direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kampeerterrein Overdaips te Roodehaan Saaksum
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1969.BPBG20HERG1-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Roodehaansterweg tussen Saaksum en Warfhuizen is de camping Roodehaan gelegen. Het zuidelijke gedeelte van deze camping is door de initiatiefnemer aangekocht. Het voornemen bestaat om op deze locatie een kampeerterrein met ondergeschikte horeca voorziening tot ontwikkeling te brengen.

Binnen het vigerend planologisch kader is de realisatie van een kleinschalig kampeerterrein met overnachtingsplaatsen en een ondergeschikte horeca functie niet mogelijk. Door middel van voorliggend bestemmingsplan wordt de vigerende recreatieve bestemming gewijzigd waardoor de horeca voorziening en het kampeerterrein met overnachtingsplaatsen kan worden gerealiseerd.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Roodehaansterweg ten zuiden van het Reitdiep. Ten noorden van het plangebied is de Camping Roodehaan en zijn (op zichtafstand) twee woningen gelegen. Aan de oostzijde van het plangebied is een gaswinning locatie gelegen. De overige gronden rondom het plangebied bestaan uit agrarische percelen. Op de onderstaande afbeelding is de globale begrenzing van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPBG20HERG1-VA01_0001.jpg"

Luchtfoto met globale begrenzing plangebied (bron: pdokviewer.pdok.nl, d.d. 17-03-2020)

1.3 Geldend planologisch kader

Voor het plangebied gelden de bestemmingsplannen 'Buitengebied Zuidhorn' (onherroepelijk op 24 mei 2012) en 'Buitengebied Zuidhorn (herziening)' (vastgesteld op 27 maart 2019). Op basis van deze bestemmingsplannen heeft het plangebied de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6'. Het voornemen past qua gebruik en toename van bebouwing niet binnen deze bestemming. Derhalve is voor het voornemen het voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

1.4 Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het ruimtelijk beleid van rijk, provincie en gemeente. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de huidige en toekomstige situatie van het plangebied aan bod. Hoofdstuk 4 is gewijd aan het onderzoek naar de omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 behandelt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. In het laatste hoofdstuk wordt ten slotte ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits-Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de volgende documenten: PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.

In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd:

  • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat;
  • de bereikbaarheid verbeteren;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

De provincies en gemeenten krijgen in het nieuwe ruimtelijke beleid en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Het opstellen van dit bestemmingsplan past in die lijn.

2.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt.
De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Infrastructuur en Waterstaat voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister er voor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's.

De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 1.1.1 Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Het plangebied heeft in de huidige situatie de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie'. Binnen het plangebied zijn dagrecreatieve voorzieningen toegestaan. In de huidige situatie is op het plangebied, van circa 3.200 m2, een gebouw van circa 25 m2 aanwezig. Dit gebouw wordt gesloopt en vervangen door een nieuw gebouw van circa 155 m2.

Het planvoornemen leidt niet tot een naar aard en omvang substantiële wijziging van de gebruiksmogelijkheden van het plangebied ten opzichte van de bestaande mogelijkheden. In de huidige bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' zijn ook voorzieningen ten behoeve van recreatie toegestaan. Daarnaast is er slechts een toename van bebouwd oppervlak van circa 130 m2. Gesteld kan worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder is daarmee niet van toepassing op de ruimtelijke ontwikkeling.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt in het vervolg van deze onderbouwing aangetoond dat de ontwikkeling wel leidt tot een zorgvuldige benutting van de ruimte en in die zin in overeenstemming is met de Ladder.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020

De Omgevingsvisie 2016 - 2020 van de provincie Groningen bevat de integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving. Doel van de omgevingsvisie is het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de provincie verder verbeteren. Het accent in het beleid ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. De provincie wil ruimte bieden voor ondernemerschap om in te spelen op de dynamische ontwikkelingen. Activiteiten lopen steeds meer door elkaar heen. Dat heeft gevolgen voor het ruimtegebruik. Functies, als bijvoorbeeld wonen en werken, zijn steeds minder van elkaar gescheiden. Door samenwerking met medeoverheden en andere partijen en het leveren van maatwerk wil de provincie haar doelen bereiken.

Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. In deze Omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's en elf provinciale 'belangen':


RUIMTE

  • Ruimtelijke kwaliteit
  • Aantrekkelijk vestigingsklimaat
  • Ruimte voor duurzame energie
  • Vitale landbouw


NATUUR EN LANDSCHAP

  • Beschermen landschap en cultureel erfgoed
  • Vergroten biodiversiteit


WATER

  • Waterveiligheid
  • Schoon en voldoende water


MOBILITEIT

  • Bereikbaarheid


MILIEU

  • Tegengaan milieuhinder
  • Gebruik van de ondergrond


De Omgevingsvisie is een kaderstellend document voor de uitwerking van het beleid op deelterreinen door de provincie zelf en door gemeenten en waterschappen. Ook voor andere partijen (bedrijven) die iets willen dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, biedt de Omgevingsvisie houvast. De provincie wil met de Omgevingsvisie ruimte bieden en uitnodigen. Maar uit deze Omgevingsvisie vloeien ook richtlijnen en voorschriften voort, die zijn vastgelegd in de provinciale Omgevingsverordening. Hiermee werkt het omgevingsbeleid (ruimtelijke ordening, water, mobiliteit en milieu) door in plannen van gemeenten en waterschappen.

2.2.2 Omgevingsverordening provincie Groningen 2016

De Omgevingsverordening Provincie Groningen 2016 (hierna Omgevingsverordening genoemd) bevat regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen. De Omgevingsverordening is nauw verbonden met de Omgevingsvisie provincie Groningen 2016 - 2020 zoals hierboven is beschreven. Hieronder zijn de artikelen weergegeven die relevant zijn voor het plangebied:

  • 1. Nieuwvestiging of uitbreiding van niet-functioneel aan het buitengebied gebonden functies (artikel 2.13.1);
  • 2. Invloedsgebied provinciaal basisnet Groningen (artikel 2.23.3);
  • 3. Veiligheidszone rondom wegen en spoorwegen in verband met de bescherming van minder zelfredzame personen (artikel 2.23.4);
  • 4. Grootschalig open landschap (artikel 2.51);
  • 5. Reliëfinversie (artikel 2.57.2).

AD 1.

Het voornemen betreft een functie die niet functioneel aan het buitengebied is gebonden en is gelegen in het buitengebied. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied bevat geen bestemmingen die voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiervan kan echter worden afgeweken als de ontwikkeling kleinschalig kamperen betreft.

Het voornemen bestaat uit de realisatie van een kleinschalig kampeerterrein met maximaal 15 plaatsen. In het kader van de maatwerkmethode heeft een keukentafelgesprek met de provincie en de gemeente plaats gevonden. Tijdens dit gesprek is de planontwikkeling goed ontvangen. Het voornemen is in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

AD 2.

Het plangebied ligt binnen de ‘veiligheidszone 2 invloedsgebied provinciale wegen'. De toelichting op een plan dat betrekking heeft op deze zone bevat een nadere verantwoording van het groepsrisico en biedt inzicht in de manier waarop rekening is gehouden met het advies van de Veiligheidsregio Groningen. In afwijking hiervan kan worden volstaan met een beperkte groepsrisicoverantwoording als:

  • a. het projectgebied geheel is gelegen op een afstand van minimaal 200 meter van de betreffende infrastructuur; of
  • b. in het vigerende, minder dan 10 jaar geleden vastgestelde, bestemmingsplan reeds een nadere verantwoording van het groepsrisico is opgenomen en het bestemmingsplan voorziet in de toevoeging van:
    • 1. maximaal 41 woningen per hectare buiten de PRmax; of
    • 2. maximaal 3.000 m2 bruto vloeroppervlakte kantoorruimte per hectare buiten de PRmax; of
    • 3. maximaal 3.000 m2 bruto vloeroppervlakte winkelruimte per hectarebuiten de PRmax; of
    • 4. maximaal 100 personen per hectare buiten de PRmax in de vorm van objecten of een combinatie van objecten die leiden tot een personen dichtheid van maximaal 100 per hectare.


AD 3.

Het plangebied ligt deels binnen de ‘veiligheidszone 3 transport'. Een plan voorziet niet in de bouw van nieuwe objecten of het gebruik van bestaande objecten voor minder zelfredzame personen binnen deze zone.

In paragraaf 4.4 wordt ingegaan op het aspect externe veiligheid. In die paragraaf wordt tevens nader ingegaan op de ligging van het projectgebied in het invloedsgebied van de N983.

AD 4.

Het plangebied ligt binnen de aanduiding 'Grootschalig open landschap'. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op als grootschalig open landschap aangegeven gebied, bevat regels gericht op bescherming van de landschappelijke openheid. Deze regels bevatten in elk geval een verbod op nieuwe houtteelt en op de aanleg van nieuw bos en boomgaarden.

Het voornemen voorziet niet in het oprichten van houtteelt of het aanleggen van nieuw bos en boomgaarden. In de regels van het onderhavig bestemmingsplan is een regel ten behoeve van de bescherming van de landschappelijke openheid opgenomen. Het bestemmingsplan is derhalve in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

AD 5.

Het plangebied ligt binnen de aanduiding 'Reliëfinversie'. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de aangegeven ‘reliëfinversie’ stelt regels gericht op bescherming van het reliëf en de herkenbaarheid daarvan. De bedoelde regels bevatten in elk geval:

  • 1. een verbod op het afgraven, diepploegen, egaliseren en afschuiven van de inversieruggen;
  • 2. regels voor houtteelt, aanleg van bos en boomgaarden.

Het voornemen voorziet niet in het afgraven, diepploegen, egaliseren of afschuiven van de inversieruggen. In de regels van het onderhavig bestemmingsplan is een regel ten behoeve van de bescherming van het reliëf en de herkenbaarheid daarvan opgenomen. Het bestemmingsplan is derhalve in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

Naast de bovengenoemde artikelen is het Reitdiep aangewezen als provinciaal vaarwater. Echter, aangezien met het voornemen niet wordt gebouwd in het water, is het voornemen in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Structuurvisie 2030

De Structuurvisie Zuidhorn 2030 geeft het ruimtelijk beleid op hoofdlijnen voor de gemeente weer en is een uitwerking van de toekomstvisie. De structuurvisie is door de gemeenteraad bij besluit van 6 juni 2011 vastgesteld. Deze structuurvisie vormt het ruimtelijk kader voor de voormalige gemeente Zuidhorn voor de periode tot 2030 waarin het ruimtelijke programma (ontwikkelingen en ambities) voor de korte en lange termijn zijn vastgelegd.

De voormalige gemeente Zuidhorn is een aantrekkelijke gemeente om te wonen en te recreëren. In de sector recreatie en toerisme is de trend te zien dat het toerisme de komende jaren toe zal nemen. De toename van buitenlandse toeristen bedraagt 61 % en de toename van binnenlandse toeristen bedraagt 27% tot en met 2030. Hiernaast worden steeds meer campers verkocht. Kleinschalige recreatieve ontwikkelingen passen goed binnen het Middag Humsterland en het gehele gebied van de gemeente Westerkwartier. Het verder ontwikkelen van het Reitdiep voor de vaarrecreatie is positief. Het varen met sloepjes wordt steeds populairder en sluit hierbij aan.

Het voornemen voorziet in de bovengenoemde punten. Derhalve past de ontwikkeling binnen het gemeentelijk beleid.

2.3.2 Welstandsnota

Het gemeentelijke welstandsbeleid voor de voormalige gemeente Zuidhorn is vastgelegd in de Welstandsnota Gemeente Zuidhorn (2012). Vergunningplichtige bouwaanvragen worden getoetst aan de welstandscriteria in deze nota. Er zijn verschillende typen criteria te onderscheiden: algemene welstandsaspecten en gebiedsgerichte criteria. Algemene welstandsaspecten gelden als uitgangspunt voor iedere welstandsbeoordeling. Gebiedsgerichte criteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen.

Op 20 januari 2020 is voor de ruimtelijke ontwikkeling een positief welstandsadvies uitgebracht.

Hoofdstuk 3 Uitgangspunten voor het bestemmingsplan

3.1 Huidige situatie

Het plangebied bestaat in de huidige situatie voor het grootste gedeelte uit grasland. In het midden van het terrein is een verhard gedeelte en een klein bouwwerk gelegen. Aansluitend op deze verharding is een trailerhelling gerealiseerd. Naast de trailerhelling zijn meerdere aanlegplaatsen voor kleine boten aanwezig. De randen van het plangebied bestaan uit opgaand groen. In de onderstaande afbeelding is een luchtfoto van de huidige situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPBG20HERG1-VA01_0002.jpg"

Luchtfoto huidige situatie (bron: pdokviewer.pdok.nl, d.d. 17-03-2020)

3.2 Toekomstige situatie

Het voornemen bestaat om binnen het plangebied een camping, een horeca voorziening, een passantensteiger en botenverhuur mogelijk te maken. De horeca voorziening zal in het midden van het perceel worden gerealiseerd waarbij aan de oostzijde 10 plaatsen voor caravans en aan de westzijde 5 camperplaatsen worden gerealiseerd. Het overige gedeelte van het terrein zal worden ingericht als parkeerterrein. Op de onderstaande afbeelding is de situering van de verschillende functies weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPBG20HERG1-VA01_0003.jpg"

Inrichtingsschets

De horeca voorziening zal bestaan uit een diner en de nodige sanitaire en technische ruimtes voor het campingterrein. Een diner is van oorsprong een eenvoudig Noord-Amerikaans restauranttype dat zich veelal aan de doorgaande weg bevindt en hiermee de functie als verzorgingsplaats heeft. In de diner is het aangenaam en ongedwongen verpozen waarbij een maaltijd van de internationale keuken kan worden genuttigd. Een impressie van de diner is op de onderstaande afbeelding weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPBG20HERG1-VA01_0004.jpg"

Impressie diner

In het kader van de landschappelijke randvoorwaarden heeft de gemeente Westerkwartier een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit inpassingsplan geldt als voorwaarden voor de ontwikkeling en is als bijlage bij de regels opgenomen. Een afbeelding van het landschappelijk inpassingsplan is onderstaand opgenomen.

De beplanting vormt een kenmerkend object in het landschap. De oostzijde is een wilgenopstand. Dit is een laagwaardige structuur waar dunning in mogelijk is. Omwille van het doorzicht naar buiten toe is het volledig te billijken als hier een enkel exemplaar gekapt wordt. De structuur op zichzelf is echter wel van belang. De dunning mag dus niet resulteren in losstaande solitairen.

De beplanting in de zuidoosthoek bestaat uit een zeer dichte zetting van wilg. Hier mag gerust een dunning plaatsvinden. Gepleit wordt de meest vitale en opgewassen exemplaren te behouden.

De beplanting aan de zuidzijde bestaat uit meidoorn, wilg, els en zoete kers. De singel is open en biedt uitzicht op het landschap. Deze singel moet met zorg behandeld worden. De wilgen mogen verdwijnen, de resterende opgaande beplanting is waard te worden behouden.

De ingangspartij is een mix van els en meidoorn. Dunning is niet direct noodzakelijk. Indien gewenst, moet worden ingezet op behoud van de elzen.

De westzijde is grotendeels meidoorn (zowel eenstijlige als tweestijlige) met enkele verdwaalde wilgen. Omwille van de privacy van de plek en de verkeersveiligheid kan deze singel blijven bestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPBG20HERG1-VA01_0005.jpg"

Landschappelijk inpassingsplan (bron: gemeente Westerkwartier)

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie

Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta/Malta. Daarmee heeft de zorg voor het archeologische erfgoed een prominentere plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten van het verdrag zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Ondertussen is dit vertaald in de Monumentenwet/Erfgoedwet.

Op basis van het vigerend bestemmingsplan geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6'. Binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 6’ mogen werkzaamheden alleen worden uitgevoerd, mits op basis van archeologisch (voor)onderzoek is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad. Uitzondering hierop zijn werkzaamheden die betrekking hebben op een oppervlakte die minder dan 5.000 m2 bedraagt.

Ten behoeve van het voornemen zal een horeca voorziening worden gerealiseerd. Deze horecavoorziening bedraagt niet meer dan 5.000 m2. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Het aspect archeologie levert geen belemmeringen op voor het onderhavig bestemmingsplan.

Cultuurhistorie

Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden mee gewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek.

Binnen het plangebied is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. Op basis van de provinciale omgevingsverordening is het plangebied gelegen in het grootschalig open landschap en Reliëfinversie. Om deze waarden te behouden zijn regels in het bestemmingsplan opgenomen.

De ontwikkeling van het perceel kent een bijzondere geschiedenis. Roodehaan is vernoemd naar het veerhuis dat al in 1622 wordt genoemd. Een kaart van 1870 laat zien dat er een pont is ter hoogte van Roodehaan. Het was een van de belangrijkste verbindingen tussen Westerkwartier en Hunsingo. In 1906 wordt een draaibrug aangelegd en wordt de weg verlegd. In 1908 wordt het veer opgeheven en ontstaat het perceel als overstuk naast de verlegde weg. Op een kaart van 1962 zien we dat de originele weg is geruimd maar dat de beplanting nog steeds intact is. Die structuur is er tot op de dag van vandaag nog steeds en vormt de oostelijke begrenzing van het perceel.

Om de oude groenstructuur te beschermen is er door de gemeente Westerkwartier een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Dit inrichtingsplan borgt de oude groenstructuur en is als bijlage bij de regels toegevoegd.

Op basis van het bovenstaande levert het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen op voor het onderhavig bestemmingsplan.

4.2 Bodem

Verdachte plekken met betrekking tot de kwaliteit van de bodem dienen in het kader van de Wet bodembescherming bij ruimtelijke plannen en projecten te worden gesignaleerd vanuit een goede ruimtelijke ordening.

Met het voornemen wordt de grond niet geroerd. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er bij het gebruik van het plangebied geen risico's voor de volksgezondheid zullen ontstaan.

Op basis van het bovenstaande levert het aspect bodem geen belemmeringen op voor het onderhavig bestemmingsplan.

4.3 Ecologie

Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen te toetsen, is een beknopte natuurtoets uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de inventarisatie op 16 maart 2020 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De inventarisatie is als bijlage 1 opgenomen.

4.3.1 Soortenbescherming

Als gevolg van de plannen zullen geen vleermuisverblijfplaatsen of jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels verloren gaan. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde nestplaatsen kunnen daardoor uitgesloten worden.

Bij uitvoering van het plan wordt het plangebied mogelijk minder geschikt als foerageergebied voor buizerd. Het plangebied vormt echter hooguit een klein onderdeel van het foerageergebied van deze soorten en bovendien is in de directe omgeving in ruime mate alternatief en hoogwaardiger foerageergebied voor deze soorten aanwezig. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied treden dan ook niet op.

Voor de overige vogelsoorten geldt dat, indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, in gebruik zijnde nesten van vogels kunnen worden verstoord of vernietigd. Dit is bij wet verboden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt.

Het plangebied zal naar verwachting niet volledig ongeschikt worden als foerageergebied voor eventueel te verwachten vleermuissoorten. Bovendien is in de directe omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief en deels hoogwaardiger foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op het foerageergebied van vleermuizen, ten gevolge van de werkzaamheden, treden niet op.

De brede watergang ten noorden van het plangebied vormt mogelijk een essentiële vliegroute voor vleermuizen. Aangezien direct aangrenzend aan deze watergang een horecavoorziening met terras en verlichting zal worden gerealiseerd kunnen negatieve effecten op vleermuizen met betrekking tot de vliegroute niet worden uitgesloten, te meer omdat het Reitdiep onderdeel kan zijn van een vliegroute van meer- en watervleermuis die extra gevoelig zijn voor verstoring door verlichting. Negatieve effecten kunnen echter worden voorkomen door ten eerste tijdens de aanlegfase geen werkzaamheden te verrichten in de schemering of in de nacht. Verder dient in de gebruiksfase met de verlichting rond de nieuwe bebouwing rekening te worden gehouden met vleermuizen, door inzet van gerichte lichtarmaturen die geen directe lichtuitstraling geven op de watergang en/of door de inzet van vleermuisvriendelijke amberkleurige verlichting.

Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieën- en zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Groningen. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb.

4.3.2 Gebiedsbescherming

In het kader van de Wnb beschermde gebieden liggen op ruime afstand van het plangebied. Het meest nabijgelegen beschermde gebied betreft het Natura 2000-gebied 'Lauwersmeer' dat gelegen is op een afstand van circa 8,5 kilometer ten westen van het plangebied. Het meest nabijgelegen NNN-gebied ligt op circa 4,4 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als 'Natuur buiten het NNN' omvat een bos dat op circa 815 meter afstand ten westen van het plangebied is gelegen. Het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied ligt op circa 1,7 kilometer ten zuidoosten van het plangebied.

Gezien de grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Lauwersmeer' en de inrichting van het tussenliggende gebied met bebouwing en wegen kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten. Op basis van de aard van de ontwikkeling, waarbij enkel een relatief kleine horecavoorziening met terras wordt gebouwd (circa 330 m2), de grote afstand tot stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als de Waddenzee (meer dan 10 kilometer) en het feit dat verkeer op meer dan 5 kilometer afstand van Natura 2000-gebieden geen depositie oplevert, zijn effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden eveneens op voorhand uit te sluiten.

Gezien de afstand tot de beschermde gebieden en de aard van het plan zijn geen negatieve effecten te verwachten op het NNN, natuur buiten het NNN en weidevogel- of akkervogelleefgebieden.

4.3.3 Conclusie

Op basis van de uitgevoerde natuurtoets d.d. 16 maart 2020 is gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van de ontwikkeling een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Een ontheffing van de Wnb voor beschermde soorten is niet nodig.

Negatieve effecten op de mogelijke vliegroute van vleermuizen kunnen worden vermeden door ten eerste tijdens de aanlegfase geen werkzaamheden te verrichten in de schemering of in de nacht. Verder dient in de gebruiksfase met de verlichting rond de nieuwe bebouwing rekening te worden gehouden met vleermuizen, door inzet van gerichte lichtarmaturen die geen directe lichtuitstraling geven op de watergang en/of door vleermuisvriendelijke amberkleurige verlichting.

In verband met de soortbescherming van de Wnb is het daarnaast nodig om bij de planning van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels.

Een nadere analyse in het kader van de gebiedenbescherming van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. Een vergunning van de Wnb is niet nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid in overeenstemming met het provinciaal beleid.

4.4 Externe veiligheid

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit).

Om voldoende ruimte te scheppen tussen de risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten), moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.

Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken aanwezig en onbeschermd) op een bepaalde plaats overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.

De Omgevingsdienst Groningen heeft een extern veiligheidsonderzoek uitgevoerd ten behoeve van het kampeerterrein met horecavoorziening. Hiervoor zijn voor inrichtingen, transportassen en aardgastransportleidingen berekeningen van het PR en GR opgesteld, het veiligheidsonderzoek is opgenomen in Bijlage 2 Veilligheidsadvies. De belangrijkste constateringen en de te nemen maatregelen voor de verantwoording van het groepsrisico zijn als volgt samengevat:

  • Het voornemen heeft geen invloed op de risicovolle inrichtingen;
    "De provinciale weg N983 kent ter hoogte van het plangebied, volgens de geconsolideerde Omgevingsverordening februari 2019, geen veiligheidszone 1 provinciale wegen (PRmax) buiten de weg. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico.
  • De provinciale weg N983 ligt buiten het plangebied. De veiligheidszone 3 transport reikt tot in het plangebied. De gemeente Westerkwartier dient ervoor te zorgen dat geen objecten voor verminderd zelfredzame mensen binnen de veiligheidszone 3 transport worden opgericht. In het bestemmingsplan is de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' opgenomen. Deze gebiedsaanduiding voorkomt de vestiging van objecten voor langdurig verblijf van groepen verminderd zelfredzame personen.
  • Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de provinciale weg N983 geldt een veiligheidszone 2 invloedsgebied provinciale wegen van 355 meter. De veiligheidszone 2 invloedsgebied provinciale wegen voor de N983 is gelegen over het plangebied. In het bestemmingsplan is de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' opgenomen. Deze gebiedsaanduiding voorkomt de vestiging van objecten voor langdurig verblijf van groepen verminderd zelfredzame personen.
  • De risicovolle transportleiding NM-000126 en NM-000141 hebben geen plaatsgebonden risico 10-6-contour buiten de belemmeringenstrook.
  • Met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen door de risicovolle transportleidingen NM-000126 en NM-000141 geldt een invloedsgebied (1% letaliteit) van circa 170 meter.

Groepsrisico
Het berekende groepsrisico in de huidige situatie voor de provinciale weg N983 is gelegen onder de oriëntatiewaarde.

  • Voor de toekomstige situatie geldt dat het groepsrisico, door invulling te geven aan het plan, voor de provinciale weg N983 zeer minimaal wijzigt en de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Het berekende groepsrisico ligt onder 0,1 keer de oriëntatiewaarde.
  • Het berekende groepsrisico in de huidige situatie van de NAM leidingen NM-000126 en NM-000141 is gelegen onder de oriëntatiewaarde.
  • Voor de toekomstige situatie geldt dat het groepsrisico, door invulling te geven aan het plan, voor de NAM-leidingen NM-000126 en NM-000141 niet wijzigt en de oriëntatiewaarde niet overschrijdt.

Veiligheidsregio Groningen
De Veiligheidsregio Groningen heeft haar advies gegeven op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid, deze is opgenomen in Bijlage 3 Advies Veiligheidsregio.

Ter plaatse van het plangebied is sprake van externe veiligheidsrisico¡¦s door het vervoer van gevaarlijke stoffen van de NAM locatie, Provinciale weg N983 en de aardgas hogedruk buisleidingen NM 000126, NM000141. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen. Hierdoor is een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk, deze is reeds uitgevoerd door de Omgevingsdienst.

De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te treffen:

  • om bij een ramp de bewoners en toeristen op een andere manier te alarmeren dan het bestaande WAS netwerk (radio, NL-Alert, televisie, geluidswagen, enz.).

4.5 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Buiten de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrookswegen die aan weerszijden van de weg, gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 250 meter. In het geval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Formeel kan akoestisch onderzoek achterwege blijven bij wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Op grond van een goede ruimtelijke ordening dient echter ook aan dit soort wegen aandacht geschonken te worden.

De toekomstige horecavoorziening en het kampeerterrein worden op basis van de Wgh niet als een geluidgevoelig object aangemerkt, zodat er geen nader onderzoek hoeft plaats te vinden naar geluid vanuit de omgeving (in dit geval: wegverkeerslawaai) op de ontwikkeling. Het aspect geluid levert geen belemmeringen op voor het onderhavig bestemmingsplan.

4.6 Luchtkwaliteit

Nederland heeft de regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben.

NSL/nibm

Op 15 november 2007 is dit deel van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.

De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

In 2015 is door InfoMil een onderzoek uitgevoerd naar de verhouding tussen de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht. Uit de resultaten hiervan blijkt dat de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht sterk samenhangen. Op basis hiervan merkt InfoMil op dat "wanneer wordt voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10, vrijwel altijd ook wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5".

Het bestemmingsplan maakt de bouw van een horeca voorziening van maximaal 54 m2 en een kampeerterrein met maximaal 15 kampeerplaatsen mogelijk.

Voor een inschatting van de verkeersgeneratie van het plan is de CROW-publicatie 381 aangehouden. Het plangebied bevindt zich op grond van de publicatie in het buitengebied in een niet stedelijk gebied. Voor een horeca voorziening zijn in de CROW-publicatie geen kencijfers voor verkeersgeneratie opgenomen. Een inschatting van de verkeersgeneratie is daarom bepaald aan de hand van het aantal parkeerplaatsen bij de te ontwikkelen horeca voorziening. Er worden 23 parkeerplaatsen gerealiseerd. Uitgaande van twee ritten per auto en een turnover van drie (aantal keren dat een parkeerplaats op een dag wordt gebruikt), is er sprake van een verkeersgeneratie van circa 138 verkeersbewegingen op een weekdag. Van dit aantal verkeersbewegingen zal met name in het weekend sprake zijn. Op doordeweekse dagen zal het aantal verkeersbewegingen naar alle waarschijnlijkheid lager liggen. Voor het kampeerterrein met maximaal 15 kampeerplaatsen is in de CROW-publicatie een kencijfer van 0,4 verkeersbewegingen opgenomen. Het totale aantal verkeersbewegingen komt derhalve uit op 144 verkeersbewegingen op een weekdag.

Op grond van de nibm-tool (versie 2019) is een project pas in betekende mate bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met ruim 750 per dag, waarvan 5% vrachtverkeer (weekdaggemiddelde). Het aantal verkeersbewegingen zal zeer ruim onder het genoemde aantal van 750 blijven. Het blijft daarmee ruimschoots onder de nibm-grens en kan als 'niet in betekenende mate' van invloed op de luchtkwaliteit worden beschouwd.

Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2011.

De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) uit de wet zijn opgenomen in de navolgende tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPBG20HERG1-VA01_0006.png"

Getoetst dient te worden aan de norm voor NO2 per 1 januari 2015. Vanaf die datum moet blijvend aan de norm van NO2 worden voldaan. Per 21 juni 2011 moet aan de grenswaarden voor fijn stof worden voldaan. Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de achtergrondniveaus voor NO2 en PM10 in zowel 2011, 2015 als 2020 ruimschoots onder de grenswaarden liggen.

Conclusie

De ruimtelijke ontwikkeling dient te worden beschouwd als een nibm-project. Uit de achtergrondniveaus blijkt dat deze ruim onder de wettelijke normen blijven. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit kan achterwege blijven.

4.7 Milieuzonering

Milieuaspecten worden in principe geregeld via de daartoe geëigende wetgeving. Daar waar het de ruimtelijke ordening raakt, dient met deze aspecten echter rekening te worden gehouden. Het gaat dan met name om de situering van milieugevoelige functies ten opzichte van milieuhinderlijke inrichtingen. Om te bepalen welke afstanden dienen te worden aangehouden, wordt de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' gehanteerd. In deze handreiking zijn richtafstanden van bedrijven tot bebouwing aangegeven. Deze richtafstanden hebben betrekking op de aspecten geluid, stof, geur en gevaar. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde eisen. Dit betekent dat afwijken van de afstanden, mits goed gemotiveerd, is toegestaan. De afstand wordt gerekend van de grens van de bestemming die milieubelastende functies toelaat tot de gevel van de milieugevoelige functies.

Het planvoornemen is gelegen in het buitengebied. Voor kampeerterreinen met keuken geldt een grootste richtafstand van 50 meter, voor het aspect geluid. De afstand van het plangebied tot de bebouwing van de meest nabijgelegen milieugevoelige functie betreft circa 70 meter. Derhalve kan worden geconcludeerd dat binnen de grootste richtafstand van 50 meter geen milieugevoelige functies aanwezig zijn.

Het aspect milieuzonering levert geen belemmeringen op voor het onderhavig bestemmingsplan.

4.8 Verkeer en parkeren

Verkeer

Zoals reeds in paragraaf 4.6 is beschreven zal het planvoornemen naar alle waarschijnlijkheid maximaal 138 verkeersbewegingen per gemiddelde weekdag genereren. Het plangebied wordt ontsloten op de Roodehaansterweg. De Roodehaansterweg heeft voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen als gevolg van het planvoornemen op te vangen. Naar verwachting ontstaan er op verkeerskundig gebied geen belemmeringen.

Parkeren

Voor het aantal parkeerplaatsen van het plan zijn de parkeernormen van de gemeente Westerkwartier aangehouden. Voor een camping in het buitengebied is rekening gehouden met een parkeernorm van 1 parkeerplaats per standplaats. Derhalve zijn er voor de camping 15 parkeerplaatsen nodig. Voor de horeca geldt een parkeernorm van 14 parkeerplaatsen per 100 m2. Aangezien met het plan een horeca voorziening van maximaal 54 m2 mogelijk wordt gemaakt zijn voor de horeca 7,56 parkeerplaatsen nodig. In zijn totaliteit zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling afgerond 23 parkeerplaatsen nodig. Het voornemen voorziet in de realisatie van 23 parkeerplaatsen. Er wordt daarmee voldaan aan de parkeerbehoefte.

4.9 Water

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder verbouw- en nieuwbouwplannen, wordt getoetst welke consequenties deze plannen hebben voor de waterhuishouding en hoe in de plannen wordt omgegaan met aspecten van water.

Waterschappen hebben op grond van de Waterwet een belangrijke taak met betrekking tot het waterbeheer. In een waterbeheerplan geven zij functies aan het water geven waarbij afstemming wordt gezocht met het ruimtelijk beleid. Als leidende principes voor een duurzaam waterbeheer geldt een tweetal ‘tritsen’:

  • waterkwantiteit: vasthouden, bergen en afvoeren;
  • waterkwaliteit: schoonhouden, scheiden en zuiveren.

Op 18 maart 2020 is er contact geweest tussen het waterschap Noorderzijlvest en de initiatiefnemer. In dit overleg zijn de volgende wateraspecten besproken.

Verhardingstoename

Het bouwplan voorziet in de realisatie van een gebouw van circa 155 m2. Hiernaast wordt er voor het overig verhard oppervlak gebruik gemaakt van grastegels. Het extra verhard oppervlak is niet van dusdanige grote dat gecompenseerd moet worden.

Grondwater

Houdt bij nieuwe ontwikkelingen rekening met de drooglegging. Om grondwateroverlast te voorkomen dient rekening te worden gehouden met de volgende indicatieve droogleggingsnormen.

  Drooglegging  
Woning met kruipruimte   1,30 meter  
Woning zonder kruipruimte   1,00 meter  
Gebiedsontsluitingswegen   0,80 meter  
Erftoegangswegen   0,80 meter  
Groenstroken/ecologische zones   0,50 meter  

Tabel 1. Droogleggingsnormen

Het waterpeil in het plangebied is in normale omstandigheden ongeveer -0,93 meter NAP, maar kan behoorlijk stijgen in natte periodes. In de huidige situatie is er geen sprake van wateroverlast.

Afvoer van riool- en hemelwater

Het riool- en hemelwater zullen worden afgekoppeld. Het hemelwater zal worden geloosd op het Reitdiep. Het riool zal worden aangesloten op het gemeentelijk riool aan de overzijde van het Reitdiep. Dit zal worden gerealiseerd door middel van een leiding die onder het Reitdiep door wordt getrokken. Deze rioolleiding is een vergunningsplichtige activiteit. Hierover zal te zijner tijd contact met het waterschap Noorderzijlvest worden opgenomen.

Provinciaal vaarwater

In het kader van het provinciaal vaarwater heeft overleg met de provincie plaats gevonden. Aangezien met het onderhavig bestemmingsplan geen bouwwerken in het vaarwater mogelijk worden gemaakt, is het onderhavig bestemmingsplan in overeenstemming met het provinciaal beleid.

Hoofdwatergang

Het Reitdiep is een hoofdwatergang (primaire watergang). Langs hoofdwatergangen ligt een beschermingszone van 5 meter gemeten vanaf de insteek, waarin activiteiten vergunningsplichting zijn. Wanneer er werkzaamheden binnen 5 meter van het Reitdiep plaats zullen vinden zal contact met het waterschap Noorderzijlvest worden opgenomen.

4.10 Vormvrije milieueffectrapportage

Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd door het 'Besluit reparatie en modernisering milieueffectrapportage' en is bepaald dat de grenswaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplicht indicatief zijn. Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). In het kader hiervan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd.

In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden ligt, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

Het plan maakt de realisatie van een kampeerterrein met horecavoorziening van circa 3.250 m2 mogelijk. Voor permanente kampeerterreinen (D 10) geldt een grenswaarde van een oppervlakte van 25 hectare of meer. Het plan blijft met het genoemde aantal ruimschoots onder de drempelwaarde, zoals die is opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.

Het planvoornemen leidt niet tot een naar aard en omvang substantiële wijziging van de gebruiksmogelijkheden van het plangebied ten opzichte van de bestaande mogelijkheden. In de huidige bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' zijn ook voorzieningen ten behoeve van recreatie toegestaan. Daarnaast is er slechts een toename van bebouwd oppervlak van circa 130 m2. Gesteld kan worden dat er geen sprake is van een nieuw permanent kampeerterrein. Derhalve is een aanmeldnotitie niet noodzakelijk.

Uit de verrichte milieuonderzoeken, zoals opgenomen in deze onderbouwing, blijkt tevens dat de effecten van de realisatie van het planvoornemen in het betreffende gebied niet van dien aard zijn dat er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen. De aard van de voorgenomen activiteit is niet van die omvang dat er onevenredige nadelige effecten op de omgeving plaatsvinden.

Conclusie

Het planvoornemen is van een relatief geringe omvang. Daarbij is het planvoornemen qua situering en potentiële negatieve effecten op de omgeving niet van dien aard dat het nader beoordeeld moet worden in een afzonderlijke m.e.r.(beoordelings)procedure.

Hoofdstuk 5 Juridische regeling

Dit bestemmingsplan gaat vergezeld van een verbeelding. Op deze verbeelding is aan het plangebied de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' gegeven. Deze bestemming is ook in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Zuidhorn' voor verblijfsrecreatie toegepast.

Uitgangspunten voor de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' zijn:

  • er is een kampeerterrein toegestaan voor 15 camper- of toercaravanplaatsen met daarbij behorende sanitaire voorzieningen, ondergeschikt hieraan is horeca toegestaan;
  • er is een passantenhaven, een botenhuis en botenverhuur toegestaan;
  • er zijn dagrecreatieve voorzieningen toegestaan, uitsluitend en in hoofdzaak ten dienste van de verblijfsrecreatie;
  • in de bouwregels zijn de goot- en bouwhoogten afgestemd op het voorliggende bouwplan voor een gebouw voor ondergeschikte horeca, sanitaire voorzieningen en een botenhuis; daarnaast mag nog een berging bij de entree worden gebouwd;
  • de landschappelijke inpassing moet voldoen aan de randvoorwaarden die zijn opgenomen in de bijlage bij de regels; voor de uitvoering en instandhouding is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

In het plangebied komt ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' voor (zie bestemmingsplan Buitengebied Zuidhorn (herziening)). Binnen deze dubelbestemming geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bouwactiviteiten vanaf 5.000 m2. Er is geen dieptegrens.

Er is voor gekozen om een strook water mee te bestemmen in verband met de voorgenomen aanleg van aanlegsteigers. Deze zijn niet bij recht toegstaan, maar kunnen via een binnenplanse afwijking worden toegestaan. Een strook met een breedte van 2 m heeft de bestemming 'Water'. Ter plaatse is ook de dubbelbestemming 'Waarde - Natuur en Landschap' geldig. Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de bijzondere waterlopen. in het buitengebied van de gemeente.

De dubbelbestemmingen'Waarde - Open gebied' en 'Waarde - Reliëf' zijn opgenomen om de landschappelijke waarden te beschermen. In de Omgevingsverordening van de provincie Groningen is bepaald dat een bestemmingsplan regels moet stellen gericht op respectievelijk bescherming van de landschappelijke openheid en bescherming van het reliëf en de herkenbaarheid daarvan. Zie ook paragraaf 2.2.2 voor een toelichting op de bepalingen in de Omgevingsverordening.

In hoofdstuk 1 van de regels zijn de begrippen en de wijze van meten opgenomen. In hoofdstuk 3 van de regels zijn de algemene regels opgenomen, zoals de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels, de algemene aanduidingsregels, de algemene afwijkingsregels, de algemene procedureregels en de overige regels. Voor deze regels is zoveel mogelijk aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied Zuidhorn'. Tot slot zijn in hoofdstuk 4 van de regels het overgangsrecht en slotregel opgenomen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De kosten die gepaard gaan met het voornemen worden door de initiatiefnemer gedragen. De kosten die uit dit plan kunnen voortvloeien, zijn aanvragen voor een tegemoetkoming in schade.

Schade, toegebracht door deze planologische wijziging, zal worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan middels een gesloten planschadeovereenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan is ter beoordeling voorgelegd aan de 'overlegpartners' (artikel 3.1.1 van het Bro). De gemeente Westerkwartier heeft twee overlegreacties ontvangen van het waterschap Noorderzijlvest en de provincie Groningen, welke zijn opgenomen in Bijlage 4 Overlegreacties.

Waterschap Noorderzijlvest

Opmerking

Het waterschap stemt in met dit voorontwerp-bestemmingsplan. De wateraspecten zijn goed verwoord in paragraaf 4.9 van de Toelichting. Op de Verbeelding met Regels heeft het waterschap geen op- of aanmerkingen.

Reactie

De gemeente neemt kennis van de reactie van het waterschap.

Provincie Groningen

Opmerking

De provincie Groningen geeft aan op basis van de toelichting een advies aan de Veiligheidsregio Groningen op te vragen voor de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarnaast wordt geadviseerd om de door de Veiligheidsregio Groningen geformuleerde bevindingen en adviezen op te nemen in het bestemmingsplan.

Reactie

Het advies van de Veiligheidsregio is verwerkt in het ontwerp bestemmingsplan.

Opmerking

De provincie Groningen vraagt om een goothoogte op te nemen in het bestemmingsplan.

Reactie

Het ontwerp bestemmingsplan is hierop aangepast.

Opmerking

De provincie geeft aan dat ln de planregels een maximaal toegestaan gebruik van 36 m2 voor horeca is opgenomen. Dat lijkt in relatie tot de beschrijving in paragraaf 3.2 Toekomstige situatie van de toelichting van de voorgenomen ontwikkeling voor horeca (keuken, restaurant) relatief weinig, wellicht dat er een iets groter deel horeca zou moeten zijn.

Reactie

Het advies van de provincie Groningen is overgenomen. De betreffende regeling is aangepast en de regels schrijven voor dat voor horecavoorzieningen niet meer dan 65 m2 mag worden gebruikt.

Opmerking

ln artikel 3.3.2. van de planregels is ter borging van een goede landschappelijke inpassing een voorwaardelijke verplichting op genomen. Een voorwaardelijke verplichting in een planregel dient voldoende duidelijk en handhaafbaar te zijn (zie b.v uitspraak ABRvS 30 december 2015, nr.201410679111R2). Artikel 3.3.2. van de planregels bevat een verwijzing naar Bijlage 1 de 'Landschappelijke randvoorwaarden herinrichting Roode Haan'. Deze bevat randvoorwaarden voor een groene afscherming. Daarbij zou ook een concrete beplantingslijst van de verplicht aan te leggen en te behouden beplanting kunnen worden opgenomen.

Reactie

De bestaande beplanting blijft voor groot gedeelte in stand. Op enkele plekken zal een dunning van het bestaande groen plaats vinden Het aanleggen van een lijst heeft niet de voorkeur van de gemeente, aangezien er geen sprake is van nieuwe beplanting. Het ontwerpbestemmingsplan wordt niet aangepast.