direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Buitengebied Haps, Burgemeester Moorenstraat 63, woningbouw
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01

Motivering

COLOFON    
Gegevens over het plan:    
Plannaam:   TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Buitengebied Haps, Burgemeester Moorenstraat 63, woningbouw  
Identificatienummer:   NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01  
Status:   Vastgesteld  
Datum:   24 maart 2026  
Projectnummer Buro SRO:   02.51.13  
   
Gegevens projectbetrokkenen:  
Opdrachtgever:   -  
   
Gegevens Buro SRO:    
Projectleider Buro SRO:   -  
Bezoekadres vestiging Arnhem:   Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem  
Telefoon:    
E-mail:   @buro-sro.nl  
Internet:   www.buro-sro.nl  
  afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0001.png"  

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De initiatiefnemer is voornemens om een tweede woning toe te voegen aan de Burgemeester Moorenstraat 63 in Haps. Het perceel zal daartoe worden gesplitst in twee woonpercelen. De nieuwe woning wordt opgericht als levensloopbestendige woning. De ontwikkeling past niet binnen het vigerende omgevingsplan.

In een eindbrief, kenmerk Z2023-00005133) heeft de gemeente Land van Cuijk namens het college van B&W aangegeven onder voorwaarden medewerking te verlenen aan het principeverzoek. Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk, maar dit initiatief wel wenselijk is, wordt

de voorgenomen activiteit mogelijk gemaakt via een wijziging van het omgevingsplan (middels TAM-IMRO).

In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Burgemeester Moorenstraat 63 en maakt onderdeel uit van de bebouwde kom van Haps. De percelen staan kadastraal bekend als CUI00-K-2346 en CUI00-K-3283. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0002.png"

Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)

1.3 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 is het initiatief inhoudelijk getoetst in het kader van een veilige en gezonde leefomgeving, waarna in hoofdstuk 5 de omgevingskwaliteit aan bod komt. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarna wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de juridische planbeschrijving. Hoofdstuk 8 behandelt de aspecten participatie en kostenverhaal.

Hoofdstuk 2 Voorgenomen ontwikkeling

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het perceel Burgemeester Moorenstraat 63 in Haps is een voormalig agrarisch bedrijf. Er is al een tijd geen sprake meer van agrarische bedrijfsactiviteiten. Op locatie wordt nu gewoond, in de vrijstaande woning. Het plangebied ligt aan de rand van de oostelijke bebouwde kom van Haps, op de overgang naar het buitengebied. De locatie ligt op de T-splitsing van de Burgemeester Moorenstraat en De Schans. Vanaf het jaar 2000 is aan de noordwestzijde van het plangebied de woonwijk De Schans in ontwikkeling.

Het huidige perceel grenst nu direct aan deze woonwijk. De bebouwing binnen het plangebied bestaat uit de vrijstaande woning en twee bijgebouwen, met een gezamenlijk oppervlak van 711 m² (linker bijgebouw = 257 m², rechter bijgebouw = 245 m²).

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0003.png"

Bebouwingsoppervlak bestaande situatie (bron: Buro SRO)

Deze drie gebouwen staan geclusterd aan de voorzijde van het erf. De woning is daarbij gericht op de Burgemeester Moorenstraat. Het bebouwde deel van het erf gaat in zuidelijke richting over in een weide. De weide eindigt bij een onverhard pad waar tot de jaren '70 van de vorige eeuw de spoorlijn Boxtel-Wesel liep. Dit bestaande onverharde pad wordt begeleid door een houtsingel. Direct ten oosten van het plangebied ligt een sloot, opgevolgd door het open buitengebied met voornamelijk agrarische landbouwpercelen. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de bestaande situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0004.png"

Luchtfoto van het plangebied waarbij het plangebied rood is omkaderd (bron: Pdok)

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0005.png"

Aanzicht vanaf De Schans op het plangebied (bron: google streetview)

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0006.png"

Aanzicht vanaf Burgemeester Moorenstraat op het plangebied (bron: google streetview)

2.2 Toekomstige situatie

Initiatiefnemer heeft het voornemen om één extra, levensloopbestendige, woning te ontwikkelen. Het bijgebouw aan de westkant van de locatie wordt daartoe gesloopt. Het andere bijgebouw krijgt een nieuwe plek. De bestaande en nieuwe woning krijgen een eigen woonperceel. Samen met de landschappelijke inpassing en het behoud van de weide ontstaat een fraaie woonlocatie op de overgang van de kern Haps naar het ten oosten gelegen buitengebied. Het bouwperceel van het plangebied is in de Provinciale omgevingsverordening aangewezen als 'stedelijk gebied' (zie ook 3.2.2). Om die reden wordt in voorliggend document gesproken van een inbreidingslocatie.

Om een beeld te krijgen van de toekomstige inrichting van het plangebied is een schetsontwerp gemaakt. Navolgende afbeelding toont hier een uitsnede van. Het plangebied bestaat in de toekomstige situatie uit twee woonpercelen: een perceel met de bestaande woning en een perceel voor de nieuwe levensloopbestendige woning. De nieuwe woning wordt op een vergelijkbare afstand tot de Burgemeester Moorenstraat gepositioneerd als de bestaande woning. De nieuwe woning krijgt 1 tot 1,5 laag met kap. Deze hoogte sluit aan bij de bestaande woning en de omliggende woningen. Voor de beoogde inhoud van de woning wordt in voorliggend plan aangesloten op de standaard toegestane inhoud van een woning in het buitengebied (max. 750 m³). Via een aanduiding en definitie is in de regels van voorliggend plan geborgd dat de nieuwe woning een levensloopbestendige woning dient te zijn. In voorliggend plan wordt het volgende verstaan onder een levensloopbestendige woning:

levensloopbestendige woning

een woning welke geschikt is voor bewoning in alle levensfasen, dus welke ook rolstoeltoegankelijk is voor mensen met een lichamelijke beperking, waarbij alle primaire leefruimten (woonkamer, keuken, slaapkamer en badkamer met toilet) zich op de begane grond moeten bevinden en waarbij deze leefruimten zowel inpandig als vanuit het aansluitende terrein drempelvrij toegankelijk zijn.

Om het uitzicht vanaf het terras van de bestaande woning op het weiland ten zuiden van de woning te verbeteren, wordt het bestaande bijgebouw direct achter de woning verplaatst, zie het schetsontwerp. Het te herbouwen bijgebouw krijgt een nieuwe positionering en is kleiner (ca 145 m²) dan het bestaande bijgebouw (245 m²). Voorliggend initiatief zorgt daarmee om verschillende redenen voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit:

  • Het bebouwd oppervlak van het plangebied neemt af (zie staatje hieronder):
  • Er blijft sprake van een concentratie van bebouwing:
  • Het bouwperceel wordt ingekort door de beoogde toekenning van de woonfunctie ten opzichte van de huidige functie 'Gemengd' (zie verder ook de toelichting onder 7.4);
  • de toekomstige woonpercelen worden landschappelijk ingepast (zie toelichting aan het einde van deze paragraaf).

Oppervlakten bebouwing bestaand:

  • Woning: 209 m²;
  • Bijgebouw links: 257 m²;
  • Bijgebouw rechts: 245 m²;
  • Totaal: 711 m². 

Oppervlakten bebouwing toekomst:

  • Woning bestaand: 209 m²;
  • Bijgebouw groot bij bestaande woning: 145 m²;
  • Bijgebouw klein bij bestaande woning: 36 m²;
  • Woning nieuw: 155 m² (op basis van schetsontwerp);
  • Bijgebouw bij woning: 100 m² conform bouwrecht woonpercelen buitengebied.
  • Totaal: 645 m2 

Beide woningen krijgen een eigen ontsluiting op de Burgemeester Moorenstraat. De bestaande woning blijft daarbij gebruik maken van de bestaande inrit, de nieuwe woning krijgt een eigen nieuwe inrit. Binnen eigen terrein is vervolgens voldoende ruimte beschikbaar om te parkeren, meer daarover volgt in paragraaf 5.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0007.png"

Uitsnede schetsontwerp (bron: Buro SRO)

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0008.png"

Bebouwingsoppervlak toekomstige situatie (bron: Buro SRO)

Bijgebouw Burgemeester Moorenstraat 63

In een eerder stadium van het initiatief heeft afstemming met de gemeente Land van Cuijk plaatsgevonden over het terugbouwen van het bijgebouw (de schuur) bij de bestaande woning aan Burgemeester Moorenstraat 63. Uit deze afstemming volgt dat een nieuw bijgebouw achter de woning voorstelbaar is, mits sprake blijft van concentratie van bebouwing. Zo wordt voorkomen dat het bijgebouw teveel naar het buitengebied georiënteerd is. De afstemming heeft geresulteerd in de huidige versie van het schetsontwerp zoals opgenomen in voorliggende paragraaf. Bij de positionering van dit bijgebouw zijn verder de volgende afwegingen en uitgangspunten meegenomen:

  • De nieuwe plek van het bijgebouw is bewust zo gekozen om er voor te zorgen dat er een fraai uitzicht ontstaat vanaf het terras van de bestaande woning naar de weide. Dit fraaie uitzicht wordt in de bestaande situatie belemmerd door het bestaande bijgebouw.
  • Er blijft sprake van concentratie van bebouwing;
  • Bij de positionering van het bijgebouw zoals uitgewerkt op het schetsontwerp is rekening gehouden met bestaande woningen in de omgeving. Met de huidige positionering is sprake van een vrijer uitzicht vanuit de achtertuinen van de woningen aan Burgemeester Moorenstraat 71 en 73 op het aangrenzende buitengebied dan bij een noord-zuid georiënteerde positionering van het bijgebouw.

Landschappelijke inpassing

Het plangebied valt volgens het beeldenboek 'Landschappen & erven' (LOP) van de Gemeente Land van Cuijk onder het 'oude rivierenlandschap'. In dit oude deltagebied meanderde vroeger de Maas en hiervan zijn nog resten te zien in de vorm van oude riviergeulen en middelhoge stroomruggen. Het gebied kenmerkt zich door de relatief grootschalige verkavelingspatronen en een open structuur, geaccentueerd door stevige laanbeplanting. De visie op dit gebied is om het afwisselende, half open landschap, te versterken.

De Burgemeester Moorenstraat 63 ligt op de grens van het open landelijke en het bewoonde, stedelijke gebied van Haps. In dit bewoonde deel zorgen hagen in de voortuinen voor een groene entree van Haps.

Om de overgang van landelijk naar stedelijk geleidelijk te maken worden de perceelsgrenzen aangezet met doorbroken groene beplanting. Hierdoor worden de grootschalige verkavelingspatronen van het landelijke gebied geleidelijk kleiner en staat er een natuurlijke overgang naar Haps. De hagen van het bewoonde gebied worden voortgezet op het plangebied en de bestaande hagen behouden. Aan de voorzijde van de woningen komen lage geschoren hagen zodat de entree van Haps open en groen blijft. Een solitaire boom in de voortuin bij de nieuwe woning geeft een landelijke uitstraling en zorgt tegelijk voor het afschermen van de woning vanaf de weg. Achter de woningen komen vrijgroeiende natuurlijke hagen. Dit zorgt voor een duidelijke afbakening van de percelen en geeft een kleinschalige en natuurlijke uitstraling, passend bij de overgang van landelijk naar stedelijk. In en naast de vrijgroeiende hagen accentueren nieuw te planten solitaire bomen de perceelsgrenzen en hoeken. Achter de woonpercelen blijft een open weide, waardoor, in combinatie met de begroeide woonpercelen, kleinschalig het patroon van het halfopen landschap wordt doorgezet. In de regels is bovendien een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het beplantingsplan opgenomen. Een nadere beoordeling van de landschappelijke inpassing aan het beleid is uitgewerkt in paragraaf 3.3.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0009.png"

Uitsnede schetsontwerp (bron: Buro SRO)

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1 Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.

Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:

  • 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
  • 3. Natuurbescherming.

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden

  • 4. Veiligheid primaire waterkeringen;
  • 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
  • 6. Kwaliteit van de buitenlucht;
  • 7. Waterkwaliteit;
  • 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.

Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang.

Het aantal te realiseren woningen bedraagt minder dan 12, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en een verdere toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is.

De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.

3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

Omgevingsvisie Noord-Brabant

Met de Brabantse omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' hebben provinciale staten in december 2018 de visie op de fysieke leefomgeving vastgesteld. De visie bevat de opgaven die er liggen voor de nabije toekomst, welke ambities en concrete doelen de provincie zichzelf heeft gesteld en hoe zij hieraan wil werken.

De provincie gelooft dat men met elkaar moet zorgen voor een gezonde, veilige en mooie leefomgeving en dat zij dat kunnen bereiken met een nieuwe manier van (samen)werken. Dat door het juiste samenspel – waarbij zij streven naar synergie en meerwaarde - de kwaliteit van leven hier en nu goed samengaat met de kwaliteit van leven elders en later.

Rode draad in de visie is om de kwaliteit van de Brabantse leefomgeving te behouden, te versterken en door te geven aan volgende generaties. De visie benoemt ambities over hoe Brabant er in 2050 uit moet zien en stelt mobiliserende tussendoelen voor 2030. Deze doelen zijn zelfbindend voor de provincie.

De provincie heeft vier hoofdopgaven opgesteld. Aan de basis van deze hoofdopgaven liggen veiligheid, gezondheid en een goede omgevingskwaliteit. De vier hoofddoelen zijn:

  • Werken aan de Brabantse energietransitie
  • Werken aan een klimaatproof Brabant
  • Werken aan de slimme netwerkstad
  • Werken aan een concurrerende, duurzame economie
3.2.2 TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant

Omgevingsverordening Noord-Brabant, versie 12 augustus 2025, is gewijzigd vastgesteld door Provinciale Staten. De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Om te voorkomen dat voor bepaalde activiteiten geen juridische regels van kracht zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 heeft de provincie de 'TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant' vastgesteld, welke de Interim omgevingsverordening (IOV) vervangt. Het betreft daarmee een Tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) Omgevingsverordening op weg naar een definitieve Omgevingsverordening.

De TAM-omgevingsverordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.

3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de basiskaart stedelijk gebied uit de verordening. Daarop is te zien dat het bebouwingsdeel van het plangebied tot het 'stedelijk gebied' behoort. De weide aan de zuidkant van het plangebied behoort tot het landelijk gebied. De houtsingel net buiten het plangebied behoort tot

het Natuur Netwerk Brabant.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0010.png"

Uitsnede van de kaart bij de Omgevingsverordening Noord-Brabant, versie augustus 2025 (bron: regelsopdekaart.nl)

Stedelijk gebied

Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan:

  • a. zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in Artikel 5.8 ;
  • b. de lagenbenadering, bedoeld in artikel 5.9 ; en
  • c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10.

Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

  • a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag;
  • b. bij een ontwikkeling rekening wordt gehouden met de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik;
  • c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel ; en
  • e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan.

ad.

De bestaande en nieuwe woonlocatie liggen beiden in het 'stedelijk gebied' van de kern Haps, zie daartoe ook voorgaande kaartuitsnede. De ontwikkeling vindt daarmee plaats binnen bestaand ruimtebeslag. Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan, en specifiek de locatietoekenning van het nieuwe bijgebouw achter de bestaande woning, is rekening gehouden met de instandhouding van concentratie van bebouwing (zie ook 2.2). Het toevoegen van één woning is niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zie daartoe ook de nadere onderbouwing uit paragraaf 5.1. In de toelichting van de Omgevingsverordening ligt de provincie de regel onder e toe. De provincie geeft aan dat de regel wordt gesteld om te voorkomen dat overal in het landelijk gebied nieuwe bouwpercelen ontstaan. Voorliggend initiatief voorziet echter in een nieuwe woning via splitsing van een bouwperceel binnen stedelijk gebied. De beoogde woonpercelen worden aan de zuidzijde afgerond op basis van de begrenzing van de kaart 'stedelijk gebied' uit de verordening. Daarmee staat het bepaalde onder e voorliggend initiatief niet in de weg.

Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering

Lid 1 Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in:

  • a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en
  • b. hoe negatieve effecten worden voorkomen.

Lid 2 Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden:

  • a. de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden;
  • b. de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en
  • c. de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving.

ad.

Het plangebied ligt op de overgang tussen de bebouwingskern van Haps en het buitengebied. Het landschap ter plaatse betreft een oud rivierenlandschap (ondergrondlaag). Dit half open landschap bestaat uit een open structuur met stevige laanbeplanting. De toekomstige bebouwing wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast en draagt waar mogelijk bij aan de versterking van het landschap. Tegelijkertijd zorgt voorliggend initiatief voor een toename van één woning in een tijd met een urgente behoefte aan nieuwe woningen, zonder dat het bebouwingsoppervlak noemenswaardig verandert (occupatielaag). De nieuwe levensloopbestendige woning biedt woningzoekende de gelegenheid om lange tijd om dezelfde plek in Haps te kunnen wonen (netwerklaag).

Artikel 5.10 Meerwaardecreatie

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

  • a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en
  • b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

ad.

Er is een urgente maatschappelijke behoefte aan nieuwe en extra woningen, ook in de gemeente Land van Cuijk en specifiek de kern Haps. Voorliggend initiatief draagt bij aan het oplossen van dit probleem door het toevoegen van één nieuwe extra woning. Door voorliggend initiatief zijn bedrijfsactiviteiten niet meer mogelijk op locatie. Daarmee levert het initiatief een bijdrage aan het verbeteren van het woon- en leefklimaat van omliggende woonpercelen en dat van het plangebied.

Landelijk gebied

De gronden aan de zuidkant van het plangebied behoren tot het 'landelijk gebied'. Deze gronden zijn in de bestaande situatie in gebruik als weide. Dit gebruik blijft onveranderd. In de bestaande situatie ligt een deel van het bestaande bouwperceel (functie Gemengd) binnen het 'landelijk gebied (zie ook 3.3.5). Voorliggend initiatief heeft tot gevolg dat het bestaande bouwperceel wordt verkleind. De toekomstige woonpercelen worden aan de zuidkant afgerond op basis van de begrenzing van 'stedelijk gebied'. Daarmee wordt voorkomen dat er in de toekomstige situatie nog bouwwerken gerealiseerd kunnen worden binnen 'landelijk gebied'.

NatuurNetwerkBrabant

Zoals uit voorgaande kaartuitsnede van de omgevingsverordening blijkt, is het plangebied niet aangewezen als NatuurNetwerkBrabant. Direct ten zuiden van het plangebied liggen wel gronden die behoren tot het netwerk. In artikel 5.31 van de toelichting van de omgevingsverordening is onderbouwd dat ook wanneer een activiteit of ontwikkeling plaats vindt buiten het Natuur Netwerk Brabant, dit kan leiden tot aantasting van ecologische waarden binnen het NNB. Om te kunnen beoordelen of voorliggend initiatief zorgt voor aantasting op het NNB, is een ecologische quickscan uitgevoerd, zie Bijlage 4. Daaruit blijkt dat negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB-gebied ten zuiden van het plangebied, op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Artikel 5.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling

  • 1. Een omgevingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voor wonen, werken of voorzieningen, wijst daarvoor een locatie aan binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:
    • a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken; en
    • b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.
  • 2. Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen als:
    • a. een goede omgevingskwaliteit wordt bevorderd, met aandacht voor een natuurinclusieve inrichting en een veilige en gezonde leefomgeving;
    • b. toepassing wordt gegeven aan zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;
    • c. optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;
    • d. rekening wordt gehouden met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang of infiltratie van water;
    • e. de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit worden benut; en
    • f. wordt bijgedragen aan een circulaire economie door invulling te geven aan de toepassing van industrieel, demontabel bouwen en het gebruik van duurzame biobased materialen.

Ad.

In paragraaf 3.3.3 is voorliggend initiatief getoetst aan het volkshuisvestelijke beleidskader van de gemeente, dat aansluit op de regionale afspraken. Uit de beleidstoets volgt dat het initiatief passend is binnen het kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwprogramma, waarbij er wordt gebouwd voor een doelgroep (senioren) met een specifieke behoefte aan levensloopbestendige woningen. Voorliggend initiatief zorgt voor een afname van het bebouwd oppervlak. Samen met de landschappelijke inpassingsmaatregelen wordt daarmee een goede omgevingskwaliteit bevorderd. In voorliggend paragraaf, onder Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik, is gemotiveerd dat met voorliggend initiatief sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Voor het bergen van overtollig hemelwater worden binnen eigen terrein maatregelen getroffen, dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.1. De afname van bebouwing, het inkorten van het bouwperceel, het bergen van hemelwater en de landschappelijke inpassingsmaatregelen zorgen gezamenlijk voor een duurzame stedelijke ontwikkeling.

Hiermee past het voorgenomen initiatief binnen de regionale woningmarktstrategie.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Cuijk 2030 De koers van Cuijk

De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen aan van de ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van de voormalige gemeente Cuijk tot 2030. De Structuurvisie geeft ambitie, richting en koers aan de mogelijke ruimtelijke inrichting van onder andere de kern Haps voor de nabije toekomst.

Het plangebied is in de Structuurvisie onderdeel van het deelgebied 'Vitaal landelijk Cuijk'. Binnen dit deelgebied maakt het plangebied als 'landelijk dorp' deel uit van de bestaande occupatie binnen de voormalige gemeente Cuijk. In de kernen van Vitaal landelijk Cuijk wordt gekozen voor ruimte creëren, inbreiden/transformatie, 'vergroenen' en het realiseren van toekomstbestendige woningen. Het woningbouwprogramma dient zich in de kern Haps te richten op voldoende passende en betaalbare woningen voor een brede doelgroep in een tempo dat aansluit op de bevolkingsontwikkeling (bouwen voor eigen behoefte).

Planspecifiek

Met voorliggend plan wordt aan de rand van de kern Haps een nieuwe levensloopbestendige woning toegevoegd. In de visie spreekt de gemeente de wens uit om nieuwe woningbouwontwikkelingen in beginsel via inbreidingsplannen te realiseren. Hier speelt voorliggend initiatief op in. Het bouwperceel van het plangebied behoort tot de kern / stedelijk gebied van Haps. Op de plek van de nieuwe woning is in de bestaande situatie al bebouwing aanwezig. Het initiatief zorgt voor een beperkte afname van bebouwd oppervlak. Samen met bestaande en nieuwe landschapselementen ontstaat een fraaie woonlocatie die representatief is voor de ligging van het plangebied op de overgang naar het buitengebied van Haps. Het initiatief past binnen de structuurvisie.

3.3.2 Omgevingsvisie Land van Cuijk (ontwerp)

Tussen 6 oktober 2025 en 11 december 2025 ligt de ontwerpversie van de Omgevingsvisie Land van Cuijk ter inzage. In de omgevingsvisie is een integrale visie op de fysieke leefomgeving uitgewerkt waarin de gemeente allerlei ambities op het gebied van water, natuur, landbouw, klimaat, economie, energie, wonen en voorzieningen samenbrengt. Gebundeld in één samenhangend plan voor een vitaal en duurzaam Land van Cuijk 2050.

In deel 1 staan de hoofdlijnen van de visie op de toekomst van de gemeente. De gemeente schetst een toekomstperspectief voor 2050, gebaseerd op de geschiedenis.

In deel 2 heeft de gemeente de ruimtelijke visie uitgewerkt in een kompas voor de ontwikkeling van vier samenhangende landschappelijke deelgebieden: Maasoeverwal, Raamvallei, Peelzoom en Peelkern. Voor ieder deelgebied zijn richtinggevende keuzes gemaakt voor de ruimtelijke ontwikkelingen van deze gebieden.

In deel 3 gaat de gemeente in op de vraag op welke manier de doorwerking en uitvoering van de visie vormgegeven moet worden.

Haps en het projectgebied liggen binnen het deelgebied 'Raamvallei'. De algemene koers voor dit gebied is

toe te werken naar een waterrijk natuurlandschap als hét groenblauwe hart van Land van Cuijk. De gemeente geeft prioriteit aan waterberging, nieuwe natuur en landschapsherstel en ander ruimtegebruik (wonen, werken en landbouw) wordt hiermee in harmonie gebracht. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de visiekaart 'Raamvallei', waarop de ligging van het plangebied is aangegeven met de gele stip.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0011.png"

Uitsnede van de visiekaart 'Raamvallei' (bron: Ontwerp Omgevingsvisie Land van Cuijk)

Op basis van de visiekaart behoort het plangebied tot de kernrandzone van Haps, grenzend aan een natuurlandschap van grofmazige groenblauwe dooradering. Specifiek voor deze deelgebieden in de Raamvallei benoemt de gemeente de volgende beleidsuitgangspunten:

  • Natuur: We zorgen voor een groenblauwe dooradering van het landelijk gebied door de aanleg van ecologische oeverzones, wilde heggen en laantjes.
  • Stedelijke ontwikkelingen: We kiezen voor bescheiden ontwikkeling van de dorpen waarbij woningbouw is gericht op het bouwen naar de behoefte. Hierbij stellen we voorwaarden aan de wijze waarop de ontwikkeling bijdraagt aan het 'helen' van de landschappelijke structuren.
  • Stedelijke ontwikkelingen: We stellen 'kernrandzones' in waarin zorgvuldig wordt omgegaan met de dorpsranden die grenzen aan het landschap. In dit deelgebied zien we in de kernrandzones met name ruimte voor kleinschalige woningbouw in combinatie met natuurontwikkeling.

Projectspecifiek

Voorliggend initiatief heeft tot gevolg dat er heel gericht wordt gebouwd naar een actuele woningbehoefte aan meer levensloopbestendige woningen in Haps (zie verder 3.3.3). Daarmee sluit het plan aan op de mogelijkheden die de gemeente benoemt voor nieuwe ontwikkelingen binnen kernrandzones. Vanwege de toename van één woning binnen een bestaand bebouwd perceel is het initiatief aan te merken als bescheiden ontwikkeling. Samen met de komst van de nieuwe woning wordt het gehele bestaande bebouwingsperceel landschappelijk inpgepast. Bij de uitwerking van de landschappelijke inpassing zijn maatregelen voorgesteld die passend zijn voor de overgangslocatie van het plangebied tussen de bebouwde kom van Haps en het afwisselende half open landschap ten oosten van Haps. Een afwisseling van laaggeschoren hagen in de voortuinen en een toename van opgaand groen in de vorm van (solitaire) bomen in de richting van het buitengebied zorgen voor een geleidelijke overgang. Een nadere toelichting op de inpassingsmaatregelen is uitgewerkt in paragraaf 2.2.

Het initiatief past binnen de ontwerpversie van de Omgevingsvisie Land van Cuijk.

3.3.3 Woon(zorg)visie Land van Cuijk

In de eerste Woon(zorg)visie deelt de gemeente Land van Cuijk de plannen voor meer woningen. Hiermee wil de gemeente goed aansluiten op de wens van inwoners die een woning zoeken. De visie gaat niet alleen over de opdracht om meer woningen te bouwen. Het gaat ook over de kwaliteit van de bestaande woningen en alles daaromheen. De gemeente sluit aan op de nieuwe kaders van het Rijk en de afspraken die in de regionale Woondeal (Noordoost-Brabant) staan. Dit heeft de gemeente uitgewerkt in vijf belangrijke onderdelen:

  • 1. Het woningtekort terugdringen

Het doel is extra woningen in elke kern. Tot en met 2040 moeten er 6.555 woningen bij komen. Het grootste deel (4.350 woningen) in de jaren tot en met 2030.

  • 2. Aanbod van verschillende soorten woningen

Er is veel vraag naar betaalbare woningen. De gemeente neemt maatregelen zodat woningen ook langere tijd (niet alleen voor de eerste koper) betaalbaar blijven.

  • 15% van de nieuwbouw koopwoningen tot -
  • 25% van de koopwoningen tussen - en -
  • 30% van de nieuwbouw moet sociale huur zijn. Elke ontwikkelaar moet hieraan meewerken.

  • 3. Alle kernen leefbaar en vitaal

Op sommige plekken (vooral grote kernen) wonen veel kwetsbare inwoners dicht bij elkaar.

  • 4. Wonen met zorg- of ondersteuningsvraag

In de woonvisie gaat de gemeente in op huisvestingsopgave van meer zorgdoelgroepen. De grootste zorgdoelgroep zijn ouderen. Tot en met 2040 moeten er 2.600 geclusterde woningen (verdeeld over de gemeente) bij komen. Dit is een manier van wonen waarbij ontmoeten centraal staat. Bijvoorbeeld met een gezamenlijke tuin of woonkamer bij seniorenwoningen. Dit doen we via nieuwbouw en aanpassing van bestaande woningen.

  • 5. Duurzame woningen en omgeving

De gemeente wil in 2045 klimaatneutraal zijn. Na 2030 ligt de nadruk op het aardgasvrij maken van bestaande woningen. Ook nieuwbouw moet (bijna) energieneutraal en aardgasvrij zijn. Tot en met 2030 gaan we 5.400 koopwoningen met energielabel D, E, F of G isoleren. Woningcorporaties verduurzamen hun woningen naar gemiddeld energielabel A.

Haps

Haps ligt binnen het deelgebied 'Mill en omliggende kernen'. De kernen zijn relatief sterk vergrijsd. In de periode 2023-2040 is er behoefte aan ongeveer 550 woningen. In Haps en Langenboom staan veel ruime (en daardoor) duurdere koopwoningen. De behoefte aan betaalbare woningen voor starters is groot. De nadruk ligt daarbij op betaalbare, grondgebonden koopwoningen. Gezien de sterke sociale cohesie en het zelf organiserend vermogen van de inwoners liggen er ook kansen voor particulier initiatief om iets voor starters en/of senioren uit het eigen dorp te realiseren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0012.png"

Schema kwalitatieve behoefte woningen in Haps tot aan 2030 (bron: Woon(zorg)visie Land van Cuijk)

Projectspecifiek

Voorliggend initiatief heeft tot gevolg dat één levensloopbestendige woning aan de woningvoorraad wordt toegevoegd. Kwantitatief past het initiatief binnen de behoefte aan 550 nieuwe woningen tot aan 2030 in het deelgebied Mill en omliggende kernen, waar Haps binnen ligt. In de woon(zorg)visie is aangegeven dat er voor de kern Haps kansen zijn om levensloopbestendige woningen toe te voegen. Voorliggend initiatief sluit hier op aan door inwoners van Haps de kans te bieden zo langs als mogelijk en wenselijk binnen de eigen woonomgeving te kunnen blijven wonen.

Het initiatief past binnen de Woon(zorg)visie Land van Cuijk.

3.3.4 Regeling Kwaliteitsverbetering Landschap gemeente Land van Cuijk 2023

De gemeente Land van Cuijk is per 1 januari 2022 ontstaan vanuit een fusie van de gemeenten Cuijk, Grave, Mill en Sint Hubert, Boxmeer en Sint Anthonis. Iedere gemeente had haar eigen regeling ter invulling van artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening en art 5.11 van de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant (de Regeling kwaliteitsverbetering landschap / Landschapsinvesteringsregeling). Inmiddels zijn er in 2022 Brabant-brede uitgangspunten en werkafspraken opgesteld voor een uniformere toepassing van deze 'Regeling kwaliteitsverbetering landschap' in de praktijk. Daarnaast heeft de provincie Noord-Brabant op 20 juli 2022 de 'Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit' in werking gebracht (gericht op het toevoegen van een of meerdere woningen in het buitengebied). Deze is sterk gerelateerd aan de Regeling kwaliteitsverbetering landschap. Dit beleidsdocument biedt duidelijkheid over hoe de gemeente Land van Cuijk invulling geeft aan de genoemde recente Brabant-brede uitgangspunten en werkafspraken. Hierbij wordt ook de Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant meegenomen.

Bij het opstellen van deze regeling voor de gemeente Land van Cuijk is gekeken naar de werkwijzen van de voormalige gemeenten. Deze verschilden onderling. Bijvoorbeeld ten aanzien van het wel of niet meenemen van de landschappelijke inpassing als onderdeel van de benodigde kwaliteitsimpuls, het werkingsgebieden de gehanteerde rekenpercentages. Voor de uniformisering, is de regeling voor de voormalige gemeente Sint Anthonis als vertrekpunt gehanteerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0013.png"

Verbeelding van de werkwijze financiële bijdragen gemeente Land van Cuijk (bron: Regeling Kwaliteitsverbetering Landschap gemeente Land van Cuijk 2023)

Planspecifiek

Voor het initiatief aan de Burgemeester Moorenstraat 63 is de Regeling kwaliteitsverbetering Landschap gevolgd. Het bebouwingsdeel van het plangebied maakt conform de Omgevingsverordening Noord-Brabant onderdeel uit van het 'stedelijk gebied', zie ook 3.2.3. Er is in het kader van voorliggend initiatief een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, met inachtneming van het beleid voor initiatieven in de kern. Er is sprake van een transformatie van een bestaand bebouwd perceel, waarbij één woning wordt toegevoegd. Op basis van Regeling Kwaliteitsverbetering Landschap gemeente Land van Cuijk 2023 en de Nota Kostenverhaal 2023 geldt voor dit initiatief dat de nieuwe woning wordt gewaardeerd als 1,5 woningequivalent, en de bestaande woning als 0,5 woningequivalent. Initiatiefnemers dragen daarom een bedrag van - af in de 'Uitwerking fonds ruimtelijke kwaliteit'. 

In aanvulling op deze financiële bijdrage is een beplantingsplan opgesteld dat is toegevoegd als bijlage 1 van de regels en van een toelichting is voorzien in paragraaf 2.2. Het beplantingsplan houdt rekening met de ambassadeursoorten zoals benoemd in de Natuurvisie Land van Cuijk 2024 t/m 2030 (woongebied - ambassadeursoorten in het rivierengebied). In navolgende tekst zijn de betreffende ambassadeursoorten benoemd en is aangegeven op welke wijze voorliggend initiatief rekening houdt met deze soorten.

Ambassadeursoorten

Egel

De egel profiteert in het plan van de toegepaste groenstructuur waarin hagen, tuinen en struweel als migratieroutes en foerageerplekken functioneren. Omdat deze soort gebaat is bij dichte vegetaties waar bodemleven zoals kevers, slakken, rupsen en regenwormen aanwezig zijn, sluit de aanleg van vrijgroeiende hagen en structuurrijk struweel aan bij de eigenschappen van zijn natuurlijke leefgebied met een combinatie van schuilplekken en voedselaanbod.

Huiszwaluw

Voor de huiszwaluw, die aan gebouwen broedt en afhankelijk is van insectenrijke open ruimtes, biedt de nieuwe woning een nieuwe ruimte voor nestgelegenheid. De omliggende weide en vrijgroeiende hagen dragen bij aan een insectenrijk gebied waar onder andere muggen en vliegen voorkomen. Hierdoor biedt het plan een combinatie van nestgelegenheid en voedselaanbod.

Bastaardkikker

De watergang naast het plangebied biedt voor de bastaardkikker geschikte leefomstandigheden doordat er voldoende licht op het water valt en er langs de randen ruimte blijft voor oevervegetatie. De soort maakt gebruik van zonbeschenen water en beschutte zones waar larven kunnen ontwikkelen en volwassen dieren insecten vinden. Doordat langs de oevers geen verharding wordt toegepast maar natuurlijke structuren zoals hagen, bomen en weide aanwezig zijn of aangeplant worden, ontstaat een geleidelijke overgang van water naar land. Deze overgangszone is rijk aan organisch materiaal en insecten, wat de watergang een functioneel onderdeel maakt van het leefgebied van de bastaardkikker.

Oranjetipje

Door behoud van de weide achter de woningen blijft er ruimte voor de spontane groei van veel voorkomende soorten flora zoals de pinksterbloem en look-zonder-look, de waardplanten van het oranjetipje. Dit levert plekken op voor zowel nectaropname, als het afzetten van eitjes. Daarmee ondersteunt het plan de basisvoorwaarden voor de levenscyclus van het oranjetipje.

Gewone sachembij

De gewone sachembij, die afhankelijk is van bloemrijk voedsel en nestmogelijkheden in steile grondranden of muren, vindt in het plan een combinatie van beide. De variatie in tuinen, hagen en bomen draagt bij aan een aanbod van bloeiende plantensoorten. De behouden oevers van de watergang en de steile muren van de bebouwing bieden daarnaast kansen voor nestlocaties, waardoor een passend leefgebied kan ontstaan.

Het initiatief is passend binnen de Regeling Kwaliteitsverbetering Landschap gemeente Land van Cuijk 2023 en de Natuurvisie Land van Cuijk.

3.3.5 Omgevingsplan

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan heeft het plangebied de bestemmingen 'Gemengd' en 'Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden'. Binnen de bestemming Gemengd ligt een bouwvlak. De bijbehorende regels staan bedrijfsgebouwen, een woning (maximale bouw- en goothoogte van 10 en 5,5 m en een inhoud van max 750 m³), bijbehorende bouwwerken bij de woning (max 100 m² en een maximale bouw- en goothoogte van 5,5 en 3 m) en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Daarnaast gelden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5', voor de ter plaatse voorkomende (middel)hoge archeologische verwachting. En in het uiterst zuidwestelijke puntje van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Leiding - Riool', ter bescherming en/of instandhouding van de ondergrondse riooltransportleiding. Verder gelden er de volgende gebiedsaanduidingen (G) en functieaanduidingen (F):

  • G: Accentgebied boom- en vaste plantenteelt;
  • G: Radarverstoringsgebied;
  • G: overige zone - beperkingen veehouderij;
  • G: Teeltondersteunende kassen toegestaan (aan de zuidkant van het plangebied);
  • G: Reconstructiewetzone - extensiveringsgebied;
  • G: overige zone - beperkingen veehouderij (aan de zuidkant van het plangebied);
  • specifieke vorm van agrarisch met waarden - cultuurhistorisch waardevolle akker;
  • specifieke vorm van agrarisch met waarden - kwetsbare soorten.

De beoordeling van het initiatief aan de regels van de gebiedsaanduidingen en functieaanduidingen vindt indien van toepassing plaats onder de (milieu)aspecten uit Hoofdstuk 4 Veilige en gezonde fysieke leefomgeving en Hoofdstuk 5 Goede omgevingskwaliteit. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de vigerende planologische situatie ter plaatse van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0014.png"

Uitsnede geldend omgevingsplan ter plaatse van het plangebiedmet het plangebiedrood omkaderd.

Toets initiatief aan het bestaande omgevingsplan

Binnen het plangebied gelden de functies 'Gemengd' en 'Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden'. Binnen de functie 'Gemengd' is alleen de bestaande woning toegestaan, met bijbehorende bouwwerken tot maximaal 100 m². Het bestaande oppervlak aan bijbehorende bouwwerken bedraagt aanzienlijk meer, namelijk ca 500 m². Het gaat om voormalige bedrijfsgebouwen die op grond van het overgangsrecht voor de locatie behouden konden blijven. In de toekomstige situatie bedraagt het gezamenlijke beoogde oppervlak aan bijbehorende bouwerken in totaal 290 m², deels gebaseerd op basis van sloop-herbouw. Dit beoogde maximale oppervlak is in strijd met het vigerende bouwwercht. Het geldende omgevingsplan dient herzien te worden om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken.

Naast het bestaande bouw- en gebruiksrecht binnen de functies 'Gemengd' en 'Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden' liggen er ook verschillende dubbelbestemmingen, gebiedsaanduidingen en functieaanduidingen binnen het plangebied. In voorliggende paragraaf is een beknopte toets van voorliggend initiatief aan deze aanduidingen uitgewerkt. De betekenis van enkele aanduidingen voor het initatief komen in hoofdstuk 4 en 5 nader aan bod.

  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5': Over de archeologische situatie in de directe omgeving van het plangebied is al veel informatie beschikbaar vanwege eerdere ontwikkelingen. Archeologische waardevolle resten zijn er niet aanwezig. De gemeente Land van Cuijk heeft in een eerder stadium aangegeven dat het uitvoeren van archeologisch onderzoek binnen het plangebied niet nodig is. De bestaande dubbelbestemming blijft wel voor het plangebied behouden op grond van het Omgevingsplan Land van Cuijk. Meer over archeologie is uitgewerkt in paragraaf 5.2;
  • Dubbelbestemming 'Leiding - Riool': Ter bescherming van de aanwezige hoofdriolering ten zuiden van het plangebied is een beschermingszone opgenomen die deels binnen het plangebied valt. Ter plaatse van het deel van de beschermignszone binnen het plangebied treden er geen ruimtelijke- en/of fysieke veranderingen op als gevolg van voorliggend initiatief. Voorliggend initiatief heeft geen effect op de leiding. De beschermingszone en de bijbehorende regels zijn overgenomen in voorliggend plan.
  • G 'overige zone - radarverstoringsgebied': Er geldt ter plaatse een bouwverbod van bebouwing hoger dan 65 m boven NAP. De bestaande en toekomstige bebouwing blijft ruim onder de grens van 65 m. Het initiatief heeft geen negatief effect op de werking van radars.
  • G 'overige zone - accentgebied boom- en vaste plantenteelt': Via deze gebiedsaanduiding zijn teeltondersteunende voorzieningen toegestaan binnen agrarische bouwvlakken. In de bestaande en toekomstige situatie zijn er geen agrarische bouwvlakken binnen het plangebied aanwezig. De functieaanduiding is niet van betekenis voor dit initiatief.
  • G 'overige zone - beperkingen veehouderij'. Deze gebiedsaanduiding is alleen van toepassing voor agararische bedrijfsbebouwing. Daar is in de bestaande en toekomstige situatie geen sprake van binnen het plangebied.
  • G 'overige zone - teeltondersteunende kassen toegestaan': Deze aanduiding heeft betrekking op de toegestane oppervlakte van teeltondersteunende kassen. In de bestaande en toekomstige situatie is er geen sprake van aanwezigheid van teeltondersteunende kassen.
  • F 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - cultuurhistorisch waardevolle akker': Deze functieaanduiding geldt voor het gehele plangebied. Voor het uitvoeren van enkele werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig. Een nadere toelichting op de aardkundige waarden binnen het plangebied en de betekenis van deze aanduiding op het initiatief, is uitgewerkt in paragraaf 5.2;
  • F 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - kwetsbare soorten': Om de kwetsbare soorten (flora en/of fauna die zeer gevoelig is voor verstoring door menselijke activiteiten) binnen het ter plaatse aanwezige landschaps- en natuurwaarden te beschermen, is een omgevingsvergunning benodigd om bepaalde werken en werkzaamheden uit te mogen voeren. Zo is een omgevingsvergunning nodig voor het verzetten van grond over meer dan 100 m², het dempen van sloten en het aanleggen van landschapselementen. In het kader van de omgevingsvergunningaanrvaag voor het bouwen zal op basis van het exacte bouwplan indien nodig een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden worden aangevraagd.
3.3.6 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid

Uit de voorgaande behandeling van het gemeentelijk beleid blijkt dat de activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. Op basis van het volkshuisvestelijk beleid blijkt dat er kwantitatief en kwalitatief behoefte is aan de nieuwe levensloopbestendige woning. En de beoogde landschappelijke inpassing sluit aan op de doelstellingen van het landschap- en natuurbeleid uit onder andere de ontwerp Omgevingsvisie Land van Cuijk en de Regeling Kwaliteitsverbetering Landschap gemeente Land van Cuijk 2023. De ontwikkeling is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige onderbouwing is opgesteld.

Hoofdstuk 4 Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

4.1 Weging van het waterbelang

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:

  • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);
  • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
  • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Planspecifiek

Het plangebied ligt in het beheergebied van waterschap Aa en Maas. In voorliggende paragraaf komen de belangrijkste waterhuishoudkundige aspecten aan bod.

Waterberging

In de bestaande situatie bedraagt het verhard oppervlak binnen het plangebied:

  • Bebouwing: 711 m²
  • Bestrating: 549 m²

Totaal: 1260 m²

In de toekomstige situatie bedraagt het verhard oppervlak:

  • Bebouwing: 645 m² (op basis van schetsontwerp)
  • Bestrating: 382 m² (op basis van schetsontwerp)

Totaal: 1027 m²

Als gevolg van de beoogde ontwikkeling neemt de verharding in het plangebied beperkt af. Hiermee blijft voorliggende ontwikkeling onder de gestelde drempelwaarde (toename van 500 m² aan verharding of meer). Wel dient al het verhard oppervlak in de toekomstige situatie gecompenseerd te worden op grond van het beleid van de gemeente, tegen een berging van 45mm/m² verhard oppervlak. De bergingsopgave die daaruit volgt is: 1027 m2 * 0,045 = 46,2 m³. Binnen eigen terrein zijn verschillende bergingvoorzieningen voorstelbaar. Binnen het eigen perceel is voldoende ruimte beschikbaar voor het aanleggen van een wadi. Onder de inrit en de parkeergelegenheid is ruimte voor het plaatsen van infiltratiekratten. Voor deze fase van de ontwikkeling bestaat er daarmee voldoende inzicht in de haalbaarheid van het plan. Een uitgewerkt plan met precieze vierkante meters verhard oppervlak is nog niet bekend. Een concrete uitwerking van de bergingsvoorzieningen zal daarom zijn uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen.

Riolering en peilhoogte

Voor de afvoer van afvalwater krijgt de nieuwe woning een eigen aansluiting naar de gemeentelijke riolering. Conform de gemeentelijke voorwaarde uit de eindbrief zal met het oog op de waterveiligheid de begane grond van de nieuwe woning minimaal 15 cm hoger komen te liggen dan het peil van de Burgemeester Moorenstraat.

Overig

Ten oosten van het plangebied ligt een A-watergang, zie ook navolgende kaartuitsnede van de leggerkaart van het waterschap. Aan weerszijden van deze watergang ligt een beschermingszone van 5 m breed. Een deel van de westelijke beschermingszone ligt binnen het plangebied. Op grond van de Waterschapsverordening geldt dat nieuwe obstakels binnen deze zone alleen zijn toegestaan als hiervoor een watervergunning is verleend. Deze vergunning wordt alleen verleend als wordt aangetoond dat het beheer en onderhoud van de watergang niet belemmerd wordt. Bij de uiteindelijke inrichting van het plangebied zullen de regels van de waterschapsverordening in acht worden genomen. Binnen het plangebied en in de directe omgeving is geen ander oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied ligt ook niet in een waterbeschermingszone of kering. Tijdens de bouw zullen geen uitloogbare materialen worden gebruikt om te voorkomen dat grondwater vervuild raakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0015.png" Uitsnede van de leggerkaart van waterschap Aa en Maas (bron: leggerkaart)

Watertoets

Er is een wateradvies opgevraagd bij waterschap Aa en Maas, zie bijlage 2. Daaruit blijkt dat de normale procedure van toepassing is. Het waterschap zal op de hoogte worden gehouden van voorliggende ontwikkeling.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.2 Activiteiten en milieuzonering

Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.

Planspecifiek

In de omgeving zijn geen bedrijven en/of inrichtingen actief. Ten aanzien van milieuzonering is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het bestaande- en nieuwe woonperceel. Met het wegbestemmen van de bestaande gemengde bestemming is bovendien voorkomen dat toekomstige bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied mogelijk hinder kunnen veroorzaken op bestaande woningen in de directe omgeving.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.3 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;
  • te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Planspecifiek

Vanwege de toekenning van een woonfunctie aan het plangebied en het voormalige gebruik van de locatie als agrarisch bedrijf, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3. Het onderzoek conform NEN 5725 en NEN 5740 is uitgevoerd om te kunnen bepalen of de bodemkwaliteit ter plaatse in lijn ligt met het beoogde gebruik. De belangrijkste conclusies van het onderzoek zijn dat uit de resultaten van het bodemonderzoek blijkt dat in de bovengrond een matige verontreiniging met minerale olie was aangetroffen. In een aanvullend onderzoek naar deze matige verontreiniging is deze verontreiniging niet meer aangetroffen. In de ondergrond en het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Ter plaatse van de verhardingslagen welke aangetroffen zijn op locatie is mogelijk nog een asbest verontreiniging aanwezig.

Ten aanzien van voorliggende onderbouwing etfal is de bodemkwaliteit daarmee in voldoende mate vastgelegd. Bij het vervolg van de ontwikkeling dient wel rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van asbest in de verhardingslagen ter plaatse van meetpunten 1 en 12. Bij herschikken of afvoer van deze verhardingslagen is een verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707 en/ of NEN 5897 nodig.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.4 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
  • het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.

Niet in betekenende mate (NIBM)

Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een initiatief de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een initiatief in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:

  • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
  • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
  • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Op plekken waar mensen relatief kort verblijven, als het gaat om arbeidsplaatsen (bedrijventerreinen en bedrijfswoningen) en op locaties waar mensen niet kunnen komen is toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het plangebiedis de receptor wegverkeer 17278718_18842634108324. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven. Hieruit blijkt dat de totale concentraties ruim onder de gestelde grenswaarden liggen. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2023 (µg/m3)   17,9 µg/m3   17,3 µg/m3   9,5 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De concentraties stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage van het initiatief

Het initiatief zorgt niet voor een noemenswaardige toename van het aantal verkeersbewegingen. Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, 1.500 woningen). Het initiatief draagt 'niet in betekenende mate bij' aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het plangebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.5 Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS).

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw   Standaardwaarde   Grenswaarde  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   2,0 ouE/m3   8,0 ouE/m3  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   3,0 ouE/m3   14,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   8,0 ouE/m3   20,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   14,0 ouE/m   35,0 ouE/m3  

Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.

Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden.

Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand).

(Afwijkende) omgevingswaarde – geurverordening

De gemeente Land van Cuijk ligt niet in een concentratiegebied. Een regel over geurbelasting door veehouderij in een gemeentelijke verordening (artikel 6, Wgv) wordt bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (artikel 4.6, lid 1 Invoeringswet Omgevingswet). In de gemeente Land van Cuijk is in een geurverordening aangegeven dat buiten de bebouwde kom een (afwijkende) waarde geldt van 14,0 ouE/m3 voor geurgevoelige objecten. Daarnaast is een (afwijkende) vaste afstand vastgesteld voor de gehele gemeente van 25 meter afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object.

Planspecifiek

In de omgeving van het plangebied liggen enkele agrarische bedrijven. De minimale afstand tussen de dichtstbij gelegen agrarische bouwvlakken en het plangebied bedraagt 350 m. Het betreffen zonder uitzondering locaties waar agrarische bedrijven met vaste afstandsdieren actief zijn. De minimaal aan te houden afstand bedraagt in dit geval 100 meter. Aan deze minimale afstandseis wordt ruimschoots voldaan. Er is geen sprake van geurhinder binnen het plangebied. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geur. Daarnaast kan op voorhand worden gesteld dat er geen veehouderijen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden door voorliggend initiatief.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.6 Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde, in dB.   Grenswaarde, in dB.  
Rijks- en provinciale wegen. In Lden   50   60  
Gemeente- en waterschapswegen. In Lden   53   70  
Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden   55   65  
Industrieterrein   Lden   50   55  
  Lnight   40   45  

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden:

  • op een aangewezen geluidgevoelig gebouw:
    • 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw
    • 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw
  • op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen
  • in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte.

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:

  • 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl);
  • 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl);
  • 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl);
  • 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl);
  • 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl);
  • 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).

De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. De omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing.

Geluidsaandachtsgebied   Breedte (m)  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder   100  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u   200  
Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken   350  
Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen   200  
Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen   350  

Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling

Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.

Planspecifiek

Het plangebied ligt aan de Burgemeester Moorenstraat. De maximumsnelheid van deze straat ter hoogte van het plangebied bedraagt 30 km/u. Direct ten oosten van het plangebied gaat deze weg over in een smalle ontsluitingsweg van één enkele woonlocatie iets verderop gelegen in het buitengebied. De weg wordt nauwelijks gebruikt. Op voorhand kan worden gesteld dat er geen sprake is van geluidshinder van wegverkeerlawaai door deze weg. Op ca 350 m ten zuiden van het plangebied ligt de provinciale N264, een tweebaansweg met een maximum snelheid van 80 km/u. Voor deze weg kan nog getoetst worden aan het kader uit de voormalige Weg geluidhinder. Er geldt een geluidzone van 250 m. Het plangebied ligt hier buiten. Er is geen sprake van geluidhinder ten aanzien van wegverkeerlawaai.

In de nabije omgeving zijn geen spoorwegen- en/of industrieterrein aanwezig die om aandacht vragen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.7 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario's brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.

Planspecifiek

Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de rode cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0016.png"

Uitsnede risicokaart waarbij het plangebiedrood omcirkeld (bron: atlasleefomgeving.nl).

Ten zuiden van het plangebied, op ca 430 m, is een mestvergistingsbedrijf gevestigd. Het betreft het bedrijf 'Van Creij Dairy', gevestigd aan de Lokkantseweg 5 in Haps. Er vinden bedrijfsactiviteiten plaats waarbij gevaarlijke stoffen worden gebruikt. Zoals zichtbaar op de kaart ligt het plangebied ruim buiten de plaatsgebonden risicocontour rondom het bedrijf. Het bedrijf zorgt niet voor veiligheidsrisico's voor de nieuwe woning. Op de risicokaart is te zien dat er in de omgeving van het plangebied verder geen risicobronnen aanwezig zijn. Hierdoor is een verdere verantwoording voor het individueel risico en het groepsrisico niet aan de orde.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.8 Gezondheid

Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden.

Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.


In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen.

Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen).

'De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0' (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling.

Planspecifiek

Onderstaand zijn de stappen van het Stappenplan 2.0 doorlopen:

  • 1. In de VGO-onderzoeken werd aangetoond dat omwonenden gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie afkomstig van veehouderijen. Aan de hand van het endotoxine toetsingskader 1.0 is beoordeeld in hoeverre het planvoornemen voldoet aan de endotoxine 'richtafstand' tussen een veehouderij en een gevoelige bestemming. Voor pluimveehouderijen is deze richtafstand 500 meter. Voor varkenshouderijen is de richtafstand 200 meter. Binnen deze afstanden zijn de genoemde veehouderijtypen niet aanwezig.
  • 2. Het plan betreft het realiseren van een woning. De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak.
  • 3. Qua geur wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan, waarbij er geen sprake is van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond en achtergrond), zie verder paragraaf 4.5. Er is binnen het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  • 4. Binnen de omliggende veehouderijen is geen sprake van het bedrijfsmatig houden van meerdere diersoorten.
  • 5. Er is met dit plan geen sprake van het realiseren van een nieuwe veehouderij. Binnen een afstand van 2 kilometer rondom het plangebied liggen geen geitenhouderijen en binnen een afstand van 1 kilometer geen pluimveehouderijen.
  • 6. Er is geen sprake van realisatie mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit.
  • 7. Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid.

Het stappenplan is hiermee doorlopen en aan alle stappen wordt voldaan. Er zijn vanuit het aspect gezondheid geen belemmeringen voor het plan. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.9 Gewasbeschermingsmiddelen

Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater (artikel 4.723d lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving), in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de ruimtelijke ordening word daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits dit gemotiveerd kan worden. Deze praktijk wordt onderschreven door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De volgende aandachtspunten zijn van belang:

  • 1. wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en wat zijn de geldende bestemming(en);
  • 2. wat is het huidige gebruik van de gronden / welke teelten vinden plaats;
  • 3. welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en welke spuitmethode wordt gebruikt;
  • 4. wat zijn de effecten van drift reducerende middelen (vaak hagen en bomenrijen);
  • 5. wat is de overheersende windrichting.


Met name bij boomgaarden en boomkwekerijen hebben gewasbeschermingsmiddelen invloed op het woon- en leefklimaat. Bij overige gewassen is het risico op aantasting van het woon- en leefklimaat beperkt.

Planspecifiek

Ten noordoosten van het plangebied liggen enkele agrarische percelen. Ten aanzien van de bestaande woning treden er geen veranderingen op. De afstand tussen woning en percelen verandert niet. De afstand tussen het woonperceel van de nieuwe woning en de agrarische percelen ten oosten van het plangebied bedraagt ca 45 m. Schuin tegenover het plangebied eindigt een agrarisch perceel. De afstand tussen het nieuwe woonperceel en dit agrarisch perceel bedraagt op het kortste punt ca 12 m. De beoogde nieuwe woning staat op minimaal 22 m afstand.

De relevante agrarische percelen zijn de afgelopen jaren in gebruik geweest als grasland en voor het telen van mais. Deze vormen van landgebruik worden zeer beperkt, laag en neerwaarts bespoten. Bovendien geldt een verplichte driftreductie van 75%. Eventuele drift zal daardoor beperkt zijn. Omzetting naar een andere teelt die intensiever en/of hoger bespoten wordt, zoals bollen-, boom- of fruitteelt, is gezien de geschiedenis van het gebied niet aannemelijk. Bovendien verandert er feitelijk niet veel. In de bestaande woning, die dichter op de relevante percelen is gelegen, wordt al jaren gewoond. Daar komt door het initiatief één woning op verdere afstand bij. De voortuinen van de bestaande en de toekomstige woningen zijn en worden ingericht als siertuin. Er is binnen deze projectgebieddelen geen sprake van langdurig verblijf van mensen. Een eventueel gezondheidsrisico kan gezien het voorgaande worden geaccepteerd.

 

Conclusie

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.10 M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit.

  • 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1.
  • 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen.
  • 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3.
    • a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.
    • b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de mer-(beoordelings)plicht.

Planspecifiek

Het onderhavige initiatief behelst de ontwikkeling van één nieuw woonperceel op een inbreidingslocatie in Haps. Dit valt niet onder een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit).

Staande jurisprudentie geeft namelijk aan dat woningbouw tot en met 11 woningen niet als stedelijk ontwikkelingsproject aangemerkt kan worden. Het opstellen van een mer-beoordelingsnotitie is daarom niet nodig. Er is ook geen sprake van een mer-plicht.

Hoofdstuk 5 Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Zorgvuldig ruimtegebruik

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m².

De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Planspecifiek

Het aantal te realiseren woningen bedraagt minder dan 12, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en een verdere toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.2 Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Planspecifiek

Cultuurhistorie en landschap

Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten aanwezig. Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2025 van de provincie blijkt dat een deel van het plangebied onderdeel uitmaakt van een cultuurhistorisch waardevol gebied, te weten 'Akkercomplex Haps'.

Voor dit akkercomplex geldt de strategie:

  • Behoud of ontwikkeling met behoud van waarden/kenmerken

Voor dit akkercomplex geldt de volgende algemene beschrijving:

  • De relatie tussen de terreingesteldheid en het bodemgebruik. De zichtrelaties met het dorp en met de korenmolen Maria. Het open akkercomplex met bolle ligging en het esdek. De steilranden en ander (micro)reliëf. De zandwegen. Het tracé van de spoorlijn Boxtel-Gennep

Voor dit akkercomplex geldt de volgende specifieke beschrijving:

  • Het gebied bestaat uit bouwland en grasland. De ruggen en laagten, min of meer oost-west georiënteerd, stammen uit het pleistoceen, toen de Maas hier stroomde. Het bodemgebruik hangt nauw samen met het reliëf. Er liggen twee oude akkercomplexen: de Laarakker en een akkercomplex ten zuiden ervan. Zij worden van elkaar gescheiden door lager gelegen graslanden waarin een zijbeek van de Laarakkersche Waterleiding stroomt. De Laarakker kent een lange bewoningsgeschiedenis: er zijn vondsten, bewoningssporen en begravingen uit de bronstijd en de ijzertijd aangetroffen. Het zuidelijke akkercomplex bevat hoge steilranden en enkele zandwegen. De akkers worden doorsneden door het tracé van de spoorlijn van Boxtel naar Gennep, dat een belangrijke internationale verbinding vormde. De akker is qua structuur en randen nog gaaf. Over de open akker lopen mooie zichtlijnen naar de historische kern van Haps.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.TAMBuHaBurgMoor63-VA01_0017.png"

Uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2025

Voorliggend initiatief draagt bij aan het versterken van Akkercomplex Haps. In de bestaande situatie ligt een deel van het bestaande bouwperceel binnen het waardevolle akkercomplex. Dit maakt de oprichting van bebouwing binnen het complex in de bestaande situatie mogelijk. Met voorliggend initiatief wordt de begrenzing van het bouwperceel noemenswaardig ingekort. De beoogde woonpercelen overschrijden het cultuurhistorisch waardevol gebied in de toekomstige situatie niet meer. In plaats daarvan wordt de functie Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden' opgenomen ter plaatse van het akkercomplex. De betreffende gronden blijven in gebruik als weide. Bebouwing is er niet meer toegestaan.

In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied 2010 is een functieaanduiding opgenomen ter bescherming van het akkercomplex (specifieke vorm van agrarisch met waarden - cultuurhistorisch waardevolle akker). Aan de functieaanduiding is bepaald dat voor verschillende soorten werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning is verplicht. Voorliggend initiatief voorziet niet in werken en werkzaamheden binnen het deel dat op voorgaande waardenkaart is aangemerkt als 'cultuurhistorisch waardevol gebied'. Om het akkercomplex ook in de toekomstige situatie te beschermen zal de functieaanduiding worden overgenomen binnen de functie 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - cultuurhistorisch waardevolle akker'.

De relatie tussen voorliggend initiatief en de houtwal ten zuiden van het plangebied is reeds behandeld in paragraaf 3.2.2. Geconcludeerd wordt dat voorliggend initiatief geen negatieve effecten heeft op deze houtwal.

Archeologie

De gemeente Land van Cuijk heeft in haar reactie op het principeverzoek (via de Eindbrief d.d. 15 februari 2024) aangegeven dat binnen het plangebied geen archeologische resten verwacht kunnen worden. Dit volgt uit verschillende booronderzoeken die in het verleden rondom het plangebied zijn uitgevoerd. Daarbij heeft het plangebied op de nieuwe archeologische verwachtingskaart enkel een verwachting voor archeologische resten in natte context. Hoewel deze aanwezig zouden kunnen zijn, is de kans dat deze worden verstoord in de toekomstige plannen, gering. Archeologisch onderzoek is niet nodig. De bestaande archeologische beschermingsregels blijven gelden op grond van het Omgevingsplan Land van Cuijk.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.3 Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een initiatief op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Planspecifiek

Mede vanwege de sloopactiviteiten is een Ecologische quickscan uitgevoerd, zie bijlage 4. De belangrijkste conclusies zijn verwerkt in voorliggende paragraaf.

Soortenbescherming

De woning en de te slopen bijgebouwen bieden geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied en er zijn geen aanvliegroutes aanwezig. De woning en de te slopen bijgebouwen bieden ook geen geschikte nest- of verblijfplaatsen voor jaarrond beschermde vogelsoorten. Verder zal rekening worden gehouden met de algemene zorgplicht. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kan worden voorkomen door de locatie buiten het broedseizoen bouwrijp te maken.

Leefgebied kwetsbare soorten

Binnen en in de directe omgeving van het plangebied liggen gronden met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - kwetsbare soorten'. Deze aanduiding is toegekend aan landbouwgronden en andere gronden waar zeldzame planten of dieren op voorkomen, die hoge eisen stellen aan de inrichting en het gebruik van hun omgeving. In Cuijk gaat het hierbij om onder andere reptielen, amfibieën en om bijzondere planten. Rust, beslotenheid, (eventueel) hoge waterpeilen en stabiliteit in de inrichting en het beheer van het gebied zijn belangrijke bestaansvoorwaarden voor deze dieren en planten. Uit de quickscan blijft dat er op voorhand geen negatieve effecten optreden op beschermde soorten als gevolg van het initiatief. In de bijbehorende regels van de functieaanduiding is bepaald dat een omgevingsvergunning is vereist voor het uitvoeren van verschillende werken en werkzaamheden, zoals het aanleggen of aanplanten van bos-, natuur- en landschapselementen of ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie. Daarvan is sprake bij voorliggend plan. De initiatiefnemers zullen hier bij de komende vergunningaanvraag op toezien.

Gebiedsbescherming

Gezien de aard, omvang en de afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Oeffelter Meent

op ca 5 kilometer afstand ten noordoosten van het plangebied, kunnen negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Ook ten aanzien van het aspect stikstof.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.4 Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan.

Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.

De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

Planspecifiek

Ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking zorgt voorliggend niet voor een noemenswaardige verandering. De Burgemeester Moorenstraat en aangrenzende wegen kunnen de verkeersbewegingen van één extra woning goed verwerken. Ten aanzien van parkeren beschikt de gemeente over een 'Nota Parkeernormen 2023 Land van Cuijk'. Daarin is opgenomen dat voor een vrijstaande woning binnen 'rest bebouwde kom' een parkeernorm geldt van 2,3 parkeerplaatsen per woning. De gemeente Land van Cuijk heeft daaropvolgend in de eindbrief als reactie op het principeverzoek aangegeven dat voor dit initiatief binnen eigen terrein 2 parkeerplaatsen per woning aanwezig dienen te zijn (individueel van elkaar te bereiken). Binnen eigen terrein is per woning meer dan voldoende ruimte aanwezig om minimaal twee auto's per woning te kunnen parkeren (zie ook paragraaf 2.2). De bestaande woning blijft ontsloten op de Burgemeester Moorenstraat via de bestaande inrit. De nieuwe woning krijgt een eigen inrit op de weg.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.5 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Planspecifiek

Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.

Wateroverlast

Uit de klimaateffectatlas blijkt dat bij het onderdeel wateroverlast er ter plaatse van het plangebied een toename van het aantal zeer natte dagen verwacht wordt. Gemiddeld neemt de jaarlijkse neerslag toe, echter neemt de hoeveelheid neerslag in de zomer naar verwachting af ten opzichte de huidige situatie. Er is een kleine toename in de kans dat veel en langdurige regenval leidt tot grondwateroverlast op het perceel door de lage grondwaterstand. Het plangebied blijft echter in de toekomstige situatie voor het grootste deel onverhard waardoor water in de bodem kan infiltreren.

Hittestress

Uit de klimaateffectatlas blijkt dat bij het onderdeel hittestress er binnen het plangebied meer tropische dagen en langere hitte verwacht kan worden. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoet de woning aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Daarbij zal het plangebied rondom de woningen zo groen mogelijk worden ingericht en met zo min mogelijk verharding, ter voorkoming van hittestress.

Droogte

De klimaateffectatlas laat wat betreft droogte zien dat in het plangebied een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De kans op natuurbranden bij langdurige droogte blijft in de toekomst gelijk aan de huidige situatie.


Overstroming

De klimaateffectatlas laat zien dat het plangebied op enige afstand tot de grote wateren van de Waal en de Maas ligt. Mochten ergens de dijken bezwijken dan is er slechts een kleine kans (1/300 tot 1/3.000 per jaar) dat het plangebied overstroomt.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

Hoofdstuk 6 Conclusie

Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende:

“Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • 4. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
  • 5. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.”

De Memorie van toelichting licht dit verder toe:

Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving. Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen.

Om een plan te kunnen vergunnen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en weging – van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn.

In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit project sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit project en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4.

Planspecifiek

Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 7 Juridische planbeschrijving

7.1 Inleiding

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

7.2 Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:

  • Preambule;
  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2: Functies en activiteiten;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels;
  • Hoofdstuk 3: Overgangsregels.

7.3 Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22r] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22r] van het omgevingsplan Land van Cuijk. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven.

Er is een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. Overige regels blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen.

7.4 Beschrijving per functie

Onderhavig initiatief kent de volgende functies:

Wonen

Deze functie is opgenomen ter plaatse van de twee beoogde woonpercelen. De functie Wonen is aan de zuidkant afgerond op basis van de begrenzing van het 'stedelijk gebied' uit de Provinciale omgevingsverordening. Voor de bestaande en nieuwe woning is een bouwvlak opgenomen. Voor de nieuwe woning geldt dat deze dient te worden uitgevoerd als levensloopbestendige woning.

De regels van de functie Wonen zijn in de basis gebaseerd op de onderliggende regels van de bestemming Wonen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' en de daaropvolgende herzieningen. De regels zijn daar waar van toepassing aangepast om recht te doen aan het ontwikkelingsrichting karakter van voorliggend plan.

Agrarisch met waarden - Natuur en Landschapswaarden

De functie is toegekend aan de bestaande weide. Gebouwen zijn niet toegestaan binnen deze functie.

Verkeer 

Deze functie is toegekend aan de uiterste noordkant van het plangebied. Het zijn de gronden die onderdeel uitmaken van het openbaar gebied en in de bestaande en toekomstige situatie in gebruik zijn als weg.

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5

Deze regels zijn integraal verwerkt in de huidige versie van het Omgevingsplan Land van Cuijk.

De regels uit het onderliggende bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' en de daaropvolgende herzieningen zijn daarom niet overgenomen in voorliggend plan.

Dubbelbestemming Leiding - Riool

Deze regels zijn overgenomen uit de bestaande dubbelbestemming uit het onderliggende bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' en de daaropvolgende herzieningen.

Hoofdstuk 3

In dit hoofdstuk zijn de van toepassing zijnde algemene regels overgenomen uit het onderliggende bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' en de daaropvolgende herzieningen. De volgende aanduidingen zijn niet van betekenis voor het initiatief en zijn daarom niet overgenomen:

  • overige zone - teelondersteunende kassen toegestaan;
  • overige zone - beperkingen veehouderij;
  • overige zone - accentgebied boom- en vaste plantenteelt.

Hoofdstuk 8 Overige aspecten

Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

8.1 Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden

Planspecifiek

Voor het initiatief brengt de initiatiefnemer de direct belanghebbenden in de omgeving op de hoogte. Hierover zal een verslag worden opgesteld en worden voorgelegd aan de gemeente Land van Cuijk. De belangrijkste uitkomsten van het participatietraject komen aan bod in voorliggende paragraaf.

Zienswijzeperiode

Het ontwerp TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Buitengebied Haps, Burgemeester Moorenstraat 63, woningbouw heeft gedurende een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen op het plan ingediend.

8.2 Kostenverhaal

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.

Tevens zal een overeenkomst betreffende nadeelcompensatie worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

8.3 Vooroverleg

In het kader van bestuurlijk vooroverleg wordt in voorliggende paragraaf verslag gedaan over de belangrijkste uitkomsten van overleg met de relevante instanties.