Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan, Facetplan Archeologie, Gemeente Westerkwartier
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1969.TAMArcheologie-VA01

Regels

 
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het gehele grondgebied van de gemeente Westerkwartier en is als een nieuw hoofdstuk [22O] opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22O] van het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer [22O] gelezen worden. In de kop van de bijlagen, indien aanwezig, bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage [22O] gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Algemene begripsbepalingen
 
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
Artikel 2 Aanvullende begripsbepaling
 
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend op het bepaalde in artikel 1 de volgende begripsbepalingen:
 
2.1 AMK-terrein:
gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de gemeentelijke archeologische beleidskaart als zodanig is aangeduid en waar archeologische waarden, door onderzoek en/of in combinatie met andere bronnen zijn aangetoond, die als behoudenswaardig kunnen worden gekarakteriseerd;
 
2.2 bestaand
  1. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig is en/of bebouwing (de maatvoering van een bouwwerk, de afstand tot een bouwwerk of een te bebouwen percentage) die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen;
  2. het onder 1 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende omgevingsplan, waarbij geen sprake is van bestaand gebruik, daaronder mede begrepen het overgangsrecht;
 
2.3 normaal onderhoud:
werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van de monumentale waarde.
 
2.3 plan:
omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier;
 
2.4 rooien:
vellen of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben.
 
Artikel 3 Toepassingsbereik
 
  1. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  2. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op het gehele grondgebied van de gemeente Westerkwartier, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1969.TAMArcheologie-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 4 Voorrangsbepaling
 
  1. De regels van dit hoofdstuk gelden ter vervanging van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1 Omgevingswet, en de overige hoofdstukken van het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier voor zover die betrekking hebben op het onderwerp ‘archeologie’ en laten de overige regels uit het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier ongewijzigd;
  2. In uitzondering op het eerste lid zijn de regels over het onderwerp ‘archeologie’ in een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 22O wel van toepassing wanneer dat met een voorrangsbepaling in dat betreffende hoofdstuk is aangegeven.
 
Artikel 5 Meet- en rekenbepaling
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in 5.1 tot en met 5.4.
 
5.1 Gebouwen en bouwwerken
 
5.1.1 De breedte van een gebouw
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren.
 
5.1.2 De dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
5.1.3 De goothoogte van een bouwwerk
vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
5.1.4 De bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
5.1.5 De inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
5.1.6 De oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
5.1.7 De bouwhoogte van een reclame- of antennemast
vanaf het hoogste punt van het bouwwerk tot aan het aansluitende afgewerkte terrein, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein gemeten wordt vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994.
 
5.1.8 De ashoogte van een windturbine
vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein gemeten wordt vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994.
 
5.1.9 De tiphoogte van een windturbine
de hoogte van de windturbine wanneer één van die wieken verticaal boven de mast staat.
 
5.1.10 De wieklengte van een windturbine
de afstand tussen de uiterste punt van een wiek en de naaf.
  
5.2 Ondergeschikte bouwdelen
Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, overstekende daken en erkers buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlak- of functiegrenzen niet meer dan 1,5 m bedraagt.
 
5.3 Maatvoering
Alle maten zijn tenzij anders aangegeven:
  1. voor lengten in meters (m);
  2. voor oppervlakten in vierkante meters (m²);
  3. voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³);
  4. voor verhoudingen in procenten (%);
  5. voor hoeken/hellingen in graden (°).
 
5.4 Meten
Bij de toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van de lijn.
 
Artikel 6 Aanvraagvereisten
 
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van
overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van
dit hoofdstuk.
 
Artikel 7 Verbod voor gebruik van locaties, anders dan overeenkomstig de functie
 
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locaties toegedeelde functies en activiteiten.
2 Functies en activiteiten
 
Artikel 8 Waarde - Archeologie 1
 
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als
‘Waarde – Archeologie 1’.
 
8.2 Functieomschrijving
De voor Waarde-Archeologie 1 aangewezen gronden hebben als functie, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), de bescherming en veiligstelling van de in de grond verwachte archeologische waarden, waarbij geldt dat indien strijd ontstaat de tussen het belang van het behoud en de bescherming van archeologische waarden en andere functies, de functie Waarde-Archeologie 1 prevaleert. Het gaat hierbij om:
  1. AMK-terreinen, niet zijnde archeologische rijksmonumenten;
  2. bufferzones van AMK-terreinen;
  3. bekende archeologische vindplaatsen;
  4. opvallende (historische) percelen;
  5. locaties waarbinnen archeologische resten uit de Tweede Wereldoorlog worden verwacht.
 
8.3 Aanvullende beoordelingsregels bouwactiviteiten
Wanneer voor de uitvoering van een bouwplan werken, geen bouwwerken zijnde nodig zijn zoals bedoeld in artikel 8.6.1 en met inachtname van de uitzonderingen in artikel 8.6.2, zijn voor de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit ook artikel 8.4 en 8.5 van toepassing.
 
8.4 Specifieke indieningsvereisten bouwactiviteiten
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de archeologische beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria.
 
8.5 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
De omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. is aangetoond dat het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, niet zal leiden tot een verstoring van archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin;
  2. het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kan de vergunning toch worden verleend wanneer één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
8.6 Specifieke beoordelingsregels werken, geen bouwwerken zijnde
 
8.6.1 Omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde
Ter plaatse van de in deze functie bedoelde gronden in artikel 8.1 is het verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen en ontgraven van de bodem;
  2. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  4. het verlagen of het verhogen van het grondwaterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegd waterschap;
  5. het aanbrengen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  6. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt;
  7. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen van bos of boomgaard;
  9. het aanbrengen van diepwortelende beplanting met uitzondering van het vervangen van bestaande diepwortelende beplanting;
  10. het scheuren van grasland waarbij de bodem dieper dan 0,40 meter wordt verstoord;
  11. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen waarbij de bodem dieper dan 0,40 meter wordt verstoord;
  12. het verwijderen, trekken of afbreken van funderingspalen;
  13. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen.
 
8.6.2 Uitzonderingen
het bepaalde in lid 8.6.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:
  1. Het normale onderhoud betreffen waartoe in ieder geval worden gerekend het scheuren van grasland, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen waarbij de bodem tot 0,40 meter wordt verstoord;
  2. Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. Betrekking hebben op activiteiten met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 100 m2 of die minder dan 40 cm onder maaiveld plaatsvinden;
  4. Het ophogen van de bodem of het dempen van sloten betreft, waarvan aannemelijk is dat deze geen of een zeer beperkt negatief effect zullen hebben op eventuele archeologische waarden;
  5. Nodig zijn voor de aanleg van kabel- en leidingtracés waarbij de maximale breedte 0,50 meter bedraagt en de maximale diepte 0,60 meter onder maaiveld bedraagt;
  6. Plaatsvinden in het kader van archeologisch vooronderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  7. Waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingvergunning.
 
8.3 Beoordelingsregels werken, geen bouwwerken zijnde
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. door die werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen archeologische waarden van de betreffende gronden onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind;
  2. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de in de beroepsgroep geldende normen is overgelegd waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    3. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad;
  3. die werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, indien aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
    
8.6.4 Advies
Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in 8.6.1 winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.
 
Artikel 9 Waarde - Archeologie 2
 
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als
‘Waarde – Archeologie 2’.
 
9.2 Functieomschrijving
De voor Waarde-Archeologie 2 aangewezen gronden heeft als functie, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), de bescherming en veiligstelling van de in de grond verwachte archeologische waarden, waarbij geldt dat indien strijd ontstaat de tussen het belang van het behoud en de bescherming van archeologische waarden en andere functies, de functie Waarde - Archeologie 2 prevaleert. Het gaat hierbij om:
  1. zones met een hoge archeologische verwachting;
  2. zones met een hoge archeologische verwachting voor beekdalen;
  3. historische lijnelementen;
  4. voordelocaties.
 
9.3 Aanvullende beoordelingsregels bouwactiviteiten
Wanneer voor de uitvoering van een bouwplan werken, geen bouwwerken zijnde nodig zijn zoals bedoeld in artikel 9.6.1 en met inachtname van de uitzonderingen in artikel 9.6.2, zijn voor de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit ook artikel 9.4 en 9.5 van toepassing;
 
9.4 Specifieke indieningsvereisten bouwactiviteiten
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de archeologische beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria.
 
9.5 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
De omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. is aangetoond dat het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, niet zal leiden tot een verstoring van archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin;
  2. het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kan de vergunning toch worden verleend wanneer één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
9.6 Specifieke beoordelingsregels werken, geen bouwwerken zijnde
 
9.6.1 Omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde
Ter plaatse van de in deze functie bedoelde gronden in artikel 9.1 is het verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen en ontgraven van de bodem;
  2. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  4. het verlagen of het verhogen van het grondwaterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegd waterschap;
  5. het aanbrengen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  6. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt;
  7. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen van bos of boomgaard;
  9. het aanbrengen van diepwortelende beplanting met uitzondering van het vervangen van bestaande diepwortelende beplanting;
  10. het scheuren van grasland waarbij de bodem dieper dan 0,40 meter wordt verstoord;
  11. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen waarbij de bodem dieper dan 0,40 meter wordt verstoord;
  12. het verwijderen, trekken of afbreken van funderingspalen;
  13. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen.
  
9.6.2 Uitzonderingen
het bepaalde in lid 9.6.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:
  1. Het normale onderhoud betreffen waartoe in ieder geval worden gerekend het scheuren van grasland, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen waarbij de bodem tot 0,40 meter wordt verstoord;
  2. Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. Betrekking hebben op activiteiten met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 500 m2 of die minder dan 40 cm onder maaiveld plaatsvinden;
  4. Het ophogen van de bodem of het dempen van sloten betreft, waarvan aannemelijk is dat deze geen of een zeer beperkt negatief effect zullen hebben op eventuele archeologische waarden;
  5. Nodig zijn voor de aanleg van kabel- en leidingtracés waarbij de maximale breedte 0,50 meter bedraagt en de maximale diepte 0,60 meter onder maaiveld bedraagt;
  6. Plaatsvinden in het kader van archeologisch vooronderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  7. Waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingvergunning.
 
9.6.3 Beoordelingsregels werken, geen bouwwerken zijnde
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. door die werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen archeologische waarden van de betreffende gronden onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind;
  2. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de in de beroepsgroep geldende normen is overgelegd waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    3. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad;
  3. die werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, indien aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
9.6.4 Advies
Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in 9.6.1 winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.
 
Artikel 10 Waarde - Archeologie 3
 
10.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als
‘Waarde – Archeologie 3’.
 
10.2 Functieomschrijving
De voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden heeft als functie, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), de bescherming en veiligstelling van de in de grond verwachte archeologische waarden, waarbij geldt dat indien strijd ontstaat de tussen het belang van het behoud en de bescherming van archeologische waarden en andere functies, de functie Waarde - Archeologie 3 prevaleert. Het gaat hierbij om zones met een potentieel hoge archeologische verwachting.
 
10.3 Aanvullende beoordelingsregels bouwactiviteiten
Wanneer voor de uitvoering van een bouwplan werken, geen bouwwerken zijnde nodig zijn zoals bedoeld in artikel 10.6.1 en met inachtname van de uitzonderingen in artikel 10.6.2, zijn voor de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit ook artikel 10.4 en 10.5 van toepassing;
 
10.4 Specifieke indieningsvereisten bouwactiviteiten
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de archeologische beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria.
 
10.5 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
De omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. is aangetoond dat het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, niet zal leiden tot een verstoring van archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin;
  2. het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kan de vergunning toch worden verleend wanneer één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
   
10.6 Specifieke beoordelingsregels werken, geen bouwwerken zijnde
 
10.6.1 Omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde
Ter plaatse van de in deze functie bedoelde gronden in artikel 10.1 is het verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen en ontgraven van de bodem;
  2. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  4. het verlagen of het verhogen van het grondwaterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegd waterschap;
  5. het aanbrengen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  6. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt;
  7. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen van bos of boomgaard;
  9. het aanbrengen van diepwortelende beplanting met uitzondering van het vervangen van bestaande diepwortelende beplanting;
  10. het scheuren van grasland waarbij de bodem dieper dan 0,50 meter wordt verstoord;
  11. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen waarbij de bodem dieper dan 0,50 meter wordt verstoord;
  12. het verwijderen, trekken of afbreken van funderingspalen;
  13. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen.
 
10.6.2 Uitzonderingen
het bepaalde in lid 10.6.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:
  1. Het normale onderhoud betreffen waartoe in ieder geval worden gerekend het scheuren van grasland, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen waarbij de bodem tot 0,50 meter wordt verstoord;
  2. Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. Betrekking hebben op activiteiten met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 500 m2 of die minder dan 50 cm onder maaiveld plaatsvinden;
  4. Het ophogen van de bodem of het dempen van sloten betreft, waarvan aannemelijk is dat deze geen of een zeer beperkt negatief effect zullen hebben op eventuele archeologische waarden;
  5. Nodig zijn voor de aanleg van kabel- en leidingtracés waarbij de maximale breedte 0,50 meter bedraagt en de maximale diepte 0,60 meter onder maaiveld bedraagt;
  6. Plaatsvinden in het kader van archeologisch vooronderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  7. Waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingvergunning.
  
10.6.3 Beoordelingsregels werken, geen bouwwerken zijnde
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. door die werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen archeologische waarden van de betreffende gronden onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind;
  2. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de in de beroepsgroep geldende normen is overgelegd waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    3. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad;
  3. die werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, indien aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
10.6.4 Advies
Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in 10.6.1 winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.
 
Artikel 11 Waarde - Archeologie 4
 
11.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als
‘Waarde – Archeologie 4’.
 
11.2 Functieomschrijving
De voor Waarde - Archeologie 4 aangewezen gronden heeft als functie, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), de bescherming en veiligstelling van de in de grond verwachte archeologische waarden, waarbij geldt dat indien strijd ontstaat de tussen het belang van het behoud en de bescherming van archeologische waarden en andere functies, de functie Waarde - Archeologie 4 prevaleert. Het gaat hierbij om zones met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.
 
11.3 Aanvullende beoordelingsregels bouwactiviteiten
Wanneer voor de uitvoering van een bouwplan werken, geen bouwwerken zijnde nodig zijn zoals bedoeld in artikel 11.6.1 en met inachtname van de uitzonderingen in artikel 11.6.2, zijn voor de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit ook artikel 11.4 en 11.5 van toepassing;
 
11.4 Specifieke indieningsvereisten bouwactiviteiten
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de archeologische beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria.
 
11.5 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
De omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. is aangetoond dat het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, niet zal leiden tot een verstoring van archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin;
  2. het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kan de vergunning toch worden verleend wanneer één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
   
11.6 Specifieke beoordelingsregels werken, geen bouwwerken zijnde
 
11.6.1 Omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde
Ter plaatse van de in deze functie bedoelde gronden in artikel 11.1 is het verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen en ontgraven van de bodem;
  2. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  4. het verlagen of het verhogen van het grondwaterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegd waterschap;
  5. het aanbrengen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  6. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt;
  7. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen van bos of boomgaard;
  9. het aanbrengen van diepwortelende beplanting met uitzondering van het vervangen van bestaande diepwortelende beplanting;
  10. het scheuren van grasland waarbij de bodem dieper dan 0,40 meter wordt verstoord;
  11. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen waarbij de bodem dieper dan 0,40 meter wordt verstoord;
  12. het verwijderen, trekken of afbreken van funderingspalen;
  13. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen.
 
11.6.2 Uitzonderingen
het bepaalde in lid 11.6.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:
  1. Het normale onderhoud betreffen waartoe in ieder geval worden gerekend het scheuren van grasland, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen waarbij de bodem tot 0,40 meter wordt verstoord;
  2. Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. Betrekking hebben op activiteiten met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 1.000 m2 of die minder dan 40 cm onder maaiveld plaatsvinden;
  4. Het ophogen van de bodem of het dempen van sloten betreft, waarvan aannemelijk is dat deze geen of een zeer beperkt negatief effect zullen hebben op eventuele archeologische waarden;
  5. Nodig zijn voor de aanleg van kabel- en leidingtracés waarbij de maximale breedte 0,50 meter bedraagt en de maximale diepte 0,60 meter onder maaiveld bedraagt;
  6. Plaatsvinden in het kader van archeologisch vooronderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  7. Waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingvergunning.
  
11.6.3 Beoordelingsregels werken, geen bouwwerken zijnde
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. door die werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen archeologische waarden van de betreffende gronden onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind;
  2. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de in de beroepsgroep geldende normen is overgelegd waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    3. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad;
  3. die werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, indien aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
11.6.4 Advies
Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in 11.6.1 winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.
 
Artikel 12 Waarde - Archeologie 5
 
12.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als
‘Waarde – Archeologie 5’.
 
12.2 Functieomschrijving
De voor Waarde - Archeologie 5 aangewezen gronden heeft als functie, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), de bescherming en veiligstelling van de in de grond verwachte archeologische waarden, waarbij geldt dat indien strijd ontstaat de tussen het belang van het behoud en de bescherming van archeologische waarden en andere functies, de functie Waarde - Archeologie 5 prevaleert. Het gaat hierbij om zones met een potentieel middelhoge archeologische verwachtingswaarde.
 
12.3 Aanvullende beoordelingsregels bouwactiviteiten
Wanneer voor de uitvoering van een bouwplan werken, geen bouwwerken zijnde nodig zijn zoals bedoeld in artikel 12.6.1 en met inachtname van de uitzonderingen in artikel 12.6.2, zijn voor de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit ook artikel 12.4 en 12.5 van toepassing;
 
12.4 Specifieke indieningsvereisten bouwactiviteiten
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de archeologische beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria.
 
12.5 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
De omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. is aangetoond dat het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, niet zal leiden tot een verstoring van archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin;
  2. het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kan de vergunning toch worden verleend wanneer één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
   
12.6 Specifieke beoordelingsregels werken, geen bouwwerken zijnde
 
12.6.1 Omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde
Ter plaatse van de in deze functie bedoelde gronden in artikel 12.1 is het verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen en ontgraven van de bodem;
  2. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  4. het verlagen of het verhogen van het grondwaterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegd waterschap;
  5. het aanbrengen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  6. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt;
  7. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen van bos of boomgaard;
  9. het aanbrengen van diepwortelende beplanting met uitzondering van het vervangen van bestaande diepwortelende beplanting;
  10. het scheuren van grasland waarbij de bodem dieper dan 0,50 meter wordt verstoord;
  11. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen waarbij de bodem dieper dan 0,50 meter wordt verstoord;
  12. het verwijderen, trekken of afbreken van funderingspalen;
  13. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen.
 
12.6.2 Uitzonderingen
het bepaalde in lid 12.6.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:
  1. Het normale onderhoud betreffen waartoe in ieder geval worden gerekend het scheuren van grasland, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen waarbij de bodem tot 0,50 meter wordt verstoord;
  2. Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. Betrekking hebben op activiteiten met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 1.000 m2 of die minder dan 50 cm onder maaiveld plaatsvinden;
  4. Het ophogen van de bodem of het dempen van sloten betreft, waarvan aannemelijk is dat deze geen of een zeer beperkt negatief effect zullen hebben op eventuele archeologische waarden;
  5. Nodig zijn voor de aanleg van kabel- en leidingtracés waarbij de maximale breedte 0,50 meter bedraagt en de maximale diepte 0,60 meter onder maaiveld bedraagt;
  6. Plaatsvinden in het kader van archeologisch vooronderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  7. Waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingvergunning.
  
12.6.3 Beoordelingsregels werken, geen bouwwerken zijnde
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. door die werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen archeologische waarden van de betreffende gronden onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind;
  2. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de in de beroepsgroep geldende normen is overgelegd waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    3. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad;
  3. die werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, indien aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
12.6.4 Advies
Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in 12.6.1 winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.
 
3 Algemene regels
Artikel 13 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.