direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan H22f Slagveld 36
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1992.slagveld36-0130

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden in aanvulling op/in afwijking van artikel 1.1. van het omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee de volgende begripsbepalingen:

1.1 plan

het TAM-omgevingsplan H22f Slagveld 36 met identificatienummer NL.IMRO.1992.slagveld36-0130 van de gemeente Voorne aan Zee.

1.2 omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee.

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

1.5 beroep of bedrijf aan huis

het in een woning en/of in het bijbehorend bouwwerk door een bewoner, op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, zoals een kapsalon of een nagelstudio, waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past en de aard en omvang van de activiteiten zodanig zijn dat deze geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving.

1.6 bestaande bouwwerken

bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of nog kunnen komen bij of krachtens wettelijk voorschrift.

1.7 bevoegd gezag

het bevoegd gezag zoals bedoeld in het Omgevingsbesluit.

1.8 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.9 dakkapel

een constructie ter vergroting van een gebouw die zich tussen de dakvoet en de daknok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de daknok is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.

1.10 dakopbouw

een constructie ter vergroting van een gebouw die zich boven de dakvoet bevindt waarbij deze constructie deels boven de oorspronkelijke daknok uitkomt en de onderzijden van de constructie in een of beide dakvlakken is zijn geplaatst.

1.11 hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.12 huishouden

één of meer personen die een gezamenlijke huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid.

1.13 kamerverhuur

de (gedeeltelijke) verhuur van een woning via kameruitgifte, waarbij kamers geen zelfstandige woonruimte vormen door het ontbreken van wezenlijke voorzieningen zoals een eigen kook- en/of wasgelegenheid en/of toilet.

1.14 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van ondergrondse afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.15 overkapping

een bouwwerk geen gebouw zijnde voorzien van een gesloten dak.

1.16 straatpeil
  • a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
1.17 voorgevel

de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

1.18 voorgevelrooilijn

de lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan.

1.19 wonen

het gebruik van een woning voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

1.20 woning

Een complex van besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden.

1.21 woningsplitsing

Het bouwkundig en/of functioneel splitsen van één woning in twee of meer woningen.

1.22 zelfstandige woonruimte

Onder zelfstandige bewoning wordt verstaan de woning welke een eigen toegang heeft en welke de bewoner kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woning.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Slagveld 36 te Brielle, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1992.slagveld36-0130.
  • d. De regels van dit TAM-Omgevingsplan gelden deels in aanvulling en deels ter vervanging van de regels van het Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee en uitsluitend binnen het besluitgebied van dit TAM-Omgevingsplan.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn.

3.2 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.3 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

3.4 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot/de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.5 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de beganegrondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.6 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Niet genoemde functies en activiteiten en functies en activiteiten die in strijd zijn met dit plan zijn niet toegestaan.

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 5 Tuin

5.1 Functieomschrijving

In het voor 'Tuin' aangewezen gebied zijn uitsluitend de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

 

5.1.1 Beoordelingsregels bouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m;
  • c. de bouwhoogte van erfafscheidingen, voor zover gelegen vóór de voorgevelrooilijn of op een afstand van 1 m of minder van openbaar toegankelijk gebied, bedraagt ten hoogste 1 m;
  • d. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.

5.1.2 Beoordelingsregel gebruiken bodemgevoelige locatie

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de gebruiksactiviteit Tuin verleent het bevoegd gezag niet eerder een omgevingsvergunning dan nadat door aanvrager een rapport is overlegd waarin, ter beoordeling door het bevoegd gezag:

  • a. onderzoeksresultaten zijn opgenomen waaruit blijkt dat de bodem op de planlocatie geschikt is voor deze gebruiksactiviteit.

Artikel 6 Verkeer

6.1 Functieomschrijving

In het voor 'Verkeer' aangewezen gebied zijn uitsluitend de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook, alsmede opstelstroken, busstroken, voet- en fietspaden;
  • b. galerijen, balkons, afdaken en andere ondergeschikte delen van gebouwen ten behoeve van aangrenzende functies;
  • c. bij deze functie behorende voorzieningen, zoals geluidwerende voorzieningen, groen, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen, evenementen, nutsvoorzieningen, reclame-uitingen en water.
6.2 Beoordelingsregels bouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels:

6.2.1 Algemeen

Op deze gronden mogen ten behoeve van de functie 'Verkeer' uitsluitend worden gebouwd:

a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

6.2.2 bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. het bouwen van galerijen, balkons, afdaken en andere ondergeschikte delen van gebouwen ten behoeve van aangrenzende functies is toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. de hoogte ten opzichte van het straatpeil ten minste 4,2 m bedraagt;
    • 2. de hoogte boven een strook ter breedte van 1,5 m langs een weg ten minste 4,2 m bedraagt;
    • 3. de hoogte ten opzichte van een voetpad ten minste 2,2 m bedraagt.
  • b. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt ten hoogste 9 m;
  • c. de bouwhoogte van overig straatmeubilair bedraagt ten hoogste 4 m;
  • d. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
6.3 Vergunningplicht voor afwijken van de bouwregels
6.3.1 Afwijken bouwactiviteit

Met een omgevingsvergunning wordt een bouwactiviteit toegelaten die in strijd is met artikel 6.2 voor:

  • a. het oprichten van niet voor bewoning bestemde gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van (openbare) nutsvoorzieningen met een bovengrondse grondoppervlakte van ten hoogste 20 m² en een goothoogte van ten hoogste 4 m;
  • b. afwijkingen van maten met ten hoogste 10%;
  • c. overschrijding van het bouwvlak voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en het bouwvlak mag niet met meer dan 10% worden vergroot.

6.3.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de gebruiksactiviteiten van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 7 Wonen

7.1 Functieomschrijving

In het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn uitsluitend de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. het wonen in een woning door één huishouden;

met daaraan ondergeschikt:

  • b. het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis aan huis, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.5.1.

met de daarbij behorende:

  • c. voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, groen en water.
7.2 Beperking vergunningvrij artikel 22.27

Artikel 22.27 , aanhef en onder a, van dit omgevingsplan, wordt als volgt aangevuld:

7° en, voor zover het bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan kwalificeert als een bodemgevoelig gebouw, de oppervlakte ervan niet meer bedraagt dan 50 m2.

7.3 Beoordelingsregels bouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels.

7.3.1 Woningen bouwen
  • a. woningen worden uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd;
  • b. er worden maximaal 31 woningen gebouwd;
  • c. de goothoogte van woningen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' aangegeven goothoogte.

7.3.2 Bijbehorende bouwwerken bouwen

In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels voor bijbehorende bouwwerken:

  • a. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m;
  • b. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken, geen overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;
  • c. bijbehorende bouwwerken worden ten minste 1 m achter de voorgevelrooilijn gebouwd.

7.3.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde bouwen

In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels voor bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen, voor zover gelegen vóór de voorgevelrooilijn bedraagt ten hoogste 1 m;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
  • c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden ten minste 1 m achter de voorgevelrooilijn gebouwd;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.

7.3.4 Beoordelingsregels bouwen geluidgevoelig gebouw
  • a. Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan alleen worden verleend, indien de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige gebouwen als gevolg van weg- en railverkeer ten hoogste de standaardwaarden zoals bedoeld in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedraagt;
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a geldt dat een hogere geluidbelasting op de gevel als gevolg van weg- en railverkeer kan worden toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. de grenswaarde als bedoeld in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt niet overschreden;
    • 2. iedere woning dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Een geluidluwe gevel is een gevel met een geluidbelasting van maximaal 55dBLden als gevolg van rijkswegen en spoorwegen en met een geluidbelasting van maximaal 58 dBLden als gevolg van gemeentelijke wegen;
    • 3. er dient middels akoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de bouwactiviteit voldoet aan het gemeente geluidbeleid;
  • c. Het college van burgemeester en wethouders kan bij maatwerkvoorschrift ontheffing verlenen van de vereisten onder b, onder 2 t/m 5 indien daarvoor zwaarwegende stedenbouwkundige, financiële of technische redenen zijn en als voldoende compenserende maatregelen worden getroffen met het oog op verbetering van de leefomgevingskwaliteit en gezondheid van de bewoners van de woningen die het betreft, zoals vastgelegd in het gemeentelijk geluidbeleid.
  • d. De waarde van het gezamenlijke geluid op alle gevels van dit gebouw zoals bedoeld in de artikelen 5.78ad van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 4.103, lid 1 onder a van het Besluit bouwwerken leefomgeving bedraagt 57 dB voor het Lden.

7.3.5 Beoordelingsregel bouwen bodemgevoelige locatie

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit verleent het bevoegd gezag niet eerder een omgevingsvergunning dan nadat door aanvrager een rapport is overlegd waarin, ter beoordeling door het bevoegd gezag:

  • a. onderzoeksresultaten zijn opgenomen waaruit blijkt dat de bodem op de planlocatie geschikt is voor woonactiviteiten.
7.4 Vergunningplicht voor afwijken van de bouwregels
7.4.1 Afwijken bouwactiviteit

Met een omgevingsvergunning wordt een bouwactiviteit toegelaten die in strijd is met lid 7.3 voor:

  • a. het oprichten van niet voor bewoning bestemde gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van (openbare) nutsvoorzieningen met een bovengrondse grondoppervlakte van ten hoogste 20 m² en een goothoogte van ten hoogste 4 m;
  • b. afwijkingen van maten met ten hoogste 10%;
  • c. overschrijding van het bouwvlak voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en het bouwvlak mag niet met meer dan 10% worden vergroot.

7.4.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de gebruiksactiviteiten van aangrenzende gronden en bouwwerken.

7.5 Specifieke functieregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

7.5.1 Gebruiksactiviteit - aanwijzing vergunningplicht
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woning:
  • a. te gebruiken voor kamergewijze bewoning middels kamerverhuur;
  • b. te gebruiken door meer dan één huishouden;
  • c. te splitsen.

7.5.2 Regels voor woningen
  • 1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in 7.5.1 lid 1 onder a wordt verleend als:
  • a. het gaat om kamerverhuur via het gemeentelijk woonbedrijf of toegelaten instelling als bedoeld in de Woningwet.
  • 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in 7.5.1 lid 1 onder b wordt verleend als:
    • a. het gaat om een splitsing in een mantelzorgwoning. Indien de mantelzorg beëindigd wordt, mag de mantelzorgwoning niet langer als zelfstandige woonruimte worden gebruikt.
  • 3. Een omgevingsvergunning als bedoeld in 7.5.1 lid 1 onder b kan worden verleend als:
    • a. het betreffende hoofdgebouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied is gelegen volgens de provinciale omgevingsverordening of diens rechtsopvolger;
    • b. door de woningsplitsing twee of meer woningen worden gevormd waarvan de kleinste een gebruiksoppervlak van ten minste 50 vierkante meter heeft;
    • c. er wordt voldaan aan artikel 14.1;
    • d. de woningsplitsing geen aantoonbare onevenredige belemmeringen oplevert voor het bestaande woon- en leefklimaat en gebruiksfuncties van omliggende percelen.

7.5.3 Beroep of bedrijf aan huis

De vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen bedraagt ten hoogste 25% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning met een maximum van 40 m².

Artikel 8 Waarde - Archeologie - 3

8.1 Functieomschrijving

Het voor Waarde - Archeologie - 3 aangewezen gebied is, naast de andere daar toegestane activiteiten, mede bedoeld voor de bescherming en veiligstelling van aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.

8.2 Beoordelingsregels bouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor de bouw of verbouw van een of meer bouwwerken met een oppervlakte groter is dan 100 m² en waarvoor de bodemingreep dieper is dan 0,30 meter:

  • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning heeft een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. de betrokken archeologische waarden worden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad.
8.3 Uitzondering

Het bepaalde in 8.2 onder a en a is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:

  • a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
8.4 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan een van de volgende maatwerkvoorschriften stellen voor het bepaalde in 8.2 onder a en b, indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord:

  • a. het doen van nader archeologisch onderzoek;
  • b. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • c. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • d. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

    • 1. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
    • 2. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen;
    • 3. het graven en/of verbreden van sloten, vijvers en andere wateren;
    • 4. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
    • 5. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
8.6 Uitzondering

Het bepaalde in 8.5 is niet van toepassing wanneer de werken of werkzaamheden:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij hetgeen bepaald in lid  8.2 in acht is genomen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • d. normaal beheer en onderhoud betreffen;
  • e. worden uitgevoerd in bestaande weg- en leidingcunetten.
8.7 Beoordelingsregels

In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende beoordelingsregels voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden, zoals in bedoeld in lid 8.5:

  • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning overlegt een rapport waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. de betrokken archeologische waarden worden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad.
8.8 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan een van de volgende maatwerkvoorschriften stellen voor het bepaalde in 8.7 onder a en b, indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord:

    • 1. het doen van opgravingen;
    • 2. het laten begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

Artikel 9 Waarde - Cultuurhistorie - 1

9.1 Functieomschrijving

Het voor Waarde - Cultuurhistorie - 1 aangewezen gebied is, naast de andere daar toegestane activiteiten, mede bedoeld voor de bescherming en de veiligstelling van de cultuurhistorische waarden welke samenhangen met het historisch kerngebied van het beschermde stadsgezicht.

9.2 Beoordelingsregels bouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt maximaal de op de verbeelding aangegeven maximum goothoogte (m);
  • b. de kapvormen en kaprichtingen van hoofdgebouwen mogen niet worden gewijzigd;
  • c. de hellingshoek van een kap van een hoofdgebouw mag niet worden gewijzigd;
  • d. bijbehorende bouwwerken met een vloeroppervlakte groter dan 6 m2 dienen te worden afgedekt met een kap, waarvan de hellingshoek:
    • 1. ten minste 15 graden bedraagt bij een aankapping;
    • 2. ten minste 45 graden en ten hoogste 60 graden bedraagt in overige gevallen.
    • 3. de breedte van een hoofdgebouw is gelijk aan de bestaande breedte van het bouwperceel;
  • e. bouwpercelen mogen niet worden samengevoegd;
  • f. onder de kap is ten hoogste één woonlaag toegestaan;
  • g. dakkapellen zijn niet toegestaan;
  • h. de achtergevel van een hoofdgebouw dient uit te steken en/of terug te liggen ten opzichte van de achtergevel van het hoofdgebouw op het aangrenzende bouwperceel, tenzij ten tijde van inwerkingtreding van dit plan de achtergevel van het hoofdgebouw in het verlengde van de achtergevel van het hoofdgebouw op het aangrenzende bouwperceel ligt;
  • i. luifels zijn niet toegestaan;
  • j. antennes en antenne-installaties zijn niet toegestaan;
  • k. zonnepanelen en -cellen zijn niet toegestaan;
  • l. voorgevels die op de vlucht staan, moeten bij herbouw of verbouw weer op de vlucht staan.
9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden

Het is verboden om in het voor Waarde - Cultuurhistorie - 1 aangewezen gebied zonder omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het rooien van bomen en andere opgaande beplanting die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte of vanaf de vestingwerken en die hoger zijn dan 4.00 m;
  • b. op de gronden met de bestemmingen Verkeer en Verkeer - Verblijfsgebied: het bestraten of herstraten in de zin van herprofilering en/of wijziging van bestratingsmateriaal, het aanbrengen, wegnemen of veranderen van stoepen, stoepranden, stoeppalen of waterpompen daaronder begrepen;
  • c. het bestraten en verharden van de gronden met de functie Wonen voorzover de bestrating of verharding per perceel een groter oppervlak dan 10% van deze gronden of 15 m² beslaat;
  • d. het geheel of gedeeltelijk vergraven of dempen van waterlopen, alsmede verwijderen of aanbrengen van kademuren, beschoeiingen, aanlegsteigers of meerpalen;
  • e. de aanleg van zwembaden, jachthavens en centra voor de watersport;
  • f. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur;
  • g. het vellen, rooien of beschadigen van houtachtige gewassen;
  • h. het bebossen of aanbrengen van houtachtige gewassen op gronden die ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan niet met een dergelijke vegetatie waren begroeid;
  • i. het aanbrengen van zodanige veranderingen in de gesteldheid van deze gronden, dat daardoor schade wordt of kan worden toegebracht aan de daarop aanwezige flora en fauna.

9.3.1 Uitzondering

Het bepaalde in 9.3.1 is niet van toepassing wanneer de werken of werkzaamheden:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud noodzakelijk in verband met het beheer of de voltooiing van werkzaamheden die bij het van kracht worden van dit plan reeds bestaan of in uitvoering zijn genomen, alsmede werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende of nog te verlenen vergunning;
  • b. het normaal onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming is.
  • c. het onderhoud van bestaand houtgewas door snoeien en verwijderen van dood hout;
  • d. werken en/of werkzaamheden, die strekken ter behoud of herstel van de cultuurhistorische, natuur- of landschapswaarden.

9.3.2 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

Het college van burgemeester en wethouders kunnen een of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en/of archeologische waarden van de gronden worden of kunnen niet onevenredig worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden wordt niet onevenredig c.q. onherstelbaar verkleind;
  • b. door de te hanteren materialen wordt geen afbreuk gedaan aan de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht.

9.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
9.4.1 Sloopverbod zonder vergunning

Het is verboden zonder omgevingsvergunning het hoofdgebouw te slopen.

9.4.2 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.4.1 kan worden geweigerd indien naar het oordeel van het bevoegd gezag het niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Artikel 10 Waarde - Cultuurhistorie - 2

10.1 Functieomschrijving

Het voor Waarde - Cultuurhistorie - 2 aangewezen gebied is, naast de andere daar voorkomende functies mede bedoeld voor:

  • a. de bescherming en de veiligstelling van de cultuurhistorische waarden welke samenhangen met het historisch kerngebied van het beschermde stadsgezicht.
10.2 Bouwregels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. alle hoofdgebouwen dienen te worden afgedekt met een kap, waarvan de hellingshoek ten minste 30 graden en ten hoogste 70 graden bedraagt;
  • b. onder de kap is ten hoogste één woonlaag toegestaan;
  • c. dakkapellen zijn niet toegestaan;
  • d. luifels zijn niet toegestaan;
  • e. antennes en antenne-installaties zijn niet toegestaan;
  • f. voorgevels die op de vlucht staan, moeten bij herbouw of verbouw weer op de vlucht staan.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene bouwregels

12.1 Bestaande maten

Indien de bestaande maatvoering afwijkt van hetgeen in deze planregels is bepaald mag deze afwijkende maatvoering te allen tijde worden gehandhaafd en/of vernieuwd, met dien verstande dat de afwijking niet mag worden vergroot.

12.2 Overschrijding bouwgrenzen

Met een omgevingsvergunning kan een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met de regels uit hoofdstuk 2 voor:

  • a. bij gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt;
  • b. bij gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt;
  • c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt.
12.3 Overkappingen, luifels en overstekken

Indien een gebouw voorzien is van een overkapping, wordt het oppervlak onder deze overkapping mede als oppervlakte van het gebouw berekend, met dien verstande dat deze bepaling niet van toepassing is op overkappingen, luifels en dakoverstekken met een diepte van minder dan 1 m.

12.4 Ondergrondse gebouwen

Ondergrondse gebouwen mogen worden gebouwd op alle gronden waar ingevolge de bestemming gebouwen toelaatbaar zijn, met dien verstande dat het bebouwingsoppervlak van ondergrondse gebouwen uitsluitend wordt meegerekend bij het bebouwingsoppervlak van bovengrondse gebouwen, indien en voor zover ze niet onder een bovengronds gebouw gelegen zijn.

Artikel 13 Algemene aanduidingsregels

13.1 geluidzone - industrie

Op de gronden ter plaatse van de aanduiding geluidzone - industrie kunnen nieuwe geluidgevoelige objecten uitsluitend worden toegestaan indien voldaan wordt aan de bepalingen uit de Wet geluidhinder en het Regionaal Afsprakenkader 'Geluid & Ruimtelijke Ontwikkeling', d.d. 8 juli 2015, of diens opvolger.

13.2 vrijwaringszone - molenbiotoop

Op de gronden ter plaatse van de aanduiding vrijwaringszone - molenbiotoop kunnen nieuwe bouwwerken uitsluitend worden toegestaan indien wordt voldaan aan de volgende regels:

13.2.1 Algemeen
  • a. binnen een afstand van 100 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek;
  • b. binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/30 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek;
  • c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van dit lid onder a, indien:
    • 1. de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing;
    • 2. toepassing van de in dit lid onder a bedoelde afstands- en/of hoogtematen de belangen in verband met de nieuw op te richten bebouwing onevenredig zouden schaden;
  • d. indien op grond van hoofdstuk 2 een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a t/m c, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van hoofdstuk 2.

13.2.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden op of in de gronden met de aanduiding vrijwaringszone - molenbiotoop zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning hoogopgaande beplanting aan te leggen.
  • b. Het verbod uit a is niet van toepassing indien de beplanting zich in volwassen vorm niet verder zal uitstrekken boven de onderste punt van de verticaal staande wiek dan 1/30 van de afstand gemeten tussen de molen en de aan te leggen beplanting voorzover die beplanting zal worden aangelegd op meer dan 100 meter afstand van de molen.

Artikel 14 Overige regels

14.1 Parkeren
  • a. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein, zoals vastgelegd in de Nota Parkeernormen en wijzigingen of de rechtsopvolgers daarvan.
  • b. De onder a. genoemde parkeergelegenheid moet in stand worden gehouden.
  • c. Met een maatwerk- of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde onder a als:
    • 1. op andere wijze in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien;
    • 2. het voldoen aan het bepaalde onder a door bijzondere omstandigheden op onevenredige bezwaren stuit.

Artikel 15 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.