direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22AE Doezum - Doezumertocht 35
Status: vastgesteld
Plantype: Omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1969.WZBG25POST01-VA01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Doezumertocht 35 te Doezum was voorheen een houtbewerkingsbedrijf gevestigd. Deze bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels beëindigd. De voormalige bedrijfswoning is sindsdien in gebruik als reguliere woning. De initiatiefnemer wil de planologische regeling in overeenstemming brengen met dit feitelijk gebruik door een functiewijziging van bedrijfswoning naar reguliere woning mogelijk te maken. Het plan betreft uitsluitend deze functiewijziging; er is geen sprake van uitbreiding, sloop of nieuwbouw. De initiatiefnemer is enkel voornemens de bestaande woning te renoveren.

Het beoogde gebruik van het perceel als regulier woonperceel is niet in overeenstemming met de regels uit het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. Om de bedrijfswoning als reguliere woning te gebruiken is een wijziging van het omgevingsplan nodig. Bij een wijziging van het omgevingsplan voor de beoogde ontwikkeling dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de instructieregels van het Rijk en de provincie Groningen en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna ETFAL). Deze motivering voorziet in een toetsing daaraan.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Doezumertocht 35, ten noordwesten van het dorp Doezum in het buitengebied van de gemeente Westerkwartier. Doezum kenmerkt zich door een landelijk karakter met verspreide bebouwing en omliggend agrarisch gebied, gelegen in een licht glooiend landschap op de overgang van het hogere zand van de Friese Wouden naar het lagere kleigebied richting het Reitdiepdal. De Doezumertocht, een karakteristieke oude afwateringssloot, slingert door dit gebied en voert in noordelijke richting af naar Kommerzijl, waar hij aansluit op grotere wateren. Langs de tocht liggen landbouwgronden, natuurgebieden en recreatieve routes, waardoor het een waardevolle landschappelijke en ecologische structuur vormt. Het plangebied wordt ontsloten via de Doezumertocht, waar een snelheidsregime van 60 km/uur geldt. Op het naastgelegen perceel aan de Doezumertocht 37 is een kleinschalige melkveehouderij gevestigd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG25POST01-VA01_0001.jpg"

Figuur 1.1 Ligging plangebied met luchtfoto huidige situatie (bron: pdok.nl)

1.3 Planologische regeling

Het plangebied is planologisch geregeld in het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier, waarin het voormalige bestemmingsplan Buitengebied Grootegast, geconsolideerde versie op 16 februari 2016, van toepassing is verklaard. Het plangebied heeft de bestemming Bedrijf en Waarde - Archeologie 5, zoals weergegeven in figuur 1.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG25POST01-VA01_0002.jpg"

Figuur 1.2 Uitsnede plankaart (bron: Regels op de kaart, 2025)

Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt de bestemming Bedrijf gewijzigd naar Wonen. Er wordt bij de wijziging zoveel mogelijk bij de bestaande (woon)bestemming uit het geldende geconsolideerde bestemmingsplan Buitengebied Grootegast aangesloten.

1.4 Leeswijzer

  • In hoofdstuk 2 wordt de huidige en de voorgenomen situatie beschreven.
  • In hoofdstuk 3 wordt het plan getoetst aan het relevante Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid en de relevante instructieregels.
  • In Hoofdstuk 4 wordt het plan getoetst aan de relevante milieu- en omgevingsaspecten.
  • In hoofdstuk 5 wordt de juridische vormgeving toegelicht.
  • In hoofdstuk 6 wordt de uitgevoerde participatie beschreven en wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan getoetst.
  • In hoofdstuk 7 wordt een afweging gemaakt of met de beoogde ontwikkeling sprake is evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 De bestaande situatie

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Doezum, een woondorp in de gemeente Westerkwartier. In een woondorp zoals Doezum zijn geen, dan wel nauwelijks, voorzieningen en is het wonen de primaire functie. Ten oosten van het plangebied bevindt zich de voorzieningenkern Grootegast. Het plangebied wordt ontsloten door de Doezumertocht, een smalle en landelijke erftoegangsweg in het buitengebied, bedoeld voor bestemmings- en landbouwverkeer. De weg volgt een oude watergang en heeft een maximumsnelheid van 60 km/u. Aan de Doezumertocht bevinden zich verspreid woningen en agrarische bedrijven, omring door agrarische percelen. Op het aangrenzende perceel ten westen van het plangebied en op de percelen ten oosten van het plangebied bevinden zich melkveehouderij bedrijven. Ten noorden en zuiden van het plangebied bevinden zich agrarische percelen. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 2.1 en figuur 2.2 toont het kadastrale perceel (Grootegast, sectie O, perceelnummer 166) van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG25POST01-VA01_0003.jpg"

Figuur 2.1 Globale ligging van het plangebied (bron: Rho basisviewer, 2025)

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG25POST01-VA01_0004.jpg"

Figuur 2.2 Kadastrale aanduiding

Het perceel van het plangebied werd voorheen gebruikt ten behoeve van een houtverwerkingsbedrijf, waarvan de bedrijfsactiviteiten inmiddels zijn beëindigd. Aan de voorzijde van het perceel bevindt zich de bedrijfswoning met aan weerzijden de bijbehorende tuin. Aan de achterzijde van het perceel bevindt zich de voormalige bedrijfsruimte met daarachter een open werkplaats. De werkplaats is bereikbaar via een brede oprit aan de westzijde van het perceel. Aan de zuidzijde van het perceel bevindt zich eveneens een lange oprit en nog twee parkeerplaatsen. Figuur 2.3 en 2.4 geven een weergave van de huidige situatie van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG25POST01-VA01_0005.png"

Figuur 2.3 Aanzicht van de westzijde van het plangebied (bron: Google Maps, 2024)

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG25POST01-VA01_0006.png"

Figuur 2.4 Aanzicht van de oostzijde van het plangebied (bron: Google Maps, 2024)

2.2 Voorgenomen situatie

De voorgenomen ontwikkeling betreft enkel een functiewijziging naar 'Wonen'. De bedrijfswoning zal als reguliere woning worden gebruikt. De bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels geëindigd en de voormalige bedrijfsbebouwing blijft behouden en geldt als bijbehorende bouwwerken bij de woning. Er wordt dus niks gesloopt en ook niks nieuw gebouwd. De planbegrenzing wordt afgestemd op het bestemmingsvlak Bedrijf uit het bestemmingsplan Buitengebied Grootegast (zie ook figuur 1.1).

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden.

De Rijksoverheid heeft 16 gebieden aangewezen waar de ruimtelijke opgaven van overheden zo groot en gestapeld zijn, dat ze vragen om gezamenlijke regie van het Rijk en de regio. Deze gebieden worden de NOVEX-gebieden genoemd. Om de opgaven effectief aan te pakken, bundelen de Rijksoverheid, regio, provincies, waterschappen en gemeenten hun krachten en werken ze gebiedsgericht samen.

Groningen-Assen is in het kader van het programma NOVEX aangewezen als één van de 16 NOVEX-gebieden. Regio en Rijk werken hierin samen aan het vormgeven van gebiedsgerichte regie op een combinatie van ruimtelijke opgaven. Ruimte voor wonen is een van de hoofdopgaven. Deze hoofdopgave betreft de realisatie van 21.000 woningen in de periode 2020 – 2030 en nog eens 15.000 woningen in de periode 2030 – 2040.

3.1.1 Toetsing

De beoogde ontwikkeling in het plangebied draagt bij aan de hoofdopgave 'Ruimte voor wonen', ook al gaat het in deze situatie op een project van kleine omvang. Er vindt namelijk een functiewijziging naar wonen plaats. De ontwikkeling wordt verder getoetst aan het Bkl in hoofdstuk 4 van deze motivering. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling niet in strijd is met de instructieregels vanuit het Bkl.

3.1.2 Conclusie

De beoogde ontwikkeling raakt geen rijksbelangen.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsverordening provincie Groningen

In de omgevingsverordening (geldend van 23 november 2024) staan regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen. De omgevingsverordening is nauw verbonden met de omgevingsvisie.

Dit plan voorziet in een functiewijziging van het gebruik van een perceel De Doezumertocht 35 met een bedrijfswoning naar uitsluitend het gebruik als woonfunctie. Er vinden geen sloop- of nieuwbouw werkzaamheden plaats. Het gaat hier enkel om het wijzigen van het gebruik.

In deze paragraaf worden alleen de artikelen uit de provinciale omgevingsverordening aangehaald die relevant zijn voor het plan.

Artikel 3.7 Instructieregel inpassing van nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied
Een omgevingsplan dat van toepassing is op het buitengebied en voorziet in wijziging van de functies of van de regels voor het gebruik van de grond biedt afhankelijk van en evenredig aan de aard, omvang en gevolgen voor de fysieke leefomgeving inzicht in:

a. de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied;

b. de bestaande stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van het gebied;

c. de inpassing van de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling in de directe en in de wijdere omgeving;

d. de maatregelen die nodig worden geacht om eventuele aantasting van kwaliteiten en waarden als gevolg van de ontwikkeling te salderen of compenseren; en

e. de bijdrage die de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling kan leveren aan de bestaande of nieuwe kwaliteiten en waarden.

De voorgenomen ontwikkeling betreft een functiewijziging van Bedrijf naar Wonen, zonder dat sprake is van fysieke ingrepen in de leefomgeving. Er vindt geen bouw- of sloopactiviteit plaats; het bestaande gebruik verandert enkel planologisch. Gezien het ontbreken van ruimtelijke ingrepen en de beperkte impact op de fysieke leefomgeving, is een nadere beschouwing van de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied niet relevant.

De stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van het gebied blijven ongewijzigd. Het bestaande bebouwingsbeeld van het perceel blijft behouden. Het toegestane gebruik wordt ingeperkt doordat de bedrijfsfunctie wordt verwijderd. Daarmee worden de genoemde waarden in de toekomst beter beschermd. Doordat de functiewijziging geen fysieke of functionele aantasting van aanwezige kwaliteiten of waarden met zich meebrengt, zijn salderende of compenserende maatregelen niet noodzakelijk.

De planologische wijziging levert een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit doordat het gebruik van het terrein voor niet-agrarische bedrijvigheid in de toekomst wordt uitgesloten. Daarmee wordt een potentieel verstorend gebruik voorkomen en wordt de woonfunctie geborgd, wat in lijn is met de gewenste ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied.

Artikel 3.12 Aanwijzing omgevingsplanactiviteiten

Als omgevingsplanactiviteit wordt in ieder geval aangewezen het ontwikkelen van stedelijke voorzieningen in het buitengebied, voor zover het gaat over:

a. niet-agrarische bedrijven, woningen, kantoren;

Er is sprake van een omgevingsplanactiviteit in de vorm van wonen.

Artikel 3.13 Instructieregel stedelijke ontwikkelingen in het buitengebied

1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied kan niet voorzien in nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

2. In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken op locaties die aansluiten op stedelijk gebied en waarvoor geen locatie beschikbaar is in het stedelijk gebied of na intensivering, revitalisering en herstructurering kan worden verkregen.

De beoogde ontwikkeling maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk omdat de bedrijfswoning al aanwezig is en slechts omgezet wordt naar een reguliere woning. Paragraaf 4.1 gaat in op de ladder voor duurzame verstedelijking.

Artikel 3.16 Instructieregel gebruik vrijgekomen gebouwen in het buitengebied

Lid 1. Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in Artikel 3.12 mogelijk maken voor het hergebruik van vrijgekomen gebouwen, mits:

a. de functie wonen slechts wordt toegekend aan het hoofdgebouw of een bij het hoofdgebouw behorend karakteristiek gebouw of beeldbepalend gebouw;

De ontwikkeling betreft een functiewijziging waarbij de bedrijfswoning, het hoofdgebouw, wordt gewijzigd naar reguliere woning.

b. geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het betrokken erf;

De ontwikkeling betreft een functiewijziging naar wonen. Het voormalige houtbewerkingsbedrijf wordt door de wijziging van het omgevingsplan wegbestemd en sluit de vestiging van nieuwe bedrijvigheid uit. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteit van het erf.

c. bedrijfsactiviteiten worden beperkt tot wat naar aard en omvang ruimtelijk, milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is;

De bedrijfsactiviteiten die binnen de bestemming 'bedrijf' mogelijk waren op het perceel zijn reeds beëindigd. Met de wijziging van het Omgevingsplan zijn de bedrijfsactiviteiten niet meer mogelijk. Binnen de nieuwe woonbestemming is 'bedrijf aan huis' nog wel mogelijk.

d. regels worden opgenomen voor de opslag van materialen en goederen op het erf;

De huidige planregels worden met deze wijziging van het omgevingsplan gewijzigd naar 'Wonen'. Er wordt bij de wijziging van het omgevingsplan zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande ‘(woon)bestemmingen’ uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied Grootegast, geconsolideerde versie 2016. Buitenopslag is daarmee niet toegestaan.

e. regels worden opgenomen over de uitoefening van detailhandel.

Er wordt bij de wijziging van het omgevingsplan zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande ‘(woon)bestemmingen’ uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied Grootegast, geconsolideerde versie 2016. Binnen die regels is detailhandel niet toegestaan.

Lid 2. De regels, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, worden alleen vastgesteld als de omgevingsplanactiviteit past in een woonvisie als bedoeld in Artikel 3.30 of de gemeentelijke omgevingsvisie.

De functiewijziging past bij de Omgevingsvisie en de woonvisie van de gemeente Westerkwartier omdat deze inspeelt op behoud van leefbaarheid in het buitengebied en het mogelijk maakt om bestaande erven passend te herbestemmen. Paragraaf 3.3 gaat hier verder op in.

Artikel 3.92 Aanwijzing en instructieregel houtsingelgebied Zuidelijk Westerkwartier

Lid 1. Het houtsingelgebied Zuidelijk Westerkwartier is aangewezen en geometrisch begrensd in bijlage 2.

Lid 2. Gelet op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat een omgevingsplan over het houtsingelgebied Zuidelijk Westerkwartier regels:

  • a. gericht op de bescherming van de herkenbare verkaveling en de houtsingels; en
  • b. die het kappen of rooien van houtsingels anders dan ten behoeve van normaal onderhoud verbieden.

Het plangebied valt binnen het Houtsingelgebied Zuidelijk Westerkwartier. De beoogde ontwikkeling ziet toe op een functiewijziging naar Wonen, waarbij geen fysieke veranderingen plaatsvinden. Daarbij zijn geen wijzigingen in regels ten opzichte van houtsingels. De functiewijziging heeft geen invloed op het houtsingelgebied.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Westerkwartier

De Omgevingsvisie van de gemeente Westerkwartier biedt een strategisch kader voor de ontwikkeling van de gemeente op lange termijn. Met het oog op wonen richt de visie zich op diverse aspecten zoals duurzaamheid, leefbaarheid, en ruimtelijke kwaliteit. Hieronder volgt een samenvatting van de belangrijkste uitgangspunten met betrekking tot het thema wonen:

  • Leefbare en Aantrekkelijke Woonomgeving:
    de gemeente streeft naar het creëren van leefbare, veilige en aantrekkelijke woonomgevingen. Dit betekent het waarborgen van een goede mix van woningtypen en -prijzen, zodat er een diversiteit aan bewoners mogelijk is.
  • Duurzaamheid en Energie:
    duurzaamheid is een kernpunt in de woningbouw. Dit omvat het bouwen van energiezuinige woningen, het gebruik van duurzame materialen, en het bevorderen van groene en klimaatadaptieve voorzieningen.
  • Flexibiliteit in Ruimtegebruik:
    de visie ondersteunt het adaptief gebruik van ruimte inclusief het herbestemmen van bestaande gebouwen en het optimaliseren van binnenstedelijke locaties voor nieuwe woningbouw.
  • Versterken van Dorpskernen:
    de visie zet in op het versterken van de dorpskernen door de woon- en leefkwaliteit te verhogen, sociale cohesie te bevorderen, en voorzieningen op peil te houden.
  • Toegankelijkheid en Bereikbaarheid:
    woningontwikkelingen moeten goed bereikbaar zijn, met aandacht voor openbaar vervoer, fietspaden, en voetgangersvriendelijke infrastructuur.
  • Inclusief Wonen:
    de gemeente streeft naar inclusieve woonvormen, waarbij ook ruimte is voor starters, ouderen, en mensen met speciale behoeften.
3.3.2 Toetsing

De voorgenomen ontwikkeling van een functiewijziging naar wonen aan de Doezumertocht 35 in Doezum past binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Westerkwartier zoals hierboven genoemd. Er wordt richting gegeven aan flexibiliteit in ruimtegebruik door het herbestemmen van de bestaande gebouwen aan de Doezumertocht 35 naar wonen.

3.3.3 Woonvisie 2020-2025

De Woonvisie Westerkwartier 2020-2025 beschrijft het beleid op het gebied van wonen in het Westerkwartier over de genoemde vijf jaren. Dit beleid geeft handvatten om in te spelen op de woonopgaven die in het gebied en de afzonderlijke dorpen leven. De uitdagingen betreffen de veranderende samenstelling van de bewoners in de dorpen, de kwaliteit en verduurzaming van de woningvoorraad en tegelijkertijd het wonen in het Westerkwartier betaalbaar blijft voor iedereen. Het Westerkwartier blijft de komende jaren groeien en veel dorpen hebben lokale woonwensen. Hieronder zijn de belangrijkste uitgangspunten uit de woonvisie samengevat.

  • Diverse woningvoorraad: de woonvisie benadrukt de noodzaak voor een gevarieerde woningvoorraad die voorziet in verschillende woonbehoeften, zoals voor starters, doorstromers, ouderen, en gezinnen.
  • Betaalbaar wonen: De visie streeft naar betaalbare woningen om ervoor te zorgen dat iedereen, ongeacht inkomen, toegang heeft tot passende huisvesting.
  • Duurzaamheid: Duurzaamheid is een centrale pijler, gericht op energiezuinige woningen, gebruik van duurzame materialen, en klimaatadaptieve bouwmethoden.
  • Leefbare dorpskernen: Het versterken van de leefbaarheid in dorpskernen staat centraal, met aandacht voor sociale cohesie, bereikbaarheid, en voorzieningen.
  • Levensloopbestendig wonen: Woonvormen die flexibel zijn en kunnen aanpassen aan veranderende levensfases en behoeften, zoals levensloopbestendige woningen, worden gestimuleerd.
  • Ruimtelijke kwaliteit: Het behoud en de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving, waaronder groenvoorzieningen en architectonische eenheid.
3.3.4 Toetsing

Deze functiewijziging past binnen het beleid zoals verwoord in de Woonvisie Westerkwartier 2020–2025. Door de bestaande bedrijfswoning om te zetten naar een reguliere woning wordt bijgedragen aan een gevarieerde en betaalbare woningvoorraad, passend bij de lokale woonwensen. Het plan sluit aan bij de ambities om bestaande woningen te benutten en waar nodig te verduurzamen, zonder nieuw ruimtebeslag of aantasting van de ruimtelijke kwaliteit.

3.3.5 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het beleid van de gemeente Westerkwartier.

3.4 Waterschap Noorderzijlvest

De waterschapsverordening van waterschap Noorderzijlvest is geldend vanaf 3 december 2024 en is van toepassing op de door het waterschap in artikel 1.10 aangewezen beperkingengebieden, die hoofdzakelijk gelegen zijn in het beheergebied van het waterschap Noorderzijlvest.

De waterschapsverordening richt zich op het beheer van het watersysteem met als doel:

  • a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
  • b. het beschermen en verbeteren van de fysisch-chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
  • c. het rekening houden met de vervulling van maatschappelijke functies door het watersysteem.

Daarnaast richt de verordening zich op het waarborgen van oppervlaktelichamen en bergingsgebieden, waterkeringen, grondwater en richt het zich op het beschermen en verbeteren van zuiveringtechnische werken.

3.4.1 Toetsing

In paragraaf 4.7 wordt ingegaan op het wateraspect met betrekking tot de beoogde ontwikkeling. Hieruit blijkt dat er met betrekking tot het aspect water geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling worden verwacht.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

De aard, omvang en locatie van de activiteit(en) zijn bepalend voor de milieu-, en omgevingsaspecten en andere thema's die onderzocht moeten worden als onderdeel van de motivering van de wijziging van het omgevingsplan. Dit is nodig met het oog op de ETFAL. In onderstaande paragrafen wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. De aspecten trilling, (slag)schaduw en windhinder worden in dit hoofdstuk niet behandeld, aangezien deze thema's niet relevant zijn voor dit plan.

4.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Het Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Het Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is.

4.1.1 Toetsing

De functiewijziging van een voormalige bedrijfswoning naar een reguliere woning sluit aan bij de feitelijke situatie en draagt bij aan een zorgvuldig ruimtegebruik, door bestaande bebouwing geschikt te maken voor reguliere bewoning zonder uitbreiding, sloop of nieuwbouw. Er is sprake van een bestaande woning die reeds in gebruik is als reguliere woning. Hiermee wordt leegstand voorkomen en wordt invulling gegeven aan bestaande woonbehoeften zonder extra ruimtebeslag. Bovendien past de ontwikkeling binnen de uitgangspunten van de Woonvisie Westerkwartier 2020–2025, waarin onder meer wordt ingezet op het benutten en verbeteren van de bestaande woningvoorraad en het bevorderen van duurzaamheid door renovatie van bestaande panden. De planologische borging van deze bestaande woonsituatie sluit daarmee aan bij het gemeentelijke beleid en voorziet aantoonbaar in een lokale behoefte.

4.1.2 Conclusie

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de instructieregels inzake de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.2 Ecologie

4.2.1 Soortenbescherming

Indien een activiteit waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt aangevraagd mogelijk gevolgen heeft voor verblijfs- of groeiplaatsen van beschermde dieren of planten, dan is sprake van een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten.

4.2.1.1 Toetsing

De beoogde ontwikkeling ziet toe op een functiewijziging. Er wordt niets gesloopt of nieuw gebouwd. Ook wordt er niks gedempt of gekapt. Het is daarom niet aannemelijk dat soorten gehinderd of verstoord worden door de beoogde ontwikkeling. Een onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

4.2.1.2 Conclusie

De beoogde ontwikkeling vormt geen belemmeringen voor het milieuaspect ecologie: soortenbescherming.

4.2.2 Gebiedsbescherming

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bal en het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels, niet zijnde instructieregels, komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland.

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedsel-kwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet significant zal aantasten.

De Natura 2000-activiteit is geen omgevingsplanactiviteit. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in het bestaan van een eventuele Natura 2000-vergunningplicht

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Een omgevingsplanactiviteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.

4.2.2.1 Toetsing

Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000- en NNN-gebied. Negatieve effecten, met uitzondering van stikstofdepositie, zijn op voorhand uitgesloten.

De beoogde functiewijziging dient getoetst te worden aan de eisen uit de Omgevingswet, waarbij de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden een rol spelen. In figuur 4.1 is het plangebied weergegeven ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied met stikstofgevoelige habitats, namelijk de 'Bakkeveense Duinen' op 12,5 kilometer afstand. Met het rekenmodel AERIUS (versie 2024.2.1) is een berekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden in beeld te brengen. Het stikstofonderzoek en de AERIUS-berekening is toegevoegd in bijlage 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG25POST01-VA01_0007.png"

Figuur 4.1 ligging plangebied (rood gemarkeerd) (bron: AERIUS Calculator)

4.2.2.2 Resultaten en conclusie

Uit de berekening met AERIUS Calculator (versie 2024.2.1) blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekening zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. De beoogde functiewijziging is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet.

4.3 Verkeer en parkeren

Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Bkl stellen geen regels op het gebied van verkeer.

Voor het aspect parkeren dient aangetoond te worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor het opvangen van de beoogde parkeerbehoefte en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet. De CROW-richtlijnen blijven net als in de huidige praktijk belangrijk bij de beoordeling van verkeer en parkeren.

4.3.1 Toetsing

Ontsluiting en verkeer

Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW-publicatie 744. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt op basis van CBS-data voor de gemeente een stedelijkheidsgraad van ‘niet stedelijk’ aangehouden. De verkeersgeneratie bedraagt 8,2 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Het verkeer wikkelt zich via de Doezumertocht af naar de Peebos en vervolgens de Provincialeweg, waarna het extra verkeer op gaat in het heersende verkeersbeeld. De verkeersgeneratie is zo gering dat het als niet significant aangemerkt kan worden. Bovendien heeft de huidige functie ook al een verkeersaantrekkende werking.

Parkeren

De beoordeling van het plan op het omgevingsaspect parkeren houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn. Daarom zijn de parkeernormen voor het gehele grondgebied van de gemeente Westerkwartier vastgelegd in een parapluplan welke is opgenomen in het omgevingsplan. Het doel van het paraplubestemmingsplan is het zorgen voor een toetsingskader om te bepalen of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid bij nieuwbouwplannen, verbouwplannen en functiewijzigingen. De gemeente Westerkwartier past de meest actuele richtlijnen van het CROW toe voor de maatvoering, de bepaling van het aantal parkeerplaatsen en als de wijze van berekening.

Bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen voor een nieuwe ontwikkeling wordt rekening gehouden met de parkeervraag in de bestaande situatie. Dit betekent dat in het geval van sloop/nieuwbouw of functiewijziging eerst de parkeerbehoefte van de bestaande (te vervallen) functies wordt bepaald met behulp van de parkeernormen en – indien van toepassing - de aanwezigheidspercentages. De nieuwe ontwikkeling mag in beginsel niet leiden tot een toename van de parkeerdruk in het openbaar gebied. Bij nieuwbouw of functiewijziging is uitgangspunt dat het parkeren op eigen terrein moet worden opgelost.

De locatie valt onder de categorie 'niet stedelijk' en bevindt zich in het 'buitengebied'. Op basis hiervan geldt een parkeernorm van gemiddeld 3 parkeerplaatsen voor de huidige functies (een bedrijfswoning). Bij de functiewijziging naar 'wonen' wordt voor een vrijstaande woning eveneens een parkeernorm van gemiddeld 3 parkeerplaatsen per woning aangehouden. Dit betekent dat de totale parkeerbehoefte gelijkt blijft. Het plangebied beschikt in de huidige situatie over het aantal benodigde parkeerplaatsen. Hierdoor wordt voldaan aan de parkeernormen zoals vastgelegd in CROW-publicatie 744 en het geldende gemeentelijke parkeerbeleid.

4.3.2 Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.4 Geluid

4.4.1 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Wanneer een geluidgevoelig gebouw mogelijk wordt gemaakt zal bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden moeten worden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied.

4.4.1.1 Toetsing

Er is in of nabij het plangebied geen sprake van een spoorweg of een industriegebied. Op basis van het huidige bestemmingsplan is er een bedrijfswoning toegestaan. Bedrijfswoningen zijn al geluidgevoelig, net als een reguliere woning. Met de beoogde functiewijziging wordt er geen nieuw geluidgevoelig gebouw mogelijk gemaakt.

Het plangebied ligt aan de Doezumertocht, waar een maximaal toegestane snelheid van 60 km/uur geldt. Het plangebied valt binnen het geluidaandachtsgebied van deze weg. Omdat in de huidige situatie het hoofdgebouw al als woning gebruikt mag worden, is er met de functiewijziging naar regulier wonen ook vanuit wegverkeerslawaai geen sprake van een nieuwe woning in het kader van de wetgeving voor geluid. Er is sprake van een bestaande situatie. Daarom is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk.

4.4.1.2 Conclusie

De akoestische situatie vanwege (gemeente)wegen in de omgeving is aanvaardbaar voor de beoogde functie.

4.4.2 Geluid door activiteiten

Bij een nieuwe ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het geluid van activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Dat geldt voor het toestaan van activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen, maar ook andersom ook voor het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Van belang is dat enerzijds de geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is en blijft, anderzijds dat de gebruiksruimte van activiteiten in beginsel ongemoeid wordt gelaten.

Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk:

  • 1. Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder);
  • 2. Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie.

4.4.2.1 Toetsing

Het hoofdgebouw is reeds in gebruik als woning (geluidgevoelig gebouw), zij het op basis van de status ‘bedrijfswoning’. Door de functiewijziging naar ‘reguliere woning’ wordt geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige gebouw in de zin van de geluidregelgeving. Er is immers sprake van een voortzetting van het bestaande gebruik. Ten westen van het plangebied bevindt zich een perceel waarop een melkveehouderij is gevestigd. De melkveehouderij moet in bestaande situatie al voldoen aan de daarvoor geldende geluidsnormen. Daarnaast wordt de gebruiksruimte van de melkveehouderij niet belemmerd door de functiewijziging.

Omdat de woning feitelijk al aanwezig en in gebruik is als woning, en de functiewijziging planologisch wordt vastgelegd zonder fysieke aanpassingen of functieverdieping, is aanvullend akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Zowel de aanvaardbaarheid van het geluidniveau ter plaatse van de woning als de gebruiksruimte van omliggende (agrarische) activiteiten blijven ongewijzigd.

4.4.2.2 Conclusie

Het plan maakt geen nieuwe activiteit met mogelijke geluiduitstraling mogelijk en de akoestische situatie vanwege activiteiten in de omgeving is aanvaardbaar voor de functie wonen.

4.5 Luchtkwaliteit

Onder de Omgevingswet is het niet meer in alle gevallen nodig om te toetsen aan luchtkwaliteit. Wel moet bij het toelaten van specifiek aangewezen activiteiten (te weten de aanleg of wijziging van een wegtunnelbuis en de aanleg van een autoweg of autosnelweg) de bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) altijd worden beoordeeld. In het geval wanneer een ontwikkeling in of nabij een aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof plaatsvindt kan in de volgende gevallen onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig zijn:

  • de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen;
  • activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
  • milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht

Onderzoek is in deze gevallen in beginsel niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.5.1 Toetsing

De beoogde ontwikkeling ziet toe op een functiewijziging. Er wordt geen autoweg, autosnelweg of tunnel voor wegverkeer aangelegd of gewijzigd. Daarnaast is de gemeente Westerkwartier niet aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Een toets aan de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. De jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ruimschoots onder de grenswaarden.

4.5.2 Conclusie

Het plan draagt niet bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.6 Bodem

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Een bodemgevoelig gebouw is:

  • en gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of
  • een woonschip of woonwagen.

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder regels over nazorg van de bodem na saneren, regels over graven in de bodem en regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

4.6.1 Toetsing

Voor de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is te vinden in bijlage 1. Uit het verkennend (asbest)bodemonderzoek blijkt dat sprake is van ernstige bodemverontreiniging, maar geen aanwezigheid van asbest. Uit de risicobeoordeling blijkt dat er geen sprake is van onaanvaardbare risico’s. Derhalve hoeft geen sanering uitgevoerd te worden en zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.6.2 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Water

Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Om de waterbelangen te borgen is advies ingewonnen bij de waterbeheerder, waterschap Noorderzijlvest. Verder zijn de water gerelateerde instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening getoetst. Hiermee is gegarandeerd dat het waterbelang in voldoende mate is meegewogen.

4.7.1 Toetsing

Voor de beoogde ontwikkeling is de digitale watertoets doorlopen (zie bijlage 2). Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen waterschapsbelangen raakt waarmee rekening moet worden gehouden.

4.7.2 Conclusie

De beoogde ontwikkeling raakt geen waterschapsbelangen.

4.8 Archeologie

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

4.8.1 Toetsing

De gronden van het plangebied hebben in de geldende regeling uit 2014 de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Inmiddels is de archeologische verwachtingenkaart geactualiseerd naar aanleiding van een aantal tekortkomingen van de oude verwachtings- en beleidsadvieskaart die in 2014 is opgesteld. Ten behoeve van de actualisatie heeft de gemeente een wijziging van het omgevingsplan voorbereid dat als ontwerp te inzage heeft gelegen van 20 maart 2025 tot en met 30 april 2025 (TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22O Facetplan Archeologie). In dat besluit is aan het perceel de gradatie 4 (Waarde - Archeologie 4) toegekend.

Los van het vorenstaande vinden er geen graaf- of bouwwerkzaamheden plaats in het plangebied en is het niet noodzakelijk om een archeologisch onderzoek uit te voeren.

4.8.2 Conclusie

De beoogde ontwikkeling vormt geen belemmeringen voor Archeologie.

4.9 Cultuurhistorie

Cultureel erfgoed maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving en omvat onder meer monumenten, archeologische waarden, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen. Ook roerend en immaterieel erfgoed dat locatiegebonden is, valt hieronder. Op grond van internationale verplichtingen en artikel 5.130 van het Bkl moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het behoud van cultureel erfgoed, inclusief bekende of te verwachten archeologische waarden.

4.9.1 Toetsing

De gronden van het plangebied hebben geen cultuurhistorisch waardevolle aanduiding. Tevens is er geen sprake van bouw of verbouw van bestaande bebouwing. De beoogde ontwikkeling tast geen cultuurhistorische waarden aan.

4.9.2 Conclusie

De beoogde ontwikkeling vormt geen belemmeringen voor Cultuurhistorie.

4.10 Omgevingsveiligheid

De instructieregels met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid in § 5.1.2 gaan in de eerste plaats over de veiligheidsrisico's van branden, rampen en crises (artikel 5.2). Deze zijn voor iedere ontwikkeling van belang. Voor deze risico's dient in een wijziging van het omgevingsplan rekening gehouden te worden met het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. Op basis van de gegevens uit de register externe veiligheidsrisico's (REV) in de Atlas leefomgeving zijn de risicobronnen en aandachtsgebieden in de omgeving van het plangebied in kaart gebracht. De uitsnede van deze kaart is in figuur 4.2 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG25POST01-VA01_0008.png"

Figuur 4.2 Uitsnede risicokaart (REV, 2025)

4.10.1 Toetsing

Het plan voorziet in een functiewijziging van een voormalige bedrijfswoning naar een reguliere woning. Omdat een woning wordt aangemerkt als een kwetsbaar gebouw, is het relevant te toetsen aan de aspecten van omgevingsveiligheid. Op basis van gegevens uit het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) bevindt het plangebied zich binnen een brandaandachtsgebied, zie figuur 4.2. De (bedrijfs)woning is feitelijk reeds aanwezig en in de huidige situatie in gebruik als reguliere woning. Er is geen sprake van een toename van het groepsrisico en er wordt met de functiewijziging geen nieuwe risicobron mogelijk gemaakt. Daarmee is geen sprake van een verslechtering van de bestaande situatie. Het plan leidt niet tot een belemmering voor de omgevingsveiligheid en ook de bestaande mogelijkheden tot hulpverlening en vluchtroutes blijven ongewijzigd.

4.10.2 Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Geur

Het Rijk heeft in het Bkl voor een aantal gebouwen specifieke regels voor geur gesteld. Het gaat hierbij om de zogenoemde geurgevoelige gebouwen. Dit zijn onder andere gebouwen met een woonfunctie. De gemeente moet voor alle geurgevoelige gebouwen zoals opgenomen in artikel 5.91 van het Bkl regels stellen in het omgevingsplan om deze gebouwen te beschermen tegen geurhinder. Voor overige gebouwen of locaties mag de gemeente zelf kiezen of zij daar specifieke regels voor geur over opneemt in het omgevingsplan.

Zolang de gemeente zelf nog geen regels in haar omgevingsplan heeft opgenomen omtrent geur, gelden de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit zijn de regels uit de gemeentelijke geurverordening en de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van de Bruidsschat.

4.11.1 Toetsing

De functiewijziging van een bedrijfswoning naar een reguliere woning betreft een geurgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op het aangrenzende perceel ten westen van het plangebied bevindt zich een melkveehouderij die mogelijk geurbelasting kan veroorzaken. Deze veehouderij moet in de huidige situatie echter al rekening houden met de bestaande bedrijfswoning, waardoor de functiewijziging de bedrijfsvoering niet verder beperkt. Aangezien het om een functiewijziging gaat, is er geen sprake van een fysieke verplaatsing van de woning richting het agrarisch bedrijf. Zowel de woning als het bouwperceel blijven op hun huidige locatie gehandhaafd. In de planregels wordt dit geborgd door vast te leggen dat het bouwvlak en de woning niet richting het agrarisch perceel kunnen opschuiven of uitbreiden. Daarmee is sprake van een zorgvuldige ruimtelijke afweging en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zonder dat de belangen van omliggende agrarische bedrijven worden aangetast.

4.11.2 Conclusie

De beoogde functiewijziging van een bedrijfswoning naar een reguliere woning leidt niet tot een verslechtering van de bestaande situatie met betrekking tot geur. De woning en het bouwperceel blijven op dezelfde locatie, waardoor de milieuruimte van nabijgelegen agrarische bedrijven niet wordt aangetast. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.12 Duurzaamheid

De Omgevingswet biedt geen specifiek toetsingskader voor duurzaamheid. Wel is duurzaamheid een belangrijk thema waar gemeenten bij het opstellen van hun omgevingsplan rekening mee moeten houden. Duurzaamheid is een breed begrip dat verschillende aspecten omvat, zoals de energietransitie, mobiliteit en hergebruik van materialen. Voor klimaatadaptatie gelden de nationale afspraken, met als doel dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is. Nieuwe ontwikkelingen kunnen bijdragen aan dit doel.

4.12.1 Toetsing

De beoogde ontwikkeling voorziet in een functiewijziging naar regulier wonen. Daarbij wordt er duurzaam omgegaan met de bestaande bebouwing door de bestaande woning te hergebruiken voor wonen. Tevens wordt er niets gesloopt. Hierbij wordt geen afbreuk gedaan aan de bestaande situatie. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op het milieuaspect duurzaamheid.

4.12.2 Conclusie

De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan het plangebied en heeft geen negatieve effecten op het milieuaspect duurzaamheid.

4.13 Gezondheid

Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. De wet benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.

4.13.1 Toetsing

De beoogde ontwikkeling betreft een functiewijziging naar regulier wonen. Er wordt geen nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt ten opzichte van de bestaande planologische situatie. Ten aanzien van het omringende agrarisch gebruik geldt dat het agrarisch grondgebruik ter plaatse beperkt is tot reguliere landbouw, met uitsluiting van boom- en/of sierkwekerijen, houtteelt- en fruitteeltbedrijven. Aangezien deze teelten, die doorgaans gepaard gaan met een intensievere inzet van gewasbeschermingsmiddelen, expliciet zijn uitgesloten, kan worden aangenomen dat het risico op negatieve gezondheidseffecten door de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen relatief laag is. Daarnaast blijkt uit de beoordeling van de milieuaspecten in voorgaande paragrafen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de gezondheid.

4.13.2 Conclusie

De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de gezondheid.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Toepassingsbereik

Met deze wijziging van het omgevingsplan worden de bestaande juridisch-planologische mogelijkheden en de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier (dat per 1 januari 2024 met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege is ontstaan) voor het plangebied vervangen door deze wijziging van het omgevingsplan. Deze wijziging voldoet aan de Omgevingswet en de instructies vanuit het Rijk en van de provincie Groningen.

Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt niet alle regels die deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De bruidsschat (inclusief vangnetregeling) en de gemeentelijke verordeningen die deel uitmaken van de het tijdelijk omgevingsplan worden niet gewijzigd. In het toepassingsbereik (zie artikel 2) is opgenomen welke regels worden gewijzigd met dit wijzigingsbesluit.

5.2 Begrippen

De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op het wijzigingsbesluit en hoeven dus niet bij de begrippen te worden opgenomen. De begripsbepalingen uit het Bbl, Bkl en Bal en de Omgevingsregeling zijn niet van rechtswege van toepassing op het TAM-omgevingsplan. Daarom is in de begrippen hierop aangesloten door deze van toepassing te verklaren. Dit betekent dat bijvoorbeeld het begrip hoofdgebouw niet meer in de begripsbepalingen voorkomt. Deze zijn opgenomen in het Bbl.

Wél zijn er aanvullende begrippen in dit omgevingsplan opgenomen die nodig zijn voor het wijzigingsbesluit. Deze begrippen sluiten aan op de meest recente begrippen die voor het buitengebied zijn opgenomen in de Herziening Bestemmingsplan Buitengebied Westerkwartier dat eind 2023 als ontwerp ter inzage is gelegd. Dit bestemmingsplan voorziet in de harmonisering van regels van de bestemmingsplannen Buitengebied van de voormalige gemeenten Grootegast, Leek, Marum, Zuidhorn en een deel van Winsum.

5.3 Algemeen gebruiksverbod

In het algemene gebruiksverbod is opgenomen dat alle niet genoemde functies en activiteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan niet zijn toegestaan. Het algemene verbod zorgt ervoor dat alleen de genoemde functies en activiteiten zijn toegestaan. Wanneer sprake is van bestaande functies en activiteiten die niet zijn genoemd in de bestemmingen, dan zijn deze wel toegestaan. Het begrip bestaand is opgenomen in de begripsbepalingen, waarbij het gaat om legale situaties ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.

5.4 Functies en activiteiten

TAM-omgevingsplan

Een Omgevingsplan moet technisch voldoen aan de Standaard officiële publicaties en Toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten (STOP/TPOD). De wetgever heeft tot 1 januari 2026 gemeenten de mogelijkheid geboden om een Omgevingsplan onder de Omgevingswet op te stellen op basis van de RO standaarden 2012 en te publiceren via www.ruimtelijkeplannen.nl en de overbruggingsfunctie van het Informatiehuis Ruimte naar het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). In dit geval wordt de wijziging van het omgevingsplan niet technisch opgesteld volgens STOP/TPOD maar volgens de Tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) via de Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO) standaard. Het omgevingsplan conform TAM maakt juridisch onderdeel uit van het omgevingsplan, maar wordt technisch in de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl geplaatst.

Bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan, waarbij gebruik wordt gemaakt van de IMRO standaarden van 2012 kan nog gebruik worden gemaakt van bestemmingen. Dit voorliggend TAM-omgevingsplan bevat in technische zin bestemmingen, waar de beoogde functies en activiteiten in het plangebied in zijn ondergebracht. Voor de inhoud van de juridische regeling wordt zo veel mogelijk aangesloten op geldende regels en de standaarden van de gemeente. De bestemmingen bevatten gebruiksregels en bouwregels.

Wonen

Het wijzigingsbesluit voorziet in de functiewijziging van het perceel Doezumertocht 35 te Doezum naar uitsluitend een woonfunctie. Om die reden is aan het perceel c.q. plangebied de functie 'Wonen' toegekend.

De regeling is afgestemd op de bestemming 'Wonen' uit het Bestemmingsplan Buitengebied Westerkwartier. De bouwregels uit het voornoemde bestemmingsplan zijn in deze regeling overgenomen.

De bestaande (voormalige bedrijfs)woning, zijnde het hoofdgebouw, past binnen de regels die hiervoor gelden.

Voor wat betreft de erfbebouwing geldt per bouwperceel de geharmoniseerde gemeentelijke regeling voor het buitengebied:

  • oppervlakte aanbouwen, uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen tot 50 m²
  • oppervlakte vrijstaande bijgebouwen tot 130 m²;
  • oppervlakte van aanbouwen, uitbouwen en aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen tot 180 m².

Op het perceel waar nog gebouwen van het voormalige houtbewerkingsbedrijf staan, wordt voornoemde gezamenlijke oppervlakte overschreden. Deze gebouwen hoeven niet te worden gesloopt. Om te voorkomen dat deze gebouwen onder het overgangsrecht komen te vallen is bepaald dat de bestaande oppervlakte aan erfbebouwing op het perceel als maximum geldt.

Waarde - Archeologie 4

De functie 'Waarde - Archeologie 4' vloeit voort uit de gemeentelijke beleidsadvieskaart die in 2024 is aangepast. Ten behoeve van de aanpassing van de gemeentelijke beleidsadvieskaart is voor het gemeentelijk grondgebied het TAM-Omgevingsplan, Facetplan Archeologie, Gemeente Westerkwartier in procedure gebracht. De regeling uit dat plan is integraal overgenomen in voorliggend TAM-Omgevingsplan.

Voor bouwen over een oppervlakte groter dan 1.000 m², alsmede ingrepen in de bodem dieper dan 40 centimeter en over een grotere oppervlakte dan 1.000 m², geldt een omgevingsvergunningplicht.

5.5 Algemene regels

Binnen de algemene regels is een anti-dubbeltelregeling opgenomen. In het Bkl is geen plicht opgenomen tot het opnemen van een anti-dubbeltelregeling. Deze hoeft dus niet te worden opgenomen in dit TAM-omgevingsplan. De keuze is om deze wel mee te nemen om ongewenste bebouwingsmogelijkheden te creëren (voor bijvoorbeeld bijbehorende bouwwerken).


De bestaande situatie is in de algemene regels vastgelegd zodanig dat indien maatvoeringen en/of situeringen van een bestaand bouwwerk afwijken van de beoordelingsregels van het TAM-omgevingsplan gelden de bestaande maatvoeringen en situeringen als norm.


Tenslotte bevatten de algemene regels ook een parkeerbepaling die regelt dat bij vergunningsaanvragen moet worden aangetoond dat er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

5.6 Overgangsregels

Het opnemen van overgangsrecht is niet meer verplicht onder de Omgevingswet. In verband met de rechtszekerheid van bestaande rechten op het perceel is ervoor gekozen om overgangsregels op te nemen. Deze overgangsregels zijn zowel voor bouwwerken als voor gebruik.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Participatie

De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. In dit hoofdstuk wordt daarom aandacht besteed aan dit onderdeel van het besluitvormingsproces.

6.1.1 Toetsing

De initiatiefnemer heeft de naaste buren ingelicht over de beoogde plannen. Daarnaast is in de ruimtelijke procedure ruimte geweest voor het indienen van zienswijzen. Tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbesluit zijn echter geen zienswijzen ingediend.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat:

  • 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en
  • 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn.

Financiële uitvoerbaarheid

Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt.

De ontwikkeling ziet toe op functiewijziging door een particulier. De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is.

Kostenverhaal

Indien een wijziging van het omgevingsplan nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. Een plan is financieel onuitvoerbaar als het kostenverhaal van door het plan mogelijk gemaakte kostenverhaalplichtige bouwactiviteiten en gebruikswijzigingen als aangewezen in artikel 8.13 Omgevingsbesluit niet is geregeld.

De beoogde ontwikkeling, namelijk een functiewijziging naar regulier wonen, is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit niet aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Hierdoor is het wettelijk verplicht kostenverhaal niet aan de orde en volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.

Hoofdstuk 7 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.

Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op deze wijziging van het omgevingsplan, nader onderzocht in deze motivering.

7.1 Afweging

Met de beoogde ontwikkeling wordt door de gemeente de functiewijziging naar wonen mogelijk gemaakt. Deze wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de relevante beleidsuitgangspunten / instructieregels op provinciaal en gemeentelijk niveau en veroorzaakt geen conflicten met de instructieregels vanuit het Bkl. De beoogde wijziging van het omgevingsplan voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan ETFAL en de instructieregels.