direct naar inhoud van Toelichting
Plan: woning Rijksstraatweg Zuidhorn
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1969.BPZH23post2-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het voornemen is het voormalige perceel aan het Van Starkenborghkanaal in Zuidhorn te splitsen. Een deel van het perceel zal worden verkocht aan de gemeente voor de uitbreiding van het plan Oostergast fase 3b. Dit aan de gemeente te verkopen deel maakt geen onderdeel uit van voorliggend bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan ziet op de realisatie van één vrijstaande woning op het overige deel van het perceel (kadastrale percelen A-4162 en A-4163). De splitsing van de percelen heeft inmiddels plaatsgevonden.

De voorgenomen ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Daarom is een nieuw bestemmingsplan nodig, inclusief de benodigde onderzoeken. Zowel de gemeente als de provincie staan positief tegenover het plan.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen ten oosten van de Rijksstraatweg, naast Rijksstraatweg 21, in Zuidhorn. Ten noorden van het plangebied ligt een fietspad (Aduard 825 Pad) direct langs het Van Starkenborghkanaal.

Voorts is ten zuidoosten van het plangebied de nieuwbouwwijk Oostergast gelegen. Onderstaand is het plangebied globaal aangegeven met een rode omlijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPZH23post2-VA01_0001.jpg"
Figuur 1.1: Luchtfoto plangebied (bron: Google Earth)

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Het perceel is gelegen in het bestemmingsplan Zuidhorn Sebastopol (vastgesteld 12 oktober 2015) en heeft een enkelbestemming Agrarisch en de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 4 en Waarde - Glaciale rug. Daarnaast is er nog een gebieds- en bouwaanduiding van toepassing op het plangebied te weten; de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone vaarweg' en de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouw'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPZH23post2-VA01_0002.jpg"
Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan Zuidhorn Sebastopol (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4 Systematiek van nieuwe bestemmingsplannen

Het plan voldoet aan de eisen van de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening en is opgezet overeenkomstig de landelijk geldende standaard. Deze landelijke standaard wordt gevormd door de Standaard Vergelijkbare Plannen 2012 (SVBP2012) met de daarbij behorende bijlagen en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen (PRBP) en de Standaard voor de Toegankelijke Ruimtelijke Instrumenten (STRI).

1.5 Leeswijzer

Het bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:

  • In hoofdstuk 2 wordt het plan toegelicht. De karakteristiek van het plangebied wordt kort beschreven en er wordt ingezoomd op de nieuwe ontwikkelingen/gewenste activiteiten.
  • In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst. Er wordt ingegaan op het relevante beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau.
  • Hoofdstuk 4 geeft een verantwoording ten aanzien van de relevante omgevingsaspecten. Aan de orde komen onder andere bodem, water, milieuzonering, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid, ecologie, archeologie et cetera.
  • Hoofdstuk 5 licht de juridische opzet van het bestemmingsplan toe, onder meer door (waar nodig) artikelsgewijs de bij het plan behorende regels en de verbeelding daarvan toe te lichten.
  • Hoofdstuk 6 gaat ten slotte in op de uitvoerbaarheid. In dit hoofdstuk worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt in de plaats Zuidhorn. In de huidige situatie is in het plangebied één oude schuur aanwezig en het overige deel van het perceel is onbebouwd. Het plangebied is op dit moment in gebruik als paardenbak. Aan de zuidzijde van het plangebied bevindt zich een sloot en aan de noordzijde ligt het Van Starkenborghkanaal. De huidige situatie in het plangebied is weergegeven op de onderstaande luchtfoto.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPZH23post2-VA01_0003.png"
Figuur 2.1: Luchtfoto huidige situatie (bron: Google Earth)

2.2 Toekomstige situatie

Inmiddels heeft een kadastrale splitsing van het perceel plaatsgevonden. Het plangebied betreft de kadastrale percelen Zuidhorn A-4162 en A-4163. Het initiatief betreft de realisatie van één vrijstaande woning op het perceel 4162. De bestaande schuur op het perceel zal worden gehandhaafd. Perceel 4163 zal worden bestemd als groen.

Ontwerp en uitgangspunten

In overleg met de gemeente is een stedenbouwkundige opzet gemaakt voor de indeling van het plangebied. Hierbij is de afstand van de gebouwen ten opzichte van de vrijwaringszone van belang. De onderstaande figuur geeft deze opzet weer:

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPZH23post2-VA01_0004.png"
Figuur 2.2. Stedenbouwkundige opzet (bron: Gemeente Westerkwartier)

Voor het bouwen van een woonhuis op het genoemde perceel dient rekening te worden gehouden met een vrijwaringszone van 25 m vanuit de vaarweg. Gezien de brede en ondiepe en daarmee ongebruikelijke vormgeving van het perceel, maakt deze vrijwaringszone dat de woning vanuit de aanrijdzijde gezien ver achter op het perceel geplaatst staat, waardoor voor het grootste deel van het perceel de rooilijn zich voor de woning bevindt.

Voor het creëren van een passende en samenhangende erfindeling waarmee een praktisch gebruik van het perceel wordt geboden, wordt op de daartoe aangegeven locatie binnen de bestemming Wonen een overkapping geplaatst, hetgeen normaal gesproken vergunningsvrij is, tenzij het een overkapping voor de rooilijn betreft. Navolgende figuren 2.3 en 2.4 geven sfeerimpressies van een wenselijke erfindeling ter afronding van een ondiep, maar langwerpig perceel waarin is getracht samenhang te creëren.

Voor de juiste inpassing van een overkapping op het perceel, ten gunste van een passende erfafronding zal de overkapping binnen de beeldkwaliteit van de overige bebouwing passen. Hiervoor wordt met vergelijkbare kleurtinten, materialen en detaillering gewerkt. Tevens zal de overkapping conform standaard een maximum oppervlakte van 25m² kennen en een maximale hoogte hebben van 3,5 m.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPZH23post2-VA01_0005.png"
Figuur 2.3. Impressie aanzicht woning vanaf Van Starkenborghkanaal

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPZH23post2-VA01_0006.png"
Figuur 2.4. Impressie woning en overkapping

Het bestaande bijgebouw aan de westzijde van de woning zal worden opgeknapt om een harmonieuze eenheid te creëren. De kleur van de houten planken van de buitenmuren zullen worden afgestemd op de gemetselde buitenmuren van de woning om grote kleurcontrasten te voorkomen (zie navolgende afbeelding voor een sfeerimpressie hiervan). Verder zullen de kroonlijst en kozijnen wit worden geverfd in dezelfde kleur als de kroonlijst en kozijnen van de woning. Het zadeldak wordt behouden om eenheid te creëren met de woning. Verder zal ook de gootafwerking worden afgestemd met de zinken gootafwerking van de woning.

De overkapping aan de noordoostzijde van de woning zal doormiddel van dezelfde kleuren, materialen en detaillering worden afgestemd met zowel de woning als het bestaande bijgebouw. De overkapping zal in de basis gebouwd worden met hetzelfde hout als het bestaande bijgebouw. De onderkant afwerking van de pilaren en achterwand zal bestaan uit dezelfde bakstenen als de woning. Verder zal het zadeldak zwart van kleur zijn en de kroonlijst wit geverfd worden om harmonie te creëren in de afwerkingen van alle 3 de gebouwen.

Navolgende afbeelding geeft een sfeerimpressie van de gewenste overkapping op het perceel. De overkapping zal worden geplaatst aan de noordoostzijde van de woning waar rekening wordt gehouden met vorengenoemde materialen, kleuren en afwerkingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPZH23post2-VA01_0007.png"
Figuur 2.5. Impressie overkapping

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Algemeen

Aan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen liggen relevante beleidsdocumenten met beleidsuitgangspunten ten grondslag. Daarnaast dienen nieuwe ontwikkelingen passend te zijn binnen het beleid van de verschillende overheidsniveaus. In de navolgende paragrafen worden daarom de relevante beleidsuitgangspunten op rijksniveau, provinciaal niveau, regionaal niveau en gemeentelijk niveau beschreven.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld.

De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI.

Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet.

In zijn totaliteit kent de NOVI 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan de vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgeving-inclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden.

Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. De NOVI geeft een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in een, gericht op het realiseren van een gezond, leefbaar, herkenbaar en economische sterk Nederland.

Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor de NOVI gerichte belangen of opgaven kent. Om die reden kan verdere toetsing aan de NOVI achterwege blijven.

3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt.

De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Infrastructuur en Milieu voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister ervoor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's.

De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang:

  • 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
  • 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?
  • 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
  • 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?
  • 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

In het navolgende worden de hierboven genoemde aspecten beschreven en afgewogen.

Ad 1.
De Ladder is van toepassing op woningbouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. De eerste afweging in de toetsing aan de Ladder is het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiervoor kan worden gekeken naar jurisprudentie. Hieruit blijkt dat niet iedere ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling valt te kwalificeren. De aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving bepaalt of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het geval van wonen geldt dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die 'Ladderplichtig' is, waarbij tevens geldt dat het een nieuwe ontwikkeling betreft.

Gezien het feit dat het planvoornemen betrekking heeft op de bouw van slechts één woning mag er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat het hier geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft en dat een ladderonderbouwing niet van toepassing is.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de Ladder van duurzame verstedelijking. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wanneer er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zijn de overige vragen van de Ladder niet meer van toepassing.

3.2.3 Verwerking in het bestemmingsplan

Het plan is niet in strijd met rijksbelangen. Het rijksbeleid werkt wel door in het beleid van lagere overheden. Het rijksbeleid werkt tevens door in de verschillende omgevingsaspecten die in dit bestemmingsplan zijn getoetst.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie

Op 1 juni 2016 is door Provinciale Staten de Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 en de Omgevingsverordening provincie Groningen 2016 vastgesteld. Op 25 mei 2022 hebben de Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening op een aantal onderdelen gewijzigd.

Doel van de Omgevingsvisie is het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de provincie verder verbeteren. Het accent in het beleid ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. De provincie wil ruimte bieden voor ondernemerschap om in te spelen op de dynamische ontwikkelingen. Activiteiten lopen steeds meer door elkaar heen. Dat heeft gevolgen voor het ruimtegebruik. Functies, als wonen en werken, zijn steeds minder van elkaar gescheiden. Door samenwerking met medeoverheden en andere partijen en het leveren van maatwerk wil de provincie haar doelen bereiken.

Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. In deze Omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's en elf provinciale 'belangen':

1. Ruimte:

  • Ruimtelijke kwaliteit;
  • Aantrekkelijk vestigingsklimaat;
  • Ruimte voor duurzame energie;
  • Vitale landbouw.

2. Natuur en landschap:

  • Beschermen landschap en cultureel erfgoed;
  • Vergroten biodiversiteit.

3. Water:

  • Waterveiligheid;
  • Schoon en voldoende water.

4. Mobiliteit:

  • Bereikbaarheid.

5. Milieu:

  • Tegengaan milieuhinder;
  • Gebruik van de ondergrond;

De Omgevingsvisie is een kaderstellend document voor de uitwerking van het beleid op deelterreinen door de provincie zelf en door gemeenten en waterschappen. Ook voor andere partijen (bedrijven) die iets willen dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, biedt de Omgevingsvisie houvast. De provincie wil met de Omgevingsvisie ruimte bieden en uitnodigen. Maar uit deze Omgevingsvisie vloeien ook richtlijnen en voorschriften voort, die zijn vastgelegd in de provinciale Omgevingsverordening. Hiermee werkt het omgevingsbeleid (ruimtelijke ordening, water, mobiliteit en milieu) door in plannen van gemeenten en waterschappen.

3.3.2 Omgevingsverordening

De Geconsolideerde Omgevingsverordening November 2022 (hierna Omgevingsverordening) bevat regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen. De Omgevingsverordening is nauw verbonden met de Geconsolideerde Omgevingsvisie provincie Groningen 2022 zoals hierboven is beschreven.

Het plangebied is gelegen in het op kaart 1 aangeduide buitengebied.

Niet functioneel aan het buitengebied gebonden functies, zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (afdeling 2.3)

In artikel 2.13.1 van de verordening is is aangegeven dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied geen bestemmingen bevat die voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit is niet van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die aansluit op het bestaand stedelijk gebied, op voorwaarde dat in de plantoelichting is aangetoond dat voor deze ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied geen ruimte beschikbaar is of na intensivering, revitalisering en herstructurering kan worden verkregen.

In de toekomst zal de woning worden omsloten door de nog aan te leggen woonwijk "Oostergast fase 3b". De planvorming met betrekking tot de aanleg van deze woonwijk is reeds in een vergevorderd stadium. Bovendien sluit de woning aan op de bebouwing ten oosten van de Gast/Rijksstraatweg. Hoewel deze bebouwing binnen het op kaart 1 aangegeven "Buitengebied" valt, vormt deze een ruimtelijke eenheid met Zuidhorn. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat het toevoegen van de woning provinciale belangen niet doorkruist en planologisch gezien geen bezwaar vormt.

3.3.3 Verwerking in het bestemmingsplan

Het plan is niet in strijd met het provinciaal omgevingsbeleid. Het toevoegen van de woning op basis van het provinciaal beleid geen bezwaar.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Regiovisie Groningen - Assen 2030

De gemeente Westerkwartier werkt met zeven gemeenten en de provincies Groningen en Drenthe samen op het vlak van onder andere woningbouw in het kader van de Regio Groningen-Assen (RGA).

Het samenwerkingsverband heeft voor de gewenste ontwikkeling van de regio tot 2030 in 2004 een visie op hoofdlijnen vastgesteld. Deze visie is in 2013 geactualiseerd met de publicatie 'Veranderende context, blijvend perspectief, actualisatie regiovisie Groningen-Assen'.

De oorspronkelijke hoofddoelstellingen voor de Regio blijven in de geactualiseerde visie overeind. Dit betreft het benutten en uitbouwen van economische kansen en het behouden en versterken van gebiedskwaliteiten. Van die hoofddoelstellingen zijn voor de komende periode nieuwe speerpunten afgeleid, namelijk het verder ontwikkelen van het economisch kerngebied, het versterken van de interne samenhang tussen steden en regio en het behouden en versterken van de kwaliteit van stad en land.

De Regio Groningen-Assen streeft naar een gezonde economische basis, een goede bereikbaarheid, een voldoende en gevarieerd woningaanbod. In dit kader zijn ook regionale woningbouwafspraken gemaakt, die destijds vooral een taakstellend karakter hadden om de woningproductie op een hoger niveau te krijgen. In 2012 zijn er binnen de RGA afspraken gemaakt over woningbouw om ervoor te zorgen dat de vraag en het aanbod van locaties in goede balans kwam. In 2015 is besloten om onderzoek te doen naar de actuele trends en ontwikkelingen en zijn nieuwe prognoses opgesteld. Dit onderzoek bevestigde de enorme populariteit van het stedelijke wonen in Groningen. Tevens gaf het een geactualiseerd en genuanceerder beeld van de om de stad heen liggende regio.

In de 'Regionale woningmarktanalyse regio Groningen Assen 2017-2030', het vervolg op dit onderzoek, is de vraag gesteld of de afspraken uit 2012 - tot stand gekomen ten tijde van de economische crisis en stagnerende woningmarkt en sterk gericht op aantallen - ook niet herijkt zouden moeten worden. Deze analyse bevestigde dat de opgave op de woningmarkt anno 2017 anders is dan in 2012. In 2012 moest drastisch in het aantal nieuwbouwwoningen worden gesnoeid. De regionale woningmarktmonitor liet zien dat er in 2017 sprake was van een sterk toegenomen vraag naar woningen. De analyse leidde begin 2018 tot vaststelling van het 'Regionaal Woondocument Regio Groningen - Assen', waarin de actuele behoefteraming het regionale uitgangspunt is. In dit Regionaal Woondocument is per gemeente opgenomen wat de bandbreedte van de uitbreidingsbehoefte is en wat de geplande ontwikkelingen zijn.

3.4.2 Verwerking in het bestemmingsplan

In de paragraaf over de Ladder van duurzame verstedelijking (3.2.2) is het plan getoetst aan behoefte en ruimtegebruik en is het plan getoetst aan de regionale woningbouwafspraken.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Woonvisie Westerkwartier 2020-2025

In 2021 is een nieuwe Woonvisie vastgesteld door de gemeente Westerkwartier. In de Woonvisie Westerkwartier 2020 – 2025 (en het woningmarktonderzoek dat eraan ten grondslag ligt) is een raming voor de woningbehoefte opgenomen. Deze woonvisie is ook de wettelijke basis onder nieuwe prestatieafspraken, zoals wordt voorgeschreven in de Woningwet uit 2015. De woonvisie legt op hoofdlijnen vast wat corporaties van de gemeente mogen verwachten en wat de gemeente van corporaties vraagt. Hieronder volgen kort de aandachtspunten vanuit de nieuwe woonvisie voor de nieuwbouw in het planvoornemen.

De gemeente Westerkwartier heeft als ambitie de beste niet-stedelijke woongemeente te zijn van Nederland. Om dat te bereiken, werkt de gemeente in de Woonvisie vanuit drie invalshoeken aan het wonen:

  • 1. Investeren in netwerken van vitale dorpen;
  • 2. Versnelde ontwikkeling langs bereikbaarheidsassen;
  • 3. Meer verbinding tussen voorzieningenkernen.

Naast de drie invalshoeken heeft de gemeente Westerkwartier nog een aantal onderwerpen opgenomen in de woonvisie, waaronder nieuwbouw. Ten aanzien van nieuwbouw zijn dit de gemeentelijke ambities:

  • Groei benutten voor aantrekkelijke dorpen;
  • Herontwikkeling boven uitbreiding;
  • In Leek kansen voor herontwikkeling;
  • Gevarieerd ontwikkelen in Zuidhorn;
  • Tempo in voorzieningen- en basisdorpen;
  • Ook in kleine dorpen nieuwbouw bieden;
  • We geven richting aan bouwplannen;
  • We bieden ruimte aan kwaliteit;
  • Experimentele woonvormen.

De vierde ambitie die ziet op het gevarieerd ontwikkelen in Zuidhorn sluit goed aan bij de beoogde ontwikkeling. Voor Zuidhorn geldt dat er voldoende ruimte is om de komende jaren gevarieerd woningaanbod te realiseren. Er wordt gewerkt aan meer variatie op de Oostergast daarbij valt te denken aan kleine kavels voor senioren (of anderen), meer rijkoopwoningen, kansen voor beleggers die grondgebonden woningen of appartementencomplex (landmark) willen realiseren, grondgebonden sociale huur. Het planvoornemen sluit aan daarmee aan bij de gemeentelijke ambities.

Ten aanzien van duurzaam wonen heeft de gemeente ook ambities opgenomen in de Woonvisie:

  • meer huiseigenaren investeren duurzaam;
  • afspraken met de corporaties over het vervolg;
  • pilots om verduurzaming te versnellen.

Naast deze ambities zijn er nog thema's die in de woonvisie niet worden verbonden aan concrete doelen of ambities. Zoals een klimaat adaptieve inrichting van de ruimte, circulair bouwen en gezondheid. De gemeente Westerkwartier voorziet dat deze thema's in de komende jaren op steeds meer plekken en in steeds meer gevallen om aandacht zal vragen. Per geval voegt de gemeente dan ambities toe aan de plannen.

Tot slot het thema 'voor iedereen betaalbaar' uit de woonvisie. Ambities voor dit thema zijn:

  • Voldoende goede sociale huurwoningen;
  • Verkoop van huurwoningen is een middel;
  • Sociale huur betaalbaar houden;
  • Samen werken aan gezonde huishoudboekjes;
  • Betaalbaar nieuwbouwen in koop;
  • Aanbod vrije sector huur iets uitbreiden.

Uit de woonvisie van de gemeente Westerkwartier 2020-2025 blijkt dat de centrumdorpen (waaronder Zuidhorn) een bovengemiddelde interesse van diverse groepen verwachten (bijzondere doelgroepen, instroom van gezinnen en jonge mensen uit Groningen). Vooral in Zuidhorn is het huidige aandeel sociale huurwoningen laag en met name het segment gezinswoningen na 1990. Als start van het overleg met de corporaties en de dorpen denkt de gemeente aan:

  • verdichting en (vervangend) bouwen voor kleine huishoudens (jong en oud) in en rond het centrum, waarbij ook gestapeld bouwen / appartementen mogelijk is;
  • nieuwbouw van traditionele gezinswoningen op andere locaties, in woonwijken, vooral in Zuidhorn;
  • verkoop van een deel van de woningvoorraad is van nut op de koopmarkt waar betaalbare koopwoningen relatief schaars zijn. In deze kernen vergroot verkoop de bouwopgave op andere plekken. De gemeente werkt actief mee om locaties te vinden.

Nota Grondbeleid 2021-2025

In 2021 heeft de gemeente de Nota Grondbeleid Westerkwartier 2021-2025 vastgesteld. Als strategie voor het te voeren grondbeleid is hierbij gekozen voor "situationeel grondbeleid". Dit houdt in dat afhankelijk van de situatie wordt bepaald welke strategie (actief, faciliterend of actief faciliterend) wordt ingezet. De beoordeling van de toe te passen strategie wordt bepaald door een integrale afweging van de doelen op de verschillende beleidsterreinen van de gemeente.

Ook in de gemeente Westerkwartier is de huidige crisis op de woningmarkt merkbaar. Om deze te beslechten, heeft de gemeente de ambitie om bovenop het vastgestelde woonakkoord van 250 huizen per jaar, nog eens 150 extra huizen per jaar te bouwen. De gemeente voert een flexibel grondbeleid waarbij aankoop van gronden voor woningbouw door de gemeente niet wordt uitgesloten.

Het verlenen van medewerking aan het verzoek tot de bouw van een woning draagt (marginaal) bij aan de woningbouwdoelstelling. Aankoop van een deel van het perceel A2886 is een vorm van actief grondbeleid, waarbij de gemeente de regierol voor de ontwikkeling pakt. De aankoop van 5.000 m2 grond langs het Van Starkenborghkanaal past binnen de beleidskaders van het gemeentelijke grondbeleid.

Hoofdstuk 4 Onderzoek

4.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de haalbaarheid en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Meer concreet wordt beoordeeld hoe het plan zich verhoudt tot de diverse milieukaders (zoals archeologie, bodem, externe veiligheid, geluid, ecologie, luchtkwaliteit en water).

4.2 Archeologie

Wettelijke kader

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, moet op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

Onderzoek

Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Westerkwartier heeft het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde. Gezien de geringe ingreep in de bodem, is archeologisch onderzoek niet nodig.

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het project.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

Inleiding
Indien door middel van een project nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet men aantonen dat een goed leefmilieu mogelijk blijft. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mag men omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden aantasten door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Het aspect milieuzonering is dus tweeledig.

Bedrijven worden ingedeeld in categorieën met behulp van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (maart 2009)' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Deze publicatie biedt een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau en geeft informatie over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Op basis van de milieukenmerken van de verschillende typen bedrijven en inrichtingen wordt een indicatie van de afstanden gegeven, die als gevolg van deze kenmerken moeten worden aangehouden tussen de diverse omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In de navolgende tabel zijn de richtafstanden weergegeven.

Tabel: richtafstanden Bedrijven en milieuzonering
afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPZH23post2-VA01_0008.png"

Hinderveroorzakende bedrijven en functies in de omgeving
In de omgeving van het plangebied zijn geen hinderveroorzakende bedrijven aanwezig. Het meest nabijgelegen bedrijft betreft speelgoedwinkel Credu.nl. Dit betreft een webwinkel waarvoor geen richtafstand geldt. Overige bedrijven liggen op een dusdanige afstand dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden.

Hinder als gevolg van het voorliggende plan
De volgende vraag is of in of nabij het plangebied functies aanwezig zijn die als gevolg van het planvoornemen hinder zouden kunnen ondervinden. Voor die vraag is het van belang om helder te hebben in welke planologische mogelijkheden dit plan voorziet. Goed beschouwd gaat het dan om het gebruik van gronden voor bewoning. Vanuit deze functie gaat geen hinder uit naar omliggende functies.

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Bij het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat.

4.4 Bodem

Inleiding

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet in ieder geval een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing. Hierin is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen er sprake is van een saneringsgeval. Voor te ontgraven en eventueel buiten een plangebied af te voeren gronden kan op basis van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) een milieuhygiënische verklaring van de gronden noodzakelijk zijn (en deze is met bodemonderzoek te verkrijgen). Dit is echter sterk afhankelijk van de toepassingslocatie.

Onderzoek

Het initiatief heeft betrekking op het realiseren van een gebouw of bouwwerken, waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen (langer dan twee uur per dag) zullen verblijven. Dat maakt dat het noodzakelijk is bodemonderzoek uit te voeren.

De bodemkwaliteit van het perceel is in 2005 en 2008 onderzocht. De houdbaarheid van een bodemonderzoek is in beginsel 5 jaar. Gelet op het feit dat het laatste onderzoek inmiddels al weer 15 jaar geleden heeft plaatsgevonden, is een update van de voorliggende bodemonderzoeken noodzakelijk.

Op 10 augustus 2023 is door onderzoeksbureau Sigma Geo- en Milieutechniek een verkennend milieukundig onderzoek uitgevoerd op het perceel. De volledige rapportage is als Bijlage 1 aan dit plan toegevoegd. Op de locatie bevindt zich een schuur en stal. Het onbebouwde deel van de locatie is als erf en paardenbak in gebruik en is deels verhard met bestrating en beton (oprit en toegang).

Op basis van zintuiglijke waarnemingen is in het opgeboorde bodemmateriaal plaatselijk baksteen- en puinresten waargenomen. In een van de bovengrondmengmonster is een verhoogd gehalte PAK's en PCB's aangetroffen. Het verhoogde gehalteoverschrijdt de tussenwaarde niet en daarmee is er geen directe aanleiding tot het instellen van nader onderzoek. De ondergrondmengmonsters bevatten geen van de onderzochte componenten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde.

Het grondwater bevat in peilbuis 1 een verhoogd gehalte barium (zware metalen) en xylenen (vluchtige aromaten) ten opzichte van de streefwaarde. De tussenwaarde wordt niet overschreden zodat er uit milieuhygiënisch oogpunt geen directe aanleiding is tot het instellen van nader onderzoek.

Op basis van de vooraf gestelde hypothese is het onderzochte deel van de onderzoekslocatie in eerste aanleg als verdacht voor asbest aangemerkt. Ter plaatse van de oprit is een verhoogd gemiddeld gewogen concentratie asbest gemeten (3,16 mg/kg d.s.). Het gemeten gehalte is niet verhoogd ten opzichte van het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.), nader onderzoek is daarmee niet nodig.

Conclusie

Het plan is ten aanzien van het aspect bodem uitvoerbaar. Wel dient rekening te worden gehouden met de aanbevelingen zoals genoemd in de rapportage.

4.5 Cultuurhistorie

Inleiding
Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden mee gewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De overige cultuurhistorische waarden moeten, naast de archeologische waarden, worden betrokken in het onderzoek.

Onderzoek
De gemeente Westerkwartier heeft in totaal 323 monumenten. De monumenten geven een beeld van de unieke en veelzijdige geschiedenis van de gemeente Westerkwartier. Op de site van de gemeente Westerkwartier is een monumentenkaart te vinden die een overzicht geeft van de tachtig gemeentelijke-, en 243 rijksmonumenten. In of in de nabijheid van het plangebied zijn geen monumenten gelegen. De bestaande schuur is niet beeldbepalend of karakteristiek.

Ook is een deel van Zuidhorn; 'De Gast', aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Dit gebied bevat een uitbreiding van Zuidhorn die in de periode 1850-1940 plaatsvond langs De Gast en het noordelijke deel van de Hoofdstraat. Het gebied is op 26 oktober 2007 aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Het planvoornemen heeft geen invloed op het beschermd dorpsgezicht.

Het plangebied is, net als grote delen van Zuidhorn, gelegen op een glaciale rug, een zandrug uit de ijstijd. Door naoorlogse woningbouw en forse infrastructurele ingrepen heeft de glaciale rug als herkenbaar element in het landschap moeten inboeten, en is deze is zo goed als niet meer herkenbaar. De kwaliteiten worden door middel van dit bestemmingsplan niet aangetast. De vigerende dubbelbestemming Waarde - Glaciale rug blijft geldend en hiermee zal bij het opstellen van het bouwplan rekening worden gehouden.

Conclusie
Gelet op vorenstaande kan worden vastgesteld dat het bestemmingsplan vanuit landschap en cultuurhistorie passend is. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.6 Ecologie

Wettelijke kader

WET NATUURBESCHERMING

Onderdeel van de Wet natuurbescherming (Wnb) is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:

  • alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb);
  • dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5 tot en met 3.9 van de Wnb);
  • nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (artikel 3.10 en 3.11 van de Wnb).

Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (artikel 3.11 van de Wnb). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in artikel 3.10, eerste lid, van de Wnb.

Ook de bescherming van specifieke natuurgebieden is in de Wet natuurbescherming geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.

NATUURNETWERK NEDERLAND

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.

Onderzoek
Voor dit plan is op 8 augustus 2023 een natuurtoets uitgevoerd. Op basis van het veldbezoek en de verspreidingsgegevens kunnen definitieve conclusies worden getrokken over effecten op beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Het volledige onderzoek is als Bijlage 2 aan dit plan toegevoegd.

SOORTENBESCHERMING

Uit de toetsing komt naar voren dat negatieve effecten als gevolg van de plannen uitgesloten kunnen worden, mits bij uitvoering van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met het broedseizoen en de algemene zorgplicht van de Wnb in acht wordt genomen.
Wel moet lichtuitstraling op de bomenrijen langs de noord- en zuidrand van het plangebied voorkomen worden. Is dit niet mogelijk, dan is nader onderzoek naar de aan- of afwezigheid van vliegroutes van vleermuizen uitgevoerd noodzakelijk. Op basis van dit onderzoek kan vervolgens bepaald worden of een ontheffing van de Wnb nodig is.

GEBIEDSBESCHERMING

Het plangebied ligt op ruime afstand van het Natura 2000-gebied ‘Leekstermeergebied’. Het plangebied is gescheiden van het Natura 2000-gebied door bebouwing, wegen en agrarisch gebied. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten.

STIKSTOF

In het kader van het bestemmingsplan is d.d. 21 juni 2023 de depositie van stikstof ten gevolge van de bouw en het gebruik van het planvoornemen berekend. De volledige rapportage is als Bijlage 3 aan dit plan toegevoegd. In de nabijheid van het plangebied liggen geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescher-ming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof staat nadere besluitvorming niet in de weg.

Conclusie

Ten aanzien van beschermde soorten zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming niet aan de orde, mits de zorgplicht wordt gevolgd en verstoring op de potentiële vliegroutes langs de noordelijke en zuidelijke bomenrijen wordt voorkomen.

Ook treedt er door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wnb beschermde Natura 2000-gebieden. Daarnaast is er geen aantasting van beschermde houtopstanden door het plan. Ten alle tijden dient de zorgplicht in acht genomen te worden. Ook andere belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het voornemen voor het thema ecologie zijn niet aan de orde.

4.7 Externe veiligheid

Inleiding
Inrichtingen
Op 13 februari 2009 is het gewijzigde Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Dit besluit geeft voorwaarden voor nieuwe en bestaande situaties ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van inrichtingen waarin bepaalde gevaarlijke stoffen worden gebruikt, opgeslagen of geproduceerd. Het plaatsgebonden risico onderscheidt grens- en richtwaarden voor (beperkt) kwetsbare objecten. Het betreft de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Deze kans mag maximaal één op een miljoen (10-6) per jaar zijn. Het groepsrisico is van toepassing op groepen personen in het invloedsgebied van een inrichting met gevaarlijke stoffen en de kans op overlijden. Dit wordt weergegeven in een Fn-curve en getoetst aan een oriënterende waarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen
Op 1 april 2015 is de nieuwe wetgeving rond transportroutes, het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) met het bijbehorende Basisnet, in werking getreden. Dit besluit vervangt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.

Het Besluit transportroutes externe veiligheid sluit aan op de bepalingen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen omtrent het plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarnaast wordt het Basisnet voor wegen, spoor en water opgesteld. Dit basisnet omvat alle rijkswegen, spoorlocaties met goederenvervoer en kanalen en rivieren met goederenvervoer, met de bijbehorende (eventueel aanwezige) risicoafstanden.

Buisleidingen
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Dit besluit omvat de nieuwe regelgeving op het gebied van buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

In plaats van de bebouwings- en toetsingsafstanden waar in de oude circulaires van werd uitgegaan, dienen nu de belemmeringenstrook (vijf meter bij leidingen met een druk boven de veertig Bar), de plaatsgebonden risicocontour (10-6) en het invloedsgebied van het groepsrisico (1%-letaliteitsgrens) in acht te worden genomen bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Onderzoek
Uit een inventarisatie van de risicokaart (risicokaart.nl) blijkt dat zich in de omgeving van het plangebied een buisleiding bevindt. Tevens is het plangebied gelegen nabij het Van Starkenborghkanaal. Deze vaarroute is aangemerkt als Rijksvaarweg, ingedeeld in CEMT-klasse Va. Op grond van artikel 2.1.2, lid 2, onder c van het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening geldt voor deze categorie vaarwegen een vrijwaringszone van 25 m. Deze vrijwaringszone wordt in het voorliggende bestemmingsplan gehandhaafd middels een gebiedsaanduiding. De woning zal op meer dan 25 m van de vaarweg worden gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPZH23post2-VA01_0009.jpg"

Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart, het plangebied bevindt zich globaal in het rode kader (bron: Atlas voor de leefomgeving , d.d. 05-06-2023)

Afweging

De gemeente Westerkwartier heeft de Omgevingsdienst Groningen gevraagd om voor het bouwplan van een woning aan de Rijksstraatweg, nabij het Van Starkenborghkanaal te Zuidhorn, het aspect externe veiligheid inzichtelijke te maken. Het volledige advies van de omgevingsdienst is als Bijlage 4 aan het plan toegevoegd. Het bouwplan betreft het realiseren van een woning, een overkapping en het realiseren van de bestemming Wonen.

Risicovolle inrichtingen
Binnen/nabij het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen waarvan het invloedsgebied is gelegen over het plangebied.

Risicovolle transportroutes
In de nabijheid van het plangebied is de volgende risicobron die invloed heeft op het plangebied gelegen: Van Starkenborghkanaal. Het Van Starkenborghkanaal kent, ter hoogte van het plangebied, volgens de Regeling basisnet een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 0 m. De afstand van het Van Starkenborghkanaal tot de grens van het bouwplan is circa 14 m. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de waterweg reikt niet tot het plangebied en daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico.

Op basis van artikel 2.1.2 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) liggen langs rijksvaarwegen (m.u.v. de Westerschelde en het IJsselmeer) vrijwaringszones. De breedte van deze zones varieert van 10 tot 50 meter afhankelijk van de CEMT-klasse van de vaarweg en de aan- en afwezigheid van kruisingen en havenuitgangen. Het Van Starkenborghkanaal is in de Handleiding Risicoanalyse Transport (de Bijlage) versie 1.2, d.d. 11 januari 2017, aangemerkt als bevaarbaarheidsklasse V (vijf). Hierdoor dient er rekenschap te worden gehouden met een vrijwaringszone van 25 meter. Deze vrijwaringszone komt overeen met de aangeven PAG-zone op de Risicokaart.

De vrijwaringszone van het Van Starkenborghkanaal is in onderhavige situatie gelegen over de bestemming woning. Het bouwvlak van de nieuw te realiseren woning is gelegen op een afstand van circa 33 meter van het Van Starkenborghkanaal en is hiermee gelegen buiten deze vrijwaringszone. Hierdoor is dit aspect niet relevant.

Risicovolle transportleidingen
In de nabijheid van het plangebied bevindt zich geen risicovolle transportleidingen met een werkdruk van 40 bar of hoger van de Gasunie/NAM waarvan het invloedsgebied is gelegen over het plangebied en welke relevant zijn voor externe veiligheid.

Advies

Veiligheidsregio Groningen adviseert om gebruiksfuncties voor verminderd zelfredzame personen uit te sluiten in het plangebied. Het gaat om de volgende gebruiksfuncties:

  • a. een woonfunctie voor 24-uurszorg;
  • b. een bijeenkomstfunctie:
    • 1. voor kinderopvang; of
    • 2. voor dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking;
  • c. een celfunctie (gebruiksfunctie voor dwangverblijf van personen);
  • d. een gezondheidszorgfunctie met een bedgebied;
  • e. een onderwijsfunctie:
    • 1. voor basisschoolonderwijs; of
    • 2. voor onderwijs aan minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking.

Indien verminderd zelfredzamen zijn uitgesloten, kent het plan geen bestemming voor verminderd zelfredzamen in het invloedsgebied van de risicobron (Van Starkenborghkanaal). De toekomstige gebruikers van het plangebied vormen een gemiddelde bevolkingsgroep uit de samenleving, die over het algemeen als zelfredzaam wordt beschouwd. In dit geval is de zelfredzaamheid voldoende.

In relatie tot de planontwikkeling wordt geadviseerd op het gebied van bestrijdbaarheid (bereikbaarheid en bluswater) een adequate bluswatervoorziening te realiseren in het plangebied. De primaire bluswatervoorziening bestaat over het algemeen uit onder- of bovengrondse brandkranen. Voor de hoeveelheid, ligging en capaciteit van de vereiste brandkranen wordt verwezen naar het document "Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2013. Dit aspect zal bij de vergunningverlening verder worden uitgewerkt.

Conclusie

Het voornemen is ten aanzien van het aspect externe veiligheid uitvoerbaar.

4.8 Geluid

Inleiding

In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van dertig kilometer per uur geldt. Binnen de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrookswegen die aan weerszijden van de weg, gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 200 m. Buiten de bebouwde kom bedraagt deze afstand voor tweestrookswegen 250 m. In geval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Formeel kan akoestisch onderzoek achterwege blijven bij wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Op grond van een goede ruimtelijke ordening dient echter ook aan dit soort wegen aandacht geschonken te worden.

Onderzoek

Door onderzoeksbureau NAA is op 9 juni 2023 een onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting op het bouwvlak van het perceel aan het Van Starkenborghkanaal/Rijksstraatweg in Zuidhorn uitgevoerd. Bij de berekening is rekening gehouden met de stedenbouwkundige opzet. In het onderzoek is rekening gehouden met de nabijgelegen wegen waarvoor een 30 km/uur regiem geldt en de verkeersintensiteiten op de Rijksstraatweg. Het plan ligt niet binnen de wettelijke zone van een industrieterrein of spoorweg. De volledige onderzoeksrapportage is als Bijlage 5 aan het plan toegevoegd.

Uit de berekeningen blijkt dat ten gevolge van verkeer op de Rijksstraatweg een geluidbelasting van 44 dB wordt berekend. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Verkeergeluid is daarmee geen belemmering voor de bouw van een woning op de onderzochte plek.

Conclusie

Het voornemen is ten aanzien van het aspect geluid uitvoerbaar.

4.9 Luchtkwaliteit

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m3 voor (PM2,5). Projecten met een invloed van 'niet in betekende mate' (nibm) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:

  • woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen;
  • projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10). Deze grens komt overeen met 1.401 auto's dan wel 109 vrachtwagens per weekdagetmaal (Grenswaarde in 2017).

PM10 en PM2,5 zijn sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden.

Onderzoek

Het plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van één vrijstaande woning en blijft daarmee ruimschoots onder de nibm-grens. Het plan kan als 'niet in betekenende mate' van invloed op de luchtkwaliteit worden beschouwd.

Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, moet ook worden bekeken of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland.

De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de achtergrondniveaus voor NO2, PM10 en PM2,5 in alle jaren onder de grenswaarden liggen.

Conclusie

Het plan worden beschouwd als een nibm-project. Uit de achtergrondniveaus blijkt dat deze onder de wettelijke normen blijven. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit kan achterwege blijven.

4.10 Water

Wet- en regelgeving
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten.

Door middel van de watertoets als procesinstrument wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema's waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater.

Beleidsnotitie Water en Ruimte
In de notitie Water en Ruimte wordt het beleid van Waterschap Noorderzijlvest ten aanzien van het waterbeheer in bebouwd gebied toegelicht. Een van de uitgangspunten gaat over versnelde afvoer door toename aan verharding en luidt: 'Om te voorkomen dat een toename van het verhard oppervlak het watersysteem extra belast, adviseert het waterschap in het Watertoetsproces om waterneutraal te bouwen. Waterneutraal bouwen houdt in dat de initiatiefnemer afdoende maatregelen neemt om de versnelde afvoer, door de toename van verhard oppervlak, te compenseren, zodat het watersysteem niet zwaarder wordt belast'.

Waterbeheerprogramma 2022-2027
In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (vastgesteld in november 2021) zijn zowel ambitieuze als behapbare doelen en plannnen opgenomen welke maatregelen de komende zes jaar op hoofdlijnen nodig zijn voor het watersysteem, de waterkeringen en de waterketen. De focus ligt op klimaatklaar blijven en een natuurlijker, duurzamer waterbeheer. Een van de maatregelen is samen met gemeenten zorg dragen voor het verminderen van de vervuiling via riooloverstorten.

Onderzoek
Digitale watertoets
Bij alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient vanwege de wettelijk verplichte watertoets in het kader van de Waterwet aandacht te worden besteed aan het wateraspect. Hiervoor wordt het planvoornemen ingediend bij Waterschap Noorderzijlvest. De aanvraag digitale watertoets heeft op 5 juni 2023 plaatsgevonden. De watertoets is als Bijlage 6 aan het plan toegevoegd.

Riolering
Conform het beleid van de gemeente en het waterschap zal hemelwater gescheiden van het afvalwater moeten worden aangeboden en afgevoerd. In het plangebied is nog geen riolering aanwezig. Bij de verdere uitwerking van het plan zal rekening worden gehouden met het beleid van de gemeente en het waterschap.

Drooglegging
Om te voorkomen dat gebruiksfuncties overlast uit grondwater zullen ondervinden, dienen beide op elkaar afgestemd te zijn. Zo moet bij nieuwe aanleg rekening worden gehouden met een bepaalde drooglegging, teneinde een voldoende ontwateringsdiepte te krijgen. Dit hangt af van meerdere factoren zoals de grondsoort, de slootafstand, aanwezigheid van drainage et cetera. Voor een nieuwe woning met kruipruimte is een ontwateringsdiepte van 130 cm het uitgangspunt. Bij de verdere uitwerking van het bouwplan zal hier rekening mee worden gehouden.

Compensatie
De toename aan verhard oppervlak is beperkt. Hiermee zijn geen compenserende maatregelen nodig. Hemelwater zal infiltreren in de bodem, dan wel afstromen naar het oppervlaktewater.

Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.

4.11 Verkeer en Parkeren

Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een voornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). In publicatie nr. 381 'Toekomstbestendig parkeren, Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (2018) van het CROW (het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte) zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen. De richtlijnen van het CROW gaan uit van een bandbreedte van minimale en maximale parkeerkencijfers.

Verkeersafwikkeling 

De realisatie van de woning leidt tot een toename van de verkeersaantrekkende werking van en naar het plangebied. Op basis van de kengetallen voor een vrijstaande koopwoning van het CROW gaat het in een niet-stedelijk gebied in het buitengebied om een maximale toename van de verkeersgeneratie van maximaal 9 verkeersbewegingen per etmaal. De aanwezige ontsluitingsweg Rijksstraatweg heeft voldoende capaciteit om de geringe verkeerstoename door de planontwikkeling aan te kunnen. Het aanwezige fietspad zal als toegangsweg dienen voor de woning. Gezien het huidige gebruik als paardenbak wordt hier in de huidige situatie al gebruik van gemaakt. Gelet op de geschatte verkeersaantrekkende werking van het plangebied hoeven voor het planvoornemen geen aanpassingen in de verkeersontsluiting te worden getroffen.

Gelet op de geschatte verkeersaantrekkende werking van het plangebied hoeven voor het planvoornemen geen aanpassingen in de verkeersontsluiting te worden getroffen.

Parkeren

Naast een verkeersaantrekkende werking neemt de parkeerbehoefte in het gebied als gevolg van het planvoornemen ook toe. Voor de berekening van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van het CROW.

Hierbij was de uitkomst voor een niet stedelijk gebied waarbij de nieuwe vrijstaande koopwoning in het buitengebied ligt voor een maximale toename van de parkeerbehoefte van 3 parkeerplaatsen. Parkeren zal op eigen erf worden opgelost.

Conclusie

Het planvoornemen van dit bestemmingsplan leidt niet tot een onaanvaardbare verkeerstoename over de aanvoerende wegen naar het plangebied. Het planvoornemen zal bovendien niet tot negatieve invloeden op de verkeersafwikkeling in de directe omgeving van het gebied leiden. Daarnaast zal ten behoeve van het planvoornemen een voldoende parkeeroplossing worden geboden. Uit oogpunt van verkeerseffecten mag voorliggend bestemmingsplan dan ook aanvaardbaar worden geacht.

4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader

In het Besluit milieueffectrapportage zijn activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. De grenswaarden die voor deze activiteiten zijn opgenomen voor een m.e.r.-beoordelingsplicht zijn indicatief. Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG).

Onderzoek

De bouw van één woning is qua aard, omvang en ligging niet gelijk te stellen aan de activiteit zoals bedoeld in lid 11.2 van het Besluit m.e.r. (een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat), maar sinds de wijziging van het Besluit op 1 april 2011, is een beoordeling van een activiteit die op de D-lijst voorkomt noodzakelijk, ook al ligt de omvang van de activiteit (ver) onder de drempelwaarde.

De planontwikkeling aan de Rijksstraatweg kent een beperkt ruimtebeslag en een beperkte bebouwing. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan niet als stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Dat betekent dat er geen sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Conclusie

Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de planologische ontwikkelingen die dit bestemmingplan mogelijk maakt.

4.13 Conclusie

Vanuit de omgevingsaspecten zijn geen belemmeringen naar voren gekomen. Realisatie van voorgenomen initiatief is wat betreft de omgevings- en milieuaspecten haalbaar.

Hoofdstuk 5 Toelichting op de regels

5.1 Inleiding

Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. Deze paragraaf bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een ruimtelijk plan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • een verbeelding van het plangebied, zowel analoog als digitaal, waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen;
  • de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd.

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro is het verplicht om een bestemmingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachte aan het plan ten grondslag ligt, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplan te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.

Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hieronder worden de aanwezige planregels puntsgewijs besproken.

5.2 Dit bestemmingsplan

In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de regels toegelicht. Deze ziet er als volgt uit:

Hieronder worden deze hoofdstukken puntsgewijs besproken.

5.2.1 Inleidende regels

Dit onderdeel bestaat uit de Begrippen en de Wijze van meten. Deze beide artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. De gemeente heeft bindende afspraken over planregels opgesteld. Deze zijn aangepast in overeenstemming met de eisen van de SVBP2012. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van het eerste begrip 'plan:'.

Voor de begrippen is aansluiting gezocht bij andere bestemmingsplannen in de gemeente Westerkwartier. Voor de wijze van meten geldt hetzelfde.

5.2.2 Bestemmingsregels

Groen

Een deel van de gronden zijn specifiek bestemd als Groen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

Wonen

Een deel van het plangebied ziet op de bestemming 'Wonen'. De ontwikkeling ziet op de bouw van één vrijstaande woning. Door middel van het bouwvlak wordt de locatie aangegeven.

Waarde - Archeologie 4

Ter bescherming van de mogelijk in de grond zittende archeologische waarden, zijn de gronden beschermd middels de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4.

Waarde - Glaciale rug

Ter uitwerking van het beleid uit de Omgevingsverordening Groningen is deze dubbelbestemming opgenomen. De planregels bevatten een regeling die is afgestemd op deze Verordening en diepploegen, afschuiven, egaliseren en afgraven aan een verbodsbepaling bindt. Overigens heeft deze dubbelbestemming op een beperkt deel van het plangebied betrekking. Zie ook kaartfragment bij de bestemming Wonen. De beperkingen zijn gering omdat het slechts om onbebouwde bestemmingen gaat. Verder is, in de lijn van de nieuw vast te stellen Omgevingsverordening (zomer 2016), aan de planregels toegevoegd een regeling die het mogelijk maakt dat met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het hierboven genoemde verbod, mits dit niet leidt tot aantasting van de herkenbaarheid van de glaciale rug.

Algemene aanduidingsregels

Voortvloeiend uit voornamelijk het milieu- en veiligheidsbeleid bevat de verbeelding en de planregels een (gebiedsgebonden) aanduiding, zoals

5.2.3 Algemene regels

De algemene regels bestaan uit de volgende regels:

De Anti-dubbeltelregel is op basis van artikel 3.2.4 van het Bro. Het betreffende besluit schrijft voor dat de tekst van artikel 3.2.4 van het Bro één op één in een bestemmingsplan wordt overgenomen.

In de Algemene gebruiksregels is beschreven welke vormen van gebruik in elk geval gelden als gebruik in strijd is met de bestemming.

In de Algemene afwijkingsregels is geregeld dat onder voorwaarden specifiek gebruik of bouwen na verkrijgen van een omgevingsvergunning is toegestaan.

5.2.4 Slotregel

Tot slot bevat hoofdstuk 4 de Slotregel waarin is aangegeven hoe het bestemmingsplan kan worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De kosten van het voornemen komen ten laste van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een planschadeovereenkomst gesloten. Hierin is vastgelegd dat eventuele planschadekosten, welke het gevolg zijn van het wijzigingsplan, voor rekening van de initiatiefnemer komen. Het bestemmingsplan is derhalve economisch uitvoerbaar.

6.2 Participatie

De direct omwonenden zijn op de hoogte gesteld van de plannen en bij iedere update over de plannen wordt afstemming gezocht. Er is vanuit de direct omwonenden geen bezwaar tegen de plannen.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In deze paragraaf worden, voorzover beschikbaar, de resultaten van het overleg op grond van artikel 3.1.1. Bro uiteengezet. Ook de resultaten van de zienswijzefase worden hier te zijner tijd uiteengezet.

6.3.1 Overleg

Op grond van artikel 3.1.1. is het bestemmingsplan ter beoordeling toegezonden aan de diverse overlegpartners. Hierop zijn van de provincie Groningen en het Waterschap Noorderzijlvest een reactie ontvangen. De reacties zijn als Bijlage 7 aan het plan toegevoegd. Hierna zijn de reacties behandeld en van een antwoord voorzien.

Reactie provincie

Het bestemmingplan geeft de provincie Groningen geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

Reactie waterschap

Waterschap Noorderzijlvest geeft aan dat er onvoldoende informatie over de wateraspecten behandeld zijn in het bestemmingsplan. Er staat wel een deel van het beleid genoemd, maar ontbreekt nog het Waterbeheerprogramma 2022-2027.

Verder zullen volgende onderwerpen aan bod moeten komen zodat we kunnen instemmen met dit bestemmingsplan.

  • Riolering. Er is aangegeven dat er nu nog geen riolering ligt. Conform het beleid van gemeente en waterschap zal hemelwater gescheiden van het afvalwater moeten worden aangeboden en afgevoerd. De aanleg c.q. aansluiting op de riolering is een gemeentelijke taak.
  • Drooglegging. Of de woning met voldoende drooglegging wordt gebouwd blijkt niet uit het plan. Regels/adviezen hierover zijn te vinden in onze Beleidsnotitie Water en Ruimte.
  • De toename aan verhard oppervlak is beperkt. Hiermee zijn compenserende maatregelen niet nodig. Wel raden we aan goed te kijken naar waar het hemelwater kan infiltreren en afstroomt in oppervlaktewater.

Het plan is met bovenstaande punten aangevuld.

6.3.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 29 november 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode heeft eenieder de mogelijkheid gehad zienswijzen tegen het plan in te dienen.

6.3.3 Vaststelling

Tijdens de periode van terinzagelegging zijn geen zienswijzen op het plan ingediend.

Vanwege een wijziging op de verbeelding, is het plan door de gemeenteraad op 12 maart 2024 gewijzigd vastgesteld.