direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Zeedijk 26 te Ferwert
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1970.WpFeZeedijk26-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Bij de gemeente Noardeast-Fryslân is het verzoek ingediend om het voormalige agrarisch bedrijfsperceel Zeedijk 26 te Ferwerd te wijzigen ten behoeve van een woonbestemming, waarbij de voormalige bedrijfswoning in het oorspronkelijke boerderijpand in gebruik wordt genomen als burgerwoning. Daarnaast is het plan om het bestaande bedrijfsgebouw te slopen en in de plaats daarvoor een nieuw (ondergeschikt) bijgebouw te realiseren.

Het perceel heeft in de huidige situatie een agrarische bestemming. Bewoning van de woning is alleen toegestaan ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering. Het in gebruik nemen ten behoeve van reguliere bewoning is derhalve niet toegestaan. Voor een functiewijziging is in het bestemmingsplan een bevoegdheid opgenomen om een agrarische bestemming te wijzigen naar de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden'. Met het voorliggende wijzigingsplan wordt hier toepassing aan gegeven.

1.2 Plangebied

In figuur 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. De begrenzing van het plangebied is afgestemd op het aanduidingsvlak voor het bestaande agrarische bouwperceel (zie figuur 2). Die ruimte is nodig om de aanduiding in zijn volledigheid te kunnen verwijderen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.WpFeZeedijk26-VA01_0001.png"

Figuur 1. Ligging plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Planologische regeling

Het plangebied valt onder de regeling van het bestemmingsplan Buitengebied, dat is vastgesteld op 13 februari 2014. In dit bestemmingsplan heeft het plangebied de gebiedsbestemming 'Agrarisch' met een bouwvlak waarbinnen ten behoeve van agrarische bedrijven gebouwd mag worden. Dit bouwvlak maakt deel uit van de aanduiding voor het grondgebonden agrarische bedrijf dat de omvang van het volledige agrarische bouwperceel weergeeft. Een uitsnede van de verbeelding is weergeven in figuur 2.

In plangebied is daarnaast een aantal aanvullende aanduidingen van toepassing, te weten:

  • Ten eerste betreft de boerderij een voor het gebied cultuurhistorisch waardevol boerderijpand. In het bestemmingsplan is de boerderij om deze reden beschermd door middel van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - waardevolle hoofdvorm'. Voor bepaalde werkzaamheden aan het gebouw is voor het behoud daarvan een omgevingsvergunning noodzakelijk.
  • Ten tweede valt het plangebied in een vrijwaringszone. Dit is aangeven met de aanduiding 'vrijwaringszone radarverstoringsgebied'. Deze regeling is bedoeld voor het vrijhouden van een goed radarbeeld vanuit het luchtruim. Dit regelt dat bouwwerken een maximale bouwhoogte mogen hebben. Voor het plangebied is een radarzone van toepassing van circa 89 meter.
  • Ten derde valt het plangebied in een vrijwaringszone - dijk. Dit is aangeven met de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk'. Deze regeling is bedoeld voor de bescherming van de functie van de waterkering en een mogelijke toekomstige verbreding/versterking daarvan. Dit regelt dat er niet zomaar nieuwe bouwwerken binnen deze zone gebouwd mogen worden. Indien hier sprake van is, dan dient hiervoor advies bij de beheerder van de waterkering ingewonnen te worden. Daarnaast mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de bescherming, ophoging, verbreding en verbetering van het doelmatig en veilig functioneren van de nabijgelegen waterkering.

Binnen de bestemming 'Agrarisch' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestaande bestemming te wijzigen naar de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden', ten behoeve van een functieverandering van een bouwperceel (artikel 3.7.13). Dit wijzigingsplan geeft toepassing aan deze wijzigingsbevoegdheid. In paragraaf 2.3 wordt op de voorwaarden ingegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.WpFeZeedijk26-VA01_0002.png"

Figuur 2 Fragment geldend bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.4 Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk van dit wijzigingsplan wordt het plan beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de nieuwe situatie. Daarna wordt de nieuwe situatie getoetst aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst dat relevant is voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op het beleid. Onderwerp van hoofdstuk 4 zijn de omgevingsaspecten waaraan de nieuwe ontwikkeling is getoetst. In hoofdstuk 5 wordt de uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Dit is opgesplitst in maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid. Ten slotte is in hoofdstuk 6 de juridische regeling opgenomen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het perceel ligt in het buitengebied van de voormalige gemeente Ferwerderadiel en ligt ten noorden van de kern Ferwert. Het betreft het perceel Zeedijk 26. Ferwert is gelegen ten westen van Dokkum.

Het erf betreft een voormalig boerderijerf. Na de beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering is het perceel in gebruik genomen voor reguliere bewoning.

Op het erf staat het oorspronkelijke boerderijpand, met daarachter een voormalig bedrijfsgebouw. De gronden daaromheen hebben een tuininrichting. Rondom het perceel staat enige opgaande beplanting in de vorm van bomen en hagen. Het perceel wordt omringd door een sloot. Een luchtfoto van de huidige situatie is weergegeven in figuur 3. Tekeningen van de gevels van de huidige situatie zijn weergeven in figuur 4,5,6 en 7.

Het plangebied wordt ontsloten op de Zeedijk. De Zeedijk is een verkeersluwe ontsluitingsroute bestemd voor bestemmingsverkeer aan deze weg. Deze weg vormt geen doorgaande route en wordt relatief weinig gebruikt door ander verkeer. Langs de Zeedijk is sprake van een afwisseling van woon- en (agrarische) bedrijfsfuncties. In de nabijheid van het perceel komen geen bedrijven voor.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.WpFeZeedijk26-VA01_0003.png"

Figuur 3 Situatie plangebied (bron: Kadaster)

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.WpFeZeedijk26-VA01_0004.png"

Figuur 4 Noordgevels huidige situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.WpFeZeedijk26-VA01_0005.png"

Figuur 5 Oostgevels huidige situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.WpFeZeedijk26-VA01_0006.png"

Figuur 6 Zuidgevels huidige situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.WpFeZeedijk26-VA01_0007.png"

Figuur 7 Westgevels huidige situatie

2.2 Toekomstige situatie

De gewenste situatie bestaat uit het in gebruik nemen van de voormalige boerderij ten behoeve van reguliere bewoning. Het uiterlijk van het boerderijpand blijft ongewijzigd. Daarnaast wordt het bestaande voormalige bedrijfsgebouw gesloopt en vervangen door een nieuw bijbehorend bouwwerk van circa 115 m2. Deze komt in verbinding te staan met de bestaande boerderij. De inrichting van het perceel is weergeven in figuur 8. Het nieuwe bijbehorende bouwwerk zal ondergeschikt zijn aan het boerderijpand. Het bouwplan is inmiddels door de welstandscommissie Hûs en Hiem positief beoordeeld. De brief van de welstandscommissie is als bijlage 1 toegevoegd.

Het nieuwe bijbehorende bouwwerk is ondergeschikt aan de cultuurhistorische waardevolle boerderij. Bij de totstandkoming van het ontwerp is hier rekening mee gehouden. Enkele aanzichten van de, mogelijk, nieuwe situatie zijn weergeven in figuur 9,10,11 en 12. Hierin is te zien dat het bijbehorende bouwwerk qua uitstraling ondergeschikt is aan de boerderij. Daarnaast tast het tussenlid de cultuurhistorische waardevolle boerderij niet aan. De nokrichting van het bijbehorend bouwwerk sluit aan bij de bestaande nokrichting van de boerderij. Tot slot is het bijbehorend bouwwerk ook qua omvang in verhouding tot de boerderij en heeft derhalve een kleiner oppervlakte dan de boerderij.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.WpFeZeedijk26-VA01_0008.png"

Figuur 8 Toekomstige inrichting woonperceel

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.WpFeZeedijk26-VA01_0009.png"

Figuur 9 Noord-oostgevels nieuwe situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.WpFeZeedijk26-VA01_0010.png"

Figuur 10 Noord-westgevels nieuwe situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.WpFeZeedijk26-VA01_0011.png"

Figuur 11 Zuid-westgevels nieuwe situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.WpFeZeedijk26-VA01_0012.png"

Figuur 12 Zuid-westgevels nieuwe situatie

Functionele inpassing

De ontwikkeling vindt plaats in een gebied waar woonfuncties met enkele agrarische functies voorkomen. De agrarische bedrijven liggen op voldoende afstand. In paragraaf 4.1 wordt ingegaan op de milieutechnische aanvaardbaarheid van deze situatie.

Landschappelijke inpassing

Van belang is dat nieuwe functies en bebouwing op een goede manier worden ingepast bij de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied. De inrichting van het perceel blijft, met een kleine aanpassing in de situering van de bebouwing, in de nieuwe situatie ongewijzigd. Aan de landschappelijke elementen vinden geen aanpassingen plaats. De huidige ruimtelijke kwaliteit wordt hiermee gecontinueerd.

Verkeer en parkeren

De Zeedijk is een verkeersluwe ontsluitingsroute bestemd voor bestemmingsverkeer aan deze weg. Deze weg vormt geen doorgaande route en wordt relatief weinig gebruikt door ander verkeer.

De Zeedijk heeft via de Kahoolsterlaan in oostelijke richting een aansluiting op de N357. Deze 80-km/uur-weg heeft ruim voldoende capaciteit voor de nieuwe functie van het perceel. Er wordt gebruik gemaakt van een bestaande aansluiting op de Zeedijk. Aan deze weg worden geen aanpassingen voorgesteld. Het plan vormt geen belemmering voor de verkeersveiligheid.

Het parkeren vindt plaats op het bestaande terrein. Hierbij wordt uitgegaan van de parkeernormen volgens kencijfers van het CROW (Publicatie 317). Volgens de publicatie geld dat er 2,0 tot 2,8 parkeerplaatsen op het erf aanwezig moeten zijn als er sprake is van een vrijstaande koopwoning in het buitengebied. Hiervoor is op het terrein voldoende ruimte.

Relatie radarzone en waterkering

Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht die hoger is dan de bestaande bebouwing. De bestemming laat ook geen onaanvaardbaar hoge bebouwing toe. De bestaande bebouwing voldoet al ruimschoots om radarverstoring te voorkomen.

Er wordt bestaande bebouwing gesloopt en vervangen door nieuwe bebouwing op een bestaand bouwperceel. In planologische zin vindt er een sterke verbetering plaats in relatie tot de waterkering, omdat de woonbestemming veel minder bebouwing toelaat dan de voorheen geldende agrarische bestemming.

2.3 Planologische inpasbaarheid

De functiewijziging naar de bestemming 'Wonen - Voormalige Boerderijen' wordt planologisch mogelijk gemaakt door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 3.7.13 van het bestemmingsplan Buitengebied. Hiermee kan het bestemmingsplan door Burgemeester en Wethouders, overeenkomstig artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wro worden gewijzigd. Aan de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zijn enkele voorwaarden verbonden. Deze worden hieronder besproken en getoetst.

Met het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid worden de regels van de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijen' van toepassing. In deze bestemming (artikel 3.3.7) is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen om de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen bij een hoofdgebouw te vergroten tot ten hoogste 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak, mits

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de aanbouwen, uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen ten hoogste 300 m² zal bedragen;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Daarnaast ligt een gedeelte van het plangebied de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk'. Binnen deze aanduiding geldt dat binnen de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden' de gezamenlijk oppervlakte van het hoofdgebouw en de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 200 m² dan wel de bestaande oppervlakte zal bedragen. In afwijking hiervan is een artikel 47.3.3 lid c een afwijking opgenomen waarin staat dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen bij een hoofdgebouw in de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden' wordt vergroot tot ten hoogste 10% van de oppervlakte van het erf, exclusief de oppervlakte van het hoofdgebouw, mits:

  • 1. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 300 m² zal bedragen;
  • 2. vooraf advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de waterkering;
  • 3. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bescherming, ophoging, verbreding en verbetering van het doelmatig en veilig functioneren van de nabijgelegen waterkering.

Met het toepassen van deze afwijkingsmogelijkheden wordt het nieuwe bijgebouw van 125 m2 mogelijk gemaakt.

Na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zijn de regels van artikel 'Wonen - Voormalige boerderijpanden' van overeenkomstige toepassing.

De gronden in het plangebied die in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch' hebben, krijgen in dit wijzigingsplan de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden'.

De wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast ter plaatse van een bedrijfskavel.

Hier wordt toepassing aan gegeven. Het plangebied van dit wijzigingsplan betreft de gronden van de voormalige bedrijfskavel.

De bedrijfskavel en het bouwvlak ter plaatse van de bedrijfsbeëindiging worden verwijderd.

Hier wordt toepassing aan gegeven door op de verbeelding het beoogde woonperceel te voorzien van de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijen'. De aanduidingen zijn daarmee verwijderd.

Dat er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in dié zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

In paragraaf 4.1 wordt beschreven dat bedrijven in de omgeving niet worden gehinderd.

Dat de functie ondergebracht in de bestaande gebouwen, die aanwezig zijn op het moment van toepassing van deze wijziging, waarbij de woonfunctie gehandhaafd moet blijven en waarbij in ondergeschikte mate aanvullende nieuwbouw gepleegd mag worden. Deze ondergeschikte nieuwbouw mag niet leiden tot een bouwvolume dat meer bedraagt dan 50% van de oppervlakte van het toe te kennen bestemmingsvlak. Daarnaast dient de woonfunctie ondergebracht te worden in de voormalige bedrijfswoning, dan wel het voormalige boerderijpand;

In paragraaf 2.2 is de toekomstige situatie beschreven. Hierbij blijft de woonfunctie in het bestaande boerderijpand gehandhaafd. Tevens is sprake van ondergeschikte nieuwbouw ter vervanging van een bestaand bedrijfsgebouw. Deze nieuwbouw leidt niet tot een bouwvolume dat meer bedraagt dan 50% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak.

Het voormalige boerderijpand of andere beeldbepalende bouwvormen als landschappelijk waardevolle verschijningsvorm worden gehandhaafd.

Het voormalige boerderijpand blijft met dit wijzigingsplan gehandhaafd. Alleen een voormalige bedrijfsgebouw wordt gesloopt en vervangen door een nieuw gebouw dat beter aansluit bij het voormalig boerderijpand

Met een erfinrichtingsplan wordt aangetoond dat de ontwikkeling op een zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast overeenkomstig het gestelde in het Beeldkwaliteitplan

Met dit wijzigingsplan is slechts sprake van een beperkte wijziging van het plangebied. Zoals in paragraaf 2.2 is beschreven, is zowel in de huidige als in de toekomstige situatie sprake van een goede landschappelijke inpassing. Omdat met dit wijzigingsplan geen ingrepen in de landschappelijke kenmerken worden voorgesteld, wordt in dit wijzigingsplan afgezien van een erfinrichtingsplan.

Bij wijziging naar een gebruiksgerichte paardenhouderij of een manege wordt aangesloten bij bestaand stedelijk gebied;

Deze voorwaarde is niet van toepassing op dit wijzigingsplan.

De wijziging naar een bedrijfsfunctie uitsluitend wordt toegepast als er sprake is van een concrete gegadigde voor een bedrijfsvestiging.

Deze voorwaarde is niet van toepassing op dit wijzigingsplan.

Er sprake is van een aanvaardbare verkeerssituatie.

De Zeedijk heeft via de Kahoolsterlaan in oostelijke richting een aansluiting op de N357. Deze 80-km/uur-weg heeft ruim voldoende capaciteit voor de nieuwe functie van het perceel. Er wordt gebruik gemaakt van een bestaande aansluiting op de Zeedijk. Aan deze weg worden geen aanpassingen voorgesteld. Het plan vormt geen belemmering voor de verkeersveiligheid.

Het parkeren op eigen terrein plaatsvindt.

Het parkeren vindt plaats op het bestaande terrein. Hierbij wordt uitgegaan van de parkeernormen volgens kencijfers van het CROW (Publicatie 317). Volgens de publicatie geld dat er 2,0 tot 2,8 parkeerplaatsen op het erf aanwezig moeten zijn als er sprake is van een vrijstaande koopwoning in het buitengebied. Hiervoor is op het terrein voldoende ruimte.

Er binnen de invloedsgebieden van risicobronnen geen nieuwe verminderd zelfredzame objecten worden toegestaan.

Er is slechts sprake van een functiewijziging van een bedrijfswoning naar een reguliere woning. Er worden dan ook geen nieuwe verminderd zelfredzame objecten mogelijk gemaakt.

Er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

In hoofdstuk 4 wordt geconcludeerd dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. In paragraaf 2.2 is beschreven dat geen afbreuk gedaan wordt aan de verkeersveiligheid.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Eén van de aspecten die is opgenomen, betreft de zones voor radargebruik. Door het plangebied loopt een radarverstoringsgebied. Er geldt hierbij een verbod op bouwwerken hoger dan 89 meter. Met dit wijzigingsplan worden geen bouwwerken mogelijk gemaakt hoger dan 89 meter. Het rijksbeleid vormt dan ook geen belemmering voor dit wijzigingsplan.

Tevens zijn de beleidsregels met betrekking tot de Waddenzee relevant. Bij nieuwe ruimtelijke plannen die betrekking hebben op de Waddenzee en het Waddengebied moet een beoordeling plaatsvinden van de mogelijke gevolgen voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het gebied. Deze waarden zijn in de verordening benoemd. Nieuwe bebouwing of verandering van het gebruik is niet toegestaan als dit leidt tot significante aantasting van de waarden in het gebied.

Met wijzigingsplan worden geen ingrepen in de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het Waddengebied voorgesteld. Het initiatief leidt niet tot aantasting van deze kernkwaliteiten.

Duurzame verstedelijking

In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Dit houdt in dat bij de toelichting bij ruimtelijke plannen dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevat. Indien het project die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er ook gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het in gebruik nemen van een bestaande woning ten behoeve van reguliere bewoning wordt, vanwege de relatieve kleinschaligheid, niet gezien als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (Raad van State, 27 augustus 2014, 201311233/1/R4, r.o. 3.3). Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet aan de orde.

Conclusie

De kleinschalige ontwikkeling die in dit wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt is niet aangewezen als één van de 14 nationale belangen en raakt daarom geen beleid en regels uit de SVIR en het Barro.

3.2 Provinciaal beleid

De belangrijkste uitgangspunten van het provinciale beleid zijn vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Hierin zijn voor de provinciale belangen regels opgenomen, waar in ruimtelijke plannen rekening mee gehouden moet worden.

Verordening Romte Fryslân

In de verordening Romte Fryslân 2014 (geconsolideerde versie oktober 2018) is het provinciaal beleid, vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen.

In artikel 1.2 van de verordening worden regels gegeven gericht op het hergebruiken van vrijkomende (agrarische) bebouwing. Wonen en zorg is toegestaan in de voormalige bedrijfswoning en in aanwezige karakteristieke gebouwen. Tevens dienen bestaande karakteristieke en monumentale gebouwen behouden te blijven en mogen geen beperkingen ontstaan voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving. Daarnaast is enige aanvullende nieuwbouw toegestaan mits deze wat betreft omvang duidelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Met de onderhavige functiewijziging is sprake van hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing. De woonfunctie gaat plaats vinden in de waardevolle boerderij en het nieuw te bouwen bijbehorende bouwwerk. Het nieuw te bouwen bijbehorende bouwwerk wordt ondergeschikt aan het hoofdgebouw, zijnde het boerderijpand. Aan de waardevolle boerderij vinden geen wijzigingen plaats. Per saldo ontstaat er ook geen extra woning. Tevens ontstaan er geen beperkingen voor de ontwikkelingen van agrarische bedrijven in de omgeving. Hier wordt in paragraaf 4.1 specifiek op ingegaan. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan in overeenstemming is met de Verordening Romte Fryslân.

3.3 Gemeentelijk beleid

Bestemmingsplan Buitengebied

In het geldende bestemmingsplan Buitengebied is binnen de bestemming 'Agrarisch' een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming deels te wijzigen naar de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderij panden. Hier is een aantal voorwaarden aan verbonden. In paragraaf 2.3 is getoetst aan de voorwaarden die hiervoor gelden.

Daarnaast is in het geldende bestemmingsplan een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen bij een hoofdgebouw tot ten hoogste 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak, mits:

  • de gezamenlijke oppervlakte van de aanbouwen, uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen ten hoogste 300 m² zal bedragen;
  • geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Daarnaast ligt een gedeelte van het plangebied de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk'. Binnen deze aanduiding geldt dat binnen de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden' de gezamenlijk oppervlakte van het hoofdgebouw en de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 200 m² dan wel de bestaande oppervlakte zal bedragen. In afwijking hiervan is een artikel 47.3.3 lid c een afwijking opgenomen waarin staat dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen bij een hoofdgebouw in de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden' wordt vergroot tot ten hoogste 10% van de oppervlakte van het erf, exclusief de oppervlakte van het hoofdgebouw, mits:

  • 1. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 300 m² zal bedragen;
  • 2. vooraf advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de waterkering;
  • 3. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bescherming, ophoging, verbreding en verbetering van het doelmatig en veilig functioneren van de nabijgelegen waterkering.

Middels de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is het derhalve mogelijk om een het nieuwe bijgebouw van 125 m2 mogelijk te maken. In paragraaf 2.3 is getoetst aan de voorwaarden die hiervoor gelden. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in lijn is met de voorwaarden en daarmee passend binnen het beleid van de gemeente.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten.


Het plangebied ligt redelijk solitair in het buitengebied. De dichtstbijzijnde functies liggen op grote afstand. Het betreft een agrarisch bedrijf aan de Zeedijk 25 (op circa 150 meter ten westen van het plangebied). Voor deze bedrijven gelden de vaste afstanden uit het Activiteitenbesluit. Ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom geldt een (vaste) afstand van 50 meter. Het bedrijf bevindt zich op circa 150 meter van het plangebied. Het plangebied ligt dus op voldoende afstand van het bedrijf. De voorgestelde functiewijziging levert daardoor geen beperkingen voor bestaande bedrijfsactiviteiten op. Van geurhinder zal geen sprake zijn.

Gezien de solitaire ligging en het ontbreken van directe bedrijvigheid of anderszins in de directe omgeving van het perceel kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.

Het aspect milieuzonering staat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg.

4.2 Geluid

Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Er is geen sprake van een nieuwe situatie in de zin van de Wet geluidhinder. De woonfunctie in de voormalige bedrijfswoning houdt deze functie en er worden geen woningen toegevoegd. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Een akoestisch onderzoek is daarom niet nodig. Het wegverkeerslawaai is daarmee geen belemmering voor de uitvoering van dit wijzigingsplan.

4.3 Water

Een belangrijke ontwikkeling in het waterbeleid is de Watertoets. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het projectgebied valt in het werkgebied van Wetterskip Fryslân.

Het project is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij Wetterskip Fryslân (kenmerk: 20200324-2-22834). In bijlage 2 is de watertoets toegevoegd. Hieruit blijkt dat de normale procedure van toepassing is. Bij de watertoets is ook een uitgangspuntennotitie toegevoegd waar bij de uitwerking van de plannen rekening mee gehouden moet worden. Deze worden hierna nader beschreven.

Primaire waterkering

De nieuwbouw wordt gerealiseerd binnen de beschermingszone en de ruimtelijke reserveringszone van de primaire kering.  Voor het plan dient rekening gehouden te worden met de reserveringszone en het profiel van vrije ruimte. Het plangebied valt binnen de zone 'beschermingszone binnenkant'. Dit betreft een strook grond waarin extreme mechanismen zoals de explosie van een hogedrukleiding, schade zouden kunnen aanrichten aan de waterkering. De ontwikkelingen in het plangebied zullen een dergelijke extreme mechanisme niet veroorzaken. Wel is het bouwen binnen de beschermingszone binnenkant een vergunningsplichtige activiteit. Daarom wordt hiervoor te zijner tijd een vergunning aangevraagd.

Daarnaast geeft de Verordening Romte Fryslân 2014 nog aanvullende eisen met betrekking tot ruimtelijke plannen binnen een reserveringszone voor versterking van een primaire waterkering buiten aaneengesloten bebouwd gebied. Hiervoor wordt verwezen naar artikel 8 van de verordening. De uitbreiding van een woning is toegestaan met maximaal 10% van het bestaande bebouwde oppervlak. In afwijking hiervan kan nieuwe bebouwing binnen een reserveringszone worden toegestaan indien sprake is van onderstaand:

  • sprake is van redenen van groot openbaar belang,
  • versterking van de waterkering niet onomkeerbaar wordt belemmerd, en
  • advies is gevraagd aan de waterkeringbeheerder.

Feitelijk gezien neemt de planologisch mogelijkheid om verharding en bebouwing te realiseren met dit wijzigingsplan aanzienlijk af. Binnen de huidige agrarische bestemming is het namelijk mogelijk om het huidige bouwvlak geheel vol te bouwen, waarbij een oppervlakte van 1.000 m2 per gebouw geldt. Met dit wijzigingsplan geldt dat de maximale oppervlakte voor het hoofdgebouw (de boerderij) de bestaande oppervlakte is en dat voor bijgebouwen, middels een binnenplanse afwijking, een maximale oppervlakte van ten hoogste circa 250 m² mogelijk is. Daarnaast bestaan de toekomstige aanbouwen uit houtskeletbouw in een betonplatenfundering. Deze aanbouw komt in de plaats van een bestaand bijgebouw. Per saldo is feitelijk sprake van een kleine uitbreiding van circa 70 m2.  Het is derhalve mogelijk om zonder ingrijpende en kostbare maatregelen het toekomstige gebouw inclusief fundering te verwijderen. De ontwikkeling staat de toekomstige versterking van de dijk daardoor niet in de weg. 

 

Met dit wijzigingsplan is daarom geen sprake van een ontwikkeling waarmee een onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bescherming, ophoging, verbreding en verbetering van het doelmatig en veilig functioneren van de nabijgelegen waterkering. Voor het bouwen van het nieuwe bijgebouw in de reserveringszone ontstaat dan ook geen onomkeerbare effecten met negatieve invloed op de stabiliteit of het beheer en onderhoud van de toekomstige en huidige kering. Onder een onomkeerbare belemmering wordt in dit verband het verstaan een zodanige verandering van gebruik of inrichting/bebouwing van de ruimte, dat een toekomstige dijkversterking ter plaatse onmogelijk zou worden of uitsluitend nog met ingrijpende en kostbare maatregelen mogelijk zou zijn. 

Toename verharding

Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Voor de compensatie van toename verhard oppervlak is onderstaande tabel van toepassing.

Gebied   Stedelijk (>200 m²)   Landelijk (>1.500 m²)  
Boezem   5%   5%  
Polder   10%   10%  
Vrij afstromend   Maatwerk mogelijk   Maatwerk mogelijk  

Met de bouw van het bijbehorend bouwwerk is per saldo geen sprake van een grote toename aan verharding. De toename bedraagt circa 50 m2. In de keur van Wetterskip Fryslân is opgenomen dat het verboden is zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Omdat de verharding met minder dan 1.500 m2 toeneemt zijn compenserende maatregelen niet nodig.

Ruimtelijke adaptatie

Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.

Bij de inrichting van het plangebied kan hierop geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Met voorgenoemd advies wordt bij de uitvoering van de plannen rekening gehouden.

Gebruik materialen

Tot slot wordt met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk voorkomen.

4.4 Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functie gebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval.

Verdachte plekken met betrekking tot de kwaliteit van de bodem dienen in het kader van de Wet bodembescherming bij ruimtelijke plannen te worden gesignaleerd vanuit een goede ruimtelijke ordening. De ontwikkeling heeft weliswaar betrekking op uitvoering voor milieugevoelige functie (wonen), maar de situatie is reeds bestaand. In milieuhygiënische zin, er blijft sprake van bewoning, verandert het gebruik niet. De ontwikkeling vormt op dit punt geen belemmeringen. In het kader van dit wijzigingsplan kan het uitvoeren van een bodemonderzoek achterwege worden gelaten.

4.5 Archeologie

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

Voor de gemeente wordt gebruik gemaakt van de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). De kaart is opgemaakt voor twee perioden: de ijzertijd-middeleeuwen en de steentijd-bronstijd.

Op basis van de kaart voor de ijzertijd-middeleeuwen en voor de kaart van de steentijd-bronstijd is de kans op het aantreffen van archeologische resten zodanig laag dat de kans op aantasting bij het uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling zeer klein is. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Het omgevingsaspect archeologie vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling die in dit wijzigingsplan centraal staat.

4.6 Cultuurhistorie

De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.

Voor dit aspect is de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) van de provincie gebruikt. Door de provincie is de voormalige boerderij aangewezen als karakteristieke boerderij. Dit wijzigingsplan voorziet slecht in het hergebruiken van de bestaande boerderij inclusief de bouw van een bijbehorend bouwwerk. De cultuurhistorische waardevolle hoofdvorm van de boerderij blijft behouden. Het nieuwe bijbehorend bouwwerk is ondergeschikt aan het hoofdgebouw en sluit qua positionering aan bij de boerderij. Er vindt geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van het voormalige agrarische perceel plaats.

4.7 Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Deze zijn geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europese regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.


Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS). Binnen deze gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden.

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een natuurgebied. Ten noorden van het plangebied bevindt zich Natura 2000-gebied De Waddenzee. Gezien de beperkte omvang van onderhavig plan, namelijk de functiewijziging van agrarisch naar wonen, is dit plan niet van invloed op dit Natura 2000-gebied. Ten aanzien van de gebiedsbescherming vormt dit wijzigingsplan geen belemmering.

Effecten als gevolg van stikstofdepositie vragen naar aanleiding van de recente uitspraken van de Raad van State (mei 2019) wel nadere aandacht. Omdat ook kleinschalige initiatieven kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie, moeten deze om die reden daarop worden beoordeeld. Ten aanzien van dit project kan worden gesteld dat de Waddenzee geen stikstofgevoelige habitat is. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied ligt op ruime afstand van het plangebied. Daar komt bij dat hier een agrarische bestemming, met een potentiële stikstofemissie verdwijnt ten gunste van een woonbestemming waarvan de potentiële emissie vele malen lager is. In die zin vindt een significante verbetering plaats. Op basis van deze afstand en de functiewijziging kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen plannen en werkzaamheden zodanig kleinschalig zijn dat er geen negatieve effecten zijn op stikstofgevoelige gebieden.

Soortenbescherming

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.


Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

In het plangebied komen gebouwen, watergangen en/of bomen voor. Voor de ontwikkeling is het nodig om de bestaande schuur te slopen. Inmiddels is deze schuur, na het doen van een sloopmelding, gesloopt.

Er is derhalve geen meer sprake van het kappen van bomen, slopen van bebouwing of dempen van watergangen. Ecologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Indien in de toekomst sprake is van fysieke ingrepen dan zal hierbij rekening worden gehouden met de Wet natuurbescherming en slotte is op basis van de Wnb altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving. Concreet betekent dit dat bij (ruimtelijke) ingrepen gezorgd moet worden dat dieren niet verstoord of gedood worden en dat planten niet zomaar verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld broedende vogels, de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect ecologie de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.8 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Het toetsingskader wordt gevormd door verschillende besluiten en documenten. Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de risicokaart die per provincie wordt bijgehouden.

Buisleidingen

Op enige afstand ten oosten van het perceel ligt een aardgastransportleiding, met een diameter van 8 inch en werkdruk van 80 bar. De plaatsgebonden risicocontour van deze leiding ligt niet buiten de leiding. Ook hoeft geen rekening gehouden te worden met het groepsrisico. Het plangebied ligt namelijk buiten het invloedsgebied van de transportleiding (circa 900 meter).

Inrichtingen

Er liggen geen risicocontouren van risicovolle inrichtingen binnen het plangebied. Het aspect externe veiligheid van inrichtingen is daarmee niet aan de orde.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg

In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. In de nabijheid van het plangebied bevindt zich geen transportroute waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden.

Conclusie

Uit oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Luchtkwaliteit

Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken.

Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing.

In dit geval is sprake van een functiewijziging en draagt daarmee niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.10 Kabels, leidingen en zoneringen

In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.

In en rond het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig waarmee met dit wijzigingsplan rekening gehouden dient te worden. Wel kunnen er enkele kleinere huisaansluitingen voor bijvoorbeeld gas, water en riool zijn. Met de uitvoering van de plannen wordt met deze leidingen rekening gehouden. Voor het bestemmingsplan behoeven deze leidingen geen bescherming. Daarnaast loopt door het plangebied een radarverstoringsgebied met daarbij een verbod op bouwwerken hoger dan 89 meter. Met dit wijzigingsplan worden dergelijke bouwwerken niet mogelijk gemaakt.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de aspecten kabels, leidingen en zoneringen de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wijzigingsplan eerst voorgelegd aan de betrokken overleginstanties. Hierop hebben de brandweer en Liander gereageerd. Liander heeft aangegeven geen opmerkingen op het plan te hebben. De Brandweer heeft wegens te weinig bluswater ter plaatse geadviseerd om een brandkraan aan te brengen en een bluswaterplan op te stellen (zie bijlage 3). De gemeente zal in samenwerking met Brandweer in initiatiefnemer de mogelijkheden voor het aanbrengen van een brandkraan nader onderzoeken. De kosten voor het aanbrengen van een brandkraan zijn voor rekening van initiatiefnemer. Initiatiefnemer zal in samenwerking met de Brandweer in Ferwert een blusplan opstellen zodat overeenkomstig het advies van de Brandweer een brandveilige situatie kan worden gewaarborgd. Voorgenoemde knelpunten staan vaststelling van het wijzigingsplan niet in de weg (het pand betreft ook nu een agrarische bedrijfswoning).

Het ontwerpwijzigingsplan heeft vervolgens gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze zes weken is een ieder in de gelegenheid gesteld zijn/haar zienswijzen tegen het ontwerpwijzigingsplan kenbaar te maken. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Het wijzigingsplan is vervolgens vastgesteld op 30 april. Na de vaststelling wordt het wijzigingsplan nogmaals zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode is het mogelijk beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5.2 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële uitvoerbaarheid

Dit plan heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. In dit geval is er geen sprake van uitvoeringskosten. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.

Grondexploitatie 

In het voorliggende plan is er op basis van artikel 6.2.1 Bro geen sprake van een bouwplan. De grondexploitatieregeling is daarom niet van toepassing. Om deze reden wordt door de gemeente van het opstellen van een grondexploitatieplan afgezien. Tevens is bepaald dat bij exploitatiebedragen van minder dan € 10.000,- er sprake is van een 'uitzonderingsgeval' waarbij het opstellen van een exploitatieplan niet verplicht is. In dit geval kan met leges worden volstaan aangezien er geen sprake is van fysieke kosten voor de gemeente en de gemeentelijke kosten minder bedragen dan € 10.000,-. De procedurekosten worden via leges verhaald op de initiatiefnemer. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is het vaststellen van een exploitatieplan niet verplicht.

Ook wordt er geen anterieure overeenkomsten afgesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Voor het overige wordt het initiatief volledig door de initiatiefnemer bekostigd. Gemeente en initiatiefnemer sluiten een planschadeverhaalsovereenkomst.

 

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving

6.1 Systematiek

Het wijzigingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om ruimtelijke plannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe plannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt.

6.2 Verbeelding

Bij het wijzigingsplan hoort een verbeelding. Op deze verbeelding is het plangebied met de toekomstige bestemming Wonen weergegeven. Voor dit gebied vervangt het wijzigingsplan de agrarische bestemming van de gronden in het bestemmingsplan 'Buitengebied '. Na het onherroepelijk worden van het wijzigingsplan maakt het plan deel uit van het bestemmingsplan ''Buitengebied '.

6.3 Regels

De regels die deel uitmaken van het bestemmingsplan Buitengebied zijn onverkort van toepassing op dit wijzigingsplan. De bestemmingsregels die van toepassing zijn op het plangebied van het wijzigingsplan betreffen in dit geval de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden' alsmede de gebiedsaanduidingen 'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied' en 'vrijwaringszone - dijk'.

De bestemming Agrarische met de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel grondgebonden agrarisch bedrijf' en het bouwvlak uit het geldende bestemmingsplan zijn met toepassing van dit wijzigingsplan verwijderd.