direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan ED 2025
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1979.TAM142BP-VG01

Regels

Dit TAM-IMRO omgevingsplan is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Eemsdelta. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening.


De in dit uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Eemsdelta.


In de in dit deel weergegeven artikelen moet in de artikel kop na het woord 'Artikel' en de spatie en direct voor het artikelnummer '22c' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22c]’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1 begripsbepalingen:

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 2 Aanvullende begrippen

2.1 TAM-omgevingsplan

TAM-omgevingsplan ED 2025 met identificatienummer NL.IMRO.1979.TAM142BP-VG01 van de gemeente Eemsdelta;

2.2 Plan

het omgevingsplan van gemeente Eemsdelta.

Artikel 3 Van toepassingverklaring

Dit 'TAM-omgevingsplan ED 2025' is een aanvulling op of een wijziging van de bestemmingsplannen zoals opgenomen in Bijlage 1 alsook heeft Veegplan 2023, vastgesteld op 27 juni 2024, (hierna: Veegplan 2023) met dien verstande dat:

  • a. het bepaalde in de onderliggende bestemmingsplannen van toepassing blijft, maar in geval van strijdigheid van bepalingen, de bepalingen van dit TAM-plan voorgaan op de regels die ingevolge deze bestemmingsplannen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn;
  • b. ter plaatse van de in dit plan opgenomen enkelbestemmingen, de verbeelding van de onderliggende bestemmingsplannen, voor zover het betreft de enkelbestemming, functie- en bouwaanduidingen wordt vervangen. Eventuele dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen zoals opgenomen in de onderliggende bestemmingsplannen, blijven wel van toepassing;
  • c. ter plaatse van de in dit plan opgenomen gebiedsaanduidingen, de verbeelding van de onderliggende bestemmingsplannen, voor zover het betreft de enkel- en dubbelbestemmingen, functie-, gebieds- en bouwaanduidingen van toepassing blijven. De opgenomen gebiedsaanduiding zorgt enkel voor een aanvulling op de vigerende verbeeldingen.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 4 Agrarisch

4.1 Bouwhoogte andere bouwwerken
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Stad Appingedam, deelplan agrarische gebieden   Agrarisch   Artikel 3.3 sub a bouwregels  
Stad Appingedam, deelplan agrarische gebieden   Agrarisch   Artikel 3.3 sub e bouwregels  
Stad Appingedam, deelplan agrarische gebieden   Agrarisch   Artikel 3.5 sub a gebruiksregels  
Bestemmingsplan Buitengebied   Agrarisch   Artikel 3.6 sub a gebruiksregels  

Artikel 3.3 sub a, tweede lid van de bestemming 'Agrarisch' van bovengenoemde bestemmingsplan Stad Appingedam, deelplan agrarische gebieden wordt als volgt gewijzigd (zie vet en/of doorgestreept):

2. de gezamenlijke oppervlakte van de bouwwerken ten hoogste 2.500 m² zal bedragen en de bouwhoogte van de bouwwerken zal ten hoogste 8 m bedragen;

Artikel 3.3 sub e van de bestemming 'Agrarisch' van bovengenoemde bestemmingsplan Stad Appingedam, deelplan agrarische gebieden wordt als volgt gewijzigd (zie vet en/of doorgestreept):

e. het bepaalde in lid 3.2.4. sub b in die zin dat de bouwhoogte van mestsilo's wordt vergroot tot 8 m, mits:

- geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 3.5 sub a vierde lid van de bestemming 'Agrarisch' van bovengenoemde bestemmingsplan Stad Appingedam, deelplan agrarische gebieden wordt als volgt gewijzigd (zie vet en/of doorgestreept):

4. de hoogte van een mest- en/of organische (bij)productvergistingsinstallatie ten hoogste 10 8 m zal bedragen

Artikel 3.6 sub a, vijfde lid van de bestemming 'Agrarisch' van bovengenoemd bestemmingsplan Buitengebied wordt als volgt gewijzigd (zie vet en/of doorgestreept):

5. er overeenstemming is over een goede landschappelijke inpassing en de uitvoering van het plan voor landschappelijke inpassing is geborgd; het gebruik van de bebouwing is uitsluitend toegestaan indien de erfbeplanting overeenkomstig het beplantingsplan is aangelegd en vervolgens in stand wordt gehouden en de bouwhoogte maxmaal 8 m bedraagt;

Artikel 5 Agrarisch - Dijkenlandschap

5.1 Polen 7 Spijk
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Noord   Agrarisch - Dijkenlandschap   Artikel 3  

De bestemming 'Agrarisch - Dijkenlandschap' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel Polen 7 Spijk.

Artikel 6 Centrum

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Stad Appingedam   Centrum   Artikel 17  

Daar waar in de verbeelding de gebiedsaanduiding 'overige zone - wonen begane grond uitgesloten' is opgenomen worden de regels conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard die horen bij de aanuiding 'specifieke vorm van wonen uitgesloten - begane grond'.

Artikel 7 Water - Karakteristieke waterloop

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Delfzijl - Kern West   Water - Karakteristieke waterloop   Invoegen na artikel 14  
Stad Appingedam   Water - Karakteristieke waterloop   Invoegen na artikel 70  

In het bestemmingsplannen Delfzijl - Kern West wordt de nieuwe bestemming 'Water - Karakteristieke waterloop' toegevoegd en in het geval van Stad Appingedam wordt de bestemming 'Water - Karakteristieke waterloop gewijzigd ten opzichte van het Veegplan 2023 (zie vet en/of doorgestreept).

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Water - Karakteristieke waterloop’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. watergangen;
  • b. oeverstroken;
  • c. gemalen;
  • d. extensief dagrecreatief gebruik;
  • e. woonschepenligplaatsen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - woonschepenligplaats', met dien verstande dat het aantal woonschepenligplaatsen mag niet meer bedragen dan het ter plaatse van de aanduiding 'aantal' aangegeven aantal;

met de daarbij behorende:

  • f. bermen, verharding, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, aanlegsteigers en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
  • g. ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - steiger’ steigers;

met dien verstande dat het beloop en het profiel van de waterlopen, alsmede de laagten die vanuit de natuurlijke oorsprong met de waterlopen samenhangen of hebben samengehangen, worden gehandhaafd en de herkenbare verkaveling zichtbaar blijft.

7.2 Bouwregels
7.2.1 Gebouwen

Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

7.2.2 Algemeen

Op of in de gronden als bedoeld in lid 7.1, mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. woonschepen, ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - woonschepenligplaats';
  • b. bergingen, ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - woonschepenligplaats';
  • c. andere bouwwerken ten behoeve van duurzame energiewinning en -opslag;
  • d. bouwwerken rechtstreeks ten dienste van het afmeren, geleiding en regeling van het vaarverkeer, met dien verstande dat het bouwen van steigers enkel is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - steiger’.
7.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen.

7.2.4 Woonschepen

Voor het bouwen van woonschepen gelden de volgende regels:

  • a. de lengte van een woonschip zal ten hoogste 20 m bedragen;
  • b. de breedte van een woonschip zal ten hoogste 5 m bedragen;
  • c. de goothoogte zal ten hoogste 3 m boven de waterspiegel bedragen;
  • d. de bouwhoogte zal ten hoogste 3,5 m boven de waterspiegel bedragen;
  • e. de onderlinge afstand tussen de woonschepen zal 5 m bedragen.
7.2.5 Bergingen

Voor het bouwen van de in lid 7.2.2 onder b. genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. als gebouw mogen uitsluitend bergingen worden gebouwd;
  • b. bergingen mogen uitsluitend op een vlonder worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - woonschepenligplaats';
  • c. het aantal bergingen zal per woonschip ten hoogste 1 bedragen;
  • d. de oppervlakte van een berging zal ten hoogste 8 m² bedragen
  • e. de breedte van een berging zal ten hoogste 2 m bedragen;
  • f. de bouwhoogte van een berging zal ten hoogste 2,5 m bedragen;
  • g. de nokrichting van een berging zal evenwijdig lopen aan de lengte-as van het water.
7.3 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het verleggen van de waterloop;
  • b. het wijzigen van het profiel van de waterloop; of
  • c. het gebruik van de gronden voor reclamedoeleinden.
7.4 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
7.4.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning natuurvriendelijke oevers aan te brengen dan wel te herstellen.

7.4.2 Beoordelingsregels vergunning

De vergunning als bedoeld in 7.4.1 wordt verleend indien:

  • a. de waterhuishoudkundige noodzaak van de werken en werkzaamheden is aangetoond en bij realisatie het ‘natuurlijk’ karakter van de sloot behouden blijft;
  • b. er overleg met de provincie heeft plaatsgevonden; en
  • c. de onder lid 7.1 genoemde waarden niet worden aangetast.
7.5 Vergunningplichtige werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
7.5.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren in de laagten die met de waterloop samenhangen of hebben samengehangen :

  • a. het diepploegen van de gronden;
  • b. het ophogen van de gronden; of
  • c. het afschuiven van de gronden.
7.5.2 Beoordelingsregels vergunning

De vergunning als bedoeld in 7.5.1 wordt verleend indien:

  • a. de waterhuishoudkundige noodzaak van de werken en werkzaamheden is aangetoond;en
  • b. de onder lid 7.1 genoemde waarden niet worden aangetast.

Artikel 8 Wonen - 1A

8.1 Eemskanaal N.Z. 53a, 53 en 53B Delfzijl
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Doklanden   Wonen - 1A   Artikel 10  

De bestemming 'Wonen - 1A' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor de percelen 'Eemskanaal N.Z. 53a, 53 en 53B Delfzijl.

Artikel 9 Wonen - 1B

9.1 Burgemeester Garreltsweg 23 Woldendorp
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Woldendorp   Wonen - 1B   Artikel 18  

De bestemming 'Wonen - 1B' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel Burgemeester Garreltsweg 23 Woldendorp.

9.2 Hoofdweg 33 Holwierde
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Holwierde-Nansum   Wonen - 1B   Artikel 19  

De bestemming 'Wonen - 1B' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel Hoofdweg 33 Holwierde.

Artikel 10 Waarde - Ruimtelijke kwaliteit

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Veegplan 2023   Waarde - Ruimtelijke kwaliteit   Artikel 30  

In alle bestemmingsplannen genoemd in de lijst die is opgenomen in bijlage 1 bij de regels, waar de bestemming 'Waarde - Ruimtelijke kwaliteit' voorkomt, wordt de bestemming gewijzigd met onderstaande doorhaling. In de verbeelding zijn een aantal karakteristieke panden en gemeentelijke monumenten toegevoegd. Daar waar in de verbeelding 'overige zone - gemeentelijk monument' en 'overige zone - karakteristiek object' wordt aangeduid moet worden gelezen 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' respectievelijk 'specifieke vorm van waarde - karakteristiek object'. De regels van het Facetplan Cultuurhistorie zoals opgenomen in Bijlage 1 en het Veegplan 2023 zijn met uitzondering van de doorgehaalde tekst van overeenkomstige toepassing.

10.1 Omgevingsvergunning voor het slopen van gebouwen
10.1.1 Omgevingsvergunningplicht
  • a. Binnen het op de verbeelding aangegeven gebied 'specifieke vorm van waarde - karakteristiek gebied' mogen gebouwen niet zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gesloopt worden;
  • b. Ter plaatse van de bouwaanduiding 'overige zone - karakteristiek object' en 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' mogen gebouwen en delen van gebouwen niet zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gesloopt worden;
  • c. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gemeentelijk monument' is het verboden zonder omgevingsvergunning het gemeentelijk monument:
    • 1. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of
    • 2. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;
10.1.2 Voorwaarden vergunningverlening

B. Karakteristiek object

  • a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.1.1 onder b wordt voor gebouwen en delen van gebouwen ter plaatse van de bouwaanduiding 'overige zone - karakteristiek object' en 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument'  uitsluitend verleend indien:
    • 1. sprake is van een algemeen belang waarvoor het karakteristieke gebouw moet wijken; of,
    • 2. wordt aangetoond dat zinvol (her)gebruik van het gebouw overeenkomstig de geldende bestemming of een andere, uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, passende bestemming objectief gezien niet mogelijk is en het belang van de vergunningaanvrager bij sloop van het gebouw in redelijkheid dient te prevaleren boven het cultuurhistorisch belang bij behoud ervan. De aanvrager van een omgevingsvergunning dient daartoe een rapport van een onafhankelijke deskundige te overleggen, dat ingaat op:
      • de bouwkundige en gebruikstechnische staat van het gebouw;
      • de mate waarin het gebouw geschikt is of door het treffen van voorzieningen geschikt kan worden gemaakt voor zinvol (her)gebruik overeenkomstig de geldende bestemming of een andere, uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, passende bestemming; of,
    • 3. de karakteristieken van het gebouw niet langer aanwezig zijn en alleen met ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kunnen worden hersteld; of,
    • 4. het delen van een gebouw betreft die op zichzelf niet als karakteristiek zijn aan te merken en door sloop van deze delen geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt; of
    • 5. het delen van een gebouw betreft die wel als karakteristiek zijn aan te merken, maar deze delen worden vervangen door gelijkwaardige karakteristieke delen.
  • b. Het overleggen van een deskundigenrapport als bedoeld onder lid B onder a sub 2 is niet nodig indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders uit andere beschikbare informatie afdoende blijkt dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden.
  • c. In het geval dat sloop van volledige gebouwen op grond van het gestelde in lid B onder a sub b of c 2 of 3 mogelijk is, dient de aanvraag om sloopvergunning tevens te worden voorzien van:
    • 1. een plan voor de herinrichting van de locatie ten behoeve van het behoud van de ruimtelijke kwaliteit dat tot stand is gekomen middels de maatwerkmethode;
    • 2. een planning van de sloop en herinrichting.
  • d. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 10.1.1 onder b wordt uitsluitend verleend als er garantie bestaat voor een goede herinvulling binnen redelijke termijn na de sloop van een gebouw, waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt hersteld. In de omgevingsvergunning zal een voorschrift worden opgenomen waarin de termijn waarbinnen de herinvulling gereed moet zijn, wordt vastgelegd.
  • e. Indien burgemeester en wethouders het voornemen hebben om een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 10.1.1 onder b te verlenen, wordt een deskundige op het gebied van stedenbouw, landschapsarchitectuur en cultuurhistorie om een schriftelijk advies gevraagd.

C. Gemeentelijk monument

  • a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.1.1 onder c wordt verleend indien:
    • 1. het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet;
    • 2. voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet overeenstemming is met de eigenaar.
10.1.3 Uitzondering
  • a. Het gestelde onder 10.1.1 sub b is niet van toepassing voor zover het sloop betreft:
    • 1. van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woningen en bij bedrijfsgebouwen die gebouwd zijn na 1 januari 1950 of die niet behoren tot de oorspronkelijke bebouwing;
    • 2. ten behoeve van gewoon onderhoud en herstel;
    • 3. van inpandige delen van een gebouw;
    • 4. ten behoeve van het uitvoeren van destructief onderzoek;
    • 5. die noodzakelijk is ter voorkoming van instortingsgevaar en daarbij sprake is van een acute bedreiging van veiligheid van personen of beschadiging van omliggende bebouwing en andere maatregelen het instortingsgevaar niet kunnen voorkomen;
    • 6. van gebouwen waarvoor reeds een sloopvergunning voor het slopen van het volledige bouwwerk is verleend;
  • b. Het gestelde onder 10.1.1 sub c is niet van toepassing op:
    • 1. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt;
    • 2. alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft;
    • 3. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden:
      • plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;
      • doen van begravingen of asbijzettingen, of
      • ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument.

Hoofdstuk 3 Overgangs- en slotregels

Artikel 11 Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
  • c. Het gestelde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
11.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het gestelde in sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 12 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het TAM-omgevingsplan ED 2025.