direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan H22f Slagveld 36
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1992.slagveld36-0130

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan Slagveld 36 in Brielle (gemeente Voorne aan Zee) is beoogd het (voormalige) stadskantoor te wijzigen naar maximaal 31 huurwoningen. Van deze 31 sociale huurwoningen is minimaal 30% sociaal. De overige woningen betreffen middenhuur woningen.

De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met het omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee. Het realiseren van woningen in en tuintjes bij het stadskantoor en de (delen van de) herinrichting van parkeervoorzieningen zijn niet toegestaan op basis van bestemmingsplan 'Vesting', welke deel uitmaakt van het omgevingsplan.

Er is voor gekozen om de ontwikkeling mogelijk te maken via een wijziging van het omgevingsplan in het TAM-IMRO format (bestemmingsplan-variant). Deze wijziging van het omgevingsplan dient te voldoen aan de instructieregels van Rijk en de provincie Zuid-Holland. Er dient sprake te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en er dient voldaan te worden aan het beleid van Rijk, provincie Zuid-Holland en gemeente Voorne aan Zee. De voorliggende motivering voorziet daarin en is onderdeel van het wijzigingsbesluit. In de planregels en op verbeelding worden de nieuwe activiteiten vastgelegd.

1.2 Ligging locatie wijziging omgevingsplan

Het omgevingsplan van gemeente Voorne aan Zee wordt gewijzigd op locatie Slagveld 36. De locatie waarop de beoogde ontwikkeling betrekking heeft, onderdeel van de volgende percelen:

perceel 3866, sectie B, Kadastrale Gemeente Brielle;

perceel 3893, sectie B, Kadastrale Gemeente Brielle;

perceel 5028, sectie B, Kadastrale Gemeente Brielle; en

perceel 5031, sectie B, Kadastrale Gemeente Brielle.

In figuur 1.2.1 is de ligging van de planlocatie weergeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0001.png"

Figuur 1.2.1 Ligging planlocatie

1.3 Procedure

Er is een wijzigingsbesluit opgesteld omdat wonen in het omgevingsplan niet mogelijk is op de desbetreffende locatie. Er is gekozen om met het wijzigen van het omgevingsplan gebruik te maken van het format TAM-IMRO. Aangezien er nog geen beschikking is over een casco en/of regelbibliotheek, wordt het TAM-omgevingsplan opgesteld volgens de bestemmingsplanvariant.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De huidige situatie wordt beschreven aan de hand van de feitelijk bestaande activiteiten en aanwezige bebouwing op de locatie. De toekomstige situatie beschrijft het initiatief voor de planlocatie en de strijdigheden met het omgevingsplan. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe participatie heeft plaatsgevonden en hoe dit heeft bijgedragen aan de voorgenomen inrichting van de percelen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 en 5 het plan getoetst aan het relevante beleidskader en het beoordelingskader inclusief instructieregels van de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ook wel afgekort als etfal).

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan en de omgeving

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Feitelijke situatie

Omgeving planlocatie

De planlocatie ligt in het oostelijke deel van de historische binnenstad van Brielle. In figuur 2.1.1 is de ligging van de planlocatie weergeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0002.png"

Figuur 2.1.1 Ligging planlocatie in Brielle

Ten westen grenst de planlocatie aan de straat Slagveld. Achter deze straat ligt een van de grachten van Brielle, waarachter woningen staan. Ten noorden van de planlocatie is een woonzorghuis voor ouderen met een zorgindicatie voor somatische zorg. Achter dit woonzorghuis zijn grondgebonden eengezinswoningen te vinden. In de oksel van het gebouw ligt een parkeerplaats. De overige gronden ten oosten en ten zuiden worden getypeerd door grondgebonden eengezinswoningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0003.png"

Figuur 2.1.2 Planlocatie in de omgeving

Feitelijke situatie planlocatie

In de huidige situatie is de planlocatie gekenmerkt door het (voormalige) stadskantoor. Het stadskantoor is de functie grotendeels verloren door de verplaatsing van de kantoorplaatsen naar het gemeentehuis in Hellevoetsluis. In de huidige situatie wordt het gebouw nog gebruikt als vergaderlocatie en is er een gemeenteloket voor burgerzaken aanwezig. Daarnaast maken er gronden rondom het stadskantoor deel uit van de planlocatie.

Stadskantoor

Het stadskantoor bestaat hoofdzakelijk uit drie bouwlagen en er is een kleine ruimte op de vierde bouwlaag. De derde bouwlaag onderscheidt zich van de eerste en tweede bouwlaag door een architectonische inspring en een verandering van materiaalkeuze. Daarnaast maakt de kap onderdeel uit van de derde bouwlaag.

Bovenop de derde bouwlaag, bij de knik van het gebouw, is een ruimte van circa 15 m² aanwezig. Deze ruimte is net als de andere verdiepingen bereikbaar met de lift. Naast deze ruimte is een antenne aan de liftschacht bevestigd.

Onder een deel van het gebouw is ook een ondergrondse kelder aanwezig.

De entree van het stadskantoor is aan de zijde van Slagveld. Daarnaast zijn er nog enkele toegangen aan de zijkanten en achterzijde van het gebouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0004.png"

Figuur 2.1.3 Aanzicht planlocatie bezien vanaf de noordwestelijke punt (Slagveld)

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0005.png"

Figuur 2.1.4 Aanzicht planlocatie bezien vanaf de zuidwestelijke punt (Slagveld)

Overige gronden binnen planlocatie

De gronden welke deel uitmaken van de planlocatie en geen onderdeel zijn van het stadskantoor zijn bijna allemaal verhard of hebben een groene inrichting. Aan de achterzijde van het gebouw is gedeeltelijk sprake van een verhoogd 'terras'. Deze ligt op eenzelfde hoogte als het maaiveld aan de voorzijde van het gebouw.

2.1.2 Mogelijkheden omgevingsplan

Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee

Op dit moment staan de regels nog op verschillende plaatsen, te weten in:

  • a. de besluiten genoemd in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet, waaronder:
    • 1. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
    • 2. een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet;
    • 3. een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij;
    • 4. een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening;
  • b. de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet;
  • c. de bruidsschat (zie artikel 22.1 van de Omgevingswet).

Hierna wordt kort ingegaan op de onderdelen uit het omgevingsplan die van belang zijn voor het voorliggende initiatief. In paragraaf 2.3 wordt beschreven met welke regels van het omgevingsplan de ontwikkeling in strijd is.

Ad a1. Het bestemmingsplan als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan

Voor de planlocatie geldt het bestemmingsplan Vesting dat op 1 februari 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van Brielle en geheel onherroepelijk in werking is. Ter plaatse van de planlocatie zijn de gronden aangewezen met de bestemmingen: Groen, Maatschappelijk en Verkeer. Ook zijn er drie dubbelbestemmingen aanwezig binnen de planlocatie: Waarde - Archeologie - 3, Waarde - Cultuurhistorie - 1 en Waarde - Cultuurhistorie - 2. Verder zijn er nog twee gebiedsaanduidingen ter plaatse van de planlocatie, namelijk geluidzone - industrie en vrijwaringszone molenbiotoop.

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0006.png"

Figuur 2.1.5 Uitsnede bestemmingsplan Vesting

Daarnaast gelden ter plaatse van de planlocatie Paraplubestemmingsplan wonen en kamerverhuur (vastgesteld 27-10-2021 en onherroepelijk) en Parapluherziening Kamerverhuur Voorne aan Zee (vastgesteld 02-07-2024 en onherroepelijk).

Ad a2, 3 en 4 verordeningen

Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan behoren ook de gemeentelijke archeologieverordening, de geurverordening en de verordening afvoer regen- en grondwater, mits de gemeente een dergelijke verordening heeft vastgesteld. In dit geval zijn de volgende verordeningen van toepassing:

  • Verordening Fysieke Leefomgeving Voorne aan Zee;
  • Verordening aansluitvoorwaarden riolering Voorne aan Zee 2023.

Ad b. Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart

De bodemkwaliteitskaart, bestaande uit een bodemfunctieklassenkaart, ontgravingskaart en toepassingskaart, is een door de gemeente vastgestelde kaart met daarop de bodemkwaliteit per gebied. De gemeente Voorne aan Zee heeft samen met omliggende gemeenten een Bodemkwaliteitskaart regio Voorne-Putten en een bodemfunctieklassenkaart, deze zijn opgenomen als bijlage 1 in de Nota Bodembeleid Regio Voorne-Putten. Op de bodemkwaliteitskaart ligt de planlocatie in zone A1, oude bebouwing. Op de bodemfunctieklassekaart ligt de planlocatie in een gebied dat de functieklasse 'Wonen' heeft. De bodemkwaliteitszone van zowel de boven- als de ondergrond van het plangebied betreft eveneens oude bebouwing.

Ad c. Bruidsschat

In de bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De bruidsschat bevat onder andere voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen en regels over gemeentelijke omgevingsvergunningen.

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Ontwikkeling

Met de beoogde ontwikkeling worden woonactiviteiten, tuintjes en parkeervoorzieningen mogelijk gemaakt. Het gebouw gaat plaats bieden aan maximaal 31 huurwoningen, waarvan minimaal 30% sociaal. De overige woningen betreffen middenhuur woningen. De woningen zijn verdeeld over drie verdiepingen. Tevens wordt de bestaande ondergrondse ruimte in gebruik genomen als bergingen voor de woningen.

Begane grond

Op de begane grond worden circa 9 huurwoningen mogelijk gemaakt met een BVO van circa 60 m² tot 105 m². De woningen worden richting Slagveld en Zoutziederstraat georiënteerd. De woningen gelegen aan Slagveld krijgen een geveltuintje en de woningen aan de Zoutziederstraat een tuintje aan de binnenzijde van het pand. Daarnaast worden er balkons mogelijk gemaakt voor de woningen aan de kop aan de Zoutziederstraat.

In de knik van het gebouw is het centrale stijgpunt naar bovenliggende bouwlagen. Dit centrale stijgpunt bevindt zich in de knik van het gebouw. Dit stijgpunt is te bereiken vanaf Slagveld en vanaf de achterzijde van het gebouw.

In het plan wordt voorzien in de realisatie van een parkeerkoffer, die zal worden ontsloten via de Warmoezenierstraat. Deze parkeervoorziening wordt deels gesitueerd binnen het bestaande gebouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0007.png"

Figuur 2.2.1 Impressie begane grond

Eerste verdieping

Op de eerste verdieping worden circa 11 huurwoningen mogelijk gemaakt met een BVO van circa 55 m² tot 90 m². De woningen zijn ontsloten door middel van een middengang aan de binnenzijde van het gebouw. De middengang staat in verbinding met het centrale stijgpunt en heeft daarnaast twee trappen aan de uiteinden van de middengang. De woningen op deze verdieping zullen beschikken over een balkon of loggia.

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0008.png"

Figuur 2.2.2 Impressie eerste verdieping

Tweede verdieping

De tweede verdieping zal plaats bieden aan circa 11 huurwoningen van circa 55 m² tot 90 m² BVO. De woningen zijn ontsloten door middel van een middengang. Aan de uiteinden van deze middengang zijn inpandige trappenhuizen te vinden. Ook deze woningen krijgen allen een balkon of loggia.

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0009.png"

Figuur 2.2.3 Impressie tweede verdieping

2.3 Strijdigheden omgevingsplan

De beoogde ontwikkeling is in strijd met het omgevingsplan. De beoogde ontwikkeling voorziet namelijk in een woonfunctie, terwijl de planlocatie een maatschappelijke functie heeft. Met deze wijziging van het omgevingsplan komen alle ter plaatse geldende regels in het bestemmingsplan voor de locatie in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee te vervallen.

2.4 Milieueffectrapportage

Algemeen

In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke activiteiten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Activiteiten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt.


Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een plan, de locatie van een plan en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.

De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1 van de Omgevingswet). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob).

Toetsing

Kenmerken van het project

Het plan omvat het mogelijk maken van 31 appartementen op een locatie waar in de huidige situatie het stadskantoor van Brielle gevestigd is. De ontwikkeling vindt plaats in bestaand stedelijk gebied. Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan heeft de projectlocatie de bestemming 'Maatschappelijk', waar reeds een stedelijke functie is toegestaan.

Plaats van het project

De planlocatie ligt in stedelijk gebied. In de directe omgeving zijn zowel woningen als een mix aan functies aanwezig. De planlocatie is niet gelegen in een gebied met een beschermde status, zoals een grondwaterbeschermingsgebied of stiltegebied. Ook vormt de projectlocatie geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status (Natura 2000/NNN).

Kenmerken potentiële effecten

In Hoofdstuk 5 is geconcludeerd dat er geen sprake is van significant negatieve milieueffecten. Zo is bijvoorbeeld in paragraaf 5.6 geconcludeerd dat de geluidbelasting op de gevels de standaardwaarde overschrijden, maar niet de grenswaarde. Daarnaast is er geen sprake van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden en draagt de ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Als gevolg van de beoogde woningen is geen sprake van belangrijk nadelige effecten op het milieu en op de omgeving.

Conclusie

Met de beoogde ontwikkeling is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarbij spelen ook de aard van de omgeving (woningen) en het feit dat de transformatie niet leidt tot een grotere impact op de omgeving een rol. Er is daarom geen sprake van een mer-beoordelingsplicht.

Hoofdstuk 3 Participatie

3.1 Algemeen aanvraagvereiste participatie

De gemeenteraad van de gemeente Voorne aan Zee heeft op 3 oktober 2023 een besluit genomen over het participatiebeleid. In de opvolgende jaren gaat de gemeente het participatiebeleid 'Samen aan zet' uitvoeren.

Voor de beoogde ontwikkeling is een participatieaanpak vastgesteld in november 2024. De participatie ten behoeve van de herontwikkeling vindt plaats conform deze participatie aanpak. Zo zijn omwonenden via nieuwsbrieven geïnformeerd en is een informatieavond georganiseerd op 19 november 2025

3.2 Vooroverleg

In het kader van de te doorlopen procedure is het TAM-omgevingsplan voorgelegd aan overlegpartners. In deze paragraaf zijn de reacties van de overlegpartners behandeld.

DCMR:

Door de DCMR is aangegeven dat zij in kunnen stemmen met het TAM-omgevingsplan, mits de volgende punten verwerkt worden in het plan:

Geluid door wegen:

Op basis van het geluidbeleid van Brielle moet iedere woning beschikken over ten minste één geluidgevoelige ruimte die aan een geluidluwe gevel is gesitueerd. Deze voorwaarde dient opgenomen te worden in het TAM-IMRO plan. Deze voorwaarde is opgenomen in artikel 7.3.4 Beoordelingsregels bouwen geluidgevoelig gebouw.

Ecologie: gebiedsbescherming

De conclusie van de AERIUS-berekening is dat het beoogde plan geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar veroorzaakt op daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden, en dat negatieve effecten daarmee zijn uitgesloten. Door de DCMR is vastgesteld dat voor de realisatiefase en het beoogde gebruik de emissiebronnen degelijk zijn gemotiveerd en correct gemodelleerd. Het is aannemelijk dat hiermee een goed beeld is gegeven van alle stikstofrelevante emissiebronnen en de effecten op de natuur. Echter is de AERIUS-berekening is uitgevoerd met een verouderde versie van de AERIUS-calculator. Het onderzoek dient te worden aangevuld met een berekening in de meest recente versie AERIUS.

In voorliggend plan is de AERIUS-berekening geactualiseerd naar AERIUS 2025.0.1. Op basis van deze berekening is nog steeds geen sprake van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar.

GGD:

De GGD concludeert dat het aspect gezondheid beperkt word behandeld in de motivering. Zij geven aan dat in 5.12 Gezondheid de volgende milieuaspecten mist: geluid, lood-in-bodem en hittestress. Na de reactie van de GGD zijn deze aspecten toegevoegd in paragraaf 5.12 Gezondheid.

Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond:

De veiligheidsregio geeft aan akkoord te zijn met de beoogde ontwikkeling. Wel geven zij enkele aandachtspunten voor de uitwerking ten behoeve van de bereikbaarheid van hulpdiensten, bluswatervoorzieningen en waterveiligheid in het kader van klimaatbestendigheid.

Bereikbaarheid

In paragraaf 5.13 Mobiliteit en parkeren is geconcludeerd dat er sprake is van een verbeterde bereikbaarheid, omdat er een afname is van verkeersgeneratie.

Bluswatervoorzieningen

In de uitwerking van het ontwerp wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de realisatie van bluswatervoorzieningen, zodat hulpdiensten adequaat kunnen reageren.

Waterveiligheid

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling worden passende maatregelen getroffen om wateroverlast te voorkomen.

Wijzigingen in omgevingsplan

Op basis van de vooroverlegreactie zijn verder geen wijzigingen doorgevoerd in het TAM-omgevingsplan.

Provincie Zuid-Holland

Het provinciale parkeerbeleid gaat uit van 0,7 parkeerplaats per sociale huurwoning, inclusief bezoekersparkeren. Hiervan kan afgeweken worden als uit lokaal autobezit blijkt dat er een hogere parkeernorm gewenst is. Op de locatie Slagveld 36 geeft lokale data aan dat het autobezit 0,8 auto per woning is en CROW geeft aan dat er 0,1 voor bezoekersparkeren gerekend kan worden. Er blijft dan sprake van een overschot van 0,2 parkeerplaats per sociale huurwoning.

De doelstelling van de betreffende bepaling in de provinciale omgevingsverordening is het voorkomen van een overschot aan parkeerplaatsen, met als doel de realisatiekosten van bouwprojecten te verlagen en zorgvuldig om te gaan met de beschikbare buitenruimte, mede vanuit het oogpunt van klimaatadaptatie en duurzaamheid.

In de gemeente Voorne aan Zee zijn inwoners in sterke mate afhankelijk van de auto om volwaardig te kunnen deelnemen aan de maatschappij. Daarom is in dit geval aangesloten bij het gemeentelijke parkeerbeleid en de daarbij behorende kengetallen, in plaats van het provinciale beleid. Er worden niet méér parkeerplaatsen gerealiseerd dan noodzakelijk op basis van de berekende parkeerbehoefte. Ten tijde van de provinciale reactie lag dit anders. Met deze aanpak wordt enerzijds voldaan aan de gemeentelijke beleidskaders, en anderzijds zorgvuldig omgegaan met de beschikbare ruimte, waarbij een overmaat aan parkeerfaciliteiten wordt voorkomen.

3.3 Zienswijzen

Het ontwerp van het TAM-omgevingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode had iedereen de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Er is in deze periode één zienswijze ontvangen. Deze zienswijze is samengevat, voorzien van een beantwoording en er is aangegeven welke wijzigingen in het TAM-omgevingsplan zijn doorgevoerd naar aanleiding van deze zienswijze. Daarnaast is toegelicht welke ambtshalve wijziging is doorgevoerd in het TAM-omgevingsplan. De Nota Beantwoording zienswijzen is bijgevoegd als Bijlage 6.

Hoofdstuk 4 Beleidskader en toetsing daaraan

4.1 Inleiding

Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 4.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 4.3. In paragraaf 4.4 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid. Tot slot wordt in paragraaf 4.5 het waterbeheerprogramma behandeld.

4.2 Rijk

4.2.1 Nationale omgevingsvisie

Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten:

  • a. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • b. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • c. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • d. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.


De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • a. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • b. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • c. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Toetsing en conclusie

De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de bredere opgave om steden en regio’s te versterken. Na de fusie van de voormalige gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne tot de gemeente Voorne aan Zee, heeft het stadskantoor in Brielle zijn oorspronkelijke functie grotendeels verloren. Tegelijkertijd is er sprake van een duidelijke woningbehoefte in Brielle. Door de herontwikkeling krijgt het voormalige stadskantoor een nieuwe, versterkte functie. Hiermee wordt niet alleen bijgedragen aan de kwalitatieve versterking van de vestingstad, maar ook aan het regionale woningaanbod.

4.3 Provincie

4.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerde versie 1 april 2023)

De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. Het beleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie heeft zeven vernieuwingsambities vastgelegd. Met deze zeven ambities maakt de provincie ruimte voor belangrijke ontwikkelingen rond participatie, bereikbaarheid, energie, economie, natuur, woningbouw en gezondheid en veiligheid. De zeven ambities zijn:

  • 1. Samen werken aan Zuid-Holland;
  • 2. Bereikbaar Zuid-Holland;
  • 3. Schone energie voor iedereen;
  • 4. Een concurrerend Zuid-Holland;
  • 5. Versterken natuur in Zuid-Holland;
  • 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland;
  • 7. Gezond en veilig Zuid-Holland.

Voor voorliggende ontwikkeling is vooral de uitwerking van de ambitie 'sterke steden en dorpen in Zuid-Holland' van toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe de provincie invulling geeft aan deze ambitie.

Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland

Zuid-Holland staat voor de uitdaging om in het komende decennium 200.000 woningen te bouwen, een toename van meer dan 10% van de huidige woningvoorraad. De focus ligt daarbij op het creëren van een evenwichtige woningvoorraad, met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op geschikte locaties.

Toetsing en conclusie

De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de vernieuwingsambities 6 en 7 uit de Omgevingsvisie. Het stadskantoor heeft haar functie grotendeels verloren door de fusie van voormalige gemeentes Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne. Met de beoogde ontwikkeling krijgt daarmee een bestaand gebouw een nieuwe invulling, waarmee Brielle als stad versterkt wordt.

Daarnaast zullen de woningen voldoen aan de actuele eisen, inclusief hoge duurzaamheids- en comfortsnormen. Hierdoor zal sprake zijn van een goed binnenklimaat. Daarnaast is in hoofdstuk 5 geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en zo wordt er ook invulling gegeven aan vernieuwingsambitie 7.

Verder is één van de opgaven van de provincie om de woningvoorraad substantieel uit te breiden, zo ook in (sociale) huurwoningen (zie paragraaf 5.9). De beoogde ontwikkeling voorziet volledig in betaalbare, levensloopbestendige huurwoningen.

De ontwikkeling draagt dus bij aan de provinciale opgave om de woningvoorraad uit te breiden én past binnen het provinciale beleid.

4.4 Gemeente Voorne aan Zee

4.4.1 Omgevingsvisie Voorne aan Zee 2040

De Omgevingsvisie Voorne aan Zee 2040 is op 17 april 2025 (geamendeerd) vastgesteld. De Omgevingsvisie van Voorne aan Zee beschrijft een langetermijnvisie voor de leefomgeving op hoofdlijnen.

De visie bevat veel thema’s die allemaal betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, zoals bijvoorbeeld klimaat, energie, natuur en landschap, gezondheid, mobiliteit, recreatie, bedrijvigheid, wonen en maatschappelijke voorzieningen. Ook de relaties tussen deze thema's met het sociale domein worden beschreven. In de visie heeft de gemeente negen centrale thematische opgaven uitgewerkt. Dit zijn de volgende opgaven:

  • 1. Passend wonen voor iedereen;
  • 2. Sociaal en leefbaar;
  • 3. Gezond en veilig;
  • 4. Natuurlijk;
  • 5. Duurzaam en klimaatbestendig;
  • 6. Cultureel en beleefbaar;
  • 7. Recreatief en toeristisch;
  • 8. Ondernemend;
  • 9. Bereikbaar.

Voor voorliggende ontwikkeling is de uitwerking van de thematische opgave 'passend voor iedereen' relevant. In de uitwerking van deze opgave is de gemeente onder andere tot de volgende standpunten gekomen:

  • De gemeente heeft een focus op transformatie en verdichting. Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied (transformatie en verdichting) en eventueel in de stads- en dorpsranden heeft de prioriteit.
  • De gemeente zet in op kwantitatieve woningbouw. De gemeente Voorne aan Zee bouwt tot 2030 4.600 woningen conform de gesloten Woondeal.

Daarnaast biedt de omgevingsvisie een gedegen gebiedsindeling met gebiedsgerichte uitwerking, zo ook voor Brielle.

Toetsing

In de gebiedsgerichte uitwerking voor Brielle is het stadskantoor aangewezen als kansrijke herontwikkelingslocatie. Specifiek wordt benoemd dat er met de herontwikkeling van het stadskantoor kansen liggen voor het huisvesten van ouderen met zorgvoorzieningen. Met de beoogde ontwikkeling worden maximaal 31 levensloopbestendige betaalbare huurwoningen gerealiseerd en wordt op deze potentiële kans uit de omgevingsvisie ingespeeld en wordt invulling gegeven aan opgave 1 en 2.

Daarnaast wordt ook invulling gegeven aan de opgaven 3, 5 en 9. Zo wordt er in paragraaf 5.12 ingegaan op gezondheid en in heel Hoofdstuk 5 op mogelijke milieueffecten. In paragraaf 5.3 en 5.11 op duurzaamheid en klimaatadaptatie en in paragraaf 5.13 op bereikbaarheid.

Conclusie

Met de beoogde ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de omgevingsvisie van Voorne aan Zee.

4.4.2 Wonen Welzijn Zorgvisie

De gemeente Voorne aan Zee streeft naar een inclusieve samenleving waarin iedere inwoner zelfstandig en passend kan wonen, met toegang tot welzijn en zorg. De Wonen, Welzijn en Zorgvisie 2024–2030 vormt de leidraad voor deze ambitie en legt de nadruk op samenwerking, preventie en maatwerk.

Voorne aan Zee wil een samenleving waarin iedereen mee kan doen. Dit betekent wonen in een geschikte en veilige woning, in een leefomgeving die uitnodigt tot ontmoeting en beweging. Ondersteuning en zorg moeten goed georganiseerd zijn, dichtbij en toegankelijk. De gemeente verbindt het sociaal en fysiek domein om deze doelen te realiseren.

De visie benoemt specifieke opgaven voor de volgende doelgroepen:

  • Ouderen;
  • Jongeren;
  • Dak- en thuislozen;
  • Statushouders en vluchtelingen;
  • Arbeidsmigranten; en
  • Woonwagenbewoners;

Toetsing

In het kader van de beoogde ontwikkeling worden 31 huurwoningen gerealiseerd. Deze woningen zijn onder andere bestemd voor de doelgroep jongeren, waarmee wordt ingespeeld op de grote behoefte aan betaalbare woonruimte voor starters in Brielle en omgeving. Daarnaast worden de woningen levensloopbestendig ingericht, zodat ook ouderen tot de beoogde doelgroep behoren. Daarmee draagt het plan bij aan een woonprogramma, passend binnen de gemeentelijke woonvisie en het streven naar gemengde wijken met ruimte voor verschillende levensfasen.

4.5 Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het waterschap Hollandse Delta beschikt over het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (vastgesteld 10 november 2021). In het Waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap de doelen die zij tijdens de planperiode 2022-2027 wil bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem en waterketen. Het waterschap zet in op toekomstbestendig waterbeheer. Het zet zich in om verdere klimaatverandering tegen te gaan en de omgeving tijdig aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Dit doet het waterschap door zelf haar eigen werkzaamheden zoveel mogelijk klimaatneutraal uit te voeren, gebieden klimaatbestendig en waterrobuust in te richten en door vergroening en biodiversiteit te stimuleren.

Het waterschap beschrijft drie ambities voor het waterbeheer:

  • 1. Het beschermen en verbeteren van waterveiligheid

Het waterschap biedt blijvende bescherming tegen overstromingen voor de burgers in haar gebied. Dit gebeurt robuust waar het moet, natuurlijk waar het kan en slim waar het loont. Het waterschap realiseert meerwaarde waar dat mogelijk is, maar doet hierbij geen concessies aan de veiligheid.

  • 2. Het bieden van voldoende en schoon water

Het waterschap zorgt voor genoeg water; niet te veel en niet te weinig. Ook zorgt het waterschap voor gezond water, dat bruist van leven. Water verbindt en is van meerwaarde voor natuur en mens, voor stad en platteland.

  • 3. Het beschermen en verbeteren van de waterketen.

Het waterschap draagt samen met de omgeving bij aan een circulaire waterketen met als doel een gezonde en duurzame leefomgeving.

Toetsing en conclusie

Het waterbeheerprogramma geeft sturing aan grote ontwikkelingen in het gebied. Voorliggende ontwikkeling is relatief klein. Hiermee ligt de ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten van het waterbeheerprogramma. In paragraaf 5.3 is verder ingegaan op het aspect water en zo ook op verharding in de planlocatie.

 

Hoofdstuk 5 Beoordelingsregels waaronder instructieregels

5.1 Inleiding

Voor het beoordelen van de ontwikkeling in voorliggende motivering voor het besluit gelden verschillende beoordelingsregels. In dit hoofdstuk worden de instructieregels van het Rijk en de provincie behandeld. De instructieregels van het Rijk staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregels van de provincie staan in de provinciale omgevingsverordening.

In onderstaande tabellen zijn alle instructieregels geanalyseerd en is aangegeven welke artikelen voor de ontwikkeling relevant zijn. In de paragrafen 5.2 tot en met 5.15 zijn de relevante instructieregels en de daarbijhorende omgevingsaspecten en andere thema's uitgewerkt.

Tabel 5.1 Instructieregels Bkl

Afdelingen en paragrafen
(de ontwikkeling is op artikelniveau getoetst)  
Relevant voor de ontwikkeling
Ja of Nee  
Afdeling 5.1 Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties  
§ 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid   Ja, zie paragraaf 5.2 Waarborgen van de veiligheid  
§ 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen   Ja, zie paragraaf 5.3 Beschermen van de waterbelangen  
§ 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht   Ja, zie paragraaf 5.4 Kwaliteit van de buitenlucht  
§ 5.1.4.2. Geluid door activiteiten   Nee, er is geen sprake van geluid door activiteiten in de omgeving van de planlocatie.  
§ 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen   Ja, zie paragraaf 5.6 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen  
§ 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens   Nee, er zijn geen luchthavens aanwezig in de omgeving van de planlocatie.  
§ 5.1.4.4. Trillingen   Nee, er zijn geen trilling veroorzakende activiteiten in de omgeving aanwezig.  
§ 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines   Nee, er zijn geen windturbines in de omgeving aanwezig.  
§ 5.1.4.5. Bodemkwaliteit   Ja, zie paragraaf 5.7 Bodemkwaliteit  
§ 5.1.4.6. Geur   Nee, er zijn geen geurveroorzakende activiteiten in de omgeving aanwezig.  
§ 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed   Ja, zie paragraaf 5.8 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed  
§ 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking   Ja, zie paragraaf 5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking  
§ 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies   Nee, er zijn geen reserveringen binnen de planlocatie opgenomen ten behoeve van behoud van ruimte voor toekomstige functies.  
§ 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten   Nee, er zijn geen voorzieningen of infrastructuur aanwezig in de planlocatie.
 
§ 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken   Ja, zie paragraaf 5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking  
§ 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen   Ja, zie paragraaf 2.2.1 Ontwikkeling  
Afdeling 5.2. Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving  
Artikel 5.163
voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen  
Nee, geen hoofdspoorweginfrastructuur of rijkswegen aanwezig.  
Artikel 5.164
lokale spoorwegen binnen vervoerregio's  
Nee, geen lokale spoorwegen aanwezig.  
Artikel 5.165
lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool  
Nee, niet van toepassing.  
Artikel 5.165a
bebouwingscontour jacht  
Nee, planlocatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied.  
Artikel 5.165b
bebouwingscontour houtkap  
Nee, planlocatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied.  
Afdeling 5.3. Ontheffing  
Artikelen opnemen waarvan ontheffing wordt verleend.   Nee, niet van toepassing  

Tabel 5.2 Instructieregels Zuid-Hollandse Omgevingsverordening

Afdelingen en paragrafen
(de ontwikkeling wordt op artikelniveau getoetst)  
Relevant voor de ontwikkeling
Ja of Nee  
§ 7.3.2.1 Risicogebieden externe veiligheid   Nee  
§ 7.3.2.2 Groepsrisicobenadering   Ja, zie paragraaf 5.2 Waarborgen van de veiligheid  
§ 7.3.2.3 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas   Nee  
§ 7.3.2.4 Niet-Basisnet transportroutes   Nee  
§ 7.3.4 Waterkeringen   Nee  
§ 7.3.5 Grondwaterkwaliteit   Ja, zie paragraaf 5.7 Bodemkwaliteit  
§ 7.3.6 LiB-5 contour Schiphol   Nee  
§ 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen   Ja, zie paragraaf 5.11 Duurzaamheid  
§ 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit   Ja, zie paragraaf 5.8 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed  
§ 7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen   Ja, zie paragraaf 5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking en paragraaf 5.13 Mobiliteit en parkeren  
§ 7.3.8a Wonen   Ja, zie paragraaf 5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking  
§ 7.3.9 Detailhandel   Nee  
§ 7.3.10 Kantoren   Nee  
§ 7.3.11 Bedrijven   Nee  
§ 7.3.12 Glastuinbouwgebied   Nee  
§ 7.3.13 Boom- en sierteeltgebied   Nee  
§ 7.3.14 Bollenteeltgebied   Nee  
§ 7.3.15 Agrarische bedrijven   Nee  
§ 7.3.16 Natuurnetwerk Nederland   Nee  
§ 7.3.17 Werelderfgoed   Nee  
§ 7.3.18 Archeologie   Ja, zie paragraaf 5.8 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed  
§ 7.3.19 Traditionele windmolens   Ja, zie paragraaf 5.8 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed  
§ 7.3.20 Landgoederen en kastelen   Nee  
§ 7.3.21 Energie   Nee  
§ 7.3.22 Provinciale vaarwegen   Nee  
§ 7.3.23 Recreatietoervaartnet   Nee  
§7.3.23a Hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden   Nee  
§ 7.3.24 Beschermingszones drinkwatervoorziening (infrastructuur)   Nee  
§ 7.3.25 Ontheffing en afwijken   Nee  

Tabel 5.3 Thema's in het kader van ETFAL

Thema   Wettelijk kader   Relevant voor de ontwikkeling
Ja of Nee  
Gezondheid   § 5.1.4. Bkl behandelt enkele thema's in het kader van gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering volgt uit provinciaal en/of gemeentelijk beleid. In het kader van ETFAL is een integrale benadering nodig.   Ja, zie paragraaf 5.12 Gezondheid  
Gezondheidsrisico's vanwege veehouderijen   Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.   Nee  
Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen   Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.   Nee  
Mobiliteit en parkeren   Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.   Ja, zie paragraaf 5.13 Mobiliteit en parkeren  
Natuurbescherming NNN   Afdeling 7.3 van het Bal.   Nee  
Ecologie: gebiedsbescherming   Afdeling 11.1 van het Bal.   Ja,zie paragraaf 5.14 Ecologie: gebiedsbescherming  
Ecologie: soortenbescherming   Afdeling 11.2 van het Bal.   Ja, zie paragraaf 5.15 Ecologie: soortenbescherming  
Ecologie: houtopstanden   Afdeling 11.3 van het Bal.   Nee  
Bezonning / schaduwhinder   Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.   Nee  
Windhinder   Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.   Nee  
Lichthinder   Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.   Nee  
Duurzaamheid en klimaatadaptatie   Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.   Ja, zie paragraaf 5.11 Duurzaamheid.
 

5.2 Waarborgen van de veiligheid

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.2. instructieregels voor het waarborgen van de veiligheid. Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening gehouden met het belang van:

  • Het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan;
  • De mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen;
  • De geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet.

Omgevingsverordening Zuid-Holland

In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland is in artikel 7.18 een specifieke instructieregel opgenomen ten behoeve van het waarborgen van de veiligheid.

Artikel 7.18 (groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico)

  • 1. In aanvulling op artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden voor een aandachtsgebied met verhoogd groepsrisico de volgende overwegingen betrokken in het omgevingsplan:
    • a. mogelijkheden om de ruimtelijke ontwikkeling plaats te laten vinden buiten het aandachtsgebied;
    • b. alternatieven met een lager groepsrisico;
    • c. waardering van al bestaande bescherming, waaronder:
      • 1°. in de wet- en regelgeving voorgeschreven basisvoorzieningen;
      • 2°. andere in het verleden getroffen maatregelen die gedeeltelijk of geheel bescherming bieden;
    • d. mogelijkheden tot aanvullende bescherming, waaronder:
      • 1°. binnen het aandachtsgebied afstand houden tot de risicobron;
      • 2°. aanvullende risicocommunicatie;
      • 3°. beperking van personendichtheden in de omgeving van de risicobron;
      • 4°. vlucht- en schuilmogelijkheden binnen het aandachtsgebied;
      • 5°. treffen van omgevingsmaatregelen tussen de risicobron en bebouwde omgeving;
      • 6°. aanvullende bouwmaatregelen;
    • e. mogelijkheden om aan de risicobron maatregelen te treffen;
    • f. door de veiligheidsregio geadviseerde maatregelen op het gebied van hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid;
    • g. de aanwijzing van een brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied als brandvoorschriftengebied respectievelijk explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
  • 2. Bij het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan wordt gemotiveerd op welke wijze de onderdelen, bedoeld in het eerste lid, zijn betrokken.

Beoordeling

De ontwikkeling is relevant voor omgevingsveiligheid, omdat het plan voorziet in het toelaten van woningen. Woningen zijn gedefinieerd als kwetsbare gebouwen als bedoeld in Bijlage VI bij het Bkl. Binnen de planlocatie worden geen activiteiten mogelijk gemaakt met een extern veiligheidsrisico.

Gifwolkaandachtsgebied C. Steinweg Handelsveem B.V., Pier I.

De locatie ligt binnen gifwolkaandachtsgebieden van meerdere bedrijven vanuit Europoort. Binnen aandachtsgebieden moet de gemeente in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico (artikel 5.15 van het Bkl). Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Het RIVM heeft het handboek omgevingsveiligheid opgesteld met daarin een stappenplan besluitvorming groepsrisico. Dit stappenplan licht toe welke stappen het bevoegd gezag kan nemen in het bestuurlijke afwegingsproces om mens en milieu binnen aandachtsgebieden te beschermen en geeft daarmee invulling aan lid 2 van artikel 5.15, onderstaand loopt deze stappen langs.

Afstand houden van het aandachtsgebied

Het is niet mogelijk de beoogde ontwikkeling buiten het aandachtsgebied te plaatsen. Het verminderen van het aantal aanwezige personen is niet wenselijk vanuit stedenbouwkundige en financieel economische overwegingen. Aanpassing aan de plaatsing van het pand binnen de plangrenzen zal geen effect hebben op het verminderen van het groepsrisico.

Waarderen al bestaande bescherming

Het gifwolkaandachstgebied heeft een straal van 1,5 kilometer. De planlocatie ligt aan de rand van het gifwolkaandachtsgebied. De wet- en regelgeving voorgeschreven basisvoorzieningen, o.a. de organisatie van hulpdiensten en risicocommunicatie (artikel 46 Wet veiligheidsregio's), zijn al op orde.

Overwegen aanvullende bescherming

Conform het Bbl bestaat de verplichting tot mechanische ventilatie en dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Bbl). Bij het ontwerp van de nieuwbouw is hier dan ook nadrukkelijk rekening mee gehouden. Bij mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk. De aanbeveling luidt om woningen te voorzien van mechanische ventilatie zodat de luchttoevoer bij een toxische wolk kan worden geminimaliseerd.

De standaard risicocommunicatie (artikel 46 Wet veiligheidsregio's) biedt mensen in een aandachtsgebied onvoldoende bescherming tegen de gevaren van brand, explosie en gifwolk. Door actief te communiceren over risico's zal de zelfredzaamheid namelijk worden vergroot. Het advies luidt op een communicatieplan op te stellen met deskundigen op dit gebied (brandweer en veiligheidsregio). In dit plan kan dan worden vastgelegd met wie, op welke wijze en met welke frequentie over de risico's wordt gecommuniceerd. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract kunnen bewoners op de (externe) veiligheidsrisico's gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn.

De veiligheidsregio legt belang bij de constructie van het gebouw; construeer het gebouw zodanig dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden (conform artikel 4.124 lid 4 van het Bbl). Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen.

Voorgaande stappen tonen dat het groepsrisico voldoende is verantwoord. De genoemde maatregelen kunnen de omvang en effecten van mogelijke incidenten reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht. Aanvullende (bouw)maatregelen of planregels worden niet noodzakelijk geacht.

Overige aandachtsgebieden en PR-contouren

De locatie bevindt zich niet binnen de contouren van het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden (brand- en explosieaandachtsgebieden) van activiteiten met een extern veiligheidsrisico (opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen), noch in een belemmeringengebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden geen risicovolle activiteiten gerealiseerd. Gelet hierop zijn de instructieregels in § 5.1.2.2 e.v. van het Bkl niet van toepassing. Verder bevindt de planlocatie zich niet in een van de aandachtsgebieden van de niet-basisnetwegen zoals bepaald in artikel 7.3.2.4. van de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland.

De veiligheidsregio wordt in de gelegenheid gesteld om op het plan te reageren. Eventuele opmerkingen of aanvullingen vanuit de veiligheidsregio worden meegenomen in de verdere planvorming en – waar relevant – verwerkt voorafgaand aan de definitieve vaststelling van het plan. In de onderstaande paragrafen wordt op basis van ervaringen uit vergelijkbare planontwikkelingen en eerder uitgebrachte adviezen een eerste opzet gegeven van de te verwachten aandachtspunten. Deze vormen een voorlopige basis en zullen, indien nodig, worden aangevuld op basis van de formele reactie van de veiligheidsregio.

De veiligheidsregio attendeert op het aspect waterveiligheid in het kader van klimaatbestendig bouwen. De volgende maatregelen dienen te worden overwogen een aangepaste drempelhoogte en/of het hoger plaatsen van de aansluitingen voor elektriciteit. Met in achtneming van deze maatregelen zijn de gevolgen, in het kader van veiligheid, aanvaardbaar.

Voor deze wijziging van het omgevingsplan zijn wel de algemene bepalingen in § 5.1.2.1 van het Bkl van belang. Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang van:

  • Het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan;
  • de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen;
  • de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet.

Deze instructieregel is 'vertaald' in de artikelen 22.13 tot en met 22.15 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (de bruidsschat). Deze artikelen bevatten regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid die een toereikende bluswatervoorziening, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen waarborgen. Met deze verantwoording van het groepsrisico wordt er voldaan aan de instructieregel artikel 5.15 van het Bkl.

Om zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden dient er te worden voldaan aan de eisen en voorwaarden van het regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregel van het Bkl, omdat uit de beoordeling blijkt dat de veiligheid op de planlocatie is gewaarborgd.

De veiligheidsregio wordt in de gelegenheid gesteld om op het plan te reageren. Eventuele opmerkingen of aanvullingen worden meegenomen en, waar relevant, verwerkt in het plan voorafgaand aan de definitieve vaststelling.

Er hoeven geen aanvullende regels te worden opgenomen om te voldoen aan de instructieregels en ETFAL.

5.3 Beschermen van de waterbelangen

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.3 instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. In een plan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken (artikel 5.37, eerste lid, van het Bkl).

Omgevingsverordening Zuid-Holland

In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.6a instructieregels opgenomen met betrekking tot toekomstbestendig bouwen en ontwikkelingen. Uit deze paragraaf is artikel 7.41a van toepassing op de ontwikkeling.

Artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering)

In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:

  • Wateroverlast door overvloedige neerslag;
  • overstroming;
  • hitte;
  • droogte;
  • alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling.

Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s.

Beoordeling

Huidige situatie  

Het plangebied is in de huidige situatie volledig verhard.

Veiligheid en waterkeringen

Aan de hand van de legger blijkt dat er geen waterkeringen in of nabij de planlocatie zijn gelegen.

Waterkwantiteit

Aan de hand van de legger blijkt dat binnen de planlocatie geen watergangen zijn gelegen. De dichtstbijzijnde watergang ligt ten westen op een afstand van circa 12 meter en betreft een boezemwater in beheer van het waterschap. Voor dit boezemwater geldt een beschermingszone van 5 meter aan weerszijde.

Watersysteem en ecologie

Binnen de planlocatie of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van de planlocatie.

Gevolgen klimaat verandering

Klimaatadaptatie richt zich op het verminderen van de gevolgen van klimaatverandering, zoals extreme neerslag, hittestress, droogte en overstromingen. Aan de hand van kaarten en gegevens van de klimaateffectatlas blijkt dat de locatie een stedelijk hitte stress kent van 0.4 tot 0.6 Celsius. Bij extreme neerslag is sprake van een waterdiepte van >30cm nabij de planlocatie. Het plaatsgebonden overstromingsrisico is getypeerd als zeer klein, met een kans van 1/3.000 tot 1/30.000 per jaar. Op basis van de kaarten van de klimaateffectatlas kan gesteld worden dat er geen sprake is van bodemdaling door droogte binnen de planlocatie.

Toekomstige situatie

De ontwikkeling betreft een transformatie van het voormalig stadskantoor naar maximaal 31 huurwoningen. Er worden met het voorliggende plan balkons, kleine tuinen en parkeerplaatsen mogelijk gemaakt.

Veiligheid en waterkeringen

Aan de hand van de legger blijkt dat de planlocatie zich niet in een beschermingszone van een waterkering bevindt.

Waterkwantiteit

Waterschap Hollandse Delta hanteert als eis dat bij een toename van verhard oppervlak groter dan 500 m², 5% van die toename gecompenseerd moet worden. In het kader van de beoogde ontwikkeling worden groenstroken, waaronder tuinen, en parkeerplaatsen gerealiseerd. De netto toename in verharding bedraagt circa 100 m² en blijft daarmee ruim onder de grenswaarde van 500 m². Dit betekent dat er geen aanleiding is om watercompensatie te treffen.

Ten aanzien van het nabij gelegen boezemwater dient de beschermingszone van 5 meter in acht te worden genomen. Er worden geen werkzaamheden binnen deze beschermingszone uitgevoerd.

Bodem en grondwater

De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreiniging van water en bodem is het belangrijk om tijdens zowel de bouw- als gebruiksfase duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen toe te passen. Op de locatie is een zinken dak aanwezig dat behouden blijft. Hoewel zink in bepaalde omstandigheden kan uitlogen, is het dak reeds langdurig in gebruik en vormt het geen nieuwe bron van verontreiniging. Gezien het bestaande karakter en de beperkte milieuhygiënische impact, bestaat er geen aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen ten aanzien van dit dak.

Klimaatadaptatie

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de huidige situatie op het gebied van hittestress, wateroverlast, overstromingskans of droogteproblematiek. Gezien de kleinschaligheid van het project zijn grootschalige klimaatadaptieve maatregelen niet haalbaar. Wel kunnen bij de verbouw diverse klimaatadaptieve maatregelen worden overwogen om droogte en bodemdaling te beperken. Essentieel hierbij is goed waterbeheer, zoals regenwateropslag, infiltratievoorzieningen en waterdoorlatende bestrating. Groene daken en gevels dragen bij aan waterbuffering en verminderen hittestress. Daarnaast kunnen waterbesparende installaties en een grijswatersysteem bijdragen aan duurzaam watergebruik. Deze maatregelen zorgen voor een toekomstbestendige en klimaatrobuuste ontwikkeling.

Afvalwaterketen en riolering

Het afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

1. hemelwater vasthouden voor benutting;

2. (in-) filtratie van afstromend hemelwater;

3. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;

4. afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Conclusie

Met deze ontwikkeling vindt geen significante toename van verharding plaats en blijft onder de drempelwaarde van 500 m², waardoor compenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. Tevens ligt de planlocatie buiten de beschermingszones van een waterkering. Er hoeven geen regels te worden opgenomen met betrekking tot het aspect water. Gelet op het voorgaande is eveneens rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van de watersystemen en de risico's van klimaatverandering. De ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregel 5.37, en 7.41a uit de omgevingsverordening Zuid-Holland; het waterschap wordt in de gelegenheid gesteld om op het plan te reageren. Eventuele opmerkingen of aanvullingen vanuit het waterschap worden meegenomen en, waar relevant, verwerkt in het plan voorafgaand aan de definitieve vaststelling.

5.4 Kwaliteit van de buitenlucht

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.1 instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met de kwaliteit van de buitenlucht. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. In een beperkt aantal gevallen is onderzoek nodig.

Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Het gaat onder andere om het toelaten van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met:

  • 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of
  • 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen.

Omgevingsverordening Zuid-Holland

De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema kwaliteit van de buitenlucht.

In het kader van ETFAL met betrekking tot het beschermen van de gezondheid is onderstaand de luchtkwaliteit ter plaatse wel beoordeeld op aanvaardbaarheid bij de toe te laten activiteit.

Beoordeling

De planlocatie bevindt zich niet in de, artikel 5.51 (van het Bkl) vermeldde, aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Nader onderzoek is niet noodzakelijk en met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is. Maatgevend is het toetspunt aan het Slagveld. Uit de kaart blijkt dat in 2024 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2023; 12,9 µg/m³ voor NO2, 15,0 µg/m³ voor PM10 en 7,3 µg/m³ voor PM2,5. De omgevingswaarden blijven daarmee ruimschoots onder de grenswaarden voor luchtkwaliteit uit het Bkl.

Conclusie

De luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is aanvaardbaar en daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Nader onderzoek is niet nodig. Er is geen noodzaak om regels op te nemen met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

5.5 Geluid door activiteiten

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2 instructieregels voor geluid door activiteiten. Op basis van artikel 5.59 Bkl dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast voorziet een omgevingsplan erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 5.1 en tabel 5.2.

Tabel 5.1: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0010.png"

Tabel 5.2: Grenswaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0011.png"

Op grond van artikel 5.66, eerste lid, Bkl kan van de standaardwaarden worden afgeweken. Het toelaatbaar geluid op de gevel wordt begrensd door de grenswaarde van de binnenwaarde.

Omgevingsverordening

De provinciale omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema geluid door activiteiten.

Toetsing

De ontwikkeling voorziet in het mogelijk maken van woningen. Aangezien woningen worden aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen, is het relevant om de directe omgeving op geluidbronnen te beoordelen. Op basis van bestemmingsplan 'Vesting' wat onderdeel uit maakt van het omgevingsplan blijkt dat zich op circa 12 meter ten noorden van de planlocatie een maatschappelijke functie bevindt. De functie staat enkel activiteiten toe welke geen belemmering vormen gekeken naar geluid voor naastgelegen woningen. In de huidige situatie is dit gebouw in gebruik als zorghuis voor ouderen. Daarnaast bevinden zich in de directe omgeving reeds bestaande woningen. Er zijn geen bedrijven aanwezig die tot relevante geluidbelasting op de planlocatie leiden. Vanwege de grote afstand worden de belangen van de functies in de omgeving niet geschaad met de beoogde ontwikkeling.

De geluidbelasting door het gezoneerde industrieterrein Europoort-Maasvlakte is behandeld in 5.6 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

Conclusie

Ter plaatse van de planlocatie is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt de geluidsruimte van omliggende bedrijvigheid niet beperkt door het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling voldoet aan de geldende instructieregels en is er sprake een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Algemeen

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2a instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Op basis van artikel 5.78l Bkl dient in een omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden. Een overschrijding hiervan is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Bkl.

In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht:

  • bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen;
  • bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie);
  • bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde;
  • bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen;
  • bij een niet-geluidgevoelige gevel.

Een overschrijding van de grenswaarden is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel. Bij overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan.

Het Regionaal Afsprakenkader Geluid en Ruimtelijke Ontwikkeling (RAK) is een overeenkomst tussen diverse partijen in de regio Zuid-Holland, waaronder de provincie Zuid-Holland, de gemeente Rotterdam, het Havenbedrijf Rotterdam N.V., Deltalinqs (vertegenwoordiger van het havenbedrijfsleven), en de DCMR Milieudienst Rijnmond. Het RAK is oorspronkelijk in 2015 vastgesteld en is sindsdien geactualiseerd om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en beleidswijzigingen.

Beoordeling

Met de beoogde ontwikkeling wordt een geluidgevoelige gebouw mogelijk gemaakt, namelijk een appartementencomplex. De planlocatie ligt binnen het geluidaandachtsgebied van meerdere gemeentewegen. Daarnaast ligt de planlocatie op basis van het overgangsrecht in de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein Maasvlakte-Europoort. Om aan te kunnen tonen dat met de beoogde ontwikkeling wordt voldaan aan de instructieregels en er sprake is van ETFAL is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit akoestisch onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1.

Wegverkeerslawaai

Op basis van het onderzoek is er sprake van een overschrijding van de standaardwaarde tot maximaal 56 dB. De grenswaarde wordt daarmee niet overschreden. Aanvullende bron- of overdrachtsmaatregelen zullen niet doelmatig zijn om de geluidbelasting te reduceren. Ten behoeve van de omgevingsvergunningsaanvraag voor de bouwactiviteit dient een aanvullende akoestische onderbouwing aangeleverd te worden waarin getoetst wordt aan het gemeentelijke geluidbeleid.

Industrielawaai

De planlocatie ligt binnen de geluidzone van industrieterrein Maasvlakte-Europoort. De geluidbelasting van dit terrein is bepaald volgens de methode van het RAK en bedraagt 50 dB(A) Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en is het laten vaststellen van hogere waarden is niet nodig.

Nestgeluid

Naar aanleiding van de uitspraak 201807456/1/A1 van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State van 22 januari 2020 moet het nestgeluid dat afkomstig is van de schepen op de nabijgelegen gezoneerde industrieterreinen worden beschouwd. Vanuit het interim-werkwijze nestgeluid regio Rijnmond kan worden vastgesteld dat Brielle buiten het onderzoeksgebied van nestgeluid ligt.

Toets gemeentelijk geluidbeleid

Omdat de standaardwaarde wordt overschreden vanwege geluidbronsoort gemeentewegen en er geen maatregelen mogelijk zijn om de overschrijding ervan te beperken of voorkomen, is toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid noodzakelijk.

Op dit moment is er nog geen indeling van de woningen bekend. Daarom wordt de toets aan dit beleid nog niet worden uitgevoerd. Bij de verdere uitwerking van het plan dient rekening te worden gehouden met:

1. het creëren van een geluidluwe gevel;

2. het creëren van een geluidluwe buitenruimte;

3. het realiseren van geluidgevoelige ruimten aan de geluidluwe gevel (akoestisch optimale indeling).

Om te zorgen dat alle woningen een geluidluwe gevel hebben, is het nodig om de woningen in het pand tweezijdig te situeren. Hierdoor ontstaat aan het Slagveld afgekeerde zijde van de woning een geluidluwe gevel. Indien dit niet mogelijk is, is het nodig om de gemeente voor te stellen af te wijken van het aspect geluidluwe gevel voor deze woningen. Voorgaand is geborgd in de planregels van het voorliggend plan.

Beoordeling gecumuleerd en gezamenlijk geluid

Omdat de standaardwaarde wordt overschreden, is het gecumuleerd en gezamenlijk geluid bepaald. Het gecumuleerd geluid wordt van redelijk tot matig beoordeeld. Het gezamenlijk geluid bedraagt op zijn hoogst 57 dB aan de zijde van het Slagveld en is vastgelegd in de planregels van dit plan.

Indirect akoestische effecten van veranderend verkeer

Er is geen sprake van indirecte akoestische effecten door veranderend verkeer.

Conclusie 

Middels de uitvoering van het akoestisch onderzoek voor wegverkeerslawaai is rekening gehouden met de geluidbelasting door wegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen. Om aan de instructieregels te kunnen voldoen dient het hoogst berekende gezamenlijk geluid vastgelegd te worden in de regels van het TAM-omgevingsplan.

Daarnaast zijn in het omgevingsplan regels opgenomen die waarborgen dat bij verdere planuitwerking wordt getoetst aan het gemeentelijk geluidbeleid. Als er voor een indeling wordt gekozen waarbij niet alle woningen tweezijdig gesitueerd kunnen worden waardoor een geluidluwe gevel niet overal mogelijk is, dient afgeweken te worden van het gemeentelijk geluidbeleid op het aspect geluidluwe gevel.

Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dit rapport dient te worden voorgelegd aan DCMR ter controle van de gevelwering en toetsing aan het Besluit bouwen leefomgeving (Bbl).

5.7 Bodemkwaliteit

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving

Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt een technische of ruimtelijke bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toegelaten. De nieuw te bouwen woningen kwalificeren als een bodemgevoelig gebouw (artikel 5.89g Bkl). Op deze activiteit zijn de instructieregels van paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl van toepassing. Deze instructieregels verplichten tot de volgende zaken:

  • In het omgevingsplan opnemen van waarden voor de toelaatbare kwaliteit (artikel 5.89i Bkl);
  • Het omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl);
  • Als in het omgevingsplan is bepaald dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw vergunningplichtig is, worden in het omgevingsplan regels gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Tevens wordt in het omgevingsplan bepaald dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning resultaten van bodemonderzoek en gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen (artikel 5.89ka Bkl);
  • Voor zover het bouwen van een bodemgevoelig gebouw niet vergunningplichtig is, bepaalt het omgevingsplan dat het verboden is een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden (artikel 5.89l Bkl);
  • Een omgevingsplan bepaalt dat bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, een bodemgevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwactiviteit nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel 5.89k, zijn getroffen (artikel 5.89m Bkl).

Met § 22.2.7.2 van de bruidsschat wordt voor een belangrijk deel invulling gegeven aan de instructieregels van het Bkl. Op grond van deze paragraaf bestaat een binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken (artikel 22.26) met beoordelingsregels voor onder meer het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (artikel 22.29, eerste lid, onder c en artikel 22.30). Tevens voorziet artikel 22.31 een informatieplicht als bedoeld in artikel 5.89m Bkl; deze is echter gekoppeld aan de omgevingsvergunning.

Provinciale omgevingsverordening

In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.5.1 specifieke instructieregels met betrekking tot het thema grondwaterkwaliteit. Deze paragraaf is van toepassing op de ontwikkeling, omdat de ontwikkeling voorziet in de realisatie van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie, als bedoeld in artikel 7.27 van de provinciale omgevingsverordening.

§ 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie

Artikel 7.29 (voorafgaand onderzoek)

  • 1. Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als door onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een verdenking van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 redelijkerwijs is uit te sluiten.
  • 2. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit:
    • a. Het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
    • b. het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Beoordeling

De ontwikkeling betreft uitsluitend inpandige werkzaamheden binnen bestaande woningen. Er worden geen gebouwen gesloopt en/of nieuwe bodemgevoelige gebouwen gebouwd. Wel worden er tuinen mogelijk gemaakt welke onderdeel maken van het woongebied. In verband met de voorgenomen aanleg van nieuwe tuinen op de locatie Slagveld 36 te Brielle is een milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Onderstaand betreft een samenvatting van dit onderzoek ten aanzien van de bodem en grondwaterkwaliteit.

Uit het onderzoek blijkt dat de bodem op de locatie niet verontreinigd is met de onderzochte stoffen en dat er geen bodemvreemde bijmengingen zijn aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met molybdeen, maar deze verontreiniging overschrijdt de signaleringswaarde niet. Er zijn geen aanwijzingen voor significante verontreiniging die een belemmering vormen voor de voorgenomen activiteit. De hypothese dat de locatie verdacht is vanwege historische ophogingen en een voormalige gasfabriek wordt bevestigd, maar zonder dat dit leidt tot overschrijding van de toelaatbare kwaliteit.

Het wordt aanbevolen om het rapport ter beoordeling voor te leggen aan het bevoegd gezag, de DCMR Milieudienst Rijnmond. Indien bij de werkzaamheden grond wordt afgevoerd, dient vooraf een melding te worden gedaan conform §4.119 van het Bal. Als de grond op locatie wordt teruggebracht, is een melding niet nodig. Tijdelijke opslag van ontgraven grond mag maximaal acht weken duren.

Conclusie

Voor het voorliggende wijzigingsbesluit zijn geen onoverkomelijke belemmeringen op het gebied van bodemkwaliteit geconstateerd. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de bodem- en grondwaterkwaliteit toereikend is voor de beoogde functies.

De regels uit de bruidsschat voldoen aan de vereisten van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waardoor aanvullende regels niet noodzakelijk zijn. Ten aanzien van de provinciale instructieregels is een regeling opgenomen die voldoet aan de bepalingen van paragraaf 7.3.5.1 van de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland.

Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het plan in dit opzicht uitvoerbaar is. Daarnaast wordt voldaan aan de instructieregels en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.5 instructieregels voor het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. Op basis van artikel 5.130 lid 1 van het Bkl moet met een ontwikkeling rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Daarnaast worden met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de in artikel 5.130 lid 2 subleden (a-e) opgenomen beginselen. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.

Voorafgaand aan de uitvoering van plannen moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden.

Omgevingsverordening

De omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.7 specifieke instructieregels opgenomen ter bescherming van de landschappelijke waarden en ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling)

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied;
  • b. aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau;
  • c. transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit.

Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit)

  • 1. Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
  • 2. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met:
    • a. de beschermingscategorie en het gebiedstype;
    • b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren;
    • c. de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A.
  • 3. Voor de gebiedstypen, bedoeld in artikel 7.42, vierde en vijfde lid zijn de artikelen 7.43h, 7.43i, 7.43j, 7.43k, 7.43l, 7.43m en 7.43n van toepassing tenzij een zwaarwegend openbaar belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 7.43l, in de weg staat.

Artikel 7.43c (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling)

  • 1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
  • 2. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
  • 3. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.

Verordening Fysieke Leefomgeving & Erfgoedverordening

Het erfgoedbeleid van de gemeente Voorne aan Zee is vastgelegd in zowel de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) als de Erfgoedverordening. Alle regels met betrekking tot erfgoed die raken aan de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de VFL. De regels die niet raken aan de fysieke leefomgeving (zoals subsidieregelingen en andere ambtelijke zaken) zijn opgenomen in de Erfgoedverordening.

Beoordeling

Archeologie

Op de planlocatie geldt op basis van het tijdelijk omgevingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Binnen dit archeologisch regime is sprake van een verwachtingswaarde voor archeologische resten. Conform de regels is nader archeologisch onderzoek vereist bij werkzaamheden die dieper reiken dan 0,3 meter onder maaiveld, én een oppervlakte beslaan van meer dan 100 m². De beoogde herontwikkeling voorziet niet in bodemverstorende activiteiten en blijft binnen deze drempelwaarden. Hierdoor is geen sprake van archeologisch relevante bodemverstoring zoals bedoeld in het omgevingsplan. Nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk voor de beoogde ontwikkeling.

De dubbelbestemming uit het vigerende plan zal worden overgenomen op de verbeelding en in de planregels. Middels het opnemen van deze dubbelbestemming wordt er voldaan aan artikel 5.130 van het Bkl en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Cultuurhistorie

Op 15 september 1975 hebben de toenmalige ministers van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de binnenstad van Brielle en de naaste omgeving aangewezen tot beschermd stadsgezicht van de Monumentenwet. In bestemmingsplan 'Vesting' zijn de cultuurhistorische waarden geborgd door middel van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Cultuurhistorie - 1' en 'Waarde - Cultuurhistorie - 2'. Deze dubbelbestemmingen zijn overgenomen in in TAM-omgevingsplan in Artikel 9 en in Artikel 10. Doordat deze dubbelbestemmingen overgenomen zijn, zijn de cultuurhistorische waarden binnen de plangrenzen beschermd en wordt er voldaan aan artikel 5.1.5.5 van het Bkl

De voorgenomen ontwikkeling omvat een functiewijziging, de realisatie van enkele balkons en het mogelijk maken van een gedeeltelijk inpandige parkeervoorziening. Daarnaast worden aan de rand van het plangebied enkele parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvoor bestaande groenstroken worden omgevormd tot parkeerruimte. Tevens worden kleinschalige tuinen mogelijk gemaakt ter vervanging van het huidige plein bij het voormalig stadskantoor. Dit plein dateert uit de jaren ’90 en maakt geen onderdeel uit van de historisch waardevolle objecten binnen de stad.

Bij de verdere planuitwerking wordt geborgd dat de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, en dat de mogelijkheden voor herstel van deze waarden niet onherstelbaar worden verkleind. Tevens zal, mede gelet op de te hanteren materialen, worden gewaarborgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht.

Het realiseren van de balkons, de inpandige parkeervoorziening, de parkeerplaatsen aan de rand van het plangebied en de kleinschalige tuinen is in beginsel in overeenstemming met de cultuurhistorische bescherming zoals vastgelegd in artikel 8 en artikel 9. Op basis hiervan wordt verwacht dat de ontwikkeling geen afbreuk doet aan cultuurhistorische waarden, mits uitvoering plaatsvindt conform de genoemde voorwaarden.

Op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gelden voor de planlocatie de dubbelbestemmingen Waarde - Cultuurhistorie 1 en Waarde - Cultuurhistorie 2. Deze bestemmingen zijn opgenomen om cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, structuren of elementen te beschermen tegen aantasting of verlies. Binnen deze dubbelbestemmingen gelden daarom specifieke regels met betrekking tot sloop, nieuwbouw en wijzigingen aan bestaande bebouwing.

De beoogde ontwikkeling betreft een inpandige verbouwing, waarbij geen sprake is van uitbreiding van de bouwmassa of wijziging van het aanzicht. Er worden geen cultuurhistorisch waardevolle onderdelen van het gebouw verwijderd, aangepast of aangetast. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee een passende invulling binnen de middeleeuwse vesting. Gezien de aard en beperkte ruimtelijke impact van de voorgenomen werkzaamheden, is er geen sprake van strijdigheid met de regels die gelden binnen de dubbelbestemming. Er worden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen verwijderd of beschadigd. Daarnaast blijven de cultuurhistorische waarden beschermd doordat de cultuurhistorische dubbelbestemmingen uit het bestemmingsplan overgenomen zijn in de regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan. Nader onderzoek of een aanvullende cultuurhistorische beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.

Molenbiotoop

De planlocatie bevindt zich binnen de vrijwaringszone van de molenbiotoop. Binnen deze zone gelden regels die gericht zijn op het beschermen van de kwaliteit en het bestaansrecht van de molen. Deze regels hebben met name betrekking op het reguleren van hoogbouw in de nabijheid van de molen.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van nieuwe bebouwing en maakt dus geen hoogbouw mogelijk. De bestaande bebouwing voldoet aan de geldende regeling, waardoor er geen aanleiding is voor nader onderzoek.

De regeling uit het vigerende bestemmingsplan is ongewijzigd overgenomen in zowel de verbeelding als de planregels.

Ruimtelijke kwaliteit

Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (artikel 22.7, Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (artikel 22.29, Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee). De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de Welstandsnota Brielle Herziening 2018 van de voormalig gemeente Brielle, nu Voorne aan Zee.

De Welstandsnota Brielle Herziening 2018, voormalig gemeente Brielle, hanteert een gebiedsgericht welstandsbeleid. Ieder deelgebied kent een specifieke samenhangend beoordelingskader. De locatie ligt binnen het welstandsgebied Brielle, Vesting. Het gebouw wordt getransformeerd tot appartementencomplex en er worden balkons, galerijen en tuinen mogelijk gemaakt. Deze ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de welstandscriteria voor het gebied Brielle, Vesting.

Met de wijziging van het omgevingsplan voor het gebruik van de locatie voor wonen en de externe wijzigingen wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid voor welstand omdat met de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan, de beoogde ontwikkeling bij de aanvraag voor een bouwactiviteit zal worden beoordeeld als binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Op basis van artikel 22.26 van het omgevingsplan geldt hiervoor een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit op deze locatie wordt alleen verleend als op basis van artikel 22.29 sub b van het omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Welstandsnota Brielle Herziening 2018. Zodoende borgt het omgevingsplan dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de redelijke eisen van welstand.

Conclusie

De ontwikkeling doet geen afbreuk aan cultuurhistorische, archeologische en landschappelijke waarden, met het overnemen van de cultuurhistorische en archeologische dubbelbestemmingen. Gelet hierop is in voldoende mate rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed en is de ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregel in artikel 5.130 van het Bkl. Daarnaast blijven met de ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit en de stedenbouwkundige kernkwaliteiten ter plaatse van de locatie behouden. Hierdoor is de ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van paragraaf 7.3.7 van de omgevingsverordening Zuid-Holland.

5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking

Algemeen

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.

Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.

Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Toetsing

Het plan is een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden worden 31 woningen extra mogelijk gemaakt. Het plan is gelet op de geldende jurisprudentie voldoende substantieel.

Het plan ligt in stedelijk gebied gezien de huidige stedelijke functie (maatschappelijk en de ligging in het samenstel van bebouwing met andere stedelijke functies).

Er zal in de toekomstige situatie gelet op de grote woningbehoefte geen sprake zijn van onaanvaardbare leegstand. Omdat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied, is hierna de woonbehoefte beschreven.

Beschrijving woonbehoefte

Het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling bepaalt tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De begrenzing van de regio is dus afhankelijk van de aard en omvang het programmaonderdeel dat als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Bij dit plan ziet het programma volledig op wonen. Voor wonen is de regio Rotterdam en daarbinnen de gemeente Voorne aan Zee het relevant gebied waartoe de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De (kwalitatieve en kwantitatieve) woningbehoefte blijkt uit diverse bronnen:

Wonen, Welzijn, Zorgvisie 2024-2030 (2024)

De ambitie is dat iedereen in Voorne aan Zee volwaardig deel kan uitmaken van de inclusieve samenleving, een samenleving waarin alle mensen kunnen meedoen. Zelfstandig kunnen wonen in een voor hen geschikte woning en woonomgeving. En dat ze kunnen terugvallen op goed georganiseerde ondersteuning en zorg.

Een passende woning voor iedereen is een van de speerpunten. Bij nieuwbouw gaat het om:

  • Versnellen van de bouw;
  • Aanmerkelijk deel nieuwbouw moet bestaan uit levensloopbestendige woningen;
  • Tenminste 1 nieuwe geclusterde woonvorm in elk dorp; stimuleren en ondersteunen kansrijke initiatieven;
  • Flexwonen voor verschillende doelgroepen;
  • Uitbreiden sociale woningvoorraad naar 30%;
  • Voldoende woningen realiseren voor aandachtsgroepen.

Doordat een groot deel van de kwetsbare inwoners van Voorne aan Zee aanspraak maakt op een goedkope huurwoning, staat er de nodige druk op de jaarlijks vrijkomende goedkope huurvoorraad van de woningcorporaties. Dak- en thuisloze inwoners, (kwetsbare) jongeren, jongvolwassenen met een (licht) verstandelijke beperking en uitstromers uit zorginstellingen zijn niet de enigen voor wie de goedkope en betaalbare huur bereikbaar moet zijn. Deze groep heeft concurrentie van andere doelgroepen binnen de sociale huur, zoals mensen met een laag inkomen, vergunninghouders, starters en spoedzoekers. De druk op dit goedkope segment wordt nog groter door een sterkere inzet op extramuralisering.

Toetsing

Met dit plan wordt voorzien in levensloopbestendige woningen en wordt de voorraad sociale huurwoningen vergroot.

Woningbehoefteraming Zuid-Holland (WBR 2023)

De provincie Zuid-Holland heeft onderzocht hoeveel extra woningen er in Zuid-Holland nodig zijn in de periode 2023 tot en met 2032 om in de verwachte vraag aan woningen te voorzien. Dat zijn er meer dan tot nu toe werd verwacht. Uit de provinciale woningbehoefteraming WBR 2023 blijkt dat in de die periode in de Rotterdamse regio behoefte is aan 71.000 woningen. De behoefte is zo groot dat het belangrijk is de bestaande regionale woningbouwprogramma's snel uit te voeren. Daarvoor is belangrijk dat meer plannen 'hard' worden en woningen daadwerkelijk worden gebouwd. De provincie gaat hierover als sturende partij in gesprek met de vijf woondealregio's van Zuid-Holland. Daarbij wordt gekeken naar of de woningbouwplannen bijdragen aan het verhogen van de woningproductie. De provincie let er dan vooral op of er voldoende juiste woningen, op de juiste plek en het juiste moment worden gebouwd.

De programmaruimte (130% om rekening te houden met planuitval en vertraging) is 92.300. Ook in de periode daarna is nog indicatief behoefte aan 41.200 woningen (2033 t/m 2042).

Toetsing

Er is sprake van een grote regionale woningbehoefte. Op deze vrijkomende locatie kunnen relatief snel woningen worden gerealiseerd.

Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam (januari 2023)

In de herijking van het Regioakkoord uit 2018 is afgesproken dat gemeente Voorne aan Zee zich inzet om tot en met 2030 5.080 woningen aan de voorraad toe te voegen, waarvan 32% sociaal (1.609), 23% middelduur (1.161) en 45% (2.310) in de dure categorie. Inclusief de sloopvoornemens neemt de totale voorraad naar verwachting toe met 5.050 woningen.

Gemeente Voorne aan Zee zet zich in voor het toevoegen van 1.366 sociale corporatiewoningen. Het aantal particuliere sociale woningen neemt naar verwachting met 161 af. Per saldo neemt de sociale voorraad dan met 1.205 toe. Per saldo worden in de gemeente voldoende sociale huurwoningen gerealiseerd. Deze zijn voor de provincie inzichtelijk gemaakt in het planregistratiesysteem.

Gedeputeerde staten heeft ingestemd met het regionaal woningbouwprogramma bij het regioakkoord 2022 (brief 24 januari 2023 met kenmerk PZH-2022-820296655). Hierin is aangegeven dat vrijwel alle locaties uit het regionale woningbouwprogramma voldoen aan het omgevingsbeleid. Gedeputeerde staten roept de regio op om in de komende periode actie te ondernemen op het verhogen van het aandeel sociaal/middelduur naar minimaal 1/3e sociaal en minimaal 2/3e betaalbaar. Het is daarbij niet de bedoeling om bestaande vastgelegde afspraken teniet te doen, maar deze kunnen mogelijk wel worden bijgesteld. Ook moeten zo spoedig mogelijk zachte plannen hard gemaakt worden en harde plannen worden gerealiseerd.

Toetsing

Met dit nieuwe plan wordt ingezet op toename van de woningvoorraad en specifiek op betaalbaar (sociale en middenhuur). Hiermee wordt invulling gegeven aan de regionale afspraken.

Regionale Realisatie Agenda 2022

De vraag naar woningen is groot, het aanbod beperkt. Het oplossen van het woningentekort vraagt om de bouw van nieuwe woningen. Om het woningtekort terug te dringen tot een gezonder evenwicht wordt door de Rijksoverheid met “Programma Woningbouw” nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Zuid-Hollandse bestuurders en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening hebben de regionale realisatieagenda's, ook wel woondeals genoemd, ondertekend. Daarmee spreekt Zuid-Holland de ambitie uit om in de periode 2022 tot en met 2030 ruim 235.000 woningen te bouwen.

Er is grote behoefte aan betaalbare woningen in Nederland en Zuid-Holland. Om aan te sluiten bij die behoefte streven Rijk, provincie en gemeenten ernaar dat tweederde van de nieuwe woningen betaalbaar zijn: op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. Hierbij wordt in 2023 verder bekeken hoe deze opgave past bij de lokale situatie. Onder het betaalbare segment vallen: huurwoningen onder liberalisatiegrens, door woningbouwcorporatie te bouwen sociale huurwoningen, huurwoningen vanaf de sociale huurgrens tot maximaal €1.000 per maand (prijspeil 2022) en koopwoningen tot €355.000.

Toetsing

In dit plan wordt gelet op de grote behoefte aan betaalbare woningen ingezet op het toevoegen van sociale en middenhuur woningen.

Conclusie

De ontwikkeling van het plan geeft invulling aan de behoefte van betaalbare woningen, namelijk betaalbare huurwoningen. Ook in kwantitatieve zin sluit het programma aan op het Regioakkoord waarin de gemeente Voorne aan Zee 5.080 woningen aan haar voorraad moet toevoegen. De behoefte blijkt ook uit prognose (WBR 2023) waarin de regionale behoefte op 71.000 woningen is geraamd.

Met de transformatie van een vrijkomende functie, wordt leegstand tegengegaan. Uit het bovenstaande volgt dat het plan voldoet aan de voorwaarden van de ladder voor duurzame verstedelijking conform Artikel 5.129g Bkl.

5.10 Geur

Algemeen

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.6 instructieregels voor geur. Op basis van artikel 5.92, eerste lid, van het Bkl moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

Rekening houden met geur werkt twee kanten op:

  • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;
  • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

De gemeente moet dus overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.

Daarnaast voorziet een omgevingsplan erin dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.

Toetsing en conclusie

Met de ontwikkeling worden geen geurveroorzakende activiteiten mogelijk gemaakt. Er wordt met de ontwikkeling wel een geurgevoelige gebouw toegestaan. Onderzocht is of er sprake is van geur door activiteiten op de beoogde geurgevoelige gebouwen. Dit is niet aan de orde. Er zijn geen veehouderijen in de buurt van de planlocatie. Ook bevinden zich geen andere bedrijven in de omgeving van de planlocatie die geurhinder tot gevolg hebben. Zodoende is geen geurhinder op een geurgevoelig gebouw. Gelet hierop is in voldoende mate rekening gehouden met de instructieregel in artikel 5.92 van het Bkl in de paragraaf over geur. De realisatie van de woningen op de planlocatie is gelet op het aspect geur aanvaardbaar.

Op de website van DCMR wordt op basis van de vergunde activiteiten in het Rijnmond gebied inzicht gegeven in de cumulatieve geurbelasting. Uit deze informatie (zie onderstaande uitsnede) blijkt dat binnen de kern Brielle de geurbelasting tussen de 0,5 en 1,0 odour units is gelegen. Onder de 0,5 odour units is geen sprake van geurhinder en boven de 5,0 odour units is sprake van ernstige geurhinder. Binnen de planlocatie kan afhankelijk van windrichtingen sprake zijn van kans op geurwaarneming door industriële activiteiten en is enige hinder niet volledig uitgesloten. Gezien de geurbelasting tussen de 0,5 en 1,0 odour units is echter geen sprake van een onaanvaardbare geurhindersituatie die een belemmering oplevert voor de beoogde herontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0012.png"

Figuur 5.10.1 Uitsnede cumulatieve geurbelasting op basis van vergunde activiteiten DCMR

5.11 Duurzaamheid

Algemeen

Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid.

Beoordeling en conclusie

Na de fusie van voormalige gemeentes Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne tot Voorne aan Zee heeft het voormalige stadskantoor van Brielle haar functie grotendeels verloren. Er is voor gekozen om het gebouw niet te slopen, maar te transformeren en renoveren tot appartementencomplex. Door te kiezen voor renovatie hoeven er minder bouwmaterialen gebruikt te worden, want bestaande materialen worden opnieuw gebruikt, maar dan nu voor een ander doel. Daarnaast worden de woningen aardgasvrij gerealiseerd, wordt het pand voorzien van zonnepanelen en voldoet deze aan laatste kwaliteitsvereisten waardoor deze zuinig met energie zijn. Er is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12 Gezondheid

Algemeen

Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden moet worden met het belang van het beschermen van de gezondheid.

Beoordeling

Bereikbaarheid

De bereikbaarheid van de planlocatie is goed, met voldoende aansluiting op belangrijke verkeerswegen en openbaar vervoer, wat zorgt voor gemakkelijke toegang voor bewoners en bezoekers. Dit draagt bij aan een gezonde leefomgeving door het stimuleren van actieve mobiliteit, zoals fietsen en wandelen.

Voorzieningen

Op korte afstand van de planlocatie bevinden zich diverse voorzieningen, zoals winkels, scholen en openbaar vervoer. Door deze nabijheid worden lopen en fietsen gestimuleerd, wat bijdraagt aan een gezonde en actieve leefstijl van bewoners en gebruikers. Dit ondersteunt het streven naar een duurzame, leefbare en gezonde omgeving.

 

Luchtkwaliteit

Uit de gegevens van het CIMLK blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, WHO) heeft op 22 september 2021 haar advieswaarden geactualiseerd;, de huidige advieswaarden bedragen 10 µg/m³ voor NO2, 15 µg/m³ voor PM10 en 5 µg/m³ voor PM2,5. Met name de concentraties fijn stof zijn van belang met het oog op de mogelijke gezondheidseffecten. Deze advieswaarden zijn geen harde grenzen maar doelen waar op langere termijn naar toegewerkt zou moeten worden. De concentraties ter hoogte van het plangebied zijn hoger dan deze advieswaarden. Dit wordt veroorzaakt door de achtergrondconcentratie (en dit geldt daarmee niet alleen voor het plangebied, maar voor de hele regio). De bijdrage van de lokale bronnen aan de optredende concentraties is beperkt. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de planlocatie toe te delen.

Hittestress

Ter plaatse van de planlocatie is in beperkte mate sprake van het stedelijk hitte-eiland-effect, met een temperatuurtoename van circa 0,5 °C ten opzichte van het omliggende buitengebied. Ter plaatse van de planlocatie is daarom zeer beperkt sprake van een toename van het stedelijk-hitte-eiland-effect.

Daarnaast is met de beoogde ontwikkeling sprake van een afname aan verhard oppervlakte. Deze afname draagt bij aan een verbeterde waterinfiltratie, vergroening en een lagere opwarming van de omgeving. Hierdoor levert de ontwikkeling een positieve bijdrage aan het verminderen van de kans op hittestress in het gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0013.png"

Figuur 5.12.1 Uitsnede Klimaateffectatlas Provincie Zuid-Holland

Lood-in-bodem

Op basis van het verkennend bodemonderzoek is geconcludeerd dat er voldaan wordt aan het Bkl, zie paragraaf 5.7 Bodemkwaliteit en Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek. Daarnaast voldoet het gemiddelde loodgehalte aan de GGD-advieswaarden voor voldoende bodemkwaliteit. Er kan dus geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit goed is.

Geluid

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is geconcludeerd dat voldaan wordt aan het Bkl, zie paragraaf 5.5 Geluid door activiteiten, paragraaf 5.6 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en Bijlage 1 Akoestisch onderzoek. Door de GGD worden strengere gezondheidskundige richtwaarden gehanteerd dan de wettelijke normen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor wegverkeerslawaai geldt vanuit de GGD een maximale advieswaarde van 55 dB Lden. Op de planlocatie is sprake van een vastgestelde geluidbelasting van 57 dB Lden, wat hoger is dan de GGD-richtwaarde, maar binnen de grenswaarden van het Bkl valt.

Zoals toegelicht in het akoestisch onderzoek, is het vanwege stedenbouwkundige, cultuurhistorische en financiële overwegingen niet mogelijk om de geluidbelasting op de gevel te reduceren. Om desondanks een goed akoestisch binnenklimaat te waarborgen, zullen doelgerichte bouwkundige maatregelen worden getroffen, bijvoorbeeld in de vorm van geluidswerende gevels of aangepaste ventilatievoorzieningen.

Hoewel niet wordt voldaan aan de GGD-advieswaarde, wordt wel voldaan aan de geldende wettelijke normen. Daarmee is de ontwikkeling juridisch-planologisch aanvaardbaar, mits de genoemde maatregelen worden uitgevoerd.

Conclusie

Vanuit de omgevingsaspecten is er sprake van een evenwichtige toedeling vna functeis aan locaties. Er kan namelijk niet overal aan de gewenste advieswaarden voldaan worden. Wel wordt aan alle wettelijke normen en richtlijnen voldaan en is voor het aspect gezondheid uitvoerbaar. Alle noodzakelijke maatregelen worden getroffen om de gezondheidssituatie te waarborgen en mogelijke negatieve gevolgen zo veel mogelijk te voorkomen. Hierdoor kan worden gesteld dat er sprak is van etfal vanuit gezondheidsperspectief.

5.13 Mobiliteit en parkeren

Algemeen

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot mobiliteit en parkeren. Ook de omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema mobiliteit en parkeren. Wel dient op basis van de instructieregel uit de Zuid-Hollandse omgevingsverordening (artikel 7.54c) de bereikbaarheid van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen beschouwd te worden. Ook dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt te worden onderbouwd dat er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid van het omliggende wegennet.

Beoordeling

Verkeer

Verkeersgeneratie

Op basis van de huidige planologische regeling zijn ter plaatse van de bestemming 'Maatschappelijk' meerdere functies mogelijk, namelijk: bibliotheken, openbare dienstverlening, gezondheidszorg, kinderopvang, onderwijs, peuterspeelzalen, sociale en welzijnsvoorzieningen en verenigingsleven. Deze huidige functies hebben een hogere verkeersgeneratie dan de toekomstige functie. Voor het inzichtelijk maken van de verkeersgeneratie in de huidige situatie is gebruikgemaakt van de kengetallen behorende bij de functiecategorie ‘Kantoor met baliefunctie’, aangezien deze het meest representatief is voor het stadskantoor.

De verkeersgeneratie is op basis van de kengetallen van CROW 744 berekend. Voor de stedelijkheidsgraad, ligging en bandbreedte bepaling is Nota parkeernormen gemeente Voorne aan Zee aangehouden. Voor de planlocatie is sprake van een matig stedelijk, ligging centrum en de gemiddelde bandbreedte wordt toegepast. In onderstaande tabellen is inzichtelijk gemaakt wat op basis van de planologische mogelijkheden de verkeersgeneratie in de huidige situatie en de toekomstige situatie zijn.

Tabel 5.13.1 Verkeersgeneratie huidige situatie

Functie   Kengetal per 100 m² bvo   Aantal m² bvo   Totaal  
Kantoor met baliefunctie   9,6   3.595 m²   345,12  

Tabel 5.13.2 Verkeersgeneratie toekomstige situatie

Functie   Kengetal per woning   Aantal woningen   Totaal  
Huur, appartement, sociale huur, 75 - 100 m² BVO   2,5   10   25,0  
Huur, appartement, vrije sector, 75-100 m² BVO   2,9   21   60,9  
Totaal     31   85,9  

In bovenstaande tabellen is inzichtelijk gemaakt dat er er sprake is in een afname van verkeersgeneratie in de toekomstige situatie, ten opzichte van de huidige situatie. Er is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Parkeren

De parkeereis is op basis van Nota parkeernormen gemeente Voorne aan Zee bepaald. Voor de planlocatie is sprake van een matig stedelijk, ligging centrum en de gemiddelde bandbreedte wordt toegepast. In onderstaande tabellen is inzichtelijk gemaakt wat de parkeereis in de toekomstige situatie is.

Tabel 5.13.3 Normatieve parkeerbehoefte

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0014.png"

Tabel 5.13.4 Aanwezigheidspercentages parkeerbehoefte

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0015.png"

Parkeeronderzoek (uitgevoerd in maart 2025) in de omgeving van het voormalig stadskantoor toont aan dat de parkeerdruk op het maatgevend moment boven de 85% ligt. Daarmee kan er geen gebruik gemaakt worden van bestaande parkeercapaciteit, maar moet alle benodigde parkeergelegenheid op eigen terrein gerealiseerd worden. Het parkeeronderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3.

Op basis van tabel 5.13.3 en 5.13.4 is geconcludeerd dat het maatgevende moment de werkdagavond betreft. Er is dan een parkeereis van 30 parkeerplaatsen. De beoogde ontwikkeling voorziet in het toevoegen van 30 parkeerplaatsen. Een gedeelte van deze parkeerplaatsen zullen gedeeltelijk inpandig op de begane grond worden gerealiseerd. Er wordt daarmee voldaan aan de parkeereis.

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0016.png"

Figuur 5.13.1 Impressie te realiseren parkeerplaatsen

Fietsparkeren

Parkeergelegenheid voor fietsen van bewoners wordt gerealiseerd in het gebouw. Alle appartementen hebben namelijk beschikking over een berging om fietsen in te stallen. Voor bezoekers wordt in de ruimte rondom het gebouw gekeken of ruimte beschikbaar is om een aantal fietsparkeerplaatsen te creëren.

Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.14 Ecologie: gebiedsbescherming

Algemeen

Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, houtopstanden). Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. Verder dient op basis van hoofdstuk 10 Bkl artikel 10.24 aangetoond te worden dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.

Beoordeling

De planlocatie is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Voornes Duin ligt op circa 4,7 kilometer, zie figuur 5.14.1. De planlocatie maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde onderdelen van Natuurnetwerk Nederland (NNN) bevinden zich op circa 1,2 kilometer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0017.png"

Figuur 5.14.1: Ligging planlocatie (gemarkeerd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden

afbeelding "i_NL.IMRO.1992.slagveld36-0130_0018.png"

Figuur 5.14.2 : Ligging planlocatie (gemarkeerd) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland

Stikstof

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is onderzocht welke effecten de ontwikkeling heeft op Natura 2000-gebieden. Ter onderbouwing is een stikstofberekening uitgevoerd, waarin zowel de bouwfase als de gebruiksfase van het plan zijn meegenomen. Het stikstofonderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4.

Uit het stikstofonderzoek blijkt dat in Natura 2000-gebieden geen toename van stikstofdepositie optreedt als gevolg van de ontwikkeling, zowel tijdens de bouwfase als in de gebruiksfase (0,00 mol/ha/jaar). De uitvoering van het plan leidt derhalve niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. Voor de uitvoering van het plan is geen vergunning- of meldplicht vereist met betrekking tot stikstofdepositie.

Conclusie

Aangetoond is dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet aantast, hiermee voldoet de ontwikkeling aan artikel 10.24 Bkl.

5.15 Ecologie: soortenbescherming

Algemeen

Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op de flora en fauna. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het daarom noodzakelijk om een quickscan uit te voeren om de aanwezigheid van en de effecten van de ontwikkeling op beschermde soorten te bepalen. Hieronder worden de bevindingen van de quickscan beschreven.

Beoordeling

Ecologische quickscan

De bebouwing in de planlocatie wordt volledig gerenoveerd. Om de potentiële gevolgen voor beschermde soorten te onderzoeken is er een ecologische quickscan uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd door Van der Goes en Groot op 17 juni 2024 en is opgenomen in Bijlage 5. Onderstaand betreft een samenvatting van het onderzoek.

  • Het onderzoek concludeert dat van de grondgebonden zoogdieren alleen vrijgestelde soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht zoals het besproken plan.
  • In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt grofweg van half maart tot half juli.
  • Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus en Sperwer).
  • Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is.
  • Uit het onderzoek blijkt dat er vervolgonderzoek benodigd is ten aanzien van verblijvende vleermuizen. Het gaat hier om de volgende soorten: 'Gewone dwergvleermuis', 'Ruige dwergvleermuis' en 'Laatvlieger'. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Wordt tijdens dit vervolgonderzoek volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstand-aarden en/of kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een vergunningsaanvraag flora en fauna-activiteit bij Provincie Zuid-Holland te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.

Vervolgonderzoek naar deze genoemde beschermde soorten is noodzakelijk en is in uitvoering. Gekeken naar deze soorten kan met inachtneming van eventueel benodigde mitigerende en compenserende maatregelen in alle redelijkheid worden verwacht dat een eventueel benodigde omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit verleend zal worden, mocht een soort tijdens de uitvoering van het vervolgonderzoek daadwerkelijk aangetroffen worden.

Conclusie

Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat mogelijk sprake is van een effect op verblijvende vleermuizen, hierdoor is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. De beoogde renovatie kan pas worden uitgevoerd nadat het vervolgonderzoek is afgerond en hieruit blijkt dat gevolgen voor beschermde flora en fauna kunnen worden uitgesloten of dat de omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit is verleend.

Voor de andere soorten kan met maatregelen en het werken buiten de broedperiode, overtreding worden voorkomen en zijn geen aanvullende handelingen nodig. Indien de eventuele aanvullende maatregelen in acht worden genomen, draagt de ontwikkeling voor het aspect ecologie soortenbescherming bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Indien niet aan deze maatregelen kan worden voldaan is de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit nodig.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat:

  • 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn; en
  • 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn.

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt.

De ontwikkeling ziet toe op de transformatie van het stadskantoor door Woonbedrijf Voorne aan Zee. De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan het eerste vereiste voldaan.

6.2 Kostenverhaal

Indien nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt is kostenverhaal aan de orde. Een plan is financieel onuitvoerbaar als het kostenverhaal van door het plan mogelijk gemaakte kostenverhaalplichtige bouwactiviteiten en gebruikswijzigingen als aangewezen in artikel 8.13 Omgevingsbesluit niet is geregeld.

De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op een transformatie van een stadskantoor naar maximaal 31 woningen. De beoogde ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.

In dit geval is de gemeente Voorne aan Zee eigenaar van de gronden waar de kostenverhaalplichtige activiteit plaatsvindt. Omdat de gemeente zelf alle gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteit mogelijk wordt gemaakt in eigendom heeft, is kostenverhaal niet aan de orde. In het geval dat de gemeente zelf exploitant is, blijven de kosten voor rekening van de gemeente. De kosten worden met de opbrengsten uit de grondexploitatie verevend of de gemaakte kosten worden bij grondverkoop via de grondprijs verhaald. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.

Hoofdstuk 7 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

In dit hoofdstuk wordt onderbouwd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het relevante beleidskader en de relevante omgevingsaspecten en andere thema's zijn onderzocht. In hoofdstuk 4 en 5 zijn de toetsing aan het beleidskader en de relevante beoordelingsregels beschreven. Hieruit volgt of de ontwikkeling bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.1 Samengevat

Op basis van de beleidstoets, de onderbouwing van het beoordelingskader en de daaruit voortvloeiende belangenafweging, moeten voor de aspecten bodem en geluid aanvullende bepalingen worden opgenomen, eventuele maatregelen worden genomen of worden voldaan aan gestelde voorwaarden om te voldoen aan het beleid en de instructieregels.

  • Om voor het aspect bodem overeen te stemmen met de instructieregels van het Bkl is een aanvullende bepaling opgenomen in de regels: Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk groter dan 50 m2, voor zover in de bruidsschat als vergunningvrij bouwwerk aangewezen, is een vergunningplichtige activiteit. Voor de bouw van een bijbehorend bouwwerk groter dan 50 m2 wordt door een aanvulling van de bruidsschat een vergunningplicht opgenomen.
  • Om voor het aspect geluid overeen te stemmen met de instructieregels van het Bkl en het gemeentelijk geluidbeleid zijn aanvullende bepalingen opgenomen in de regels. Zo is het gezamenlijk geluid vastgelegd op 57 dB.

7.2 Conclusie

Uit de integrale beoordeling van het beleid en instructieregels volgt dat er een balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die de locatie binnen het gebied kan vervullen. De ontwikkeling kan in dit wijzigingsbesluit mogelijk worden gemaakt, want er wordt voldaan aan de instructieregels en de ontwikkeling draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.