direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Bedrijventerrein Zuiderschans te Dokkum
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1970.OpDkZuidersch-VA01

Regels

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Bedrijventerrein Zuiderschans te Dokkum

Dit TAM-omgevingsplan is bedoeld voor de locatie Bedrijventerrein Zuiderschans, te Dokkum en is als een nieuw hoofdstuk, hoofdstuk 22u, opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22u van het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22u' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22u' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in artikel 2 daarvan is afgeweken.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

2.1 omgevingsplan:

omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân;

2.2 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u Bedrijventerrein Zuiderschans te Dokkum met NL.IMRO.1970.OpDkZuidersch-VA01 van de gemeente Noardeast-Fryslân;

2.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.4 achtererfgebied:

erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;

2.5 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

2.6 bebouwingsgebied:

achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw of de bedrijfswoning, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw of de oorspronkelijke bedrijfswoning;

2.7 bed and breakfast:

een kleinschalige verblijfsvoorziening zonder keuken, die een ondergeschikt deel uitmaakt van een woning of is gevestigd in een bijgebouw, voor uitsluitend logies en ontbijt tegen betaling, die wordt gerund door de eigenaar en hoofdbewoner van het perceel);

2.8 bedrijfsgebouw:

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

2.9 bedrijfswoning:

een woning bij een gebouw of op een terrein, die hoort bij, functioneel gebonden is en ondergeschikt is aan een bedrijf, instelling of voorziening in dat gebouw en op dat terrein, slechts bedoelt voor (het huishouden van) een persoon die een functionele binding heeft met het bedrijf;

2.10 bestaand

ten aanzien van de aanwezige bouwwerken en de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, en het overige gebruik:

  • a. bestaand ten tijde van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan;
2.11 bijbehorend bouwwerk:

een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en architectonisch ondergeschikt gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

2.12 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

2.13 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

2.14 bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

2.15 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het omgevingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

2.16 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijn toegelaten;

2.17 bouwwerk:

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

2.18 cultuurhistorische waarden:

de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt;

2.19 dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

2.20 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

2.21 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

2.22 geluidsbelasting:

de geluidsbelasting vanwege een weg;

2.23 geluidgevoelig gebouw:

geluidgevoelig gebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

2.24 hoofdgebouw:

een gebouw dat, gelet op de functie, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt. Indien er binnen de bestemming een bedrijfswoning mogelijk wordt gemaakt, wordt deze als hoofdgebouw (ten opzichte van de bijbehorende bouwwerken) beschouwd;

2.25 internetdetailhandel:

detailhandel waarbij het te koop aanbieden van goederen plaatsvindt via het internet en de levering alleen geschiedt per post of koeriersdiensten;

2.26 kantoor:

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi-)overheidsinstellingen, het bankwezen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen;

2.27 kunstobject:

voortbrengsel van de beeldende kunsten;

2.28 landschappelijke waarden:

waarden in verband met de verschijningsvorm van een gebied en de aanwezigheid van waarneembare structuren en/of elementen in dat gebied;

2.29 nutsgebouw:

een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen en telefooncellen;

2.30 nutsvoorziening:

een voorziening ten behoeve van milieuvoorzieningen, de telecommunicatie, de waterhuishouding, natuurbeheer en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval wordt verstaan bergbezinkbassins, centrale voorzieningen voor de afvalinzameling en zendmasten;

2.31 overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder wanden dan wel met ten hoogste één wand;

2.32 peil:
  • a. voor een bouwwerk op een perceel waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk op een perceel waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil;
  • d. in het geval de hoogte van het terrein op een perceel grote verschillen vertoont: de door burgemeester en wethouders bepaalde hoogte;
2.33 perceelgrens:

de grens van een bouwperceel;

2.34 productiegebonden detailhandel:

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, geteeld, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;

2.35 seksinrichting:

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

2.36 speelvoorziening:

een voorziening waar gelegenheid wordt geboden om te kunnen spelen, zoals een speeltuin of speelweide, een trapveld of een speelkooi of een daarmee vergelijkbare voorziening;

2.37 voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw, of indien een perceel met meer dan één zijde grenst aan een weg, de als zodanig door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel, dan wel de zijde van het gebouw dat binnen de aanduiding 'voorgevelrooilijn' ligt;

2.38 voorgevelrooilijn:
  • a. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;
  • b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:
    • 1. bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;
    • 2. bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg;
  • c. lid a en lid b zijn niet van toepassing wanneer de voorgevel is aangeduid met 'gevellijn'. Deze lijn bepaalt in dat geval de voorgevelrooilijn;
2.39 vuurwerkbedrijf:

een bedrijf dat is gericht op de vervaardiging of assemblage van vuurwerk of de (detail)handel in vuurwerk, niet bedoeld periodieke verkoop in consumentenvuurwerk c.q. de opslag van vuurwerk en/of de daarvoor benodigde stoffen;

2.40 woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid, en voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Pier Prinslaan, te Dokkum, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1970.OpDkZuidersch-VA01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
  • 4. De regels van het Omgevingsplan gemeente Noardeast Fryslân blijven onverminderd van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid, voorzover de regels van dit TAM-Omgevingsplan deze regels niet hebben gewijzigd.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

4.1 de afstand tot de (zijdelingse) perceelgrens:

tussen de (zijdelingse) grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend gebouw, waar die afstand het kortst is;

4.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

4.3 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

4.4 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

4.5 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

4.6 de oppervlakte van een bouwwerk, niet bedoeld een overkapping:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

4.7 de oppervlakte van een overkapping:

tussen de buitenwerkse constructiedelen, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die vereist is op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 6 Bedrijventerrein - Bedrijvenpark

6.1 Toepassingsbereik

Dit artikel bevat regels over het gebied Bedrijventerrein - Bedrijvenpark.

6.2 Toegelaten gebruik - bedrijf

In het gebied Bedrijventerrein - Bedrijvenpark mogen gronden worden gebruikt voor:

  • a. bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2;
  • b. productiegebonden detailhandel tot een maximale oppervlakte van 10% van de bedrijfsbebouwing;
  • c. een groothandel in ijzer- en metaalwaren, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - groothandel in ijzer- en metaalwaren';
  • d. kantoren,

met daaraan ondergeschikt:

  • e. bedrijfswoningen, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  • f. bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning;

met de daarbijbehorende:

  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. wegen en paden;
  • i. groenvoorzieningen;
  • j. tuinen, erven, terreinen en parkeervoorzieningen;
  • k. overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde.
6.3 Bouwregels gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. de gebouwen en overkappingen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. het bebouwingspercentage van een binnen het bouwvlak gelegen gedeelte van een bouwperceel mag ten hoogste de in de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage bedragen;
  • c. voor een gebouw anders dan een bedrijfswoning geldt ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' dat ten minste 50% van de breedte van de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw in de gevellijn moet worden gebouwd;
  • d. de afstand van een gebouw tot de perceelgrenzen, met uitzondering van de tot de naar de weg gekeerde perceelgrens, dient ten minste 3,00m te bedragen;
  • e. bedrijfswoningen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  • f. per bedrijf mag uitsluitend één bedrijfswoning worden gebouwd met een totale maximum aantal van 4 bedrijfswoningen;
  • g. de bouwhoogte van een gebouw of overkapping mag ten hoogste de in de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte bedragen.
  • h. bedrijfsbebouwing dient te worden voorzien van een lessenaarsdak van minimaal 20 graden of een plat dak;
  • i. de dakhelling van een bedrijfswoning mag ten minste de in de aanduiding 'minimum dakhelling (graden)' aangegeven dakhelling bedragen;
  • j. de goothoogte van een bedrijfswoning mag ten hoogste de in de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte bedragen;
  • k. de oppervlakte van een bedrijfswoning mag ten hoogste 150 m² bedragen;
  • l. de totale oppervlakte van bedrijfsgebouwen moet ten minste 200% van de oppervlakte van een bedrijfswoning bedragen;
  • m. de voorgevel van een bedrijfswoning moet gericht zijn op de achterkant van het bouwperceel;
  • n. de afstand van een bedrijfswoning tot de naar de achterkant van het bouwperceel gekeerde perceelsgrens dient ten minste 5,00 m te bedragen.
6.4 Bouwregels bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  • a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend in het achtererfgebied en binnen het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. de bedrijfswoning het hoofdgebouw is; en
    • 2. in plaats van 1,00 m achter de voorkant, geldt 3,00 m achter de voorkant;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per bedrijfswoning niet meer bedragen dan:
    • 1. 50% van het bebouwingsgebied, indien het bebouwingsgebied kleiner of gelijk is dan 100 m²;
    • 2. 50 m² vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m², indien het bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk is aan 300 m²;
    • 3. 90 m² vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², indien het bebouwingsgebied groter is dan 300 m² tot een maximum van 150 m²;
  • c. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk mag ten hoogste 3,30 m bedragen;
  • d. de bouwhoogte van een bijbehorende bouwwerk mag niet meer bedragen dan:
    • 1. 6,50 m, indien in de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd, en:
    • 2. de bouwhoogte van een punt in een denkbeeldige lijn van 45°, getrokken vanuit een punt op 3,00 m bouwhoogte op de zijdelingse perceelgrens, met dien verstande dat geen deel van de kap zich buiten deze denkbeeldige lijn mag bevinden; en
    • 3. de bouwhoogte van de bedrijfswoning minus minimaal 1,00 m.
6.5 Bouwregels overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. het bouwen van erf- en perceelsafscheidingen is uitsluitend toegestaan als wordt voldaan aan de regels in artikel 22.36;
  • b. de bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.
6.6 Aanvullende bouwregels
  • 1. De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt in afwijking van lid 6.3 ook verleend als bedrijfswoningen op een afstand van minimaal 3,00 m tot de achterste bouwperceelgrens wordt gebouwd en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • a. er sprake is van een kwalitatief hoogwaardige koppeling van het woonerf aan de recreatieve zones;
    • b. er geen oprit wordt gerealiseerd aan de achterste bouwperceelgrens;
    • c. de bedrijfswoning moet een architectonisch geheel met de bedrijfsbebouwing vormen;
    • d. de bedrijfszijde is duidelijk als bedrijf herkenbaar;
    • e. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
      • het straat- en bebouwingsbeeld;
      • de woonsituatie;
      • de ruimtelijke en cultuurhistorische waarden; en
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  • 2. De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt in afwijking van lid 6.5 ook verleend als een hekwerk wordt gebouwd tot ten hoogte 2,00 m en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • a. het hekwerk wordt gebouwd in een strook van minimaal 1,00 m diep gemeten vanaf de wegkantinrichting;
    • b. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan:
      • het straat- en bebouwingsbeeld;
      • de verkeersveiligheid; en
      • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
6.7 Verboden gebruiksactiviteiten

Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken voor en/of als:

  • a. activiteiten die milieubelastende activiteiten betreffen die op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of paragraaf 22.3.26 melding- of vergunningplichtig zijn;
  • b. bedrijven, anders dan bedrijven die zijn genoemd in lid 6.2 sub a tot en met c;
  • c. de uitoefening van detailhandel, met uitzondering van productiegebonden detailhandel tot een oppervlakte van 10% van de bedrijfsbebouwing;
  • d. opslag en vulpunt voor LPG, indien de gronden niet zijn voorzien van de aanduiding 'vulpunt LPG';
  • e. bedrijfsgebouwen en vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;
  • f. opslag, voorzover het geen zij- en/of achtererf van de bedrijfsbebouwing betreft;
  • g. opslag ten behoeve van particulieren, dan wel het verhuren van gronden of gebouwen voor de opslag ten behoeve van particulieren;
  • h. opslag van materialen anders dan ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering;
  • i. bedrijfsverzamelgebouwen en verzamelunits;
  • j. het bewonen van een bedrijfswoning zonder dat er sprake is van een bedrijf en bedrijfsactiviteiten op dezelfde locatie.
6.8 Binnenplanse omgevingsplanactiviteit - Afwijken van de gebruiksregels
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 6.7 onder b.
  • 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als:
    • a. een bedrijf wordt gerealiseerd die niet is genoemd in Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten;
    • b. de bedrijfsactiviteiten naar het oordeel van het bevoegd gezag gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in categorie 1 en 2 Staat van bedrijfsactiviteiten genoemd in Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten;
    • c. het bedrijf qua milieubelasting gelijkwaardig is aan de bedrijven die wel worden genoemd in Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten onder een hogere categorie dan 2, maar in individueel geval feitelijk een lagere milieubelasting kunnen hebben; en
    • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • de woonsituatie;
      • de milieusituatie;
      • de verkeersveiligheid;
      • de ruimtelijke en cultuurhistorische waarden;
      • de landschappelijke waarden;
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
      • het straat- en bebouwingsbeeld.
  • 3. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;
    • b. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
      • de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
      • de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
      • de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
      • de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
      • het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
    • c. een motivering dat er aan de voorwaarden gesteld onder het tweede lid wordt voldaan.

Artikel 7 Groen

7.1 Toepassingsbereik

Dit artikel bevat regels over het gebied Groen.

7.2 Toegelaten gebruik - groen

In het gebied Groen mogen gronden worden gebruikt voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. bosschages, bebossing en beplanting;
  • c. voet- en fietspaden;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. speelvoorzieningen;
  • f. nutsvoorzieningen;
  • g. waterlopen en waterpartijen;

met daaraan ondergeschikt:

  • h. infrastructurele voorzieningen;

met de daarbijbehorende:

  • i. overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, waaronder:
    • 1. kunstobjecten.
7.3 Bouwwregels gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

7.4 Bouwregels overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag ten hoogste 1,00 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag ten hoogste 5,00 m bedragen.
7.5 Maatwerkvoorschriften
  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de plaats en de afmetingen van de bebouwing.
  • 2. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift wordt rekening gehouden met:
    • a. de sociale veiligheid;
    • b. de verkeersveiligheid;
    • c. de ruimtelijke en cultuurhistorische waarden;
    • d. de landschappelijke waarden;
    • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
    • f. het straat- en bebouwingsbeeld.

Artikel 8 Verkeer

8.1 Toepassingsbereik

Dit artikel bevat regels over het gebied Verkeer.

8.2 Toegelaten gebruik - verkeer

In het gebied Verkeer mogen gronden worden gebruikt voor:

  • a. wegen en straten;
  • b. voet- en rijwielpaden;
  • c. parkeervoorzieningen en overige verharding;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. sloten, bermen en beplanting,

met daaraan ondergeschikt:

  • f. speelvoorzieningen;

met de daarbijbehorende:

  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. overige bouwwerken geen gebouwen en overkappingen zijnde, waaronder kunstobjecten, bruggen, dammen en/of duikers.
8.3 Verboden gebruiksactiviteiten

In het gebied Verkeer is het verboden gronden te gebruiken voor het aanleggen van wegen en paden zodanig dat wegen uit meer dan twee rijstroken bestaan.

8.4 Bouwregels gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

8.5 Bouwregels overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende bouwregels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag ten hoogste 1,00 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag ten hoogste 5,00 m bedragen.
8.6 Maatwerkvoorschriften
  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de plaats en de afmetingen van de bebouwing.
  • 2. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift wordt rekening gehouden met:
    • a. de sociale veiligheid;
    • b. de verkeersveiligheid;
    • c. de ruimtelijke en cultuurhistorische waarden;
    • d. de landschappelijke waarden;
    • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
    • f. het straat- en bebouwingsbeeld.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen mogen in afwijking van het omgevingsplan, uitsluitend worden overschreden door tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, hellingbanen, funderingen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,50 m.

10.2 Bestaande maatvoeringen
  • a. Daar waar bestaande afstanden meer of minder bedragen dan ingevolge de bouwregels is voorgeschreven, worden de bestaande afstanden als ten hoogste respectievelijk ten minste toelaatbaar aangehouden.
  • b. In die gevallen dat bestaande situeringen, percentages, dakhellingen, kapvormen, hoogten, bestaande inhoud en/of bestaande oppervlakten afwijken van de bouwregels, worden de bestaande situeringen en maatvoeringen als toelaatbaar aangehouden.

Artikel 11 Algemene regels voor functies en activiteiten

11.1 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

11.2 Andere verboden activiteiten

De volgende activiteiten zijn altijd verboden:

  • a. het gebruik van de gronden voor de stalling en opslag van aan het oorspronkelijk gebruikt onttrokken voer-, vaar- en/of vliegtuigen;
  • b. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond, bodemspecie en puin en voor het storten van vuil;
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • d. het gebruik van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatieve voorzieningen, met uitzondering van:
    • 1. bed and breakfast, voorzover hiervoor de in de functies opgenomen afwijkingsprocedure voor het gebruik is gevoerd.
  • e. het gebruik van een (bedrijfs)woning voor meer dan één huishouden;
  • f. het gebruik van de gronden voor een inrichting anders dan de in Bijlage 2 opgenomen inrichtingseisen.
11.3 Aanvullende algemene bouwregels

De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt ook verleend als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de ruimtelijke en cultuurhistorische waarden, de landschappelijke waarden, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en wordt afgeweken van:

  • a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  • b. de aangegeven maatvoering met betrekking tot goot- en bouwhoogte tot ten hoogste 20% van die maatvoering;
  • c. de regels in die zin dat het beloop of profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft;
  • d. de regels in die zin dat gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, openbaar vervoer, bediening van kunstwerken, sanitaire voorzieningen en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
    • 1. de oppervlakte per gebouwtje ten hoogste 50 m² mag bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van een gebouwtje ten hoogste 3,00 m mag bedragen;
  • e. de regels, ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in die zin dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot ten hoogste 10,00 m;
  • f. de regels ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen in die zin dat de bouwhoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen wordt vergroot, mits:
    • 1. de maximale oppervlakte van de plaatselijke verhoging ten hoogste 10% van het betreffende bouwvlak mag bedragen;
    • 2. de vergroting ten hoogste 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw bedraagt; of
  • g. het bepaalde ten aanzien van het bouwen van gebouwen binnen het bouw- c.q. functievlak in die zin dat de grenzen van het bouw- c.q. functievlak naar de buitenzijde worden overschreden door:
    • 1. trappen, trappenhuizen en galerijen;
    • 2. entreeportalen, luifels, veranda's en balkons;
    • 3. overstekende daken;

mits de bouwgrens met niet meer dan 1,50 m overschrijdend;

    • 1. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de bouwgrens met niet meer dan 1,00 m overschrijdend.
11.4 Parkeren
  • 1. In aanvulling op artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning, als het bouwwerk, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, of het gebruik van dat bouwwerk, een behoefte aan parkeergelegenheid oproept, alleen verleend als:
    • a. op het bouwperceel voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of in zal worden voorzien.
  • 2. Of er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van de op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels.
  • 3. In afwijking van het bepaalde onder 1 wordt de omgevingsvergunning ook verleend als op het bouwperceel niet in voldoende parkeergelegenheid zal worden voorzien en naar het oordeel van het bevoegd gezag:
    • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de parkeersituatie.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 12 Overgangsrecht bouwwerken

  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit hoofdstuk, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt eenmalig een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%, mits er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
    • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • b. de woonsituatie; en
    • c. de milieusituatie.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met de regels van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

Artikel 13 Overgangsrecht gebruik

  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit hoofdstuk strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met dit plan voor inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.