| Plan: | Veegplan Eemsdelta 2023 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1979.119BP-VG01 |
Het voorliggend bestemmingsplan betreft een veegplan ofwel gedeeltelijke herziening. Dat wil zeggen dat het veegplan alle onderliggende bestemmingsplannen op bepaalde onderdelen herziet of aanvult. De geldende bestemmingsplannen (betreffende alle vigerende bestemmingsplannen in de gemeente Eemsdelta, zoals gelden op de datum van het ter inzage leggen van dit veegbestemmingsplan) blijven hierbij, met uitzondering van de aan te passen onderdelen, onverminderd van kracht. Het gaat in dit geval om een veegplan ten aanzien van de volgende onderdelen:
Voor alle genoemde zaken is een planologische aanpassing nodig. In Hoofdstuk 2 wordt per onderdeel uitgebreider op de benodigde planologische wijziging ingegaan.
Voorliggend veegplan voorziet in een passend planologisch kader voor alle onderdelen van het plan. In dit plan wordt aangetoond dat er sprake is van ‘een goede ruimtelijke ordening’
In de bestemmingsplannen van de gemeente Eemsdelta worden een aantal bestemmingen of algemene regels gewijzigd. Daarnaast wordt voor enkele adressen de bestemming gewijzigd. Het is een gedeeltelijke herziening, wat wil zeggen dat de betreffende moederbestemmingsplannen (en eventuele partiële herzieningen, wijzigingsplannen en postzegelplannen) van kracht blijven, voor zover die in het voorliggende bestemmingsplan (veegplan) niet worden gewijzigd en aangevuld. De aanvulling bestaat uit een verbeelding en een set regels.
De lijst met van toepassing te verklaren bestemmingsplannen is opgenomen in Bijlage 1 bij de regels.
Ook de in het verleden verleende buitenplanse afwijkingen (uitgebreide omgevingsvergunningen) blijven van kracht.
Het veegplan omvat het hele grondgebied van de gemeente Eemsdelta.
Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de planologische aanpassingen. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. In Hoofdstuk 5 wordt op de relevante milieu- en omgevingsaspecten ingegaan. Hoofdstuk 6 gaat in op de juridische aspecten en planverantwoording. In Hoofdstuk 6 wordt
ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (vooroverleg en zienswijzen) van dit veegplan.
Er worden een aantal wijzigingen op perceelsniveau en een aantal algemene wijzigingen doorgevoerd. De wijzigingen op perceelsniveau betreffen bijvoorbeeld het wijzigen van een bestemming of aanduiding voor een concreet adres. De algemene wijzigingen behelsen bijvoorbeeld een wijziging voor het hele gemeentegebied of het wijzigingen van een bepaalde bestemming uit een bepaald bestemmingsplan.
Westerlaan 6 Meedhuizen
Op het perceel is een intensieve veehouderij gevestigd. De oprichtingsvergunning dateert van 15 december 1998. In het bestemmingsplan Buitengebied-Zuid, dat in 2013 is vastgesteld, is een onjuiste aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel agrarisch grondgebonden bedrijf' opgenomen. Die aanduiding wordt gewijzigd in 'specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf.
De verbeelding wordt hierop aangepast. De regels behoeven geen wijziging.
Havenweg 18 Spijk
Voor dit perceel, dat deel uitmaakt van het bestemmingsplan Spijk, is een omgevingsvergunning verleend voor een woonbestemming. Het perceel heeft nu de bestemming 'Bedrijf – 2A'. Dit wordt gewijzigd in 'Wonen – 1B'.
De regels en de verbeelding wordt hierop aangepast.
Hoofdstraat 45-47 `t Zandt
In verband met de realisatie van het dorpshuis wordt op het perceel met de bestemming 'Gemengd', dat deel uitmaakt van het bestemmingsplan Woondorpen, horeca van categorie II toegestaan. Daarom moet de aanduiding'horeca tot en met categorie 2' worden toegevoegd.
De regels en de verbeelding worden hierop aangepast.
A.E. Gorterweg 22 Woldendorp
Er is een omgevingsvergunning verleend om de bestemming 'Detailhandel' te wijzigen naar 'Wonen - 2b'.
De verbeelding wordt hierop aangepast.
Farmsumerweg 142 Appingedam
Dit perceel heeft abusievelijk de bestemming 'Bedrijf – 2' gekregen in het bestemmingsplan Stad Appingedam. De bestemming wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen - A1' met de aanduiding 'bedrijf' en de maatvoering: maximum bebouwingspercentage: 100%, maximum bouwhoogte: 10 m. maximum goothoogte: 10 m.
De regels en verbeelding worden hierop aangepast.
Zijldijksterweg 8 't Zandt
Het gehele perceel heeft de bestemming 'Agrarisch' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – transportbedrijf', maar moet een bedrijfsbestemming hebben. Hier is al een kleine decennium een timmerbedrijf gevestigd. De bestemming wordt gewijzigd in 'Bedrijf'.
De regels en verbeelding worden hierop aangepast.
Landstraat 23 Delfzijl
Dit perceel heeft in het bestemmingsplan Centrum van de voormalige gemeente Delfzijl de bestemming 'Gemengd – 1'. Wonen op de begane grond is binnen deze bestemming uitgesloten. Echter, in 2017 is een omgevingsvergunning verleend voor het wonen op de begane grond, specifiek voor de Landstraat 23 (A) in Delfzijl. Voor de begane grond wordt daarom een functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - eerste bouwlaag' opgenomen om wonen op de begane grond mogelijk te maken.
De verbeelding wordt hierop aangepast.
Nansumerweg 9 Holwierde
Dit perceel heeft in het bestemmingsplan 'Buitengebied-Noord' (Delfzijl) abusievelijk de bestemming 'Wonen' gekregen. Deze bestemming moet worden gewijzigd in 'Agrarisch – Wierdenlandschap 1' met de functieaanduiding ' specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel agrarisch grondgebonden bedrijf'. Met bouwvlak.
De verbeelding wordt hierop aangepast.
Professor de Blecourtstraat 4 Appingedam
Dit perceel heeft in het bestemmingsplan Stad Appingedam de bestemming 'Dienstverlening'. In het verleden is een omgevingsvergunning voor een woonfunctie aangevraagd. De bestemming wordt gewijzigd in 'Wonen - A1' waarbij de volgende maatvoering wordt gehandhaafd: maximum bebouwingspercentage: 90%, maximum bouwhoogte: 3 m, maximum goothoogte: 3 m
ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' zullen de goot- en bouwhoogte van een gebouw en het bebouwingspercentage van een bouwvlak ten hoogste de aangegeven hoogte respectievelijk het percentage bedragen.
De regels en verbeelding worden hierop aangepast.
Hibiscustraat 2a Wagenborgen
Dit perceel heeft in het bestemmingsplan Wagenborgen de bestemming 'Groen' en een dubbelbestemming 'Glaciale rug'. In het verleden is een omgevingsvergunning voor een woonfunctie aangevraagd. Deze omgevingsvergunning is verleend en er is reeds een woning op gebouwd. De bestemming wordt gewijzigd in 'Wonen - 1B' en de bestemming 'Tuin'.
De regels en de verbeelding worden hierop aangepast.
Pastoriepad 3 Westerwijtwerd
Dit perceel is aangewezen als karakteristiek pand De verbeelding wordt hierop aangepast.
Dit perceel heeft in het bestemmingsplan Woondorpen (Loppersum) de bestemming 'Woongebied'. Verder heeft het perceel de dubbelbestemming 'Waarde - Ruimtelijke kwaliteit' en de functieaanduiding 'specfieke vorm van waarde - karakteristiek gebied'.
Op 26 september 2023 is het pand op dit perceel aangewezen als karakteristiek pand. In dit veegplan krijgt het perceel daarom de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - karakteristiek object'.
De verbeelding wordt hierop aangepast. De regels behoeven geen wijziging.
Hogestraat 15-17 Loppersum
Dit perceel is aangewezen als karakteristiek pand De verbeelding wordt hierop aangepast.
Dit perceel heeft in het bestemmingsplan Loppersum de bestemming 'Gemengd'. Verder heeft perceel de dubbelbestemming 'Waarde - Ruimtelijke kwaliteit' en de functieaanduiding 'specfieke vorm van waarde - karakteristiek gebied'.
Op 26 september 2023 is het pand op dit perceel aangewezen als karakteristiek pand. In dit veegplan krijgt het perceel daarom de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - karakteristiek object'.
De verbeelding wordt hierop aangepast. De regels behoeven geen wijziging.
Hoofdweg 161 Wagenborgen
In het bestemmingsplan Buitengebied-Zuid is een onjuste aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel agrarisch grondgebonden bedrijf' opgenomen voor de intensieve veehouderij die op dit adres is gevestigd. In dit veegplan wordt de aanduiding gewijzigd in 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf'.
Daarnaast wordt het bouwvlak aangepast vanwege verleende bouwvergunningen voor het verlengen van stallen en het oprichten van een derde stal in 2010.
De verbeelding wordt hierop aangepast. De regels behoeven geen wijziging.
De aanleiding voor onderstaande wijzigingen betreft:
Stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij
In de bestemmingsplannen:
wordt de regeling voor intensieve veehouderij aangepast. Op grond van de Omgevingsverordening provincie Groningen (artikel 2.29.1 en 2.29.2, zie ook paragraaf 3.2.2) mag nieuwvestiging van een intensieve veehouderij niet worden toegestaan. Daarnaast mogen bestaande intensieve veehouderijen niet worden uitgebreid. Er kan wel medewerking worden verleend aan het vergroten van het stalvloeroppervlak, indien dat noodzakelijk is vanwege gewijzigde regelgeving of om het dierenwelzijn te verbeteren, mits het aantal dieren niet toeneemt.
In de bovengenoemde bestemmingsplannen is al geregeld dat intensieve veehouderij alleen is toegestaan ter plaatse van specifiek aangeduide niet-grondgebonden of gemengde agrarische bedrijven.
In het voorliggende veegplan wordt toegevoegd/gewijzigd dat de bestaande stalvloeroppervlakte niet mag worden vergroot, behalve indien dit noodzakelijk is vanwege gewijizgde regelgeving of om het dierenwelzijn te verbeteren, mits het aantal dieren niet toeneemt. zoals is vergund op 1 januari 2019.
In de bestemmingsplannen Buitengebied-Noord en Buitengebied-Zuid is de bijlage vervallen waarin een kaart van het provinciaal IV beleid 2011 is weergegeven.
In de bestemming 'Agrarisch' van het bestemmingsplan Stad Appingedam, deelgebied agrarische gebieden en Buitengebied (Loppersum) worden respectievelijk wordt de afwijkingsbevoegdheid en de wijzigingsbevoegdheid voor vergroting van het agrarisch bouwperceel zodanig aangepast dat vergroting van het agrarisch bouwperceel voor intensieve veehouderij alleen mogelijk is vanwege gewijzigde regelgeving en/of het vergroten van het dierenwelzijn, mits het aantal dieren niet toeneemt, zoals is vergund op 1 januari 2019.
Bouwhoogte mestbassinssilo's
In de bestemmingsplannen:
wordt de regeling voor mestbassinssilo's ambtshalve aangepast. De maximale bouwhoogte wordt gewijzigd van 6 meter naar 8 meter. De bouwhoogte van overige mestopslagen, met uitzondering van mestsilo's, mag ten hoogste 2,5 m bedragen.
Schuilstallen
In het bestemmingsplan Stad Appingedam, deelplan agrarische gebieden worden de wijzigingsregels in de bestemming 'Agrarisch' zodanig aangepast dat oppervlakte van schuilstallen ten hoogste 25 m2 mag bedragen. Dit vloeit voort uit de Provinciale Verordening (artikel 2.26.1 zie ook paragraaf 3.2.2).
Verwijzing naar bedrijvenlijst
In de bestemming 'Bedrijventerrein - 4' van het bestemmingsplan Stad Appingedam is abusievelijk een verwijzing naar de verkeerde bijlage opgenomen. Er is verwezen naar bijlage 2 (aan huis verbonden beroepen). Er had verwezen moeten worden naar bijlage 3 (bedrijvenlijst). In voorliggend bestemmingsplan wordt dit gecorrigeerd.
Afvalbewerkende bedrijven
In de Provinciale Omgevingsverordening (artikel 2.22.3, zie ook paragraaf 3.2.2) is bepaald dat een bestemmingsplan dat de vestiging of uitbreiding van een bedrijf mogelijk maakt waar van derden afkomstige afvalstoffen worden bewerkt, verwerkt, op - of worden overgeslagen, regels moet stellen over de opslag van afvalstoffen buiten gebouwen.
Op grond van de geldende bedrijvenlijsten bij diverse bestemmingsplannen in de gemeente is de vestiging van dergelijke bedrijven op dit moment toegestaan.
Om te voorkomen dat nieuwe afvalbedrijven zich vestigen is in Artikel 33 Algemene gebruiksregels een verbod opgenomen op nieuwvestiging of uitbreiding van afvalbedrijven. Een uitzondering is gemaakt voor de opslag van afvalstoffen buiten gebouwen bij bestaande afvalbedrijven, uitslutiend voor zover vergund.
Bijgebouwen woonschepenligplaats
Voor de woonschepenligplaatsen die zijn opgenomen in het bestemmingsplan Delfzijl - Kern West wordt in
de bestemming 'Water' toegevoegd dat de oppervlakte van bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 12
m2, tenzij een bestaand bijgebouw een oppervlakte heeft die goter is, in welk geval de bestaande
oppervlakte het maximum is.
Karakteristieke waterlopen en sloten
Op grond van de Omgevingsverordening provincie Groningen (artikel 2.61.1, zie ook paragraaf 3.2.2) moet het bestemmingsplan regels bevatten ter bescherming van het slotenpatroon en het landschapspatroon bij Appingedam en Delfzijl. In de dubbelbestemming 'Water - Karakteristieke sloot' in het voorliggende bestemmingsplan zijn bepalingen opgenomen om dit te regelen voor de bestemmingsplannen Buitengebied - Noord (Delfzijl) en Stad Appingedam - deelgebied Agrarische gebieden.
Op de verbeelding zijn de karakteristieke sloten ook bestemd.
Karakteristieke waterlopen
Op grond van de Omgevingsverordening provincie Groningen (artikel 2.58.1, zie ook paragraaf 3.2.2) moet het bestemmingsplan regels bevatten ter bescherming van de karakteristieke waterlopen. In de dubbelbestemming 'Water - Karakteristieke waterloop' in het voorliggende veegplan zijn bepalingen opgenomen om dit te regelen voor de bestemmingsplannen Buitengebied-Noord en Buitengebied-Zuid (Delfzijl), Stad-Appingedam en Stad-Appingedam, deelplan Agrarische gebieden.
Op de verbeelding zijn de karakteristieke waterlopen ook bestemd.
In het bestemmingsplan Buitengebied Loppersum is al een deel van de karakteristieke waterlopen bestemd. Er zijn in dit veegplan nog een aantal toegevoegd.
Archeologische dubbelbestemming
In de archeologische dubelbestemmingen voor Delfzijl en Appingedam zijn op een aantal plaatsen twee verschillende archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. In het voorliggend veegplan wordt dit gecorrigeerd.
Het gaat om archeologische dubbelbestemmingen in het Facetplan Cultuurhistorie (Delfzijl) en bestemmingsplan Stad Appingedam.
Leefgebied akkervogels en weidevogels
In Artikel 34 Algemene aanduidingsregels is een gebiedsaanduiding opgenomen voor de leefgebieden van akkervogels en weidevogels, zoals die op kaart 6 van de Provinciale Verordening zijn opgenomen.
Molenbiotoop
In een aantal bestemmingsplannen is een 'vrijwaringszone - molenbiotoop' opgenomen. In de regeling voor deze vrijwaringszone was opgenomen dat voor advies over hogere bouwwerken binnen deze zone advies moest worden ingewonnen bij de vereniging 'De Hollandsche Molen'. Deze regel is aangepast omdat deze vereniging geen adviezen meer verstrekt.
Wijziging naar bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden'
In de bestemmingsplannen:
wordt de wijzigingsbevoegdheid naar een woonbestemming gewijzigd. De bestemming 'Agrarisch - Dijkenlandschap' kan worden gewijzigd naar de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden'.
Begrippen
In Artikel 1 Begrippen worden de volgende begrippen toegevoegd c.q. gewijzigd:
Verbod op nieuwvestiging en uitbreiding hoofd- of neventak intensieve veehouderij
In artikel 2.29.1 en 2.29 2 van de provinciale verordening is een verbod opgenomen om nieuwe hoofd- of neventakken intensieve veehouderijen te vestigen. Ook uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte is niet toegestaan, uitgezonderd uitbreiding ten behoeve van aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van milieu en/of ten behoeve van dierenwelzijn.
In Artikel 33 Algemene gebruiksregels wordt daarom een regeling opgenomen in die voor het hele grondgebied van de gemeente geldt.
Verbod geitenhouderijen
Dit veegplan regelt dat nieuwe geitenhouderijen en uitbreiding van bestaande geitenhouderijen niet meer zonder zwaarwegende afwegingen ten aanzien van de gezondheidsrisico's van in omliggende functies aanwezige personen worden toegestaan. Onder geitenhouderijen wordt de activiteit houden van meer dan dertig geiten begrepen. Het maakt dus in beginsel niet uit of de geitenhouderij in het kader van een bedrijf of hobby wordt gehouden, los van het feit dat het houden van dit aantal geiten volgens milieurechtelijke begrippen niet als hobbymatige activiteit wordt gezien.
In dit veegplan wordt in Artikel 33 Algemene gebruiksregels een verbod opgenomen om zonder omgevingsvergunning een geitenhouderij op te richten of uit te breiden, alsmede een verbod om een bestaand agrarisch bedrijf om te schakelen naar een geitenhouderij. Het is dus zonder vergunning niet toegestaan om:
Op deze uitgangspunten gelden echter de onderstaande uitzonderingen:
Motivering
Onderzoek rondom geitenhouderijen heeft uitgewezen dat mensen die in de buurt wonen van deze bedrijven, een grotere kans hebben op een longontsteking. Dat blijkt uit studies gedaan in:
Omdat de bovengenoemde onderzoeken uitsluitend in Noord-Brabant en Limburg zijn uitgevoerd was niet duidelijk of longonsteking ook in andere provincies vaker zou voortkomen rond geitenhouderijen. Daarom is er een vervolg gegeven aan het VGO III door onderzoek te doen in Gelderland, Overijssel en de oostkant van Utrecht. Dit onderzoek (Smit, L.A.M., Huss, A., Jacobs, J., Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht, Utrecht: IRAS 2019) is in november 2019 uitgebracht. Daarmee werd duidelijk dat voor deze regio's hetzelfde het geval was. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 3 (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III - Gelderland, Overijssel en Utrecht 2019) bij deze toelichting.
Het is nog onduidelijk wat hier precies de oorzaak van is. Verder onderzoek is daarom noodzakelijk.
Er loopt op dit moment een landelijk onderzoek van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) naar de mogelijke samenhang tussen geitenhouderijen en longklachten bij omwonenden van geitenhouderijen. Naar verwachting kunnen de resultaten in 2024 worden gepubliceerd.
Uit bovenstaande blijkt dat het tot nu toe is bekend dat er een verhoogd risico is op longontsteking in een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen. Dit geldt in beginsel ook voor gebieden buiten Brabant en Limburg. Het ministerie van VWS en het RIVM leiden dit o.a. af naar aanleiding van het bovengenoemde vervolgonderzoek.
Eventuele risico's voor de gezondheid voor omwonenden van veehouderijen moeten in het kader van een goede ruimtelijke ordening en onder de Omgevingswet in het kader van een goede fysieke leefomgeving worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. Het uitgangspunt is daarbij het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en een gezonde leefomgeving. De huidige bestemmingsplannen bevatten nog maar zeer beperkte regelingen gericht op gezondheidsrisico's rondom geitenhouderijen.
In de meeste provincies is er uit voorzorg besloten om juridische maatregelen (in de onderzoeken wordt gesproken over moratoria) te treffen om te voorkomen dat er meer geitenhouderijen bij komen of dat geitenhouderijen uitbreiden. In de provincie Groningen acht de provincie dit geen taak van het provinciaal bestuur maar van iedere gemeente apart. De Gemeenteraad acht gezondheid een belangrijk afwegingsaspect onder de Omgevingswet.
Dit bestemmingsplan zorgt er voor dat er niet zonder gedegen nadere afwegingen van het gemeentebestuur ten aanzien van dit specifieke gezondheidsrisico's nieuwe geitenhouderijen kunnen worden gevestigd of bestaande kunnen worden uitgebreid.
In dit bestemmingsplan is een geitenhouderij gedefinieerd als een houderij met dertig of meer geiten. Dat aantal is in zekere zin een keuze die voortkomt uit de gedachte dat bij hierbij de gezondheidsrisico's gering worden geacht en het idee dat agrariërs hierdoor ook niet te zwaar worden ingeperkt. In de hierboven genoemde onderzoeken, waar ook op kennisplatformveehouderij.nl naar wordt verwezen, wordt een ondergrens van vijftig geiten aangehouden. Daarbij wordt ook vermeld dat dit niet betekent dat daar beneden gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Kijkend naar het Activiteitenbesluit milieu, wordt voor geurhinder uitgegaan van geitenhouderijen met tien of meer geiten. Feitelijk lijkt daar dus ook de grens te liggen voor het hobbymatig houden van geiten omdat dit als inrichting of bedrijfsmatige activiteit wordt gezien. Aangezien geurhinder nog niets zegt over gezondheid en gezien bovenstaande onderzoeken lijkt dertig geiten een aardige middeling. Daarnaast kan worden opgemerkt dat de risico's ook nog verder beperkt worden omdat het bedrijfsmatig houden van geiten (tien geiten of meer) op grond van de (blijvend) geldende bestemmingsplannen alleen mogelijk is binnen agrarische bestemmingen. Deze bestemmingen liggen bijna altijd al op enige afstand van woongebieden.
Als gevolg van dit bestemmingsplan wordt een ongecontroleerde groei van geitenhouderijen met gezondheidsrisico's voorkomen. Gezondheidsrisico's rondom geitenhouderijen kunnen immers niet worden uitgesloten.
Afwijkingsmogelijkheid voor bedrijfsgebouwen voor goothoogte
Voor bedrijfsgebouwen binnen de bestemming 'Agrarisch', 'Agrarisch - Dijkenlandschap', 'Agrarisch - Wierdenlandschap', 'Agrarisch - Wierdenlandschap 1' en 'Agrarisch - Wierdenlandschap 2' geldt een maximale goothoogte van 6 meter. Voor deze bestemmingen wordt een afwijkingsmogelijkheid opgenomen in lid 3.2, 4.3, 5.2, 6.2, 7.2 en 8.2 om de goothoogte tot 7 m te verruimen indien er aantoonbare noodzaak is voor de agrarische bedrijfsvoering.
Afwijkingsmogelijkheid voor woningen in het buitengebied voor vergroting oppervlakte.
Voor woningen en voormalige boerderijen met een woonbestemming in het buitengebied geldt een maximum oppervlakte van 300 m2. Voor deze woonbestemmingen wordt een afwijkingsmogelijkheid opgenomen in Artikel 35 Algemene afwijkingsregels om - onder voorFmoln voorwaarden - vergroting van deze oppervlakte mogelijk te maken.
Afwijkende maatvoering en/of bouwen buiten het bouwvlak in verband met aardbevingsschade
In Artikel 35 Algemene afwijkingsregels wordt een bepaling opgenomen om te kunnen afwijken van de bouwregels in de lijst (bijlage bij de regels) opgenomen bestemmingsplannen voor een afwijkende maatvoering en/of voor het bouwen buiten het bouwvlak in geval van:
Hieraan worden als voorwaarde toegevoegd dat:
Gemeentelijke monumenten
In een deel van het grondgebied van de gemeente Eemsdelta zijn de gemeentelijke monumenten nog niet bestemd en nog niet op de verbeelding opgenomen.
De beschermende regeling is opgenomen in Artikel 31 Waarde - Ruimtelijke kwaliteit.
Deze zijn aangeduid als 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument'.
Het gaat in totaal om 39 gemeentelijke monumenten.
Rijksmonumenten
In de voormalige gemeente Loppersum zijn rijksmonumenten al meegenomen. In het voorliggende veegplan wordt een regeling voor wettelijk beschermde monumenten opgenomen (Artikel 31 Waarde - Ruimtelijke kwaliteit) voor het hele plangebied opgenomen.
De rijksmonumenten worden aangeduid als 'specifieke bouwaanduiding - rijksmonument'.
Karakteristieke panden
In eerdere bestemmingsplannen zijn karakteristieke panden opgenomen. Er zijn in dit veegplan nog een
aantal toegevoegd. Deze krijgen de aanduiding 'karakteristiek'.
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plan geldende uitgangspunten weergegeven. Daarbij wordt aangegeven hoe de keuzes in dit veegplan zich verhouden tot de verschillende beleidskaders.
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de opgenomen doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
In de Structuurvisie voor Infrastructuur en Ruimte (SVIR), de voorloper van de NOVI is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigt en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.
Dit bestemmingsplan ziet toe op verschillende aanpassingen in de juridisch-planologische regeling voor verscheidene zaken, zoals omschreven in Hoofdstuk 2. Het bestemmingsplan gaat vooral over functiewijzigingen en het aanpassen van geldende planologische regimes. Hiermee zijn geen rijksbelangen gemoeid. Er worden geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt, waarop de Ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is.
Op 1 juni 2016 is door Provinciale Staten de Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 en de Omgevingsverordening provincie Groningen 2016 vastgesteld. Nadien hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening geactualiseerd, met als laatste actualisatie op 25 mei 2022.
Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om samenhang te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Om dit te doen is al het provinciaal beleid in vijf thema’s en elf provinciale ‘belangen’ geordend.
De thema’s en belangen zijn:
Ruimte
Natuur landschap
Water
Mobiliteit
Milieu
In dit geval is met name de visie ten aanzien van de de bescherming van cultureel erfgoed van belang. Hierna wordt daar op ingegaan.
Beschermen cultureel erfgoed
Cultureel erfgoed levert duidelijk maatschappelijk en economisch gewin op en draagt in belangrijke mate bij aan de identiteit van onze provincie. Het levert een bijdrage aan de leefbaarheid, de sociale cohesie, de attractiewaarde, het toerisme en het vestigingsklimaat. Betrokkenheid van inwoners bij het erfgoed creëert verantwoordelijkheidsgevoel voor de (toekomst van de) omgeving.
Het plan is in overeenstemming met de provinciale omgevingsvisie, in paragraaf 3.2.3 wordt hier nader op ingegaan.
Tegelijkertijd met de Omgevingsvisie is de bijbehorende Omgevingsverordening provincie Groningen 2016 – 2022 vastgesteld. In de verordening is aangegeven waarmee gemeenten bij ruimtelijke plannen rekening moeten houden.
Afdeling 2.13 Intensieve veehouderij
Artikel 2.29.1
Een bestemmingsplan voorziet niet in nieuwvestiging van een hoofd- of neventak intensieve veehouderij noch in uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij.
Artikel 2.29.2
In afwijking van artikel 2.29.1 kan in een bestemmingsplan aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid worden toegekend om een omgevingsvergunning te verlenen voor uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij, als in de planregels in de vorm van voorwaarden is geborgd dat deze uitbreiding:
mits in het bestemmingsplan geborgd wordt dat het aantal te houden dieren zoals is vergund op 1 januari 2019 niet toeneemt.
Afdeling 2.34 Slotenpatroon Appingedam-Delfzijl
Artikel 2.61.1
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7 aangegeven karakteristieke sloten Appingedam-Delfzijl bevat regels gericht op bescherming van het beloop en het profiel van de sloten.
De regels bedoeld in het eerste lid bevatten in elk geval een verbod op het verleggen en dempen van de op kaart 7 aangegeven karakteristieke sloten Appingedam-Delfzijl.
Afdeling 2.31 Karakteristieke waterlopen en daarmee samenhangende laagten
Artikel 2.58.1
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7 aangegeven karakteristieke waterlopen bevat regels gericht op bescherming van het beloop en het profiel van deze waterlopen.
Afdeling 2.23 Leefgebied weide- en akkervogels
Artikel 2.48.1
Artikel 2.48.2
Afdeling 2.11 Agrarisch bouwperceel
Artikel 2.26.1
Afdeling 2.8A Afvalbewerkende bedrijven, afvalverwerkende bedrijven en bedrijven voor de op- en overslag van afvalstoffen
Artikel 2.22.3
Ten aanzien van de overige in dit veegbestemmingsplan besloten ontwikkelingen wordt gesteld dat het gaat om functiewijzigingen en tekstuele aanpassingen die niet van belang zijn in het kader van het provinciale beleid.
Geconcludeerd wordt dat dit bestemmingsplan past binnen de provinciale beleidskaders.
Aanleiding voor veegplan is te voldoen aan de regelgeving van de provinciale omgevingsverordening. Gemeente is wettelijk verplicht om zaken zoals benoemd in paragraaf 3.2.2 wettelijk te regelen.
Hierop is geen aanvullend beleid dat van toepassing is op de specifieke onderwerpen in het veegplan.
Aanleiding voor de wijziging betreft:
De voormalige gemeenten Appingedam en Delfzijl hebben een gezamenlijke visie ontwikkeld voor de stedelijke kernen en het platteland van beide gemeenten. Op basis van deze visie willen beide gemeenten komen tot een gezamenlijke structuurvisie, conform de Wet ruimtelijke ordening, voor het grondgebied van de beide gemeenten. Beide gemeenten willen de samenwerking op alle relevante beleidsterreinen versterken, de ontwikkelingen op elkaar afstemmen en de ruimtelijke ontwikkeling sturen in de gewenste richting. Beide gemeenten hebben te maken met belangrijke opgaven die vragen om een gezamenlijke aanpak. Gezien de samenwerking tussen Delfzijl en Appingedam met betrekking tot stedelijke ontwikkeling, in het bijzonder met betrekking tot detailhandel, stadsactiviteiten (evenementen, citymarketing, revitalisering) is er voor gekozen een gezamenlijke visie op te stellen, welke visie in 2009 is afgerond. Op basis van deze visie is in 2010 het projectenboek, uitvoeringsprogramma Ontwikkelingsperspectief 2030 Appingedam-Delfzijl, opgesteld. Het Ontwikkelingsperspectief 2030 voorziet behalve in een visie op de ontwikkeling van beide gemeenten ook in een uitvoeringsprogramma met een financiële onderbouwing.
De ontwikkeling van het wonen in het stedelijk gebied van Appingedam en Delfzijl vormt één van de belangrijkste thema's van dit ontwikkelingsperspectief. De prognoses geven aan dat het de komende 10 jaar noodzakelijk is ingrijpend te investeren in de kwaliteit van het wonen in de kernen Appingedam en Delfzijl.
Beide gemeenten kampen met een deels verouderd woningbestand, veel woningen zijn bouwtechnisch slecht en zijn onvoldoende geïsoleerd. De belangrijkste opgave voor beide gemeenten is een woningvoorraad te realiseren met bijbehorende woonmilieus die passen bij de functie die het stedelijk gebied AppingedamDelfzijl moet vervullen als regionaal voorzieningen centrum in relatie tot het economisch kerngebied Eemsdelta.
Met de herontwikkelingsopgave wordt naadloos aangesloten bij het streven om het woningbestand te vernieuwen. Hierdoor wordt de leefbaarheid en kwaliteit van Appingedam fors verbeterd. Door het beschermen van karakteristieke panden blijft de bestaande kwaliteit juist behouden. De ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met de ontwikkelingsvisie voor Appingedam en Delfzijl.
Met de stadsvisie vertaalt de gemeente Appingedam de inhoud van regionale visies, onderzoeken en afspraken naar lokale keuzes en oplossingen. Het doel is om de komende jaren een kwaliteitssprong te maken op het gebied van wonen, scholen, zorg, sport en de sociale ladder, en daarmee de sterke positie van Appingedam in de regio te behouden.
In de Stadsvisie is de actuele woonvraag in Appingedam uiteengezet. Appingedam kent gemiddeld een vraaggroei van ongeveer 0,5% huishoudens per jaar, die richting 2030 afneemt naar ongeveer 0,25% per jaar.
Gelet op deze vergelijking en op basis van de marktsignalen wordt daarom rekening gehouden met een groei van 150 woningen tot 2025 (15 tot 30 per jaar) en nog eens 90 woningen voor de periode 2025-2030 (15 per jaar).
De stadsvisie richt zich daarnaast op de kwaliteit van het wonen en leven in Appingedam. Dat betreft zowel de woningen, de mensen, als de omgeving. Als het gaat om woningen richt de gemeente zich op kwaliteit, betaalbaarheid, beschikbaarheid, duurzaamheid generatiebestendigheid en goede doorstroming voor woningverbetering, herbestemming, sloop, nieuwbouw op bestaande en nieuwe plekken. Als het gaat om mensen richt de gemeente zich op perspectief voor jong en oud, zowel sociaal als economisch. Als het gaat om de omgeving, richt de gemeente zich op leefbaarheid, de openbare ruimte, het voorzieningenniveau, sociale kwaliteit, bereikbaarheid en verbondenheid van de stad.
De stadsvisie is primair gericht op wonen. Voor het opstellen van de stadsvisie is veel informatie opgedaan bij bewoners van Appingedam. Tijdens de wijkavonden zijn met name drie boodschappen naar voren gekomen:
Inwoners van Appingedam zien graag dat lege plekken en lege gebouwen in de stad op een goede manier met wonen worden ingevuld. Iedereen moet goed in Appingedam kunnen wonen. Er moet aandacht zijn voor de groeiende groep ouderen, het behoud van jongeren en gezinnen. De bewoners willen graag versleten woningen en straten verbeteren.
In de stadsvisie is per wijk een wijkontwikkelingsplan opgesteld. Zo zijn er wijkontwikkelingsplannen opgesteld
voor:
Voorliggende ontwikkeling voorziet ten aanzien van Appingedam voor onder andere het beschermen van de karakteristieke panden. Het bieden van bescherming voor karakteristieke panden draagt bij aan het behoud van de kwaliteit van Appingedam. Het bestemmingsplan is daarmee in overeenstemming met de stadsvisie Appingedam.
Geconcludeerd wordt dat dit veegbestemmingsplan is in overeenstemming is met het geldende gemeentelijkebeleid.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak
een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.
Bij het beoordelen van milieu- en omgevingsaspecten wordt normaliter ingegaan op de volgende thema’s: geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie,waterhuishouding, verkeer en parkeren en het Besluit milieueffectrapportage.
In voorliggend bestemmingsplan hoeven deze aspecten geen nadere aandacht omdat er geen nieuwe planologische ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt.
In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan.
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen.
Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.
De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld.
De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:
In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen die zijn gewijzigd of zijn aangevuld ten opzichte van het bestaande planologische regime. De geldende begripsbepalingen uit de onderliggende van kracht zijnde bestemmings- en wijzigingsplannen blijven onverminderd van toepassing. Wel zijn er een aantal specifieke begrippen, met betrekking tot onderhavig bestemmingsplan, opgenomen.
In dit artikel is de toepassing van het veegplan bepaald. Hiermee is geborgd dat alle onderliggende plannen blijven gelden, tenzij dit veegplan specifiek in een wijziging op een locatie of ten aanzien van
een dubbelbestemming voorziet.
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Hierbij geldt dat de geldende algemene regels uit de onderliggende van kracht zijnde bestemmings- of wijzigingsplannen onverminderd van toepassing blijven. Wel is de antidubbeltelregel opgenomen.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels.
In de overgangsregels (Artikel 37) is aangegeven wat dejuridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan.
In de slotregel (Artikel 38) wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwingmag worden opgericht.
Bij het opstellen van dit bestemmingsplan betreft het voornamelijk het verwerken van regels uit de Provinciale Omgevingsverordening om het bestemmingsplan met de Provinciale Omgevingsverordening in overeenstemming te brengen.
Voor een toelichting op de wijzigingen van de bestemmingsregels wordt verwezen naar Hoofdstuk 2.
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van hetbestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het ismogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
Dit veegbestemmingsplan maakt geen bouwplannen mogelijk als bedoeld in artikel 6.12 Wro. Voor dit plan hoeft daarom geen afzonderlijk exploitatieplan vastgesteld te worden. Het bestemmingsplan wordt vanuit de gemeentelijke exploitatie gefinancierd. De economische uitvoerbaarheid is daarmee geborgd.
Voorontwerp
Omdat de ontwikkeling die dit veegplan mogelijk maakt slechts een beperkte invloed op de omgeving heeft, heeft de gemeente geen gelegenheid geboden om een inspraakreactie op het veegplan in te dienen.
Vooroverleg
Het veegplan is in het kader van het wettelijke vooroverleg (artikel 3.1.1 van het Bro) aan de provincie, het waterschap en andere vooroverleginstanties voorgelegd.
Van de provincie, het waterschap Noorderzijlvest en Omgevingsdienst Groningen is een reactie ontvangen. Alleen de provincie had een aantal opmerkingen die zijn verwerkt.
De voooverlegreacties zijn als Bijlage 4 bij de toelichting gevoegd.
Zienswijzen
Het ontwerp-bestemmingsplan heeft gedurende zes weken, van 28 december 2023 tot en met 7 februari 2024, ter visie gelegen. Tijdens deze periode zijn er twee zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de nota zienswijzen, die als bijlage Bijlage 5 is bijgevoegd bij de toelichting.