direct naar inhoud van Regels
Plan: 's-Gravendeel West I
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1963.BPGRwest1fase22-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In dit plan wordt verstaan onder:

1.1 plan

het bestemmingsplan "s-Gravendeel West I" met identificatiecode NL.IMRO.1963.BPGRwest1fase22-VG01 van de gemeente Hoeksche Waard

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 aanbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft

1.6 aanduidingsvlak

Een vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd door een aanduidingsgrens

1.7 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten

een beroeps- of bedrijfsactiviteit uitgeoefend door de hoofdbewoner, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publiekstrekkend zijn en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie.

1.8 achtererfgebied

erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.

1.9 antenne-installatie

installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

1.10 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.11 bebouwingsgebied

achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw.

1.12 bebouwingspercentage

een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald.

1.13 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit

een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de gebruik(st)er, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

1.14 bestaand
  • 1. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
  • 2. bij gebruik: het gebruik van gronden en opstallen zoals aanwezig op het tijdstip van in werking treden van het plan.

1.15 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

1.16 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.17 bevoegd gezag

bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.18 bijgebouw

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.19 bouwen

plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.20 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

1.21 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor functies uit de bestemmingsomschrijving geschikt of geschikt te maken is. Zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

1.22 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.23 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel.

1.24 bouwmuur

de woning scheidende wand tussen 2 hoofdgebouwen.

1.25 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.26 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.27 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren, voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.28 dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen.

1.29 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.30 gebruiken

Gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven.

1.31 geschakelde woning

Eén of meer woningen waarvan de hoofdgebouwen met de bouwmuur aan elkaar grenzen in een blok van minimaal 3 woningen.

1.32 hoofdgebouw

Het oorspronkelijk ontworpen gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht, met inbegrip van op een later tijdstip dan tijdens de oorspronkelijke bouw nog te realiseren bouwlagen boven de eerste bouwlaag / begane grondlaag.

1.33 horeca

een onderneming waar in hoofdzaak en waarbinnen bedrijfsmatig:

  • a. dranken, maaltijden of logies worden verstrekt en;
  • b. gelegenheid wordt geboden voor het gebruik van de producten ter plaatse en;
  • c. sprake is van een zekere dienstverlening, zoals het serveren en/of verstrekken van servies en bestek;

met een in principe open karakter (voor een ieder toegankelijk).

In het kader van het bestemmingsplan worden hierbij onderscheiden:

  • categorie 1: logiesverstrekkers, zoals hotels, pensions en motels;
  • categorie 2: maaltijdverstrekkers, zoals restaurants, bistro's, eetcafés;
  • categorie 3: spijsverstrekkers, zoals ijssalons, lunchrooms, croissanterieën, koffie-/theehuizen, waarbij in principe geen alcoholische dranken worden geschonken;
  • categorie 4: cafetaria's/snackbars, fast-food restaurants, creperies, grillrooms, shoarma/pizzabedrijven;
  • categorie 5: drankverstrekkers, zoals cafés/bars en nachtclubs, dancings, disco's en partycentra.

1.34 huishouden

persoon of groep personen die onderling een huishouding voert waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan

1.35 kamerverhuur
  • a. een samenstel van verblijfsruimten, uitsluitend of mede bestemd of gebruikt om daarin anderen dan aan de rechthebbende en de personen behorende tot diens huishouden, woonverblijf, niet in de zin van zelfstandige woongelegenheid, te verschaffen, al dan niet met gehele of gedeeltelijke verzorging;
  • b. een en ander kan onder meer blijken uit het feit dat voor de kamers afzonderlijk huur wordt berekend en/of betaald en elke kamer zelfstandig wordt bewoond, waarbij al dan niet sprake is van enkele gemeenschappelijke voorzieningen.

1.36 kleinschalige bedrijfsactiviteiten

het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten waarvoor geen melding of vergunningplicht op grond van het inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer geldt waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

1.37 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, laadpalen voor elektrische voertuigen en apparatuur voor telecommunicatie.

1.38 ondergeschikte bouwdelen

Onder ondergeschikte bouwonderdelen worden o.a. verstaan: plinten, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, schoorstenen, warmte installaties, antennes, gevel- en kroonlijsten, luifels en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

1.39 overkapping

een bouwwerk op het erf van een gebouw of standplaats, dat strekt tot vergroting van het woongenot van het gebouw of de standplaats en dat, voor zover gebouwd voor (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft en, voor zover gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, maximaal drie wanden heeft waarvan maximaal twee tot de constructie behoren.

1.40 peil

Peil is de hoogte van de bovenzijde afgewerkte afwerkvloer ter plaatse van de entree van de woning. Het peil is minimaal 10 cm en maximaal 25 cm boven de openbare verharding ter plaatse van de erfgrens, ter plaatse van de entree van de woning.

1.41 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.42 rug-aan-rug woning

Een woning waarbij de achtergevel gedeeld wordt met een andere woning.

1.43 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of daarmee naar de aard en omvang vergelijkbare activiteiten, in de vorm van seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval begrepen:

  • a. een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon;
  • b. een seksbioscoop of sekstheater;
  • c. een seksautomatenhal;
  • d. een seksclub of parenclub;
  • e. al dan niet in combinatie met elkaar of in combinatie met een sekswinkel.

1.44 staat van Bedrijfsactiviteiten

een als bijlage bij deze planregels behorende en daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en instellingen.

1.45 uitbouw

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.46 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw of, indien het een hoofdgebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevels, de gevel die op het moment van ter inzagelegging van de omgevingsvergunning van het plan kennelijk als zodanig diende te worden aangemerkt, dan wel de gevel die volgens het straatnamenregister bepalend is voor de adressering.

1.47 voorste voorgevel

de denkbeeldige naar de weg gekeerde voorgevel van een aan- dan wel uitbouw voor de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw.

1.48 wijziging

een wijziging als bedoeld in artikel 3.6 lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening.

1.49 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

1.50 wonen

gebruiken van een woning of wooneenheid voor het huisvesten van niet meer dan één huishouden.

Artikel 2 Wijze van meten

2.1 de afstand van een bouwwerk tot de zijdelings bouwperceelsgrens

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk waar die afstand het kortst is.

2.2 de bedrijfsvloeroppervlakte

binnenwerks op de vloer van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten.

2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.4 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.5 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.6 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.7 de oppervlakte van een overkapping

tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.

2.8 verticale bouwdiepte van een ondergronds bouwwerk

Van het peil tot aan de onderzijde van de constructieve vloer van het bouwwerk.

2.9 ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen en -hoogten niet meer dan 1 m bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch met waarden

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de bescherming van landschapswaarden;
  • b. extensieve dagrecreatie;
  • c. water en voorzieningen voor de waterhuishouding.

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijde en (groen)voorzieningen.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen

Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

3.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de maximale bouwhoogte bedraagt 2 meter;
  • b. regenkappen, boog- en tunnelkassen zijn niet toegestaan.

Artikel 4 Groen

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting;
  • b. paden, inritten, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, (ondergrondse) vuilopslag, water en voorzieningen voor de waterhuishouding;

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen, parkeervoorzieningen en met inachtneming van de Keur van het Waterschap.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Gebouwen

Op de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

4.2.2 Ondergrondse bouwwerken

Ondergrondse bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van nutsvoorzieningen en vuilopslag en andere noodzakelijke openbare voorzieningen t.b.v. het gebruik van het woongebied waarbij de verticale bouwdiepte van een (ondergronds) bouwwerk maximaal 4,5 m mag bedragen.

4.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

De maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt:

  • a. bij lichtmasten 6 meter;
  • b. bij speelvoorzieningen 4 meter;
  • c. bij overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3 meter.

Artikel 5 Verkeer

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen, straten, pleinen, wandel- en fietspaden met een functie gericht op zowel verblijf als op de afwikkeling van het doorgaande verkeer;
  • b. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen;
  • c. (ondergrondse) vuilopslag;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Gebouwen

Op de voor 'Verkeer' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

5.2.2 Nutsvoorzieningen

In afwijking van lid 5.2.1 zijn gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan, mits:

  • a. de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt;
  • b. het oppervlak maximaal 15 m2 bedraagt;
  • c. er geen milieuhinder ontstaat.

5.2.3 Ondergrondse bouwwerken

Ondergrondse bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, vuilopslag en andere noodzakelijke openbare voorzieningen t.b.v. het gebruik van het woongebied waarbij de verticale bouwdiepte van een (ondergronds) bouwwerk maximaal 4,5 m mag bedragen.

5.2.4 bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt

  • a. bij lichtmasten 6 meter;
  • b. voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer maximaal 6 m;
  • c. bij speelvoorzieningen 4 meter;
  • d. bij overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3 meter.

Artikel 6 Water

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wateraanvoer, waterafvoer en waterberging;
  • b. verkeer te water en voorzieningen ten behoeve van de scheepvaart.

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder duikers, bruggen, dammen, steigers, vlonders en oeverbeschoeiingen.

6.2 Bouwregels
  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend keermuren voor de waterbeheersing, oeverbeschoeiingen, duikers, aanlegsteigers en -vlonders en bruggen worden gebouwd, met dien verstande dat de primaire watergangen over een breedte van ten minste 5 m vrij dienen te blijven van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. voor bouwpercelen grenzend aan de bestemming water geldt dat maximaal 1/3 van de kavellengte mag worden bebouwd met de a genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling of de verlichting bedraagt ten hoogste 3 m.

Artikel 7 Woongebied

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het wonen, daaronder begrepen een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder mede begrepen gastouderopvang;
  • b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, verhardingen, erfafscheidingen, vlonders, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, (ondergrondse) vuilopslag, speelvoorzieningen, verkeersvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

7.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

7.2.1 Hoofdgebouwen
  • a. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de hoogte zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding "maximale goothoogte (m)", tenzij onder lid d anders is aangegeven;
  • b. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de hoogte zoals is aangeduid ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte (m)", tenzij onder lid d anders is aangegeven;
  • c. het maximale aantal woningen bedraagt 179;
  • d. de situering en afmetingen van de hoofdgebouwen moeten aan de volgende eisen voldoen;
    Woningtype   Maximale goothoogte (m)   Maximale bouwhoogte (m)   Maximale afmetingen hoofdgebouw (lengte x breedte in meters)   Minimale afstand hoofdgebouw tot voorste perceelgrens (m)   Minimale afstand tot zijdelings perceelsgrenzen (m)  
    Vrijstaand   6   11   11 x 13   3   1,5  
    Twee-aaneen   6   11   11 x 13   3   1,5  
    Rug-aan-rug   7   12,5   7 x 7,5   3   1,5  
    Geschakeld   6   11   13 x 11,5   2   1,0  
  • e. bij twee-aaneen-, dan wel rug aan rug en geschakelde woningen geldt de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet voor de aaneen gebouwde zijgevel van de woningen;
  • f. bij vrijstaande, geschakelde en twee-aaneen- gebouwde woningen geldt de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet voor de aaneen gebouwde zijgevel van de woningen.

7.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
  • a. met uitzondering van rug aan rug woningen zijn bij iedere woning aan- en uitbouwen en bijgebouwen toegestaan, mits:
    • 1. deze ten minste 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel worden gebouwd, met dien verstande dat aan- en uitbouwen voor de voorgevel zijn toegestaan met inachtneming van het bepaalde onder b en c;
    • 2. de situering en de afmetingen van aan- en uitbouwen voldoen aan de volgende eisen:
      Woningtype   Maximale goothoogte voor- en zijgevel (m)   Maximale goothoogte achtergevel (m)   Minimale afstand tot voorste perceelsgrens (m)   Minimale afstand tot zijdelingse perceelsgrens (m)  
      Vrijstaand   3,5   6,5   2,5   1,5  
      Twee- aaneen   3,5   6,5   2,5   1,5  
      Geschakeld   3,5   6,5   2,0   1,0  
    • 3. in aanvulling op de tabel onder 2 geldt dat de goothoogte van aan- en uitbouwen niet meer mag bedragen dan 40 cm boven de daarop aansluitende verdiepingsvloer;
    • 4. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen niet meer bedraagt dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw waar deze tegenaan worden gebouwd;
    • 5. de goothoogte voor vrijstaande bijgebouwen niet meer bedraagt dan 3 m en de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 5 m;
    • 6. de oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen, en overkappingen niet meer bedraagt dan 50% van het bebouwingsgebied met een maximum van 65 m2;
  • b. bij geschakelde woningen mogen aan- en uitbouwen voor de voorgevel worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. voor overkappingen/veranda's de diepte niet meer dan 2,0 m, gerekend vanaf de voorste voorgevel van de woning. De minimale afstand tot de voorste perceelsgrens, zoals genoemd in de tabel onder lid a sub 2, is hierbij niet van toepassing;
    • 2. voor bergingen geldt tevens dat deze tot maximaal 3 meter voor de voorste voorgevel zijn toegestaan met een maximum van 1 meter uit de voorste perceelsgrens in die gevallen dat de achtertuin grens aan water, waardoor de betrokken woning niet via een eigen zijtuin bereikbaar is;
    • 3. voor erkers de breedte niet meer mag bedragen dan 75 % van de breedte van de voorgevel van de woning en de diepte niet meer dan 1,2 m, gerekend vanaf de voorste voorgevel van de woning;
    • 4. de bouwhoogte van overkappingen/veranda's en erkers niet meer bedraagt dan 0,40 m boven de eerste verdiepingsvloer, met een maximum van 4 m.
  • c. bij vrijstaande en twee-aaneen gebouwde woningen mogen aan- en uitbouwen voor de voorgevel worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. voor overkappingen/veranda's de diepte niet meer dan 2,0 m bedraagt, gerekend vanaf de voorste voorgevel van de woning;
    • 2. voor erkers de breedte niet meer mag bedragen dan 75 % van de breedte van de voorste voorgevel van de woning en de diepte niet meer dan 1,2 m, gerekend vanaf de voorgevel van de woning;
    • 3. de bouwhoogte van overkappingen/veranda's en erkers niet meer bedraagt dan 0,40 m boven de eerste verdiepingsvloer, met een maximum van 4 m.

7.2.3 Bergingen rug aan rug woningen

Ten behoeve van de realisatie van bergingen voor de rug aan rug woningen zijn vrijstaande, niet direct bij de aangrenzende percelen behorende losse bouwwerken binnen de bestemming 'Woongebied' toegestaan. Voor deze bergingen gelden de volgende regels:

  • a. een maximale goothoogte van 3 meter;
  • b. een maximale bouwhoogte van 5 meter;
  • c. een maximale oppervlakte van 9 m2 per berging;
  • d. een gezamenlijk maximaal oppervlak van 200 m2.

7.2.4 Ondergrondse bouwwerken

Ondergrondse bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, vuilopslag en andere noodzakelijke openbare voorzieningen t.b.v. het gebruik van het woongebied zijn toegestaan waarbij de verticale bouwdiepte van een (ondergronds) bouwwerk maximaal 4,5 m mag bedragen.

7.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijde
  • a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste:
    • 1. van erf- en terreinafscheidingen 2 m, waarbij de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m bedraagt.
    • 2. van schotelantennes 3 m;
    • 3. van tuinmeubilair 2 m;
    • 4. van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3 m.
    • 5. In afwijkingen van lid a sub 1 is bij rug aan rug woningen in het verlengde van de woningscheidende bouwmuur, voor de voorste voorgevel, een erfafscheiding van 1,8 (l) x1,8 (h) toegestaan.

7.3 Afwijken van de bouwregels

7.3.1 Goothoogte rug aan rug woningen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2.1 en een maximale goothoogte van 7,5 meter toestaan voor rug aan rug woningen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • 2. de woonsituatie;
  • 3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

7.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. Binnen de bestemming is de uitoefening van een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit toegestaan, als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, met inachtneming van de volgende regels:
    • 1. de voor beroepsuitoefening te gebruiken vloeroppervlakte mag maximaal 30% per woning bedragen, tot een maximum van 45 m²;
    • 2. er mag geen onevenredige afbreuk aan de woonfunctie worden gedaan;
    • 3. detailhandel en horeca zijn niet toegestaan;
    • 4. er mag geen milieu- of verkeershinder ontstaan;
    • 5. er mag geen onevenredige parkeerdruk ontstaan;
    • 6. er mag geen gebruik worden gemaakt van reclame-uitingen;
    • 7. het beroep moet worden uitgeoefend door de bewoner van het betreffende perceel
  • b. Onverminderd het bepaalde in lid 7.1 is het gebruik van vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woonruimte niet toegestaan.
  • c. Onverminderd het bepaalde in lid 7.1 is het gebruik van de daar bedoelde gronden voor een seksinrichting niet toegestaan.

7.4.1 Parkeren

Het gebruik van de gronden en bouwwerken zoals bedoeld in lid 7.1 is slechts toegestaan indien:

  • a. er wordt voorzien in de realisatie van voldoende parkeerplaatsen conform de parkeerbalans zoals opgenomen in bijlage 2 van deze regels;
  • b. parkeerplaatsen die vanaf de 1ste dag van ingebruikname van de woning op eigen grond gerealiseerd zijn om te kunnen voldoen aan de parkeerbehoefte dienen duurzaam in stand gehouden te worden en ten aller tijden bruikbaar te zijn als parkeerplaats;
  • c. de instandhoudingsplicht zoals opgenomen in lid c geldt niet voor parkeerplaatsen op eigen terrein als extra ten opzichte van de minimale parkeerbehoefte zijn gerealiseerd.

7.4.2 Aanduiding openheid

Gronden ter plaatse van de aanduiding 'openheid' worden niet aangemerkt als erf zoals bedoeld in artikel 1 bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht waarmee vergunningsvrije bouwwerken niet zijn toegestaan.

7.4.3 Voorwaardelijke verplichting goed woon- en leefklimaat

Het gebruik van woningen waarvoor hogere waarden zijn verleend in het kader van de Wet geluidshinder is alleen toegestaan indien voldaan wordt aan het geldende geluidbeleid van de gemeente Hoeksche Waard ten tijde van de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

7.4.4 Gebruik (sfeer)haarden

Tot een gebruik strijdig met de bestemming Woongebied wordt gerekend het in gebruik nemen van een (sfeer)haard met als gevolg een NOx-emissie groter dan 0 kg per jaar.

7.5 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.4 voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden bedrijf met een groter vloeroppervlak, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de voor bedrijfsuitoefening te gebruiken vloeroppervlakte mag maximaal 30% per woning bedragen, tot een maximum van 75 m²;
  • b. er mag geen onevenredige afbreuk aan de woonfunctie worden gedaan;
  • c. detailhandel, anders dan productiegebonden detailhandel, en horeca zijn niet toegestaan;
  • d. er mag geen milieu- of verkeershinder ontstaan;
  • e. het beroep moet worden uitgeoefend door de bewoner van het betreffende perceel.

Artikel 8 Waarde - Archeologische verwachting hoog 1

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologische verwachting hoog 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

8.2 Bouwregels

Ten aanzien van de in lid 8.1 bedoelde gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd die dieper reiken dan 0,50 m beneden maaiveldniveau en een groter oppervlak beslaan dan 100 m2.

8.3 Afwijken van de bouwregels
8.3.1 Afwijking

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8.2 ten behoeve van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen, mits is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Alvorens de omgevingsvergunning (voor het bouwen) te kunnen verlenen, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning hieromtrent een schriftelijk advies van de gemeentelijke archeoloog te overleggen.

8.3.2 Uitzonderingen

Afwijking als bedoeld in artikel 8.3.1 is niet vereist, indien:

  • a. op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
  • b. het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut;
  • c. het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 100 m2.

8.3.3 Voorwaarden aan een te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen

Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het laten uitvoeren van Inventariserend Veldonderzoek (IVO) en/of, indien sprake is van vastgestelde, behoudenswaardige archeologische waarden en behoud in situ van deze waarden niet mogelijk is, definitief archeologisch onderzoek in de vorm van een archeologische opgraving;
  • b. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem (in situ) kunnen worden behouden;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, archeologisch te laten begeleiden door een hiertoe gecertificeerde dienst of instelling. Tot een archeologische begeleiding kan in die gevallen worden overgegaan, waar door fysieke belemmeringen het onder lid a. vermelde Inventariserend Veldonderzoek niet mogelijk is.


8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.4.1 Omgevingsvergunningplichtige werken

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 8.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
  • b. het bodemverlagen of afgraven van gronden;
  • c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,5 m beneden maaiveldniveau;
  • d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • e. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere waterpartijen en/of watergangen;
  • g. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies.

8.4.2 Toetsingscriterium

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.4.1 wordt slechts verleend, indien door de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

8.4.3 Uitzonderingen

Het in artikel 8.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien:

  • a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • b. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 100 m2 en welke niet dieper reiken dan 0,5 m beneden het maaiveldniveau;
  • c. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
  • d. de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
    • 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    • 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning;
  • e. de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht.

8.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het verwijderen van de bestemming Waarde - Archeologische verwachting hoog 1, waarbij het uitgangspunt is dat archeologische waarden niet worden geschaad en indien dit uit reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek blijkt.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Bestaande afmetingen, afstanden en percentages

Met betrekking tot bestaande afmetingen, afstanden en percentages geldt het volgende:

  • a. In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.
  • b. In die gevallen dat de bestaande afstand tot enige op de verbeelding aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen minder bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt die afstand in afwijking daarvan als minimaal toegestaan.
  • c. In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.
  • d. De regels zoals opgenomen in de leden a t/m c hebben betrekking op:
    • 1. bestaande bouwwerken;
    • 2. uitbreiding van bestaande bouwwerken;
    • 3. sloop en vervangende nieuwbouw van bestaande bouwwerken;

met dien verstande dat deze regels uitsluitend betrekking hebben op bouwwerken binnen het bouwperceel waarin de bouwwerken met van de regels afwijkende maatvoering, zijn gesitueerd.

10.2 Ondergronds bouwen

Ondergrondse ruimten zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse bebouwing, tenzij in de bouwregels van de betreffende bestemming anders is bepaald. Op het bouwen van ondergrondse bouwwerken zijn de volgende regels van toepassing:

  • a. de verticale diepte van ondergrondse bouwwerken niet meer bedraagt dan 4,5 m beneden peil;
  • b. de verticale diepte van een ondergronds bouwwerk dat in gebruik is als rioolgemaal niet meer bedraagt dan 6 m beneden peil.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels

11.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met in het plan aan de grond gegeven bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  • b. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  • c. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie;
  • d. een gebruik van gronden en bouwwerken voor kamerverhuur.

11.2 Voorwaardelijke verplichting
11.2.1 Voorwaardelijke verplichting groene inrichting noordrand
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming 'Woongebied' is uitsluitend toegestaan indien, binnen vier jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, de herinrichting van het grondgebied ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - inrichtingsplan' is uitgevoerd en in stand wordt gehouden overeenkomstig het globale inrichtingsplan dat in Bijlage 1 van de regels is opgenomen.
  • b. De voorwaardelijke verplichting zoals geformuleerd in lid a komt te vervallen indien de onder lid a bedoelde gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - inrichtingsplan' herbestemd worden.

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels

12.1 Afwijken van de regels

Het bevoegd gezag kan – tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is – bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor:

  • a. de gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  • b. de bouwregels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • c. de bouwregels ten aanzien van de (bouw)hoogte van overige bouwwerken en toestaan dat de bouwhoogte van de overige bouwwerken wordt met maximaal 10% ten opzichte van hetgeen is vastgelegd in de regels;
  • d. de bouwregels ten aanzien van de (bouw)hoogte van overige bouwwerken en toestaan dat de hoogte van overige bouwwerken ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot maximaal 10% ten opzichte van hetgeen is vastgelegd in de regels;
  • e. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits:
    • 1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 5 m² bedraagt;
  • f. de bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen en overige bouwwerken met een inhoud van ten hoogste 50 m³ en een goothoogte van niet meer dan 4 m (ten dienste van het openbaar nut), zoals schakelhuisjes, transformatorhuisjes, wachthuisjes, telefooncellen, muurtjes, standbeelden en straatmeubilair;
  • g. het overschrijden van de aangeduide bouwgrenzen voor de bouw van bouwwerken van ondergeschikte aard zoals loggia's, erkers, keldertoegangen, dakoverstekken, luifels en balkons, die qua aard en afmetingen bij de bestemming passen tot maximaal 1 m in de richting van de weg, onverminderd het elders in deze regels bepaalde, indien de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

12.2 Randvoorwaarden toepassing omgevingsvergunning voor afwijken

Het bevoegd gezag verleent slechts medewerking aan een omgevingsvergunning voor het afwijken mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de woonsituatie;
  • c. de milieusituatie;
  • d. de verkeersveiligheid;
  • e. de sociale veiligheid;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 13 Algemene wijzigingsregels

13.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen

Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

Artikel 14 Overige regels

14.1 Parkeren

Het bevoegd gezag kan pas een omgevingsvergunning verlenen voor het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, met inachtneming van het volgende:

  • a. in het geval van nieuwbouw, uitbreiding of functiewijziging van gebouwen en/of voorzieningen, dient op eigen terrein of in de openbare ruimte te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen;
  • b. er is sprake van voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen, indien:
    • 1. voldaan wordt aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning;
    • 2. de parkeerplaatsen voldoen aan de verdere eisen (maatvoering en ontwerp) die zijn neergelegd in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning.

14.2 Afwijken

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 14.1, indien:

  • a. aanpassing van het bouwplan om alsnog te kunnen voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein redelijkerwijs niet kan worden verlangd; en
  • b. op een andere wijze is of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen.

14.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in 14.1, indien dit noodzakelijk is om een goede verkeersstructuur en/of bereikbaarheid voor een pand, perceel, straat (of deel daarvan) dan wel een andere ruimtelijke functionele structuur te waarborgen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 15 Overgangsrecht

15.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet gegaan.
  • b. Door het bevoegd gezag kan eenmalig een omgevingsvergunning worden verleend voor afwijken van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

15.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 16 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan 's-Gravendeel West I'