| Plan: | Vierwiekenplein te Oud-Beijerland |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1963.BPVierwiekplnOB20-VG01 |
Voorliggend bestemmingsplan biedt een actueel planologisch kader voor de herontwikkeling van het Vierwiekenplein in Oud-Beijerland. Ter plaatse van het Vierwiekenplein is in de huidige situatie het oude kantoorgebouw van de Rabobank aanwezig. Het oude Rabobankgebouw wordt herontwikkeld tot woningbouw. Omdat dit niet binnen het vigerende bestemmingsplan "Correctieve herziening wonen" past, dient een planologische procedure te worden doorlopen, wat in dit geval gebeurt aan de hand van een (postzegel) bestemmingsplan.
Het doel van dit bestemmingsplan is het bieden van een eenduidige en uniforme juridische regeling voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing binnen het plangebied. Hierbij wordt gestreefd naar ontwerpflexibiliteit, waarbij de rechtszekerheid van omwonenden en overig betrokkenen in acht worden genomen. Het bestemmingsplan heeft dan ook het karakter van een ontwikkelbestemmingsplan.
Het plangebied betreft een deel van het Vierwiekenplein, gelegen in het centrumgebied van Oud-Beijerland. Het Vierwiekenplein ligt in het noordwesten van Oud-Beijerland, direct ten zuiden van het Spui, welke richting het oosten uitmondt in de Oude Maas.
Figuur 2.1 maakt de ligging van het plangebied inzichtelijk. De gronden behorende tot voorliggend bestemmingsplan zijn globaal omkaderd in het rood. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.
figuur 2.1 Globale aanduiding plangebied
In de huidige situatie is sprake van een plein met het leegstaande Rabobankgebouw. De voormalige Rabobank is gerealiseerd in de jaren ’80 en is opgebouwd uit drie volumes. De huidige situatie sluit echter niet aan op de korrel van de omliggende bebouwing. Met de herontwikkeling van de locatie dient deze aansluiting stedenbouwkundig en ten aanzien van de functies te worden versterkt.
Het Rabobankgebouw wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouw in de vorm van een appartementsgebouw, inclusief één commerciële ruimte. Het gebouw bestaat uit vijf bouwlagen en voorziet in ca. 35 woningen met een gemixt programma van appartementen in diverse woninggrootten en de commerciële voorziening.
De compacte opzet van het ontwerp en daardoor de directe confrontatie van de woonfuncties en buitenruimten vraagt om aandacht voor de overgang van privé naar openbaar. Privacy dient te worden gewaarborgd middels een duidelijke scheiding. Tevens zal omwille van de uitstraling van het plein en de leefbaarheid in de omgeving ook worden voorzien in de herinrichting van het openbaar gebied door middel van de aanleg van groen. Daarnaast zal het achterliggende parkeerterrein worden geoptimaliseerd / heringericht. De aanleg van het groen en de optimalisatie van de parkeersituatie heeft wel samenhang met de ontwikkeling, maar valt buiten de kaders van voorliggend bestemmingsplan. Parkeren en groenvoorzieningen zijn immers op basis van de vigerende regelingen buiten het plot van het oude Rabobankgebouw al mogelijk en zijn daarom niet meegenomen in voorliggend kader.
Op basis van dit bestemmingsplan geldt dat minimaal 30 en maximaal 38 appartementen kunnen worden gerealiseerd. Opgemerkt wordt dat in eerdere fasen van de planontwikkeling 44 woningen werden beoogd. Een deel van de plannen is echter komen te vervallen, deze wijzigingen zijn dan ook doorgevoerd in voorliggend bestemmingsplan en het plangebied is daarmee verkleind. Enkele milieutechnische onderzoeken alsmede het stedenbouwkundig kader dat is vastgesteld voor de ontwikkeling van de Rabobanklocatie (zie bijlage 1) zijn nog gebaseerd op de voorgaande plannen. De inhoud en conclusies blijven echter nog steeds relevant voor de huidige ontwikkeling en zijn daarom verwerkt in dit bestemmingsplan. Indien in de toekomst de wens ontstaat alsnog een extra deel bij het gebied te betrekken, dient in ieder geval rekening te worden gehouden met voornoemd stedenbouwkundig kader.
Ter plaatse van de planlocatie zijn een tweetal regelingen van kracht:
De bovenstaande plannen worden voor zover het om het bestemmingsplangebied van het plan "Vierwiekenplein" gaat volledig vervangen door voorliggende regeling. Voor de overige gronden waar zij betrekking op hebben, blijven de bestemmingsplannen onverminderd van kracht. Figuur 2.2 toont een uitsnede van bestemmingsplan "Correctieve herziening Wonen", waarop middels het rode kader is aangegeven welk gebied wordt vervangen door voorliggende regeling.
figuur 2.2 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Correctieve herziening Wonen"
Dit besluit legt nationale ruimtelijke belangen vast. Het beleid is erop gericht om het aantal regels terug te dringen. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Hierdoor is onder andere de aanwijzing van nationale landschappen vervallen.
Het Rijk maakt bijvoorbeeld geen landsdekkende woningbouwafspraken meer, alleen nog in de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad. Het Rijk benoemt alleen nog landelijke doelstellingen om de woningmarkt goed te laten werken. Het landschapsbeleid gaat ook naar de provincies.
Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er met een gebied moet gebeuren.
Op dit moment legt het Barro geen restricties op voor de onderhavige locatie.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Ministerie van Infrastructuur en Ruimte van kracht geworden. De structuurvisie vervangt verschillende nota's, waaronder de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040 en de Nota Mobiliteit. De visie schetst de doelen, belangen en opgaven van het Rijk tot 2028 en de ambities tot 2040. Uitgangspunt is de ruimtelijke ordening zoveel mogelijk over te laten aan gemeenten en provincies (decentraal, tenzij), minder nationale belangen te benoemen en eenvoudigere regelgeving toe te passen. De nationale belangen, die worden benoemd, betreffen de internationale concurrentiepositie, het gebruik van de ondergrond, het behouden en versterken van vervoer- en transportsystemen, de milieukwaliteit, de waterveiligheid en zoetwatervoorziening en behoud en versterken van natuur en cultuurhistorische waarden.
Relatie tot projectgebied
Op het plangebied zijn geen nationale belangen van toepassing. Hiermee is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte niet relevant voor het plangebied aan het Vierwiekenplein te Oud-Beijerland.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze Ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Op 1 juli 2017 is de Ladder gewijzigd.
In de motivering van de Ladder vóór 1 juli 2017 diende beschreven te worden:
Op 1 juli 2017 is de Ladder gewijzigd op de volgende punten:
Wettelijk kader
De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen. Daaraan is in het eerste lid een omschrijving toegevoegd van:
Artikel 3.1.6 van het Bro:
Toelichting op gebruik
De wijziging van de Ladder van 1 juli 2017 is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “De belangrijkste wijzigingen betreffen een vereenvoudiging door het loslaten van de afzonderlijke 'treden' en het vervangen van het begrip 'actuele regionale behoefte' door: behoefte. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt voor de wijziging is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Tevens wordt de mogelijkheid geboden in een nieuw derde lid, om de toepassing van de Ladder door te schuiven naar het uitwerkings- of wijzigingsplan. De verwachting is dat de Ladder hierdoor beter hanteerbaar zal zijn, beter aansluit bij het geheel aan vereisten aan een toelichting bij bestemmingsplannen en tot minder onderzoekslasten zal leiden.”
“Provincies en gemeenten geven aan dat de term 'actuele regionale behoefte' voor verwarring zorgt en onvoldoende duidelijk maakt waar een beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling zich op zou moeten richten. In het bijzonder de term 'regionaal' is verwarrend, omdat het enerzijds betrekking heeft op de omvang van het gebied waarbinnen de behoefte moet worden bezien, ofwel het 'ruimtelijke verzorgingsgebied', ook wel 'marktregio' genoemd. Anderzijds heeft het betrekking op de aard van het overleg, waarbij de regio nogal eens wordt geïnterpreteerd als de bestuurlijke regio. Provincies hebben in een voorstel aangegeven graag een onderscheid te willen zien tussen het regionale aspect bij de behoefte in de zin van het verzorgingsgebied en het overleg in bovengemeentelijk verband. De gedachte achter dit voorstel is in dit wijzigingsbesluit overgenomen door het vervangen van de term 'actuele regionale behoefte' door de eenvoudiger term 'behoefte'.”
Relatie tot projectgebied
Voor dit bestemmingsplan geldt dat het gaat om de realisatie van 35 woningen en een commerciële ruimte, hetgeen getypeerd kan worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking dient voor zover het gaat om wonen en commerciële functies goed gemotiveerd te worden. De Ladder wordt in hoofdstuk 4 van voorliggende toelichting doorlopen.
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en –plannen, zoals het Programma Ruimte en het programma Mobiliteit.
Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan geven zij richting door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit de provinciale opgaven. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Voor het Programma Ruimte geldt dat delen van de voorgaande versie thans zijn opgegaan in de Omgevingsvisie. Het resterende deel van het Programma Ruimte maakt onderdeel uit van het Omgevingsbeleid. Omdat de relevante onderdelen voor voorliggend bestemmingsplan zijn overgegaan naar de Omgevingsvisie, wordt het Programma Ruimte in deze provinciale beleidsparagraaf niet nader besproken. In de navolgende paragrafen wordt daarom enkel ingegaan op de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
De Omgevingsvisie Zuid-Holland (hierna: Omgevingsvisie) is per 1 april 2019 in werking getreden. Zoals eerder aangegeven is het centrale doel van het integrale omgevingsbeleid het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Vanuit het bestaande beleid gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. Vanuit het bestaande beleid gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (be-levingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Met het oog op de invoering van de Omgevingswet in 2021 wordt dit verder ontwikkeld. De basis hiervoor is gelegd in de volgende onderdelen van 'omgevingskwaliteit':
Provinciaal beleid en opgaven Omgevingskwaliteit
Voor het realiseren van een goede Omgevingskwaliteit werkt de provincie vanuit twaalf provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit'. De daarmee samenhangende provinciale beleidskeuzes zijn in die opgaven geclusterd. De twaalf opgaven zijn:
Relatie tot bestemmingsplan
Voor dit bestemmingsplan zijn de relevante beleidskeuzes als volgt:
Naast het bovenstaande zijn er nog meer onderwerpen van toepassing op de locatie/ontwikkeling, zoals bijvoorbeeld luchtkwaliteit of het Programma Aanpak Stikstofdepositie. Deze onderdelen komen elders in dit bestemmingsplan aan bod en worden in deze paragraaf niet nader beschouwd. Bovenstaande vier onderdelen behoeven wel afzonderlijke beschouwing, hierop wordt hierna ingegaan.
1. Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit
De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Voor dit onderdeel is de toetsing aan de kwaliteitskaart van belang. Nadere toelichting hierop en toetsing aan de kwaliteitskaart vindt plaats verderop in de provinciale beleidsparagraaf.
2. Energietransitie binnen de gebouwde omgeving
Het doel is op termijn een duurzame en CO2-neutrale samenleving en voorziening in de energiebehoefte. In samenspraak met de gemeente zal daarom op basis van marktconforme uitgangspunten een energieconcept worden bepaald. De met dit bestemmingsplan voorziene woningen worden in ieder geval gasloos uitgevoerd. Daarnaast wordt voorzien in zonnepanelen op het dak.
3. Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand Stads- of dorpsgebied
In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie.
Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen.
Het plangebied is volledig gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Door herontwikkeling van de voormalige Rabobanklocatie wordt de bebouwde ruimte goed benut. Omdat wordt voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen te worden. Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van voorliggende toelichting.
figuur 3.1 Aanduiding bebouwde ruimte (bron:
https://ruimtelijkeplannenzuidholland.nl/omgevingsbeleid)
4. Verstedelijking en wonen
De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert. Het uitgangspunt daarbij is dat de juiste woning op de juiste plek (op juiste moment) wordt gerealiseerd. Dat gaat allereerst over dat gebouwd wordt naar behoefte. De bouw van nieuwe woningen moet bijdragen aan de bestaande woningvoorraad, de (sub)regionale schaal van woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend. Daarnaast gaat het over woningen zo te bouwen, in samenhang met investeringen in infrastructuur, werklocaties en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving dat dit bijdraagt aan de maatschappelijke opgaven en transities waar de provincie voor staat. Er dient dus te worden gebouwd naar behoefte. Daarnaast wordt primair ingezet op bouwen binnen bestaand Stads- en dorpsgebied (zie ook de toelichting onder ad 3) en dient bouw bij voorkeur georiënteerd te zijn op hoogwaardig openbaar vervoer en dient de potentie van energietransitie en klimaatadaptie te worden benut. Ook komt hier de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking weer aan bod.
Regionale woonvisie
Gemeenten stellen in regionaal verband woonvisies vast, waarin de gewenste kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelrichting voor de bestaande en gewenste woningvoorraad binnen de regio wordt bepaald. Een regionale woonvisie vormt het kader voor en dient de onderbouwing te geven van het regionale woningbouwprogramma. Voor wonen is voor de provincie de meest actuele Woningbehoefteverkenning Zuid-Holland uitgangspunt voor gesprek over de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte.
Ontwikkelingen woningbehoefte
De Woningmarktverkenning Zuid-Holland is voor de provincie uitgangspunt voor gesprek over de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte met de regio's. Dit woningbehoefteonderzoek wordt iedere drie jaar geactualiseerd. Voor het bepalen van de woningbehoefte is de Woningbehoefteraming (WBR) en de Trendraming (TR) leidend.
De Woningbehoefteraming (WBR) en de Trendraming (TR) worden gebruikt in het kader van de regionale woonvisies. De provincie stelt de hoogste uitkomst vast als regionale behoefte aan nieuwe woningen in een bepaalde periode. Hierdoor is er, in plaats van de eerder gehanteerde bandbreedte, één richtgetal per regio. In de praktijk betekent dit dat voor regio's waar de TR lager dan de WBR uitvalt, de WBR het uitgangspunt voor de behoefte is, en voor regio's waar de TR hoger dan de WBR uitvalt, de TR dat is. Op de webpagina https://staatvan.zuid-holland.nl zijn actuele cijfers in te zien inzake de TR en WBR. Voor de regio Holland Rijnland geldt dat de Trendraming het hoogste uitvalt en derhalve als uitgangspunt dient voor het bepalen van de woonbehoefte.
tabel 3.1 Gewenste woningvoorraadtoename op basis van WBR en TR 2019 (bron: staatvan.zuid-holland.nl
Het bestemmingsplangebied is gelegen in de regio Hoeksche Waard. Deze regio kent een lagere woningbehoefte dan de stedelijke regio's. Toch is er tot 2030 behoefte aan nieuwe woningen, namelijk ca. 2.340 nieuwe woningen tot 2030. Voorliggend bestemmingsplan levert hieraan een bijdrage. Vooralsnog is de verwachting dat de woningbehoefte na 2030 afneemt, mede als gevolg van vergrijzing. Door toekomstgericht te bouwen, dat wil zeggen het realiseren van woningen waarin ouderen langer kunnen blijven wonen maar ook geschikt zijn voor andere leeftijdsklassen, kan hierop worden ingespeeld. De geplande woningen, in hoofdzaak nultredenwoningen of levensloopbestendige woningen, zijn geschikt voor alle leeftijdsklassen. Ook de ligging in het centrumgebied van Oud-Beijerland, maakt dat deze locatie aantrekkelijk is voor meerdere doelgroepen. Op die manier kan worden ingespeeld op de afnemende vraag naar woningen in de periode vanaf 2030.
De regionale woonvisie wordt besproken in paragraaf 3.3 van voorliggende toelichting. De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt voorzien, is reeds regionaal afgestemd en maakt onderdeel uit van het regionale woningbouwprogramma.
De essentie van 'verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit' is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag.
De provincie Zuid-Holland beschikt al enige tijd over een kwaliteitskaart, die van belang is voor de derde rode draad (verbeteren ruimtelijke kwaliteit). De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De kaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De uitwerking hiervan op kaart is niet uitputtend, noch uitsluitend. De kaart biedt hiermee geen oplossingen, maar is een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. De kaart biedt inzicht in de bestaande ruimtelijke kwaliteiten; het toevoegen van nieuwe kwaliteiten kan een verrijking zijn van de Zuid-Hollandse ruimte.
Zuid-Holland bestaat uit een scala aan gebieden en kenmerken. Om de verschillende waarden en kenmerken te kunnen benoemen en tot hun recht te laten komen, is gekozen voor een ordening in vier lagen:
Voor iedere plek is een aantal lagen van toepassing. Het is dan ook van belang die lagen en de bijbehorende richtpunten in samenhang te beschouwen. Kwaliteitskaart en richtpunten vormen een belangrijk en richtinggevend onderdeel van het handelingskader ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getypeerd als inpassing, aanpassing of transformatie.
Inpassing, aanpassing of transformatie
De provincie maakt onderscheid in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing of transformatie. De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt betreft woningbouw in het bestaande centrum van Oud-Beijerland. Het plan kan daarom worden getypeerd als inpassing, een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de schaal en aard van het landschap. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de relevante richtpunten.
Kaartlagen
Op het plangebied is een drietal kaartlagen van toepassing. Het gaat om de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen en de laag van de stedelijke occupatie. Binnen de lagen is sprake van verschillende onderdelen en bijbehorende richtpunten. Hieronder wordt per kaartlaag in kaart gebracht welke onderdelen en richtpunten van toepassing zijn.
I Laag van de ondergrond
Deze laag (figuur 3.2) gaat over de grondslag van de provincie en natuurlijke (landschapsvormende) processen. De laag bestaat uit de bodem, de geomorfologische kenmerken en het water. Binnen Zuid-Holland is daarbij grofweg een driedeling te maken tussen het complex van de kust (strand, duinen, strandwallen en strandvlakten), de natte veengronden en plassen ten oosten hiervan en de kleicomplexen en wateren van de delta.
figuur 3.2 Kaartlaag I Laag van de ondergrond, inclusief relevante onderdelen
Op het bestemmingsplangebied zijn de volgende onderdelen van belang:
Rivierdeltacomplex
Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden.
Jonge zeeklei
De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen.
Richtpunt:
Water als structuurdrager
Het watersysteem beslaat zowel het oppervlakte- als het grondwater en is daarmee zeer bepalend voor het functioneren van de provincie in al haar facetten. Daarmee is het watersysteem ook medebepalend voor de ruimtelijke kwaliteit en vormt het een structuurdrager van de Zuid-Hollandse identiteit.
Het water in Zuid-Holland kent vele verschijningsvormen: grote rivieren, deltawateren, (boezem)vaarten, kanalen, veenstroompjes, sloten en plassen. Dit water vertelt veel over de geschiedenis van Zuid-Holland en de kunde op het gebied van waterbeheersing. Wonen of recreëren op of langs dit water is een waarde voor veel inwoners en bezoekers. Over de belangrijkste vaarwegen worden mensen en goederen vervoerd. Ook natuurwaarden hangen nauw samen met de kwaliteit en kwantiteit van water.
Richtpunten:
Toetsing
Ten noorden van het plangebied is het Spui gelegen, welke richting het noordoosten uitmondt in de Oude Maas. Rivierdeltacomplexen in de omgeving van plangebied of in de omgeving van Oud-Beijerland als geheel, ondervinden geen hinder van de voorgenomen ontwikkeling. De richtpunten die voor dergelijke gebieden gelden, gelden daarom niet voor deze locatie.
Voor 'water als structuurdrager', geldt dat in paragraaf 4.5 van voorliggende toelichting de watertoets wordt doorlopen, waarin wordt aangegeven wat de invloed van het project is op het watersysteem. De zichtbaarheid en toegankelijkheid van het oppervlaktewater wijzigt eveneens niet door de uitbreiding. Het bestemmingsplangebied behelst immers het bestaande Vierwiekenplein, dat reeds omringd wordt door bebouwing. De uitvoering van het bestemmingsplan leidt daarom niet tot belemmering van het zicht op of toegankelijkheid van nabijgelegen wateren voor bewoners van omliggende woningen of andere gebruikers.
II Laag van de cultuur- en natuurlandschappen
Rivierdeltalandschap
Eilanden en (voormalige) zeearmen
Een aantal Zuid-Hollandse eilanden kent nog steeds een eilandkarakter: omlijst door deltawateren met beperkte verbindingen met de andere eilanden of het vasteland. Ze zijn gelegen in de luwte van de Randstad en vormen landschappelijk een geheel met Zeeland. IJsselmonde en het Eiland van Dordrecht zijn daarentegen meer onderdeel van het stedelijk netwerk. De drie eilanden Goeree-Overflakkee, Hoeksche Waard en Voorne-Putten hebben elk een eigen karakter. Dit karakter wordt mede gevormd door de verschillen in afstand tot en de verbinding met het stedelijk gebied, de landschappelijke opbouw van de eilanden zelf en de aard van het omringende water. Versterken van het deltakarakter en vergroten van de diversiteit van karakters van de eilanden draagt bij aan het behoud van diversiteit in de Delta. Een opgave is het om de recreatieve gebruikswaarde van de eilanden te vergroten in combinatie met een gebiedsspecifieke, in de omgeving passende inrichting. Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden dienen bij te dragen aan het versterken van het stoere deltakarakter en passen bij de maat en schaal van dijk en open wateren. Ontwikkelingen worden benaderd in het licht van het eiland als geheel, waarbij bijvoorbeeld in Voorne-Putten en Hoeksche Waard een duidelijk verschil zit tussen de ‘dynamische’ noordrand en het ‘luwe’ zuiden.
figuur 3.3 Kaartlaag II Laag van de cultuur- en natuurlandschappen, inclusief verschillende
onderdelen
Zeekleipolderlandschap
Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater) of langgerekte aanwaspolder (aangeslibd en ingepolderd land tegen bestaande polders) en daarna omgeven door dijken. De kreken in deze polders (herkenbaar door microreliëf en een kronkelige loop) en beplante dijken zijn belangrijke structurerende elementen. Er is een grote mate van openheid met contrasten tussen buitendijkse natuur en strak verkavelde agrarische polders. De dorpen liggen als compacte kernen in het landschap, veelal op het kruispunt van een dijk en een kreek aan de rand van een polder. Overige bebouwing ligt langs de dijken en spaarzaam in de polders zelf. Kenmerkende contrasten tussen de regelmatige patronen in de polder van wegen en verkaveling en de kronkelige kreken. Havenkanalen vormen plaatselijk bijzondere elementen, waarbij ontwikkelingen langs de kanalen de ruimtelijke en recreatieve relatie tussen dorp en open water versterken.
Richtpunten:
Toetsing
Het plangebied ligt in een zeekleipolderlandschap, ingeklemd tussen een polderdijk en een kreek. Bouwwerkzaamheden vinden plaats buiten de polderdijk en kreek en hebben geen negatieve invloed hierop. Aangesloten wordt bij de reeds compacte bebouwing van het centrumgebied, de wordt ontwikkeld tot woningbouw bestaande uit een appartementsgebouw en een commerciële ruimte. Ten aanzien van de overige richtpunten geldt dat, voor zover ze van toepassing zijn, de ontwikkeling geen (negatieve) invloed heeft en de kwaliteit derhalve ten minste gelijk blijft.
III Laag van de stedelijke occupatie
Zuid-Holland is een dynamisch gebied met veel steden en dorpen. Ook de bebouwde ruimte en de wijze waarop deze is ontstaan en gegroeid zijn zichtbaar geënt op de drie deltalandschappen. Dit heeft geleid tot specifieke kwaliteiten (bijvoorbeeld Den Haag als herkenbare kuststad en Rotterdam als karakteristieke rivierstad). Het voortbouwen op de eigen identiteit van steden en dorpen, in relatie tot het landschap, zorgt voor herkenbare en onderscheidende woon- en werkmilieus. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt aandacht gevraagd voor het behouden of versterken van de identiteit en gebruikswaarde van stads- en dorpsgebied. Zo kunnen ontwikkelingen bijdragen aan versterking van levendige centra en interactiemilieus.
figuur 3.4 Kaartlaag III Laag van de stedelijke occupatie, onderdeel steden en dorpen
Binnen deze kaartlaag is ter plaatse van het plangebied onderdeel 'Steden en dorpen' van toepassing. Van een historisch centrum of kern is geen sprake. Hierbinnen wordt onderscheid gemaakt tussen Steden, Dorpen, Hoogbouw, Historische kernen en Bedrijventerreinen. Voor dit bestemmingsplan is het gestelde ten aanzien van dorpen van belang.
Dorpen
Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp.
Richtpunten:
Toetsing
Het centrumgebied van Oud-Beijerland, waar het Vierwiekenplein onder valt, kent een vrij compacte bebouwingsstructuur. De bebouwing kan bovendien worden gekenmerkt door kleinschaligheid. Over het algemeen bestaat deze bebouwing uit twee tot drie lagen met een kap, dan wel een bouwhoogte van maximaal 12 meter. De bouwhoogte die wordt voorzien middels voorliggend bestemmingsplan wordt weliswaar enkele meters hoger, echter zorgt dit niet voor een kolossale uitstraling, waardoor de ontwikkeling goed in de omgeving past en het kleinschalige karakter behouden blijft.
Daarnaast wordt voorzien in groen door middel van het aanplanten van bomen, wat bijdraagt aan de stedelijke groenstructuur. Ook verhoogt dit de leefkwaliteit op het plein. Stedenbouwkundige patronen blijven ongewijzigd, de geplande nieuwbouw wordt ingepast op basis van de huidige structuur en volgt in hoofdzaak de footprint van de huidige bebouwing. Zo wordt een al te dicht geheel voorkomen en aangesloten bij de compactheid van de omgeving.
Conclusie
Het project is getoetst aan de richtpunten op basis van de kaartlagen van de kwaliteitskaart. Gesteld kan worden dat sprake is van inpassing en dat aan de richtpunten wordt voldaan, voor zover deze op het plan of het plangebied van toepassing zijn.
Het bestemmingsplan is daarmee in lijn met de kwaliteitskaart.
Onderdeel van het provinciale omgevingsbeleid is ook de Omgevingsverordening, eveneens in werking getreden in april 2019. De verordening is vastgesteld met het oogmerk van juridische doorwerking van een deel van het omgevingsbeleid en bevat daarom regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen. Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening gaat geeft de regels voor bestemmingsplannen, waarbij onder 6.2.2 wordt ingegaan op de ruimtelijke kwaliteit. De artikelen (dan wel artikelleden) uit de Omgevingsverordening die van belang zijn voor de voorgenomen ontwikkeling, worden achtereenvolgens behandeld.
Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit
Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen
Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:
Artikel 6.10 Ladder voor duurzame verstedelijking
Lid 1 Ladder voor duurzame verstedelijking
Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
Relatie tot het plan
Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit, geldt het project aan te merken is als 'inpassen'. Er wordt immers niet voorzien in een wijziging op structuurniveau, de ontwikkeling past bovendien binnen de aard en schaal van het gebied en in paragraaf 3.2.2.1 heeft toetsing plaatsgevonden aan de kwaliteitskaart, waaruit is gebleken dat het project voldoet aan de relevante richtpunten.
Voor dit bestemmingsplan geldt verder dat de Ladder voor duurzame verstedelijking dient te worden doorlopen. Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van voorliggende toelichting.
Conclusie
De Omgevingsverordening vormt gelet op het bovenstaande geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
De gemeente Oud-Beijerland valt onder de regio Hoeksche Waard. De vijf gemeenten in de Hoeksche Waard hebben gezamenlijk een nieuwe woonvisie en bijbehorend woningbouwprogramma opgesteld. In de nieuwe Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030 staat de vitaliteit van de regio centraal. Om die te bewaken, zet de regio in op meer kwaliteit en extra woningbouw ten behoeve van de instroom van gezinnen.
De nieuwe visie speelt in op veranderingen in de woningmarkt en kansen die er liggen om toekomstige krimp tegen te gaan. Afgaand op de prognoses van geboorte- en sterftecijfers, krijgt de regio na 2035 te maken met een dalend aantal huishoudens. Bijkomende uitdaging is het feit dat het aantal jongere huishoudens onder de 55 jaar tot die tijd al afneemt met bijna 20%. Die gezinnen houden het onderwijs vitaal en vormen ook een belangrijk deel van de beroepsbevolking. Zij zijn dus heel erg belangrijk voor de vitaliteit van de regio. Als de regio er voor kan zorgen dat er meer jonge gezinnen naar de Hoeksche Waard komen, helpt dat niet alleen om de voorzieningen in stand te houden; het is ook goed voor het geboortesaldo en daarmee gaat het de krimp tegen.
Om de ambities te kunnen realiseren, is een nieuw regionaal woningbouwprogramma geformuleerd dat:
Kwantitatieve behoefte
Regulier woningbouwprogramma
De komende jaren is er sprake van een toenemende vergrijzing van de bevolking. Op middellange termijn betekent dit dat het aantal huishoudens eerst nog toeneemt als gevolg van de gezinsverdunning die gepaard gaat met de vergrijzing. Om te kunnen voorzien in deze volkshuisvestelijke opgave moeten tot 2025 nog circa 3.000 woningen gebouwd worden, verdeeld over de vijf gemeenten en hun onderliggende kernen. Dit is echter niet voldoende om een vitale regio te kunnen blijven.
Op langere termijn (vanaf 2030) neemt het aantal inwoners en huishoudens langzaam maar zeker af omdat er onvoldoende geboorten zijn om de demografische opbouw in balans te houden. Naast deze absolute daling van het aantal huishoudens is er ook sprake van een relatieve daling van het aantal huishoudens onder de 55 jaar; de vergrijzing gaat gepaard met ontgroening. Deze groep vormt voor een belangrijk deel het draagvlak voor onderwijsvoorzieningen, vormt ook een groot deel van de beroepsbevolking, en is daarmee een belangrijke drager van de vitaliteit van de regio. Om toekomstige krimp tegen te gaan en het draagvlak voor voorzieningen te bewaken, is instroom van jonge huishoudens noodzakelijk. De laatste jaren is die instroom al spontaan op gang gekomen, maar er werd nog geen rekening mee gehouden in de woningbouwprogrammering. Om deze instroom goed te kunnen faciliteren en verder aan te jagen is een extra inspanning op het gebied van woningbouw nodig.
Plusprogramma
Om de ambitie de instroom goed te faciliteren te verwezenlijken is bovenop het reguliere woningbouwprogramma een zogenaamd plusprogramma opgesteld waarin in eerste instantie 1.000 extra woningen zijn opgenomen (periode 2020-2022). Dit kan eventueel worden uitgebouwd tot in totaal 3000 extra woningen tot 2030. Door halfjaarlijks een woningmarktmonitor op te stellen en daarmee de ontwikkelingen in de markt goed bij te houden, kan deze ambitie uit het plusprogramma naar beneden of naar boven worden bijgesteld.
Kwalitatieve behoefte
Naast de hoeveelheid woningen is ook de kwaliteit van de woningvoorraad en de aantrekkelijkheid van het woonmilieu van invloed op de vitaliteit van de Hoeksche Waard. Een toekomstbestendige woningvoorraad is bij voorkeur energieneutraal, geschikt voor jonge én oudere bewoners, bereikbaar per auto en OV, en van een hoge ruimtelijke kwaliteit. Op deze vier kwalitatieve thema’s wordt met deze woonvisie nog steviger ingezet dan in het verleden.
Voor het reguliere programma dat inspeelt op de vraag vanuit de eigen bevolking geeft de woningmarktanalyse inzicht in woningtypen en prijsklassen, waarmee het richtinggevend is voor gesprekken met ontwikkelende partijen.
figuur 3.5 Kwalitatieve behoefte woningbouwsegmenten (bron: Regionale Woonvisie Hoeksche
Waard 2030)
Relatie tot het bestemmingsplan
Op basis van de Regionale Woonvisie Hoeksche Waard is behoefte aan 202 huurappartementen in de vrije sector tot 2020 en nog eens 132 in de periode 2020-2025. Aan middeldure koopappartementen is in geringe mate behoefte, namelijk 40 tot 2020 en tussen 2020-2025 nog eens 18 in deze sector. In totaal is tot 2025 behoefte aan 324 vrije sector huur appartementen en 68 middeldure koopappartementen.
De ontwikkeling gaat uit van de realisatie van 35 appartementen in de vrije huursector. De mogelijkheid bestaat ook dat deze appartementen toch aan de koopsector toe zullen komen. Het segment bestaat uit middelduur / duur. De geplande woningen zijn reeds regionaal afgestemd en maken daarmee onderdeel uit van het (kwantitatieve) woningbouwprogramma zoals in deze paragraaf is omschreven.
Het bovenstaande in aanmerking genomen, kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de kwantitatieve behoefte aan nieuwe woningen. Daarnaast is ook duurzaamheid, toekomstbestendigheid en bereikbaarheid van belang. Aan de hand daarvan wordt de kwalitatieve behoefte bepaald. Op de verschillende vormen in relatie tot voorliggend plan wordt hieronder nader ingegaan.
Duurzaamheid
In samenspraak met de gemeente zal op basis van marktconforme uitgangspunten een energieconcept worden bepaald. In dat kader worden de woningen in ieder geval gasloos uitgevoerd. Ook worden pv-panelen op het dak geplaatst en worden mogelijkheden onderzocht ten aanzien van inpandige klimaatbeheersing. Voor de ontwikkeling is een EPC-berekening uitgevoerd, waaruit gelet op de voorgestelde maatregelen blijkt dat een aanzienlijk beter niveau word gerealiseerd dan verplicht op basis van de minimale eisen uit het Bouwbesluit 2012. Het resultaat is een gasloos, duurzaam en haalbaar plan, in lijn met de kwalitatieve behoefte op dit onderdeel.
Toekomstbestendigheid
Uit een uitgevoerd doelgroepenonderzoek is voorts gebleken dat overwegend behoefte bestaat aan gelijkvloerse appartementen in een omgeving met de nodige voorzieningen op korte afstand. De woningen betreffenderhalve overwegend gelijkvloerse appartementen, met uitzondering van enkele beneden-boven appartementen, die geschikt zijn voor alle leeftijdsklassen. In het ontwerp is nadrukkelijk rekening gehouden met het treffen van maatregelen die de levensloopbestendigheid van de woningen bevordert. In dat kader wordt voorzien in een lift, wordt voldaan aan de eisen van rollatorgschiktheid en wordt de badkamer ruim opgezet en voorzien van een inloopdouche. Daarnaast is rekening gehouden met een hoge parkeernorm (zie paragraaf 4.3), welke aansluit bij de huidige mobiliteitsbehoefte van medioren (50 - 65) en senioren (65+).
De beneden-bovenwoningen zullen vooral aantrekkelijk zijn voor startende tweeverdieners. Door ook deze woonvorm in het concept mee te nemen, ontstaat een aantrekkelijke mix en wordt deze doelgroep niet uitgesloten. Daarnaast kan hierdoor gemêleerd gezelschap van jong en oud in het woongebouw ontstaan, wat de sociale cohesie zal doen verhogen.
Bereikbaarheid
De woningen zijn gelegen binnen het centrum van Oud-Beijerland, nabij alle stedelijke voorzieningen. Uit het voornoemde doelgroepenonderzoek is gebleken dat inwoners van de Hoeksche Waard juist vanwege het hoge voorzieningenniveau kiezen voor wonen in Oud-Beijerland. De bereikbaarheid van dergelijke voorzieningen maakt het plangebied uitermate geschikt als woonlocatie. De ligging in het centrum zorgt daarnaast ook voor een goede bereikbaarheid per openbaar vervoer, terwijl de locatie ook nog steeds goed te bereiken is met de auto en andere vormen van (langzaam) verkeer.
Conclusie
Het bestemmingsplan is zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin in lijn met de Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030.
Op 17 december 2019 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Hoeksche Waard (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie nodigt inwoners, ondernemers, investeerders, maatschappelijke organisaties en anderen uit een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de gemeente. De Omgevingsvisie helpt om samen te blijven werken aan een aantrekkelijk Hoeksche Waard. Dit wordt 'waardmaken' genoemd.
Waardmaken is een nieuwe manier van ontwikkelen. Bij de totstandkoming van een initiatief worden initiatiefnemers uitgenodigd bij te dragen aan de Hoeksche Waard: aan de Hoeksche Werken en Hoeksche Waarden. Daarmee wordt omgevingskwaliteit een verantwoordelijkheid van iedereen.
Hoeksche Werken
Trends en ontwikkelingen zorgt voor de nodige inspanningen om de gemeente vitaal en leefbaar te houden. Vijf maatschappelijke opgaven vragen de komende jaren specifiek de aandacht. Dit zijn de Hoeksche Werken, bestaande uit:
Hoeksche Waarden
Bij de ontwikkeling van de leefomgeving heeft lange tijd met name de kwaliteit van bouwwerken centraal gestaan. Later zijn ook onderwerpen als natuur, landschap en erfgoed hierbij betrokken. Inmiddels gaat het tevens om vraagstukken van voedsel, milieu, energie, klimaat, water, gezondheid, veiligheid en leefbaarheid. Dit worden omgevingskwaliteiten genoemd.
Om de omgevingskwaliteit van de Hoeksche Waard ook in de toekomst te borgen, is in de Omgevingsvisie aangegeven wat de gemeenschap en gemeente de belangrijkste waarden vindt. Dit worden de Hoeksche Waarden Genoemd.
Hoeksche Waardenkaart
Aan de hand van de 'Hoeksche Waardenkaart' kan worden bepaald welke waarden in een specifiek gebied aanwezig zijn, behouden dienen te blijven, versterkt dienen te worden of dienen te worden gerealiseerd. Figuur 3.6 toont deze kaart. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is globaal aangeduid in het rood.
figuur 3.6 Hoeksche Waardenkaart (bron: omgevingsvisiehoekschewaard.maglr.nl)
Het plangebied maakt onderdeel uit van 'Dorpse Trots'. Dit deelgebied omvat alle dorpen in de Hoeksche Waard. Bij ontwikkelingen in de dorpen wordt niet alleen gekeken naar nieuwe functies, zoals woningen, maar ook naar de gevolgen voor het sociale netwerk in het dorp. Nieuwbouw of herontwikkeling moet bijdragen aan de gemeenschapszin in het dorp.
Daarbij geldt als uitgangspunt dat eerst de mogelijkheden voor inbreiding worden benut voordat aan de rand van het dorp kan worden gebouwd. Waar mogelijk worden bestaande woningen aangepast in de richting van levensloopbestendige en duurzame woningen. Ditzelfde geldt voor lokale bedrijventerreinen, waarbij eveneens wordt ingezet op herstructurering en kwaliteitsverbetering.
Te ontwikkelen waarden binnen dit deelgebied zijn:
Als voorbeelden van Waardmakers voor initiatieven wordt genoemd het voorzien in levensloopbestendige woningen zodat ouderen of mensen met een beperking in de eigen vertrouwde omgeving kunnen blijven, alsmede van het herbestemmen van panden. Voor dat laatste geldt het doel generaties samen te brengen, waarbij bewoners en gebruikers voor elkaar zorgen en contacten en vriendschappen aangaan en onderhouden.
Relatie tot bestemmingsplan
Voorliggend bestemmingsplan draagt bij aan de versterking van de Hoeksche Waarden. Er wordt voorzien in een planologisch kader op basis waarvan de voormalige Rabobanklocatie kan worden herontwikkeld tot woonlocatie. Hierdoor wordt voorzien in de woningbouwbehoefte middels inbreiding, zodat geen extra beslag wordt gelegd op de randen van het dorp. Met de inzet op een brede doelgroep en de situering midden in het centrum van de kern Oud-Beijerland is het woongebouw geschikt en aantrekkelijk voor jong en oud, met een hoog voorzieningenniveau in de directe omgeving. De mix van gebruikers die daarmee tot stand komt, versterkt de sociale cohesie en leefbaarheid in het dorp. Het toevoegen van een dergelijke mix leidt op zijn beurt bovendien tot instandhouding van het waardevolle voorzieningenniveau in het dorp.
Op basis van marktconforme uitgangspunten wordt een energieconcept bepaald. Daarbij geldt dat de woningen galsoos worden uitgevoerd, dat er pv-panelen op het dak worden geplaatst en mogelijkheden worden onderzocht voor de inpandige klimaatbeheersing. Voor de ontwikkeling is een EPC-berekening uitgevoerd, met als resultaat een gasloos, duurzaam en haalbaar plan.
Geconcludeerd dan worden dat het bestemmingsplan bijdraagt aan de Hoeksche Waarden en Werken en deze waar mogelijk versterkt.
Conclusie
Het bestemmingsplan is in lijn met de gemeentelijke Omgevingsvisie Hoeksche Waard.
In deze paragraaf wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening dient te worden aangetoond dat met een ontwikkeling wordt voorzien in een actuele behoefte. Dit is de eerste stap in het doorlopen van de Ladder. Daarnaast dient deze behoefte in beginsel opgevangen te worden binnen bestaand stedelijk gebied, om onnodig ruimtebeslag in het buitengebied te voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, dient goed gemotiveerd te worden waaróm niet in de behoefte kan worden voorzien binnen bestaand stedelijk gebied en dient tevens gemotiveerd te worden wat de gekozen locatie tot een geschikte locatie voor de betreffende functie maakt. Dit is stap twee bij het doorlopen van de Ladder.
De ontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt, betreft de realisatie van een woongebouw en een commerciële ruimte ter plaatse van de huidige Rabobanklocatie. Hiertoe wordt het bestaande pand gesloopt en vervangen door nieuwbouw. De bestemming blijft de bestemming 'Centrum', echter is in de toekomstige situatie (hoofdzakelijk) sprake van een woongebouw, daar waar thans een kantoorpand aanwezig is. De ontwikkeling betreft derhalve een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening. De ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaande centrum van Oud-Beijerland, waardoor in onderhavige situatie enkel de actuele behoefte dient te worden aangetoond. Een onderbouwing van de locatiekeuze kan in dit geval achterwege blijven.
Aantonen actuele behoefte
Voor het bepalen van de behoefte wordt gebruik gemaakt van divers provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid ten aanzien van de wingbouwbehoefte. Vanuit de provincie wordt elke drie jaar een staat gepubliceerd met daarin de bevolkingsprognose en de woningbehoefteraming, op basis waarvan regio's en gemeenten hun woningbouwprogramma's kunnen vaststellen. Daarbij dient de ontwikkeling zowel te voorzien in een kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte, om niet alleen te voorzien in voldoende woningen maar ook om een mismatch tussen vraag en aanbod te voorkomen en de woningvoorraad duurzaam in te kunnen richten.
Kwantitatieve behoefte
Voor de onderbouwing van de kwantitatieve behoefte wordt verwezen naar het regionale woningbouwprogramma zoals opgenomen in de 'Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030' (zie paragraaf 3.3.1). De ontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan wordt voorzien is reeds regionaal afgestemd en maakt daarmee onderdeel uit van het regionale woningbouwprogramma. De kwantitatieve behoefte is daarmee aangetoond.
Kwalitatieve behoefte
Zoals eerder aangegeven gaat het niet alleen om te realiseren woningaantallen maar ook om het type woningen, om de woonmarkt te kunnen bedienen van woningen die aansluiten bij vraag en aanbod.
De Regionale Woonvisie Hoeksche Waard geeft de meest actuele gegevens ten aanzien van de kwalitatieve behoefte omdat die visie van meest recente aard is (2018). Op basis van de regionale woonvisie gaat het binnen de regio Hoeksche Waard bij kwaliteit om woningtype en prijsklasse. Daarnaast is een toekomstbestendige woningvoorraad bij voorkeur energieneutraal, geschikt voor jonge én oudere bewoners, bereikbaar per auto en OV, en van een hoge ruimtelijke kwaliteit.
De gemeente richt zich onder andere (maar niet alleen) op een geschikt woningaanbod voor ouderen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de 'actieve' senioren en de zorgbehoevenden. De wensen van actieve senioren zijn net zo gevarieerd als die van andere huishoudens. De woonwens richt zich meer op gemak (minder onderhoud aan huis en tuin) en de wens dat rekening wordt gehouden met een eventueel afnemende mobiliteit. Voor de welgestelde emptynesters ziet de gemeente kansen bij het realiseren van een gelijkvloers, (middel)duur huursegment.
In het centrum ziet de gemeente bovendien woonmogelijkheden voor meerdere doelgroepen. Men profiteert er van het unieke woonklimaat. De gemeente staat bovendien positief tegenover initiatieven voor het wonen boven winkels door starters. De voormalige Rabobank-locatie op het Vierwiekenplein biedt volgens de structuurvisie mogelijkheden voor starterswoningen.
Relatie tot de ontwikkeling
Binnen de ontwikkeling is sprake van de realisatie van met name middeldure dan wel dure huurappartementen. Tevens bestaat de mogelijkheid dat de appartementen worden toegewezen aan de koopsector. Op basis van het regionale beleid is binnen de regio behoefte aan deze segmenten, namelijk aan 202 huurappartementen in de vrije sector tot 2020 en nog eens 132 in de periode 2020-2025. Aan middeldure koopappartementen is iets minder behoefte, maar de behoefte bestaat wel. In ieder geval is nog behoefte aan 40 middeldure koopappartementen tot 2020 en tussen 2020-2025 aan nog eens 18. In totaal is tot 2025 behoefte aan 324 vrije sector huurappartementen en 68 middeldure koopappartementen. Deze aantallen betreffen enkel het reguliere programma en niet het plusprogromma. Met het plusprogramma hierbij opgeteld zal de behoefte aan genoemde woningen groter zijn.
De woningen worden in het kader van duurzaamheid gasloos uitgevoerd. Doordat de ontwikkeling hoofdzakelijk bestaat uit gelijkvloerse appartementen (met uitzondering van enkele beneden-bovenwoningen) zijn de woningen ook toekomstbestendig. Dat grote behoefte bestaat aan zogeheten levensloopbestendige woningen of nultredenwoningen, betekent overigens niet dat aan ander soort woningen in zijn geheel geen behoefte bestaat. Met name jonge starters zullen ook interesse hebben in de beneden-bovenwoningen. Het is derhalve een gemixt programma dat diverse doelgroepen bedient en kan resulteren in een mix van leeftijdsklassen, wat de sociale cohesie weer ten goede komt. Juist op deze locatie ziet de gemeente kansen voor starters of startende tweeverdieners alsook voor ouderen, gelet op de ligging in het centrum en het bijbehorende voorzieningenniveau.
De situering in het centrum zorgt tevens voor een goede bereikbaarheid per openbaar vervoer en ook met de auto is de locatie goed te bereiken.
Conclusie
Gelet op het voorgaande in deze paragraaf kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt, voorziet in zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte. In die behoefte wordt bovendien voorzien binnen bestaand bebouwd gebied.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee met succes doorlopen en vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
De gemeente beschikt over de Welstandsnota gemeente Oud-Beijerland van maart 2014 (partiële herziening vastgesteld februari 2015). Welstandscriteria kunnen waar nodig de ruimte die het bestemmingsplan biedt invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit, het welstandsadvies kan zich dan richten op de gekozen invulling binnen het bestemmingsplan. Echter, het bestemmingsplan prevaleert boven het welstandsadvies. Datgene dat door het bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden.
De gemeente hanteert algemene en gebiedsgerichte welstandscriteria. Verder zijn er nog de objectcriteria en de sneltoetscriteria. Bij de herziening zijn de criteria voor de zogenaamde veel voorkomende kleine bouwwerken versoepeld. Het gaat daarbij om de criteria voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, dakkapellen en kozijn- en gevelwijzigingen. De criteria hebben betrekking op het materiaalgebruik, situering en de afmetingen van de bouwwerken.
Voor wat betreft de gebiedscriteria is Oud-Beijerland ingedeeld in negentien gebieden. Het plangebied valt binnen gebied 12: kantoren en voorzieningen. Dit gebied valt onder het reguliere welstandsbeleid. De van toepassing zijnde criteria vloeien voort uit de bestaande aanwezige karakteristieken en het gewenste beeld.
In de navolgende paragraaf wordt ingegaan op het stedenbouwkundig kader dat specifiek voor de herontwikkeling van het Rabobankgebouw is opgesteld. Het stedenbouwkundig kader gaat nadrukkelijk in op het gewenste beeld en op welke wijze de herontwikkeling aansluit op de bestaande karakteristieken van de directe omgeving en Oud-Beijerland als geheel.
Ten behoeve van de ontwikkeling die middels voorliggend bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt, is op 4 december 2018 een stedenbouwkundig kader vastgesteld. Het stedenbouwkundig kader is opgenomen in bijlage 1 bij voorliggende toelichting. Opgemerkt dient te worden dat ten tijde van de vaststelling van voornoemd kader, nog uitgegaan werd van volledige herontwikkeling van de bestaande bebouwing. Volgens de huidige plannen valt de bebouwing gesitueerd aan het Vierwiekenplein 100, buiten de te herontwikkelen locatie. Het stedenbouwkundig profiel van de toekomstige situatie wordt hieronder besproken.
De toekomstige bebouwing sluit aan op de maat en de schaal van het klassieke dorpscentrum, welke bestaat uit voornamelijk individuele woningen en incidenteel een andere functie. Om aan te sluiten op het centrum dient de nieuwbouw te bestaan uit genuanceerde pandsgewijze architectuur. Het doel is om een woongebouw met een gedifferentieerd en kleinschalig beeld en een aangename korrel ten aanzien van de bebouwing te ontwerpen (zie figuur 4.1 en 4.2). Aan de achterzijde van de nieuwbouw wordt rustig beeld met lichte constructie en materialisering nagestreefd (figuur 4.3).
Tevens dient het ontwerp te allen tijde de mogelijkheid te bieden om andere naastgelegen panden aan te sluiten op deze aangename korrel. Het ontwerp dient om die reden in tegenstelling tot de bestaande bebouwing, de rooilijnen te volgen vanuit het bestaande dorp en dient in lijn te worden gepositioneerd. Met een dergelijke herpositionering wordt het tevens mogelijk om het straatprofiel te verbeteren en is het wenselijk en mogelijk om meer te vergroenen. Hiermee wordt een eerste aanzet gedaan voor de verbetering van alle genoemde onderdelen, waarop eventuele ontwikkelingen in de toekomst goed aan kunnen sluiten. Daarmee wordt bewust gekozen voor het aanpassen van rooilijnen en profielen in plaats van het behouden van de bestaande situatie en daarop de reageren met toekomstige bebouwing.
figuur 4.1 Sfeerimpressies eigentijdse differentiatie en pandenopbouw
figuur 4.2 Sfeerimpressie achtergevel nieuwbouw
Het stedenbouwkundig kader is gebaseerd op een stedelijke en leefbare openbare ruimte. Om die reden is het van belang dat veel woningen een directe aansluiting hebben op straatniveau, welke nader dient te worden ontworpen. Dit kan worden bewerkstelligt door voordeuren op de begane grond aan de zijde van de straat/het plein te realiseren. De compacte opzet van het ontwerp en daardoor de directe confrontatie van de woonfuncties en buitenruimten vraagt echter wel om aandacht voor de overgang van privé en openbaar. Privacy dient te worden gewaarborgd middels een duidelijke scheiding. Een scheiding ter plaatse van buitenruimten is voorzien middels een overgang in afstand zowel verticaal als horizontaal. Het vloerniveau ter plaatse van de woningen met een buitenruimte grenzend aan openbaar gebied zal in relatie tot deze scheiding en privacy worden opgetild.
Daarnaast zal ter plaatse van de voordeuren grenzend aan het openbaar gebied ten behoeve van de verticale scheiding een maat van minimaal 1,5 meter worden aangehouden als Beijerlandse stoep. Een inrichting met verharding, welke de scheiding tussen privé en openbaar markeert. Deze ruimte dient mee te worden ontworpen in verband met het permanente karakter van de invulling als onderdeel van de openbare ruimte.
figuur 4.3 Beijerlandse stoep
Als onderdeel van de gedifferentieerde opbouw is op de hoek van het pand een verbijzondering wenselijk in schaal en hoogte als demarcatie van het Vierwiekenplein en de loopas in het verlengde van de Molensteeg. Om het afwisselende beeld van de architectuur te versterken wordt op de beeldbepalende hoek een verbijzondering gerealiseerd. Een dergelijk karakteristieke hoek maakt de stedelijke ruimte voelbaar.
figuur 4.4 Impressies / voorbeelden verbijzondering hoekelement
Om de verbinding tussen Spui en centrum te versterken zal op de kop van het gebouw een andersoortige functie dan wonen worden gesitueerd. Er is ruimte voor een maatschappelijke of commerciële functie. Ter plaatse van de hoek is echter een scheiding privé en openbaar niet wenselijk. Hetgeen in de vorige alinea staat aangegeven is daarmee niet van toepassing op de uitwerking van de hoek.
figuur 4.5 Aanduiding bouwhoogten en accenten (verbijzondering hoek)
De hoek dient zodanig te worden gepositioneerd, zodat de zichtlijn aansluit op de bestaande bebouwing op het Vierwiekenplein. Met deze positionering wordt tevens ruimte gegenereerd om aan de straatzijde te vergroenen, de afstand tot de tegenoverliggende bebouwing te vergroten en in algemene zin een kwaliteitsimpuls te geven.
In het kader van de planontwikkeling dient te worden bepaald wat de parkeerbehoefte is, welke verkeersgeneratie ontstaat als gevolg van de ontwikkeling en hoe de ontsluiting geregeld wordt. Dit om ongewenste dan wel onveilige parkeer- en/of verkeerssituaties tegen te gaan. In deze paragraaf worden voornoemde aspecten behandeld.
Parkeren
Het huidige maaiveld rondom de ontwikkellocatie is opgedeeld in twee openbare parkeervelden en een rondweg. De twee parkeervelden bestaan in totaal uit 162 parkeerplaatsen. De Rabobank beschikt in de huidige situatie over 58 van deze parkeerplaatsen. Op basis van dit deel en het aantal, welke beschikbaar moet blijven voor de overige functies, dient een balans te worden opgesteld, gebaseerd op de “kerncijfers publicatie 317”.
Voor de woningen is besloten uit te gaan van een worst-case benadering. Dit betekent dat de hoogste norm wordt aangehouden voor het bepalen van de parkeerbehoefte en de te realiseren extra parkeerplaatsen. Gerekend wordt met kencijfers voor dure woningen (niet alle woningen vallen overigens binnen de categorie duur) in een matig stedelijk centrumgebied. Er wordt geen rekening gehouden met dubbelgebruik van de parkeerplaatsen.
Gelet op het bovenstaande wordt uitgegaan van 1,8 parkeerplaats per woning. Voor 30 woningen bedraagt de parkeerbehoefte in totaal 54 parkeerplaatsen. Wanneer het maximale aantal woningen (38) gerealiseerd wordt, dienen 69 (68,4) parkeerplaatsen toe te komen aan de woningen.
Voor de commerciële functie geldt een norm van 2,3 parkeerplaats per 100 m2 b.v.o. Daarmee komt de behoefte als gevolg van deze functie in voorliggend plan op 3 (2,8) parkeerplaatsen. In totaal bedraagt de parkeerbehoefte 72 (71,2) parkeerplaatsen. Omdat reeds sprake is van een bestaande parkeerclaim van 58 parkeerplaatsen, geldt bij het realiseren van het minimale aantal woningen dat reeds voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. Wanneer het maximaal mogelijke programma wordt ingevuld, dienen er nog 13 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd.
Extra parkeerplaatsen kunnen worden aangelegd als gevolg van de geplande optimalisatie van het parkeerterrein gelegen tussen de nieuwbouw en de bestaande appartementen aan de westzijde van het Vierwiekenplein. Herinrichting van dit terrein maakt maximaal 14 extra parkeerplaatsen mogelijk. Daarmee wordt in de berekende maximale parkeerbehoefte voorzien. Zoals eerder vermeld gaat het om een worst-case benadering. In de praktijk zullen minder parkeerplaatsen benodigd zijn. Enerzijds omdat niet enkel dure woningen worden gerealiseerd (er wordt immers ook voorzien in middeldure woningen met een lagere parkeernorm), maar ook omdat in deze berekening geen rekening is gehouden met dubbelgebruik. Met de wijziging van werken naar wonen kan worden vastgesteld dat het tijdstip van gebruik van de parkeerplaatsen deels niet meer overeenkomt. Bewoners van het woongebouw zullen deels op andere tijdstippen gebruik maken van de parkeerplaatsen dan gebruikers in de huidige situatie. Van parkeerproblematiek is in de toekomstige situatie dan ook geen sprake.
Verkeersgeneratie
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-rekentool. De uitgangspunten die zijn gehanteerd voor het bepalen van een eerste parkeerbalans zijn ook voor het berekenen van de verkeersgeneratie toegepast.
In de huidige situatie is sprake van een kantoor met baliefunctie en kantoor zonder baliefunctie. De twee tezamen leveren met het oog op het aantal m2 b.v.o. en de ligging in het centrum een verkeersgeneratie op van 195 motorvoertuigbewegingen per etmaal, op een gemiddelde weekdag.
Met de transitie naar wonen zal een andere verkeersaantrekkende werking ontstaan. 30 tot 38 apartementen in de dure huursector brengen op een gemiddelde weekdag resp. ca. 153 tot ca. 194 motorvoertuigbewegingen per etmaal met zich mee. Dit betreft de worst-case benadering. Wanneer uitgegaan wordt van de sector midden/goedkoop, is sprake van ca. 94 tot ca. 119 motorvoertuigfbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag. De ontwikkeling gaat daarom uit van minimaal 94 en maximaal 194 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het werkelijke aantal zal hier tussenin liggen, omdat een mix van middelduur en duur wordt gerealiseerd.
Uitgaande van het maximale, blijft het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal gelijk (-1) aan de huidige situatie. Verkeersproblematiek zal niet ontstaan, aangezien daar ook in de huidige situatie geen sprake van is. De feitelijke verkeersgeneratie zal gelet op de geplande mix in het woningbouwprogramma lager uitkomen dan berekend. Van verkeersproblematiek rondom het Vierwiekenplein als gevolg van de ontwikkeling is dan ook geen sprake.
Ontsluiting
De hoofdontsluitingstructuur van Oud-Beijerland wordt gevormd door de provinciale weg N217, de Beneden Oostdijk, de Koninginneweg - Langeweg, de Stougjesdijk, de Kwakscheweg en de Groeneweg. Via deze wegen beschikt Oud-Beijerland over korte, directe verbindingen met de N29 (Rotterdam – Bergen op Zoom) en met Spijkenisse.
Toekomstige gebruikers van het woongebouw kunnen voornoemde wegen bereiken via de bestaande weginfrastructuur rondom en haaks op het Vierwiekenplein. Gelet op het hiervoor gestelde ten aanzien van de verkeersgeneratie, wordt geconcludeerd dat de bestaande wegen de verkeersbewegingen afkomstig van en richting het woongebouw net als in de huidige situatie zonder problemen kan verwerken. Aanpassing van de verkeerssituatie is derhalve niet nodig.
Conclusie
De parkeernorm vormt geen belemmering voor de planvorming en de vaststelling van het bestemmingsplan. Er kan in voldoende mate worden voorzien in parkeergelegenheid. De verkeersgeneratie blijft ten minste gelijk (worst-case), maar neemt gelet op de geplande mix. Hierdoor ontstaan geen problemen in de verkeersafwikkeling in en rondom het gebied, welke ontsloten wordt via de bestaande weginfrastructuur.
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Het Verdrag van Valletta was geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988 en de Wet op de monumentenzorg, tot de inwerkingtreding van de Erfgoedwet op 1 juli 2016. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is een primair gemeentelijke opgave.
In het proces van ruimtelijke ordening moet tijdig rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor de overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Rijk, provincies en gemeenten (laten) bepalen welke archeologische waarden bedreigd worden bij ruimtelijke plannen. Tijdens de voorbereiding van deze plannen is (vroeg)tijdig archeologisch (voor)onderzoek belangrijk.
De keuze voor een andere bouwlocatie voorkomt de verstoring van belangrijke bodemvondsten. Als dit geen optie is, bestaat de mogelijkheid om binnen de bouwlocatie zelf naar een archeologievriendelijke aanpak te streven. In het uiterste geval wordt een archeologische opgraving uitgevoerd.
Relatie tot bestemmingsplan
In het kader van de planontwikkeling is door Hamaland Advies archeologisch bureau-, bouwdossier- en een verkennend booronderzoek uitgevoerd ter plaatse van het Vierwiekenplein. De rapportage van 26 november 2017 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende toelichting. De conclusies uit het onderzoek worden hieronder besproken. Van belang om hierbij te vermelden is dat het onderzoek destijds is ingezet in een groter gebied dan voorliggend bestemmingsplan in voorziet. Dat het voorliggende bestemmingsplan thans in een kleiner plangebied voorziet is het gevolg van gewijzigde planvorming. Ter plaatse van de Rabobanklocatie konden geen boringen worden gezet omdat het gebied ten tijde van het onderzoek nog bebouwd was. Op basis van de resultaten van het omliggende gebied kan een inschatting worden gemaakt van de mogelijke archeologische waarden ter plaatse van het plangebied.
Conclusies onderzoek
Op 22 november 2017 zijn verspreid over het huidige parkeerterrein op het Vierwiekenplein in totaal 8 boringen gezet. Hiermee is een beeld verkregen van de bodemsamenstelling en de mate van intactheid van de bodemopbouw in het plangebied en was het tevens mogelijk om de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen te toetsen, hoewel dit niet het primaire doel is van verkennend booronderzoek. In het noordelijke deel van het onderzoeksgebied is een voormalig waterloopje aangeboord en in het (centraal) westelijke deel is de bodem plaatselijk deels verstoord. In het plangebied is van oorsprong een kalkrijke poldervaaggrond aanwezig, die op sommige boorlocaties verstoord is door eerdere graaf- en funderingswerkzaamheden. Het bodemprofiel wordt afgedekt door Ap-horizonten, tot een minimale diepte van 65 cm-mv en een maximale diepte van 220 cm-mv. Daaronder zijn getijdeafzettingen aangetroffen die behoren tot het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk, voorheen Duinkerke IIIb). Op grond van het uitgevoerde archeologisch onderzoek kan verwacht worden dat het plangebied in gebruik is geweest als achtererven van de historische bebouwing aan de Molendijk en de Spuidijk. Op dergelijke achtererven kunnen oude sporen van ambachtslieden verwacht worden, zoals oude loodsen, afvalkuilen met slachtafval, afvalkuilen van leerlooierijen (hoornpitten), ververijen, pottenbakkerijen, etc. Vondstmateriaal bouwmateriaal, glas, leer en metaalvondsten. die op sommige boorlocaties verstoord is door eerdere graaf- en kan onder andere bestaan uit aardewerk, dierlijk botmateriaal, bouwmateriaal, glas, leer en metaalvondsten.
Wanneer dieper dan 65 cm-mv gegraven gaat worden, kan het bodemarchief aangetast worden. Op basis van deze resultaten is een regeling opgenomen in de planregels, op basis waarvan alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden afgegeven, archeologisch onderzoek nodig is wanneer voor deze bouwwerken dieper dan 65 cm beneden maaiveld gegraven zal worden.
Relatie tot het bestemmingsplan
Een aantal aspecten zijn belang voor de beoordeling van archeologie ter plaatse van het plangebied. In de eerste plaats geldt dat het maaiveld ter plaatse van het parkeerterrein lager ligt dan het maaiveld ter plaatse van het huidige Rabobank-gebouw. In het archeologisch onderzoeks is reeds aangegeven dat sprake is van verschillende maaiveldhoogten binnen het onderzoeksgebied. Een en ander is te zien op onderstaande hoogteliggingkaart.
figuur 4.7 Hoogteliggingkaart plangebied (bron: uitsnede verkennend archeologisch onderzoek Hamaland)
Het vloerpeil van de bestaande bebouwing ligt op 1,95 +NAP, het maaiveld op 1,93 +NAP. Dit is ca. 50 cm hoger dan het het maaiveld ter plaatse van het naastgelegen parkeerterrein, waarmee het maaiveld van het parkeerterrein kan worden gesteld op 1,43 +NAP.
Uit het verkennend archeologisch onderzoek blijkt dat archeologische resten kunnen worden geschaad wanneer dieper dan 65 cm beneden maaiveld wordt gegraven. Wanneer dit wordt doorberekend naar het 0,5 meter hogere maaiveld ter plaatse van de Rabobank-locatie, kan worden gesteld dat archeologische resten te verwachten zijn op een diepte van 1,15 m beneden maaiveld. Derhalve is voor het plangebied een regeling opgenomen in de regels, op basis waarvan nader onderzoek nodig is indien grondroerende werkzaamheden plaatsvinden dieper dan 1,15 meter beneden maaiveld.
Gevolgen bouwplan
De geplande nieuwbouw wordt gerealiseerd ter plaatse van reeds bestaande bebouwing, wat betekent dat de gronden in het verleden reeds geroerd zijn. De funderingsdiepte van de bestaande bebouwing ligt beduidend lager dan de fundering van de geplande nieuwbouw, mede omdat het vloerpeil van de nieuwbouw nog eens 50 cm wordt opgetild ten opzichte van het huidig maaiveld. Eén en ander is in kaart gebracht in onderstaande tabel.
tabel 4.1 Funderingsdiepten t.o.v. NAP bestaand en nieuw
Te zien is dat de funderingsdiepte van de nieuwbouw hoger komt te liggen dan de bestaande bouw. De Rabobanklocatie is bovendien reeds onderkelderd. Enkel ter plaatse van de nieuwe liftput wordt incidenteel lager gegraven dan de huidige bebouwing en funderingsdiepten.
Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aangegeven archeologische niveau in principe niet bereikt zal worden, met uitzondering van de geplande liftschacht. Voor de ontwikkeling hoeft derhalve geen proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd. Als voorwaarde geldt wel dat een graafmelding wordt gedaan, uiterlijk 10 dagen voordat met de werkzaamheden gestart wordt. Dit zodat toezicht kan worden gehouden.
De beoordeling heeft plaatsgevonden op basis van een voorgaand, uitgebreider bouwplan. Wanneer srpake is van een substantiele wijziging van een reeds beoordeeld bouwplan of wanneer anderszins wijzigingen worden voorzien die van invloed kunnen zijn op archeologie ter plaatse, dienen de plannen opnieuw ter beoordeling te worden voorgelegd. De wijziging in het bouwplan, waarbij het Vierwiekenplein 100 geen onderdeel meer uitmaakt van de herontwikkeling, leidt in het geheel niet tot wijzigingen in fundering of opzet. De conclusies blijven daarmee onverkort van toepassing op het huidige ontwerp.
Conclusie
Archeologisch onderzoek is nodig wanneer graafwerkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan 1,15 m -mv. Gelet op het bovenstaande, hoeft voor de realisatie van de geplande nieuwbouw geen nader onderzoek te worden uitgevoerd. Wel is het van belang dat uiterlijk 10 dagen voor de start van de graafwerkzaamheden, een graafmelding wordt ingediend.
Archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
Nota Belvedère (1999)
Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in deze nota beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.
Erfgoedwet
De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is een primair gemeentelijke opgave. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2019 in werking treed.
Relatie tot bestemmingsplan
Binnen de bebouwde kom van Oud-Beijerland komt geen gebied voor dat is aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht. In het centrumgebied zijn wel rijks- en gemeentelijke monumenten aanwezig, evenals beeldbepalende panden (karakteristiek) en gevellijnen. Het voormalige Rabobank-gebouw is niet aangewezen als monument of ander cultuurhistorisch waardevol object.
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgesteld. Hierdoor wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen.
Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt.
In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie.
tabel 5.1 Richtafstanden bedrijven en milieuzonering
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In een gemengd gebied is sprake van een matige tot sterke menging van functies. Direct naast woningen komen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.
Relatie tot het bestemmingsplan
Voor het plangebied geldt in de eerste plaats dat sprake is van een gemengd gebied. Alle aanwezige bedrijven in de omgeving van het plangebied, vallen in een lagere milieucategorie (1 tot en met 3) die zich goed lenen voor een gebied waar ook woningen aanwezig zijn.
Het Vierwiekenplein maakt onderdeel uit van het centrumgebied van Oud-Beijerland. Rondom de planlocatie is met name sprake van centrumfuncties, gemengde functies en woonfuncties. Ook komen woningen boven winkels voor, bijvoorbeeld aan ten oosten van het plangebied. Gelet op de ligging in het centrum en in de nabijheid of direct grenzend aan woningen, zijn geen zware milieucategorieën toegelaten op of rondom het Vierwiekenplein. Woningbouw past in het kader van bedrijven en milieuzonering goed in de omgeving en zodoende is ook reeds woningbouw aanwezig ter plaatse van het Vierwiekenplein. Het realiseren van extra woningen zorgt niet voor een belemmering in de bedrijfsvoering van aanwezige bedrijven. Vice versa geldt dat aanwezige bedrijven geen onaanvaardbare hinder veroorzaken voor toekomstige gebruikers van de woningen.
Binnen het plan is ook ruimte voor commerciële voorzieningen ter plaatse van de begane grondlaag. Toegestane functies betreffen uitslutend functies in milieucategorie 1, waarvoor binnen gemengd gebied een richtafstand van 0 meter geldt. De mix van commerciële functies met woningen is daarmee verantwoord. Het toevoegen van de commerciële voorzieningen levert daarmee eveneens geen hinder op voor reeds bestaande woningen rondom het Vierwiekenplein.
Van belang om te vermelden is dat op bedrijventerrein De Bosschen een waterzuiveringsinstallatie (rwzi) gelegen is die luchtverontreinigende stoffen uitstoot. Daardoor wordt enerzijds de lokale luchtkwaliteit aangetast en daarnaast veroorzaakt de rwzi geurhinder. De rwzi is gelegen binnen het bestemmingsplangebied "Werken", en kent milieucategorie 4.1. Daarbij is tevens een geurhindercirkel opgenomen in verband met de inrichting. De geurhindercirkel ligt niet over het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. De rwzi ligt op een afstand van ca. 1,2 kilometer tot de beoogde woningen. Omdat sprake is van een gemengd gebied, geldt een richtafstand van 100 meter tot woningen. Daar wordt ruimschoots aan voldaan. Gelet op het vorenstaande geldt dat de rwzi geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
Conclusie
Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem.
De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.
Onderzoek
Door BK Ingenieurs is in het kader van de planontwikkeling verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van 21 december 2017 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggend bestemmingsplan. Uit dit onderzoek is gebleken dat met name ter plaatse van het oostelijk gelegen parkeerterrein gevallen van ernstige bodemverontreinigingen aanwezig (kunnen) zijn. Omdat niet uit te sluiten is dat deze verontreiniging niet tot het Rabobankgebouw reiken, is het noodzakelijk nader bodemonderzoek uit te voeren om de omvang en ernst van de verontreiniging te kunnen bepalen.
In het kader van voorliggend bestemmingsplan wordt dit nadere onderzoek in gang gezet. Indien hieruit blijkt dat de verontreinigingen tot het plangebied reiken zullen de gronden worden gesaneerd, waarna er geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de bodemkwaliteit.
Conclusie
De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998.
Beleid en normstelling
Wet natuurbescherming
Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort.
Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Daartoe dient een stikstofberekening te worden uitgevoerd.
Nationaal Natuurnetwerk
De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'.
Onderzoek
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door ecologisch onderzoeksbureau DresmévanderValk een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan d.d. 22 januari 2018 is opgenomen in bijlage 4 bij voorliggende toelichting. De resultaten ten aanzien van soorten- en gebiedsbescherming worden hieronder besproken.
Gebiedsbescherming
Op basis van de quickscan kan worden geconcludeerd dat negatieve effecten op het NNN of Natura 2000-gebieden niet worden verwacht. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN en het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (Oude Maas, tevens NNN) ligt op een afstand van ca. 500 meter ten noorden van de ontwikkellocatie. Verder weg gelegen Natura 2000-gebieden betreffen Oude land van Strijen (7 kilometer) en Haringvliet (9 kilometer).
Van belang is dat de Oude Maas bestaat uit loofbossen en soortenrijke ruigten die niet gevoelig zijn voor stikstof. In de quickscan is de verwachting uitgesproken dat het netto effect van de stikstofdepositie als gevolg van de nieuwbouw ten opzichte van het huidige toegestane gebruik als kantoorgebouw, niet leidt tot negatieve effecten op de natuurwaarden van de Oude Maas. Gelet op de grote afstand tot de overige Natura 2000-gebieden, worden ook daar geen negatieve effecten verwacht.
Om hier meer inzicht in te verkrijgen is door Mees Ruimte & Milieu een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De rapportage d.d. 27 november 2019 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende toelichting. In de rapportage wordt vanuit een worst-case benadering gerekend met meer appartementen dan de 35 die op dit moment worden voorzien, mede omdat het bestemmingsplan enige flexibiliteit toelaat (minimaal 30 en maximaal 38). Daarbij zijn de voorgaande plannen als uitgangspunt genomen, waardoor is gerekend met 44 appartementen. Uit de berekening blijkt dat zowel de aanleg- als de gebruiksfase geen depositieresultaten oplevert van meer dan 0,00 mol/ha/ja. Daaruit mag worden geconcludeerd dat het huidige plan met minder woningen eveneens geen verhoogde stikstofdepositie als gevolg heeft. Van een negatief effect op de Natura 2000-gebieden is dan ook geen sprake. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.
Soortenbescherming
In de quickscan heeft naast een beoordeling van het effect op beschermde gebieden ook een inventarisatie van mogelijk aanwezige beschermde soorten plaatsgevonden. Gelet op de ligging in een sterk verstedelijkte omgeving, is daarbij specifiek onderzoek gedaan naar vleermuizen, broedvogels en flora. Behalve vleermuizen, kan de aanwezigheid van beschermde flora en fauna binnen het plangebied worden uitgesloten. In de spouwmuren van het kantoorpand kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is derhalve nodig om te bepalen of en welke soorten op welke tijdstippen in het jaar aanwezig zijn. Op basis van deze kennis wordt vervolgens bepaald of sprake is van een voor de populatie belangrijke verblijfplaats en wat de mogelijke effecten zijn op populatieniveau.
Overigens geldt dat bij uitvoering van werkzaamheden te allen tijde de wettelijke zorgplicht voor soorten in acht dient te worden genomen.
Nader vleermuisonderzoek
Gelet op de resultaten uit de hiervoor besproken quickscan is eveneens door DresmévanderValk een vleermuisonderzoek uitgevoerd. Dit vleermuisonderzoek (d.d. 23 oktober 2018) is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting.
Voor het onderzoek hebben vier onderzoeksrondes plaatsgevonden, in mei, juni, augustus en september 2018. Tijdens de onderzoeksrondes zijn een aantal waarnemingen gedaan van de gewone dwergvleermuis en incidenteel een ruige dwergvleermuis. De westelijk gelegen bomen ten opzichte van de Rabobanklocatie worden gebruikt als foerageergebied door de gewone dwergvleermuis. Het baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis ligt daar met een ruimere contour omheen. Opvallend was een waarneming van een ruige dwergvleermuis, met een paarverblijfplaats en een foerageergebied van de ruige dwergvleermuis ten noorden van het te slopen Rabobankgebouw. Al deze locaties liggen echter buiten het plangebied en blijven onaangetast. Zie hiertoe ook onderstaande figuur.
figuur 5.1 Functies voor vleermuizen rondom het plangebied
Tijdens geen van de onderzoeksrondes zijn aanwijzingen waargenomen van vleermuizen in het te slopen Rabobankgebouw. Op basis van het uitgevoerde vleermuisonderzoek, kunnen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten. Met de sloop van het pand gaan derhalve geen verblijfplaatsen teniet en is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig.
Conclusie
Ten behoeve van de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan is onderzoek uitgevoerd naar de ecologische situatie ter plaatse. Van negatieve effecten op nabij gelegen natuurgebieden is geen sprake. Ten aanzien van soortenbescherming geldt dat uit het nader vleermuisonderzoek is gebleken dat eveneens geen negatieve effecten op de instandhouding van de soort worden verwacht.
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Een ontheffing of vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Wel dient bij uitvoering van werkzaamheden altijd rekening te worden gehouden met de wettelijke zorgplicht.
De externe veiligheid wordt bepaald door aanwezigheid van gevaarlijke stoffen (productie, gebruik, opslag en vervoer) in en rond het projectgebied. Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal dodelijke slachtoffers beperkt blijft. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m2 per object. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren (b.v.o. kleiner dan 1500 m2), winkels, horeca en parkeerterreinen.
Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het zgn. plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie, het Vuurwerkbesluit (2002, herziening 2004). Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht wordt transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in het bestemmingsplan. Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb) voor onder andere hogedruk aardgastransportleidingen.
Aan de andere kant is het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijke beleid en externe veiligheid beleid dienen dus goed te worden afgestemd. Een ruimtelijke onderbouwing of toelichting is geen instrument om de mate van risico's te beheersen, maar is wel een schakel tussen het externe veiligheidsbeleid en ruimtelijke ordening.
De risico's worden door twee factoren bepaald: de kans dat zich een ongeval voordoet en de effecten van dat ongeval. Om te kunnen beoordelen wat wel en niet aanvaardbaar is, bestaan er twee risicomaten, namelijk het Plaatsgebonden Risico (PR) en het Groepsrisico (GR).
Plaatsgebonden risico
In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van het plaatsgebonden risico (PR). Het PR is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof.
In het besluit is een norm opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Deze norm is een grenswaarde voor kwetsbare objecten en moet daarom door het bevoegde gezag in acht worden genomen (mag niet van worden afgeweken). De grenswaarde voor al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten is 10–6 per jaar. Voor al dan niet geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten betreft dit een richtwaarde.
Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. De officiële definitie van groepsrisico in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) luidt: 'de cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is'.
Het groepsrisico is geen norm, maar er geldt een verantwoordingsplicht. De onderdelen waar bij de verantwoording aandacht aan moet worden besteed staan beschreven in Bevi-artikel 12 voor Bevi-activiteiten en artikel 13 voor ruimtelijke plannen. Daarbij moet een vergelijking worden gemaakt met de oriëntatiewaarde. Dit is een richtwaarde waar het bevoegd gezag zich zoveel mogelijk aan moet houden, maar men mag hiervan wel goed onderbouwd afwijken.
Relatie tot bestemmingsplan
Voor de beoordeling van de risico's is de landelijke risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding bevat een uitsnede hiervan. Risicobronnen zijn aangegeven in het rood, een eventuele PR-contour ligt met een zwarte stippellijn om de risicobron heen. Het plangebied is globaal omcirkeld in het groen.
figuur 5.2 Uitsnede risicokaart projectgebied, plangebied groen omlijnd
(bron:nederland.risicokaart.nl)
Aan de noordzijde van het projectgebied ligt een hoofdvaarweg (Oude Maas) waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Deze ligt op een afstand van ca. 1700 meter (hemelsbreed). Volgens de Regeling Basisnet ligt de 10-6 PR contour op de rivier. Het invloedsgebied voor het groepsrisico als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Oude Maas ligt op circa 1.000 meter vanaf deze vaarweg. Deze vaarweg vormt gelet op de afstand tot het projectgebied geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Ten oosten en zuidoosten ligt een tweetal risicovolle inrichtingen. Het betreft Romaco aan de Edisonstraat 11 (oosten, ca. 1390 meter) en Sportplaza aan de Hortensiastraat 5 (zuidoosten, ca. 1250 meter). Romaco is een bevi-inrichting vanwege chemische stoffen die daar worden opgeslagen. De PR 10-6 contour bedraagt 80 meter en reikt daarmee niet tot het projectgebied. Het invloedsgebied reikt eveneens niet tot het projectgebied. Sportplaza beschikt over een chloorbleekloogtank, waarvoor geen generieke risicoafstanden beschikbaar zijn. Dit bedrijf is geen BEVI-inrichting.
Ten zuidwesten is Automobielbedrijf Bosman (TEXACO) gesitueerd aan de Randweg 15. Deze inrichting ligt op een afstand van ca. 1500 meter tot het projectgebied. Bij dit tankstation vindt de opslag en de verkoop van vloeibare motorbrandstoffen en LPG plaats. De PR 10-6 contour bedraagt 35 meter vanaf het vulpunt. De oriënterende waarde voor het groepsrisico wordt niet overschreden indien binnen een afstand van 150 meter vanaf het vulpunt minder dan 300 personen aanwezig zijn. Gelet op de afstand tot het plangebied vormt het tankstation geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Ten westen van het plangebied ligt tot slot een buisleiding. De buisleiding ligt op een afstand van ruim 800 meter en betreft een buis voor het transport van propyleen. Op basis van het huidige bestemmingsplan geldt een 10-6 contour van 75 meter. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan valt hier ruim buiten.
Conclusie
Aanwezige risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn beschouwd. Gelet op de afstand tussen deze bronnen en het plangebied, geldt dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Wet geluidhinder
In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:
Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Ook dan zal eerst de gevelbelasting bepaald dienen te worden.
Langs een (toekomstige) spoor- en verkeersweg en industriegebieden ligt een planologisch aandachtsgebied (de zone). Binnen deze zone biedt de Wet geluidhinder in een aantal situaties bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen. Het basisbeschermingsniveau of de voorkeursgrenswaarde voor woningen bedraagt 48 dB ten aanzien van wegen, 55 dB ten aanzien van spoorwegen en 50 dB ten aanzien van industriegebieden. 30 km/u-wegen zijn geen gezoneerde wegen in het kader van de Wet geluidhinder.
Door middel van een hogere waarde kan door het bevoegd gezag een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan. Deze verhoging is mogelijk tot een maximaal toelaatbare waarde, waarvan de hoogte afhankelijk is van verschillende factoren. Indien niet wordt voldaan aan de maximaal toelaatbare waarde, dienen maatregelen te worden getroffen om de geluidsbelasting te reduceren tot die waarde, om vervolgens een besluit hogere waarde te kunnen nemen.
Gemeentelijk beleid
De Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid heeft voor de gemeenten in de regio Hoeksche Waard het rapport "Geluidbeleid Goede Ruimtelijke Ordening geluid Gemeenten Hoeksche Waard" opgesteld. Aan de hand van dit beleid beoordelen de gemeenten in de regio de individuele gevallen indien niet voldaan kan worden aan de wettelijke voorkeursgrenswaarden.
Het beleid zoals neergelegd in het rapport is ook van toepassing op 30 km/u-wegen en woonerven. Deze wegen vallen niet onder het regime van de Wet geluidhinder, maar op basis van vaste jurisprudentie moeten deze wegen in het kader van de goede ruimtelijke ordening worden beoordeeld, indien de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. Dit leidt niet tot het vaststellen van hogere waarden voor 30 kilometer per uur wegen, maar wel - bij de ruimtelijke inpassing van nieuwe woningen langs deze wegen - tot een oordeel of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft geluid.
Relatie tot bestemmingsplan
Omdat met voorliggend bestemmingsplan wordt voorzien in een nieuw planologisch kader voor de ontwikkeling van woningen, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd door BK Ingenieurs. De rapportage van 17 mei 2019 is opgenomen in bijlage 7 bij voorliggende toelichting. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven.
Op grond van de Wet geluidhinder heeft iedere weg een zone aan weerszijden, tenzij:
De breedte van de zone is afhankelijk van de inrichting van die weg. Indien een geluidgevoelige bestemming wordt gerealiseerd binnen de zone dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Het bouwpIan is niet gelegen binnen de zone van gezoneerde wegen.
De Spuidijk, Spuioeverweg en Vierwiekenplein zijn 30 km/uur wegen. Aangezien de geluidbelasting ten gevolge van 30 km/uur wegen hetzelfde als de geluidbelasting van de overige wegen wordt beoordeeld, dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening aangetoond te worden dat een aanvaardbaar akoestisch klimaat kan worden gewaarborgd.
De gecumuleerde geluidbelasting op de woningen bedraagt 55-64 dB. De geluidbelasting op de appartementen aan de voorzijde is daarmee matig tot tamelijk slecht. De kwaliteit van de woon- en leefomgeving is acceptabel wanneer een geluidluwe gevel én een geluidluwe buitenruimte aanwezig is. Er is sprake van een geluidluwe gevel en buitenruimte als de geluidbelasting gelijk of lager is dan 53 dB door gecumuleerde wegen. Aangezien de geluidsbelasting meer dan 53 dB bedraagt, dienen net zoals bij overige (wel gezoneerde) wegen maatregelen te worden getroffen om de belasting op de gevels omlaag te brengen en zodoende te kunnen spreken van een geluidluwe gevel.
Voor voorliggend bestemmingsplan geldt het volgende:
Motivering afwijken gemeentelijk beleid
Op basis van paragraaf 3.8, zoals aangegeven in "Geluidbeleid Goede Ruimtelijke Ordening Gemeenten Hoeksche Waard", kan worden afgeweken van de gemeentelijke eisen, indien er fundamentele en gemotiveerde bezwaren vanuit welstand, van stedenbouwkundige, verkeerskundige of vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard zijn. Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten dat de eisen in dat geval niet gelden. Het college van burgemeester en wethouders neemt in dit geval een nadere motivatie op in het ruimtelijk besluit over hoe alsnog een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd.
De motivering om af te wijken is opgenomen in het Stedenbouwkundig kader "Herontwikkeling Rabobank Locatie" d.d. 25-10-18, welke integraal onderdeel uitmaakt van de herontwikkeling en als uitgangspunt dient voor de verdere planuitwerking. In dit kader is de stedenbouwkundig gewenste opzet opgenomen.
Een kader, welke voorziet in een stedenbouwkundige opzet waarmee in maat en schaal wordt aangesloten op het klassieke dorpscentrum, welke bestaat uit voornamelijk individuele woningen en incidenteel een andere functie. Om aan te sluiten op het centrum dient de nieuwbouw te bestaan uit genuanceerde pandsgewijze architectuur. Het doel is om een woongebouw met een gedifferentieerd en kleinschalig beeld en een aangename korrel ten aanzien van de bebouwing te ontwerpen. Om dit voor de beeldvorming te verduidelijken zijn referenties ten aanzien van de beeldkwaliteit opgenomen.
In het kader van het gewenste levendige beeld aan de zijde van het Vierwiekenplein is de galerijontsluiting aan de zijde van het achterliggende parkeerterrein opgenomen. In ieder opzicht is dat de meest logische en wenselijke positie voor deze ontsluiting. De buitenruimten en het uitzicht vanuit de appartementen zijn daarmee ook georiënteerd op het Vierwiekenplein, waarmee het beoogde levendige beeld wordt bewerkstelligd. In het kader van mogelijke toekomstige ontwikkelingen is deze opzet tevens van belang en blijft het mogelijk om het stratenpatroon binnen het dorpse karakter te continueren
Conclusie
Het plangebied is gelegen langs 30 km/u-wegen, waardoor de Wet geluidhinder niet van toepassing is. Op basis van gemeentelijk beleid geldt evenwel dat dergelijke wegen op dezelfde wijze worden beoordeeld als overige wegen. Indien sprake is van fundamentele en gemotiveerde bezwaren vanuit één of meerdere aspecten, kan van het beleid worden afgeweken. Daarvan is in deze situatie sprake. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Op 15 november 2007 is paragraaf 5.2 van de Wet milieubeheer gewijzigd (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Staatsblad 2007, 414) en zijn in bijlage 2 van de Wet milieubeheer vernieuwde lucht-kwaliteitseisen opgenomen.
Gelijktijdig zijn de ministeriële regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Staatscourant 2007, 220), het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Regeling NIBM) in werking getreden. Een belangrijk element uit deze wetswijziging is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM).
Luchtkwaliteitseisen vormen nu geen belemmering voor ontwikkelingen, als:
AMvB 'niet in betekenende mate'
In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Sinds de verlening van derogatie door de Europese Unie en de inwerkingtreding van het NSL per 1 augustus 2009 is de definitie van NIBM een bijdrage van niet meer dan 3% aan de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 van zowel PM10 als NO2.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Op 7 juni 2012 is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen aangepast, zodat het mogelijk wordt gemaakt om bij ministeriële regeling (Regeling NIBM) bepaalde gebieden en bepaalde broncategorieën aan te wijzen waarbinnen geen gebruik meer kan worden gemaakt van de NIBM-grond. Het gaat om gebieden waar de grenswaarde voor PM10 wordt overschreden of waar overschrijding van de grenswaarde dreigt. Dit betreft naar verwachting een enkele gemeente in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland met veel intensieve veehouderijen, en pluimveehouderijen in het bijzonder. De aanwijzing van gebieden en broncategorieën zal plaatsvinden in nauwe samenspraak met betrokken overheden en sectoren en zal gepubliceerd worden in de Regeling NIBM.
Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:
Relatie tot het bestemmingsplan
Bij ontwikkelingen dient middels de NIBM-tool onderzocht te worden of één stof de 3%-grens overschrijdt en daarmee het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit verslechtert. Mits de verkeersaantrekkende werking niet uitzonderlijk toeneemt, zal de ontwikkeling deze grens niet overschrijden. Gelet op bovenstaande voorbeelden, mag worden geconcludeerd dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling ten opzichte van het bestaande gebruik ten minste gelijk blijft (worst-case), en afneemt indien een mix van middeldure en dure woningen wordt gerealiseerd (zie paragraaf 4.3).
In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig.
Goed woon- en leefklimaat
Met behulp van de NSL Monitoringstool op 15 oktober 2019 bepaald wat de huidige achtergrondconcentraties zijn ter plaatse van het plangebied (bron: https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/#).
Met de kaarten is bepaald of het realiseren van de beoogde woonfunctie op deze specifieke plek in het kader van een goed leefklimaat te motiveren is. Uit de resultaten blijkt dat de achtergrondconcentratie zowel voor NO2 als voor PM10 ver onder de grenswaarde van 40 µg/m3 (voor zowel NO2 als PM10) blijft. Daarnaast wordt eveneens de grenswaarde voor PM2,5 van 25 µg/m3 niet overschreden. De verwachting is dat de achtergrondconcentraties op de lange termijn verder afnemen. In combinatie met de afname van het aantal vervoersbewegingen ten opzichte van de bestaande planologische mogelijkheden, kan worden geconcludeerd dat een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.
tabel 5.2 Grootschalige achtergrondconcentraties NSL Monitoringstool
Conclusie
De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg met de initiatiefnemer en de waterbeheerder, aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.
Relatie tot bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen in het beheergebied van Waterschap Hollandse Delta.
Waterkwaliteit
Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 140 meter van de Oude Maas, gelegen ten noorden van het Vierwiekenplein. Bovendien ligt aan de westzijde van het plangebied op een afstand van ca. 130 meter een waterpartij. Bij de uitvoering van de werkzaamheden worden geen uitlogende materialen gebruikt die in aanraking kunnen komen met hemelwater.
Waterkwantiteit
Bij toevoeging van verhard oppervlak dient in bepaalde gevallen watercompensatie plaats te vinden. In dit geval is echter geen sprake van een toename van het verhard oppervlak, waardoor compensatie niet nodig is. Er is tevens geen sprake van het dempen van watergangen. Ook voor dit onderdeel is geen watercompensatie vereist.
Veiligheid en beschermde gebieden
In de directe nabijheid van de nieuwe bebouwing is een primaire waterkering gelegen. Figuur 5.4 toont een uitsnede van de leggerkaart primaire waterkeringen van het Waterschap Hollandse Delta. Hierin is tevens een globale aanduiding van de toekomstige footprint van de nieuwe bebouwing opgenomen. Voor de volledigheid bevat figuur 5.4 tevens een uitsnede uit het ontwerp waarom de footprint exact is ingetekend. Te zien is dat de toekomstige bebouwing net buiten de beschermingszone binnenkant van de waterkering zal worden opgericht.
figuur 5.4 Uitsnede leggerkaart waterstaatswerken primaire waterkeringen, (bron: Waterschap
Hollandse Delta)
De waterkering vormt derhalve geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan en van een vergunningplicht in verband met de waterkering is eveneens geen sprake. Omdat de grens van het plangebied wel iets ruimer wordt genomen dan de footprint van de nieuwe bebouwing, zal een deel van het plangebied overlappen met de beschermingszone. Hiertoe wordt voor zover de gronden daarmee overlappen een dubbelbestemming op de verbeelding opgenomen en worden bijbehorende beschermingsbepalingen overgenomen in de regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan.
Leiding - Water
Ter plaatse van de uiterste noordoosthoek en zuidwesthoek van het plangebied geldt op basis van het bestemmingsplan "Correctieve herziening Wonen" dat sprake is van een waterleiding. Voor zover de gronden overlappen met deze leiding is de dubbelbestemming en bijbehorende regeling overgenomen. De herontwikkeling vindt niet plaats binnen de gronden waarop de dubbelbestemming van toepassing is, de aanwezigheid van de waterleiding heeft verder geen gevolgen voor de ontwikkeling.
Riolering
Bij realisatie van de woningen wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd om het vuilwaterriool niet te belasten met schoon hemelwater.
Conclusie
Daar waar de gronden overlappen met de primaire waterkering wordt een dubbelbestemming met bijbehorende beschermingsregeling opgenomen. Ditzelfde geldt voor de aanwezige waterleiding. De nieuwbouw valt echter buiten de gronden waarop deze dubbelbestemmingen van toepassing zijn. Deze onderdelen vormen dan ook geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Watercompensatie is in dit geval niet noodzakelijk, omdat het plangebied in de huidige situatie reeds volledig verhard is. Overige onderdelen uit de watertoets leiden eveneens niet tot belemmeringen of beperkingen.
De waterhuishoudkundige situatie is hiermee in kaart gebracht en geconcludeerd kan worden dat geen sprake is van negatieve effecten op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. De waterhuishouding vormt derhalve geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Wettelijk kader
Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk.
Een stedelijke ontwikkelingsproject, zoals ontwikkeling van woningen, is vermeld in de bijlagen van het Besluit m.e.r. onder D 11.2. Een stedelijke ontwikkeling is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat niet wordt voldaan aan die criteria, is geen m.e.r.-beoordeling nodig.
Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese hof van 15 oktober 2009 (zaak C-255/08) over de manier waarop de EU-richtlijn in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd, één van de aanleidingen voor de aanpassing van het Besluit m.e.r. De essentie van die uitspraak is dat altijd m.e.r. noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten.
Aanmeldnotitie en m.e.r.-beoordelingsbesluit
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. Daarin is aan de hand van de relevante milieuaspecten gemotiveerd dat de in dit bestemmingsplan voorziene ontwikkeling, gelet op de aard en omvang ervan alsmede de daarmee gepaard gaande milieugevolgen, geen m.e.r.-plicht oplevert en dat kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling van 10 december 2019 is opgenomen in bijlage 8 bij voorliggende toelichting en vormt onderdeel van de besluitvorming in het kader van deze bestemmingsplanprocedure.
Conclusie
Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling en het gegeven dat geen significant negatieve effecten optreden voor het milieu, is een milieueffectrapportage niet nodig.
Het bestemmingsplan “Vierwiekenplein" bestaat uit bestemmingen en regels. De bestemming van de gronden (en wateren) is geometrisch bepaald en verbeeld door middel van lijnen, coderingen en arceringen. In de bestemmingen zijn regels ten aanzien van het bouwen en het gebruik opgenomen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting.
De hoofddoelstelling van het voorliggende bestemmingsplan is het bieden van een actueel planologisch kader voor de herontwikkeling van de Rabobanklocatie op het Vierwiekenplein in Oud-Beijerland. Er is derhalve sprake van een zogenoemd 'ontwikkelingsbestemmingsplan', ook wel bekend als 'postzegelbestemmingsplan'.
Algemeen
Het voorliggende bestemmingsplan heeft de vorm van een eindplan. Als de bouwaanvraag past binnen de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en (indien van toepassing) de specifieke inrichtings- en gebruiksregels, kan op basis van dit plan een directe bouwtitel worden verkregen.
Verbeelding
Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een topografische ondergrond gebruikt. Met behulp van lijnen, coderingen en arceringen is aan de gronden en wateren een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven.
Regels
De regels bestaan uit vier hoofdstukken:
Hierna volgt een korte toelichting op de in het plan opgenomen regels.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Hoofdstuk 1 “Inleidende regels” bestaat uit twee artikelen. In het artikel “Begrippen” wordt een aantal in de regels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot. In het artikel “Wijze van meten” wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 “Bestemmingsregels” bevat de regels waarin de materiële inhoud van de (dubbel)bestemmingen die in het plangebied voorkomen is opgenomen. Daarbij zijn tevens, waar nodig, flexibiliteitsbepalingen opgenomen die meer bouwmogelijkheden dan wel een ruimer gebruik van de functie toestaan na een nadere afweging die door burgemeester en wethouders moet worden gemaakt.
Conform de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) zijn de verschillende artikelen binnen dit hoofdstuk op alfabetische gerangschikt. Daarnaast geldt de vaste volgorde: eindbestemmingen (enkelbestemmingen), voorlopige bestemmingen (komen niet voor in dit plan), uit te werken bestemmingen (komen niet voor in dit plan) en dubbelbestemmingen. Tot slot geldt ook voor de indeling van de afzonderlijke artikelen een vaste volgorde. Die ziet er voor eindbestemmingen als volgt uit: bestemmingsomschrijving, bouwregels, nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels, omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden, omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk, en wijzigingsbevoegdheid.
Een korte toelichting op de in dit bestemmingsplan gehanteerde bestemmingen en bijbehorende regels volgt hieronder.
Centrum
Voor het te ontwikkelen woongebouw met een commerciële functie op de kop wordt de bestemming 'Centrum' gehanteerd. Dit sluit aan op de omliggende bestemmingen in het gebied en is tevens voorgeschreven op basis van de SVBP2012 wanneer het gaat om een bestemming met gemixt programma binnen een stads- of dorpscentrum. Binnen de bestemming 'Centrum' op basis van dit bestemmingsplan is de functie wonen in gestapelde vorm tot een maximum van 38 woningen toegestaan, alsook een commerciële functie van maximaal 115 m2 b.v.o.
Verkeer - Verblijfsgebied
Voor de gronden die buiten de footprint vallen van de nieuwbouw, is conform het bestemmingsplan "Correctieve herziening Wonen" de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' opgenomen. De regeling is identiek aan de regeling die in voornoemd bestemmingsplan voor die bestemming geldt. Op die manier wordt één op één aangesloten op dat bestemmingsplan, dat voor de rest van het Vierwiekenplein onverminderd van krijgt blijft en wordt daarmee voorzien in een eenduidige regeling.
Leiding - Water
Een beperkt deel van het plangebied valt met de noordoosthoek en de zuidwesthoek binnen de dubbelbestemming 'Leiding - Water' zoals opgenomen in bestemmingsplan "Correctieve herziening Wonen". De gronden zijn bestemd voor een waterleiding met een diameter groter dan 400 mm. De dubbelbestemming dient ter bescherming van de aanwezige waterleiding en de belangen van de leidingbeheerder. De dubbelbestemming en bijbehorende regelgeving zijn overgenomen in voorliggend bestemmingsplan. De ontwikkeling van de nieuwbouw valt buiten deze gronden.
Waarde - Archeolgie
Voor de bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden in het gebied, is een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Ten behoeve van de planontwikkeling is in een eerder stadium een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd door bureau Hamaland. De resultaten hiervan zijn uiteengezet in paragraaf 4.4 van voorliggende toelichting. Binnen het bestemmingsplangebied geldt een verplichting tot het doen van nader archeologisch onderzoek op het moment dat gronden dieper worden geroerd dan 1,15 m beneden maaiveld.
Waterstaat
Een beperkt deel van het plangebied aan de westelijke kant binnen de dubbelbestemming 'Waterstaat' zoals opgenomen in bestemmingsplan "Correctieve herziening Wonen". Deze gronden zijn gelegen binnen de bescherming buitenkant van een waterkering. De dubbelbestemming en bijbehorende regelgeving zijn overgenomen in voorliggend bestemmingsplan. De ontwikkeling van de nieuwbouw valt buiten deze gronden.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
In hoofdstuk 3 worden aanvullend op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels van algemene aard gesteld. Het gaat hier om de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en algemene procedureregels.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4, tot slot, zijn de laatste twee artikelen van het bestemmingsplan opgenomen. In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Het strijdige gebruik en/of de strijdige bebouwing mag worden voortgezet en onder voorwaarden worden gewijzigd. Dit is een standaard bepaling die opgenomen dient te worden in bestemmingsplannen. Tevens is binnen dit bestemmingsplan het pand Vierwiekenplein 100 onder het overgangsrecht gebracht.
De slotregel geeft tot slot de officiële naam van het bestemmingsplan.
De Wet ruimtelijke ordening schrijft voor dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel tevens een grondexploitatieplan vaststelt. De gemeenteraad kan bij de vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten om daarvan af te wijken, als het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Daarbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan een privaatrechtelijke overeenkomst met de betrokken initiatiefnemers.
Om de herontwikkeling van de gronden binnen dit bestemmingsplan mogelijk te maken, is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de ontwikkelaar en de gemeente om zo de met dit plan gemoeide kosten anderszins te verzekeren.
Bestuurlijk vooroverleg
Conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In dat kader is voorliggend bestemmingsplan voorgelegd aan de diverse overlegpartners, waaronder de provincie Zuid-Holland, het Waterschap Hollandse Delta. Het bestuurlijk vooroverleg heeft geen aanleiding gegeven tot het aanpassen van het bestemmingsplan.
Zienswijzen en beroep
Vervolgens is het ontwerpbestemmingsplan op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht vanaf 14 maart 2020 tot en met 24 april 2020 ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken is een ieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan indienen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Omdat geen zienswijzen zijn ingediend, is geen Nota van Zienswijzen opgesteld. Het bestemmingsplan kan ongewijzigd vast worden gesteld.
Na vaststelling van het bestemmingsplan is er nog de mogelijk tot het instellen van beroep bij de Raad van State.
Met de formele bestemmingsplanprocedure en het betrekken van de omgeving bij de planvorming wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende gewaarborgd.