direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22AE Doezum - Doezumertocht 35
Status: vastgesteld
Plantype: Omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1969.WZBG25POST01-VA01

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplanplan voorziet in de gebruiksverandering van de bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken aan de Doezumertocht 35 te Doezum waar voorheen een houtbewerkingsbedrijf was gevestigd naar een reguliere woonactiviteit.


Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk (Hoofdstuk 22AE) in het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, "www.ruimtelijkeplannen.nl". Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.


De in dit op "www.ruimtelijkeplannen.nl" uitgegeven deel van het omgevingsplan wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk [22AE] van het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22AE]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22AE]’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in lid 1.1 van voorliggend "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22AE Doezum - Doezumertocht 35" daarvan is afgeweken.

1.1 begripsbepalingen:

De regels in dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Doezumertocht 35 te Doezum, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand. Voor de locatie opgenomen nadere begrippen zijn in bijlage 1 bij deze regels opgenomen.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De regels in dit hoofdstuk vervangen de regels van het Omgevingsplan gemeente Westerkwartier, op de locatie als bedoeld onder d, zoals opgenomen in artikel 11 (Bedrijf) en artikel 37 (Waarde - Archeologie 5) van het bestemmingsplan Buitengebied Grootegast, vastgesteld op 1 juni 2010, zoals aangepast bij de gedeeltelijke herziening, vastgesteld op 16 februari 2016 en het Parapluplan Parkeren Westerkwartier, vastgesteld op 14 juni 2023.
  • b. De regels van het Omgevingsplan gemeente Westerkwartier, blijven onverminderd van toepassing op de locatie zoals bedoeld onder d, voorzover de regels in dit TAM-omgevingsplan deze regels niet hebben gewijzigd.
  • c. De regels van het Omgevingsplan gemeente Westerkwartier, met daarbij inbegrepen afdeling 22.2 en afdeling 22.3 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 blijven buiten toepassing, indien er sprake is van strijdigheid met de regels van dit TAM-omgevingsplan.
  • d. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22AE Doezum - Doezumertocht 35', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1969.WZBG25POST01-VA01.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

3.1 de breedte van een gebouw

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren.

3.2 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

3.3 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.4 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.5 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.6 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, overstekende daken en erkers buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlak- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,5 m bedraagt.

Artikel 4 Algemeen verbod

Niet genoemde functies en activiteiten en functies en activiteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan zijn niet toegestaan.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Wonen

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als

‘Wonen’.

5.2 Functieomschrijving
5.2.1 Toegestaan gebruik

In het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn de volgende functies en is het volgende gebruik toegestaan met inachtneming van landschappelijke inpassing en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden zoals die ter plaatse voorkomen:

  • a. het wonen al dan niet in combinatie met:
    • 1. een aan-huis-verbonden beroep, onder de voorwaarden dat:
      • de gezamenlijke oppervlakte van de functie niet meer bedraagt dan 70 m²;
      • de gezamenlijke oppervlakte van de functie niet meer bedraagt dan 30% van de gezamenlijke grondoppervlakte van het hoofdgebouw, aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen;
      • internethandel zonder fysieke bezoekmogelijkheid en zonder afhaalpunt is toegestaan;
      • buitenopslag niet is toegestaan;
    • 2. bed & breakfast met maximaal 2 kamers tot een oppervlakte van niet meer 30% van het bestaande vloeroppervlak van de gebouwen op het perceel, met een maximum van 50 m²;
  • b. hobbymatig agrarisch gebruik, waaronder mede wordt verstaan een hobbymatige paardenbak voor eigen gebruik mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • 1. de oppervlakte bedraagt niet meer dan 800 m²;
    • 2. de afstand tussen de paardenbak en een woning van derden bedraagt niet minder dan 25 m;
  • c. een landschappelijk ingepast kleinschalig kampeerterrein, met dien verstande dat voorzieningen ten behoeve hiervan uitsluitend mogen worden gerealiseerd in de bestaande bebouwing;

met daarbij behorende:

  • d. tuinen en erven.

5.2.2 Vergunningplicht bed and breakfast
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen te gebruiken voor een bed & breakfast groter dan 50 m²;
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. de bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van een bed & breakfast bedraagt maximaal 30% van de bestaande vloeroppervlakte van de gebouwen op het perceel bedraagt, met een maximum van 250 m²;
    • 2. het parkeren van de gasten van de bed & breakfast vindt plaats op eigen erf;
    • 3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

5.2.3 Vergunningplicht aan huis verbonden bedrijf
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen te gebruiken voor een aan huis verbonden bedrijf;
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. de bedrijfsactiviteit wordt uitgeoefend door een van de bewoners van de woning;
    • 2. de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair moet blijven;
    • 3. de woonfunctie en/of gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredige worden aangetast;
    • 4. er geen onevenredige parkeerdruk voor de omgeving optreedt;
    • 5. er geen detailhandel plaatsvindt anders dan productiegebonden detailhandel;
    • 6. de bedrijvigheid zich beperkt tot bedrijven behorende tot de milieucategorieën 1 en 2 van de publicatie Bedrijven en Milieuzonering of daaraan qua aard en omvang gelijk te stellen.

5.2.4 Vergunningplicht meerdere huishoudens
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw en de daarbij behorende aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen te gebruiken voor meer dan één huishouden;
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt verleend als wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. er is sprake van bijzondere omstandigheden, zoals:
      • de noodzakelijkheid voor de continuïteit van de bedrijfsvoering; of
      • de noodzakelijkheid van verzorgen van een ouder of ander familielid;
    • 2. de twee huishoudens in het bouwvolume van de woning worden ondergebracht;
    • 3. er is sprake van een ondergeschikte wooneenheid, deze mag maximaal een derde van het volume van de gehele woning innemen;
    • 4. de ondergeschikte wooneenheid mag maximum een derde van het volume van de gehele woning innemen;
    • 5. er bestaat een open verbinding tussen de wooneenheden;
    • 6. de nieuwe wooneenheid heeft geen eigen voordeur;
    • 7. de woning heeft maximaal één huisaansluiting voor de verschillende nutsvoorzieningen met daarbij maximaal één meterkast per nutsaansluiting;
    • 8. splitsing in meerder woningen is uitgesloten;
    • 9. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

5.2.5 Verbod

Het volgende gebruik is verboden:

  • a. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;
  • b. het gebruik van aangebouwde bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning;
  • c. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een aan huis verbonden beroep;
  • d. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten anders dan op grond van dit artikel (met een omgevingsvergunning) is toegestaan.
5.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
5.3.1 Algemene beoordelingsregels

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van het beginsel van bebouwingsconcentratie;
  • b. de oppervlakte van het hoofdgebouw inclusief de bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 300 m², tenzij de bestaande oppervlakte op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het TAM-omgevingsplan meer bedraagt, in welk geval de bestaande oppervlakte als maximum geldt;

5.3.2 Bouwen van hoofdgebouwen in casu woonhuizen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen in casu woonhuizen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. het hoofdgebouw wordt binnen het bouwvlak gebouwd;
  • b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,50 m;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m;
  • d. de dakhelling mag niet minder bedragen dan 25° en niet meer dan 60° bedragen;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder b tot en met d geldt, indien een hogere goothoogte, een hogere bouwhoogte of een andere dakhelling aanwezig is tijdens de terinzagelegging van het ontwerp van dit TAM-plan, dat deze goothoogte, bouwhoogte of dakhelling voor dat gebouw en voor uitbreidingen van dat gebouw als maximale goothoogte, maximale bouwhoogte en minimale of maximale dakhelling geldt;

5.3.3 Bouwen van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen bij een woning

Voor het bouwen van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen bij een woning gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. een aanbouw, uitbouw of bijgebouw dient achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd, waarbij de afstand tot de voorgevel en het verlengde daarvan niet minder dan 2 m mag bedragen;
  • b. de bouwhoogte van een aanbouw, uitbouw of een aangebouwd bijgebouw mag niet meer dan 3 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte mag worden verhoogd tot niet meer dan 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van de woning;
  • c. de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw mag niet meer dan 3 m bedragen;
  • d. de bouwhoogte van een vrijstaand bijgebouw mag niet meer dan 5,50 m bedragen.

5.3.4 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. indien zij vóór de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen;
  • b. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2,50 m bedragen;
  • c. de bouwhoogte van omheiningen bij paardenbakken en andere aan de paardensport gerelateerde voorzieningen mag niet meer dan 1,80 m bedragen.

5.3.5 Aanvullende beoordelingsregels

In aanvulling op het bepaalde in de leden 5.3.1 tot en met 5.3.4 wordt de omgevingsvergunning ook verleend als:

  • a. wordt gebouwd ten behoeve van een functie waarvoor een omgevingsvergunning is of wordt verleend als bedoeld in de leden 5.2.2 en 5.2.3, mits dit in overeenstemming is met de in die leden opgenomen beoordelingsregels en wordt gebouwd conform de bouwregels;
  • b. sanitaire voorzieningen bij een kleinschalig kampeerterrein worden gebouwd indien en voor zover:
    • 1. door de aanvrager is aangetoond dat daarvoor in de bestaande bebouwing geen mogelijkheden bestaan;
    • 2. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m²;
  • c. het hoofdgebouw wordt voorzien van een afwijkende dakvorm, indien en voor zover het bebouwingsbeeld daardoor niet onevenredig wordt aangetast.
5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van grondwallen/aarden wallen;
  • b. het aanbrengen van oppervlakte verharding meer dan 200 m2;
  • c. het dempen van de huisgracht op/langs de wierde;
  • d. het rooien van de erfbeplanting op de wierde;
  • e. het aanleggen of (gedeeltelijk) rooien van houtsingels binnen de begrenzing zoals is aangeduid op de kaart in bijlage 2;
  • f. het kappen, dunnen of afzetten van beeldbepalende bomen;
  • g. het aanleggen van wegbegeleidende hoogopgaande beplanting in het dijken- en wierdenlandschap aangeduid op de kaart in bijlage 3;

5.4.2 Uitzondering vergunningplicht

De in lid 5.4.1 bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;

5.4.3 Beoordelingsregels vergunningplicht

Voor de in lid 5.4.1 bedoelde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingsregels

  • a. er mag geen onevenredige afbreuk doen aan de aan de gronden toegekende, te behouden en/of te beschermen waarden;
  • b. bij het aanleggen en/of (gedeeltelijk) rooien van houtsingels zijn de Spelregels Houtsingelhoofdstructuur onverkort van toepassing zoals opgenomen in bijlage 4. Indien voornoemde regeling wordt gewijzigd, met die wijziging rekening wordt gehouden;
  • c. bij het kappen, dunnen of afzetten van beeldbepalende bomen zijn de Spelregels Houtsingelhoofdstructuur onverkort van toepassing zoals opgenomen in bijlage 4. Indien voornoemde regeling wordt gewijzigd, met die wijziging rekening wordt gehouden.
  • d. Voor zover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één inrichtingsplan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken;

Artikel 6 Vrijgekomen bebouwing buitengebied

Gebouwen met de locatie 'vrijgekomen bebouwing buitengebied' mogen niet worden vergroot. Daarnaast mogen er geen nieuwe gebouwen worden opgericht, anders dan vervangende nieuwbouw.

Artikel 7 Waarde - Archeologie 4

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als

‘Waarde - Archeologie 4’.

7.2 Functieomschrijving

De voor Waarde - Archeologie 4 aangewezen gronden heeft als functie, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), de bescherming en veiligstelling van de in de grond verwachte archeologische waarden, waarbij geldt dat indien strijd ontstaat de tussen het belang van het behoud en de bescherming van archeologische waarden en andere functies, de functie Waarde - Archeologie 4 prevaleert. Het gaat hierbij om zones met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.

7.3 Bouwregels
7.3.1 Voor de overige functies op deze locatie

Voor het bouwen ten behoeve van de overige op deze locatie aanwezige functies zijn de desbetreffende regels behorende bij die functies van toepassing, met dien verstande, dat indien de bodemverstoring als gevolg van het bouwen dieper is dan 0,40 meter onder maaiveld en de omvang van de bodemingreep groter is dan 1.000 m² op basis van archeologisch (voor) onderzoek is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.

7.4 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
  • a. In afwijking van het bepaalde in lid 7.3.1 kan de omgevingsvergunning toch worden verleend ten behoeve van een overige aan deze gronden toegekende functie, indien is gebleken dat het oprichten van een bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, niet zal leiden tot een verstoring van archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin.
  • b. Er wordt niet eerder afgeweken van het bepaalde in lid 7.3.1 dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de archeologische beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria.
  • c. Voor zover het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in lid 7.3.1, indien aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    • 3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
7.5 Specifieke beoordelingsregels werken, geen bouwwerken zijnde
7.5.1 Verbod

Ter plaatse van de in deze functie bedoelde gronden in artikel 10 is het verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen en ontgraven van de bodem;
  • b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegd waterschap;
  • e. het aanbrengen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  • f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt;
  • g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen van bos of boomgaard;
  • i. het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
  • j. het scheuren van grasland;
  • k. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen.

7.5.2 Uitzonderingen

het bepaalde in lid 7.5.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. betrekking hebben op een oppervlakte die minder dan 1.000 m² bedragen en die minder dan 40 cm onder maaiveld plaatsvinden;
  • d. het ophogen van de bodem of het dempen van sloten betreft, waarvan aannemelijk is dat deze geen of een zeer beperkt negatief effect zullen hebben op eventuele archeologische waarden;
  • e. plaatsvinden in het kader van archeologisch vooronderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  • f. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van in werking treding van het TAM-Omgevingsplan op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingvergunning.

7.5.3 Voorwaarden voor de omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • g. door die werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen archeologische waarden van de betreffende gronden onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind;
  • h. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de in de beroepsgroep geldende normen is overgelegd waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat:
    • 1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    • 2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    • 3. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad;
  • a. die werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, indien aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    • 3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

7.5.4 Advies

Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in lid 7.5.1 winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels

Bodemgevoelig gebouw bouwen

9.1 Bodemgevoelig gebouw bouwen
9.1.1 Meldingplicht bodemgevoelig gebouw

Voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie geldt een meldingplicht.

9.1.2 Indieningsvereisten melding
  • a. Indien sprake is van een bodemgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 5.89g van het Bkl, op een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h van het Bkl, dan moet dit ten minste vier weken voor het begin van de bouw worden gemeld bij het bevoegd gezag.
  • b. De melding als bedoeld onder a wordt ondertekend en bevat ten minste;
    • 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
    • 2. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
    • 3. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
    • 4. de dagtekening; en
    • 5. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen;
    • 6. 1 en 5 zijn niet van toepassing op locaties die zijn aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl redelijkerwijs is uit te sluiten.
9.2 Aanvullende beoordelingsregels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 5 wordt de omgevingsvergunning ook verleend als wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de in de beoordelingsregels gegeven maten, afmetingen, percentages, met uitzondering van oppervlakte- en inhoudsmaten tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  • b. de in de beoordelingregels gegeven maten voor de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde en toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouw zijnde wordt vergroot tot niet meer dan 10 m;
  • c. de in de beoordelingsregels gegeven maten voor de bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de hoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en schotelantennes, indien de oppervlakte van de vergroting van de verhoging niet meer bedraagt dan 1 m², met dien verstande dat de oppervlakte van de vergroting ten behoeve van een liftkoker niet meer bedraagt dan 4 m².

Artikel 10 Overige regels

10.1 Voldoende parkeergelegenheid
  • a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
  • b. Bij een omgevingsvergunning wordt beoordeeld of sprake is van voldoende parkeergelegenheid aan de hand van de beleidsregels 'parkeernormen gemeente Westerkwartier'. Indien gedurende de planperiode de voornoemde beleidsregels worden gewijzigd, met die wijziging rekening wordt gehouden.
  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, indien aangetoond wordt dat de parkeerdruk niet toeneemt en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid.
10.2 Laden en lossen
  • a. Indien het beoogde gebruik van een bouwwerk aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen uitsluitend verleend indien aan of in dat bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein bij het bouwwerk wordt voorzien in de laad- en losruimte. Deze regel geldt niet:
    • 1. voor bestaand gebruik, waarbij de herbouw van een bouwwerk zonder functiewijziging wordt beschouwd als bestaand gebruik;
    • 2. voor zover op andere wijze in de nodige laad- of losruimte wordt voorzien.
  • b. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende laad- en losgelegenheid wordt voorzien, indien aangetoond wordt dat de parkeerdruk niet toeneemt en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid.
10.3 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het plan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 11 Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan.
11.2 Overgangsrecht gebruik

Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan bestaand gebruik, zijn de volgende overgangsregels van toepassing voor gebruik:

  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan.