Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Oldehove, Pastorijlaan 3 Oldehove
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1969.BPOL22INBR-VA01
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
 
In deze regels wordt verstaan onder:
 
1.1 plan:
het bestemmingsplan Oldehove, Pastorijlaan 3 Oldehove, met identificatienummer
NL.IMRO.1969.BPOL22INBR-VA01 van de gemeente Westerkwartier;
 
1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij
behorende bijlagen;
 
1.3 aanbouw:
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee
het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het
hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
 
1.4 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar
ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het
bebouwen van deze gronden’
 
1.5 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
1.6 aan-huis-verbonden beroep:
het uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op zakelijk,
maatschappelijk, juridisch, medisch, kunstzinnig of vastgesteld-technisch dan wel daarmee
gelijk te stellen gebied door de gebruik(st)er van de woning en waarbij de woning in
hoofdzaak haar woonfunctie behoudt;
 
1.7 archeologische verwachting:
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen
van archeologische sporen en relicten;
 
1.8 archeologisch vooronderzoek:
locatiegericht bureauonderzoek, booronderzoek, geofysisch prospectieonderzoek, het
graven van proefsleuven of een combinatie daarvan, verricht door een erkende partij of
namens de gemeente, door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het Centraal
College van Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de
Nederlandse Archeologie (KNA);
 
1.9 archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige
archeologische sporen en relicten;
 
1.10 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
1.11 bedrijf:
een onderneming gericht op het bedrijfsmatig vervaardigen en/of bewerken, opslaan,
installeren en/of herstellen van goederen;
 
1.12 beroeps- of bedrijfsvloeroppervlakte:
de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan huis
verbonden beroep dan wel een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende
instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;
 
1.13 bestaand:
  1. ten aanzien van gebouwen en overkappingen:
    1. bestaand ten tijde van de vastgestelde nulmeting Slagboom en Peters luchtfotografie, kaartnummers 4768 en 4763 (21 april 1996);
    2. na de nulmeting (1996) valt alleen alles wat legaal gebouwd is onder 'bestaand';
  2. ten aanzien van bouwwerken, geen bouwwerken zijnde: bestaand ten tijde van de eerste ter inzage legging van het vastgesteld van het plan;
  3. ten aanzien van het overige gebruik: bestaand ten tijde van de eerste ter inzage legging van het vastgesteld van het plan.
1.14 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
 
1.15 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
 
1.16 bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel
bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de
aarde verbonden bouwwerk met een dak.
 
1.17 bijgebouw:
een gebouw dat zowel in bouwkundige als in functionele zin ondergeschikt is aan en ten
dienste staat van een hoofdgebouw;
 
1.18 bodemingrepen:
werken en werkzaamheden, genoemd in de archeologische dubbelbestemmingen,
waarvan mag worden aangenomen dat zij het bodemarchief kunnen aantasten;
 
1.19 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het
vergroten van een bouwwerk;
 
1.20 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
 
1.21 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar
behorende bebouwing is toegelaten;
 
1.22 bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel;
 
1.23 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de
regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
 
1.24 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij
direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of
op de grond;
 
1.25 bouwwerk, geen gebouwen zijnde:
een bouwwerk dat geen gebouw is]
 
1.26 deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg:
een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen ambtenaar;
 
1.27 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het
verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor
gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of
bedrijfsactiviteit;
 
1.28 erf:
een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een
gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat
gebouw, en, voorzover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze
inrichting niet verbiedt;
 
1.29 erker:
een uitgebouwd deel van een woonhuis, bouwkundig bestaande uit een 'lichte”
constructie met een overwegende transparante uitstraling en van beperkte omvang;
 
1.30 erkende partij:
een dienst, bedrijf of instelling erkend door het Centraal College van Deskundigen
(CCvD) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie
(KNA);
 
1.31 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met
wanden omsloten ruimte vormt;
 
1.32 hoofdgebouw:
een gebouw, dat gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een
bouwperceel kan worden aangemerkt;
 
1.33 horecabedrijf en/of -instelling:
een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse worden
verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies worden verstrekt, al dan niet in combinatie
met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;
 
1.34 kap:
bovenbeëindiging van een bouwwerk met minimaal twee schuine dakvlakken.
 
1.35 maaiveld:
4,00 m boven het Nieuw Amsterdams Peil;
 
1.36 ondergronds:
beneden peil;
 
1.37 opgraving:
de ontsluiting van een archeologische vindplaats met als doel de informatie te
verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het
Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de
onderzoeksinstellingen. Opgravingen worden verricht door een erkende partij,
beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 45 van de Monumentenwet en
uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de
Nederlandse Archeologie (KNA);
 
1.38 overkapping:
elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met
ten hoogste twee wanden;
 
1.39 peil:
  1. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  2. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  3. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil);
  4. voor een grondlichaam of op de hoogte van het terrein: het maaiveld.
1.40 straat- en bebouwingsbeeld:
de stedenbouwkundige waarde van een gebied die wordt bepaald door de mate van
samenhang in aanwezige bebouwing. De mate van samenhang wordt bepaald door de
verhouding tussen bouwmassa en open ruimte, de onderlinge verhouding tussen
bebouwing op het gebied van bouwhoogte en -breedte en de wijze waarop bebouwing
die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is zich tot elkaar verhoudt op het vlak van
bouwvorm en ligging;
 
1.41 uitbouw:
een ruimte die aan het hoofdgebouw is gebouwd, die functioneel één geheel vormt met
het hoofdgebouw, maar die ruimtelijk een ondergeschikte aanvulling vormt op het
hoofdgebouw;
 
1.42 verkeersveiligheid:
de waarde van een gebied voor de veiligheid van het verkeer die wordt bepaald door de
mate van overzichtelijkheid en vrij uitzicht (met name bij kruisingen van wegen en
uitritten) en de (mogelijke) effecten van bebouwing en overige inrichtingselementen op
de gedragingen van verkeersdeelnemers;
 
1.43 voorgevel:
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met
meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel daarvan die door de ligging, de
situatie ter plaatse en de indeling van het gebouw het sterkst op de weg gericht is;
 
1.44 woonfunctie:
Onder woonfunctie vallen ruimten die een woonbestemming hebben zoals vrijstaande
woningen, eengezinswoningen, flat- of portiekwoningen, kamers in een studentenhuis
en woonwagens met de daarbij behorende gebouwgebonden ontsluitingswegen en
vluchtroutes. Ruimtes zoals bergingen en carports en daarmee gelijk te stellen ruimtes
vallen niet onder de woonfunctie.
 
1.45 woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huis-vesting van één afzonderlijk
huishouden;
 
1.46 woonhuis:
een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat.
 
1.47 woonsituatie:
de waarde van een gebied voor de woonfunctie, die wordt bepaald door de situering
van om die woonfunctie liggende functies en bebouwing. Bij de bepaling van de waarde
wordt in het bijzonder gelet op de daglichttoetreding, het uitzicht, de mate van privacy
en het voorkomen of beperken van hinder.
Artikel 2 Wijze van meten
 
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1 de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
2.2 de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een
daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
2.3 de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het
hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen
gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen zoals
schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren,
neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter
plaatse van het bouwwerk;
 
2.6 de oppervlakte van een overkapping:
tussen de buitenwerkse constructiedelen, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde
niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
 
2.7 de breedte van een gebouw:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren;
 
2.8 de afstand tot de perceelgrens
vanaf de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot de perceelgrens;      
2.9 de oppervlakte van een bouwperceel:
indien het een bouwperceel betreft met de bestemming 'Wonen' de oppervlakte van het
perceel met inbegrip van de op hetzelfde perceel gelegen tuinen.
 
2.10 Ondergeschikte bouwdelenBij het meten worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, koekoeken,
kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten,
luifels, erkers, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de
overschrijding van bouwvlak- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,00 m bedraagt.
 
2.11 Meetverschil
Bij toepassing van het bepaalde in het plan ten aanzien van het bouwen binnen
bouwvlakken of bestemmingsvlakken, worden afwijkingen ten gevolge van
meetverschillen buiten beschouwing gelaten, mits dat meetverschil, mede gelet op de
aard en omvang van hierdoor toegelaten of toe te laten (bouw)werken of
werkzaamheden, als van zeer beperkte betekenis moet worden aangemerkt.
2 Bestemmingsregels
 
Artikel 3 Groen
 
3.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. groenvoorzieningen;
  2. wegen, straten en paden;
  3. voet- en fietspaden;
  4. waterlopen en waterpartijen, waaronder voorzieningen voor het waterbeheer;
  5. sport- en speelvoorzieningen;
  6. openbare nutsvoorzieningen;
  7. in- en uitritten;
met de daarbijbehorende:
  1. bouwwerken, erven en terreinen.
3.2 Bouwregels
 
3.2.1 gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
 
3.2.2 bouwwerken, geen gebouwen zijnde
voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,00 meter;
  2. de oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 1 m²;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 6,00 meter.
3.3 Afwijken van de bouwregels
 
Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid en
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden,
kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 3.2.1, in die
zin dat gebouwen worden gebouwd, met een maximale oppervlakte per gebouw van ten
hoogste 25 m² en met een bouwhoogte van ten hoogste 4,00 meter.
 
3.4 Specifieke gebruiksregels
 
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
  • de aanleg van en het gebruik van gronden voor parkeervoorzieningen.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels
 
Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid en
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden,
kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.4, in
die zin dat parkeervoorzieningen worden gerealiseerd tot een maximale horizontale
diepte van 5,00 meter gemeten uit de kant van de weg of (woon)straat en overige
verhardingen.
Artikel 4 Tuin
 
4.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. tuinen;
  2. erven en verhardingen.
4.2 Bouwregels
 
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. als bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend erf- en terreinafscheidingen worden gebouwd;
  2. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 1,00 m.
4.3 Afwijken van de bouwregels
 
Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de
woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende
gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van:
  1. het bepaalde in lid 4.2 sub a. in die zin dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder speelvoorzieningen, worden gebouwd, mits:
    1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 5,00 m bedraagt.
4.4 Specifieke gebruiksregels
 
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijfsdoeleinden;
  2. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
  3. het gebruik van de gronden en bouwwerken als horecabedrijf.
Tenzij het gebruik voortvloeit uit de op het erf aanwezige aan huis verbonden beroep of bedrijf.
Artikel 5 Woongebied
 
5.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Woongebied' aangegeven gronden zijn bestemd voor:
  1. wonen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroep of bedrijf;
met daaraan ondergeschikt:
  1. groenvoorzieningen;
  2. parkeervoorzieningen;
  3. watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. wegen, straten en paden;
met de daarbijbehorende:
  1. bijbehorende bouwwerken;
  2. tuinen, erven en terreinen;
  3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
5.2 Bouwregels
 
5.2.1 hoofdgebouwen
Voor het bouwen van de in lid 5.1 sub a genoemde hoofdgebouwen gelden de volgende
regels:
  1. de hoofdgebouwen mogen, met uitzondering van openbare nutsvoorzieningen, de naar de weggekeerde voorgevelrooilijn niet overschrijden;
  2. een gebouw wordt ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gebouwd;
  3. het aantal nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 1;
  4. de goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 3,50 meter;
  5. de bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 8,50 meter;
  6. de dakhelling van een hoofdgebouw bedraagt ten minste 30°;
  7. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse grens van een bouwperceel bedraagt ten minste 2,00 meter.
5.2.2 bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van in lid 5.1 sub g genoemde bijbehorende bouwwerken gelden de
volgende regels:
  1. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken zal ten hoogste 140 m² bedragen;
  2. bijbehorende bouwwerken moeten minimaal 3,00 meter achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd;
  3. de goot- en bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk met een kap zal respectievelijk ten hoogste 3,50 en 5,50 meter bedragen;
  4. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk met een platte afdekking zal ten hoogste 3,00 meter bedragen;
  5. de afstand van een bijbehorend bouwwerk tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt ten minste 1,00 meter, met dien verstande dat bij plaatsing op deze bouwperceelgrens, de afstand tot de gebouwen op het naastgelegen bouwperceel ten minste 1,00 meter bedraagt, tenzij ze aaneen gebouwd worden;
  6. de afstand van bijbehorende bouwwerken tot de perceelgrens zal ten minste 1,00 m bedragen, tenzij het bijbehorend bouwwerk op de erfgrens wordt gebouwd.
5.2.3 bouwwerken, geen gebouwen zijnde
voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 3,00 meter;
  2. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,00 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn ten hoogste 1,00 meter bedraagt.
5.3 Afwijken van de bouwregels
 
Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden (milieusituatie);
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van:
  1. het bepaalde in lid 5.2.1 sub h, in die zin dat hoofdgebouwen op een kortere afstand tot de bouwperceelgrens wordt gebouwd, dan wel op de bouwperceelgrens wordt gebouwd;
  2. het bepaalde in lid 5.2.1 sub g, in die zin dat een hoofdgebouw met een lagere dakhelling en/of een platte afdekking wordt gebouwd;
  3. het bepaalde in lid 5.2.3 sub a, in die zin dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken wordt vergroot tot een oppervlakte van ten hoogste 75 m² bedraagt.
5.4 Specifieke gebruiksregels
 
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruik van vrijstaande gebouwen, die geen woonhuis zijn, voor bewoning;
  2. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, zodanig dat:
    1. het bedrijfsvloeroppervlak voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf meer bedraagt dan één derde deel van het vloeroppervlak van de gebouwen op een bouwperceel;
    2. het bedrijfsvloeroppervlak voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf meer bedraagt dan 30% van de grondoppervlakte van het woonhuis;
    3. het bedrijfsvloeroppervlak voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf meer bedraagt dan 50 m²;
    4. degene die de activiteiten in de woning uitvoert, geen hoofdbewoner van de woning is;
    5. de woonfunctie niet in overwegende mate behouden blijft;
    6. er detailhandel plaatsvindt, anders dan detailhandel die ondergeschikt is aan en verbonden aan met het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf;
    7. de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling niet passen in een woonomgeving;
    8. de activiteiten meldingplichtig of vergunningplichtig zijn ingevolge de Wet milieubeheer respectievelijk de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, tenzij er aantoonbaar geen sprake zal zijn van overlast voor de (woon)omgeving;
    9. de verkeersaantrekkende werking van het beroep of bedrijf leidt tot verkeersoverlast in de omgeving en/of vereist dat er verkeersmaatregelen genomen moeten worden;
  3. het gebruik van de gronden voor bedrijfsmatige activiteiten anders dan een aanhuis- verbonden beroep of bedrijf;
  4. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor detailhandel:
  5. ondergeschikte detailhandel aan en verbonden aan met een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf activiteit.
Artikel 6 Waarde - Archeologie 5
 
6.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor ' Waarde - Archeologie 5 ' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere
daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:
  1. doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de in de grond verwachte (middelhoog) archeologische waarden, waarbij geldt dat indien strijd ontstaat tussen het belang van het behoud en de bescherming van archeologische waarden en andere bestemmingen de bestemming ' Waarde - Archeologie 5 ' prevaleert.
6.2 Bouwregels
 
6.2.1 Bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1000 m2
  1. Op of in de in 6.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van een overige aan deze gronden toegekende bestemming worden gebouwd, mits op basis van archeologisch (voor)onderzoek is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.
  2. het vereiste archeologische (voor)onderzoek in 6.1 onder a is niet van toepassing op bouwactiviteiten die betrekking hebben op grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte niet groter dan 1000 m2.
6.3 Afwijken van de bouwregels
  1. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 6.2.1 ten behoeve van een overige aan deze gronden toegekende bestemming, indien is gebleken dat het oprichten van een bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, niet zal leiden tot een verstoring van archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin.
  2. Er wordt niet afgeweken van het bepaalde in 6.2.1 dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de archeologische beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria.
  3. Voor zover het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in 6.2.1 , indien aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. de verplichting de oprichting van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk
zijnde, of van werkzaamheden
 
6.4.1 Vergunningplicht
Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is in het
belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige
aantasting van aanwezige of verwachte archeologische waarden, een
omgevingsvergunning vereist:
  1. het ophogen en ontgraven van de bodem;
  2. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  4. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegd waterschap;
  5. het aanbrengen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  6. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt;
  7. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen van bos of boomgaard;
  9. het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
  10. het scheuren van grasland;
  11. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, en leggen van drainage en ontginnen.
6.4.2 Uitzondering
Het bepaalde in 6.4.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en
werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. betrekking hebben op een oppervlakte die minder dan 1000 m2 bedragen en die minder dan 50 cm onder maaiveld plaatsvinden.
6.4.3 Voorwaarden
De genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien:
  1. door die werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; en
  2. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de in de beroepsgroep geldende normen is overgelegd waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    3. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad;
  3. Voor zover de in 6.4.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in 6.4.1 , indien aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
    3. de verplichting de oprichting van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  4. Het in 6.4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden:
    1. in het kader van archeologisch vooronderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
    2. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van in werking treding van het bestemmingsplan;
  5. De in 6.4.2 genoemde uitzonderingsregels gelden niet indien in de periode van 24 maanden voor de datum van voorgenomen werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden een uitzonderingsregel van toepassing is geweest op aangrenzende terreinen of terreinen op een afstand van minder dan 25 meter van het onderhavige terrein.
  6. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in 6.4.1 winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.
6.5 Wijzigingsbevoegdheid
 
Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat:
  1. de dubbelbestemming ' Waarde - Archeologie 5 ' wordt gewijzigd in de dubbelbestemming ' Waarde - Archeologie 3 ' voor gronden die op basis van deskundig archeologisch (voor)onderzoek archeologische waarden blijken te bevatten die op grond van de gangbare waarderingssystematiek door burgemeester en wethouders als behoudenswaardig zijn bevonden (positief selectiebesluit);
  2. de dubbelbestemming ' Waarde - Archeologie 5 ' wordt gewijzigd in de dubbelbestemming ' Waarde - Archeologie 4 ' voor gronden die op basis van deskundig archeologisch (voor)onderzoek een hoge archeologische verwachting blijken te hebben;
  3. de dubbelbestemming ' Waarde - Archeologie 5 ' wordt verwijderd, indien uit deskundig archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.
3 Algemene regels
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan,
waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling
van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 Algemene gebruiksregels
 
8.1 strijdig gebruik
 
Tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan voor de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  2. het storten van puin en afvalstoffen;
  3. de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen;
  4. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor een seksinrichting;
  5. het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor evenementen, festiviteiten en manifestaties.
Artikel 9 Algemene aanduidingsregels
 
9.1 Vrijwaringszone – molenbiotoop 2
 
9.1.1 Bouwregels
In afwijking van het bepaalde bij de andere aangewezen bestemmingen gelden ter
plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop 2' dat niet hoger mag
worden gebouwd dan 8,5 meter.
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels
 
Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
kunnen burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van
bepaalde bepalingen in dit bestemmingsplan:
  1. voor overschrijdingen van de bouw- en of maatvoeringsgrenzen:
    1. indien een meetverschil of de situatie ter plekke daartoe aanleiding geeft;
    2. voor stoepen, toegangen, portieken, hellingbanen, buitentrappen, terrassen, erkers, balkons, luifels, hijsinrichtingen, lift- en trappenhuizen, koekoeken, evenals naar de aard vergelijkbare delen van bouwwerken;
  2. van het bepaalde over de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen wordt verhoogd voor plaatselijke verhogingen zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen;
  3. voor het oprichten van bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals vlaggenmasten, gedenktekens, beeldhouwwerken en andere kunstuitingen.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 11 Overgangsrecht
 
11.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
11.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 12 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als:
 
Regels van het Bestemmingsplan Oldehove, Pastorijlaan 3