| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22AE Doezum - Doezumertocht 35 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | Omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1969.WZBG25POST01-VA01 |
Preambule
Dit TAM-omgevingsplanplan voorziet in de gebruiksverandering van de bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken aan de Doezumertocht 35 te Doezum waar voorheen een houtbewerkingsbedrijf was gevestigd naar een reguliere woonactiviteit.
Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk (Hoofdstuk 22AE) in het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, "www.ruimtelijkeplannen.nl". Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op "www.ruimtelijkeplannen.nl" uitgegeven deel van het omgevingsplan wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk [22AE] van het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22AE]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22AE]’ gelezen worden.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in lid 1.1 van voorliggend "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22AE Doezum - Doezumertocht 35" daarvan is afgeweken.
De regels in dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Doezumertocht 35 te Doezum, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand. Voor de locatie opgenomen nadere begrippen zijn in bijlage 1 bij deze regels opgenomen.
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren.
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, overstekende daken en erkers buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlak- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,5 m bedraagt.
Niet genoemde functies en activiteiten en functies en activiteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan zijn niet toegestaan.
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als
‘Wonen’.
In het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn de volgende functies en is het volgende gebruik toegestaan met inachtneming van landschappelijke inpassing en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden zoals die ter plaatse voorkomen:
met daarbij behorende:
Het volgende gebruik is verboden:
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende beoordelingsregels:
Voor het bouwen van hoofdgebouwen in casu woonhuizen gelden de volgende beoordelingsregels:
Voor het bouwen van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen bij een woning gelden de volgende beoordelingsregels:
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:
In aanvulling op het bepaalde in de leden 5.3.1 tot en met 5.3.4 wordt de omgevingsvergunning ook verleend als:
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken werkzaamheden uit te voeren:
De in lid 5.4.1 bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
Voor de in lid 5.4.1 bedoelde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingsregels
Gebouwen met de locatie 'vrijgekomen bebouwing buitengebied' mogen niet worden vergroot. Daarnaast mogen er geen nieuwe gebouwen worden opgericht, anders dan vervangende nieuwbouw.
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als
De voor Waarde - Archeologie 4 aangewezen gronden heeft als functie, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), de bescherming en veiligstelling van de in de grond verwachte archeologische waarden, waarbij geldt dat indien strijd ontstaat de tussen het belang van het behoud en de bescherming van archeologische waarden en andere functies, de functie Waarde - Archeologie 4 prevaleert. Het gaat hierbij om zones met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.
Voor het bouwen ten behoeve van de overige op deze locatie aanwezige functies zijn de desbetreffende regels behorende bij die functies van toepassing, met dien verstande, dat indien de bodemverstoring als gevolg van het bouwen dieper is dan 0,40 meter onder maaiveld en de omvang van de bodemingreep groter is dan 1.000 m² op basis van archeologisch (voor) onderzoek is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.
Ter plaatse van de in deze functie bedoelde gronden in artikel 10 is het verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
het bepaalde in lid 7.5.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in lid 7.5.1 winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Bodemgevoelig gebouw bouwen
Voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie geldt een meldingplicht.
In aanvulling op het bepaalde in artikel 5 wordt de omgevingsvergunning ook verleend als wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het plan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan.
Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan bestaand gebruik, zijn de volgende overgangsregels van toepassing voor gebruik: