direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Bolmeer 6 Zevenhuizen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1969.TPZE24HERG01-VA01

Regels

Preambule 
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Bolmeer 6 Zevenhuizen en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22p]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://omgevingswet.overheid.nl uitgegeven deel van dit omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22p van het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. In het artikel op van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22p' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22p' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22p, tenzij in artikel 2 daarvan is afgeweken.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

2.1 plan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Bolmeer 6 Zevenhuizen met identificatienummer NL.IMRO.1969.TPZE24HERG01-VA01 van de gemeente Westerkwartier;

2.2 omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier;

2.3 aan huis verbonden beroep
  • a. zakelijke en persoonlijke dienstverlening: het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan bedrijven of personen zoals administratiekantoor, advocatenkantoor, reisbureau, artsenpraktijk, schoonheidssalon, kapsalon, en dergelijke, al dan niet met hieraan verbonden ondergeschikte detailhandel;
  • b. praktijkpand, praktijkruimte, kantoor, atelier: een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat door de indeling en inrichting bestemd is als beroeps- of bedrijfsmatige werkruimte voor medische, administratieve, artistieke, ambachtelijk en daarmee gelijk te stellen beroepen, al dan niet in combinatie met hieraan verbonden ondergeschikte detailhandel;

mits de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de ruimtelijke uitwerking of uitstraling met de woonfunctie in overeenstemming is;

2.4 bebouwingspercentage

de bebouwde oppervlakte van de gebouwen uitgedrukt in procenten van de totale oppervlakte van nader aangegeven gronden;

2.5 bed & breakfast

het tegen vergoeding aanbieden van een ten opzichte van het hoofdgebruik, ondergeschikte mogelijkheid tot kortdurend recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben, niet zijnde de uitoefening van een hotel, pension of ander bedrijf. Hieronder wordt niet verstaan het overnachten van tijdelijk of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid. Er worden geen voorzieningen aangeboden om zelfstandig te koken;

2.6 bestaand

situatie waarin het object kan worden gebruikt voor het doel waarvoor het is gebouwd aangelegd;

2.7 bijgebouw

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; voor vrijstaande bijgebouwen is ook functionele ondergeschiktheid vereist;

2.8 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

2.9 dakhelling

de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak;

2.10 erf

terreindeel dat bij een pand of overig bouwwerk hoort dat niet nader wordt ingewonnen en dat bestaat uit een mengvorm van begroeiing verharding en of water;

2.11 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

2.12 hobbymatig agrarisch grondgebruik

het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren (iet zijnde: een glastuinbouwbedrijf, een champignonkwekerij, een gebruiksgerichte paardenhouderij, een bollenteeltbedrijf of een vis- of wormenkwekerij) op niet bedrijfsmatige wijze;

2.13 hoofdgebouw

een gebouw of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkste is;

2.14 huishouden

één of meerdere personen die gemeenschappelijk samenleven in een onderlinge persoonlijke verbondenheid gericht op een duurzaam samenzijn;

2.15 kampeermiddel

een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander voertuig of onderkomen ten behoeve van recreatief nachtverblijf, dat is bedoeld om te kunnen worden verplaatst;

2.16 kleinschalig kampeerterrein

een kampeerterrein met een oppervlakte van niet meer dan 5.000 m2 én voor maximaal 25 kampeermiddelen (tenten, vouwwagens, campers, toercaravans of huifkarren) gedurende de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;

2.17 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van ondergrondse afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;

2.18 permanente bewoning

bewoning van een ruimte als hoofdverblijf;

2.19 recreatiewoning

een gebouw dat periodiek dient voor recreatief (nacht)verblijf voor recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben;

2.20 tuin

terreindeel dat hoort bij de op aangrenzende gronden gelegen woonhuis;

2.21 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een woning is, bij onduidelijkheid daarover, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel;

2.22 woning

een complex van ruimten dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

2.23 woonhuis

een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat;

2.24 zij-erf

gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het gebouw is gelegen, op 1 m achter de voorkant voor zover niet al aangemerkt als achtererfgebied;

2.25 zijgevel

een gevel van een gebouw, die niet een voorgevel of een achtergevel is;

2.26 zijgevellijn

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Bolmeer 6 Zevenhuizen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1969.TPZE24HERG01-VA01.
  • 4. In afwijking van het bepaalde onder 1 van dit artikel zijn op de locatie, zoals bedoeld onder 3 van dit artikel, de regels zoals opgenomen in het Parapluplan parkeren Westerkwartier (vastgesteld op 14 juni 2023) en het bestemmingsplan Geitenhouderijen (vastgesteld op 29 september 2021) en het facetbestemmingsplan Kruimelregeling (vastgesteld op 20 november 2024), die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, op deze locatie nog steeds van toepassing.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in 4.1 tot en met 4.9.

4.1 afstanden:

afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot erfscheidingen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn;

4.2 de afstand tot de perceelgrens:

vanaf de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot de perceelgrens;

4.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

4.4 de breedte en lengte of diepte van een gebouw:

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren;

4.5 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

4.6 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

4.7 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

4.8 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

4.9 overschrijding bouwgrenzen
  • a. bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van bouwen worden ondergeschikte bouwdelen al plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en toegangsportalen buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de buitenzijde van de gevel niet meer dan 1,5 m bedraagt;
  • b. bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van bouwen worden wolfseinden niet meegerekend;
  • c. bij toepassing van de wijze van meten met betrekking tot de afstand tussen de gebouwen wordt de afstand gemeten als kortste afstand tussen de buitengevels van de hoofdgebouwen en/of (bedrijfs)woningen.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Artikel 7 Wonen

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de functie 'Wonen'.

7.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen' mag uitsluitend gebruikt worden voor:

  • a. wonen in woonhuizen;
  • b. landschappelijke inpassing;
  • c. behoud, herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden zoals die ter plaatse voorkomen;
  • d. hobbymatig agrarisch gebruik;
  • e. een bestaande blokhut ten behoeve van de recreatieve verhuur ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning';
  • f. bed & breakfast in het woonhuis tot een oppervlakte van niet meer dan 120 m2;
  • g. aan huis verbonden beroep, mits:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 70 m2;
    • 2. de gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de gezamenlijke grondoppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken;
    • 3. internethandel zonder fysieke bezoekmogelijkheid en zonder afhaalpunt is toegestaan;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'tuin' mogen de gronden uitsluitend als tuin worden gebruikt.

met de daarbij behorende:

  • i. groenvoorzieningen;
  • j. nutsvoorzieningen
  • k. tuinen en erven;
  • l. waterpartijen.
7.3 Bouwactiviteit
7.3.1 Algemene bouwregels
  • a. Uitsluitend bouwwerken ten dienste van de functie 'Wonen' mogen gebouwd worden op de voor 'Wonen' aangewezen gronden.
  • b. In afwijking van artikel 22.36 onder a van de bruidsschat, mogen ter plaatse van de aanduiding 'tuin' geen bouwwerken worden gebouwd.
7.3.2 Gebouwen
  • a. Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van het beginsel van bebouwingsconcentratie.
  • b. De gezamenlijke oppervlakte van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan 300 m2, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze groter is.
  • c. De maatvoering van 'recreatiewoning' mag uitsluitend de bestaande maatvoering zijn.
7.3.3 Hoofdgebouwen in casu woonhuizen
  • a. Als hoofdgebouw mag uitsluitend een woonhuis worden gebouwd;
  • b. Het woonhuis wordt gebouwd binnen een zone van 20 m diep, gemeten vanuit de voorgevel zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan of het verlengde daarvan;
  • c. De grondoppervlakte mag niet meer bedragen dan 120 m2;
  • d. De goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan 3,50 m zijn.
  • e. De bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan 9 m zijn.
  • f. De dakhelling van een hoofdgebouw dient ten minste 25° te zijn.
  • g. De dakhelling van een hoofdgebouw mag niet meer dan 60° zijn.
  • h. In afwijking van het bepaalde in sub f geldt dat indien op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan een gebouw aanwezig was dat voor een diepte van meer dan 20 m als woonhuis werd gebruikt, deze grotere diepte als maximale zone, gemeten vanaf de voorgevel geldt;
  • i. In afwijking van het bepaalde in sub g tot en met k geldt, indien een grotere oppervlakte, een hogere goothoogte, een hogere bouwhoogte of een andere dakhelling aanwezig is op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dat deze oppervlakte, goothoogte, bouwhoogte of dakhelling voor dat gebouw en voor uitbreidingen van dat gebouw als maximale oppervlakte, maximale goothoogte, maximale bouwhoogte en minimale of maximale dakhelling geldt.
7.3.4 Bijbehorende bouwwerken
  • a. De afstand van bijbehorende bouwwerken tot de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan mag niet minder dan 2 m bedragen;
  • b. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste 50 m2 bedragen;
  • c. De gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen mag ten hoogste 130 m2 bedragen;
  • d. Bijbehorende bouwwerken dienen ten minste 3 m achter de voorgevelrooilijn te worden gebouwd;
  • e. De goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw bedragen, met dien verstande dat:
    • 1. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 m zijn;
    • 2. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 5,5 m zijn.
  • f. De afstand van bijbehorende bouwwerken tot de perceelgrens mag uitsluitend 1 m zijn, tenzij het gebouw op de erfgrens wordt geplaatst.
7.3.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. De bouwhoogte van een vóór de voorgevel of een naar de weg gekeerde
  • b. van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan is maximaal 1 m.
  • c. De bouwhoogte in overige gevallen is maximaal 2,50 m.
7.4 Afwijken op de bouwregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van de Bruidsschat wordt, in aanvulling van de beoordelingsregels in lid 7.3 ook verleend als:

  • a. onder 7.3.3 onder b ten behoeve van een andere situering van het woonhuis, indien en voor zover dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is;
  • b. onder 7.3.3 onder c ten behoeve van het onderbrengen van de oppervlakte van hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken in één bouwmassa met een oppervlakte van niet meer dan 300 m2;
  • c. onder 7.3.3 onder f en g ten behoeve van een afwijkende dakvorm, als er voor zover het bebouwingsbeeld daardoor niet onevenredig wordt aangetast;
  • d. In aanvulling op lid 7.4 sub a tot en met c kan worden afgeweken als dat geen onevenredige afbreuk doet aan:
    • 1. de waarden, welke het plan beoogt te beschermen;
    • 2. de belangen van gebruikers en/of van eigenaren van de aanliggende gronden;
    • 3. de uitvoerbaarheid, waaronder milieu, externe veiligheid, waterhuishouding, ecologie en archeologie.
    • 4. de landschappelijke inpasbaarheid;
    • 5. de verkeerssituatie.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

9.1 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

9.2 Strijdig gebruik

Tot een met het plan strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruiken of het laten gebruiken van boerderijkamers, recreatiewoningen, groepsaccommodaties, chalets, stacaravans, trekkershutten, toercaravans, vouwwagens, campers, tenten, huifkarren en andere recreatieobjecten voor permanente bewoning;
  • b. het gebruiken of het laten gebruiken van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;
  • c. het gebruiken of het laten gebruiken van aanbouwen, uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen voor bewoning door een ander huishouden dan het huishouden dat de woning bewoont.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels

10.1 Binnenplans afwijken

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de regels in dit omgevingsplan:

  • a. voor het wijzigen van het beloop of het profiel van wegen en/of de aansluiting van wegen onderling indien de verkeersveiligheid en/of intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • b. voor overschrijding van de bouw- en maatvoeringsgrenzen:
  • 1. indien een meetverschil of de situatie ter plekke daartoe aanleiding geeft;
  • 2. voor stoepen, toegangen, portieken, hellingbanen, buiten trappen, terrassen, erkers, balkons, luifels, hijs inrichtingen, lift- en trappenhuizen, koekoeken, evenals naar de aard vergelijkbare delen van bouwwerken;
  • c. van het bepaalde over de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen wordt verhoogd voor plaatselijke verhogingen zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen;
  • d. voor het oprichten van bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals vlaggenmasten, ooievaarsnesten, gedenktekens, beeldhouwwerken en andere kunstuitingen;
  • e. voor het oprichten van masten voor alarmsirenes en/of antennemasten die ten dienste staan van mobiele telecommunicatie met bijbehorende bouwwerken voor deze sirenes en masten, mits het hoogste punt van de mast niet hoger is dan 40,00 meter;
  • f. voor het bouwen, uitbreiden, veranderen of vernieuwen van milieuvoorzieningen van algemeen belang, zoals rioleringen, bergbezinkbassin of centrale voorzieningen voor afvalinzameling;
  • g. van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot maximaal 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  • h. de bestemmingsregels in die zin dat na een calamiteit een gebouw mag worden teruggebouwd met ruimere en afwijkende maatvoering dan de in dit bestemmingsplan is toegestaan, indien dit om bouw technische redenen is vereist.
10.2 Beoordelingsregels

De vergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de eisen gesteld in lid 1.

Artikel 11 Algemene regels voor functies en activiteiten

11.1 Algemeen gebruiksverbod

In aanvulling op 11.2 wordt in ieder geval strijdig gebruik aangemerkt:

  • a. het gebruik van de gronden voor de opslag van (aan het oorspronkelijk verkeer onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen, anders dan in het kader van de bedrijfsvoering;
  • b. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond, bodemspecie en puin en voor het storten van vuil, anders dan in het kader van de bedrijfsvoering;
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • d. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.
11.2 Specifieke gebruiksverboden

Het is verboden om locaties of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22P' aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p', mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het gestelde in sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
  • c. Het gestelde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p' maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
12.2 Overgangsrecht functioneel gebruik
  • a. Het gebruik van gronden ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p' en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p' strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p' strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na de inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p' voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het gestelde in sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.