Artikel 1 Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
1.1 plan
het bestemmingsplan 'Wanroij, Korenveld' met identificatienummer NL.IMRO.1982.BPWaKorenveld-VA01 van de gemeente Land van Cuijk.
1.2 bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij horende bijlagen.
1.3 aan huis verbonden bedrijf
een bedrijf dat in of bij (een gedeelte van) een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door de gebruiker van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.4 aan huis verbonden beroep
een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de gebruiker van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft in of bij de woning die met de woonfunctie in overeenstemming is waarbij beperkte detailhandel via internet mede is toegestaan.
1.5 aanbouw
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat qua vorm, ligging en omvang ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
1.6 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.7 aaneengebouwde woning
een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van meer dan twee aaneengebouwde woningen, niet zijnde een gestapelde woning;
1.8 archeologisch deskundige
een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie.
1.9 archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met het voorkomen van archeologische relicten.
1.10 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
1.11 bed en breakfast
een kleinschalige vorm van logiesaccommodatie waarbij één of meerdere gastenkamers aanwezig zijn en waarbij de gastenkamers geen eigen kookgelegenheid hebben en waarbij de gasten een door de ondernemer bereid ontbijt kunnen nuttigen.
1.12 bestaand
- bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van de inwerkingtreding van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
- bij gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het moment van de inwerkingtreding van het plan.
1.13 bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak.
1.14 bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.15 bijgebouw
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat qua vorm, ligging en omvang ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
1.16 bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.
1.17 bodemingreep
grondwerkzaamheden, waartoe onder meer worden gerekend:
- het afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen en diepwoelen van grond;
- het indrijven van voorwerpen in de grond zoals heipalen, damwanden, boor- en pompputten;
- waterhuishoudkundige ingrepen zoals het aanbrengen van onderbemaling;
- het aanleggen van dammen en stuwen en het aanbrengen van oeverbeschoeiing;
- het aanleggen, dempen of wijzigen (zoals het verbreden, verdiepen, wijzigen van oevers en profiel) van sloten, greppels, watergangen en overige waterpartijen;
- het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
- het rooien van diepwortelende beplantingen voor zover daarbij stobben worden verwijderd;
- het omzetten van gras of akkerland in een teelt waarbij bouwvolume wordt afgevoerd, waaronder boomteelt, graszodenteelt en siergewassenteelt;
- het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
- het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 0,5 m bedraagt;
- het slopen van gebouwen en verwijderingen van funderingen, waarbij grondroering plaats vindt;
- het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
- het aanleggen van drainagestelsel en beregeningsinstallatie.
1.18 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
1.19 bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.
1.20 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
1.21 bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel.
1.22 bouwperceelgrens, voorste
de naar het openbaar gebied gerichte bouwperceelgrens of, indien meerdere bouwperceelgrenzen naar een openbaar toegankelijk gebied gericht zijn, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen bouwperceelgrens.
1.23 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
1.24 bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
1.25 carport
een overkapping bestemd voor het overdekt stallen van motorvoertuigen.
1.26 dakkapel
een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.
1.27 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren, voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
1.28 dienstverlening
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren en bankfilialen.
1.29 eerste bouwlaag
de bouwlaag op de begane grond.
1.30 evenementen
alle voor publiek toegankelijke verrichtingen van vermaak, waaronder herdenkingsplechtigheden, braderieën, optochten op de weg, feesten, muziekvoorstellingen of wedstrijden op of aan de weg en kleine evenementen waaronder straatfeesten of buurtbarbecues op één dag begrepen.
1.31 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.32 gebruiken
gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven.
1.33 gestapelde woning
boven dan wel beneden en/of naast elkaar gesitueerde woningen waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid, al dan niet direct vanaf het voetgangersniveau, gewaarborgd is.
1.34 grondgebonden woning
een woning die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau.
1.35 hoofdgebouw
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkste is.
1.36 huishouden
een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzaame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren.
1.37 kap
een constructie van één of meer dakvlakken met een helling van meer dan 30° en minder dan 65° niet zijnde een lessenaarsdak.
1.38 levensloopbestendige woning
een woning welke geschikt is voor bewoning in alle levensfasen, dus welke ook rolstoeltoegankelijk is voor mensen met een lichamelijke beperking, waarbij alle primaire leefruimten (woonkamer, keuken, slaapkamer en badkamer met toilet) zich op de begane grond moeten bevinden en waarbij deze leefruimten zowel inpandig als vanuit het aansluitende terrein drempelvrij toegankelijk zijn.
1.39 nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
1.40 overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
1.41 overkapping
een bouwwerk op het erf van een gebouw, dat strekt tot vergroting van het woongenot van het gebouw. Daarbij geldt dat, indien vóór dan wel achter het (verlengde van) de voorgevel van een gebouw wordt gebouwd, het volgende:
- vóór: het moet een open constructie zijn;
- achter: maximaal drie wanden waarvan maximaal twee tot de constructie behoren.
1.42 pand
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.
1.43 seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
1.44 supermarkt
detailhandelsbedrijf met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 500 m2 en een grote verscheidenheid aan artikelen, merendeels levensmiddelen, waarbij sprake is van zelfbediening door de klanten.
1.45 uitbouw
een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat qua vorm, ligging en omvang ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
1.46 voorgevel
de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel van een gebouw of, indien meerdere gevels naar het openbaar toegankelijk gebied gericht zijn, de als zodanig door het bevoegd gezag aan te wijzen gevel.
1.47 voorgevelrooilijn
de denkbeeldige lijn over het perceel strak langs de voorgevel van een gebouw tot aan de zijdelingse perceelgrenzen die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze regels toegelaten afwijkingen.
1.48 waterhuishoudkundige voorzieningen
al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen, alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen en inlaten.
1.49 wonen
het bewonen van een woning.
1.50 woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
1.51 zij- en achtererf
- het zijerf wordt vormgegeven door de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.
- het achtererf wordt vormgegeven door de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan.
1.52 zijdelingse (bouw)perceelgrens
een niet naar een weg of openbaar gebied gekeerde grens van een bouwperceel.
1.53 zorgwoning
een woning die gekoppeld is aan een zorgfunctie ten behoeve van de bewoner(s) met een geïndiceerde zorgbehoefte.
Artikel 2 Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1 De dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
2.2 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
2.3 De inhoud van een bouwwerk
- Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
- Bij het berekenen van de blijkens de digitale verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen.
2.4 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
2.5 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
2.6 Afstand tot de bouwperceelsgrens
Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
2.7 Afstand tussen gebouwen
Tussen een bepaald punt van het ene bouwwerk en een bepaald punt van het andere bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
2.8 Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
2.9 Ondergrondse (verticale) bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf het peil tot de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk.
2.10 Peil
- ter plaatse van een gebouw waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
- indien in het water wordt gewerkt: de hoogte van de waterbodem;
- in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende terrein.
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
- groenvoorzieningen, bermen en beplanting;
- water, waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
- nutsvoorzieningen;
- (fiets)paden, speelvoorzieningen, straatmeubilair en ontmoetingsvoorzieningen voor specifieke groepen mensen, water en evenementen;
- ter plekke van de aanduiding 'langzaam verkeer' tevens een ontsluiting voor langzaamverkeer en calamiteiten;
- ter plekke van de aanduiding 'ontsluiting' een ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer;
met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, werken en werkzaamheden, wegen, fietsenstallingen en tuinen en erven.
3.2.1 Gebouwen
Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen voor het openbare nut en ontmoetingsvoorzieningen tot maximaal 50 m2 en tot maximaal 4 m hoog;
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt:
- maximaal 8 m voor speelvoorzieningen;
- maximaal 10 m voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer;
- maximaal 6 m voor overige bouwwerken;
4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen - 2 ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
- groenvoorzieningen ten behoeve van de landschappelijke inpassing;
en de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, werken en werkzaamheden.
4.2.1 Gebouwen
Gebouwen zijn niet toegestaan.
4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Er zijn geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, met uitzondering van een voor 90% transparante erfafscheiding met een bouwhoogte van maximaal 2 meter als onderdeel van de landschappelijke inpassing van het woongebied.
4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.3.1 Vergunningplichtige werken en/of werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:
- het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
- het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas tot gevolg kan hebben, behoudens bij wijze van verzorging;
4.3.2 Uitzondering
Het verbod als bedoeld in
artikel 4.3.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden:
- die het normale onderhoud en beheer betreffen;
- welke op het tijdstip waarop het plan in werking treedt, in uitvoering zijn;
- die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
4.3.3 Afwegingskader
Een vergunning als bedoeld in
artikel 4.3.1 wordt slechts verleend indien:
- de waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
- de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind.
5.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
- de afwikkeling van het verkeer met bijbehorende verblijfsruimte;
- wandel- en fietspaden, parkeer-, groen-, speelvoorzieningen en ontmoetingsvoorzieningen voor specifieke groepen mensen zoals jongeren, evenementen en straatmeubilair;
- waterhuishoudkundige doeleinden, waterbergingen en waterlopen;
- evenementen;
en de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, werken en werkzaamheden.
5.2.1 Gebouwen
Gebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:
- gebouwen voor het openbare nut en ontmoetingsvoorzieningen tot maximaal 50 m² en tot maximaal 4 m hoog.
5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt:
- maximaal 8 m voor speelvoorzieningen;
- maximaal 10 m voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer;
- maximaal 6 m voor overige bouwwerken.
6.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
- water, waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
- (fiets)paden en wegen;
- ter plekke van de aanduiding 'ontsluiting' een ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer;
met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers en werken en werkzaamheden.
6.2.1 Gebouwen
Gebouwen zijn niet toegestaan.
6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt:
- maximaal 5 m voor bruggen en viaducten;
- maximaal 6 m voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer;
- maximaal 6 m voor overige bouwwerken.
7.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
- wonen, met dien verstande dat binnen het plangebied maximaal 82 woningen zijn toegestaan;
- zorgwoningen, met dien verstande dat binnen het plangebied maximaal 10 zorgwoningen zijn toegestaan, met de bijbehorende zorgvoorzieningen, zoals een huiskamer, kantoor en slaapwacht, tot een maximum van 50 m2;
- ten hoogste 92 (zorg)woningen binnen het plangebied;
met daaraan ondergeschikt:
een beroep of bedrijf aan huis met dien verstande dat:
- de omvang niet groter mag zijn dan 30% van de vloeroppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een maximum van in totaal 60 m2;
- degene die de activiteiten uitvoert, bewoner is van de woning;
- detailhandel niet is toegestaan, uitgezonderd beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de activiteit.
- tuinen en erven;
- groenvoorzieningen;
- wegen, paden en parkeervoorzieningen;
- boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen;
en de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, werken en werkzaamheden.
7.2.1 Algemeen
- gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden;
- voor alle grondgebonden woningen, met uitzondering van levensloopbestendige woningen, geldt dat achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw een aaneengesloten onbebouwde buitenruimte van minimaal 30 m2 aanwezig moet zijn;
- voor levensloopbestendige woningen geldt dat achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw een aaneengesloten onbebouwde buitenruimte van minimaal 25 m2 aanwezig moet zijn.
7.2.2 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
- ter plekke van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' zijn grondgebonden woningen, gestapelde woningen en niet zelfstandig bewoonbare zorgwoningen toegestaan;
- ter plekke van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' zijn uitsluitend grondgebonden woningen toegestaan;
- ter plekke van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3' zijn twee-onder-een-kap, geschakelde en vrijstaande woningen toegestaan;
de diepte van het hoofdgebouw bedraagt in de categorie:
- vrijstaand: maximaal 15 meter;
- twee-aaneen: maximaal 12 meter;
- aaneengebouwd: maximaal 12 meter;
- voor alle grondgebonden woningen, met uitzondering van levensloopbestendige woningen, geldt dat de afstand van de achterzijde van het hoofdgebouw tot de achterste perceelgrens ten minste 8 meter dient te bedragen;
- voor levensloopbestendige woningen geldt dat de afstand van de achterzijde van het hoofdgebouw tot de achterste perceelgrens ten minste 5 meter dient te bedragen;
- de afstand van de voorgevelrooilijn tot de voorste bouwperceelgrens bedraagt;
- bij vrijstaande woningen minimaal 3 meter;
- bij twee-onder-een-kapwoningen minimaal 3 meter;
- bij geschakelde woningen minimaal 2 meter;
- bij aaneengebouwde woningen minimaal 2 meter;
- bij levensloopbestendige woningen minimaal 1,5 meter;
- bij gestapelde woningen minimaal 2 meter.
de afstand tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt:
- bij vrijstaande woningen minimaal 3 meter aan beide zijden of de bestaande afstand tot de zijdelingse perceelgrens indien deze afstand kleiner is dan 3 meter;
- bij twee-aaneen gebouwde woningen minimaal 3 meter aan één zijde;
- voor de overige woningtypen geldt geen minimale afstand tot de zijdelingse perceelgrens.
de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt in de categorie:
- woningen met een plat dak maximaal 3,5 meter bouwhoogte;
- woningen met een kap maximaal 6,5 meter goothoogte en maximaal 11 meter bouwhoogte;
- ter plekke van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' geldt voor gestapelde woningen een maximale bouwhoogte van 13,5 meter;
- ter plekke van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering' geldt een maximale goothoogte van 6,5 meter en maximale bouwhoogte van 11 meter.
7.2.3 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
Aan- en uit- en bijgebouwen en overkappingen mogen worden gebouwd en voldoen aan de volgende kenmerken:
- goothoogte maximaal 3,5 m, met dien verstande dat bij het uitbouwen van / aanbouwen aan een hoofdgebouw de goothoogte in elk geval ook net zo hoog mag zijn als de hoogte van de eerste bouwlaag +40 cm;
bouwhoogte maximaal 5,5 m, met dien verstande dat:
- tot 1 m uit de perceelsgrens de maximale bouwhoogte maximaal 3,5 m bedraagt, en:
- tot 2 m uit de perceelsgrens de maximale bouwhoogte maximaal 4,5 m bedraagt;
minimaal 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, met dien verstande dat:
aanbouwen (zoals erkers) tot (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, mits de:
- bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt;
- horizontale diepte maximaal 1,5 m bedraagt;
Indien de erker voor de voorgevel wordt gebouwd geldt dat:
- ligging voor de voorgevel maximaal 1,5 m bedraagt;
- ligging uit de voorste perceelsgrens minimaal 2 m bedraagt;
- breedte niet groter is dan 2/3 van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw;
- bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt.
- overkappingen (zoals carports) tot (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, mits de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt;
gebouwd op het zij- en achtererf waarbij het bouwperceel voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd en waarbij geldt dat het te bebouwen oppervlak op een bouwperceel:
- wat kleiner is dan of gelijk is aan 500 m2 maximaal 90 m2 mag zijn;
- wat groter is dan 500 m2 maar kleiner of gelijk aan 1.000 m2 maximaal 125 m2 mag zijn;
- wat groter is dan 1.000 m2 maximaal 150 m2 mag zijn.
7.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt:
- bij erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 2 m en voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1;
- bij overige bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal 3 m;
- bij vlaggenmasten maximaal 6 m;
- reclame-uitingen bij een beroep aan huis en een bedrijf aan huis mogen uitsluitend aan de gevel worden geplaatst tot een oppervlakte van 0,2 m2.
7.3 Afwijken van de bouwregels
7.3.1 Afwijken
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 7.2.2:
- ten behoeve van het toestaan van een hogere goot- en/of bouwhoogte tot maximaal 9 m respectievelijk 13 m;
7.3.2 Voorwaarden voor afwijken
- de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
- het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad;
- door initiatiefnemer een zekerheidstelling is afgegeven met betrekking tot de (plan)kosten;
- de afwijking voorzien wordt van een ruimtelijke motivatie.
7.3.3 Voorwaardelijke verplichting geluid
In aanvulling op het bepaalde in
artikel 7.2.1 is het ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - geluid' alleen toegestaan om woningen te bouwen, te gebruiken en in stand te houden onder de voorwaardelijke verplichting dat vooraf wordt aangetoond dat voldaan wordt aan het wettelijk geldende geluidsniveau in de geluidgevoelige verblijfsruimten van de woning. Dit met inachtneming van de eisen, zoals gesteld in het besluit hogere waarde, zoals opgenomen in bijlage 1 van de
bijlagen bij de regels.
7.4 Specifieke gebruiksregels
7.4.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inrichting
7.4.1.1 Voorwaardelijke verplichting
Het gebruik voor wonen van de in de aanduiding 'bouwvlak' nieuw te realiseren woningen en de bijbehorende gebouwen is alleen toegestaan onder de volgende voorwaarden:
- voor woningen gelegen buiten de gebiedsaanduiding 'milieuzone - geurzone' geldt dat de landschappelijke inpassing, voor zover gelegen binnen bestemming 'Groen - 2' ter plekke van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing - 1', overeenkomstig de uitgangspunten voor de groenstructuur zoals opgenomen in het als bijlage 2 bij de bijlagen bij de regels opgenomen stedenbouwkundig plan, binnen 24 maanden na het verlenen van de omgevingsvergunning voor de bouw van de eerste nieuwe woning is gerealiseerd en in stand wordt gehouden;
- voor woningen gelegen binnen de gebiedsaanduiding 'milieuzone - geurzone' geldt dat de landschappelijke inpassing, voor zover gelegen binnen de bestemming Groen - 2' ter plekke van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing - 2', overeenkomstig de uitgangspunten voor de groenstructuur zoals opgenomen in het als bijlage 2 bij de bijlagen bij de regels opgenomen stedenbouwkundig plan, binnen 24 maanden na het verlenen van de omgevingsvergunning voor de bouw van de eerste nieuwe woning binnen deze gebiedsaanduiding is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
7.4.1.2 Afwijken
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 7.4.1.1 voor zover wordt voorzien in een goede alternatieve landschappelijke inpassing, in overeenstemming met een door burgemeester en wethouders vastgesteld inrichtingsplan dat voldoet aan de uitgangspunten en randvoorwaarden, zoals opgenomen in het als bijlage 2 bij de
bijlagen bij de regels opgenomen stedenbouwkundig plan.
7.4.2 Voorwaardelijke verplichting milieuzone - geurzone
Op de gronden met de gebiedsaanduiding '
milieuzone - geurzone' (artikel 14.1) is het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen en bijbehorende bouwwerken én het gebruik van de gronden voor wonen alleen toegestaan onder de volgende voorwaarden:
- uit een onderzoek blijkt dat de geurcontour van het agrarisch bedrijf wordt verminderd dan wel opgeheven na een wijziging of intrekking van de melding Activiteitenbesluit;
- dit niet leidt tot een onevenredige belemmering van omliggende (agrarische) bedrijfsactiviteiten.
7.4.3 Voorwaardelijke verplichting inrichtingsplan
Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van de in de aanduiding 'bouwvlak' toegestane woningen en de bijbehorende bouwwerken is alleen toegestaan onder de voorwaarde dat door burgemeester en wethouders een inrichtingsplan voor de openbare ruimte is vastgesteld, dat voldoet aan de uitgangspunten en randvoorwaarden, zoals opgenomen in het als bijlage 2 bij de
bijlagen bij de regels opgenomen stedenbouwkundig plan.
7.5 Afwijken van de gebruiksregels
7.5.1 Afwijken
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in
artikel 7.1:
- ten behoeve van het toestaan van een aan huis verbonden beroep tot een omvang die groter is dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning inclusief aan-, uit- en bijgebouwen met een maximum van in totaal 100 m2.
ten behoeve van het toestaan van een aan huis verbonden bedrijf, detailhandel of dienstverlening van ondergeschikte aard, mits:
- het geen volumineuze detailhandel of een supermarkt betreft;
- het een bedrijf betreft dat qua aard past in de functie van de kern;
- de omvang niet groter is dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning inclusief aan- uit- en bijgebouwen met een maximum van in totaal 100 m2;
- diegene die de activiteiten uitvoert, de bewoner van de woning is.
ten behoeve van het toestaan van een bed en breakfast in een gedeelte van een hoofdgebouw en/of een uit-, aan- of (vrijstaand) bijgebouw mits:
- het aantal gastenkamers maximaal 3 bedraagt;
- niet meer dan 50% van het vloeroppervlakte van de woning wordt gebruikt ten dienste
- van de bed en breakfast tot een maximum van 120 m².
7.5.2 Voorwaarden voor afwijken
- de belangen van de eigenaren en/of gebruik van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
- het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad;
- door initiatiefnemer een zekerheidstelling is afgegeven met betrekking tot de (plan)kosten;
- de afwijking voorzien wordt van een ruimtelijke motivatie.
Artikel 8 Waarde - Archeologie 1
8.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de vastgestelde en verwachte zeer hoge archeologische waarden.
8.2 Bouwregels
In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mogen binnen deze bestemming uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd:
- ter vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, met dien verstande dat nieuwe kelders niet zijn toegestaan; of
- binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; of
- die een bodemverstoring veroorzaken van minder dan 5% van het totale oppervlak van de bodemingreep;of
- die niet groter zijn dan 100 m2 en dieper dan 0,5 m; of
- ten behoeve van archeologisch onderzoek, waarbij de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt;
- die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;
- die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning.
8.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn die behouden en beschermd moeten worden, waarbij de nadere eisen erop zijn gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.
8.4 Afwijken van de bouwregels
8.4.1 Afwijken
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in
artikel 8.2 voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde mits:
- dit in overeenstemming is met de andere daar voorkomende bestemming; en
- met een archeologisch onderzoek is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
8.4.2 Voorwaarden voor afwijken
- de aanvrager een rapport heeft overlegd van een deskundige waarin de archeologische waarden van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld, tenzij:
- naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld; of
- is aangetoond dat de verstoringsdiepte van de bouwactiviteit minder diep reikt dan de Laatmiddeleeuwse en moderne bouwvoor (akkerdek).
- genoegzaam blijk dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
- genoegzaam blijkt dat de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad;
- genoegzaam blijkt dat de verstoringsdiepte minder diep reikt dan het akkerdek; met dien verstande dat:
- schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
- het bevoegd gezag schriftelijk advies kan inwinnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door de bouwactiviteiten geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.5.1 Verbod
- Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bodemingreep uit te voeren of te laten uitvoeren groter dan 100 m2 en dieper dan 0,5 m.
8.5.2 Uitzondering
Het verbod als bedoeld in
artikel 8.5.1 is niet van toepassing, indien de werkzaamheden of werken:
- worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk als bedoeld in artikel 8.2;
- worden uitgevoerd binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
- het normale onderhoud en beheer betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen, beplantingen en binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
- het normale agrarisch gebruik betreffen, waaronder grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik, mits de bodem tot niet dieper dan 0,5 m wordt geroerd;
- reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;
- mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
- ten dienste staan van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
- een bodemverstoring veroorzaken van minder dan 5% van het totale oppervlak van de bodemingreep;
- vooraf zijn gemeld bij het bevoegd gezag, voorzien van een overeenkomstig de eisen van het bevoegd gezag uitgevoerd onafhankelijk onderzoek waaruit blijkt dat de verstoringsdiepte van de werkzaamheden of werken minder diep reikt dan de diepte van het akkerdek;
- vooraf zijn gemeld bij het bevoegd gezag, voorzien van schriftelijk bewijs dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte.
8.5.3 Voorwaarden omgevingsvergunning
Het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 8.5.1 kan slechts mits:
- de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport overlegt waarin de archeologische waarden van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld;
- uit het rapport als bedoeld onder a. genoegzaam blijkt dat:
- er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
- de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad;
- schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
8.5.4 Advies archeologisch deskundige
Het bevoegd gezag kan bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 8.5.1 schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door de werkzaamheden of werken geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Artikel 9 Waarde - Archeologie 2
9.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de vastgestelde en verwachte hoge archeologische waarden.
9.2 Bouwregels
In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mogen binnen deze bestemming uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd:
- ter vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, met dien verstande dat nieuwe kelders niet zijn toegestaan; of
- binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; of
- die een bodemverstoring veroorzaken van minder dan 5% van het totale oppervlak van de bodemingreep; of
- die niet groter zijn dan 250 m2 en dieper dan 0,5 m; of
- ten behoeve van archeologisch onderzoek, waarbij de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt;
- die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;
- die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning.
9.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn die behouden en beschermd moeten worden, waarbij de nadere eisen erop zijn gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.
9.4 Afwijken van de bouwregels
9.4.1 Afwijken
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in
artikel 9.2 voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde mits:
- dit in overeenstemming is met de andere daar voorkomende bestemming; en
- met een archeologisch onderzoek is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
9.4.2 Voorwaarden voor afwijken
de aanvrager een rapport heeft overlegd van een deskundige waarin de archeologische waarden van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld, tenzij:
- naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld; of
- is aangetoond dat de verstoringsdiepte van de bouwactiviteit minder diep reikt dan de Laatmiddeleeuwse en moderne bouwvoor (akkerdek).
- genoegzaam blijk dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
- genoegzaam blijkt dat de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad;
genoegzaam blijkt dat de verstoringsdiepte minder diep reikt dan het akkerdek; met dien verstande dat:
- schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
- het bevoegd gezag schriftelijk advies kan inwinnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door de bouwactiviteiten geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.5.1 Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bodemingreep uit te voeren of te laten uitvoeren voor bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 0,5 m.
9.5.2 Uitzondering
Het verbod als bedoeld in
artikel 9.5.1 is niet van toepassing, indien de werkzaamheden of werken:
- worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk als bedoeld in artikel 9.2;
- worden uitgevoerd binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
- het normale onderhoud en beheer betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen, beplantingen en binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
- het normale agrarisch gebruik betreffen, waaronder grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik, mits de bodem tot niet dieper dan 0,5 m wordt geroerd;
- reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;
- mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
- ten dienste staan van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
- een bodemverstoring veroorzaken van minder dan 5% van het totale oppervlak van de bodemingreep;
- vooraf zijn gemeld bij het bevoegd gezag, voorzien van een overeenkomstig de eisen van het bevoegd gezag uitgevoerd onafhankelijk onderzoek waaruit blijkt dat de verstoringsdiepte van de werkzaamheden of werken minder diep reikt dan de diepte van het akkerdek;
- vooraf zijn gemeld bij het bevoegd gezag, voorzien van schriftelijk bewijs dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte.
9.5.3 Voorwaarden omgevingsvergunning
Het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 9.5.1 kan slechts mits:
- de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport overlegt waarin de archeologische waarden van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld;
uit het rapport als bedoeld onder a. genoegzaam blijkt dat:
- er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
- de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad;
- schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
9.5.4 Advies archeologisch deskundige
Het bevoegd gezag kan bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 9.5.1 schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door de werkzaamheden of werken geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Artikel 10 Waterstaat - Beschermingszone waterlopen
10.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterstaat - Beschermingszone waterlopen' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de waterloop en/of voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
10.2 Bouwregels
Op de voor 'Waterstaat - Beschermingszone waterlopen' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de genoemde bestemming worden opgericht.
10.3 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone waterlopen' van de verbeelding verwijderen indien uit overleg met de waterbeheerder blijkt dat de bescherming overbodig is geworden.
Artikel 11 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 12 Algemene bouwregels
12.1 Algemene bepaling m.b.t. ondergronds bouwen
12.1.1 Ondergrondse werken
Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.
12.1.2 Ondergrondse bouwwerken
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels:
- Het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m².
In aanvulling op het bepaalde onder sub a is bij woningen maximaal 1 zwembad toegestaan onder de volgende voorwaarden:
het zwembad dient te worden gebouwd:
- binnen een bouwperceel waarbinnen een woning is gelegen;
- achter de achtergevel of het verlengde daarvan en op een afstand van ten minste 3 meter van de zijdelingse en achterste perceelsgrens.
- het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regeling voor bijbehorende bouwwerken in de afzonderlijke artikelen in acht wordt genomen;
- het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut;
- de oppervlakte van het zwembad bedraagt maximaal 30 m²;
- De ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 5 meter onder peil.
12.2 Ontbreken van maatvoeringsaanduidingen
In die gevallen dat op de verbeelding en/of in deze regels een maatvoeringsaanduiding ontbreekt gelden de maatvoeringen van de bestaande bouwwerken, voor zover deze in overeenstemming met het bepaalde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen, zoals aanwezig op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan, waarbij voor het bebouwingspercentage geldt dat dit met 10% mag toenemen ten opzichte van de aanwezige bebouwing.
Artikel 13 Algemene gebruiksregels
13.1 Strijdig gebruik
Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor en/of als:
- een seksinrichting of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
- een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
- straatprostitutie;
- het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens;
- als opslag-, stort-, lozing- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voorwerpen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;
- het realiseren van nieuwe woningen tenzij dat in de regels nadrukkelijk is toegestaan.
13.2 Bestaand gebruik
Indien bestaande en legale nevenactiviteiten afwijken van de regels van dit bestemmingsplan, worden deze als toelaatbaar beschouwd.
Artikel 14 Algemene aanduidingsregels
14.1 Milieuzone - geurzone
Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - geurzone' zijn geen geurgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij toegestaan, tenzij zich een situatie voordoet als bedoeld in
artikel 7.4.2, waarbij de geurcontour van het agrarisch bedrijf wordt verminderd dan wel opgeheven na een wijziging of intrekking van de melding Activiteitenbesluit.
Artikel 15 Algemene afwijkingsregels
15.1 Algemeen
Het bevoegd gezag kan met inachtneming van het bepaalde in
artikel 17.2 bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels en de verbeelding en toestaan dat:
- maximaal 10% wordt afgeweken van de gegeven maatvoering en percentages;
- gebouwen buiten het bouwvlak worden gebouwd, onder voorwaarde dat:
- de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer bij geluidsgevoelige gebouwen niet hoger is dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde;
- het gebouw geheel binnen het bestemmingsvlak moet worden gebouwd;
- het gezamenlijke oppervlak van de gebouwen maximaal gelijk is aan het oppervlak van het bouwvlak vermeerderd met 10%;
- het gebouw maximaal 3 m buiten het bouwvlak mag worden gebouwd;
- de stedenbouwkundige structuur in acht wordt genomen;
- de bestemmingsgrenzen of het bestemmingsvlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft, waarbij geldt dat de natuurlijke, landschappelijke, hydrologische en archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast;
- gebouwen van openbaar nut worden gebouwd, zoals openbare nutsgebouwen, wachthuizen voor het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwen voor de bediening van waterhuishoudkundige voorzieningen, toiletgebouwen, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwen, onder voorwaarde dat:
- de inhoud per gebouw niet meer mag bedragen dan 50 m3;
- de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3,5 m;
- het verhogen van de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde:
- ten behoeve van kunstwerken (zoals beelden etc.) geen gebouwen zijnde, tot maximaal 20 m;
- ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m.
Artikel 16 Algemene wijzigingsregels
16.1 Algemene wijzigingsbevoegdheden
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen en/of bouwvlakken te wijzigen met inachtneming van het bepaalde in
artikel 17.2 ten behoeve van:
overschrijding van bestemmingsgrenzen, met dien verstande dat:
- dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken;
- dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein;
- de overschrijding niet meer bedraagt dan 5 meter;
- de overschrijding noodzakelijk is in het kader van de optimalisering van de bedrijfsvoering en niet het gevolg is van een beoogde schaalvergroting;
- overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geeft. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 5 meter en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;
- het aanpassen van opgenomen bepalingen in de voorafgaande artikelen, waarbij verwezen wordt naar bepalingen in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan worden gewijzigd.
Artikel 17 Overige regels
17.1 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
17.1.1 Wonen
Voor wat betreft de functie wonen moet per nieuwe woning ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Per woning is hiervoor minimaal 1,8 parkeerplaatsen te realiseren, waarvan minimaal 1 parkeerplaats op eigen terrein bij vrijstaande en twee-aaneen woningen.
17.1.2 Parkeren
De in
artikel 17.1.1 bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
- indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2,5 x 5 m in geval van kops parkeren en 2 x 6 m bij langsparkeren bedragen;
- indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte, voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,5 m bij 6 m bedragen.
17.1.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in
artikel 17.1.1 en
artikel 17.1.2 indien dit noodzakelijk is om een goede verkeersstructuur en / of bereikbaarheid voor een pand, perceel, straat (of deel daarvan) dan wel een andere ruimtelijk-functionele structuur te waarborgen, met dien verstande dat geen hogere parkeernorm vereist kan worden.
17.1.4 Afwijken
- indien het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
- voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
17.2 Afweging bij afwijkingen en wijzigingsbevoegdheden
Het bevoegd gezag weegt in aanvulling op overig bepaalde voorwaarden in ieder geval af, of bij een omgevingsvergunning met afwijking, of bij het gebruik van een wijzigingsbevoegdheid, het verlenen van medewerking niet leidt tot een onevenredige aantasting van:
- een goede woonsituatie;
- de sociale veiligheid;
- het stedenbouwkundige en landschappelijke beeld;
- het straat- en bebouwingsbeeld;
- de karakteristieke hoofdvorm en kenmerken;
- de verkeersveiligheid;
- de milieusituatie;
- de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 18 Overgangsrecht
18.1 Overgangsrecht bouwwerken
- Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
- Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
- Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
18.2 Overgangsrecht gebruik
- Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
- Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
- Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
- Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
18.3 Hardheidsclausule
Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruiken in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan kan het bevoegd gezag ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht afwijken.
Artikel 19 Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Wanroij, Korenveld'.