsluitend de kaarten 4 en 6 van belang. Op basis van de voor het plan relevante kaarten is het bepaalde in artikel 2.6.3 Intrekgebied en artikel 2.7.2 Groene ontwikkelingszone van toepassing. Daarnaast zijn de algemene regels uit de verordening voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen van, in dit geval, woongebieden, van belang.

Artikel 2.6.3 Intrekgebied

In dit artikel is bepaald dat een bestemmingsplan, gelegen binnen een intrekgebied, geen bestemmingen krijgt die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt.

Doorwerking in plangebied

Dit bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die de de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt.

Artikel 2.6.5 Instructieregels bestemmingsplan Groene ontwikkelingszone

Algemeen

Wanneer sprake is van nieuwvestiging of een grootschalige uitbreiding van bestaande functies, moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan sprake zijn van een per saldo substantiële versterking van de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone.

In artikel 2.53 zijn de regels voor uitbreiding van bestaande bedrijven of functies vastgelegd. Volgens de toelichting bij dit artikel ziet uitbreiding hierbij zowel op uitbreiding van de bebouwing als op uitbreiding van de bestemming.

Doorwerking in plangebied

Bij het voorliggende plan is geen sprake van nieuwvestiging, de realisatie van woningen is op deze locatie op basis van het geldende bestemmingsplan toegestaan. Er is bovendien geen sprake van uitbreiding van de bebouwing of bestemming.

Doordat het bebouwd oppervlak dat per woning is toegestaan met meer dan helft afneemt ten opzichte van het vigerende plan, is het bebouwd oppervlak in de toekomstige situatie kleiner dan op basis van het geldende bestemmingsplan is toegestaan.

In het voorliggende plan is de oppervlakte ten behoeve van de bestemmingen 'Wonen - 1', 'Wonen - 2' en 'tuin' fors teruggebracht ten opzichte van het geldende plan. Hiervoor in de plaats hebben de bestemmingen 'groen' en 'natuur' meer ruimte gekregen.

Aangezien bij het voorliggende plan geen sprake is van nieuwvestiging of (grootschalige) uitbreiding van bestaande functies, zijn de regels uit de ruimtelijke verordening met betrekking tot de Groene ontwikkelingszone niet van toepassing.

4.3 Waterschap

Waterbeheerprogramma 2016-2021 Waterschap Vallei en Veluwe

Op 1 januari 2016 is het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Partnerschap als watermerk' van Waterschap Vallei en Veluwe in werking getreden. Het waterschap stelt in het waterbeheerprogramma dat de huidige wateropgaven zo complex zijn, dat alleen een aanpak samen met partnerorganisaties en inwoners zorgt voor de gewenste resultaten en de beste oplossingen. Daarom kan en wil het waterschap niet alleen opereren in het behalen van zijn doelen en hecht daarom groot belang aan de samenwerking met zijn partners in de regio. Samen met inwoners, ondernemers en andere organisaties wil het waterschap werken aan een duurzame waterzuivering van afvalwater en toekomstgericht beheer van onze dijken en waterwegen zodat iedereen tegen aanvaardbare kosten veilig kan wonen, werken en recreëren. Daarbij wil Waterschap Vallei en Veluwe de goede waterhuishoudkundige voorwaarden scheppen voor zowel inwoners, bedrijven, natuur en landbouw.

Een belangrijke ontwikkeling waar het waterschap op anticipeert is het veranderende klimaat. Deze verandering zal leiden tot meer extreme weersituaties: perioden van veel neerslag met kans op wateroverlast en perioden van droogte met kans op watertekorten. Om goed voorbereid te zijn, wil het waterschap het watersysteem robuuster maken door meer ruimte voor wateren te reserveren, zowel binnen de bebouwde kom als in het buitengebied. Het waterschap wil de effecten van klimaatverandering beperken door het vasthouden van water, het inrichten en beheren van robuuste watersystemen en het inrichten van een beperkt aantal waterbergingsgebieden. Afkoppelen van relatief schoon hemelwater van het riool is een belangrijke maatregel om overbelasting van het riool en een te snelle afvoer te voorkomen.

Daarnaast wil het waterschap negatieve effecten op de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en bodem voorkomen, evenals negatieve effecten op beschermde flora en fauna.

Doorwerking in plangebied

De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.14).

4.4 Gemeente

4.4.1 Structuurvisie Buitengebied Barneveld

De structuurvisie Buitengebied Barneveld is op 21 september 2011 door de gemeenteraad vastgesteld.

De gemeente Barneveld heeft in juni 2016 de Strategische Visie vastgesteld. De Strategische Visie geeft aan welke doelen het gemeentebestuur nastreeft voor de periode tot 2030. Daaraan voorafgaand heeft de raad in januari 2009 de Structuurvisie 2009 vastgesteld waarin de stedelijke ontwikkelingen voor de komende 10 jaar zijn weergegeven. Mede op basis van de Strategische Visie is de Structuurvisie 2009 geactualiseerd door de vaststelling van de Structuurvisie Kernen 2022. De Structuurvisie Buitengebied is het derde en laatste onderdeel van deze beleidstrilogie. In de op 21 september 2011 vastgestelde Structuurvisie Buitengebied wordt specifiek ingegaan op onderwerpen als landbouw, recreatie en landschap in de periode tot 2020. De twee structuurvisies vullen elkaar hierbij inhoudelijk aan. De strategische visie geeft aan wat de overkoepelende doelen zijn.

Met deze Structuurvisie Buitengebied biedt de gemeente Barneveld ruimte voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten landschap, natuur, woon - en leefmilieu. Ontwikkelingen in de landbouw en bij recreatieve bedrijven zijn van grote invloed op de omgevingskwaliteiten natuur, landschap en woon- en leefomgeving. Deze omgevingskwaliteiten zijn ook de belangrijkste vestigingsfactoren voor het buitengebied. Initiatieven beoordeelt de gemeente daarom mede op de mate waarin ze bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit, bijvoorbeeld effecten op landschap (beeldkwaliteit), woon en leefmilieu, verkeer en natuur. Dit moet leiden tot een landschappelijk fraai buitengebied met goed ingepaste ontwikkelingen. Een buitengebied dat op die manier wordt ingericht is een aangename plek om te werken en te recreëren. De structuurvisie beoogt daarbij ontwikkelingsruimte te bieden aan goede initiatieven en wil een basis zijn voor samenwerking om die te realiseren.

Bovenstaande aanpak geldt voor het hele buitengebied. Daarnaast worden deelgebieden onderscheiden met beleidsaccenten op grond van landschappelijke kenmerken en zones op grond van een specifieke functie (zie bijlage 8 Structuurvisie). Onderstaand is per deelgebied en zone een ontwikkelingsrichting met kwaliteitsbeeld beschreven. Het kwaliteitsbeeld vormt het ruimtelijk toetsingskader. Het stelt eisen die richtinggevend zijn voor ruimtelijke ontwikkeling. Deze (minimum) eisen zijn kaderstellend voor het bestemmingsplan.

Het plangebied ligt binnen het agrarisch bedrijven landschap en de overgangszone landschap, landbouw en recreatie (zie volgende afbeelding).

 afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1486-0001_0006.png"

Uitsnede visiekaart Structuurvisie Buitengebied Barneveld met globale ligging plangebied (rode cirkel)

Agrarisch bedrijvenlandschap

Intensieve landbouw is de belangrijkste gebruiksvorm van dit deelgebied. Het beleid is gericht op herstructurering en passende schaalvergroting, waarbij productieruimte beschikbaar komt voor de toekomst gerichte bedrijven die in staat zijn om te groeien en daarin te investeren.

Overgangszone landschap, landbouw en recreatie

Het ruimtelijk beleid richt zich vooral op handhaving en versterking van het functioneren van de bestaande verblijfsrecreatieve sector, primair door verbetering van de kwaliteit van bestaande verblijfsrecreatiebedrijven. Een landschappelijk aantrekkelijke overgang tussen Veluwe en Vallei is wenselijk. Voor het deel van deze zone ten zuiden van de A1 gaat het in hoofdzaak om een toename van klein landschapselementen zodat meer variatie ontstaat. In de gehele zone blijft ruimte voor de aanwezige agrarische bedrijven binnen de kaders van het reconstructieplan.

Ontwikkelingsfonds Platteland

De structuurvisie beschrijft het type projecten die tot doel hebben de beschreven ruimtelijke kwaliteiten te realiseren. Investeringen voor die projecten kunnen, al dan niet gedeeltelijk, worden gefinancierd uit het Ontwikkelingsfonds. Dit fonds wordt gevuld door bijdragen uit ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, namelijk functieverandering, nieuwe landgoederen en stedelijke uitbreidingen. De werking van dit fonds beoogt hiermee samenhangende ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied met ruimtelijke en maatschappelijke winst.

Doorwerking in plangebied

Met het voorliggende plan is sprake van toename van het aantal woningen in een reeds voor wonen bestemd gebied. De woningen worden niet dichter op omliggende agrarische bedrijven of recreatiebedrijven gebouwd dan op grond van het geldende bestemmingsplan mogelijk is. De planontwikkeling gaat, gezien de geldende bestemming, niet ten koste van landbouwgrond. De huidige locatie is reeds landschappelijke ingepast, hetgeen wordt versterkt met de realisatie van dit bestemmingsplan.

4.4.2 Woonvisie Barneveld 2017-2021 en regionale bouwafspraken, Faseren en doseren woningmarkt en Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld

In december 2016 heeft de raad de Woonvisie 2017-2021 'Samen werken aan Wonen' met doorkijk tot 2025 en verder, vastgesteld. In de woonvisie is een streefprogramma woningbouw opgenomen om te voorzien in de woningbehoefte van de hier woonachtige en werkzame bevolking.

Er is een nieuwbouwprogramma van gemiddeld 400 woningen per jaar (als uitbreiding) opgenomen (met een bandbreedte van 360 tot 440 woningen), waarvan gemiddeld 30% ten behoeve van goedkope woningen (sociale huur en goedkope koop tot € 185.000), 32,5% middeldure woningen (midden dure huur tot € 950 en koop tot € 260.000) en 37,5 % duurdere woningen vanaf € 260.000. In regio Foodvalley zijn in 2017 onderlinge woningbouwafspraken gemaakt, waarbij Barneveld voor de periode 2017-2027 maximaal zo'n 3.500 woningen mag groeien, mede vanwege een zekere overloop vanuit regio Amersfoort. In Barneveld is vooral in het eerste tijdvak (2017 t/m 2021) sprake van een grotere woningbehoefte dan in de tweede 5-jaarsperiode, als gevolg van natuurlijke groei en migratie. In de duurdere sector is er ruimte om woningen (twee-onder-kap, hoek, vrijstaand of vrije kavels) aan de woningvoorraad toe te voegen, daar waar mogelijk in combinatie op aantrekkelijke locaties en/of specifieke woonmilieus.

Door middel van het project 'Faseren en doseren woningmarkt Barneveld' wordt jaarlijks een actueel beeld van het planaanbod voor de komende vier jaar gegeven, waarbij ook een beeld wordt geschetst van de aantallen op te leveren woningen per kern, alsmede de differentiatie van deze nieuwbouw in termen van prijsklassen, eigendomsverhouding en bouwvorm (gestapeld of grondgebonden). Ook wordt een beeld geschetst van de mate waarin voor bepaalde doelgroepen wordt gebouwd (zoals starters, ouderen of mensen met een beperking) om zo vraag en aanbod meer met elkaar in overeenstemming te brengen. Voor de periode 2017 t/m 2020 is een programma van ruim 2.300 woningen voorzien. De ervaring leert dat hiervan circa 75% daadwerkelijk in de genoemde periode wordt gerealiseerd, gemiddeld betekent dit zo'n 435 woningen per jaar. Dit is geheel in lijn met de vastgestelde woonvisie en gemaakte woningbouwafspraken.

Sinds 1 januari 2018 is de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld van kracht. Deze verordening ziet toe op sturing van de totale woningvoorraad en het bereikbaar houden van een deel van de woningvoorraad voor lage en midden inkomensgroepen. Het gaat daarbij om drie categorieën: sociale huurwoningen, goedkope koopwoningen (prijsgrens € 185.000 in 2018) en middendure huurwoningen (prijsgrens van € 950,- in 2018).

Doorwerking in plangebied

Het voorliggende plan ziet op de realisatie van een buurtschap met een speelse, groene verkaveling en een gedifferentieerd woningprogramma van 39 kleinere woningen (vrijstaande woningen, twee-onder-één-kapwoningen en appartementen), ter vervanging van het bestaande, homogene programma van 15 grote villa's (van circa 2.800 m3) in een strakke verkaveling. Dit sluit aan op de kwalitatieve behoefte die in de regionale woonvisie is benoemd aan grondgebonden woningen in het duurdere segment op aantrekkelijke locaties en/specifieke woonmilieus. Daarnaast voorziet het plan in een kwalitatieve behoefte, aangezien er in de gemeente Barneveld t/m 2027 ruimte is om met 3.500 woningen te groeien.

4.4.3 Bestemmingsplannen globaal en flexibel

Op 6 mei 2014 heeft de raad de kaderstellende notitie 'Bestemmingsplannen globaal en flexibel' vastgesteld. Met deze notitie geeft de raad voor met name grote(re) uitleggebieden kaders aan om bestemmingsplannen globaal en flexibel te maken, om adequaat te kunnen inspelen op maatschappelijke en marktontwikkelingen. Daarmee ontstaat enige ruimte om een plan te kunnen wijzigen, maar zonder significant  verlies van kwaliteit in de openbare ruimte, beeldkwaliteit en rechtszekerheid.

Globaal en flexibel zijn twee naast elkaar staande begrippen. Een globaal bestemmingsplan is een bestemmingsplan waarbij de belangrijkste uitgangspunten voor een gebied zijn vastgelegd. In een globaal bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden niet vastgelegd of gebonden aan een concreet perceel. Het tegenovergestelde van globaal bestemmen is gedetailleerd bestemmen, want een gedetailleerd bestemmingsplan legt juist wel een eindbeeld vast.

Naast het begrip globaal, kennen we ook nog de begrippen star en flexibel. We spreken van een star bestemmingsplan als het niet of nauwelijks mogelijk is om van een bestemmingsplan af te wijken. Flexibel bestemmen is het tegenovergestelde. Flexibel bestemmen laat meer ruimte om in te spelen op initiatieven die niet direct zijn geregeld. Flexibiliteit is in het bestemmingsplan in te bouwen door te werken met afwijkingsregels, wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten.

De notitie richt zich op toekomstige ontwikkelingen in de kernen, waarbij met name is gekeken naar de bestemmingen voor wonen en bedrijven.

Doorwerking in plangebied

In het voorliggende plan is er voor gekozen om aansluitend op de kaders van de notitie het bestemmingsplan globaler te maken. Dit is gedaan door:

  • ruimere bouwvlakken in te tekenen op de verbeelding;
  • de vrije situering van woningen binnen het bouwvlak toe te laten en
  • een maximum aantal woningen voor het gehele plangebied op te nemen.

In welke mate gebruik is gemaakt van ruimere bouwvlakken en een vrije situering, is afhankelijk van het deelgebied. In een aantal deelgebieden is een strakkere regeling nodig om te zorgen voor voldoende (beeld)kwaliteit in de openbare ruimte, terwijl het in andere deelgebieden wenselijk is om een globale regeling op te nemen en meer ruimte te bieden voor variatie in de ontwikkeling.

4.4.4 Waterplan Barneveld (2005) en Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!'

Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd:

  • Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater.
  • Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar.
  • De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats.
  • Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken.

In het plan is een concrete doelstelling opgenomen: in 2025 is 10% van het verharde oppervlak afgekoppeld van de gemengde riolering (referentiejaar 2005). Dit betreft 18 ha. afkoppelen. In het Hemelwaterbeleidsplan is deze doelstelling uitgewerkt in concrete maatregelen.

Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van totale openbare ruimte. Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering.

Doorwerking in plangebied

De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.14).

4.4.5 Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020

De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen.

Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Ook moet de gemeentelijke overheid in opdracht van de rijksoverheid uiterlijk in 2021 een warmteplan opstellen, dat de basis gaat vormen voor het uitfaseren van het gebruik van aardgas.

Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving in 2020 en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. De gemeente is medio 2018 een verkenning gestart naar hoe een aardgasvrije gemeente vorm zou kunnen krijgen. Naar aanleiding van de uitkomsten hiervan kunnen keuzes voor de energievoorziening voor nieuw te bouwen woningen en/of bedrijven in de toekomst beïnvloed worden. Bijvoorbeeld waar het gaat om mogelijkheden om aan te sluiten bij een collectieve warmtevoorziening of een wijkgerichte aanpak voor het verduurzamen van woningen (Wijk van de Toekomst).

Doorwerking in plangebied

Wet Voortgang EnergieTransitie (VET) voor aardgasvrij bouwen

Per 1 juli 2018 krijgen nieuwbouwwoningen en andere gebouwen met een kleinverbruikaansluiting geen aardgasaansluiting meer. Dit staat in de Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET). De Wet VET is een stap in de overgang van fossiele naar duurzame energie. Het gebruik van aardgas in de gebouwde omgeving wordt uitgefaseerd.

Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG)

Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning vanaf 1 juli 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Het beleid voor zeer energiezuinige bestaande gebouwen is nog in ontwikkeling.

Warmtepompen

Er zijn voorbeelden van geluidsoverlast veroorzaakt door warmtepompen, omdat er bij de plaatsing geen rekening gehouden is met het geluidsaspect of de warmtepomp verouderd is. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepomp is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau. Als het geluidniveau op 5 meter van warmtepomp hoger is dan 30 dB(A) of als dit het geval is bij een kortere afstand tot de buurwoning dan is het toepassen van een geluiddempende omkasting nodig. Hiervoor komen steeds meer innovaties op de markt (bijvoorbeeld in een dummy schoorsteen).

Zonnepanelen

Gebruik van zonne-energie kan significant bijdragen aan de benodigde duurzame energieopwekking. In dit plan zijn zonnepanelen opgenomen, die direct bij de bouw worden meegenomen. De zonnepanelen zijn geïntegreerd in het ontwerp van het gebouw.

Materialen

In het ontwerp van een woning of gebouw kan door een slim ontwerp daglicht optimaal worden benut en zodat de benodigde energie voor verlichting zo laag mogelijk is en de binnen temperatuur zo min mogelijk fluctueert. Ook kunnen groendaken aangelegd worden.

De hoeveelheid materialen wordt zoveel mogelijk beperkt en gebruik van gezonde en duurzame materialen – gezien over de hele levenscyclus – heeft de voorkeur.

Laadpalen

Elektrisch autorijden is beter voor het milieu dan rijden op fossiele brandstoffen. Er wordt namelijk geen CO2 uitgestoten door de auto. De gemeente staat dan ook positief tegenover het plaatsen van laadpalen voor elektrische voertuigen.

Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein

Er moet aandacht zijn voor energiezuinige openbare verlichting. Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen.

Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden.

Klimaat

Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving de waterparagraaf (§ 5.14).

Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden.

Hoofdstuk 5 RANDVOORWAARDEN

5.1 Bodem

5.1.1 Bodemkwaliteit

In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik.

Beoordeling van de milieuhygienische bodemkwaliteit vindt plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (BKK) en het bodembeheerplan (BBP).

Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties.

Beoordeling

Na raadpleging van de bodemkwaliteitskaart (BKK) en het bodembeheerplan (BBP) wordt geconcludeerd dat er geen risico's zijn te verwachten voor de beoogde bestemming en het gebruik (functie Wonen). Ook uit het onderzoek dat in 2007 is uitgevoerd voor de planontwikkeling destijds, volgt dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Het onderzoek is als bijlage 1 toegevoegd aan deze toelichting.

Conclusie

Het aspect bodem geeft geen kaders voor het plan en vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.1.2 Niet gesprongen explosieven

Op de gemeentebrede Conventionele Explosieven (CE) kaart is de planlocatie niet als risicogebied aangegeven.

Beoordeling

De locatie is onverdacht en een nadere beoordeling is daarom niet noodzakelijk.

Conclusie

Het aspect explosieven geeft geen kaders voor het plan en vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.2 Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten:

  • Archeologische waarden- en verwachtingenkaart;
  • Cultuurlandschappelijke waardenkaart;
  • Historische stedenbouwkundige waardenkaarten.

Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.

5.2.1 Archeologie

Het plangebied is op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart in zijn geheel aangeduid als 'vrijgegeven archeologie onderzoek' (zie navolgende afbeelding). De gronden in het plangebied zijn reeds in 2007 onderzocht. Dit archeologisch onderzoek is als bijlage 2 toegevoegd aan deze toelichting.

Er wordt geen nieuw onderzoek of vervolgonderzoek uitgevoerd. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed RCE) verplicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1486-0001_0007.png"

Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Het plangebied is met een groene kleur gearceerd.

5.2.2 Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt niet in een gebied dat wordt aangeduid als hoog gewaardeerd of zeer hoog gewaardeerd landschap. Het plangebied ligt ook niet nabij een van deze gewaardeerde landschappen. Er zijn op de kaart verder geen specifieke waarden voor het plangebied genoteerd. De kaart biedt geen kader voor de verdere planontwikkeling. Dit bestemmingsplan is niet strijdig met de kaart en de daarop opgenomen waardering.

5.2.3 Historische stedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedenbouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedenbouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied en de omliggende omgeving heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n). Er zijn geen monumenten in het plangebied aanwezig. Dit bestemmingsplan is niet strijdig met de kaart en de daarop opgenomen waardering.

5.2.4 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie geeft geen kaders voor het plan en vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.3 Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.

Voor de planontwikkeling is een natuuronderzoek (quick scan en voortoets) uitgevoerd. Het natuuronderzoek is is als bijlage toegevoegd en gebruikt voor het opstellen van deze paragraaf.

5.3.1 Wet natuurbescherming
5.3.1.1 Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”.

De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden.

Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd.

Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt wel op op enkele honderden meters afstand van Natura 2000-gebied Veluwe. Om te onderzoeken of van het plan significant negatieve effecten op dit natuurgebied mogelijk zijn, is een voortoets Natura 2000 uitgevoerd. Als onderdeel van deze voortoets zijn ook berekeningen met AERIUS-Calculator uitgevoerd, om te onderzoeken of negatieve effecten door stikstofdepositie te verwachten zijn. Uit de voortoets blijkt dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.

5.3.1.2 Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten.  

In het kader van het natuuronderzoek heeft een bureaustudie en veldbezoek plaatsgevonden om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn of kunnen zijn. Uit deze zogenaamde 'quick scan' blijkt dat volgens de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna en verspreidingsgegevens van onder andere verspreidingsatlas.nl er beschermde grondgeboden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën, reptielen vleermuizen en vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied voorkomen. Door het veldbezoek is duidelijk geworden dat enkele essentiële elementen van beschermde diersoorten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Het betreft leefgebied van de das, foerageergebied van de steenuil en vliegroutes van vleermuizen. De das is een soort die binnen de Wet natuurbescherming valt onder “andere soorten”. Hiervoor gelden de verboden van artikel 3.10. De steenuil is een vogelrichtlijnsoort waarvoor de verboden van artikel 3.1 gelden. Vleermuizen zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Wanneer essentiële functies in het plangebied worden vastgesteld, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd en moeten er mitigerende maatregelen worden getroffen. Vliegroutes van vleermuizen dienen enkel te worden onderzocht wanneer deze maatregelen niet of niet volledig kunnen worden nageleefd:

  • Het terrein wordt in de bouwfase 's avonds en 's nachts niet verlicht. Verlichting om het bouwterrein te beveiligen is geen probleem, mits lichtbundels goed worden gericht door middel van armaturen. Dit zal worden meegegeven als voorwaarde bij de omgevingsvergunningen.
  • Bij de inrichting van het terrein in de nieuwe situatie wordt gebruikgemaakt van verlichting die in de omgeving levende dieren minimaal verstoort. Verlichting voor inbraakpreventie en sfeerverlichting in tuinen is geen probleem. Bij te plaatsen straatverlichting dient gebruik te worden gemaakt van armaturen die geen lichtbundels op bomen in de bestaande singels aan de noord- en zuidzijde van het plangebied schijnen. Dit is gewaarborgd in de regels van het voorliggende plan.
  • De huizen worden minimaal 10 meter van de kronen van de bomen in de bestaande singels aan de noord- en zuidzijde van het plangebied gebouwd. De bouwvlakken in het bestemmingsplan liggen op een afstand van boomkronen die groter is dan 10 m.

In een latere fase van deze procedure worden in deze paragraaf of in een separate bijlage de bevindingen van het nader onderzoek vermeld.

Algemene zorgplicht

Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is.

Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

5.3.1.3 Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long.

Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Voor het kappen of rooien van een houtopstand geldt een meld- en herplantplicht wanneer de houtopstand buiten de vastgestelde bebouwde kom ligt. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom.

De gemeenteraad van Barneveld heeft op 27 september 2017 de grenzen van de bebouwde kom zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming vastgesteld. Het plangebied ligt buiten de aangewezen bebouwde kom. Daarom is het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming van toepassing. In de feitelijke situatie zijn er langs de randen van het plangebied houtopstanden (groensingels) aanwezig. In het schetsontwerp blijven deze houtopstanden grotendeels behouden. De rood omcirkelde houtopstanden zullen in ieder geval worden geveld bij realisatie van het schetsontwerp. De oppervlakte hiervan is groter dan 1.000 m2. Voor het vellen van de houtopstand dient van de velling melding te worden gedaan en dient herbeplanting plaats te vinden. Herbeplanting kan mogelijk ook plaats vinden op andere grond dan de locatie waar de houtopstand wordt geveld. Op andere locaties in het plangebied is bijvoorbeeld een uitbreiding van de houtsingels voorzien, zoals in onderstaande afbeelding is weergegeven. Daarnaast wordt bij verschillende toekomstige woonpercelen een voorwaardelijke verplichting opgenomen om 3 bomen per bouwperceel te planten. Per saldo worden in ieder geval meer houtopstanden toegevoegd dan verwijderd. Voor het vellen is een ontheffing van de provincie noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1486-0001_0008.png"

Luchtfoto met indicatie van houtopstanden die in ieder geval zullen worden geveld en de houtopstanden die zullen worden toegevoegd op basis van het schetsontwerp (bewerking SAB).

5.3.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt niet binnen Gelders Natuurnetwerk (GNN). Omdat het plangebied niet binnen het GNN ligt, is een verstoring van het GNN niet te verwachten. Het plangebied ligt wel binnen de Groene Ontwikkelingszone (GO). In dit geval is geen sprake van nieuwvestiging of uitbreiding van een bestaande functie. De hoeveelheid toegestane bebouwing wordt juist gereduceerd. Bovendien wordt vanuit de planexploitatie een substantiële bijdrage geleverd aan natuurontwikkeling elders in de Groene Ontwikkelingszone. Het plan heeft hierdoor geen negatief effect op de kernkwaliteiten van de GO en is niet in strijd met het provinciale beleid voor de GO.

5.3.3 Conclusie

Het aspect ecologie geeft de volgende kaders voor het plan:

  • uitvoeren nader onderzoek steenuil en das;
  • uitvoeren nader onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen wanneer de beschreven voorwaarden niet nageleefd kunnen worden;
  • doe melding van het vellen van een houtopstand en voer herbeplanting uit of vraag een ontheffing aan;
  • houd rekening met broedende vogels;
  • houd rekening met de zorgplicht.

5.4 Externe veiligheid

Doel
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.

In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord.

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR)

Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten';

Groepsrisico (GR)

Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Plasbrandaandachtsgebied (PAG)

Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.

Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen

Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.

Beleidsvisie externe veiligheid

In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.

Beoordeling

Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve een relevant milieuaspect. Er is een quickscan uitgevoerd naar het plaatsgebonden risico en en groepsrisico van de omliggende risicobronnen en de mogelijke gevolgen voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. De quickscan is als bijlage 4 toegevoegd aan deze toelichting.

Naar aanleiding van het onderzoek naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico kan worden geconcludeerd dat er geen plaatsgebonden risicocontour van omliggende risicobronnen tot in het plangebied reiken. Tevens ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van omliggende risicobronnen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van kwetsbare of beperkt kwetsbare functies in het plangebied.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid geeft geen kaders voor het plan en vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.5 Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen.

De Wgh gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist.

De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009".

Beschrijf onderzoek

Het voorliggende plan bevat de toevoeging van een gevoelige functie (wonen). Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Hunnenweg, de Prinsenweg en de Meeuwenveenseweg. Daarnaast is in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook de 30 km/uur weg Prinsenhof relevant. Een akoestisch onderzoek naar deze wegen is uitgevoerd om te bepalen of sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting op de woningen. Het akoestisch onderzoek is als bijlage toegevoegd.Op basis van dit onderzoek worden de volgende conclusies getrokken:

  • De geluidbelasting vanwege de gezoneerde weg Hunnenweg bedraagt maximaal 52 dB inclusief aftrek 110g van de Wet Geluidhinder. Dit is hoger dan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, maar lager dan de maximale ontheffingswaarde;
  • Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten op bezwaren van financiele of stedenbouwkundige aard. Een hogere grenswaarde dient te worden aangevraagd conform onderstaande tabel;
  • Rekening houdend met het Bouwbesluit 2012 dient er sprake te zijn van een minimale gevelwering conform onderstaande tabel;
  • De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting wordt als gevolg van de gezoneerde Prinsenweg niet overschreden;
  • De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting wordt als gevolg van de gezoneerde Meeuwenveenseweg niet overschreden;
  • De geluidbelasting vanwege de 30 km/uur weg Prinsenhof bedraagt maximaal 45 dB. Dit is lager dan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor vergelijkbare gezoneerde (buiten)stedelijke wegen. Als gevolg kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1486-0001_0009.png"

Nummering bouwvlakken

Bouwvlak   Hogere grenswaarde als gevolg van de Hunnenweg   Benodigde gevelwering  
A   52 dB   24 dB  
B   49 dB   21 dB  
C   50 dB   22 dB  

Tabel met benodigde hogere grenswaarde per bouwvlak

Conclusie

Het aspect geluid geeft de volgende kaders voor het plan:

  • aanvragen van een hogere grenswaarde voor bouwvlakken A, B en C;
  • toepassen van een minimale gevelwering bij woningen in bovengenoemde bouwvlakken.

Wanneer wordt voldaan aan bovenstaande kaders, vormt geluid geen belemmering voor onderhavig plan.

5.6 Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt.

Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.

Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.

Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

In de omgeving van het plangebied liggen veehouderijen (waaronder een paardenhouderij) op de volgende adressen:

  • Hunnenweg 26/30, 33, 35 en 40a.

Beoordeling

De woningen in het plangebied zijn te beschouwen als geurgevoelige objecten. De meeste hindercirkels van de omliggende veehouderijen zijn zodanig dat deze het plangebied niet bestrijken. Voor het bedrijf aan de Hunnenweg 33 geldt op basis van de verleende milieuvergunning dat een afstand van 45 meter moet worden aangehouden. De werkelijke afstand gemeten tussen het bouwvlak van de Hunnenweg 33 en het dichtstbijzijnde nieuw geprojecteerde bouwvlak is 53 meter.

Voor het agrarische bedrijf aan de Hunnenweg 35 geldt een vaste afstand van 50 meter voor veehouderijen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij. De werkelijke afstand tussen het bouwvlak van de Hunnenweg 35 en het dichtstbijzijnde nieuw geprojecteerde bouwvlak is 53 meter en voldoet daaraan.

Conclusie

Het aspect geur geeft geen kaders voor het plan en vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.7 Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro).

Beoordeling

De ontwikkeling vindt plaats binnen een gebied waar planologisch reeds sprake is van een woonbestemming. Er vindt geen intensivering van bebouwing plaats, het aantal woningen neemt toe en er is voorzien in andere woningtypologieën. Deze stedelijke ontwikkeling is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Het onderzoek is als bijlage toegevoegd.

Uit het onderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling aansluit bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking':

1. Behoeftenonderzoek

De herontwikkeling van het plangebied naar een buurtschap met een gedifferentieerd programma van 39 kleinere woningen (vrijstaande woningen, twee-onder-één-kapwoningen en appartementen) in een speelse, groene verkaveling, in plaats van de vigerend bestemde 15 grote villa's (van circa 2.800 m3) in een strakke verkaveling, sluit beter aan op de woningbehoefte in de regio en de gemeente. Voorts wordt geanticipeerd op de demografische ontwikkelingen door in te zetten op een (voornamelijk grondgebonden) koopprogramma binnen een landelijk woonmilieu. Daarbij komt dat de ontwikkeling bijdraagt aan de (groeiende) kwantitatieve druk van de regio Foodvalley en de gemeente Barneveld. Tevens maakt het plan onderdeel uit van de (regionale) woningbouwafspraken en wordt aangesloten op de gemeentelijke volkshuisvestelijke beleidsafspraken. De ontwikkeling voorziet daarom in een behoefte binnen het verzorgingsgebied.

2. Bestaand stedelijk gebied

Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling wordt voorzien in bestaand stedelijk gebied. In de Nota van Toelichting bij het Bro staat beschreven dat de kwalificatie of gronden al dan niet behoren tot bestaand stedelijk gebied afhangt van zaken als de feitelijke situatie, de ligging, het geldende bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Zo zijn gronden met een niet-agrarische bestemming, ook al zijn ze onbebouwd, als bestaand stedelijk gebied te kwalificeren. Ook naar het oordeel van de Afdeling kunnen planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Aangezien voorliggend plangebied reeds een woon-bestemming kent, is ook in voorliggende situatie sprake van bestaand stedelijk gebied. Het vigerend toegestane bouwvolume wordt niet uitgebreid, het uitgeefbaar kaveloppervlak wordt verkleind ten gunste van natuur en groen. Daarbij komt dat het groene, ruim opgezette karakter van het plan in combinatie met de beoogde omvang en het gedifferentieerde woonprogramma met kleinere woningen maakt dat sprake is van een woningbouwontwikkeling met een groot aantal kenmerken, waarvan gesteld wordt dat er binnen de planperiode onvoldoende potentiële andere locaties binnen bestaand stedelijk gebied met voldoende capaciteit en dezelfde kwalitatieve kenmerken (tijdig) voorhanden zijn om te kunnen voorzien in de geschetste behoefte.

Conclusie

Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking geeft geen kaders voor het plan en vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.8 Leidingen

Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de bescherming van ruimtelijk relevante kabels en leidingen.

Beoordeling

Het plangebied ligt in het radarverstoringsgebied van de defensieradar van Nieuw Milligen. In verband hiermee zijn er ter voorkoming van radarverstoring beperkingen van toepassing voor de bouw van windturbines, waarvan de tiphoogte hoger is dan 118 meter. De bouwbeperkingen binnen het radarverstoringsgebied zijn vastgelegd in het Barro en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). In artikel 2.4 van de Rarro zijn de radarverstoringsgebieden beschreven, waarvoor op basis van artikel 2.6.9 van het Barro bouwhoogte-beperkingen gelden in verband met radarverstoring. Tezamen met de artikelen 2.5 en 2.6 geeft dit artikel het regime om te beoordelen of er sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor de werking van de radar. Het doel van dit regime is om zeker te stellen dat de defensieradars een goed beeld van het luchtruim –en van wat daar vliegt behouden en dat dit beeld niet in onaanvaardbare mate wordt verstoord door hoge objecten.

Dit bestemmingsplan voorziet zowel bij recht als bij afwijking of wijziging niet in bouwhoogtes die in strijd zijn met het de genoemde ruimtelijke regels ten dienste van het radarverstoringsgebied.

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

Conclusie

Het aspect leidingen geeft geen kaders voor het plan en vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.9 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg of minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg te worden beoordeeld.

Beoordeling

Toets Besluit gevoelige bestemmingen en NIBM

De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het NIBM. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Met het plan worden geen gevoelige functies zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen gerealiseerd. Een nadere toetsing hieraan is dan ook verder niet noodzakelijk.

Toets goede ruimtelijke ordening

Tevens dient te worden beoordeeld of het mogelijk maken van nieuwe woningen, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Voor deze toets is de monitoringstool uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) in het plangebied voor (onder andere) de jaren 2016, 2020 en 2030.

In de nabijheid van het plangebied geeft de Monitoringstool geen rekenpunten. Daarom is gekozen voor een weg met een veel hogere verkeersintensiteit dan de nabijgelegen Hunnenweg. Dit betreft de N344 (ter hoogte van de kruising met de Hunnenweg te Voorthuizen). De concentraties langs deze weg is minimaal representatief voor de concentraties binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Indien de concentraties langs deze weg voldoen aan de grenswaarden, vindt eveneens geen overschrijding plaats binnen en in de directe omgeving van het plangebied.

In de navolgende tabel staan de concentraties fijn stof (PM10 en PM2.5) en stikstofdioxide (NO2) in de nabijheid van het plangebied zoals opgenomen in de monitoringstool.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1486-0001_0010.png"

Uit de Monitoringstool blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen ruim onder de grenswaarden liggen in de drie zichtjaren (2016, 2020 en 2030). Tevens geven de uitkomsten uit de monitoringstool aan dat de concentraties van de luchtvervuilende stoffen vanaf 2020 allemaal verder afnemen. De concentratie stikstofdioxide (NO2) neemt reeds vanaf 2016 af. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit geeft geen kaders voor het plan en vormt zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening geen belemmering voor onderhavig plan.

5.10 Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden.

Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan:

  • 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage;
  • 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied;
  • 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening.

Besluit milieueffectrapportage

De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.

Wettelijk kader

Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd.

Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden.

Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk.

Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht.

Beoordeling

Besluit milieueffectrapportage

In dit geval is het bestemmingsplan / de activiteit niet via dit spoor m.e.r.-plichtig want de activiteit komt niet voor op de lijst in onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage. Daarnaast heeft toetsing aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r. achterwege kan blijven.

Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming

Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet). De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig.

Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig, zoals ook blijkt uit de uitgevoerde voortoets (zie paragraaf 5.3).

Provinciale milieuverordening

Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek.

Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).

Conclusie

Het aspect milieueffectrapportage geeft geen nader beoordelingskaders voor het plan.

5.11 Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstanden voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. Naast in de VNG-publicatie genoemde vormen van hinder kunnen ook andere hinderaspecten (licht, bestrijdingsmiddelen etc) van belang zijn bij de vaststelling van een bestemmingsplan.

Beoordeling

Ten aanzien van milieuzonering geldt dat er diverse mogelijk hindergevende functies in de directe nabijheid aanwezig zijn. Milieuzonering is derhalve een relevant milieuaspect. Er is een quickscan uitgevoerd naar de gevolgen van dit nieuwe bestemmingsplan voor omliggende hindergevende functies alsmede de gevolgen voor van deze functies voor het woon- en leefklimaat in het plangebied. Hierin is geconcludeerd dat met betrekking tot het chaletpark ten oosten van het plangebied niet wordt voldaan aan de richtafstand van 50 m. Wanneer gekeken wordt naar de feitelijke invulling van de gronden is echter gemotiveerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er is ook geen sprake van een belemmering van de bedrijfsvoering van het chaletpark. De afstand tussen de verblijfsrecreatieve percelen en een bouwvlak voor Wonen neemt toe door de planologische wijziging.

Met betrekking tot de overige omliggende gronden/functies wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure of andere te hanteren relevante hinderzones. Het planinitiatief maakt verder geen milieuhindergevoelige objecten mogelijk die deze omliggende gronden/functies onevenredig schaadt in de ontwikkelingsmogelijkheden.

Conclusie

Er zijn voor wat betreft het aspect milieuzonering geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.12 Veiligheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld.

Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

Beoordeling

De infrastructuur voor wegen is reeds aangelegd in het plangebied. Het plangebied is alleen toegankelijk vanaf de Hunnenweg. Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes.

Conclusie

Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.13 Verkeer

Een bestemmingsplan moet worden getoetst aan de ruimteijk relevante aspecten op het gebied van verkeer. Het gaat hierbij om ruimtevragende onderwerpen zoals parkeren, maar ook om een beoordeling van bijvoorbeeld de inpasbaarheid van een ontsluiting op de omliggende wegenstructuur.

5.13.1 Beoordeling parkeren

Op grond van de gemeentelijke Nota parkeernormen (2015) moet de parkeerbehoefte in beginsel op eigen terrein worden opgevangen. In de nota zijn voor verschillende functies parkeernormen opgenomen. Deze normen variëren afhankelijk van het gebied waarbinnen het plangebied ligt. In de regels van dit bestemmingsplan is vastgelegd dat aanvragen om omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan de actuele beleidsregels waarin parkeernormen zijn vastgelegd. Op dit moment vormt de genoemde Nota parkeernormen uit 2015 het actuele toetsingskader.

Beoordeling

Het plangebied is beschouwd als 'overige kern' met stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk'. In de onderstaande tabel is een overzicht van de berekening van de parkeernorm uit de Nota parkeernormen opgenomen. Het programma zoals beoogd in het stedenbouwkundig ontwerp vormt hiervoor, naast de relevante parkeernormen, het uitgangspunt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1486-0001_0011.png"

Tabel berekening parkeerbehoefte

Parkeren zal hoofdzakelijk plaatsvinden op de privékavels, welke voldoende ruim zijn om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. Naast de laan zullen, in grasbeton, (bezoekers)parkeerplaatsen aangelegd worden.

5.13.2 Overige verkeersaspecten

Ontsluiting

In het plangebied is op basis van het vigerende woningbouwplan, reeds een ontsluitingsweg gerealiseerd. Deze ontsluiting wordt ook gebruikt voor de nieuwe verkaveling. De ontsluitingsweg sluit aan op de Hunnenweg en loopt dood aan de oostzijde van het plangebied.

De Hunnenweg is een erftoegangsweg waarop bereiken en verlaten van percelen de belangrijkste functie is. De weg heeft een asfaltverharding tussen de N344 en het chaletpark Het Hunnenbos. Vanaf het chaletpark is de weg in noordoostelijke richting verder onverhard. De afstand vanaf de aansluiting op de Hunnenweg en de N344 is ongeveer 1,4 kilometer, waardoor het verkeer uit het plangebied snel kan worden ontsloten op de provinciale wegenstructuur.

Verkeersintensiteit

Voor de berekening van de verkeersgeneratie (verkeersaantrekkende werking) is gebruik gemaakt van kencijfers van het CROW (publicatie 317). Daarbij is de indeling in stedelijkheidsgraad en het gebiedstype gehanteerd zoals in de gemeentelijke Nota parkeernormen (2015). Op grond hiervan wordt de locatie getypeerd als een 'niet stedelijk gebied' en is gekeken naar de kencijfers behorende bij gebiedstype 'buitengebied'.

Het geldende bestemmingsplan staat in totaal 15 vrijstaande woningen (koop) op grote kavels toe. Voor de toekomstige situatie is de onderstaande verdeling uit het stedenbouwkundig ontwerp aangehouden (allen koop), waarbij voor de 'kavels' is uitgegaan van vrijstaande woningen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1486-0001_0012.png"

Tabel verkeersaantrekkende werking maximale geldende bestemmingsmogelijkheden:

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1486-0001_0013.png"

Tabel: verkeersaantrekkende werking maximale nieuwe bestemmingsmogelijkheden:

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1486-0001_0014.png"

De realisatie van woningen zorgt voor extra verkeersbewegingen op de Hunnenweg. De berekende toename bedraagt afgerond 200 motorvoertuigebewegingen per etmaal. Dit aantal is op te vangen binnen de capaciteit van de Hunnenweg, mede gezien de Hunnenweg geen belangrijke doorgaande verbinding is vanwege het onverharde wegdek vanaf het chaletpark Het Hunnenbos.

5.13.3 Conclusie

Het aspect verkeer geeft de volgende kaders mee voor het plan:

  • vastleggen van verplichting parkeren op eigen terrein, conform de actuele beleidsregels.

Het aspect verkeer vormt met inachtneming van de genoemde voorwaarde geen belemmering voor onderhavig plan.

5.14 Water

Vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geldt de verplichting tot het doorlopen van het watertoetsproces bij een bestemmingsplanherziening. Binnen dit proces wordt een afweging gemaakt van het waterbelang binnen de ruimtelijke planprocessen. Deze watertoets geldt alleen voor ruimtelijke besluiten waar sprake is van belangrijk ruimtelijke ingrepen.

Beoordeling

Voor de planontwikkeling is een watertoets opgesteld. Deze waterparagraaf is als bijlage toegevoegd.

Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 7.800 m2. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie, met inbegrip van de huidige ontsluiting, bedraagt circa 10.800 m2.

In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet direct op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen het plangebied worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn.

Gelet op de zowel de grootschalige, ruimtelijke opzet als groene invulling van het plan worden geen problemen verwacht met de waterhuishouding en de verwerking van het afstromende hemelwater. Bewoners worden zoveel mogelijk gestimuleerd op hemelwater op eigen terrein op te vangen, vast te houden en te infiltreren. Het plan voorziet dan ook in de mogelijkheid en ruimtelijke inpassing om regenwater op te vangen en af te voeren naar laagtes in het beekdal van de door de planlocatie gelegen Veldbeek. In die laagtes krijgt het hemelwater de tijd om te infiltreren. Het beekdal wordt natuurlijk vormgegeven en krijgt ruimte om te overstromen en een typische vegetatie te ontwikkelen. Om wateroverlast te voorkomen komen enkele kavels die zijn gelegen in het beekdal enigszins verhoogd in het landschap te liggen. De wateropgave ten aanzien van het plan bedraagt 650 m3.

Als gevolg van de ontwikkeling zal een deel van de aanwezige watergang verlegd moeten worden. Aandachtspunt hierbij is dat de afwaterende functie van watergang richting de Hunnenweg in de nieuwe situatie niet verloren gaat. Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Door geen uitlogende bouwmaterialen toe te passen (zoals onbehandeld koper of zink) wordt voorkomen dat het te infiltreren hemelwater de gronden of oppervlaktewater verontreinigt.

Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. In het kader van de voormalige activiteiten op de planlocatie zijn leidingen in het gebied aangelegd waaronder een persriool. Voor zover bekend is dit riool nog steeds aanwezig. Op basis van de ontwikkeling wordt ingeschat dat het toekomstig aanbod aan vuilwater circa 11 m3/dag bedraagt.

Tijdens de verdere planvorming zullen de initiatiefnemer en de gemeente de mogelijkheden omtrent en de wijze waarop en hoe aangesloten kan worden op de riolering nader moeten bespreken. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden.

Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 6 JURIDISCHE ASPECTEN

6.1 Juridische aspecten

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Barneveld. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan.

Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod.

Bevoegdheid

Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is.

Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.

6.1.1 Inleidende regels
6.1.1.1 Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.

De omschrijving van het begrip 'bouwperceel' staat in artikel 1. Een voorbeeld van een bouwperceel is een stuk grond waarop een woning staat met een tuin. De bestemmingen 'Wonen - 1' en 'Tuin' horen beiden bij het bouwperceel.

6.1.1.2 Wijze van meten

Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.

6.1.2 Bestemmingsregels
6.1.2.1 Bestemming 'Natuur'

Gronden waaraan de bestemming 'Natuur' is toegekend, zijn bestemd voor behoud, herstel en/of de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke of landschappelijke waarden, waterhuishoudkundige doeleinden, sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen.

Het is niet mogelijk om binnen de bestemming gebouwen en/ of bouwwerken te bouwen.

6.1.2.2 Bestemming 'Tuin'

De bestemming 'Tuin' is gelegen bij de bestemming 'Wonen - 1'. De bestemming wordt alleen toegepast op terreinen van particulier eigendom. Dit deel van het perceel mag beperkt bebouwd worden.

In een tuinbestemming mag verharding worden gerealiseerd. Het is ook mogelijk om binnen een tuinbestemming te parkeren. De grens tussen de bestemming 'Wonen - 1' en de bestemming 'Tuin' verspringt.

Binnen de bestemming Tuin mogen bijbehorende bouwwerken, ondergeschikte bouwdelen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

6.1.2.3 Bestemming 'Verkeer'

De bestemming 'Verkeer' wordt opgenomen voor wegen, straten en paden, voet- en rijwielpaden. Daarnaast zijn parkeer-, groen- en speelvoorzieningen mogelijk. Evenals waterhuishoudkundige doeleinden en bermen.

Binnen de bestemming kunnen onder voorwaarden bouwwerken, geen gebouwen zijnde gebouwd worden. Overkappingen zijn niet toegestaan.

6.1.2.4 Bestemming 'Water'

Alleen wanneer het water een belangrijk element vormt in zijn omgeving dan wel van groot belang is voor de waterhuishouding is de bestemming 'Water' toegekend. Daar waar een waterloop ondergronds loopt, is de dubbelbestemming 'Waterstaat-waterlopen' toegepast. In alle andere gevallen valt water onder de bestemming 'Groen'.

6.1.2.5 Bestemming 'Wonen - 1'

De bestemming 'Wonen - 1' wordt opgenomen voor het woonperceel (met eventuele uitbreidingsmogelijkheden van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken). Het gedeelte van het perceel tussen de woning en de weg krijgt de bestemming 'Tuin'.

Bij de bestemming 'Wonen - 1' is de functie wonen toegestaan. Het begrip wonen is gedefinieerd als 'het zelfstandig gehuisvest zijn van één afzonderlijk huishouden'. Dit betekent dat kamerverhuur niet zonder meer is toegestaan.

Voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat deze met uitzondering van erkers binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd. Binnen de bestemming 'Wonen - 1' zijn hier uitsluitend twee-aaneen-gebouwde woningen en vrijstaande woningen toegestaan.

Wanneer een bouwvlak is voorzien van een gevellijn, dan moeten de voorgevel van de woning in deze lijn worden gesitueerd. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - verspringende gevellijn' mogen maximaal 3 woningen in dezelfde rooilijn worden geplaatst. Een volgende woning in de rij dient minimaal 2 m voor of achter deze rooilijn geplaatst te worden.

Wanneer de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afstand tot zijdelingse perceelsgrens' is opgenomen, moet bij twee-aaneen-gebouwde woningen inclusief aan- en uitbouwen minimaal 2 m tot de zijdelingse perceelsgrens aangehouden worden en bij vrijstaande woningen aan beide zijden minimaal 2 m worden aangehouden. Deze regeling is opgenomen, om ervoor te zorgen dat de woningen verspreid over de bouwvlakken gebouwd worden.

Tot slot is per bouwvlak een maximum bouwhoogte, maximum goothoogte en een maximum bebouwingspercentage aangeduid.

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken is een regeling opgenomen waarbij de toegelaten oppervlakte is gekoppeld aan de omvang van het bouwperceel.

Omdat aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden (bedrijfs-)activiteiten zowel in de woning als in de aan- en uitbouwen onder voorwaarden zijn toegestaan, is gekozen voor een algemene gebruiksbepaling in een apart artikel. Kleinschalige bedrijven, zoals schilders, stukadoors en elektriciens vallen onder de noemer 'hiermee gelijk te stellen gebied'. Dit zijn bedrijfjes waarbij aan huis hoofdzakelijk administratie-/kantoorwerkzaamheden plaats vinden, er beperkte opslag plaatsvindt en de hoofdwerkzaamheden elders (op locatie) plaats vinden. In de specifieke gebruiksregels staat dat er geen detailhandel mag plaatsvinden. Internetwinkels zonder fysieke bezoekmogelijkheid beschouwt de raad niet als detailhandel. Dergelijke internetwinkels zijn wel toelaatbaar onder de daar genoemde voorwaarden. Het gaat om internetwinkels waarbij de klant op geen enkele manier fysiek in contact staat met de internetwinkel. Alle klantcontacten en verzending van goederen gebeurt uitsluitend digitaal of per post. Van enige consument aantrekkende werking is geen sprake. Deze internetwinkels passen als ondergeschikte functie in de woonbestemming. Als de opslag, logistiek en/of administratie de hoofdfunctie is, is een bestemming als bedrijf of kantoor van toepassing.

Binnen woningen is het mogelijk af te wijken van de gebruiksregels voor een bed & breakfast of kangoeroewoning. Ter voorkoming van het ontstaan van een zelfstandige wooneenheid wordt geen keukenblok toegestaan in een bed & breakfast. Een keukenblok wordt niet noodzakelijk geacht voor een bed & breakfast, omdat de verzorging van bed & breakfast zich beperkt tot logies en ontbijt. Tevens wordt hiermee de kans op permanente bewoning tegengegaan.

6.1.2.6 Bestemming 'Wonen - 2'

De bestemming 'Wonen - 2' wordt opgenomen wanneer sprake is van gestapelde woningen of grondgebonden aaneengebouwde woningen.

Bij de bestemming 'Wonen - 2' is de functie wonen toegestaan. Het begrip wonen is gedefinieerd als 'het zelfstandig gehuisvest zijn van één afzonderlijk huishouden'. Dit betekent dat kamerverhuur niet zonder meer is toegestaan.

Binnen het bouwvlak is een maximum bebouwingspercentage, maximum bouwhoogte en maximum goothoogte aangeduid. Er zijn maximaal 10 woningen toegestaan.

Voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat deze met uitzondering van trappenhuizen, liftschachten, en portieken binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd.

Verder is binnen de bestemming 'Wonen - 2' onder voorwaarden de bouw van aan- en uitbouwen, bijgebouwen, balkons en ondergeschikte bouwdelen toegestaan.

Omdat aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden (bedrijfs-)activiteiten zowel in de woning als in de aan- en uitbouwen onder voorwaarden zijn toegestaan, is gekozen voor een algemene gebruiksbepaling in een apart artikel.

6.1.2.7 Bestemming 'Groen'

De bestemming 'Groen' wordt opgenomen voor alle openbare gebieden waar groenvoorzieningen, bermen en beplanting gepland zijn. Hierbinnen zijn daarnaast paden, speelvoorzieningen en waterlopen toegestaan en daaraan ondergeschikt verhardingen en parkeervoorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding 'waterberging' is waterberging mogelijk.

Onder voorwaarden is de bouw van bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan. De bouw van overkappingen en gebouwen is niet mogelijk, met uitzondering van een veldschuur.

6.1.2.8 Dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterlopen'

Met deze dubbelbestemming wordt een regeling getroffen ter bescherming van de waterlopen die op deze plek aanwezig zijn. Deze dubbelbestemming wordt opgenomen wanneer de waterlopen gelijkwaardig zijn aan de andere voor die gronden aangewezen doeleinden of bijvoorbeeld onder de grond lopen.

Op de gronden met deze dubbelbestemming mogen in beginsel geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Uitzonderingen op het bouwverbod zijn alleen mogelijk na schriftelijke instemming van de waterbeheerder.

6.1.3 Algemene regels
6.1.3.1 Anti-dubbeltelregel

Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

6.1.3.2 Algemene bouwregels

In artikel 12.1 is een regeling opgenomen voor ondergronds bouwen. De regeling houdt in dat ondergronds bouwen is toegestaan waar ook bovengronds bouwen is toegestaan, tenzij anders is aangegeven.

6.1.3.3 Algemene gebruiksregels

In de algemene gebruiksregels is geregeld dat in het gehele plangebied maximaal 39 woningen zijn toegestaan. Dit is inclusief de 5 tot 10 woningen die binnen de bestemming 'Wonen - 2' zijn toegestaan. In het voorliggende plan is het aantal woningen niet per bouwvlak geregeld (met uitzondering van 'Wonen - 2', waardoor de woningen op verschillende manieren over de bouwvlakken verdeeld kunnen worden.

Daarnaast wordt in de algemene gebruiksregels ter verduidelijking van het plan aangegeven dat het gebruiken van gronden ten behoeve van een seksinrichting in ieder geval strijdig is met de bestemming.

Ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen wordt in deze regels aangegeven dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn conform de nota parkeernormen (of een rechtsopvolger daarvan). Hierbij wordt het vergroten van een woning uitgesloten.

6.1.3.4 Algemene aanduidingsregels

Binnen de algemene aanduidingsregels is ter plaatse van een aantal bouwvlakken in het plangebied een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg en instandhouding van minimaal 3 bomen met een minimale diameter van 0,2 meter. De voorwaardelijke verplichting geldt voor ieder bouwperceel dat binnen het bouwvlak gerealiseerd gaat worden.

6.1.3.5 Algemene afwijkingsregels

Er is een algemene afwijkingsregel opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond.

Het is niet de bedoeling dat deze algemene bevoegdheid wordt toegepast in combinatie met het afwijken zoals dat bij een specifieke bestemming is genoemd. Met andere woorden: cumulatie van deze bevoegdheden is uitgesloten. Een voorbeeld: de maximale goothoogte voor een woning is 6 meter. Bij de bestemming 'Wonen - 1' is de bevoegdheid opgenomen om met een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels en die goothoogte te vergroten met maximaal 3 meter. Het is niet de bedoeling dat dan nog eens toepassing wordt gegeven aan de algemene afwijkingsbevoegdheid met een vergroting van nog eens 10% tot gevolg.

6.1.3.6 Algemene wijzigingsregels

In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. De bevoegdheid is bedoeld voor aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein.

6.1.3.7 Algemene procedureregels

Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging een besluit nemen omtrent de wijziging.

Voor het stellen van nadere eisen is geen procedure opgenomen in de wet. De procedure staat beschreven in hoofdstuk 3 "Algemene regels" van dit bestemmingsplan.

6.1.4 Overgangs- en slotregels
6.1.4.1 Overgangsregels

Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

6.1.4.2 Slotregel

Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.

6.2 Handhaving

De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn:

  • de regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving;
  • handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren;
  • niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving.

Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (onder andere in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijken van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.

In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei.

Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol.

Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door:

  • de regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels;
  • het afwijkingenbeleid.

In dit bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden.

Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.

Hoofdstuk 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

7.1 Grondexploitatie

Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Nu het plan de bouw van een woning (of een ander bouwplan zoals dat in artikel 6.2.1 Bro is opgenomen) mogelijk maakt, is dit aan de orde.

Het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden is verzekerd middels een exploitatieovereenkomst. In deze exploitatieovereenkomst is eveneens geregeld dat een substantiële financiële bijdrage moet worden geleverd aan natuurontwikkeling buiten het plangebied.

Doordat het verhaal van de kosten middels een exploitatieovereenkomst verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels niet noodzakelijk is, behoeft de raad op grond van artikel 6.12, tweede lid Wro in dit geval geen exploitatieplan vast te stellen.

Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro.

Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 9 april 2020 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om het voorliggende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is verder dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er in bepaalde gevallen voor belanghebbenden in het voortraject gelegenheid om in te spreken.

8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang.

Dit plan is gebaseerd op de Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten en voldoet daar ook aan. In het kader hiervan is het verzoek voorgelegd aan de Regionale werkgroep Coördinatie verzoeken om functieverandering. De werkgroep heeft op 5 oktober 2011 ingestemd met het plan. Geconcludeerd kan worden dat er hier geen provinciale belangen in het geding zijn die om vooroverleg vragen.

Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding groter is dan 1500 m2 en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Gezien de toename van verharding, is het plan afgestemd met het waterschap.

Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Gelet op de brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft geen vooroverleg plaatsgevonden, aangezien de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geen adviserende en coördinerende rol meer heeft met betrekking tot de advisering over een voorontwerp betreffende gemeentelijke ruimtelijke plannen. Nu er sprake is van een gemeentelijk ruimtelijk plan, waarbij er geen nationale rijksbelangen aan de orde zijn en de betrokken rijksdiensten niet als direct belanghebbende zijn aan te merken, behoeft het plan niet voor vooroverleg naar de ILT opgestuurd te worden.

Aangezien er sprake is van een provinciaal belang, is er door de gemeente vooroverleg gevoerd met de provincie.

8.2 Inspraak

De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en inspraak is in de Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken.

Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan.Voor dit plan is afgezien van inspraak, omdat voor het plangebied grotendeels reeds een woonbestemming geldt. De maatschappelijke discussie over de functie van het gebied is derhalve reeds gevoerd.

8.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan wordt tezamen met de overige ontwerpstukken voor een periode van zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid om een zienswijze naar voren te brengen. In deze paragraaf wordt aangegeven of er reacties zijn ingediend. Als er reacties worden ingediend, dan wordt in deze paragraaf aangegeven of de reacties hebben geleid tot aanpassing van het plan. Als reacties worden ingediend, dan zal in de bijlage bij dit bestemmingsplan een Nota Zienswijzen worden bijgevoegd.