| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Bedrijventerrein Zuiderschans te Dokkum |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1970.OpDkZuidersch-VA01 |
Aan de Pier Prinslaan in Dokkum ligt een braakliggend terrein dat oorspronkelijk bedoeld was voor de verdere uitbreiding van perifere detailhandelfuncties. Het ging hier om volumineuze goederen die qua aard en omvang niet goed in bestaande winkelcentra in te passen zijn. Er blijkt echter geen behoefte meer te zijn aan deze functies. Hierdoor is het plangebied braak blijven liggen en kon de grondexploitatie niet worden afgerond.
Er is wel vraag naar bedrijfskavels met een andere bestemming in Dokkum, namelijk voor de lichtere categorieën bedrijven, zoals kantoren, groothandels en werken/wonen. Op dit vlak heeft de gemeente op dit moment minder aanbod. Met oog hierop wenst de gemeente Noardeast-Fryslân voor deze gronden een functiewijziging. Het is de bedoeling bedrijfskavels met een lichtere milieucategorie mogelijk te maken, zoals kantoren, groothandels en combinaties van werken/wonen.
Om de herontwikkeling van het bedrijventerrein mogelijk te maken, is een nieuw (flexibel) planologisch kader nodig. Een TAM-IMRO omgevingsplan kan de gewenste flexibiliteit bieden. Met het voorliggende wijzigingsbesluit wordt de voorgenomen ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. De wijziging heeft betrekking op de regels die nodig zijn om het gemengde bedrijventerrein mogelijk te maken.
Deze motivering gaat in op de achtergronden van dit wijzigingsbesluit en de relatie met het wettelijk kader. Naast de motivering staat de toelichting op het omgevingsplan. De toelichting op het omgevingsplan gaat in op de technische kenmerken van het plan en bevat ook de juridische plantoelichting. Die toelichting is te vinden in het wijzigingsbesluit.
Het plangebied ligt op het bedrijventerrein Zuiderschans in het zuidwesten van Dokkum. Onderstaande figuren geven de (globale) ligging en begrenzing aan.
Figuur 1. Ligging van het plangebied, aan de zuidwestelijke rand van Dokkum
Figuur 2. Begrenzing van het plangebied
Het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân is binnen het plangebied van toepassing. Het omzetten van het oude stelsel van de vroegere Wet ruimtelijke ordening naar het nieuwe stelsel van de Omgevingswet per 1 januari 2024 kost tijd. Het omgevingsplan komt daarom stapsgewijs tot stand. Zolang het definitieve omgevingsplan voor de gehele gemeente nog niet is vastgesteld, gelden nog de oude regels, zoals het oude bestemmingsplan.
Vanaf 1 januari 2024 zijn die oude regels aangeduid als het 'tijdelijke deel van het' omgevingsplan. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn de voormalig geldende bestemmingsplannen opgenomen. Voor het plangebied zijn in de huidige situatie de regels uit het voormalige bestemmingsplan nog van toepassing.
Voor het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn de regels uit het bestemmingsplan 'Dokkum Regiostad' (uit 2020) van toepassing. De onderstaande afbeelding laat een uitsnede van de verbeelding uit dat bestemmingsplan zien.
Figuur 3. Uitsnede van Regels op de kaart, met de planverbeelding van het tijdelijke omgevingsplan, waarin het bestemmingsplan 'Dokkum Regiostad' van toepassing is
De gronden in het plangebied hebben hierin de volgende bestemmingen:
De gronden met de bestemming Detailhandel PDV zijn bestemd voor perifere detailhandel. De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten, voet- en rijwielpaden, groenvoorzieningen en tevens voor sloten, bermen en beplanting. Ook zijn gebouwen en overkappingen ten behoeve van parkeervoorzieningen mogelijk binnen deze bestemming. Gronden met de groenbestemming zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bosschages, bebossing en beplanting. Ook zijn voet- en fietspaden en parkeer-, speel- en nutsvoorzieningen mogelijk. Tot slot zijn de als Kantoor aangewezen gronden bestemd voor kantoren.
Met bouwvlakken is aangegeven waar gebouwen mogen worden gerealiseerd en met de functieaanduidingen 'kantoor' en 'horeca tot en met categorie 2' is aangegeven waar deze genoemde functies/activiteiten kunnen worden uitgeoefend. De maatvoeringsvlakken geven aan wat de maximale bouwhoogte mag zijn.
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie. De toekomstige situatie beschrijft de doelen voor het plangebied, het initiatief en de strijdigheden met het omgevingsplan. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 het project getoetst aan het relevante beleidskader en aan de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische vormgeving van het plan. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de haalbaarheid van het plan en vindt in hoofdstuk 7 de algehele conclusie plaats of het planvoornemen voldoet aan de criteria van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het plangebied is een braakliggend terrein met een agrarische uitstraling in het zuidwesten van Dokkum. Het maakt deel uit van het bedrijvenpark voor perifere detailhandel Zuiderschans. De gronden zijn getoond in figuur 2. Ten zuiden van het plangebied ligt het uiteinde van de Pier Prinslaan, waaraan enkele kantoorgebouwen en ijzerhandel Raadsma zijn gevestigd. Verder zuidelijk ligt de Lauwersseewei (provinciale weg N361) die los staat van deze bebouwing door een groen perceel en een brede strook water.
Ten oosten van het plangebied ligt een waterstrook met woonpercelen, omzoomd door beplanting. Achter deze percelen loopt de Murmerwoudsterweg, een belangrijke toegangsweg (namelijk de provinciale weg N356) tot Dokkum. In het noorden wordt deze weg de Westelijke Rondweg van Dokkum, en in het zuiden, na de kruising met de Lauwersseewei, de Hoofdweg richting Damwâld.
Ten westen loopt de Pier Prinslaan met een parallel fietspad en agrarisch land.
In het noorden ligt een semi verhard pad, een onderbroken waterstrook en een bedrijventerrein met kantoren, horeca en parkeerplaatsen, zoals getoond in onderstaande figuren. De Pier Prinslaan verbindt het gebied met de Westelijke Rondweg, Parklaan en Murmerwoudsterweg.
Figuur 4. Straatbeeld van de braakliggende gronden
Figuur 5. Straatbeeld van het bedrijventerrein ten noorden van het plangebied
Omdat de gemeente de behoefte aan perifere detailhandelfuncties niet ziet toenemen in de toekomst, is onderzocht welke invulling beter en passender is voor het plangebied. Er is in Dokkum veel vraag naar bedrijfskavels voor lichte bedrijvigheid (categorieën 1 en 2), kantoren en groothandels. Het plan maakt daarnaast de combinatie van werken en wonen mogelijk. Ook is er de wens van Raadsma om uit te breiden. Tot slot legt de gemeente bij dit plan de nadruk op flexibiliteit vanwege de brede invulling van functies en hoge beeldkwaliteit vanwege de toevoeging van woningen.
Ten behoeve van een herziene invulling van het bedrijventerrein is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, met daarin een nieuwe stedenbouwkundige opzet voor het gebied. Het beeldkwaliteitsplan is als Bijlage 1 aan het plan toegevoegd en eveneens aan de regels verbonden. Daarmee is de juridische borging gelegd dat de voorgenomen stedenbouwkundige/landschappelijke inpassing omwille van een goede ruimtelijke kwaliteit ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
Bebouwing (bedrijven en woningen)
Alle bebouwing moet binnen de aangegeven bouwvlakken blijven en mag maximaal 70% van de kaveloppervlakte beslaan. Er gelden minimale afstanden van 5 meter vanaf de weg en 3 meter vanaf de kavelgrens. De maximale bouwhoogte is vastgesteld op 10 meter. Bedrijfswoningen zijn toegestaan binnen specifieke aanduidingen, met maximaal één woning per bedrijf. Voor deze woningen geldt een minimale dakhelling van 30 graden en een maximale goothoogte van 3,5 meter.
Uitbreiding van Raadsma
Een stuk grond van circa 5.000 m² in het zuidoosten van het plangebied wordt toegevoegd aan het terrein van Raadsma (deelgebied 1 in figuur 6). De uitbreiding heeft betrekking op de verplaatsing van het parkeerterrein naar het noorden, met een capaciteit van 48 auto's. Het nieuwe parkeerterrein krijgt een overkapping met zonnepanelen. De bestaande toegangsweg van Raadsma wordt ook uitgebreid en aangesloten op de nieuwe centrale weg. Los van het voorgaande wordt Raadsma op het bestaande terrein uitgebreid met extra bedrijfsbebouwing. Dit wordt in een andere planologische procedure, los van het voorliggende wijzigingsbesluit, geregeld.
Verkeersontsluiting
Het plangebied krijgt een centrale weg, die in het westen en zuiden aansluit op de Pier Prinslaan. Deze nieuwe weg wordt omgeven door bomenrijen, net als de Pier Prinslaan aan de westkant van het plangebied (zie figuur 6). Deze infrastructuur zorgt voor een efficiënte ontsluiting van het plangebied.
Groene inrichting en fietsverbindingen
Aan de oostkant van het plangebied komt een groene strook, waarbij mogelijk op later moment nog een fiets-/voetpad wordt aangelegd in verbinding met de Murmerwoudsterweg. Daarnaast wordt een dam aan de noordzijde verwijderd, waardoor twee waterpartijen met elkaar worden verbonden.
Figuur 6. Impressie van nieuwe inrichtingsituatie plangebied
De ontwikkeling bestaat uit diverse deelgebieden die ieder betrekking hebben op een ander gedeelte, te weten:
De regels in het omgevingsplan moeten gezamenlijk bijdragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent in elk geval dat moet worden voldaan aan alle instructieregels van het Rijk en van de provincie die hiermee te maken hebben. Deze instructieregels worden in Hoofdstuk 4 besproken.
Als gevolg van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan komt een deel van het ruimtelijke plan (bestemmingsplan) dat deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gedeeltelijk te vervallen. Het betreft hier een deel van het bestemmingsplan 'Dokkum Regiostad' van de voormalige gemeente Dongeradeel (vastgesteld op 28 juni 2018, met IMRO-identificatiecode NL.IMRO.0058.BPDKRS2017-VG01).
Binnen dit bestemmingsplan zijn de gronden, zoals besproken in de voorgaande paragraaf, bestemd als Detailhandel - PDV, Kantoor, Verkeer en Groen. De realisatie van bedrijvigheid van milieucategorieën 1 en 2 in combinatie met woningen is niet mogelijk binnen het geldende planologisch-juridisch kader. Voor de regels behorende bij deze nieuwe bestemmingen, functie- en gebiedsaanduidingen wordt verwezen naar het Omgevingsloket.
In de toekomstige situatie heeft het plangebied de functies 'Groen' en 'Bedrijventerrein'. Met een bouwvlak is aangegeven waar mag worden gebouwd. In dit geval betreft dat het gehele vlak van de functie Bedrijventerrein. Stroken aan de west- en oostzijde van het plangebied krijgen de functie 'Groen'. Met een aanduiding is aangegeven waar bedrijfswoningen zijn toegestaan. Ook is met een andere aanduiding aangegeven dat het op die plek specifiek gaat om een groothandel in ijzer- en metaalwaren. Dit is om de bestaande en nieuwe bedrijfsrechten van ijzerhandel Raadsma te borgen.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) uit 2020 biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan worden ingespeeld op de grote uitdagingen die voorliggen. Verscheidene trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Groeiende en veranderende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen maar een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt daarnaast om zorgvuldige keuzes. De ruimte is zowel boven-, als ondergronds, een schaars goed.
Het combineren van al die opgaven vraagt om een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar van onderop, in goede samenwerking tussen overheden, kennisinstellingen, bedrijven maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat mogelijk is. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid grotendeels bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes vaak het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die per 1 januari 2024 in werking is getreden. De NOVI heeft, samen met het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de SVIR, het Barro en het Bro vervangen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI een visie op lange termijn in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven.
Die belangen komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen in sommige gevallen kunnen botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
De NOVI vindt haar doorwerking in het regionale en lokale beleid waaraan uiteindelijk plannen zullen worden getoetst. De algemene denklijn van de NOVI is in de planvorming betrokken.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
Het planvoornemen zoals uiteengezet in Hoofdstuk 2 is niet in strijd met het beleid zoals benoemd in de NOVI.
In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een groot aantal instructieregels opgenomen. Aan deze instructieregels moet worden voldaan. De meest relevante instructieregel betreft de regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betreft onder meer:
In onderstaande zijn de instructieregels opgenomen die van toepassing zijn op dit wijzigingsbesluit. Deze instructieregels richten zich op de volgende thema's:
Tabel 1. Overzicht relevante Rijksinstructieregels
| Thema | Paragraaf Bkl | Relevant voor wijzigingsbesluit? | Verwijzing paragraaf | ||
| Omgevingsveiligheid | 5.1.2 | Ja | 4.11 | ||
| Waterbelangen | 5.1.3 | Ja | 4.7 | ||
| Luchtkwaliteit | 5.1.4.1 | Ja | 4.8 | ||
| Geluid door Activiteiten | 5.1.4.2 | Ja | 4.1 | ||
| Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen | 5.1.4.2a | Ja, wegen | 4.3 | ||
| Bodemkwaliteit | 5.1.4.5 | Ja | 4.5 | ||
| Ladder voor duurzame verstedelijking | 5.1.5.4 | Ja | 4.6 | ||
| Cultureel erfgoed en werelderfgoed | 5.1.5.5 | Ja | 4.9 | ||
In Hoofdstuk 5 van deze motivering zijn de thema's voor zover relevant voor dit wijzigingsbesluit nader uitgewerkt.
Op 21 oktober 2020 is de Omgevingsvisie Fryslân vastgesteld. Hierin is het provinciaal beleid vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet uiteengezet. De provincie heeft een viertal doelstellingen die ze als speerpunt wil behandelen. Een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. Dat zijn de ambities van de provincie Fryslân voor de Friese leefomgeving. Met de leefomgeving bedoelt de provincie: de gedeelde ruimte waarin de mensen in de provincie samenleven. Fryslân is van alle mensen die er wonen, werken of te gast zijn.
In de Omgevingsvisie zijn negen principes opgenomen over de manier van werken. De inhoudelijke principes betreffen:
De samenwerkingsprincipes betreffen:
Deze principes staan voor de provinciale manier van werken, die richting geven bij het maken van keuzes. Deze principes worden altijd in samenhang toegepast. Ze kunnen in verschillende situaties tot verschillende oplossingen leiden. Zo kan maatwerk worden geboden.
De provincie wil inzetten op vier urgente, integrale opgaven:
In de omgevingsvisie staat Dokkum, samen met Leeuwarden, Drachten, Sneek, Heerenveen en Harlingen genoemd, als onderdeel van het netwerk van grote en middelgrote steden (polycentrisch netwerk) die verbonden zijn aan de economische dynamiek van Nederland. Binnen Fryslân vormen deze steden eveneens een netwerk, waarbij de grote en kleinere dorpen dit aanvullen met hun eigen kwaliteiten.
In het noordoosten van Fryslân is Dokkum het centum van werk en voorzieningen, met een recreatieve uitstraling voor de hele regio. De Centrale As biedt kansen voor verdere ontwikkeling van bedrijvigheid, passend bij de cultuurhistorische en recreatieve kwaliteiten. De regionale samenwerking vormt het aanknopingspunt om Dokkum speerpunt in de verdere ontwikkeling te maken van een vitale, leefbare en bereikbare regio.
Voorliggend plan voor transformatie van het bedrijventerrein aan de Pier Prinslaan naar een bedrijvenpark is in lijn met de uitgangspunten van de provinciale omgevingsvisie.
De Omgevingsverordening Fryslân is op 1 januari 2024, tegelijkertijd met de Omgevingswet, in werking getreden. De omgevingsverordening sluit aan op de Omgevingswet en de werkwijze van de omgevingsvisie. De omgevingsverordening van Fryslân bevat ook (instructie)regels voor het omgevingsplan. In navolgende tabel is aangegeven in welke paragrafen van deze motivering de thema's, voor zover relevant, nader zijn uitgewerkt.
Tabel 2. Thema's provinciale omgevingsverordening
| Thema | Artikel POV | Verwijzing paragraaf | ||
| Archeologie | 2.1 | 4.9 | ||
| In een omgevingsplan wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden, waarbij gebruik wordt gemaakt van de Friese archeologische monumentenkaart extra (FAMKE) of van een met de provincie afgestemde gemeentelijke verdiepingsslag. In paragraaf 4.9 is nader ingegaan op de archeologische verwachtingswaarde van het plangebied. | ||||
| Gezondheid en veiligheid | 2.5 | 4.11 4.14 | ||
| Een omgevingsplan, dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies, bevat een onderbouwing van de wijze waarop effecten op de gezondheid en veiligheid zijn meegewogen in het plan. In paragraaf 4.11 is in het kader van rijksinstructieregels ingegaan op omgevingsveiligheid. In paragraaf 4.14 is ingegaan op het onderdeel gezondheid. Op deze wijze zijn de aspecten veiligheid en gezondheid meegewogen in het plan. | ||||
| Programmering en kantorenterreinen | 2.8 | 3.3.2 | ||
| Een omgevingsplan kan een nieuw bedrijventerrein bevatten, wanneer deze past binnen de afspraken bedrijventerreinen. Het plangebied heeft betrekking op het bedrijventerrein Zuiderschans. Dit bedrijventerrein is nu braakliggend en was oorspronkelijk bestemd voor perifere detailhandelfuncties. Hier blijkt echter geen behoefte meer aan te zijn. Het bedrijventerrein wordt daarom herontwikkeld naar bedrijfskavels met een lichtere milieucategorie waardoor onder andere het vestigen van kantoren, groothandels en werk-woonunits mogelijk wordt gemaakt. Een en ander is in lijn met het gemeentelijke beleid en gemeentelijke afspraken hierover. Dergelijke afspraken zijn samen met de provincie tot stand gekomen. Voor een nadere onderbouwing wordt verwezen naar paragraaf 3.3.2. | ||||
Verder geldt dat het plangebied binnen het van provinciewege aangewezen bestaand stedelijk gebied ligt, en waar meer mogelijkheden voor ontwikkelingen gelden, dan daarbuiten. Daarnaast is in hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening Fryslân uitgebreide regelgeving met betrekking tot natuur opgenomen, waaraan met voorliggend omgevingsplan wordt voldaan (zie 4.4 Natuur).
De omgevingsvisie geeft de gewenste ontwikkelingen van de fysieke leefomgeving in Noardeast-Fryslân weer. De gemeente wil de grootste kwaliteiten van Noardeast-Fryslân beschermen en koesteren. Tegelijkertijd zijn er allerlei ontwikkelingen en grote maatschappelijke opgaven waarmee rekening moet worden gehouden en waarmee de gemeente aan de slag moet. Dit bepaalt de richting voor de komende 10 jaar, de prioriteiten en het beleid voor de fysieke leefomgeving.
Een van de kernkwaliteiten is 'Sterke Regiostad Dokkum, vitale en leefbare dorpen'. De stad Dokkum heeft als grootste en centrale kern in de regio een belangrijke regiofunctie. Dit betekent een groot verzorgingsgebied met bereikbare voorzieningen. Dokkum heeft ook een functie te bieden voor werkgelegenheid door de aanwezigheid van bedrijventerreinen. Het planvoornemen om bedrijfsfuncties mogelijk te maken, sluit hier goed op aan.
De gemeente weegt eigen beleid en projecten en initiatieven in de leefomgeving af aan de hand van de volgende afwegingsprincipes:
De ontwikkeling van het bedrijvenpark sluit hierbij aan, omdat:
Het maken van regionale afspraken over bedrijventerreinen past binnen de beleidslijn zoals deze vanaf 2010 is ontwikkeld, mede op grond van het landelijke Convenant Bedrijventerreinen en zoals die vervolgens zijn doorwerking heeft gekregen in de provinciale Verordening Romte 2014 (en latere actualisaties). Daarmee geeft de provincie (samen met de gemeenten) invulling aan de bestuurlijke afspraken met het Rijk over de programmering van stedelijke functies, in dit geval bedrijventerreinen. Met de komst van de Omgevingswet is dit ongewijzigd. In de Omgevingsverordening Fryslân 2022 zijn regels gesteld over de vestiging en uitbreiding van bedrijventerreinen. In paragraaf 3.2.2 is hier reeds op ingegaan.
In het Convenant Bedrijventerreinen legt de gemeente Noardeast-Fryslân op hoofdlijnen nieuwe afspraken vast voor de periode 2022 t/m 2035. In deze afspraken gaat het om bedrijventerreinen van 1 ha of meer. In voorliggend geval is sprake van een bestaand bedrijventerrein dat bestemd is voor perifere detailhandel en kantoren. Dit bedrijventerrein wordt getransformeerd naar een werk-woongebied met andere bedrijfsfuncties. Feitelijk gezien is derhalve geen sprake van een nieuw bedrijventerrein. In het convenant wordt de onderhavige herontwikkeling niet expliciet benoemd. Wel wordt in het convenant aangegeven dat de gemeente kritisch kijkt naar de kwaliteiten van bestaande terreinen en de leegstand van gebouwen of kavels.
De gemeente streeft ernaar bestaande terreinen optimaal te benutten. Met dit plan is sprake van de herontwikkeling van een gebied dat bestemd is voor perifere detailhandel, maar tot heden onbenut is aangezien geen behoefte aan dergelijke detailhandel bleek te zijn. Met dit plan krijgen de ongebruikte kavels een nieuwe functie met bedrijvigheid waar wel behoefte aan is. Op deze wijze wordt een bestaand terrein optimaal benut. De functiewijziging van het bedrijventerrein is in lijn met gemeentelijke afspraken over bedrijventerreinen.
Het voorliggende plan is passend binnen het beleid op Rijksniveau en provinciaal en gemeentelijk niveau. In het navolgende hoofdstuk wordt ingegaan op milieu- en omgevingsaspecten in relatie met de Rijksinstructieregels uit het Bkl.
Wettelijk kader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 Bkl). Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (zoals woningen en woonschepen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan in beginsel regels bevatten. Het gaat om 'gewoon' geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de Bruidsschat (zie paragraaf 22.3.4).
Systematiek milieuzonering
De milieuregels uit het Bkl hebben als doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder meer door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds verstaan. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. Voor het aspect geluid van activiteiten wordt echter alleen ingegaan op geluid. De overige aspecten worden, indien relevant, uitgewerkt in andere paragrafen van deze motivering. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is.
Onderzoek
Twee vragen spelen een rol bij de toetsing:
Gebiedstype
Het plangebied is bestemd voor een combinatie van perifere detailhandel en kantoren. Het gaat hier om publieksgerichte activiteiten/functies, zoals woonwinkels, bouwmarkten en autoshowrooms. Diverse functies zijn planologisch mogelijk op korte afstand van elkaar. Dit geldt ook voor hinderveroorzakende functies die op korte afstand van hindergevoelige functies, zoals woningen, mogelijk zijn. Geconstateerd wordt dat sprake is van een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden mogen worden afgeschaald met één afstandsstap (milieucategorie 3.1, wordt milieucategorie 2, categorie 2 wordt 1 et cetera).
Uitwaartse zonering
Met het planvoornemen wordt een bedrijventerrein mogelijk gemaakt waarin diverse functies mogelijk zijn in combinatie met bedrijfswonen op een gedeelte van het plangebied. Bij het toedelen van de bedrijfsfuncties is rekening gehouden met de bedrijfswoningen in het plangebied. De mogelijk te maken bedrijfsfuncties zijn van lichte aard (maximaal milieucategorie 2) en zullen geen onevenredige geluidhinder veroorzaken voor de mogelijk te maken (bedrijfs)woningen. Het gaat om lichte bedrijfsfuncties die qua aard en schaal aanvaardbaar zijn in combinatie met woningen. Met oog hierop veroorzaakt het mogelijk maken van de bedrijfsfuncties evenmin geluidhinder voor de bestaande woonbestemmingen ten oosten van het plangebied.
Inwaartse zonering
Zoals eerder benoemd, maakt het plan een bedrijventerrein met lichte bedrijvigheid mogelijk in combinatie met enkele bedrijfswoningen. Het gaat hier om een gemengd werk-woongebied waar lichte bedrijvigheid in gezamenlijkheid met bedrijfswonen acceptabel is. Gelet op de aard en schaal van het mogelijk te maken bedrijventerrein is er geen sprake van onevenredige geluidhinder op de mogelijk te realiseren bedrijfswoningen. Bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied zijn hoofdzakelijk ook van de lagere milieucategorieën (waaronder een kantoor en diverse perifere detailhandelsactiviteiten ten noorden van het plangebied) die niet tot onevenredige hinder op de wellicht te realiseren bedrijfswoningen leiden.
Onderzoek groothandel ijzerwaren
Het plangebied ligt tevens nabij een groothandel in ijzerwaren. Op basis van H7.4 van de VNG-publicatie Activiteiten en milieuzonering dient te worden gemotiveerd dat de geprojecteerde bedrijfswoningen planologisch inpasbaar zijn. Gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de gewenste zekerheid dat de gebruiksmogelijkheden van het bedrijf niet worden beperkt door de nieuwe bedrijfswoningen, is tevens een onderzoek naar de geluidbelasting van de groothandel in ijzerwaren op de nieuwe bedrijfswoningen uitgevoerd.
Door adviesbureau Geluidzaken is onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op nieuw te bestemmen bedrijfswoningen op het bedrijventerrein Zuiderschans in Dokkum. Het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 2.
De bedrijfswoningen zijn voorzien op een reeds bestemd bedrijventerrein op korte afstand van het bedrijf Raadsma, een technische groothandel met actuele uitbreidingsplannen in twee fases. Zowel in fase 1 als in fase 2 wordt ten aanzien van langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus zowel op de beoogde bedrijfswoningen als op de bestaande reguliere woningen aan de geluidwaarden van het omgevingsplan voldaan. Zowel in fase 1 als in fase 2 treden ten aanzien van maximale geluidniveaus overschrijdingen van de geluidwaarden van het omgevingsplan op op het zuidelijke deel van het bouwvlak van de beoogde bedrijfswoningen. Deze overschrijdingen worden uitsluitend veroorzaakt door het dichtslaan van autoportieren op de parkeerplaats voor personeel. Op de overige woningen en in de overige etmaalperioden treden geen overschrijdingen op.
Conclusie
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er geen sprake is van overschrijding van de geluidwaarden richting gevoelige functies in de omgeving en richting de toekomstige bedrijfswoningen op bedrijvenpark Zuiderschans door toedoen van de activiteiten van het bedrijf Raadsma. Echter bleek dit niet voor het zuidelijke deel van het bouwvlak van de beoogde bedrijfswoningen. Hier kunnen de maximale geluidwaarden worden overschreden door het dichtslaan van autoportieren op de parkeerplaats voor personeel in de nachtperiode. De maximale geluidsniveaus op de meest zuidelijke mogelijkheid voor een bedrijfswoning zijn berekend op 69 en 68 dBA wat hoger is dan de in het omgevingsplan vastgestelde grenswaarde van 65 dBA. Hierom is er voor gekozen de mogelijkheid tot het oprichten van bedrijfswoningen op de daarvoor aangeduide locatie "bedrijfswoningen" in te beperken en de grens op 6 m verder noordwaarts te leggen dan waarvoor in het akoestisch onderzoek werd uitgegaan.
Wat geluid van activiteiten betreft, mag het planvoornemen uitvoerbaar worden geacht en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Toetsingskader
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies moet rekening worden gehouden met de mogelijke gevolgen die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht op het woon- en leefklimaat kunnen hebben. Aan de noord- en oostzijde grenst het plangebied aan agrarische gronden waarop alle vormen van agrarisch gebruik (veeteelt en gewassen/bloemteelt et cetera) zijn toegestaan. In beginsel betekent dit ook dat gewasbeschermingsmiddelen zijn toegestaan.
Voor het spuitzoneringsvraagstuk dient op basis van jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2016:855) in beginsel een afstand van 50 meter te worden aangehouden. Alleen in bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken en kan een kleinere afstand dan 50 meter worden toegestaan (ECLI:NL:RVS:2022:3160 en ECLI:NL:RVS:2023:269). De genoemde gevallen zijn echter zeer contextspecifiek waardoor afwijking van de 50 meter afstand in veel gevallen vaak nog niet juridisch stand houdt.
Naast het voorgaande blijkt uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2017:3524) dat als uit de representatieve invulling van de maximale planologische situatie blijkt dat het niet aannemelijk is dat de gronden zullen worden gebruikt voor een vorm van agrarisch gebruik waarbij gewasbeschermingsmiddelen zullen worden gebruikt, er in redelijkheid geen rekening hoeft te worden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden. Oftewel als de gronden op dit moment worden gebruikt ten dienste van het houden van vee en geen enkel concreet voornemen kenbaar is gemaakt om het huidige agrarische gebruik te wijzigen naar de teelt van gewassen, dan hoeft er in redelijkheid geen rekening te worden gehouden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden.
Onderzoek
Voor de agrarische gronden die grenzen aan het plangebied zijn geen concrete voornemens bekend het huidige agrarische gebruik te wijzigen naar de teelt van gewassen. Bovendien is de gemeente in eigendom van deze aangrenzende gronden. De gemeente verpacht de gronden en kan daarbij privaatrechtelijk vastleggen en afdwingen dat geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Het aspect spuitzonering levert dan ook redelijkerwijs geen beperkingen voor het planvoornemen van voorliggend plan op.
Conclusie
Het plan is op het vlak van spuitzonering niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Wettelijk kader
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de Bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de Bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
Instructieregels
De instructieregels uit afdeling 3.5 Bkl zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18, lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Geluidaandachtsgebied
Net als onder de vroegere Wet geluidhinder (Wgh) wordt rondom een industrieterrein, weg of spoorweg een begrenzing aangebracht. Buiten die grens wordt per definitie voldaan aan geluidsnormen en hoeft het effect van de bron op een geluidgevoelig gebouw niet meer te worden getoetst. Binnen die grens is een toets nodig op aanvaardbaarheid. Deze zone heet onder de Omgevingswet een geluidaandachtsgebied. Het geluidaandachtsgebied is een gebied (locatie) langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan bepaalde standaardwaarden (artikel 3.20 jo. tabel 3.34 Bkl) Lden, zoals bedoeld in onderstaande tabel.
De ligging van een geluidaandachtsgebied wordt bepaald door de geluidbelasting van geluidbronnen. Hoe die geluidbelasting moet worden bepaald, is voorgeschreven in het Bkl en in de Omgevingsregeling (artikel 5.78a Bkl). De instructieregels voor het omgevingsplan hebben betrekking op het geluidaandachtsgebied van:
Onderzoek wegverkeer
De nieuwe bedrijfswoningen zijn voorzien binnen het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen en buiten andere geluidaandachtsgebieden. In dat geval moeten wegen met een etmaalintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per weekdagetmaal worden onderzocht. Uitgangspunt is dat dit uitsluitend de ten oosten van het plangebied gelegen Murmerwoudsterweg betreft. Hier is derhalve akoestisch onderzoek naar ingesteld die als Bijlage 3 is opgenomen. De nabijgelegen Pier Prinslaan en Ut Swarte Bruchje, met beide een beperkt ontsluitingsgebied, zijn niet geluidsrelevant. Het onderzoeken van andere wegen dan de Murmerwoudsterweg is niet nodig.
De geluidbelasting vanwege gemeentelijke wegen is bij voorkeur niet hoger dan de standaardwaarde van 53 dB (artikel 5.78t Bkl). Onder voorwaarden zijn hogere geluidbelastingen mogelijk tot en met de grenswaarde van 70 dB (artikel 5.78u Bkl).
Uit het akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai vanwege de mogelijk te realiseren bedrijfswoningen blijkt dat de geluidbelasting vanwege de Murmerwoudsterweg ten hoogste 53 dB bedraagt. Daarmee wordt overal aan de standaardwaarde voldaan. Uitgaande van de berekende geluidbelastingen is er dan ook geen reden voor het onderzoeken van de geluidsisolatie van de gevels van de mogelijk te realiseren bedrijfswoningen. De standaardeisten van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) volstaan.
Conclusie
Het plan is op het vlak van geluid niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Toetsingskader
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de vroegere Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Onderzoek
Voor de onderhavige ontwikkeling is het nodig de effecten op natuur in beeld te brengen. In dit kader is een natuurtoets uitgevoerd. Deze is bijgevoegd als Bijlage 4. In navolgende wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit het onderzoek.
Soortenbescherming
Uit de toetsing komt naar voren dat negatieve effecten op beschermde soorten als gevolg van de plannen kunnen worden uitgesloten, mits de oever aan de watergang in het oosten van het plangebied ongemoeid blijft. Omvat het plan toch werkzaamheden aan deze oever, dan is nader onderzoek en/of een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig voor kleine marterachtigen en waterspitsmuis. Het planvoornemen omvat geen werkzaamheden aan de oever.
Verstoring van vleermuizen wordt voorkomen door in de realisatie- en gebruiksfase gebruik te maken van naar beneden gerichte lichtarmaturen die strooilicht op de watergang ten oosten van het plangebied voorkomen. Als dit niet kan, is nader onderzoek en mogelijk een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig. Dit punt wordt bij de realisatiefase in acht genomen.
Voor de overige soorten is geen omgevingsvergunning nodig, mits de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels worden uitgevoerd. Negatieve effecten op overige broedende vogels worden bij voorkeur voorkomen door buiten het broedseizoen te werken, dus buiten de periode (half februari) half maart tot half juli (eind september). Het is ook mogelijk voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring. De broedperiode wordt in de realisatiefase in acht genomen.
Is de wens om de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig het plangebied voorafgaand aan de start te laten inventariseren op broedgevallen door een broedvogeldeskundige. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen.
Voor andere beschermde soorten of rode lijstsoorten is geen omgevingsvergunning nodig, mits bij uitvoering van de werkzaamheden de zorgplichten van de Omgevingswet in acht wordt genomen. Dit kan door ten minste één week voorafgaand aan grondwerkzaamheden het gras kort te maaien. Op die manier hebben amfibieën en grondgebonden zoogdiersoorten voldoende tijd zich te verplaatsen naar een locatie buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in of direct aan het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’. Hierdoor kan alleen sprake zijn van effecten door externe werking. Het wordt ervan gescheiden door bebouwing, agrarisch gebied en wegen. Hierdoor kunnen de negatieve effecten, zoals verstoring door licht of geluid, worden uitgesloten.
Het plangebied ligt op afstand van NNN-gebied. Hierdoor kan alleen sprake zijn van effecten door externe werking. Het wordt ervan gescheiden door bebouwing, agrarisch gebied en wegen. Hierdoor kunnen de negatieve effecten, zoals verstoring door licht of geluid, worden uitgesloten.
Het plangebied ligt op ruime afstand van een weidevogelkansgebied, dat wordt gescheiden door de agrarische velden en een bosgebiedje van het plangebied. Hierdoor kunnen de negatieve effecten, zoals verstoring door licht of geluid, worden uitgesloten.
Stikstofdepositie-onderzoek
Vastgesteld moet worden of de realisatie-/aanlegfase en de gebruiksfase van het planvoornemen geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie heeft. In het kader van het planvoornemen is een stikstofberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS-calculator. Het gehele stikstofdepositie-onderzoek met projectberekening is als Bijlage 5 bij de motivering te raadplegen.
Voor de realisatie-/aanlegfase is hierin uitgegaan van de emissie van mobiele werktuigen op de locatie en werkverkeer van en naar de locatie. Wat betreft de gebruiksfase is uitgegaan van aannames over verkeer van en naar het plangebied en aannames met betrekking tot de emissie vanwege het verwarmen van gebouwen. In de berekening is uitgegaan van de rekenjaren 2025, 2026 en 2027. Indien het plan later zal worden uitgevoerd, kan deze berekening als worstcase worden beschouwd. In latere rekenjaren zal de emissiefactor van onder andere verkeersbewegingen namelijk afnemen. Alle invoergegevens zijn in het stikstofdepositie-onderzoek te raadplegen.
Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er vindt door de stikstofdepositie geen negatief effect plaats op in het kader van de Omgevingswet beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning in het kader van de Omgevingswet is niet nodig.
Conclusie
Op het vlak van natuur is het planvoornemen niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Wettelijk kader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden er instructieregels van het Rijk over bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4.5 Bkl). Bodemkwaliteit is van belang voor elk omgevingsplan dat verblijfsgebouwen toelaat. Voor zulke situaties moet het omgevingsplan regels bevatten. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl en artikel IIIa, onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Onderzoek
Aangezien met het planvoornemen nieuwe bodemgevoelige functies mogelijk worden gemaakt (woningen), is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is als Bijlage 6 bij de motivering te raadplegen. In het navolgende wordt ingegaan op de relevante resultaten en conclusies uit het onderzoek.
Conclusies verkennend bodemonderzoek
Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat in de grond en het grondwater geen verhoogde gehalten/concentraties ten opzichte van de interventiewaarde zijn vastgesteld. De onderzochte grond voldoet aan klasse landbouw/natuur en in het grondwater zijn enkele zware metalen aanwezig welke zeer waarschijnlijk van nature voorkomen. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.
Concluderend kan worden gesteld dat uit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling voor bedrijfsterrein en/of woningbouw.
Indien grond van de locatie wordt afgevoerd voor toepassing elders, volstaan de resultaten van het onderliggende bodemonderzoek mogelijk niet. Om definitief vast te stellen of de grond buiten de locatie kan worden hergebruikt, kan het bevoegd gezag (gemeente waar de grond zal worden toegepast) verzoeken om een partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit.
Verder geldt dat volgens artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde met een bodemvolume meer dan 25 m³ wordt gezien als een ‘milieubelastende activiteit' (mba). Deze mba dient ten minste één week voorafgaand aan de start te worden gemeld via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
Conclusie
Het planvoornemen is wat het aspect bodemkwaliteit betreft niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Wettelijk kader
Als een ruimtelijk plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en (als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied) de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien (artikel 5.219g Bkl). Dit wordt de ‘Laddertoets’ genoemd. Voor het toetsen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking dienen de volgende vragen te worden beantwoord:
Onderzoek
In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van het Bkl is een stedelijke ontwikkeling als volgt gedefinieerd: "ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is".
Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Als een plan met overige functies wordt aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de Ladder worden toegepast. Artikel 5.129g Bkl bepaalt geen ondergrens voor of (de uitbreiding van een) bedrijf als stedelijke ontwikkeling is te karakteriseren. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor wel lijnen uitgezet. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij nieuwbouw en uitbreiding van bedrijven ligt de ondergrens in beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van 500 m2.
Binnen de bestemming Detailhandel - PDV is een bouwvlak aangegeven waarbinnen gebouwen mogen worden gebouwd. Alle bouwvlakken in het plangebied zijn over het gehele bestemmingsvlak gelegen. In theorie mag op grond van het bestaande planologisch-juridische kader dus 12.500 m2 worden bebouwd. Uitgaande van ruim 22 hectare oppervlakte nieuw bedrijventerrein waarvan 70% mag worden bebouwd, is in de toekomstige situatie sprake van 15.932 m2 aan bebouwing. De bestaande planologische situatie tegen de nieuwe situatie afgezet, is sprake van 16.932 - 12.500 = 3.433 m2 nieuw ruimtebeslag. Dit is meer dan 500 m2. Er is sprake van een stedelijke ontwikkeling.
De vervolgvraag is of de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. De Laddertoets geldt namelijk alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw of groter beslag op de ruimte dan op grond van het huidige planologisch-juridische kader aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Ook kan sprake zijn van nieuw ruimtebeslag bij een functiewijziging die op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten veroorzaakt. Bij dit plan is sprake van een functiewijziging van een gebied dat bestemd is voor detailhandel naar een gemengd bedrijventerrein. Er is per saldo sprake van extra ruimtebeslag bestaande uit 3.433 m2. Er is al met al sprake van een nieuw beslag op de ruimte, groter dan wat er op grond van het bestaande planologisch-juridische kader mogelijk is. Dit betekent dat de stedelijke ontwikkeling nieuw is.
Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het ruimtelijk verzorgingsgebied is in dit geval de regio Noardeast-Fryslân.
In het Convenant Bedrijventerreinen legt de gemeente Noardeast-Fryslân op hoofdlijnen nieuwe afspraken vast voor de periode 2022 t/m 2035. In deze afspraken gaat het om nieuwe bedrijventerreinen van 1 ha of meer. In het convenant is aangegeven dat de gemeente kritisch kijkt naar de kwaliteiten van bestaande terreinen en de leegstand van gebouwen of kavels. De gemeente streeft ernaar bestaande terreinen optimaal te benutten. Met dit plan is sprake van de herontwikkeling van een gebied dat bestemd is voor perifere detailhandel, maar tot op heden onbenut is gebleven. Dit aangezien er al jarenlang geen behoefte meer blijkt aan dergelijke perifere detailhandellocaties. Een en ander past tevens in landelijke trends die dit laten zien. Het ligt tevens niet in de lijn der verwachtingen dat de behoefte aan perifere detailhandel de komende tijd zal toenemen. Met het onderhavige plan krijgen de ongebruikte kavels een nieuwe functie met bedrijvigheid waar op regionaal-gemeentelijk niveau wel behoefte aan is. Het gaat hier om het mogelijk maken van bedrijfskavels met een lichtere milieucategorieën (1 en 2), zoals kantoren, groothandels en werken/wonen. Het voornemen voorziet derhalve in een behoefte aan nieuwe bedrijfskavels.
De voorgenomen herontwikkeling vindt plaats op het bedrijventerrein Zuiderschans en maakt volledig onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied.
Conclusie
Het planvoornemen mag worden geacht te voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking waarmee zorgvuldig ruimtegebruik wordt nagestreefd.
Wettelijk kader
Uit het Bkl volgt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van de watersystemen wordt in deze paragraaf eveneens betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening van Wetterskip Fryslân.
Het is aan het bevoegd gezag te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. De gemeente doet dit met Wetterskip Fryslân middels de digitale watertoets en eventuele aanvullende overleggen.
Onderzoek
Via het wateradvies voor ruimtelijke plannen is het waterschap op de hoogte gesteld van het onderhavige voornemen. Uit het wateradvies blijkt dat de normale watertoetsprocedure van toepassing is. Dit betekent dat het Wetterskip Fryslân vindt dat het plan grote invloed heeft op het water of de wateraspecten. Het wateradvies is als Bijlage 7 bij dit plan opgenomen. In navolgende passages wordt ingegaan op de meest wezenlijke aspecten uit het advies.
Advies toename verharding
Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waarvoor in het verleden niet is gecompenseerd.
Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen, indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels als genoemd in het wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater.
Op dit moment is het gebied al bestemd voor perifere detailhandel. In een eerdere ruimtelijke procedure in het verleden is dus al rekening gehouden met de destijds benodigde watercompensatie. Er bevinden zich diverse waterpartijen ten oosten en zuiden van het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat in het kader van de bestaande planologische situatie al is voldaan is aan de gestelde compensatienorm. Het realiseren van aanvullende watercompensatie wordt daarom niet nodig geacht. Wel wordt, gelet op de effecten van klimaatverandering, extra water rondom het plangebied gerealiseerd. Ten westen van het plangebied wordt langs de Pier Prinslaan een nieuwe watergang gerealiseerd. Een en ander staat tevens in verbinding met de ontwikkeling van de nabijgelegen woonwijk Trije Terpen.
Naast het voorgaande wordt een dam in het noorden van het plangebied verwijderd. Hierdoor worden twee waterpartijen met elkaar verbonden. De peilscheiding tussen de twee desbetreffende peilgebieden wordt wel behouden.
Conclusie
Wat het wateraspect betreft mag het planvoornemen uitvoerbaar worden geacht en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Wettelijk kader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden er instructieregels van het Rijk over de kwaliteit van de buitenlucht (paragraaf 5.1.4.1 Bkl). Als een plan betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, dan moeten de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat de omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2 Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden.
Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ug/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
Toetsing
Een project moet in beginsel worden getoetst aan de rijksomgevingswaarden voor de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM).
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een plan binnen de NIBM-grens blijft:
Bij dit wijzigingsbesluit wordt gebruik gemaakt van mogelijkheid 1. In navolgende alinea wordt hier nader op ingegaan.
NIBM-tool
Om inzicht te krijgen in wat voor invloed het planvoornemen op de luchtkwaliteit heeft, is de NIBM-tool uitgevoerd. De NIBM-tool laat een worstcase berekening zien voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit. Om de verkeersgeneratie te bepalen zijn de kencijfers uit de CROW-publicatie 744 gebruikt. Daarbij is gebruikgemaakt van de kencijfers voor een netto ha bedrijventerrein (gemengd gebied) per etmaal. Uitgaande van maximaal 1,7 ha bedrijventerrein zijn de volgende voertuigbewegingen per etmaal voor de NIBM-tool gebruikt:
Hieronder is de uitvoer van de NIBM-tool weergegeven.
Uit de NIBM-tool blijkt dat het planvoornemen slechts niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
Conclusie
Wat het aspect luchtkwaliteit betreft mag het planvoornemen uitvoerbaar worden geacht en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Wettelijk kader
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Naast wetgeving op rijksniveau is ook in de Omgevingsverordening Fryslân (artikel 2.1.1) vastgelegd dat in een ruimtelijk plan moet worden aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden.
Toetsing
In het omgevingsplan van rechtswege is geen archeologische dubbelbestemming voor het plangebied opgenomen. Op grond van de FAMKE moet voor de periode steentijd-bronstijd bij ingrepen groter dan 2.500 m2 archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Bij dit plan is sprake van een plangebied dat groter is dan 2.500 m2. Echter, is er al sprake van een bestaand bedrijventerrein dat bestemd is voor perifere detailhandel. Het terrein ligt braak, maar planologisch gezien is het al geruime tijd mogelijk op de gronden te bouwen. Dit betekent dat het plangebied in een eerder stadium reeds is vrijgegeven voor archeologie, in relatie tot de planologisch mogelijke detailhandelfuncties. Met oog hierop is geconcludeerd dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
Conclusie
Het aspect archeologie staat de uitvoerbaarheid van voorliggend omgevingsplan niet in de weg.
Nagegaan moet worden of in het plangebied of de directe omgeving daarvan cultuurhistorische objecten aanwezig zijn. Ten aanzien van dit onderdeel is de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in en aangrenzend aan het plangebied geen cultuurhistorische objecten aanwezig zijn waar rekening mee gehouden dient te worden bij planvorming. Het plan doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden.
Hoewel niet opgenomen op de CHK2 wordt Ut Swarte Bruchje (Zwarte wegje) aangrenzend aan het plangebied wel als historisch pad gezien die een belangrijke structuur vormt in het stedelijk weefsel van de wijken rond de binnenstad van Dokkum. Hierom is deze historische structuur in het geldende bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie die ziet op instandhouding en bescherming daarvan. Voorliggend plan brengt hier geen veranderingen in aan. Ingezet wordt op behoud van deze langzaam verkeersroute/landschapspad.
Conclusie
Het planvoornemen van dit omgevingsplan wordt niet belemmerd door cultuurhistorische waarden.
Wettelijk kader
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. In deze paragraaf wordt ook gesproken over plaatsgebonden risico en groepsrisico. Hierin worden de grens- en standaardwaarden en aandachtsgebieden rond (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties besproken.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden voor kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden bij het ruimtelijk besluit in acht genomen. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij het groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Naast vorengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn de volgende aspecten van belang:
Onderzoek
Om na te gaan of sprake is van risico's op het gebied van omgevingsveiligheid, is de signaleringskaart externe veiligheid geraadpleegd. Uit de EV-signaleringskaart blijkt dat ten oosten van het plangebied een gasleiding ligt met het kenmerk 'N-505-90'. Op onderstaande figuur is dit weergegeven.
Figuur 7. Uitsnede EV-signaleringskaart
Uit de EV-signaleringskaart blijkt dat geen van de risicocontouren van de gastransportleiding over het plangebied heen zijn gelegen. Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling geen nieuwe risicobron mogelijk gemaakt. Al met al is er geen sprake van een verhoging van risico's op het vlak van omgevingsveiligheid.
Conclusie
Wat het aspect omgevingsveiligheid betreft mag het planvoornemen uitvoerbaar worden geacht.
Toetsingskader
In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen moet in beeld worden gebracht wat het effect is op de bereikbaar en de verkeersafwikkeling. Daarnaast moet worden ingegaan op de parkeerbehoefte en hoe hiermee wordt omgegaan.
Onderzoek
Verkeer
Zoals beschreven in paragraaf 2.2, wordt in het plangebied een centrale weg gerealiseerd die in het westen en zuiden aansluit op de Pier Prinslaan. Deze infrastructuur zorgt voor een efficiënte ontsluiting van het plangebied en is afgestemd op het aantal extra verkeersbewegingen. Verwacht mag worden dat in de toekomstige situatie sprake is van een aanvaardbare en veilige verkeerssituatie.
Aan de oostelijke zijde van het plangebied komt een groenstrook met daarin een fietspad. Dit fietspad verbindt het terrein van Raadsma met de Murmerwoudsterweg. Op deze manier is het plan ook bevorderend voor het fietsverkeer.
Parkeren
Aangezien het voorliggende plan kaderstellend is en het nog niet bekend is watvoor bedrijven exact vestigen in het plangebied, is het nu nog niet mogelijk in te schatten wat de parkeerbehoefte is. Met oog op het voorgaande is in de regels van dit TAM-Omgevingsplan geregeld dat een aanvraag omgevingsvergunning alleen zal worden verleend als op het bouwperceel voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of als daarin zal worden voorzien. Of wordt voorzien in parkeergelegenheid, zal te zijner tijd worden bepaald aan de hand van de op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels.
Conclusie
Het plan is wat de aspecten verkeer en parkeren betreft niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Wettelijk kader
Te zijner tijd zullen in het omgevingsplan ten aanzien van duurzaamheid omgevingswaarden worden vastgelegd. Deze worden gebaseerd op het gemeentelijke beleid, zoals opgenomen in de omgevingsvisie. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is, dient het initiatief te worden getoetst aan deze omgevingswaarden.
Toetsing
Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen. Met het oog op die doelen moet het project aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst. Aanvullend zijn in de Bruidsschat regels op het gebied van energiebesparende maatregelen opgenomen. Bij dit project wordt aandacht aan energiebesparing besteed bij de realisatie van de woningen en bedrijfsgebouwen. Deze zullen voldoen aan alle BENG-eisen. Bovendien is sprake van minimaal planologisch ruimtebeslag. Een bestaand gebied dat bestemd is voor stedelijke functies wordt herontwikkeld naar bedrijfsfuncties die met oog op de toekomst duurzamer zijn voor het functioneren van Dokkum.
Conclusie
Het planvoornemen van dit omgevingsplan mag worden geacht in lijn te zijn met doelstellingen ten aanzien van duurzaamheid.
Te zijner tijd zullen in het omgevingsplan ten aanzien van gezondheid omgevingswaarden worden vastgelegd. Deze worden gebaseerd op het gemeentelijke beleid zoals opgenomen in de omgevingsvisie. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is, dient het initiatief te worden getoetst aan deze omgevingswaarden.
Toetsing
Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Met het omgevingsplan wordt een nieuwe groenstrook gerealiseerd met daarin de mogelijkheid van een fietspad. Dit draagt bij aan het creëren van een gezonde leefomgeving die beweging stimuleert. Zowel voor toekomstige bewoners en gebruikers in en van het plangebied als bewoners van omliggende bestaande woonwijken. Ook wordt een gezonde leefomgeving nagestreefd door de realisatie van water en groenstroken.
Wat gezondheid betreft, kan tevens gekeken worden naar het mogelijk maken van een gezond verblijfsmilieu. (aanwezigheid van geur, geluid, goede riolering en waterkwantiteit en -kwaliteit). Ook aspecten zoals biodiversiteit, natuurinclusief bouwen, het tegengaan van verspreiding van bestrijdingsmiddelen en vermesting, een schone bodem zijn relevante onderdelen van een gezond leefmilieu. Met deze ontwikkeling wordt gestreefd naar een gezonde leefomgeving. In dit hoofdstuk is ingegaan op diverse omgevingsaspecten (geluid, milieuzonering, water, luchtkwaliteit). Bij alle aspecten blijkt dat geen sprake is van beperkingen voor de omgeving. Hiermee wordt een gezond leefmilieu gewaarborgd. Dit plan levert daarmee een bijdrage aan een gezonde woon- en leefomgeving.
Conclusie
Het omgevingsplan biedt mogelijkheden om een positieve bijdrage aan de gezondheid te leveren.
Toetsingskader
Onderdeel van de motivering is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit houdt in dat moet worden nagegaan of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben. Op grond van bijlage V Omgevingsbesluit dient nu in veel gevallen van ruimtelijke ontwikkeling een mer-beoordeling plaats te vinden.
Onderzoek
Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen een rol. Het gaat hierbij om een functiewijziging van perifere detailhandel (milieucategorieën 1 en 2) naar lichte bedrijvigheid van milieucategorieën 1 en 2. Functioneel wijzigt het gebied niet op grote schaal. Echter is er wel sprake van circa 3.433 m2 extra ruimtebeslag. Wat aard en schaal betreft is daarom sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het Omgevingsbesluit. Met oog hierop is het voorliggende wijzigingsbesluit project-mer(beoordelings)-plichtig. De project-mer-beoordeling is opgenomen als Bijlage 8 bij deze motivering.
Conclusie
Uit de mer-beoordeling blijkt dat gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen aanzienlijke milieugevolgen optreden. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een mer-procedure.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 - voor zover nu bekend - de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en artikel 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de vroegere Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-Omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Pier Prinslaan te Dokkum, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1970.OpDkZuidersch-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk van het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân, de hoofdstukken moeten worden gelezen as paragrafen en voor de nummering van de artikelen moet het hoofdstuknummer worden gelezen. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
In dit artikel zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen.
In dit artikel wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld. In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-omgevingsplan. In het derde lid worden de regels uit het TAM-omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot.
In dit artikel zijn de aanvraagvereisten die zijn opgenomen in paragraaf 22.5.2 van de Bruidsschat (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan) van overeenkomstige toepassing verklaard op een omgevingsvergunning die vereist is op grond van dit hoofdstuk. Dit gaat bijvoorbeeld om aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
Artikel 6 Bedrijventerrein - Bedrijvenpark
Onder de functie Bedrijventerrein - Bedrijvenpark zijn bedrijven onder de categorieën 1 en 2, productiegebonden detailhandel en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - groothandel in ijzer- en metaalwaren' een groothandel in ijzer- en metaalwaren toegestaan. Daarnaast zijn bedrijfswoningen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' en bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning toegelaten. Nutsvoorzieningen, wegen en paden, groenvoorzieningen, tuinen, erven, terreinen en parkeervoorzieningen en overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, vallen ook onder de functie.
Onder de functie Groen mogen gronden worden gebruikt voor groenvoorzieningen, bosschages, bebossing en beplanting, wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, opritten, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen en waterlopen en waterpartijen. Daarnaast is het toegelaten om de gronden te gebruiken voor infrastructurele voorzieningen en overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, waaronder kunstobjecten. Op de gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.
De in het plan opgenomen functie Verkeer ziet op de ontsluiting van het bedrijvenpark. Toegelaten gebruik betreft wegen en straten, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen en overige verharding, groenvoorzieningen en sloten, bermen en beplanting met de daarbij behorende nutsvoorzieningen en overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde. Hiervoor kan slechts beperkt worden gebouwd met betrekking tot erf- en terreinafscheidingen (maximaal 1,00 m hoogte) en ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regelen van het verkeer (tot maximaal 5,00 m hoogte).
De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen.
Artikel 10 Algemene bouwregels
In dit artikel is opgenomen dat bouwgrenzen alleen mogen worden overschreden door tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, hellingbanen, funderingen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,50 meter. Daarnaast zijn regels opgenomen over bestaande maatvoeringen.
Artikel 11 Algemene regels voor functies en activiteiten
In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-Omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of worden verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod. Verder zijn in dit artikel activiteiten opgenomen die altijd verboden zijn.
Artikel 12 Overgangsrecht bouwwerken en Artikel 13 Overgangsrecht gebruik
In deze artikelen zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken en functioneel gebruik.
De kaart bestaat uit de werkingsgebieden voor de functies Bedrijventerrein - Bedrijvenpark, Groen en Verkeer. Daarnaast zijn de aanduidingen 'bedrijfswoning' en 'specifieke vorm van bedrijventerrein - groothandel in ijzer- en metaalwaren' weergegeven. De regels in dit hoofdstuk zijn aan deze werkingsgebieden gekoppeld, dan wel aan het gehele plangebied van voorliggend TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Bedrijventerrein Zuiderschans te Dokkum.
Tijdens de planvormingsprocedure zijn er meerdere gesprekken gevoerd met direct omwonenden en de ondernemersvereniging van Zuiderschans. Ook heeft de gemeente in september 2025 een inloopavond georganiseerd waar meerdere gegadigden, omwonenden, ondernemers en andere belanghebbenden aanwezig waren. De reacties op de plannen voor bedrijventerrein Zuiderschans waren overwegend positief. Wel werden zorgen geuit over de ontsluiting van de zuidoostkant van Dokkum. Deze problematiek overstijgt echter het voorgelegde plan en de opmerkingen zullen dan ook worden meegenomen in het onderzoek naar de (nieuwe) ontsluitingsoplossingen aan de zuidoostkant van Dokkum.
In het kader van het vooroverleg met de ketenpartners heeft overleg plaatsgevonden met provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân. Beiden hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de ontwikkeling.
Tijdens de terinzagetermijn is er één zienswijze ingediend door de provincie Fryslân. Deze is niet gericht op de inhoud van het plan zelf, maar op het convenant bedrijventerrein dat is gesloten met de gemeente. Zij stellen dat de oppervlakte aan werk-woonkavels niet meer ingezet kan worden in andere plannen. Dit wordt is door ons als gemeente onderschreven waardoor de zienswijze niet meer van toepassing is. Na overleg met de provincie is dit door ook door hen bevestigd.
Wettelijk kader
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet kan worden uitgevoerd. In gevallen waarin een ontwikkeling alleen kan worden gerealiseerd met een financiële bijdrage vanuit de gemeente, dan wordt daarover in deze paragraaf een passage opgenomen.
Kostenverhaal is aan de orde, indien het planvoornemen nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt. Onderstaande activiteiten zijn kostenverhaalplichtig:
Maakt het planvoornemen nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk? Dan dient het kostenverhaal via één van onderstaande opties te zijn verzekerd:
Onderzoek
Met oog op de toevoeging van 3.433 m2 bvo moet het planvoornemen als kostenverhaalplichtige activiteit worden gezien. Het plan wordt geïnitieerd door de gemeente Noardeast-Fryslân. De financiële verplichtingen die uit het project voortvloeien worden gedragen door de gemeente Noardeast-Fryslân. Op basis hiervan wordt gesteld dat het voorliggende TAM-Omgevingsplan niet evident onuitvoerbaar is op het vlak van financiële uitvoerbaarheid. In de grondexploitatie van de gemeente Noardeast-Fryslân is voldoende ruimte beschikbaar gemaakt om in het voorliggende plan te voorzien. Mogelijke nadeelcompensatie (voorheen planschade) is geborgd via de grondexploitatie.
Conclusie
Het kostenverhaal is verzekerd via de exploitatie van de gemeente. Over de gronduitgifte aan toekomstige bedrijven maakt de gemeente bilaterale afspraken met de geïnteresseerde partijen.
Voor dit wijzigingsbesluit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de uitvoerbaarheid is geborgd als:
Op grond van artikel 4.2 Ow moet het omgevingsplan er in ieder geval toe leiden dat voor het gehele grondgebied van de gemeente functies evenwichtig aan locaties zijn toegedeeld. Deze taak vormt een voortzetting van het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wro, maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in het omgevingsplan bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren. Evenwichtig reguleren van activiteiten, impliceert een locatiegerichte benadering waarbij de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving op een zo goed mogelijke wijze wordt verdeeld, ingericht en benut. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ('etfal') moet als resultante worden beschouwd van alle regels in het omgevingsplan.
Met voorliggende wijziging van het omgevingsplan is herontwikkeling van braakliggende gronden aan de Pier Prinslaan op bedrijventerrein Zuiderschans in Dokkum naar een bedrijvenpark met lichte bedrijvigheid, met daarbij enig bedrijfswonen, beoogd. In de voorgaande hoofdstukken is getoetst aan relevant beleid en zijn verrichte onderzoeken beschreven. Daarnaast is het planvoornemen getoetst aan de regels van het Bkl. Met uitzondering van het akoestisch onderzoek, wat nog nader wordt onderzocht, wordt verder op alle onderdelen voldaan aan de standaardwaarden zoals opgenomen in het Bkl. Er is geen aanleiding om op onderdelen hiervan af te wijken. Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van deze ruimtelijke ontwikkeling voldaan kan worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan de betreffende locatie. Hierbij is voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0 e van het Bkl.