In deze regels wordt verstaan onder:
1.1 plan:
het bestemmingsplan Oldehove, Pastorijlaan 3 Oldehove, met identificatienummer
NL.IMRO.1969.BPOL22INBR-VA01 van de gemeente Westerkwartier;
1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij
behorende bijlagen;
1.3 aanbouw:
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee
het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het
hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
1.4 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar
ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het
bebouwen van deze gronden’
1.5 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.6 aan-huis-verbonden beroep:
het uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op zakelijk,
maatschappelijk, juridisch, medisch, kunstzinnig of vastgesteld-technisch dan wel daarmee
gelijk te stellen gebied door de gebruik(st)er van de woning en waarbij de woning in
hoofdzaak haar woonfunctie behoudt;
1.7 archeologische verwachting:
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen
van archeologische sporen en relicten;
1.8 archeologisch vooronderzoek:
locatiegericht bureauonderzoek, booronderzoek, geofysisch prospectieonderzoek, het
graven van proefsleuven of een combinatie daarvan, verricht door een erkende partij of
namens de gemeente, door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het Centraal
College van Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de
Nederlandse Archeologie (KNA);
1.9 archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige
archeologische sporen en relicten;
1.10 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
1.11 bedrijf:
een onderneming gericht op het bedrijfsmatig vervaardigen en/of bewerken, opslaan,
installeren en/of herstellen van goederen;
1.12 beroeps- of bedrijfsvloeroppervlakte:
de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan huis
verbonden beroep dan wel een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende
instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;
1.13 bestaand:
- ten aanzien van gebouwen en overkappingen:
- bestaand ten tijde van de vastgestelde nulmeting Slagboom en Peters luchtfotografie, kaartnummers 4768 en 4763 (21 april 1996);
- na de nulmeting (1996) valt alleen alles wat legaal gebouwd is onder 'bestaand';
- ten aanzien van bouwwerken, geen bouwwerken zijnde: bestaand ten tijde van de eerste ter inzage legging van het vastgesteld van het plan;
- ten aanzien van het overige gebruik: bestaand ten tijde van de eerste ter inzage legging van het vastgesteld van het plan.
1.14 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
1.15 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.16 bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel
bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de
aarde verbonden bouwwerk met een dak.
1.17 bijgebouw:
een gebouw dat zowel in bouwkundige als in functionele zin ondergeschikt is aan en ten
dienste staat van een hoofdgebouw;
1.18 bodemingrepen:
werken en werkzaamheden, genoemd in de archeologische dubbelbestemmingen,
waarvan mag worden aangenomen dat zij het bodemarchief kunnen aantasten;
1.19 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het
vergroten van een bouwwerk;
1.20 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
1.21 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar
behorende bebouwing is toegelaten;
1.22 bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel;
1.23 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de
regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
1.24 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij
direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of
op de grond;
1.25 bouwwerk, geen gebouwen zijnde:
een bouwwerk dat geen gebouw is]
1.26 deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg:
een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen ambtenaar;
1.27 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het
verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor
gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of
bedrijfsactiviteit;
1.28 erf:
een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een
gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat
gebouw, en, voorzover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze
inrichting niet verbiedt;
1.29 erker:
een uitgebouwd deel van een woonhuis, bouwkundig bestaande uit een 'lichte”
constructie met een overwegende transparante uitstraling en van beperkte omvang;
1.30 erkende partij:
een dienst, bedrijf of instelling erkend door het Centraal College van Deskundigen
(CCvD) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie
(KNA);
1.31 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met
wanden omsloten ruimte vormt;
1.32 hoofdgebouw:
een gebouw, dat gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een
bouwperceel kan worden aangemerkt;
1.33 horecabedrijf en/of -instelling:
een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse worden
verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies worden verstrekt, al dan niet in combinatie
met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;
1.34 kap:
bovenbeëindiging van een bouwwerk met minimaal twee schuine dakvlakken.
1.35 maaiveld:
4,00 m boven het Nieuw Amsterdams Peil;
1.36 ondergronds:
beneden peil;
1.37 opgraving:
de ontsluiting van een archeologische vindplaats met als doel de informatie te
verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het
Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de
onderzoeksinstellingen. Opgravingen worden verricht door een erkende partij,
beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 45 van de Monumentenwet en
uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de
Nederlandse Archeologie (KNA);
1.38 overkapping:
elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met
ten hoogste twee wanden;
1.39 peil:
- voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
- voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
- indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil);
- voor een grondlichaam of op de hoogte van het terrein: het maaiveld.
1.40 straat- en bebouwingsbeeld:
de stedenbouwkundige waarde van een gebied die wordt bepaald door de mate van
samenhang in aanwezige bebouwing. De mate van samenhang wordt bepaald door de
verhouding tussen bouwmassa en open ruimte, de onderlinge verhouding tussen
bebouwing op het gebied van bouwhoogte en -breedte en de wijze waarop bebouwing
die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is zich tot elkaar verhoudt op het vlak van
bouwvorm en ligging;
1.41 uitbouw:
een ruimte die aan het hoofdgebouw is gebouwd, die functioneel één geheel vormt met
het hoofdgebouw, maar die ruimtelijk een ondergeschikte aanvulling vormt op het
hoofdgebouw;
1.42 verkeersveiligheid:
de waarde van een gebied voor de veiligheid van het verkeer die wordt bepaald door de
mate van overzichtelijkheid en vrij uitzicht (met name bij kruisingen van wegen en
uitritten) en de (mogelijke) effecten van bebouwing en overige inrichtingselementen op
de gedragingen van verkeersdeelnemers;
1.43 voorgevel:
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met
meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel daarvan die door de ligging, de
situatie ter plaatse en de indeling van het gebouw het sterkst op de weg gericht is;
1.44 woonfunctie:
Onder woonfunctie vallen ruimten die een woonbestemming hebben zoals vrijstaande
woningen, eengezinswoningen, flat- of portiekwoningen, kamers in een studentenhuis
en woonwagens met de daarbij behorende gebouwgebonden ontsluitingswegen en
vluchtroutes. Ruimtes zoals bergingen en carports en daarmee gelijk te stellen ruimtes
vallen niet onder de woonfunctie.
1.45 woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huis-vesting van één afzonderlijk
huishouden;
1.46 woonhuis:
een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat.
1.47 woonsituatie:
de waarde van een gebied voor de woonfunctie, die wordt bepaald door de situering
van om die woonfunctie liggende functies en bebouwing. Bij de bepaling van de waarde
wordt in het bijzonder gelet op de daglichttoetreding, het uitzicht, de mate van privacy
en het voorkomen of beperken van hinder.