| Plan: | Achter de Wal 22 te Zuidbroek |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1987.ZuBP2017AdeWal22-0401 |
Aan Achter de Wal 22 in Zuidbroek is een woonboerderij met het paardenhouderijbedrijf gevestigd van de familie Oosterhof. De familie wil het bedrijf professionaliseren en daarom een nieuwe rijhal met paardenboxen realiseren.
In een bedrijfsplan wordt uitvoerig de beoogde bedrijfsopzet en de strategie daarachter toegelicht; het plan is als bijlage 1 bijgevoegd.
Het plangebied is gelegen tussen Zuidbroek en Muntendam, aan de straat Achter de Wal, zie navolgende luchtfoto:
Figuur 1: Ligging plangebied
Het vigerend bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan Zuidbroek (vastgesteld op 30-05-2013). Het perceel heeft de bestemming Woongebied en is dubbelbestemd als Waarde - Landschap en cultuurhistorie. Daarnaast is het perceel voorzien van de aanduiding Specifieke vorm van agrarisch – paardenhouderij, bestaand gebruik, bestaande oppervlakte. Ook maakt het perceel onderdeel uit van de aanduiding Geluidzone – industrie. Gelet op de plannen voor de bouw van een nieuwe rijhal, is een wijziging van de bestemming noodzakelijk.
De aanduiding Specifieke vorm van agrarisch - paardenhouderij, bestaand gebruik, bestaande oppervlakte, bepaalt dat op dit moment een paardenhouderij is toegestaan waar niet meer dan acht paarden worden gehouden en waarvan het oppervlak niet mag toenemen.
De hoofdbestemming Woongebied is niet meer de passende bestemming.
Om de nieuwbouw en een uitbreiding van het aantal paarden mogelijk te maken is een specifieke bedrijfsbestemming nodig.
De gewenste ontwikkeling past dus niet binnen de huidige planologische kaders, waardoor een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk is. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
In 2014 heeft de gemeente, in reactie op een principeverzoek, het plan getoetst aan de beleidsnotitie Paardenhouderij (vastgesteld in 2009). Aanvullend op die toetsing heeft de gemeente de belanghebbende buren om een reactie op het plan gevraagd. De benaderde buren bleken geen bezwaar te hebben tegen het initiatief.
In het volgende hoofdstuk wordt de huidige en toekomstige situatie beschreven. Vervolgens wordt het plan in hoofdstuk 3 getoetst aan relevant rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid. De verschillende omgevingsaspecten komen in hoofdstuk 4 aan bod. Ten slotte gaat hoofdstuk 5 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Het rijksbeleid met betrekking tot de ruimtelijke ordening is weergegeven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Hierin schetst het Rijk de ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040.
Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo ontstaat er ruimte voor maatwerk en keuzes van burgers en bedrijven.
Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken ('je gaat er over of niet'). Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Ladder duurzame verstedelijking
In de SVIR is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dat betekent dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor (1) de onderliggende vraag in de regio, (2) de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied en (3) een multimodale ontsluiting. De ladder voor duurzame verstedelijking draagt bij aan een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, ondersteunt gemeenten en provincies in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied en helpt bij het maken van een zorgvuldige afweging van belangen bij ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
Het voorliggend bestemmingsplan maakt alleen de uitbreiding van het bedrijf van initiatiefnemers mogelijk. Het plan voldoet aan de uitgangspunten van de ladder aangezien de uitbreiding grenst aan bestaande bebouwing (een bestaand bedrijf). De ontwikkeling grenst aan steddelijk gebied en in de directe nabijheid van bestaande ontsluiting.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.
In het bestemmingsplan voor het landelijk gebied dient met name rekening te worden gehouden met de door het Rijk geformuleerde belangen inzake natuur (Ecologische Hoofdstructuur en Natura 2000-gebieden).
Het rijksbeleid is niet relevant voor onderhavige ontwikkeling.
Het Omgevingsplan 2016-2020 bestaat uit een tweetal nota's te weten de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Beide nota's zijn op 1 juli 2016 door het college van de Gedeputeerde Staten vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie komt in de plaats van het Provinciaal Omgevingsplan (POP).
Omgevingsvisie
Het accent van de Omgevingsvisie ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. De provincie wil ruimte bieden voor ondernemerschap om in te spelen op de dynamische ontwikkelingen. Activiteiten lopen steeds meer door elkaar heen. Dat heeft gevolgen voor het ruimtegebruik. Functies, zoals bijvoorbeeld wonen en werken, zijn steeds minder van elkaar gescheiden.
Ruimtelijke kwaliteit
De ruimtelijke kwaliteit is een belangrijke thema in de visie van de provncie. Deze kwaliteit wordt bepaald door de mate waarin binnen een gebied de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde in onderlinge verhouding geoptimaliseerd zijn.
De locatie van initiatiefnemers ligt deels in het stedelijk gebied en deels in het buitengebied volgens kaart 1 behorende bij de visie.
In het beleid maakt de provincie onderscheid tussen stedelijk gebied en buitengebied. Binnen het stedelijk gebied laten wij zeer veel ruimtelijke bevoegdheden over aan gemeenten. In het buitengebied zien wij, in verband met taken op het gebied van onder meer natuur, water, landschap en erfgoed een grotere verantwoordelijkheid voor de provincie.
Het beleid ten aanzien van het buitengebied is het behouden en waar mogelijk het versterken van het buitengebied voor natuur en recreatie ontwikkelen en de landschappelijke kernkarakteristieken. Ook wil de provincie het buitengebied als woongebied aantrekkelijk houden en bedrijven de mogelijkheid bieden om zich te vestigen in vrijkomende bebouwing en zich daar te ontwikkelen. Omdat de inrichting van het buitengebied zowel vitaal als duurzaam dient te zijn, is daarnaast zuinig ruimtegebruik een belangrijk uitgangspunt. Hiervoor hebben wij regels opgenomen in de Omgevingsverordening (titel 2.3).
Landschap
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van de Veenkolonien. Kenmerkend voor de Veenkoloniën is het grootschalig open landschap met een rationele verkavelingsstructuur van kanalen en wijken. In dit landschap liggen kanaaldorpen met een mix van burger-, agrarische en industriële bebouwing.
In dit deelgebied dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met:
Het voorliggend plan heeft, omdat het achter bestaande bebouwing en op het erf plaatsvindt, geen invloed op de beleving van de openheid en de verkaveling in het gebied. De boomsingel langs de weg zorgt bovendien al voor een mindere zichtbaarheid van de openheid.
Agrarisch versus niet-agrarisch
De provincie beschouwt een paardenhouderij als een agrarisch bedrijf als er uitsluitend paarden worden gefokt, als er sprake is van een hengstenhouderij of als er paarden worden gehouden voor de melkproductie. Voor deze bedrijven geldt het beleid wat ook geldt voor agrarische bedrijven.
Als niet-agrarische paardenhouderijen worden aangemerkt: trainings-, africhtings-, sport- handels- en pensionstallen en maneges. Deze kunnen zich in vrijkomende gebouwen in het buitengebied vestigen. Gaat het om een grotere uitbreiding of nieuwvestiging dan moet hiervoor ruimte worden gezocht rond de bebouwingskernen.
Het bedrijf van de familie Oosterhof is een mengvorm van beide; er worden paarden gefokt, maar ook getraind, afgericht en is er sprake van een sportstal. Het is daarmee een combinatie van een productiegerichte en een gebruiksgerichte paardenhouderij. Juist die combinatie is ook de onderscheidende kern/kracht van het bedrijf.
In de Omgevingsvisie is aangegeven dat naast agrarische bedrijven van oudsher ook veel niet agrarische bedrijven in het buitengebied zijn gevestigd. Een deel daarvan is bij wijze van hergebruik gevestigd in voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Een ander deel is gevestigd in bebouwing die niet van origine voor agrarisch gebruik is opgericht. Ook voor deze laatste categorie geldt dat de gemeente dient te bepalen welk hergebruik van de bebouwing voor wonen of (andere) bedrijfsfuncties mogelijk is. Aan de gemeente wordt gevraagd om ontwikkelingen, die in potentie kunnen leiden tot milieu- en verkeershinder, te voorkomen. Bij 'ingrijpende' uitbreiding van de bebouwing vragen wij de gemeente om in overleg met de ondernemer tot een maatwerkoplossing te komen, die gericht is op het bewerkstelligen van een significante verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
Bij het voorliggende plan is geen sprake van een ingrijpende uitbreiding van bebouwing.
Omgevingsverordening
In artikel 2.8 van de Omgevingsverordening is bepaald dat de toelichting op een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied biedt afhankelijk van en evenredig aan de aard, omvang en ruimtelijke gevolgen van een ruimtelijke ontwikkeling, inzicht in:
In paragraaf 2.3.1 en 3.2.2 wordt ingegaan op de bovenvermelde aspecten.
Zoals in de inleiding staat vermeld betreft het vigerend bestemmingsplan, het bestemmingsplan Zuidbroek. Het perceel heeft een woonbestemming met een specifieke aanduiding voor de huidige paardenhouderij activiteiten.
In het bestemmingsplan Zuidbroek wordt, ook omdat de provinciale omgevingsverordening dat verlangt, dezelfde systematiek voor schaalvergroting aangehangen.
Er zijn voor de landschappelijke beoordeling parallellen te trekken. Want ook hier wordt gevraagd om schaalvergroting, door het toestaan van een groter bouwvolume, lees de rijhal.
De gemeente hanteert voor de beoordeling vijf randvoorwaarden. Deze zijn:
Door op perceelsniveau een afweging te maken, wordt duidelijk wat de mogelijkheden voor schaalvergroting daadwerkelijk zijn. Met name de eerste drie zijn bepalend voor de afweging of een ontwikkeling in een bepaald gebied kan plaatsvinden.
Respecteren historische gegroeide landschapsstructuur
Zuidbroek wordt gezien als een wegdorp met grootschalige bebouwingselementen. Kenmerkend voor de bebouwingsstructuur zijn de variatie in ruimtevormen langs de langgerekte hoofdwegen. Waardoor de dorpen haast ongemerkt in elkaar overgaan. Dichte bebouwing direct aan de straat en grote groene voorerven wisselen elkaar af.
Onderstaand twee kaarten die een beeld geven van de aloude structuur.
Figuur 2: Kaartbeeld historisch gegroeide landchapsstructuur
De te bouwen rijhal komt achter de bestaande bebouwing en op het bestaande erf. Er wordt daardoor geen inbreuk gepleegd op de historische landschapsstructuur.
In het lint tussen Zuidbroek en Muntendam komt dergelijke bebouwing meer voor. Binnen een straal van 200 meter staan drie agrarische bedrijven die soortgelijke bebouwing mogen oprichten. De gewenste nieuwbouw zal in die structuur niet opvallen.
Afstand houden tot ruimtelijke elementen
Er zijn in dit lint geen ruimtelijke elementen die om een afstand vragen. Omdat de rijhal achterop het perceel komt blijft de afstand ten opzichte van belendende woningen voldoende.
Goede infrastructurele ontsluiting
De verkeer aantrekkende werking van het bedrijf is gering. In hoofdzaak gaat het om circa 5 personenauto's per dag en één vrachtwagen per week. De ontsluiting verloopt via de Tussenklappen wz. Deze weg is geschikt voor de ontsluiting van het bedrijf.
Zorgvuldige en evenwichtige ordening, maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen
De rijhal zal een afmeting krijgen van ongeveer 40 x 28 meter, met een nokhoogte van bijna 9 meter.
Vanaf de weg gezien komt de rijhal achterop het perceel en achter de bedrijfswoning. Hetgeen een gebruikelijke plaats is voor een dergelijk bedrijfsgebouw.
Omdat de bedrijfswoning een uitstraling van een boerderij heeft, zal de rijhal daar goed achter passen. De vormgeving van de rijhal wordt afgestemd op de bestaande gebouwen. De welstandscommissie zal de aanvraag beoordelen.
De maximale nokhoogte, zo valt te lezen in de bouwregels van het bestemmingsplan Zuidbroek, is voor omliggende agrarische bedrijven 13 meter. De benodigde 9 meter is dus bescheiden. Overigens zal, door de lage ligging van het perceel ten opzichte van de weg, de hoogte ook nog eens minder opvallen.
Erfinrichting afgestemd op het zorgvuldig inpassen in het landschapstype
Enkele jaren geleden had het perceel een vervallen uitstraling; een woning in slechte staat, een half afgebouwde loods en een rommelig erf. Inmiddels is een grootscheepse renovatie van de woonboerderij afgerond, waarbij het beeldbepalende karakter bewaard is gebleven.
De half afgebouwde loods is afgebroken en na intensief overleg met de gemeente is er een paardenstal gebouwd. Deze ingrepen hebben een positief effect gehad op de uitstraling van het erf.
De stalling van paardentrailers, personenauto's en de opslag van mest wordt achter de bebouwing gesitueerd. De buitenbakken en de stapmolen worden aan de zuidkant van het erf gesitueerd. Door het open karakter beperken zij niet de doorzicht naar achteren.
Over de erfinrichting is overleg gevoerd met Libau. Het rapport van de inrichting van het perceel, inclusief de landschappelijke inpassing, is opgenomen als bijlage 2.
De gemeente wil met de beleidsnotitie positief inspelen op de toenemende vraag naar vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden voor de paardenhouderij. In het navolgende enkele citaten uit deze beleidsnotitie:
"De uitdaging is om paardenmensen zodanig te 'sturen', te informeren en te begeleiden dat het geld dat zij in hun hobby of bedrijf steken óók ten goede komt aan de ruimtelijke uitstraling van deze bloeiende sector."
"Alhoewel de gemeente terughoudend is ten aanzien van het oprichten van extra bebouwing op een erf en daarmee een verdere verdichting van het landschap, is het volgens de gemeente een illusie dat paardenhouderijen uitsluitend in bestaande bebouwing gevestigd kunnen worden."
"De gemeente wil de mogelijkheid voor nieuwbouw bieden, mits op een bestaand erf en de erfinrichting en de erfafscheidingen op de nieuwe situatie worden aangepast."
De notitie is opgesteld binnen de randvoorwaarden van het provinciaal beleid. Het biedt een toetsingskader voor ontwikkelingen van paardenhouderijen in de gemeente. De notitie maakt onderscheid in twee vormen van paardenhouderijen: productiegerichte en gebruiksgerichte.
Zoals eerder gesteld is sprake van een combinatie van een productiegerichte en een gebruiksgerichte paardenhouderij. Die mengvorm is een bestaansvoorwaarde van deze bedrijfsopzet.
In de notitie wordt onderscheid gemaakt in bedrijfsmatige, semi-bedrijfsmatige en hobbymatige paardenhouderijen.
Een bedrijfsmatige paardenhouderij is een vorm van een paardenhouderij die gekenmerkt wordt door zijn grote(re) omvang en het winstoogmerk waarmee de paarden worden gehouden.
De huidige opzet is al bedrijfsmatig is en het voorliggende plan leidt tot een uitbreiding. Een en ander wordt in het bedrijfsplan toegelicht.
Om in geval van een verzoek een goede ruimtelijke afweging te maken zijn voor een aantal aspecten uitgangspunten opgesteld. Die zijn voor een productiegerichte en/of een gebruiksgerichte bedrijfsmatige paardenhouderij gelijk. De punten zijn in een toetsingskader samengebracht en onderstaand opgenomen.
| Productiegerichte en gebruiksgericht bedrijfsmatige paardenhouderijen | ||
| Functionele inpassing | ||
| 1. Min afstand tot woningen | 50 meter | Hinder |
| 2. Max afstand tot dorpsrand | N.v.t. | Bereikbaarheid maneges |
| 3. Bedrijfswoning toegestaan | Ja | Bedrijfswoning |
| Ruimtelijke inpassing | ||
| 4. Vestiging op bestaand erf | Ja | Vestigingsplaats |
| 5. Nieuwbouw op bestaand erf | Ja | Nieuwbouwmogelijkheden |
| 6. Concentreren van voorzieningen op erf | Ja | Erfinrichting |
| 7. Min erfomvang | 1 ha | Erfomvang |
| 8. Max oppervlakte bouwvlak | 1 ha | Bouwvlak |
| 9. Vergroting bouwvlak | 2 ha | Vergroting bouwvlak |
| 10. Faciliteiten achter bedrijfsgebouwen | Ja | Situering faciliteiten |
| 11. Eisen aan kleur- en materiaal | Ja | Welstandseisen |
De minimaal 1 ha wordt getoetst voor een goede inpassing/ordening van de benodigde bebouwing en de voorzieningen. De nieuwe rijhal komt achter en tegen de bestaande paardenstal. Daardoor is het ruimtebeslag beperkt. Er is ook weinig extra erfverharding nodig. De verschijningsvorm van de rijhal sluit goed aan bij de bestaande bebouwing.
Er is voldoende ruimte voor de voorzieningen; paddock, tredmolen en mestopslag. Libau heeft in overleg met initiatiefnemer de meest optimale inrichting van het erf uitgewerkt.
Al met al is de landschappelijke kwaliteit van het plan, al is het erf iets kleiner dan 1 ha, voldoende gewaarborgd.
Het perceel (kadastraal bekend gemeente Muntendam, sectie E, nummer 005) ligt in het bestemmingsplan Zuidbroek en het buitengebied van de gemeente Menterwolde en heeft een oppervlakte van bijna 1 ha. In de directe omgeving zijn agrarische bedrijven en burgerwoningen aanwezig. Hieronder is de ligging van het plangebied in de gemeente Menterwolde en het plangebied aangegeven.
Figuur 3: Ligging plangebied
In de huidige situatie staat op het perceel Achter de Wal 22 een woonboerderij (in 2010 compleet gerenoveerd), een paardenstal (gebouwd in 2010) en verschillende voorzieningen ten behoeve van het paardenhouderij bedrijf, waaronder een stapmolen, een buitenrijbak en paddocks (uitloop voor de paarden).
De hoofdactiviteiten bestaan uit het fokken van sportpaarden en het trainen met sportpaarden. Daarnaast worden individuele lessen gegeven. In hoofdstuk 5 van het bedrijfsplan worden de activiteiten uitvoerig toegelicht.
Navolgende luchtfoto en plattegrond geven de huidige situatie van het plangebied weer.
Figuur 4: luchtfoto plangebied
Figuur 5: kaart huidige situatie
De bedrijfsactiviteiten zijn onder te verdelen in vier disciplines:
- het fokken van sportpaarden;
- het africhten en trainen van sportpaarden;
- het begeleiden van klanten bij de aankoop van een paard (trainingsstage);
- het geven van individuele lessen.
De familie Oosterhof wil deze activiteiten verder professionaliseren en uitbreiden.
Het fokken met sportpaarden zal worden uitgebreid, door meer fokmerries in te zetten. Met als resultaat meer veulens en dus meer werk in het africhten en trainen van paarden. In de nieuwe situatie kunnen ter plaatse maximaal 20 paarden gehouden worden.
De stalling van de sport- en de fokpaarden zal om gezondheidsredenen in de nieuwe opzet gescheiden worden. De sportpaarden komen in de nieuwe boxen naast de rijhal te staan en de fokpaarden blijven in de huidige stallen. Het kunnen gebruiken van een rijhal is een essentiële voorwaarde om de bedrijfsvoering te professionaliseren en te optimaliseren. Met een rijhal kan namelijk onder constante condities (juiste ondergrond, een maatvoering die voor wedstrijden voldoet) getraind en gereden worden. Rijden met waardevolle sportpaarden op een slechte ondergrond (door bijvoorbeeld bevriezing of veel regen) is risicovol, want dan kunnen eerder blessures ontstaan. Een goede ondergrond in een binnenhal voorkomt dat.
Een ander groot voordeel is dat er geen afhankelijkheid meer is van weersomstandigheden. In de hal kan het jaar rond onder optimale omstandigheden, voor ruiter en paard, getraind en gereden worden en gaan er geen uren verloren door slechte weersomstandigheden.
Omdat er in de hal getraind en gereden wordt zal er ook geen hinder (geluid/licht) op kunnen treden voor omwonenden.
Een binnenhal draagt bij aan een betere uitstraling van het bedrijf. Door zo'n hoogwaardige voorziening kan dit bedrijf zich onderscheiden. Afnemers van paarden kunnen er vanuit gaan dat de paarden onder uitstekende condities klaargemaakt zijn.
De nieuwe rijhal wordt achter en tegen de bestaande paardenstal aan gebouwd. Er is daarbij rekening gehouden met een minimale afstand van 50 meter ten opzichte van omliggende woningen.
Het grootste volume bebouwing (woonboerderij en rijhal) wordt zo in het midden van het perceel geplaatst, zodat er vanaf de weg gezien, aan weerszijden doorzicht naar het achterland blijft.
Enkele reeds aanwezige voorzieningen, zoals de stapmolen en paddock, zullen verplaatst worden naar de zuidzijde van het perceel.
Op navolgende afbeelding is de inrichting en de landschappelijke inpassing weergegeven. Het plan is door Libau opgesteld.
Figuur 6: Landschappelijke inpassing
De nieuwe rijhal krijgt een omvang van circa 1120 m2 (40 meter bij 28 meter). De goot- en nokhoogte bedragen respectievelijk 4 en 8,7 meter.
Navolgende afbeelding betreft het aanzicht van de bebouwing vanaf de weg. Op de voorgrond zijn de huidige woonboerderij en stal te zien. De rijhal is zichtbaar achter deze gebouwen. Zo ontstaat een compact en samenhangend bebouwingsbeeld.
Figuur 7: aanzicht bebouwing gewenste situatie
Als bijlage 3 is het ontwerp van de nieuwe rijhal toegevoegd.
Een kwetsbaar gebied is een gebied dat op grond van de Interimwet ammoniak en veehouderij voor 1 januari 2002 als voor verzuringgevoelig gebied werd aangemerkt en dat deel uitmaakt van de door de provincie op grond van artikel 2 lid 3 van de Wet ammoniak en veehouderijen (Wav) vastgestelde Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ingevolge een wijziging van de Wav mogen alleen nog zeer kwetsbare gebieden als verzuringgevoelig worden aangewezen.
Binnen een zone van 250 meter om die gebieden, geldt een beperkte uitbreidingsruimte. Buiten die zone is alleen het Besluit Huisvesting van toepassing. Onderstaande kaart maakt onderdeel uit van de provinciale omgevingsverordening.
Figuur 8: WAV gebieden
De dichtst bijgelegen zeer kwetsbare gebieden liggen op zeer ruime afstand (circa 9 km). Uit de Wav vloeien daarom geen beperkingen voort.
Naast schade aan natuurgebieden en bos kan ammoniak tevens schadelijk zijn voor andere soorten, waaronder agrarische gewassen. Uit onderzoek van het 'Plan Research International' te Wageningen (toenmalig ID-DLO) is gebleken dat niet alle soorten even gevoelig zijn voor ammoniak. Als gevoelig kunnen worden aangemerkt: kasgewassen, fruitteelt, coniferen en voedselarme vegetaties. Andere gewasgroepen hebben een verwaarloosbare kans te worden beschadigd.
In de loop van de jaren is door uitspraken van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het aspect directe ammoniakschade geheel in kaart gebracht.
In het kort komt het erop neer dat van de stal tot gevoelige soorten, een afstand van 50 meter wordt aangehouden. Bij minder gevoelige soorten is een afstand van 25 meter voldoende om schade als gevolg van ammoniakemissie te voorkomen. Binnen genoemde afstanden bevinden zich geen gevoelige gewasgroepen. Derhalve kan er geen sprake zijn van directe ammoniakschade.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt per 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning als het gaat om geurhinder vanuit dierenverblijven van paardenhouderijen.
De volgende afstanden, tussen emissiepunt dierenverblijf – gevel geurgevoelige objecten, zijn dan van belang:
| Omgeving | Afstand vereist |
| Binnen bebouwde kom | 100 m |
| Buiten bebouwde kom | 50 m |
In de directe omgeving van het bedrijf zijn woningen gelegen die buiten de bebouwde kom liggen.
Binnen de vereiste afstand van 50 meter komt geen woning van derden voor. Daarmee staat vast dat voldaan wordt aan de norm zoals verwoord in de Wet geurhinder en veehouderij.
Op de situatietekening in bijlage 4 zijn de 50 m zones rondom de woningen weergegeven.
Ten behoeve van een passende afstand rond bedrijven en instellingen ten opzichte van gevoelige functies is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) het systeem "Bedrijven en milieuzonering" (2009) ontwikkeld in de vorm van een bedrijvenlijst.
In het door VNG uitgegeven boekje "Bedrijven en milieuzonering" valt een paardenhouderijbedrijf onder 0012 (paardenfokkerijen). De grootste richtafstand (voor het aspect geur) bedraagt 50 meter. De afstanden voor geluid en stof bedragen 30 meter. Ook in het geval het bedrijf aangemerkt zou worden als een manege bedraagt de grootste richtafstand 50 meter.
De in de VNG-brochure genoemde afstanden gelden in principe tussen enerzijds de perceelsgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van een woning (ABRvS 10 augustus 2011, 200906804/1/R1).
In het onderhavige geval liggen woningen van derden op kortere afstand tot de perceelsgrens dan de genoemde 50 meter. Van de richtafstanden, die ook vooral bedoeld zijn voor nieuwe situaties, mag gemotiveerd afgeweken worden.
Het perceel wordt in de huidige situatie al als paardenhouderij gebruikt (en heeft in het vigerend plan al een aanduiding voor een paardenhouderij). In die zin zijn alle activiteiten nu ook al toegestaan op het perceel. Met de rijhal verplaatst een deel van de activiteiten van buiten naar binnen, waardoor de productie van geluid, de emissie van geur, stof en licht zal verminderen. Voor de omwonenden zal dus een verbetering optreden. Uit de vorige paragraaf blijkt dat voldaan wordt aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij. De bedrijfsvoering zal moeten voldoen aan de voorschriften in het Activiteitenbesluit.
In het geval er nieuwe gebouwen opgericht worden, waar mensen gemiddeld langer dan 2 uur per dag verblijven, dient voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouw, de milieuhygiënische gesteldheid van de bodem geschikt te zijn bevonden voor het toekomstig gebruik.
In 2007 is een bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel door het bedrijf Sigma. In het onderzoek zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Op het perceel hebben sindsdien geen activiteiten plaatsgevonden die de bodemkwaliteit negatief beinvloed kunnen hebben.
Gelet op de resultaten van het historisch (bodem) onderzoek en het gegeven dat het niet gaat om de oprichting van een woning, kan een nieuw bodemonderzoek achterwege blijven.
Directe hinder
Dit is geluidhinder die kan worden veroorzaakt door de activiteiten en installaties binnen de inrichting. Omdat voldaan wordt aan de entreevoorwaarden van het Activiteitenbesluit valt het bedrijf daaronder. Het bedrijf moet voldoen aan de daarin opgenomen geluidvoorschriften.
Gelet op de activiteiten op het bedrijf en de afstanden ten opzichte van de omliggende woningen is voldoende aannemelijk dat voldaan kan worden aan die voorschriften.
Indirecte hinder
Dit is aan de inrichting toe te rekenen geluidhinder, voor de dicht bijstaande woningen van derden, van het verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting.
Vergeleken met het huidige gebruik zal er een geringe toename van de verkeersbewegingen plaatsvinden. Daarom is niet te verwachten dat een te hoge geluidsbelasting op de woningen zal optreden.
Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) hebben alle wegen een geluidzone. De breedte is afhankelijk van de ligging van de weg, in stedelijk of buitenstedelijk gebied en van het aantal rijstroken. De Wgh onderscheidt geluidsgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) enerzijds en niet-geluidsgevoelige objecten anderzijds.
De bedoeling is om een rijhal op te richten. Er worden dus geen nieuwe geluidsgevoelige functies of objecten toegevoegd. De Wgh levert voor het plan geen belemmeringen op.
Het plangebied is gelegen in een geluidzone voor industrielawaai. Het plangebied is evenals de omliggende percelen voorzien van de aanduiding 'geluidzone - industrie'. Ter plaatse van deze aanduiding geldt de volgende aanvullende regel:
Voor het bouwen van gebouwen geldt dat deze op grond van de basisbestemming toelaatbare geluidsgevoelige gebouwen slechts mogen worden gebouwd, indien de geluidsbelasting niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, verkregen hogere grenswaarde of vastgestelde maximaal toegestane geluidbelasting.
De rijhal is echter geen geluidsgevoelig gebouw, omdat het niet bedoeld is voor het verblijf van mensen, zoals woningen, verzorgingshuizen en kinderdagverblijven. Dit aspect zal daarmee geen belemmering vormen.
De dubbelbestemming is overigens wel weer overgenomen in het onderhavige plan, omdat de aanvullende regel wel blijft gelden.
Nederland heeft de Europese regels met betrekking tot luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5) in werking getreden.
Op basis van de Wet hoeven projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) bijdragen op de luchtkwaliteit niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.
In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
Voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Het aantal verkeersbewegingen zal slechts minimaal toenemen. Op basis van de NIBM-rekentool is er sprake van een project welke niet in betekenende mate bijdraagt. Er is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk.
Inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is op 27 oktober 2004 in werking getreden, daarbij hoort de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Het Revi is in 2007 herzien, de afstanden met betrekking tot bestaande situaties zijn hierin verkleind ten opzichte van nieuwe situaties. Bij het plannen van risicogevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) in de omgeving van een risicovolle inrichting moet op basis van het Bevi op bindende wijze rekening gehouden worden met de mogelijke invloed van die inrichting.
Op grond van het besluit gelden bepaalde normeringafstanden tussen risicovolle en risicogevoelige functies. Om te bepalen of er risicovolle inrichtingen in de nabijheid voorkomen, is de risicokaart van de provincie Groningen geraadpleegd.
Figuur 9: Uitsnede risicokaart
In de directe nabijheid zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. De gasproductielocatie ligt op voldoende afstand.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Over de weg vindt geen of nauwelijks vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.
De spoorlijn Groningen - Duitse grens bevindt zich ten noorden van het plangebied. Over deze spoorlijn vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De afstand tussen de spoorlijn en het plangebied bedraagt ongeveer 380 meter. Gezien het invloedsgebied van de spoorlijn van 4000 meter, ligt het plangebied binnen het invloedsgebied. Het "Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) is van toepassing.
Buisleidingen
In de nabijheid van het plangebied ligt een leiding van de NAM (op circa 150 meter vanaf de grens van het plangebied). De plaatsgebonden risicocontour (10 -6 contour) ligt 23 m aan weerszijden van de leiding. Het plangebied ligt hier ruim buiten.
De planlocatie ligt op grond van het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb) deels binnen het invloedsgebied van de gasleiding.
Verantwoording groepsrisico
Als gevolg van de spoorlijn en de transportleiding is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
De aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid dienen beoordeeld te worden. Het berekenen van het groepsrisico is niet aan de orde.
Bestrijdbaarheid
Hierbij gaat het om de bereikbaarheid van de locatie en de aanwezigheid van bluswatervoorzieningen.
Bereikbaarheid
De brandweer heeft de opkomsttijd van de hulpdiensten beoordeeld. Het perceel Achter de Wal is voor hulpdiensten voldoende snel en in voldoende mate tweezijdig te benaderen Het aspect bereikbaarheid geeft geen aanleiding tot het nemen van maatregelen.
Bluswatervoorzieningen
De brandweer heeft ook de aanwezigheid van bluswatervoorzieningen beoordeeld. In de nabijheid van het plangebied zijn brandkranen aanwezig (primaire bluswatervoorziening). Ook is in de directe omgeving open water aanwezig (secundaire bluswatervoorziening). In het plangebied zijn daarmee voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig om snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater. Het aspect bluswatervoorzieningen geeft geen aanleiding tot het nemen van maatregelen.
Zelfredzaamheid
Om te beoordelen of de aanwezige personen in geval van een calamiteit zichzelf in veiligheid kunnen brengen, zijn zowel de mate van zelfredzaamheid beoordeeld als de mogelijkheid om de locatie snel te verlaten. Ook is door de brandweer beoordeeld of de locatie in het dekkingsgebied van het Waarschuwing en Alarmering Systeem (WAS) ligt.
De gebruikers van de locatie vormen een gemiddelde bevolkingsgroep, die over het algemeen als zelfredzaam wordt beschouwd.
De locatie en de direct omgeving daarvan bieden over het algemeen voldoende mogelijkheden voor ontvluchten van een mogelijk rampgebied. Hierdoor is een goede ontvluchting mogelijk.
Het plangebied ligt binnen het bereik van een signaalgever van het WAS (ten noorden van het plangebied) Hierdoor is een snelle alarmering via NL-alert bij een ramp mogelijk. Het aspect zelfredzaamheid geeft geen aanleiding tot het nemen van maatregelen.
De bescherming van archeologische waarden is geregeld in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die onderdeel uitmaakt van de Monumentenwet.
Op grond van artikel 3.6.1 Bro dient in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden.
In het navolgende wordt aangegeven op welke wijze met de aspecten archeologie en cultuurhistorie rekening wordt gehouden.
In het bestemmingsplan Buitengebied zijn dubbelbestemmingen opgenomen, daar waar eventueel archeologische waarden aanwezig kunnen zijn. Het plangebied grenst aan een gebied waar deze dubbelbestemming niet aanwezig is. Het perceel is laag gelegen en is bij de aanleg van de diverse voorzieningen (stapmolen, stal, rijbak e.d.) ook al eens geroerd. Archeologische waarden zijn in het plangebied niet te verwachten.
Een archeologisch onderzoek kan daarmee achterwege blijven.
Ruimtelijke cultuurhistorische elementen zijn aanwezig in de vorm van gebouwen en bouwwerken en zijn aanwezig in het landschap. In de eerste categorie, de gebouwen en bouwwerken (de historisch-stedenbouwkundige elementen), zijn vooral de elementen waardevol die karakteristiek zijn voor een bepaalde bouwstijl en zijn de elementen waardevol die iets vertellen over de levenswijze van destijds.
In de tweede categorie zijn de cultuurhistorische elementen vervat in het landschap (ook wel de historisch-geografische waarden genoemd). Hier zeggen bijvoorbeeld aspecten als de kavelstructuur en het wegenpatroon veel over een gebied (en de ontstaansgeschiedenis).
Historisch-(steden)bouwkundige waarden
Op het perceel staat een woonboerderij, welke in 2010 volledig is gerenoveerd. Met het onderhavige plan wordt er niks gewijzigd ten opzichte van deze boerderij. De nieuwe rijhal komt achter de bestaande bebouwing en doet aan de bestaande boerderij geen afbreuk.
Historisch-geografische waarden
Het erf is gelegen in het woonlint langs het ontginningskanaal: het Muntendammer Diep, dat vanaf het Winschoterdiep loopt tot aan Muntendam. Vanaf dit lint is het veen in opstrekkende kavels ontgonnen. De erfbeplanting op de erven maakt van de bebouwingszone een groene strook die een contrast vormt met de open ruimte van de veenkoloniale velden daar achter. Onder aan de dijk staan langs het Diep voornamelijk essen.
Zoals uit de topografische kaart van rond 1900 valt op te maken zijn de erven aan het Muntendammer Diep historisch ruim beplant met bomen en liggen ze als groene eilanden aan het begin van de opstrekkende kavels. Op de huidige kavel is de opgaande beplanting erg schaars en hier zou wel wat meer van geplaatst kunnen worden, om het erf meer te doen zijn dan louter een bedrijfskavel. De vernieuwing van het erf vormt een goede aanleiding om daar wat aan te doen. Het achterland van rond 1900 was gekenmerkt door de grote open ruimte van de veenontginning. Dat is nu nog zo. Als je je over de dijk beweegt kun je vooral tussen de huiskavels door, tot in het achterland kijken. Ook vanaf het erf zijn er mooie doorzichten naar achteren. Daar wordt in het nieuwe opzet rekening mee gehouden.
Met het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met de historisch geografische waarden.
Bij elk ruimtelijk plan dient met het oog op de natuurbescherming rekening te worden gehouden met de Natuurbeschermingswet (1998) en de Flora- en faunawet (2002).
De instandhouding van eventueel voorkomende waardevolle dier- en plantensoorten mag niet in gedrang komen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebieds- en soortenbescherming.
Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet 1998 schrijft voor dat voor alle Natura 2000-gebieden binnen drie jaar na aanwijzing een beheerplan wordt vastgesteld. Hiermee krijgen beheerders, gebruikers en belanghebbenden meer duidelijkheid over welke activiteiten in of nabij het gebied toelaatbaar zijn.
Projecten of andere handelingen die de kwaliteit van de gebieden kunnen verslechteren of die een verstorend effect hebben op de soorten, mogen niet worden gerealiseerd of verricht zonder of in strijd met een daartoe verleende vergunning (artikel 19d Nbw).
Nieuwe activiteiten mogen daarbij geen significant verstorend effect hebben op de omliggende gebieden. De ammoniakemissie dient beoordeeld te worden in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).
Op een afstand van circa 10.000 meter is het gebied "Zuidlaardermeer" gelegen. Het is alleen aangewezen als Vogelrichtlijngebied.
Door die afstand en de relatief lage emissie kunnen de voorgenomen activiteiten geen verstorend effect hebben op de instandhouding van de natuur in de omliggende gebieden .
De paardenhouderij-activiteiten kunnen geen verstorende invloed hebben op de instandhouding van de natuur in de omliggende gebieden.
De depositie zal onder de 0,05 blijven. Een melding of Natuurbeschermingswet vergunning is daarom niet nodig.
Figuur 10: Ligging planlocatie ten opzichte van Natura 2000 gebieden
Soortenbescherming
Het plangebied wordt intensief als erf gebruikt. Er liggen geen sloten en er staan geen houtsingels. Bijzondere dier- en plantensoorten kunnen er dus redelijkerwijs niet voorkomen. Nader onderzoek is niet zinvol.
De locatie ligt in het werkgebied van het waterschap Hunze en Aa's. Een waterschap ziet er op toe of projecten voldoen aan hun waterbeleid.
In de notitie Duurzaam omgaan met hemelwater (november 2002) geeft waterschap Hunze en Aa's een overzicht van hoe omgegaan kan worden met de afvoer van hemelwater. Hierbij wordt uitgegaan van duurzame oplossingen, waarbij het hemelwater en daarmee het watersysteem niet negatief wordt belast.
Het gescheiden afgevoerde hemelwater dient in de bodem of in het oppervlaktewater te worden geborgen. Hierbij dient te worden voorkomen dat wateroverlast optreedt. Bij nieuwbouw/herbouw wordt tegenwoordig de hemelwaterafvoer niet gekoppeld aan de riolering. Het infiltreren van hemelwater in de bodem heeft de voorkeur; wanneer dit niet mogelijk is, kan het naar het oppervlaktewater worden afgevoerd. Hierbij dient er voldoende waterbergende capaciteit te zijn.
De familie Oosterhof is voornemens een rijhal te bouwen. Daarnaast wordt erfverharding aangelegd.
Wat de erfverharding betreft zal een gedeelte van straatkolken worden voorzien. De rest van de verharding zal, via natuurlijk verval, afvloeien richting omliggende gronden.
Het plan is aangemeld bij het waterschap via de online watertoets. Hieruit blijkt dat de normale procedure doorlopen wordt.
Het waterschap heeft een uitgangspuntennotitie opgesteld waarin wordt aangegeven hoe moet worden omgegaan met (hemel)water. De uitgangspuntennotitie is opgenomen als bijlage 5.
Ten aanzien van de extra te realiseren waterberging is met het waterschap afgestemd dat de sloot tussen het perceel van initiatiefnemer en het perceel van de buren aan de zuidzijde kan worden verbreed.
Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Eén van de belangrijkste wijzigingen in het Besluit is de invoering van een vormvrije m.e.r.-beoordeling voor activiteiten die genoemd worden in het Besluit milieueffectrapportage (kolom 1 van de D-lijst), maar onder de daar genoemde drempelwaarden liggen. De beoogde activiteit, de bouw van een rijhal, wordt niet in deze lijst genoemd. Een vormvrije m.e.r. beoordeling kan daarmee achterwege blijven.
In het plangebied zijn geen relevante kabels en straalpaden aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden.
De regels behorende bij dit plan sluiten zoveel mogelijk aan op het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Menterwolde (zoals vastgesteld op 13 november 2013) en daarbij rekening houdend met de gerechtelijke uitspraak van 25 maart 2015.
In het bestemmingsplan Buitengebied is onderscheid gemaakt tussen de gebruiksgerichte paardenhouderij en de manege enerzijds en de productiegerichte paardenhouderij anderzijds. Als een bedrijf gericht is op het fokken van paarden, zoals een hengstenhouderij of het houden van paarden voor de melkproductie, is sprake van een productiegerichte paardenhouderij. Dit is een normaal agrarisch bedrijf en dergelijke bedrijven zijn in het bestemmingsplan Buitengebied dan ook als Agrarisch bestemd.
De gebruiksgerichte paardenhouderijen zijn in het bestemmingsplan Buitengebied bestemd als Agrarisch - Paardenhouderijbedrijf.
Het bedrijf van de familie Oosterhof is een mengvorm. Daarom dat een puur agrarische bestemming niet past bij de functie van het perceel. Er is gekozen voor de bestemming Agrarisch - Paardenhouderij (conform SVBP 2012) en daar is in de bestemmingsomschrijving de productiegerichte paardenhouderij (waar het fokken van paarden onder valt) aan toegevoegd.
Het plan geeft de mogelijkheid de productiegerichte tak te combineren met de gebruiksgerichte tak van het bedrijf.
Daarnaast is in de bestemmingsomschrijving opgenomen dat de karakteristieke verschijningsvorm van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' behouden moet blijven. Deze regeling was al opgenomen in het vigerend bestemmingsplan en heeft betrekking op de bestaande woonboerderij.
De gebouwen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. In de bouwregels is een bouwschema opgenomen met de maximale goot- en bouwhoogten. Voorts zijn er nog regels opgenomen die betrekking hebben op het gebruik van het perceel.
De afwijkingsregels, specifieke gebruiksregels en wijzigingsbevoegdheden komen wederom zoveel mogelijk overeen met het bestemmingsplan Buitengebied.
Ten slotte is een algemene aanduidingsregel opgenomen voor de Geluidzone - Industrielawaai. Deze aanduiding staat de realisatie van de rijhal niet in de weg.
De kosten voor de realisatie van de plannen komen voor rekening van de initiatiefnemer. Er zijn geen gemeentelijke kosten aan het plan verbonden. Een exploitatieplan kan daarom achterwege blijven.
Het voorontwerp bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg verzonden naar de provincie, het waterschap, de Omgevingsdienst Groningen, de NAM en de veiligheidsregio / brandweer Groningen.
Op de veiligheidsregio na hebben alle partijen verklaard dat het voorontwerp bestemmingsplan geen aanleiding geeft tot het maken van op- en/of aanmerkingen.
De opmerkingen van de veiligheidsregio hebben betrekken op de beperkte verantwoording van het groepsrisico. De opmerkingen / aanvullingen zijn verwerkt in paragraaf 4.7.
Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 31 augustus 2017 gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijze ingediend op het plan.