direct naar inhoud van Regels
Plan: Veegplan Eemsdelta 2023
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1979.119BP-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het bestemmingsplan Veegplan Eemsdelta 2023 met identificatienummer NL.IMRO.1979.119BP-VG01 van de gemeente Eemsdelta;

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en daarbij behorende bijlagen;

1.3 bassin:

een mest- of waterbak voor de opslag van mest of water;

1.4 foliebassin:

een mestbassin , uitgevoerd als een met folie beklede grondput met of zonder omdijking;

1.5 geitenhouderij:

het houden van dertig geiten of meer;

1.6 huishouden:

een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, die een duurzame (gemeenschappelijke) huishouding voer(t)(en) of wil(len) voeren, waar bij een gemeenschappelijke huishouding sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan (kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen);

1.7 kamerverhuur:

woonvorm waarbij sprake is van woonruimte die geen eigen toegang heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte;

1.8 mestbassin

een reservoir bestemd en geschikt voor het bewaren van dunne mest, dat niet geheel of gedeeltelijk is gelegen onder een stal;

1.9 mestopslag:

opslag van mest voor een agrarisch bedrijf, in een bouwwerk zoals een mestbassin of opslag anders dan in een bouwwerk (mestzak en daarmee gelijk te stellen voorzieningen);

1.10 mestsilo:

een constructie van beton, hout of staal bekleed met folie of beton, dan wel een gemetselde constructie die geheel of gedeeltelijk is ingegraven ten behoeve van de opslag van mest; onder een mestsilo wordt niet begrepen een mestkelder, zijnde een volledig ondergrondse bak, die is gecombineerd met een gebouw;

1.11 mestzak:

een aarden put, bekleed met folie, die geheel of gedeeltelijk is ingegraven en wordt omgeven door een grondwal ten behoeve van de opslag van drijfmest;

1.12 normaal agrarisch gebruik:

gebruik dat gelet op de bestemming noodzakelijk is voor een goede agrarische bedrijfsvoering en agrarisch gebruik van de gronden.

1.13 tuinbouw:

het al dan niet bedrijfsmatig telen van groenten, tuinvruchten en tuinbouwzaden;

1.14 vollegronds tuinbouwbedrijf:

een grondgebonden agrarisch bedrijf dat overwegend of uitsluitend is gericht op het telen van tuinbouwgewassen in de volle grond;

1.15 wonen:

het huisvesten in een woning van één afzonderlijk huishouden;

1.16 woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.17 woongebouw:

een gebouw dat meerdere naast elkaar gelegen en/of geheel of gedeeltdelijk boven elkaar gelegen woningen omvat met één of meer gemeenschappelijke toegangen en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd;

1.18 woonhuis:

een gebouw dat één woning omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd.

Artikel 2 Van toepassingverklaring

Dit bestemmingsplan 'Veegplan Eemsdelta 2023' is een aanvulling op de bestemmingsplannen die gelden binnen de in de verbeelding opgenomen gebieden. Het bepaalde in deze bestemmingsplannen blijft van toepassing, met dien verstande dat in geval van strijdigheid van bepalingen, de bepalingen van dit veegbestemmingsplan voorgaan op de regels die ingevolge deze bestemmingsplannen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

Een lijst van bovengenoemde bestemmingsplannen is opgenomen Bijlage 1 bij de regels.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied (Loppersum)   Agrarisch   Artikel 3.4. Afwijking van de bouwregels  

Artikel 3.4 sub a onder 4 van de bestemming 'Agrarisch' in bovengenoemd bestemmingsplan wordt als volgt aangevuld (zie vet en/of doorgestreept):

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

4. het bepaalde in lid 3.2.1 sub f:

voor het vergroten van de stalvloeroppervlakte van de stalvloer van een bestaande intensieve veehouderij indien er sprake is van een vergroting van het stalvloeroppervlak die noodzakelijk is om tegemoet te komen aan de aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van milieu en/of die er toe strekken om het welzijn van de te houden dieren te vergroten door de netto voor het dier beschikbare leefruimte te vergroten, mits:

    • 1. het aantal dieren zoals vergund op 1 januari 2019 niet toeneemt;
    • 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; (ondergeschikte neventak of volwaardig), met dien verstande dat de stalvloeroppervlakte niet mag worden uitgebreid, dan wel kan worden uitgebreid tot een oppervlakte van ten hoogste 5.000 m2 of 7.500 m2, overeenkomstig onderstaand overzicht:

(...)

mits is aangetoond dat er geen significant negatieve gevolgen zijn voor de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden als gevolg van ammoniakdepositie.

De hiervoor genoemde beperkingen voor vergroting van de staloppervlakte zijn niet van toepassing voor zover de toename van de stalvloeroppervlakte noodzakelijk is om daarmee tegemoet te komen aan aangescherpte eisen op het gebied van milieu en dierenwelzijn en het aantal te houden dieren daarbij niet toeneemt.

Binnen de gebouwen mag ten hoogste één bouwlaag worden gebruikt voor het houden van dieren;

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Stad Appingedam, deelgebied agrarische gebieden   Agrarisch   Artikel 3.3 Afwijken van de bouwregels  
Stad Appingedam, deelgebied agrarische gebieden   Bijlage 2 vervalt    

Artikel 3.3 sub b van de bestemming 'Agrarisch' in bovengenoemd bestemmingsplan wordt als volgt aangevuld (zie vet en/of doorgestreept):

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

  • b. het bepaalde in lid 3.2.2. sub d. in die zin dat de gezamenlijke stalvloeroppervlakte van gebouwen ten behoeve van een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering zoals weergegeven in bijlage 2,  wordt vergroot, indien er sprake is van een vergroting van het stalvloeroppervlak die noodzakelijk is om tegemoet te komen aan de aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van milieu en/of die er toe strekken om het welzijn van de te houden dieren te vergroten door de netto voor het dier beschikbare leefruimte te vergroten, mits:
    • 1. het aantal dieren zoals vergund op 1 januari 2019 niet toeneemt;
    • 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Binnen de gebouwen mag ten hoogste één bouwlaag worden gebruikt voor het houden van dieren.

deze afwijking uitsluitend wordt verleend ten behoeve van de verbetering van het dierenwelzijn en/of het verbeteren van de milieusituatie, bij een gelijkblijvende productieomvang en bij een gelijkblijvend aantal dieren;

bij toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid de richtlijnen van het Informatie- en Kenniscentrum Landbouw gehanteerd worden;

3.2 Bouwhoogte bedrijfsgebouwen
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied (Loppersum)   Agrarisch   Artikel 3.4. Afwijking van de bouwregels  
Stad Appingedam, deelplan agrarische gebieden   Agrarisch   Artikel 3.3 Afwijken van de bouwregels  

Artikel 3.4 sub a onder 8 van de bestemming 'Agrarisch' in bovengenoemd bestemmingsplan Buitengebied (Loppersum) wordt als volgt gewijzigd (zie vet en/of doorgestreept):

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

8. het bepaalde in lid 3.2.2 sub c:

voor een verhoging van de goothoogte van bedrijfsgebouwen tot 6 7 meter;

Artikel 3.3 onder f van de bestemming 'Agrarisch' in bovengenoemd bestemmingsplan Stad Appingedam, deelplan agrarisch gebieden wordt als volgt aangevuld (zie vet en/of doorgestreept):

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

f. het bepaalde in lid 3.2.2 sub g in die zin dat de goothoogte van bedrijfswoningen wordt vergroot tot 7 m, mits:

- er aantoonbare noodzaak is voor de agrarische bedrijfsvoering.

3.3 Bouwhoogte mestsilo's
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied (Loppersum) en Veeg-Facetplan Bg Loppersum   Agrarisch   Artikel 3.2.5. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde  
Stad Appingedam, deelplan agrarische gebieden   Agrarisch   Artikel 3.2.4. Andere bouwwerken  

Artikel 3.2.5 van de bestemming 'Agrarisch' in bovengenoemde bestemmingsplan Buitengebied (Loppersum) wordt als volgt gewijzigd (zie vet en/of doorgestreept):

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. alle bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen, zoveel mogelijk geclusterd, binnen het bouwperceel te worden gebouwd, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen en bouwwerken ten behoeve van dagrecreatieve voorzieningen;
  • b. de inhoud en/of de oppervlakte van een mestsilo bedraagt niet meer dan respectievelijk 2.500 m3 en 750 m2; de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 8 m;
  • c. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 14 meter, met uitzondering van:
    • 1. de bouwhoogte van mestbassinssilo's, die, inclusief afdekking, ten hoogste 8 meter mag bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van overige mestopslagen, niet zijnde mestsilo's, die ten hoogste 2,5 meter mag bedragen;
    • 3. de bouwhoogte van reclamemasten die ten hoogste 6 meter mag bedragen;
    • 4. de bouwhoogte van dagrecreatieve voorzieningen die ten hoogste 3 meter mag bedragen;
  • d. de ashoogte van windturbines bedraagt niet meer dan 15 meter, dan wel de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m); de wieklengte bedraagt niet meer dan twee derde van de ashoogte;
  • e. binnen een afstand van 5 meter gemeten vanaf de boveninsteek van watergangen met de bestemming 'Water' mogen geen bouwwerken, geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van de bestaande werken, geen gebouwen zijnde.

Artikel 3.2.4 van de bestemming 'Agrarisch' in bovengenoemd bestemmingsplan Stad Appingedam, deelplan agrarische gebieden wordt als volgt gewijzigd (zie vet):

Voor het bouwen van de in lid 3.2.1 onder d genoemde andere bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. silo’s en bassins zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak;
  • b. de bouwhoogte van mestbassins en mestsilo’s, inclusief afdekking, zal ten hoogste 6 m 8 m bedragen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld en de milieusituatie;
  • c. de bouwhoogte van overige mestopslagen zal ten hoogste 2,5 m bedragen;

(...)

3.4 Oppervlakte schuilstallen
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Stad Appingedam, deelplan agrarische gebieden   Agrarisch   Artikel 3.7. Wijzigingsbevoegdheid  

Artikel 3.7 lid f van de bestemming 'Agrarisch' in bovengenoemd bestemmingsplan Stad Appingedam, deelplan agrarische gebieden wordt als volgt gewijzigd (zie vet en/of doorgestreept):

Het bestemmingsplan kan worden gewijzigd in die zin dat:

(...)

Aanbrengen aanduiding schuur

f. de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - schuur” ter plaatse wordt aangebracht, mits:

  • 1. de schuur schuilstal uitsluitend noodzakelijk is ten behoeve van het niet-bedrijfsmatig houden van vee; agrarisch gebruik in de vorm van het stallen van dan wel schuilgelegenheid bieden aan dieren;
  • 2. de oppervlakte van de schuur schuilstal ten hoogste 50 m² 25 m2 zal bedragen;
  • 3. de goothoogte van de schuur schuilstal ten hoogste 3,00 m zal bedragen;
  • 4. de dakhelling van de schuur schuilstal ten hoogste 60° zal bedragen;

Artikel 4 Agrarisch - Dijkenlandschap

4.1 Stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Noord   Agrarisch - Dijkenlandschap   Artikel 3.2.1. Bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's  
Buitengebied-Noord   Bijlage 5 vervalt    

Artikel 3.2.1 van de bestemming 'Agrarisch - Dijkenlandschap' in bovengenoemd bestemmingsplan wordt als volgt gewijzigd (zie vet en/of doorgestreept):

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's gelden de volgende regels:

  • a. er zullen uitsluitend bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's ten behoeve van agrarische bedrijven worden gebouwd;
  • b. de bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's zullen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, ter plaatse van een bouwperceel;
  • c. per gebied, dat is voorzien van een bouwperceel, mogen uitsluitend bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf worden gebouwd;
  • d. kassen zullen uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van ondersteunende teelt;
  • e. de stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf' bedraagt niet meer dan de bestaande stalvloeroppervlakte;

e. de stalvloeroppervlakte zal ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, voor zover gelegen binnen het gebied dat als wit gebied is aangeduid op de kaart in Bijlage 5, ten hoogste de bestaande oppervlakte bedragen;

f. de stalvloeroppervlakte zal ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, voor zover gelegen binnen het gebied dat als geel gebied op de kaart in Bijlage 5, ten hoogste 5.000 m2 bedragen;

g. de stalvloeroppervlakte zal ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, voor zover gelegen binnen het gebied dat als groen gebied op de kaart in Bijlage 5, ten hoogste 7.500 m2 bedragen;

  • f. lid e is de leden e, f en g zijn niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf', indien er sprake is van een vergroting van het stalvloeroppervlak die noodzakelijk is om tegemoet te komen aan de aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van milieu en/of die er toe strekken om het welzijn van de te houden dieren te vergroten door de netto voor het dier beschikbare leefruimte te vergroten, mits:
    • 1. het aantal dieren zoals vergund op 1 januari 2019 niet toeneemt;
    • 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • g. de maatvoering van een bedrijfsgebouw, een overkapping of een torensilo zal voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld (....):
4.2 Wijzigen naar bestemming Wonen - Voormalige boerderijpanden
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Noord   Agrarisch - Dijkenlandschap   Artikel 3.8 lid g Wijzigingsbevoegdheid  
Buitengebied-Zuid   Agrarisch - Dijkenlandschap   Artikel 3.8 lid d Wijzigingsbevoegdheid  

De wijzigingsbevoegdheid in de bestemming 'Agrarisch - Dijkenlandschap' in bovengenoemde bestemmingsplannen wordt als volgt gewijzigd (zie vet en/of doorgestreept):

Artikel 3.8 lid g: de bestemming 'Agrarisch - Dijkenlandschap' wordt gewijzigd in de woonbestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden', inclusief het aanbrengen van een volgnummer, door het verwijderen van de aanduiding voor het bouwperceel en het geheel of gedeeltelijk verwijderen van het daarbinnen gelegen bouwvlak, ten behoeve van een functieverandering van een bouwperceel, met dien verstande dat:

  • a. de functie wonen slechts toegestaan is:
    • 1. in het hoofdgebouw;
    • 2. in een bij het hoofdgebouw behorend karakteristiek gebouw;
    • 3. in een bij het hoofdgebouw behorend beeldbepalend gebouw;

mits het toevoegen van nieuwe woningen past in de Woonvisie Eemsdelta 2022-2032 of de daaropvolgende woonvisie;

  • b. geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het betrokken erf;
  • c. bedrijfsactiviteiten beperkt blijven tot activiteiten die naar aard en omvang ruimtelijk, milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar zijn;
  • d. de mogelijkheid van opslag van materialen en goederen op het erf wordt beperkt;
  • e. de mogelijkheid voor het uitoefenen van detailhandel wordt beperkt;
  • f. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 24 van overeenkomstige toepassing zijn; waarbij sprake zal zijn van een toevoeging aan Bijlage 3;
  • g. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende functies, in die zin dat de functies in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;
  • h. de woonfunctie ondergebracht wordt in de voormalige bedrijfswoning;
  • i. het voormalige boerderijpand of andere beeldbepalende bouwvormen als landschappelijk waardevolle verschijningsvorm worden gehandhaafd;
  • j. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 3.8 lid d: de bestemming 'Agrarisch - Dijkenlandschap' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden', waarbij ook de aanduiding voor het bouwperceel en het daarbinnen gelegen bouwvlak worden verwijderd, met dien verstande dat:

  • a. de functie wonen slechts toegestaan is:
    • 1. in het hoofdgebouw;
    • 2. in een bij het hoofdgebouw behorend karakteristiek gebouw;
    • 3. in een bij het hoofdgebouw behorend beeldbepalend gebouw;

mits het toevoegen van nieuwe woningen past in de Woonvisie Eemsdelta 2022-2032 of de daaropvolgende woonvisie;

  • b. geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het betrokken erf;
  • c. bedrijfsactiviteiten beperkt blijven tot activiteiten die naar aard en omvang ruimtelijk, milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar zijn;
  • d. de mogelijkheid van opslag van materialen en goederen op het erf wordt beperkt;
  • e. de mogelijkheid voor het uitoefenen van detailhandel wordt beperkt;
  • f. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 22 van overeenkomstige toepassing zijn;
  • g. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende functies, in die zin dat de functies in hun ontwikkelingsmogelijkheiden worden beperkt;
  • h. de woonfunctie ondergebracht wordt in de voormalige bedrijfswoning;
  • i. de bestaande verschijningsvorm, zoals die in ieder geval wordt bepaald door de bestaande goothoogte, dakhelling, nokhoogte, nokrichting en oppervlakte, wordt gehandhaafd;
  • j. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

4.3 Bouwhoogte bedrijfsgebouwen
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Noord   Agrarisch - Dijkenlandschap   Artikel 3.4 Afwijking van de bouwregels  
Buitengebied-Zuid   Agrarisch - Dijkenlandschap   Artikel 3.4 Afwijken van de bouwregels  

Artikel 3.4 van de bestemming 'Agrarisch - Dijkenlandschap' in bovengenoemd bestemmingsplan Buitengebied-Noord wordt als volgt aangevuld (zie vet en/of doorgestreept):

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

d. het bepaalde in lid 3.2.1 onder i in die zin dat de goothoogte van bedrijfsgebouwen wordt vergroot tot 7 m, mits:

- er aantoonbare noodzaak is voor de agrarische bedrijfsvoering.

Artikel 3.4 van de bestemming 'Agrarisch - Dijkenlandschap' in bovengenoemd bestemmingsplan Buitengebied-Zuid wordt als volgt aangevuld (zie vet en/of doorgestreept):

d. het bepaalde in lid 3.2.1 onder e in die zin dat de goothoogte van bedrijfsgebouwen wordt vergroot tot 7 m, mits:

- er aantoonbare noodzaak is voor de agrarische bedrijfsvoering.

Artikel 5 Agrarisch - Wegdorpenlandschap

5.1 Stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Zuid   Agrarisch - Wegdorpenlandschap   Artikel 4.2.1. Bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's  
Buitengebied-Zuid   Bijlage 3 vervalt    

Artikel 4.2.1 van de bestemming 'Agrarisch - Wegdorpenlandschap' in bovengenoemd bestemmingsplan wordt als volgt gewijzigd (zie vet en/of doorgestreept):

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's gelden de volgende regels:

  • a. er zullen uitsluitend bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's ten behoeve van agrarische bedrijven worden gebouwd;
  • b. de bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's zullen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, ter plaatse van een bouwperceel;
  • c. per gebied, dat is voorzien van een bouwperceel, mogen uitsluitend bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf worden gebouwd;
  • d. de stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf' bedraagt niet meer dan de bestaande stalvloeroppervlakte;

d. de stalvloeroppervlakte zal ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, voor zover gelegen binnen het gebied dat als wit gebied is aangeduid op de kaart in Bijlage 3, ten hoogste de bestaande oppervlakte bedragen;

e. de stalvloeroppervlakte zal ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, voor zover gelegen binnen het gebied dat als geel gebied op de kaart in Bijlage 3, ten hoogste 5.000 m2 bedragen;

f. de stalvloeroppervlakte zal ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, voor zover gelegen binnen het gebied dat als groen gebied op de kaart in Bijlage 3, ten hoogste 7.500 m2 bedragen;

  • e. lid d is de leden d, e en f zijn niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, indien er sprake is van een vergroting van het stalvloeroppervlak die noodzakelijk is om tegemoet te komen aan de aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van milieu en/of die er toe strekken om het welzijn van de te houden dieren te vergroten door de netto voor het dier beschikbare leefruimte te vergroten, mits:
    • 1. het aantal dieren zoals vergund op 1 januari 2019 niet toeneemt;
    • 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • f. de maatvoering van een bedrijfsgebouw, een overkapping of een torensilo zal voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld (....):
5.2 Bouwhoogte bedrijfsgebouwen
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Zuid   Agrarisch - Wegdorpenlandschap   Artikel 4.4
Afwijken van de bouwregels  

Artikel 4.4 van de bestemming 'Agrarisch - Wegdorpenlandschap' in bovengenoemd bestemmingsplan Buitengebied-Zuid wordt als volgt aangevuld (zie vet en/of doorgestreept):

d. het bepaalde in lid 4.2.1 onder h in die zin dat de goothoogte van bedrijfsgebouwen wordt vergroot tot 7 m, mits:

- er aantoonbare noodzaak is voor de agrarische bedrijfsvoering.

5.3 Westerlaan 6, Meedhuizen
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Zuid   Agrarisch - Wegdorpenlandschap   Artikel 4.1 Bestemmingsomschrijving  

De aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel agrarisch grondgebonden bedrijf' ter plaatse van het adres Westerlaan 6, Meedhuizen wordt gewijzigd in 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf'.

5.4 Hoofdweg 161, Wagenborgen
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Zuid   Agrarisch - Wegdorpenlandschap   Artikel 4.1 Bestemmingsomschrijving  

De aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel agrarisch grondgebonden bedrijf' ter plaatse van het adres Hoofdweg 161, Wagenborg wordt gewijzigd in 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf'.

Artikel 6 Agrarisch - Wierdenlandschap

6.1 Stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Zuid   Agrarisch - Wierdenlandschap   Artikel 5.2.1. Bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's  
Buitengebied-Zuid   Bijlage 3 vervalt    

Artikel 5.2.1 van de bestemming 'Agrarisch - Wierdenlandschap' in bovengenoemd bestemmingsplan wordt als volgt gewijzigd (zie vet en/of doorgestreept):

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's gelden de volgende regels:

  • a. er zullen uitsluitend bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's ten behoeve van agrarische bedrijven worden gebouwd;
  • b. er zullen geen kassen, met uitzondering van tunnelkassen, worden gebouwd;
  • c. de bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's zullen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, ter plaatse van een bouwperceel;
  • d. per gebied, dat is voorzien van een bouwperceel, mogen uitsluitend bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf worden gebouwd;
  • e. de stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf' bedraagt niet meer dan de bestaande stalvloeroppervlakte;

e. de stalvloeroppervlakte zal ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, voor zover gelegen binnen het gebied dat als wit gebied is aangeduid op de kaart in Bijlage 3, ten hoogste de bestaande oppervlakte bedragen;

f. de stalvloeroppervlakte zal ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, voor zover gelegen binnen het gebied dat als geel gebied op de kaart in Bijlage 3, ten hoogste 5.000 m2 bedragen;

g. de stalvloeroppervlakte zal ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, voor zover gelegen binnen het gebied dat als groen gebied op de kaart in Bijlage 3, ten hoogste 7.500 m2 bedragen;

  • f. lid e is de leden e, f en g zijn niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, indien er sprake is van een vergroting van het stalvloeroppervlak die noodzakelijk is om tegemoet te komen aan de aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van milieu en/of die er toe strekken om het welzijn van de te houden dieren te vergroten door de netto voor het dier beschikbare leefruimte te vergroten, mits:
    • 1. het aantal dieren zoals vergund op 1 januari 2019 niet toeneemt;
    • 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • g. de maatvoering van een bedrijfsgebouw, een overkapping of een torensilo zal voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld (....):
6.2 Bouwhoogte bedrijfsgebouwen
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Zuid   Agrarisch - Wierdenlandschap   Artikel 5.4 Afwijken van de bouwregels  

Artikel 5.4 van de bestemming 'Agrarisch - Wierdenlandschap' in bovengenoemd bestemmingsplan Buitengebied-Zuid wordt als volgt aangevuld (zie vet en/of doorgestreept):

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

c. het bepaalde in lid 5.2.1 onder i in die zin dat de goothoogte van bedrijfsgebouwen wordt vergroot tot 7 m, mits:

- er aantoonbare noodzaak is voor de agrarische bedrijfsvoering.

Artikel 7 Agrarisch - Wierdenlandschap 1

7.1 Stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Noord   Agrarisch - Wierdenlandschap 1   Artikel 4.2.1. Bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's  
Buitengebied-Noord   Bijlage 5 vervalt    

Artikel 4.2.1 van de bestemming 'Agrarisch - Wierdenlandschap 1' in bovengenoemd bestemmingsplan wordt als volgt gewijzigd (zie vet en/of doorgestreept):

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's gelden de volgende regels:

  • a. er zullen uitsluitend bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's ten behoeve van agrarische bedrijven worden gebouwd;
  • b. de bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's zullen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, ter plaatse van een bouwperceel;
  • c. per gebied, dat is voorzien van een bouwperceel, mogen uitsluitend bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf worden gebouwd;
  • d. kassen zullen uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van ondersteunende teelt;
  • e. de stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf' bedraagt niet meer dan de bestaande stalvloeroppervlakte;

e. de stalvloeroppervlakte zal ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, voor zover gelegen binnen het gebied dat als wit gebied is aangeduid op de kaart in Bijlage 5, ten hoogste de bestaande oppervlakte bedragen;

f. de stalvloeroppervlakte zal ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, voor zover gelegen binnen het gebied dat als geel gebied op de kaart in Bijlage 5, ten hoogste 5.000 m2 bedragen;

g. de stalvloeroppervlakte zal ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, voor zover gelegen binnen het gebied dat als groen gebied op de kaart in Bijlage 5, ten hoogste 7.500 m2 bedragen;

  • f. lid e is de leden e, f en g zijn niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, indien er sprake is van een vergroting van het stalvloeroppervlak die noodzakelijk is om tegemoet te komen aan de aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van milieu en/of die er toe strekken om het welzijn van de te houden dieren te vergroten door de netto voor het dier beschikbare leefruimte te vergroten, mits:
    • 1. het aantal dieren zoals vergund op 1 januari 2019 niet toeneemt;
    • 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • g. de maatvoering van een bedrijfsgebouw, een overkapping of een torensilo zal voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld (....):

7.2 Bouwhoogte bedrijfsgebouwen
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied Noord   Agrarisch - Wierdenlandschap 1   Artikel 4.4 Afwijking van de bouwregels  

Artikel 4.4 van de bestemming 'Agrarisch - Wierdenlandschap 1' in bovengenoemd bestemmingsplan Buitengebied-Noord wordt als volgt aangevuld (zie vet en/of doorgestreept):

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

c. het bepaalde in lid 4.2.1 onder 1 in die zin dat de goothoogte van bedrijfsgebouwen wordt vergroot tot 7 m, mits:

- er aantoonbare noodzaak is voor de agrarische bedrijfsvoering.

7.3 Nansumerweg 9 Holwierde
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Noord   Agrarisch - Wierdenlandschap 1   Artikel 4  

De bestemming 'Agrarisch - Wierdenlandschap 1' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel Nansumerweg 9 Holwierde, met inachtneming van onderstaande.

Op de verbeelding wordt een bouwvlak opgenomen, alsmede de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel agrarisch grondgebonden bedrijf'.

Artikel 8 Agrarisch - Wierdenlandschap 2

8.1 Stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Noord   Agrarisch - Wierdenlandschap 2   Artikel 5.2.1. Bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's  
Buigtengebied-Noord   Bijlage 5 vervalt    

Artikel 5.2.1 van de bestemming 'Agrarisch - Wierdenlandschap 2' in bovengenoemd bestemmingsplan wordt als volgt gewijzigd (zie vet en/of doorgestreept):

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's gelden de volgende regels:

  • a. er zullen uitsluitend bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's ten behoeve van agrarische bedrijven worden gebouwd;
  • b. de bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's zullen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, ter plaatse van een bouwperceel;
  • c. per gebied, dat is voorzien van een bouwperceel, mogen uitsluitend bedrijfsgebouwen, overkappingen en torensilo's ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf worden gebouwd;
  • d. kassen zullen uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van ondersteunende teelt;
  • e. de stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf' bedraagt niet meer dan de bestaande stalvloeroppervlakte;

e. de stalvloeroppervlakte zal ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, voor zover gelegen binnen het gebied dat als wit gebied is aangeduid op de kaart in Bijlage 5, ten hoogste de bestaande oppervlakte bedragen;

f. de stalvloeroppervlakte zal ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, voor zover gelegen binnen het gebied dat als geel gebied op de kaart in Bijlage 5, ten hoogste 5.000 m2 bedragen;

  • f. lid e is de leden e, f en g zijn niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, indien er sprake is van een vergroting van het stalvloeroppervlak die noodzakelijk is om tegemoet te komen aan de aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van milieu en/of die er toe strekken om het welzijn van de te houden dieren te vergroten door de netto voor het dier beschikbare leefruimte te vergroten, mits:
    • 1. het aantal dieren zoals vergund op 1 januari 2019 niet toeneemt;
    • 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • g. de maatvoering van een bedrijfsgebouw, een overkapping of een torensilo zal voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld (....):

8.2 Bouwhoogte bedrijfsgebouwen
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Noord   Agrarisch - Wierdenlandschap 2   Artikel 5.4 Afwijking van de bouwregels  

Artikel 5.4 van de bestemming 'Agrarisch - Wierdenlandschap 2' in bovengenoemd bestemmingsplan Buitengebied-Noord wordt als volgt aangevuld (zie vet en/of doorgestreept):

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

c. het bepaalde in lid 5.2.1 onder g in die zin dat de goothoogte van bedrijfsgebouwen wordt vergroot tot 7 m, mits:

- er aantoonbare noodzaak is voor de agrarische bedrijfsvoering.

Artikel 9 Bedrijf

9.1 Zijldijksterweg 8 't Zandt
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied Loppersum   Bedrijf   Artikel 4  

De bestemming 'Bedrijf' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel Zijldijksterweg 8 't Zandt, met inachtneming van onderstaande.

De aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf' wordt geschrapt.

Artikel 10 Bedrijventerrein - 4

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Stad Appingedam   Bedrijventerrein - 4   Artikel 15.1 Bestemmingsomschrijving  

Artikel 15.1 lid 1 van de bestemming 'Bedrijventerrein - 4' in bovengenoemd bestemmingsplan wordt als volgt gewijzigd (zie vet en/of doorgestreept):

De voor 'Bedrijventerrein - 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 2 Bijlage 3 onder de categorieën 1, 2, 3.1, met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven;

Artikel 11 Gemengd

11.1 Hoofdstraat 45-47 't Zandt
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Woondorpen   Gemengd   Artikel 7  

De bestemming 'Gemengd' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel Hoofdstraat 45-47 't Zandt, met inachtneming van onderstaande.

Aan de bestemmingsomschrijving in lid 7.1 wordt toegevoegd:

  • a. horecabedrijf van categorie II, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 2';

Artikel 12 Gemengd - 1

12.1 Landstraat 23 Delfzijl
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Centrum Delfzijl   Gemengd - 1   Artikel 9  

De bestemming 'Gemengd - 1' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel Landstraat 23 Delfzijl, met inachtneming van onderstaande.

Op de verbeelding wordt de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - eerste bouwlaag' toegevoegd.

De geldende maatvoering wordt overgenomen ter plaatse van de aanduiding 'maxium goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m). Ook de aanduiding 'gevellijn' wordt overgenomen.

Artikel 13 Tuin

Adres   Bestemmingsplan   Artikel  
Havenweg 18 Spijk   Spijk   artikel 16  
A.E. Gorterweg 22 Woldendorp   Woldendorp   artikel 16  
Farmsumerweg 142 Appingedam   Stad Appingedam   artikel 34  
Professor de Blecourtstraat 4 Appingedam   Stad Appingedam   artikel 34  
Hibiscusstraat 2a Wagenborgen   Wagenborgen   artikel 18  

 

Voor de genoemde adressen in de bovengenoemde plannen is de bestemming 'Tuin' uit deze plannen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14 Water

14.1 Bijgebouwen woonschepenligplaats
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Delfzijl - Kern West   Water   14.2 Bouwregels  

Artikel 14.2.3 van de bestemming 'Water' in bovengenoemd bestemmingsplan wordt als volgt aangevuld (zie vet en/of doorgestreept):

In afwijking van het bepaalde in 14.2.1 is het toegestaan om ter plaatse van de aanduiding ‘woonschepenligplaats’ per ligplaats maximaal één bijgebouw op te richten met dien verstande dat:

a. een bijgebouw niet groter mag zijn dan 12 m2;

b. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,5 meter,

tenzij een bestaand bijgebouw een oppervlakte heeft van meer dan 12 m², in welk geval de bestaande oppervlakte het maximum is.

Artikel 15 Water - Karakteristieke sloot

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied - Noord   Water - Karakteristieke sloot   invoegen na artikel 32  
Stad Appingedam, deelgebied Agrarische gebieden   Water - Karakteristieke sloot   invoegen na artikel 31  

In bovengenoemd bestemmingsplannen wordt een nieuwe bestemming Water - Karakteristieke sloot als ingevoegd (zie vet en/of doorgestreept):

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Water - Karakteristieke sloot’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. watergangen met een waterhuishoudkundige functie;
  • b. oeverstroken;

met dien verstande dat het beloop en profiel van de sloten wordt gehandhaafd, waardoor het landschappelijke karakter van het gebied in hoofdlijnen wordt behouden en waardoor de onregelmatige verkaveling geaccentueerd blijft.

15.2 Bouwregels

Op deze gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

15.3 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het verleggen en dempen van de sloten;
  • b. het wijzigen van het profiel van de sloten.
15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. de aanleg van dammen (en duikers);
    • 2. de aanleg van stuwen;
    • 3. het aanbrengen van ondergrondse leidingen;

met dien verstande dat de vergunning wordt verleend:

  • indien de waterhuishoudkundige noodzaak van de werken en werkzaamheden is aangetoond en bij realisatie het ‘natuurlijke’ karakter van de sloot behouden blijft;
  • indien de onder lid 15.1 genoemde waarden niet worden aangetast.

  • b. Het verbod als bedoeld onder a is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die:
    • 1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
    • 2. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
    • 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning.

Artikel 16 Water - Karakteristieke waterloop

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied - Noord   Water - Karakteristieke waterloop   invoegen na artikel 32  
Buitengebied - Zuid   Water- Karakteristieke waterloop   invoegen na artikel 31  
Stad-Appingedam   Water - Karakteristieke waterloop   invoegen na artikel 70  
Stad-Appingedam, deelplan Agrarische gebieden   Water - Karakteristieke waterloop   invoegen na artikel 12  
Buitengebied Loppersum   Water - Karakteristieke waterloop   artikel 17  

In bovengenoemd bestemmingsplannen wordt een nieuwe bestemming Water - Karakteristieke waterloop ingevoegd (zie vet en/of doorgestreept). In het bestemmingsplan Buitengebied Loppersum bestaat deze regeling al maar is de verbeelding aangevuld op dit punt.

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Water - Karakteristieke waterloop’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. watergangen;
  • b. oeverstroken;
  • c. gemalen;
  • d. extensief dagrecreatief gebruik;

met de daarbij behorende:

  • e. bermen, verharding, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, aanlegsteigers en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde,

met dien verstande dat het beloop en het profiel van de waterlopen, alsmede de laagten die vanuit de natuurlijke oorsprong met de waterlopen samenhangen of hebben samengehangen, worden gehandhaafd en de herkenbare verkaveling zichtbaar blijft.

16.2 Bouwregels
16.2.1 Gebouwen

Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

16.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen.

16.3 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het verleggen van de waterloop;
  • b. het wijzigen van het profiel van de waterloop;
  • c. het gebruik van de gronden voor reclamedoeleinden.
16.4 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 16.3 sub b voor het aanbrengen en/of het herstel van natuurvriendelijke oevers, met dien verstande dat de vergunning wordt verleend indien:

  • de waterhuishoudkundige noodzaak van de werken en werkzaamheden is aangetoond en bij realisatie het ‘natuurlijk’ karakter van de sloot behouden blijft;
  • er overleg met de provincie heeft plaatsgevonden;
  • de onder lid 16.1 genoemde waarden niet worden aangetast.
16.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren in de laagten die met de waterloop samenhangen of hebben samengehangen:

  • a. het diepploegen van de gronden;
  • b. het ophogen van de gronden;
  • c. het afschuiven van de gronden;

met dien verstande dat de vergunning wordt verleend:

  • indien de noodzaak van de werken en werkzaamheden is aangetoond;
  • indien de onder lid 16.1 genoemde waarden niet worden aangetast.

Artikel 17 Wonen - 1B

17.1 Havenweg 18 Spijk
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Spijk   Wonen - 1B   Artikel 21  

De bestemming 'Wonen - 1B' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel Havenweg 18 Spijk, met inachtneming van onderstaande.

Aan de bouwregels in lid 21.2.1. wordt toegevoegd:

  • ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' zal de goot- en bouwhoogte van een gebouw of overkapping ten hoogste de in de aanduiding aangegeven hoogte bedragen.

De functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - draineerbedrijf wordt verwijderd.

17.2 Hibiscusstraat 2a Wagenborgen
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Wagenborgen   Wonen - 1B   Artikel 23  

De bestemming 'Wonen - 1B' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel Hibiscusstraat 2a Wagenborgen.

Artikel 18 Wonen - 2B

18.1 A.E. Gorterweg 22 Woldendorp
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Woldendorp   Wonen - 2B   Artikel 21  

De bestemming 'Wonen - 2B' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel A.E. Gorterweg 22 Woldendorp, met inachtneming van onderstaande.

Aan de bouwregels in lid 23.2.1. wordt toegevoegd:

  • de goot- en bouwhoogte bedraagt niet meer dan de op de verbeelding aangegeven goot- en bouwhoogte;

Artikel 19 Wonen - A1

19.1 Professor de Blecourtstraat 4 Appingedam
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Stad Appingedam   Wonen - A1   Artikel 44  

De bestemming 'Wonen - A1' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel Professor de Blecourtstraat 4 Appingedam, met inachtneming van onderstaande.

Aan het perceel wordt de aanduiding 'bedrijf' toegevoegd.

Aan de bouwregels in lid 44.2.2 wordt toegevoegd:

  • ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' zullen de goot- en bouwhoogte van een gebouw en het bebouwingspercentage van een bouwvlak ten hoogste de aangegeven hoogte respectievelijk het percentage bedragen.
19.2 Farmsumerweg 142 Appingedam
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Stad Appingedam   Wonen - A1   Artikel 44  

De bestemming 'Wonen - A1' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel Farmsumerweg 142 Appingedam, met inachtneming van onderstaande.

Aan de bouwregels in lid 44.2.2 wordt toegevoegd:

  • ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' zullen de goot- en bouwhoogte van een gebouw en het bebouwingspercentage van een bouwvlak ten hoogste de aangegeven hoogte respectievelijk het percentage bedragen.

Artikel 20 Leiding - Gas

20.1 Farmsumerweg 142 Appingedam

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Stad Appingedam   Leiding - Gas   Artikel 62  

De bestemming 'Leiding - Gas' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel Farmsumerweg 142 Appingedam.

Artikel 21 Leiding - Hoogspanningsverbinding

21.1 Zijldijksterweg 8 't Zandt
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied Loppersum   Leiding - Hoogspanningsverbinding   Artikel 21  

De bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel Zijldijksterweg 8 't Zandt.

Artikel 22 Leiding - Water

22.1 Farmsumerweg 142 Appingedam
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Stad Appingedam   Leiding - Water   Artikel 64  

De bestemming 'Leiding - Water' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel Farmsumerweg 142 Appingedam.

Artikel 23 Waarde - Archeologie 1 Appingedam

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Stad Appingedam   Waarde - Archeologie 1   artikel 65  
23.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 1 Appingedam' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • de bescherming van archeologische waarden.
23.2 Bouwregels

Voor het bouwen van bouwwerken is een omgevingsvergunning noodzakelijk. Een aanvraag daartoe dient bij het college van burgemeester en wethouders te worden ingediend. De Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) is adviseur over de aanvraag.

23.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, is een omgevingsvergunning noodzakelijk. Een aanvraag daartoe dient bij het college van burgemeester en wethouders te worden ingediend. De Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) is adviseur over de aanvraag.

Artikel 24 Waarde - Archeologie 1 Delfzijl

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Facetplan Cultuurhistorie   Waarde - Archeologie 1   Artikel 3  
24.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ´Waarde - Archeologie 1 Delfzijl´aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden.

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

24.2 Bouwregels

Voor het bouwen van bouwwerken is een vergunning van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed noodzakelijk. Een aanvraag daartoe dient bij Burgemeester en Wethouders van de gemeente Eemsdelta te worden ingediend.

24.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Voor het aanleggen van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, is een vergunning van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed noodzakelijk. Een aanvraag daartoe dient bij de gemeente Delfzijl te worden ingediend.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning krachtens de Erfgoedwet een beschermd monument af te breken, te verstoren of in enig opzicht te wijzigen.

Artikel 25 Waarde - Archeologie 2 Appingedam

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Stad Appingedam   Waarde - Archeologie 2   artikel 66  
25.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 2 Appingedam' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • de bescherming van archeologische waarden.
25.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 40 cm -Mv wordt geroerd, met uitzondering van:

  • bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 15 m² ten behoeve van andere daar voorkomende bestemming(en).

De gebouwen die bestaan ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zijn hiervan uitgezonderd.

25.3 Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 25.2, mits:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de bouw van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
  • d. Indien aan de afwijking voorwaarden worden verbonden, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.
25.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
25.4.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden over een totaal aaneengesloten oppervlakte groter dan 5 m², waarbij in acht genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voornoemde werken is bewerkt;
  • b. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking dieper dan 0,4 m;
  • c. het graven, uitbaggeren of dempen van watergangen;
  • d. het aanbrengen van systematische drainage in agrarische percelen dieper dan 0,4 m;
  • e. het graven van sleuven breder dan 0,5 m en dieper dan 1 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen, drainage, en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • f. het permanent verlagen van het waterpeil.
25.4.2 Uitzondering

Het bepaalde in lid 25.4.1is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en het normale agrarische gebruik, waaronder in ieder geval wordt verstaan drainage en het uitbaggeren van watergangen, sloten en grachten, betreffen;

reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;

  • b. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
25.4.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning zal slechts worden verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Indien aan de omgevingsvergunning voorwaarden worden verbonden, wordt eerst een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

25.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bestemmingsplan kan worden gewijzigd in die zin dat:

  • a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2 Appingedam' wordt verwijderd, indien op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

Artikel 26 Waarde - Archeologie 2 Delfzijl

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Facetplan Cultuurhistorie   Waarde - Archeologie 2   artikel 4  
26.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ´Waarde - Archeologie 2 Delfzijl´aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

26.2 Bouwregels
  • a. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 40 cm -Mv wordt geroerd, met uitzondering van bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 50 m² ten behoeve van andere daar voorkomende bestemming(en).
  • b. De gebouwen die bestaan ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan zijn hiervan uitgezonderd.
26.3 Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 26.2, mits:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de bouw van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Indien er voornemens zijn om aan de afwijking voorwaarden te verbinden, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

26.4 Specifieke gebruiksregels

Het gebruik waarbij sprake is van een permanente verlaging van het waterpeil, is alleen mogelijk indien rekening is gehouden met het belang van de archeologische waarden. Dit is het geval indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
26.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
26.5.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren of kilveren van gronden over een totaal aaneengesloten oppervlakte groter dan 5 m², waarbij in acht genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voornoemde werken is bewerkt;
  • b. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking dieper dan 0,4 m;
  • c. het graven of dempen van waterlopen;
  • d. het aanbrengen van systematische drainage in agrarische percelen dieper dan 0,4 m;
  • e. het graven van sleuven breder dan 0,5 m en dieper dan 1,00 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties en/of apparatuur.
26.5.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 26.5.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en het normaal agrarisch gebruik, waaronder het uitbaggeren van sloten wordt begrepen, betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
  • d. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
26.5.3 Toetsingscriteria

Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.


Indien er voornemens zijn om aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden voorwaarden te verbinden, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

26.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de grenzen van de bestemming aan te passen, indien op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • b. aan gronden alsnog de bestemming ´Waarde - Archeologie 2 Delfzijl´ toe te kennen, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 27 Waarde - Archeologie 3 Delfzijl

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Facetplan Cultuurhistorie   Waarde - Archeologie 3   artikel 5  
27.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ´Waarde - Archeologie 3 Delfzijl´aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van archeologische (verwachtings)waarden.

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

27.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd waarbij de bodem dieper dan 0,40 m -Mv wordt geroerd, met uitzondering van:

  • a. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met ten hoogste 100 m² wordt uitgebreid;
  • b. bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 100 m² ten behoeve van andere daar voorkomende bestemming(en).
27.3 Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 27.2, mits:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de bouw van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Indien er voornemens zijn om aan de afwijking voorwaarden te verbinden, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

27.4 Specifieke gebruiksregels

Het gebruik waarbij sprake is van een permanente verlaging van het waterpeil, is alleen mogelijk indien rekening is gehouden met het belang van de archeologische waarden. Dit is het geval indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
27.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
27.5.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden over een oppervlakte groter dan 100 m², waarbij in acht wordt genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voornoemde werken is bewerkt;
  • b. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking dieper dan 0,40 m, waarbij in acht wordt genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voornoemde werken is bewerkt;
  • c. het graven of dempen van waterlopen;
  • d. het aanbrengen van systematische drainage in agrarische percelen dieper dan 0,4 m;
  • e. het graven van sleuven breder dan 0,50 m en dieper dan 1,00 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties en/of apparatuur.
27.5.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 27.5.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en het normaal agrarisch gebruik, waaronder het uitbaggeren van sloten wordt begrepen, betreffen;
  • b. vallen binnen de bebouwde delen van de agrarische bouwpercelen;
  • c. (her)drainage door middel van kettingdrainage en sleufloze drainage betreffen;
  • d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • e. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning;
  • f. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
27.5.3 Toetsingscriteria

Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de werken en/of de werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.


Indien er voornemens zijn om aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden voorwaarden te verbinden, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

27.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de grenzen van de bestemming aan te passen, indien op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • b. aan gronden alsnog de bestemming ´Waarde - Archeologie 3 Delfzijl´ toe te kennen, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 28 Waarde - Archeologie 4 Appingedam

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Stad Appingedam   Waarde - Archeologie 4   artikel 68  
28.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 4 Appingedam' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • het behoud van archeologische (verwachtings)waarden.

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

28.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 50 cm -Mv wordt geroerd, met uitzondering van:

  • a. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 200 m² wordt uitgebreid;
  • b. bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 200 m² ten behoeve van andere daar voorkomende bestemming(en).
28.3 Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 28.2, mits:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de bouw van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
  • d. Indien aan de afwijking voorwaarden worden verbonden, wordt eerst een archeologisch deskundige om advies gevraagd.
28.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
28.4.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden over een oppervlakte groter dan 200 m², waarbij in acht wordt genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voornoemde werken is bewerkt;
  • b. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking met een oppervlakte groter dan 200 m² en dieper dan 0,5 m, waarbij in acht wordt genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voornoemde werken is bewerkt;
  • c. het graven of dempen van watergangen;
  • d. het graven van sleuven breder dan 0,50 m en dieper dan 1 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen, drainage en funderingen, en daarmee verband houdende constructies, installaties op apparatuur;
  • e. het permanent verlagen van het waterpeil;
28.4.2 Uitzondering

Het bepaalde in lid 28.4.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en het normale agrarische gebruik, waaronder in ieder geval wordt verstaan drainage en het uitbaggeren van watergangen, sloten en grachten, betreffen;

reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;

aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;

  • b. onderhouds- en vervangingswerkzaamheden betreffen van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte.
28.4.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning zal slechts worden verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;

één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:

    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de werken en/of de werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
  • c. Indien aan de omgevingsvergunning voorwaarden worden verbonden, wordt eerst een archeologisch deskundige om advies gevraagd.
28.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bestemmingsplan kan worden gewijzigd in die zin dat:

  • a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4 Appingedam' wordt verwijderd, indien op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

Artikel 29 Waarde - Archeologie 4 Delfzijl

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Facetplan Cultuurhistorie   Waarde - Archeologie 4   artikel 6  
29.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ´Waarde - Archeologie 4 Delfzijl´ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van archeologische (verwachtings)waarden.

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

29.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd waarbij de bodem dieper dan 0,45 m -Mv wordt geroerd, met uitzondering van:

  • a. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met ten hoogste 200 m² wordt uitgebreid;
  • b. bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 200 m² ten behoeve van andere daar voorkomende bestemming(en).
29.3 Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 29.2, mits:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de bouw van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Indien er voornemens zijn om aan de afwijking voorwaarden te verbinden, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

29.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
29.4.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden over een oppervlakte groter dan 200 m², waarbij in acht wordt genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voornoemde werken is bewerkt;
  • b. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking met een oppervlakte groter dan 200 m² en dieper dan 0,45 m, waarbij in acht wordt genomen de oppervlakte welke reeds eerder door voornoemde werken is bewerkt;
  • c. het graven of dempen van waterlopen;
  • d. het graven van sleuven breder dan 0,50 m en dieper dan 1,00 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties en/of apparatuur.
29.4.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 29.4.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en het normaal agrarisch gebruik, waaronder het uitbaggeren van sloten wordt begrepen, betreffen;
  • b. vallen binnen de bebouwde delen van de agrarische bouwpercelen;
  • c. (her)drainage door middel van kettingdrainage en sleufloze drainage betreffen;
  • d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • e. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning;
  • f. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
29.4.3 Toetsingscriteria

Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de werken en/of de werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.


Indien er voornemens zijn om aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden voorwaarden te verbinden, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

29.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de grenzen van de bestemming aan te passen, indien op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • b. aan gronden alsnog de bestemming ´Waarde - Archeologie 4 Delfzijl´ toe te kennen, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 30 Waarde - Glaciale rug

30.1 Hibiscusstraat 2a Wagenborgen
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Wagenborgen   Waarde - Glaciale rug   Artikel 40  

De bestemming 'Waarde - Glaciale rug' wordt conform bovengenoemd plan van toepassing verklaard voor het perceel Hibiscusstraat 2a Wagenborgen.

Artikel 31 Waarde - Ruimtelijke kwaliteit

In alle bestemmingsplannen genoemd in de lijst die is opgenomen in Bijlage 1 bij de regels, waar de bestemming 'Waarde - Ruimtelijke kwaliteit' voorkomt, wordt de bestemmingsomschrijving aangevuld met (zie vet en/of doorgestreept):

31.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Ruimtelijke kwaliteit' bestemde gebieden zijn mede bestemd voor het behoud van de bestaande ruimtelijke kwaliteiten waaronder wordt begrepen:

  • a. het aanwezige straat-, bebouwings- en/of landschapsbeeld ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - karakteristiek gebied';
  • b. de stedenbouwkundige, landschappelijke en/of architectonische waarden en/of ruimtelijk-visuele waarden van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ter plaatse van de bouwaanduiding 'karakteristiek'.
  • c. de stedenbouwkundige, landschappelijke en/of architectonische waarden en/of ruimtelijk-visuele waarden van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument';
  • d. de wettelijk beschermde bouwwerken op grond van de Erfgoedwet ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – rijksmonument’.
31.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde in de andere daar voorkomende bestemming(en) gelden voor het bouwen ter plaatse van de bouwaanduiding 'karakteristiek' en 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' dat de bestaande goot- en bouwhoogten, de kapvorm en oppervlakte van het gebouw, alsmede de bestaande gevelindeling en de bestaande ligging dienen te worden gehandhaafd, tenzij het gebouwen betreft waarvoor reeds een sloopvergunning voor het slopen van het gehele gebouw is verleend en de sloop is uitgevoerd.

31.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 31.2 en toestaan dat de goot- of bouwhoogte, kapvorm of oppervlakte, de gevelindeling en/of de ligging wordt gewijzigd, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke verschijningsvorm van het gebouw en er rekening wordt gehouden met ligging en context van het bestaande gebouw.

31.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van gebouwen
31.4.1 Omgevingsvergunningplicht
  • a. Binnen het op de verbeelding aangegeven gebied 'specifieke vorm van waarde - karakteristiek gebied' mogen gebouwen niet zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gesloopt worden;
  • b. Ter plaatse van de bouwaanduiding 'karakteristiek' en 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' mogen gebouwen en delen van gebouwen niet zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gesloopt worden.
31.4.2 Voorwaarden vergunningverlening

  • a. Karakteristiek gebied
  • a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 31.4.1 onder a wordt voor gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - karakteristiek gebied' uitsluitend verleend indien:
    • 1. de sloop niet leidt tot achteruitgang van de kenmerkende waarden van een gebied, zodanig dat het stedenbouwkundig dan wel landschappelijk beeld onevenredig wordt aangetast;
    • 2. de aanvraag om vergunning is voorzien van:
      • een plan tot herinrichting van de locatie waaruit blijkt dat het kenmerkende stedenbouwkundig dan wel landschappelijk beeld niet onevenredig wordt aangetast;
      • een planning van de sloop en herinrichting.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 31.4.1 onder a wordt uitsluitend verleend als er garantie bestaat voor een goede herinvulling binnen redelijke termijn na de sloop van een gebouw, waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt hersteld. In de omgevingsvergunning zal een voorschrift worden opgenomen waarin de datum waarop de herinvulling gereed moet zijn, wordt vastgelegd.

  • A. Karakteristiek object
  • a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 31.4.1 onder b wordt voor gebouwen en delen van gebouwen ter plaatse van de bouwaanduiding 'karakteristiek' en 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' uitsluitend verleend indien:
    • 1. sprake is van een algemeen belang waarvoor het karakteristieke gebouw moet wijken; of,
    • 2. wordt aangetoond dat zinvol (her)gebruik van het gebouw overeenkomstig de geldende bestemming of een andere, uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, passende bestemming objectief gezien niet mogelijk is en het belang van de vergunningaanvrager bij sloop van het gebouw in redelijkheid dient te prevaleren boven het cultuurhistorisch belang bij behoud ervan. De aanvrager van een omgevingsvergunning dient daartoe een rapport van een onafhankelijke deskundige te overleggen, dat ingaat op:
      • de bouwkundige en gebruikstechnische staat van het gebouw;
      • de mate waarin het gebouw geschikt is of door het treffen van voorzieningen geschikt kan worden gemaakt voor zinvol (her)gebruik overeenkomstig de geldende bestemming of een andere, uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, passende bestemming; of,
    • 3. de karakteristieken van het gebouw niet langer aanwezig zijn en alleen met ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kunnen worden hersteld; of,
    • 4. het delen van een gebouw betreft die op zichzelf niet als karakteristiek zijn aan te merken en door sloop van deze delen geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt; of
    • 5. het delen van een gebouw betreft die wel als karakteristiek zijn aan te merken, maar deze delen worden vervangen door gelijkwaardige karakteristieke delen.
  • b. Het overleggen van een deskundigenrapport als bedoeld onder lid B onder a sub 2 is niet nodig indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders uit andere beschikbare informatie afdoende blijkt dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden.
  • c. In het geval dat sloop van volledige gebouwen op grond van het gestelde in lid B onder a sub b of c mogelijk is, dient de aanvraag om sloopvergunning tevens te worden voorzien van:
    • 1. een plan voor de herinrichting van de locatie ten behoeve van het behoud van de ruimtelijke kwaliteit dat tot stand is gekomen middels de maatwerkmethode;
    • 2. een planning van de sloop en herinrichting.
  • d. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 31.4.1 onder b wordt uitsluitend verleend als er garantie bestaat voor een goede herinvulling binnen redelijke termijn na de sloop van een gebouw, waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt hersteld. In de omgevingsvergunning zal een voorschrift worden opgenomen waarin de termijn waarbinnen de herinvulling gereed moet zijn, wordt vastgelegd.
  • e. Indien burgemeester en wethouders het voornemen hebben om een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 31.4.1 onder b te verlenen, wordt een deskundige op het gebied van stedenbouw, landschapsarchitectuur en cultuurhistorie om een schriftelijk advies gevraagd.
31.4.3 Uitzondering

Het gestelde onder 31.4.1 is niet van toepassing voor zover het sloop betreft:

  • a. van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woningen en bij bedrijfsgebouwen die gebouwd zijn na 1 januari 1950 of die niet behoren tot de oorspronkelijke bebouwing;
  • b. ten behoeve van gewoon onderhoud en herstel;
  • c. van inpandige delen van een gebouw;
  • d. ten behoeve van het uitvoeren van destructief onderzoek;
  • e. die noodzakelijk is ter voorkoming van instortingsgevaar en daarbij sprake is van een acute bedreiging van veiligheid van personen of beschadiging van omliggende bebouwing en andere maatregelen het instortingsgevaar niet kunnen voorkomen;
  • f. van gebouwen waarvoor reeds een sloopvergunning voor het slopen van het volledige bouwwerk is verleend.
31.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen de bouwaanduiding 'karakteristiek' wijzigen indien naar het oordeel van een deskundige op het gebied van stedenbouw en/of landschap voldoende duidelijk is dat:

  • a. een bouwwerk of deel van een bouwwerk of gebied niet of niet meer als karakteristiek kunnen worden beschouwd;
  • b. een bouwwerk als karakteristiek dient te worden aangemerkt.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 32 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 33 Algemene gebruiksregels

In alle bestemmingsplannen genoemd in de lijst die is opgenomen in Bijlage 1 bij de regels, worden de algemene gebruiksregels als volgt aangevuld (zie vet en/of doorgestreept):

33.1 Intensieve veehouderijen
  • a. De nieuwvestiging van een hoofd- of neventak intensieve veehouderij is niet toegestaan.
  • b. De stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij bedraagt niet meer dan de bestaande stalvloeroppervlakte;
  • c. het bepaalde in sub b is niet van toepassing indien vergroting van het stalvloeroppervlak noodzakelijk is om tegemoet te komen aan de aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van milieu en/of die er toe strekken om het welzijn van de te houden dieren te vergroten door de netto voor het dier beschikbare leefruimte te vergroten, mits:
    • 1. het aantal dieren zoals vergund op 1 januari 2019 niet toeneemt;
    • 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
33.2 Geitenhouderijen
33.2.1 Verbod
  • a. Het gebruik van gronden en gebouwen voor nieuwe geitenhouderijen en het bouwen ten behoeve hiervan is niet toegestaan Hieronder wordt in ieder geval begrepen:
    • 1. nieuwvestiging van geitenhouderijen, al dan niet als neventak bij een (agrarisch) bedrijf;
    • 2. het uitbreiden van een geitenhouderij, door het aantal met één of meer geiten dat wordt gehouden te vergroten.
  • b. Het verbod zoals in sub a gesteld geldt vanaf de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.
  • c. Het verbod geldt niet voor bestaande en vergunde geitenhouderijen ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.
33.2.2 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Het bevoegd gezag kan van het verbod in lid 33.2.1, eerste sublid, afwijken met een omgevingsvergunning indien uit onderzoek in voldoende mate is gebleken dat gezondheidsrisico's voor de gezondheid van personen die verblijven in nabij gelegen functies, zijn uit te sluiten.
  • b. Het bevoegd gezag betrekt bij het al dan niet verlenen van de vergunning in ieder geval:
    • 1. de afstand van de geitenhouderij tot bestaande of geprojecteerde woonfuncties of andere gevoelige verblijffuncties;
    • 2. een advies van de GGD of andere onafhankelijke deskundige zo lang er geen algemene nieuwe inzichten zijn.
33.3 Afvalbedrijven

De nieuwvestiging of uitbreiding van bedrijven waar van derden afkomstige afvalstoffen worden bewerkt, verwerkt, op- of worden overgeslagen is niet toegestaan.

  • a. In afwijking van het bepaalde in sub a is de opslag van afvalstoffen buiten gebouwen van bestaande afvalbedrijven toegestaan, uitsluitend voor zover vergund.

Artikel 34 Algemene aanduidingsregels

34.1 Geluidzone - industrie

Adres   Bestemmingsplan   Artikel  
Westerlaan 6 Meedhuizen   Buitengebied-Zuid   artikel 39.1  
Landstraat 23 Delfzijl   Centrum (Delfzijl)   artikel 37.1  
Farmsumerweg 142 Appingedam   Stad Appingedam   artikel 75.1  

 

Voor de genoemde adressen in de bovengenoemde plannen is de gebiedsaanduiding 'Geluidzone - industrie' uit deze plannen van overeenkomstige toepassing.

34.2 Overige zone - leefgebied akkervogels

Ter plaatse van de 'Overige zone - leefgebied akkervogels' geldt dat schade aan het leefgebied voor akkervogels door aantasting van de landschappelijke openheid of door verstoring van vogels en aantasting van het areaal moet worden voorkómen.

Hiervan is geen sprake bij normaal agrarisch gebruik.

34.3 Overige zone - leefgebied weidevogels

Ter plaatse van de 'Overige zone - leefgebied weidevogels' geldt dat schade aan het leefgebied voor weidevogels door aantasting van de landschappelijke openheid of door verstoring van vogels en aantasting van het areaal moet worden voorkómen.

Hiervan is geen sprake bij normaal agrarisch gebruik.

34.4 Overige zone - welstandsgebied 3

Ter plaats van de 'Overige zone - welstandsgebied 3' gelden de welstandsregels zoals opgenomen in hoofdstuk 3 van bijlage 7 Welstandscriteria zoals opgenomen bij de regels van het bestemmingsplan Stad Appingedam.

34.5 Overige zone - welstandsgebied 11

Ter plaats van de 'Overige zone - welstandsgebied 11' gelden de welstandsregels zoals opgenomen in hoofdstuk 11 van bijlage 7 Welstandscriteria zoals opgenomen bij de regels van het bestemmingsplan Stad Appingedam.

34.6 Overige zone - windturbines toegestaan

Ter plaats van de 'Overige zone - windturbines toegestaan' gelden de regels voor windturbines zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied-Zuid.

34.7 Vrijwaringszone - molenbiotoop

Binnen de bestemmingsplannen waar een vrijwaringszone is opgenomen in verband met de aanwezigheid van een molen, wordt onderstaande bepaling gewijzigd:

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, afwijken van:

  • het bepaalde in lid ... en toestaan dat hogere bouwwerken, worden gebouwd, mits vooraf advies wordt gevraagd aan een ter zake deskundige. ingewonnen van de vereniging ‘De Hollandsche Molen’.

Artikel 35 Algemene afwijkingsregels

In alle bestemmingsplannen genoemd in de lijst die is opgenomen in Bijlage 1 bij de regels, worden de algemene afwijkingsregels als volgt aangevuld (zie vet en/of doorgestreept):

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. de in het plan opgenomen bouwregels voor een afwijkende maatvoering en/of voor het bouwen buiten het bouwvlak in het geval van:
    • 1. het herstellen en/of het bouwkundig versterken van beschadigde gebouwen als gevolg van de aardgaswinning, mits:
      • geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld;
      • de afwijking uit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt aanvaardbaar is.
    • 2. aardbevingsbestendige nieuwbouw van gebouwen, mits:
      • de nieuwe woning deels in of grenzend aan het bouwvlak wordt gebouwd;
      • bij vervangende nieuwbouw de voormalige woning wordt gesloopt;
      • geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld;
      • de afwijking uit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt aanvaardbaar is.
  • b. de in het plan opgenomen maximum oppervlakte van woningen en voormalige boerderijen in het buitengebied en toestaan dat de oppervlakte meer bedraagt dan 300 m2, mits:
    • 1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
    • 2. de afwijking zowel uit stedenbouwkundig als uit landschappelijk oogpunt aanvaardbaar is, waarbij een erfinrichtingsplan, dan wel beplantingsplan een onderdeel kan zijn;
    • 3. de noodzaak met betrekking tot de uitoefening van de functie is aangetoond gelet op duurzaam ruimtegebruik;
    • 4. er geen is sprake van kamerverhuur;
    • 5. de woning uitsluitend bedoeld is voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 36 Overige regels

36.1 Mestsilo's
Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Facetplan parkeren en actualisering diverse bestemmingen   Overige regels   Artikel 28.3 mestbassins en windturbines  

In artikel 28.3.1 van de 'Overige regels' in bovengenoemd bestemmingsplan is een gewijzigde regeling opgenomen voor de bouwhoogte van mestbassinssilo's voor de onderstaande bestemmingsplannen:

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Noord   Agrarisch - Dijkenlandschap   Artikel 3.2 Bouwregels  
Buitengebied-Zuid   Agrarisch - Dijkenlandschap   Artikel 3.2 Bouwregels  
Buitengebied-Zuid   Agrarisch - Wegdorpenlandschap   Artikel 4.2 Bouwregels  
Buitengebied-Zuid   Agrarisch - Wierdenlandschap   Artikel 5.2 Bouwregels  
Buitengebied-Noord   Agrarisch - Wierdenlandschap 1   Artikel 4.2 Bouwregels  
Buitengebied-Noord   Agrarisch - Wierdenlandschap 2   Artikel 5.2 Bouwregels  

Deze regeling wordt als volgt gwijzigd (zie vet en/of doorgestreept):

  • c. de bouwhoogte van mest bassinssilo's , niet zijnde een mestzak, zal inclusief afdekking, ten hoogste 8,00 m bedragen; de bouwhoogte van overige mestopslagen, niet zijnde mestsilo's, zal ten hoogste 2,5 m bedragen.

In artikel 28.3.2 van de 'Overige regels ' in bovengenoemd bestemmingsplan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor de bouwhoogte van mestbassins voor de onderstaande bestemmingsplannen:

Bestemmingsplan   Bestemming   Artikel  
Buitengebied-Noord   Agrarisch - Dijkenlandschap   Artikel 3.4 Afwijken van de bouwregels  
Buitengebied-Zuid   Agrarisch - Dijkenlandschap   Artikel 3.4 Afwijken van de bouwregels  
Buitengebied-Zuid   Agrarisch - Wegdorpenlandschap   Artikel 4.4 Afwijken van de bouwregels  
Buitengebied-Zuid   Agrarisch - Wierdenlandschap   Artikel 5.4 Afwijken van de bouwregels  
Buitengebied-Noord   Agrarisch - Wierdenlandschap 1   Artikel 4.4 Afwijken van de bouwregels  
Buitengebied-Noord   Agrarisch - Wierdenlandschap 2   Artikel 5.4 Afwijken van de bouwregels  

Deze regeling wordt in zijn geheel geschrapt (zie vet en/of doorgestreept):

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

X. het bepaalde in lid X onder X in die zin dat de bouwhoogte van mestbassins, niet zijnde een mestzak, inclusief afdekking, ten hoogste 10,00 m bedragen.

36.2 Wettelijk beschermde monumenten

In alle bestemmingsplannen genoemd in de lijst die is opgenomen in Bijlage 1 bij de regels, worden de overige regels als volgt aangevuld (zie vet en/of doorgestreept):

Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – rijksmonument’ zijn de bouwwerken wettelijk beschermd op grond van de Erfgoedwet.

In geval van strijdigheid gaan de bepalingen in dit lid vóór de bepalingen die ingevolge andere regels voor deze bouwwerken van toepassing zijn.

  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning:
    • 1. een beschermd monument te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht;
    • 2. werken en werkzaamheden uit te voeren die een beschermd monument in enig opzicht wijzigen, verstoren, herstellen of waardoor een beschermd monument wordt verplaatst, of waardoor het beschermd monument wordt ontsierd of in gevaar gebracht;
    • 3. een beschermd monument te slopen.
  • b. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen, winnen burgemeester en wethouders advies in bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.
  • c. In afwijking van het bepaalde in lid a is geen omgevingsvergunning vereist indien deze activiteit betrekking heeft op:
    • 1. gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering en vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen en bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt;
    • 2. een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 37 Overgangsrecht

37.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
  • c. Het gestelde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
37.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het gestelde in sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 38 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het Veegplan Eemsdelta 2023.