| Plan: | Herziening landelijk gebied Dansersweg 1 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1963.BPDansersw1BKLW19-VG01 |
De eigenaren van het perceel Dansersweg 1 in Klaaswaal hebben het voornemen om op dit perceel een nieuwe woning te realiseren terwijl bedrijfsgronden worden heringericht en een woning op termijn verdwijnt. Op deze locatie staat vanaf 1963 een groenbedrijf met bijbehorende panden. De eigenaren van het perceel willen de huidige bedrijfspanden slopen en vervangen door nieuwe gebouwen. Daarnaast dient de woning van de oprichter aan de woonbestemming onttrokken te worden. De huidige bedrijfswoning dient omgezet te worden naar een woonbestemming.
De initiatiefnemers willen de nieuwe woning aan de westelijke zijde van de boomgaard bouwen. Het bouwvlak van de bedrijfsbestemming wordt ten opzichte van de huidige situatie aangepast. Het huidige bestemmingsplan maakt de bouw van een nieuwe woning niet mogelijk.
De locatie is gelegen in het buitengebied bij Klaaswaal in de gemeente Hoeksche Waard. Het buitengebied van Klaaswaal betreft een open polderlandschap aan de zuidrand van Zuid-Holland. De locatie is gelegen aan een zijweg van de Molendijk (N488). Deze zijweg loopt dood enkele meters voor de Rijksweg A29. De Rijksweg zelf ligt op circa 900 meter afstand van de locatie.
Afbeelding 1: Ligging plangebied
Afbeelding 2: Luchtfoto planlocatie, bron: google maps.
Het voorliggende plan herziet het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2013' (vastgesteld 4 juli 2013).
Afbeelding 3: het geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied 2013" (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
De geplande ontwikkeling van de nieuwe woning past niet binnen het vigerende plan. Het huidige plan dat ter plaatse geldend is betreft het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2013' dat op 4 juli 2013 door de raad van de gemeente Cromstrijen is vastgesteld. Dit bestemmingsplan legt op de in dit plan begrepen gronden de bestemmingen 'Agrarisch', 'Bedrijf', 'Wonen' en 'Tuin'. De bedrijfsbestemming heeft de nadere aanduiding hovenier en binnen het bestemmingsvlak is een bedrijfswoning aanwezig.
Het initiatief bestaat daaruit dat ten westen van de bedrijfsbestemming een woning wordt gerealiseerd binnen wat nu de bestemming 'Agrarisch' is. Het huidige en toekomstige gebruik van de bedrijfswoning past niet meer binnen de bestemming aangezien deze niet meer met het bedrijf verbonden is in juridisch en organisatorisch opzicht. De bebouwing die bij het bedrijf hoort zal gesloopt worden in het kader van een herinrichting van het bedrijfsperceel.
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. Op de verbeelding zijn de onderscheiden bestemmingen door middel van kleuren en tekens aangegeven. De regels bevatten de materiële inhoud van de bestemmingen. De verbeelding en de regels vormen samen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan.
De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 de beschrijving van het plan. In het derde hoofdstuk wordt ingegaan op het beleidskader. In hoofdstuk 4 komt de haalbaarheid van het plan aan de orde. Vanuit de verschillende van invloed zijnde haalbaarheidsaspecten, waaronder milieu en archeologie, wordt in dit hoofdstuk beschreven waarom het (beheergedeelte van) voorliggend bestemmingplan kan worden uitgevoerd. In hoofdstuk 5 is de wijze van bestemmen aangegeven. Er wordt een antwoord gegeven op de vraag hoe hetgeen in voorliggend plan is vastgelegd juridisch wordt geregeld. In het laatste hoofdstuk, hoofdstuk 6, van dit bestemmingsplan wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid, die voorliggend bestemmingsplan doorloopt.
De locatie is gelegen in het buitengebied van Klaaswaal. Op het perceel staat een woning en een bedrijfswoning die door de oprichter, respectievelijk de voormalige directeur worden bewoond. Voor het overige bevinden zich bedrijfsgebouwen op het perceel. De locatie wordt ontsloten via de Dansersweg. De Dansersweg in Klaaswaal is een zijstraat van de Molendijk, net buiten de bebouwde kom. De Molendijk is een dijk met bebouwingslinten en ruim opgezette erven. Daardoor zijn er regelmatige doorzichten naar het open polderlandschap. De Dansersweg begint op de komgrens aan de Molendijk en loopt enkele meters voor de Rijksweg A29 dood. Een kort bebouwingslint is aan de zuidzijde van de Dansersweg gelegen. De bedrijfslocatie is op 250 meter vanuit de komgrens aan de noordzijde van de weg gelegen.
Op het perceel Dansersweg 1b te Klaaswaal is sinds 1963 het groenvoorzieningsbedrijf 'Boonstoppel Groen B.V.' gevestigd. Met uitzondering van de woning van de oprichter van het bedrijf is dit alles gelegen binnen de bestemming 'bedrijf'. De overige gronden die aan het bedrijf toebehoren hebben de bestemming 'agrarisch' en 'tuin' en zijn dienovereenkomstig in gebruik. In onderstaande afbeelding is eigendomsgrens alsmede de bovenbeschreven situatie visueel weergegeven.
Afbeelding 5 : Bestaande situatie
De initiatiefnemers hebben de wens om een nieuwe woning op hun perceel te bouwen westelijk van de boomgaard. Hiervoor wordt de huidige woning van de oprichter op termijn aan de woonbestemming onttrokken. Om dit te verzekeren is in dit plan persoonsgebonden overgangsrecht opgenomen ten aanzien van de oprichter. Door een architect is een duurzame en levensloop bestendige woning ontworpen (zie afbeelding 7). Gezien de onpraktische ligging van de bedrijfsbestemming rondom de voormalige bedrijfswoning is het de wens om het bestemmingsvlak 'Bedrijf' anders te situeren door dit onbruikbare deel in de nieuwe situatie aan de west- en noordzijde van het huidige bestemmingsvlak toe te voegen. Hierdoor kan een doelmatiger inrichting van het bedrijf ontstaan. Daarnaast wordt het bedrijfsperceel opnieuw ingericht door middel van sloop en nieuwbouw bedrijfsgebouwen. Hiertoe wordt het bouwvlak iets verlegd terwijl het bebouwingspercentage af neemt. De voormalige bedrijfswoning krijgt een woonbestemming. Dit in verband met de gewijzigde eigendomssituatie en de gewijzigde organisatie binnen het bedrijf.
Afbeelding 6 : schets toekomstige situatie
Afbeelding 7: impressie ontwerp nieuwe woning Dansersweg 1
In dit hoofdstuk wordt een weergave van het relevante beleid op rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau gegeven. Aangegeven wordt hoe het plan zich verhoudt tot de diverse beleidskaders.
In de 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' zijn nationale belangen opgenomen die zorgen voor een gegarandeerde basiskwaliteit voor alle bewoners van Nederland. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is van beperkte betekenis voor onderhavig bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is niet van nationaal belang en een verdere toetsing aan het nationaal beleid is niet nodig.
Het kabinet heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Deze algemene regels zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Nationale ruimtelijke belangen worden door middel van dit besluit juridisch geborgd. Bij de vaststelling van bestemmingsplannen moeten gemeenten de bepalingen van het Barro in acht nemen. Deze nationale belangen zijn onder meer 'Natuurnetwerk Nederland' en 'Primaire waterkeringen buiten het kustfundament'.
Conclusie
De planlocatie ligt buiten de bebouwde kom en is geen onderdeel van de ecologische hoofdstructuur. Het plangebied is niet gelegen op een locatie die van invloed is op de nationale belangen die het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening beoogt te beschermen. Het Barro heeft geen directe doorwerking op deze ontwikkeling en belemmert deze verder niet.
Besluit ruimtelijke ordening
Op 1 oktober is het 'Besluit van 28 augustus 2012, houdende wijziging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in verband met de toevoeging van enkele onderwerpen van nationaal ruimtelijk belang' (Stb. 2012, nr. 388) in werking getreden. Door dit wijzigingsbesluit is ook het Bro aangepast. In artikel 3.1.6 is het tweede lid toegevoegd. Dit lid heeft betrekking op de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze ladder stelt eisen aan de motivering van onder meer bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwing die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. De wettelijke regeling gaat vergezeld van een handreiking die andere overheden ondersteunt bij de praktische toepassing van de juridische verplichting.
Artikel 1.1.1, lid 1 onder i Bro definieert een 'stedelijke ontwikkeling' als: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.
Artikel 3.1.6 tweede lid Bro:
De ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning of de toelichting bij een bestemmingsplan die/dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:
Conclusie
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de bouw van slechts 1 woning net buiten de bebouwde kom van Klaaswaal (bestaand bebouwd gebied) tegenover een bestaand lint Hiervoor wordt de oude woning gesloopt. De woningvoorraad blijft dus door het voorliggend plan gelijk. Daarmee voldoet het bouwplan, aan de ladder voor duurzame verstedelijking zoals bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Het plan voldoet tevens aan het provinciale beleid en de gemeentelijke Nota Wonen.
Provinciale Staten hebben op 30 mei 2018 de Wijziging 2018 vastgesteld van de Visie ruimte en mobiliteit, het Programma ruimte en de Verordening ruimte 2014. De Wijziging 2018 heeft betrekking op een reeks van onderwerpen, waaronder detailhandel, behoefteramingen bedrijventerreinen, de ladder voor duurzame verstedelijking en de 3 hectare kaart.
In de gewijzigde Verordening ruimte van de provincie Zuid-Holland is vastgelegd dat ontwikkelingen moeten voldoen aan de eisen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 2.2.1. Verordening Ruimte 2014). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen inpassen, aanpassen en transformeren. In dit verband dient ook voldaan te worden aan de richtpunten die bij de kwaliteitskaart van de Visie Ruimte en mobiliteit behoren.
De locatie wordt op de kwaliteitskaart behorend bij de genoemde visie aangeduid als 'jonge zeeklei' (laag van de ondergrond) en als 'zeekleipolder' (laag van de cultuur- en natuurlandschappen). Hierbij gelden de volgende richtpunten voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling:
Overige richtpunten die volgens de kwaliteitskaart gelden vinden geen toepassing op deze locatie vanwege het feit dat deze zien op aspecten die spelen aan de rand van het eiland. De locatie waarop het initiatief gelegen is bevindt zich echter op het midden van het eiland.
Conclusie
De ruimtelijke impact deelt zich in twee delen. De ontwikkelingen met betrekking tot de bedrijfswoning en gebouwen kunnen gezien worden als 'inpassen' en passen daarom binnen het provinciaal ruimtelijk beleid. De positionering van de nieuwe woning vrijstaand in het open landschap past niet rechtstreeks binnen de ruimtelijke ambities van de provincie.
Doordat echter anderzijds een kwaliteitsverbetering optreedt zoals het amoveren van de kleine woning en het verwijderen van de oude bedrijfsbebouwing kan direct naast de boomgaard een woning geplaatst worden.
Woonvisie Hoeksche Waard
De voormalige vijf Hoekschewaardse gemeenten hebben gezamenlijk een woonvisie opgesteld en daarin vijf doelen gesteld die van belang zijn voor het toekomstig regionale woonbeleid, te weten:
Conclusie
De aard en schaal van het initiatief brengt met zich mee dat deze lastig is te toetsen aan de woonvisie. Initiatieven van deze schaal worden individueel beoordeeld. Het initiatief is van een dusdanig kleine schaal dat er geen invloed is op de doelen van de woonvisie.
Structuurvisie Hoeksche Waard
De vaststelling van de Structuurvisie Hoeksche Waard door de raad van Cromstrijen heeft op 9 juli 2009 plaatsgevonden. De Structuurvisie beoogt sturing te geven aan de ruimtelijke ontwikkeling van de regio. Tevens is de Structuurvisie een bouwsteen voor de provinciale structuurvisie. Het plangebied is in de visie aangeduid als 'landbouw ontwikkelingsgebied'. Ingezet wordt op de versterking van grootschalige, grondgebonden productielandbouw. Dat is immers type-rend voor de Hoeksche Waard en de beste garantie voor behoud van het (resterende) open landschap. Er moet voldoende planologische ruimte zijn voor bedrijfs-ontwikkeling, bijvoorbeeld schaalvergroting in gebouwen, en voor de ontwikkeling van grotere agroclusters of mis-schien zelfs ‘argibusinessparken’.
Conclusie
De visie spreekt zich niet uit over kleinschalige initiatieven, zoals de ontwikkeling buiten de bebouwde kom van een woning aan de Dansersweg. Voor dergelijke initiatieven wordt een zelfstandige afweging gemaakt. Met de sloop en nieuwbouw aan de Dansersweg wordt de ruimtelijke kwaliteit van de locatie versterkt. De ontwikkeling ondersteunt daarmee de in de visie geformuleerde, op ruimtelijke kwaliteitsverbetering gerichte, algemene aspecten. De ontwikkeling past binnen het kader van de visie.
In het kader van het bestemmingsplan dient de uitvoerbaarheid van het plan te worden aangetoond ten aanzien van verschillende sectorale aspecten, zoals bodem, lucht, geluid, water en archeologie en cultuurhistorie.
Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn.
Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met een oppervlakte vanaf 100 ha is er een beoordelingsplicht. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben.
De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud.
Dit kan niet meer uitsluitend in de vorm van een paragraaf in deze toelichting. Door een wijziging in het Besluit m.e.r. Door de initiatiefnemer moet een 'aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling worden opgesteld. Dit geldt voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst die onder de drempelwaardes vallen. De aanmeldnotitie zal uiteindelijk worden toegevoegd als bijlage bij deze toelichting.
Het plangebied heeft een bruto oppervlakte van circa 1,28 ha en blijft daarmee onder de drempel van 100 ha. In het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de volgende aspecten:
Het plangebied blijft met bruto 1,28 ha. ruim onder de drempelwaarde van 75 ha. zoals opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Uit de onderzoeken die zijn uitgevoerd blijkt dat als gevolg van de realisatie van het terrein geen (belangrijke) nadelige milieueffecten optreden, waardoor een m.e.r.-beoordeling niet aan de orde is.
In het kader van het wijzigen van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien er sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Met dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
Door Terra Milieu is op 2 april 2019 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie. Deze is opgenomen als Bijlage 1. Hieronder zijn de belangrijkste resultaten beschreven.
De locatie heeft een oppervlakte van circa 1.500 m2 en is in gebruik als weiland. Naar aanleiding van geplande nieuwbouw op de locatie en de wijziging van gebruik van enkele deellocatie is de locatie onderzocht. Het doel van het onderzoek is om aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de bodem geen verhogingen ten opzichte van de
achtergrondwaarde wordt aangetroffen. In het grondwater worden verhogingen van barium ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. De locatie kan daarom niet meer als onverdacht worden beschouwd, de resultaten van het bodemonderzoek geven echter geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren. Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde, respectievelijk de streefwaarde worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. Op basis van de resultaten van dit bodemonderzoek zijn er geen bezwaren voor het huidige en/of toekomstige gebruik van de locatie.
Conclusie
In de huidige situatie heeft het plangebied een agrarische bestemming en een bedrijfsbestemming. Deze blijft behouden terwijl een deel van de agrarische bestemming verandert naar een woonbestemming. Alleen de bestaande bebouwing wordt gesloopt en er wordt een nieuwe woning voor terug gebouwd. Er is sprake van een overgang naar een meer gevoelige functie. Een bodemonderzoek is benodigd en het onderzoek is bijgevoegd.
Op 15 november 2007 is de 'Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen)' in werking getreden. Vanaf dat moment zijn in de 'Wet milieubeheer' luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Hierin zijn het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' opgenomen. Voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet langer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'.
Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool)
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn daarnaast de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In de onder staande afbeelding zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de Molendijk weergegeven voor het peiljaar 2017. Dit zijn de rekenpunten die het dichtst bij het plangebied gelegen zijn. Langs de Dansersweg zelf zijn geen rekenpunten gelegen in de monitoringstool.
Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter hoogte van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 19.5 ìg/m3, 17.1 ìg/m3 en 10,1 ìg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 ìg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 ìg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Conclusie
De realisatie/vervanging van 1 woning en de herinrichting bedrijfsperceel dragen niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het uitvoeren van een toets is niet noodzakelijk. De concentraties voor NO2 en fijn stof liggen voor de jaren 2017, 2020 en 2030 ver beneden de grenswaarden, waarmee sprake is van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect lucht.
De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In de Wgh (artikel 1) worden de volgende objecten beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving:
In het Activiteitenbesluit bij de Wet milieubeheer zijn voorschriften opgenomen die bescherming bieden tegen geluidhinder van inrichtingen die onder het Besluit vallen. Deze bescherming wordt geboden aan gevoelige objecten. In de directe omgeving zijn echter geen inrichtingen aanwezig die onder de werking van de Wet milieubeheer vallen.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zonering. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. De wet stelt dat in principe de geluidsbelasting op de gevel van woningen niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde (48dB), dan wel een nader bepaalde waarde (hogere grenswaarde).
De nieuw te bouwen woning ligt langs een als 30 km-weg bestemde weg (Dansersweg). Voor een dergelijke weg is op grond van de Wet geluidhinder geen onderzoek noodzakelijk. Wel dient de situatie met betrekking tot geluid beschouwd te worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Het betreft een doodlopende weg met circa 10 woningen en 1 relatief klein bedrijf dat gelegen is aan het begin van de weg. Verkeersbewegingen vanwege dit bedrijf zullen daarmee niet langs de woningen gaan die verderop aan de Dansersweg zijn gelegen.
Op circa 320 meter van de planlocatie ligt de Molendijk (N488). De provinciale weg heeft twee rijstroken waardoor de geluidszone zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot 250 meter aan weerszijden van de weg. De bouwlocatie ligt buiten de wettelijke zone. Om deze reden hoeft geluid afkomstig van de A29 niet nader te worden onderzocht.
Op circa 900 meter van de locatie ligt de Rijksweg A29. Deze rijksweg heeft in beide richtingen twee rijstroken waardoor de zone langs de weg zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot 400 meter aan weerszijden van de weg. Deze weg is dus eveneens niet van invloed op het plangebied.
Conclusie
De nieuwe woning is geluidgevoelig, maar ligt niet binnen de zone van een weg. De Wet geluidhinder geeft vanuit verkeer voor het initiatief geen beperkingen. Het uitvoeren van een geluidsonderzoek is hiervoor niet noodzakelijk. De voorkeursgrenswaarde (48 dB) op de gevels van de woningen zal door de geluidsoverlast vanuit het verkeer niet worden overschreden.
Nader onderzoek naar geluidssituatie is niet noodzakelijk. Het treffen van voorzieningen is niet nodig.
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen of terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies - zoals bedrijven.
Bij een ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de nieuwe gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komt te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)' geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
In de VNG-publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen de omgevingstypen “rustige woonwijk / rustig buitengebied” en “gemengd gebied”. In het geval van het omgevingstype “gemengd gebied” mag de richtafstand met één afstandsstap worden verkleind.
Omgevingstype van het plangebied
In de omgeving van het plangebied zijn, naast woningen, verschillende bedrijven/inrichtingen aanwezig en/of bestemd in het vigerende bestemmingsplan. Het gaat om een agrarische bestemming, een bedrijfsbestemming met een aanduiding 'hovenier' en woonbestemmingen. Daardoor is het gebied aan te merken als 'gemengd gebied'. Voor een dergelijk gebied mogen de VNG-richtafstanden, zoals genoemd in de VNG-publicatie, worden gereduceerd (dat wil zeggen: één stap terug in de oorspronkelijke richtafstand).
In de directe omgeving van de woningen ligt een hoveniersbedrijf. Dit bedrijf valt binnen milieucategorie 2. Daarvoor geldt een richtafstand van 30 meter. Gelet op de ligging binnen gemengd gebied wordt hiervoor een richtafstand van 10 meter gehanteerd. De woning ligt op een afstand van 25 meter van het hoveniersbedrijf. Er wordt derhalve ruimschoots aan de richtafstand voldaan.
Voor de agrarische bestemming (tevens catgorie 2) geldt eveneens een richtafstand van 30 meter. Gelet op de ligging binnen gemengd gebied, wordt ook voor deze functie een richtafstand van 10 meter aangehouden. Hieraan wordt voldaan.
Conclusie
De toekomstige woning is aan te merken als milieugevoelig. De woning ondervindt geen hinder en er zijn geen bedrijven in de omgeving die beperkingen ondervinden van de ontwikkeling van de woning. Er bestaan dan ook vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de ontwikkeling van de woning.
Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten van gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten; het plaatsgebonden (PR) en het groepsrisico (GR).
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor de externe veiligheid worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen het invloedsgebied van de transportroute (weg, spoor, water of buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden vervoerd. Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Het plangebied is gelegen binnen de 10-8 controuw van het bedrijf Van Iperen. Aangezien het aantal woningen door het plan niet zal wijzigen is er ook geen toename van het groepsrisico.
Conclusie
De ontwikkeling wordt als hindergevoelige bestemming gekwalificeerd, maar er zijn vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor de uitvoering van het initiatief.
Europees en rijksbeleid
Nationaal Waterplan
Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld.
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.
Nationaal Bestuursakkoord Water
In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.
In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.
Kaderrichtlijn water
De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit is Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is.
Waterbeheer 21e eeuw (WB21)
In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.
Water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en kan de kwaliteit van het water hoog blijven. Op Rijks- en Europees niveau zijn de laatste jaren plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21ste eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstig waterbeleid in Nederland. De adviezen staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid in Nederland, Waterbeleid voor de 21ste eeuw. De kern van het rapport is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het water de ruimt zelf neemt. In het Waterbeleid worden twee principes van duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In een waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
Provinciaal Waterplan 2016 - 2021
Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. Het Hoofdlijnenakkoord 2015 – 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Dit maakt een volledig nieuw regionaal waterplan overbodig.
Beleid Waterschap Hollandse Delta
Waterschap Hollandse Delta heeft een Waterbeheerplan opgesteld voor de periode 2016-2021. In het Waterbeheerplan geeft het waterschap onder andere aan wat de doelstellingen voor de lange termijn zijn voor het waterbeheer. Het gaat hierbij om alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit (hoeveelheid), waterkwaliteit, waterkering (dijken) en waterketen (riolering en zuivering). Tevens wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt voor watergerelateerde thema's en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelstellingen te bereiken.
Ten aanzien van het watersysteem geldt een aantal regels:
Keurverordening Waterschap Hollandse Delta
Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen, waterkeringen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het waterschap. In de Legger van oppervlaktewaterlichamen en kunstwerken voor Waterschap Hollandse Delta zijn de watergangen en kunstwerken opgenomen, waarop de Keur van toepassing is.
Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022
Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 (GRP) vormt de basis voor het planmatige onderhoud en beheer van de riolering in de Gemeente. Voor het verwijderen van afvalwater is riolering een onmisbare voorziening. Met deze voorziening wordt beoogd de volksgezondheid te verzekeren, wateroverlast tegen te gaan en het milieu te beschermen. De aanleg en het beheer van de riolering is een gemeentelijke taak (zorgplicht) die zijn wettelijke basis vindt in de artikelen 4.22 en 4.23 van de Wet milieubeheer (Wm). Het accent ligt in dit rioleringsplan op klimaatverandering, samenwerking in de afvalwaterketen en assetmanagement.
Waterplan Cromstrijen
In 2008 is het Waterplan Cromstrijen van kracht geworden. Dit gemeentelijk Waterplan bevat maatregelen om het watersysteem te voorzien van voldoende berging en speelt in op de komende klimaatwijzigingen. Daarbij geeft het Waterplan invulling aan afspraken om de waterkwaliteit te verbeteren. Gemeente en waterschap werken de maatregelen uit in de periode 2008 - 2012. Het streven is dat de samenwerking tussen gemeente en waterschap de komende jaren leidt tot een aantrekkelijk watersysteem dat biologisch gezond is en voldoende aanvoer-, afvoer- en bergingsmogelijkheden heeft. Het Waterplan heeft dan ook de volgende hoofddoelen:
In het plangebied bevinden zich geen watergangen of primaire waterkeringen. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en er wordt een nieuwe woning voor teruggebouwd. Tevens wordt het bestemmingsvlak van de bedrijfsbestemming iets verkleind. Het verhard oppervlak blijft gelijk of neemt zelfs iets af. Derhalve is watercompensatie niet benodigd. De mogelijkheden om (hemel-)water op de locatie te bergen, vast te houden en pas daarna, indien noodzakelijk, af te voeren nemen toe ten opzichte van de huidige situatie. Bij de bouw zullen geen uitlogende materialen worden gebruikt. Het vuilwater zal worden afgevoerd via een aansluiting op het riool. Tevens beïnvloedt de bouw het grondwater niet.
De ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen. Watercompensatie is niet benodigd aangezien het verhard oppervlak gelijk blijft of zelfs iets afneemt.
Bij elk ruimtelijk initiatief wordt een beschrijving gevraagd over de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Bij het maken van plannen kan rekening gehouden worden met elementen die er vroeger wel waren, maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Erfgoedwet
De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden.
In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019. Het gaat daarbij om de volgende zaken:
Archeologische verwachtingenkaart Hoeksche Waard
De regionale archeologische verwachtingskaart van de Hoeksche Waard, vastgesteld op 19 januari 2010 door de Samenwerkingsorgaan Hoeksche Waard, is door de gemeente Cromstrijen op 10 april 2014 vastgesteld. Op deze kaart is het plangebied aangewezen als een gebied met een middelhoge archeologische verwachting.
Door Vestigia is archeologisch onderzoek verricht ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. In bijlage is de volledige rapportage te raadplegen.
De archeologische verwachting in dit gebied vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de haalbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving, met name de Wet natuurbescherming. Deze wet vormt tevens de implementatie van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn op nationaal niveau. Er mogen geen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, waarvan op voorhand duidelijk is dat deze op bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden of op streng beschermde planten of dieren.
Wet natuurbescherming
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen).
Soorten
Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen.
Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.
Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven).
Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.
Gebieden
Natura 2000
De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag.
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.
Voor beheergerichte (onderdelen van) bestemmingsplannen, met geen of slechts geringe ontwikkelingsmogelijkheden, kan in het algemeen gesteld worden dat de uitvoerbaarheid niet ter discussie zal staan. Zelfs indien beschermde soorten aanwezig zijn, zoals vogels en vleermuizen, mag worden aangenomen dat deze bij een voortzetting van het bestaande grondgebruik niet in hun voortbestaan zullen worden bedreigd.
Anders ligt het voor (onderdelen van) bestemmingsplannen die een wijziging van het grondgebruik inhouden of bijvoorbeeld het slopen dan wel oprichten van nieuwe bebouwing en/of infrastructuur. Hiervoor dient een toets flora en fauna te worden uitgevoerd.
De ontwikkeling betreft het slopen en nieuw bouwen van een woning. Hiervoor is een quickscan flora en fauna benodigd. Dit onderzoek is uitgevoerd en het rapport is bijgevoegd in de bijlage.
Voor het aspect natuur en landschap worden geen belemmeringen verwacht. Vanuit de zorgplicht wordt nog wel gevraagd om bij grondverzet rekening te houden met aanwezige dieren als de Bruine kikker en de Woelrat door deze voorafgaand aan de werkzaamheden weg te vangen en te houden. Daarnaast dient bij de bouwwerkzaamheden gebruikt te worden gemaakt van vleermuis vriendelijke verlichting.
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een nieuw initiatief op de verkeersstructuur. De woning aan de Dansersweg zal worden ontsloten op de Dansersweg en de Molendijk. De Dansersweg is een doodlopende weg en op de locatie is voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Er is geen toename van het verkeer of het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het initiatief ten opzichte van de huidige situatie.
Conclusie
Nader onderzoek is niet nodig.
Aangezien het hier een niet-gemeentelijk initiatief betreft, zullen de kosten voor de bestemmingsplanprocedure en het bouwplan voor rekening zijn van de initiatiefnemer. Met betrekking tot kostenverhaal is voorzien door middel van een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst is vastgelegd dat een eventuele kosten voor rekening van de initiatiefnemer komen.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld conform de gemeentelijke standaard, met inachtneming van de bepalingen die zijn opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) en het coderingssysteem Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO).
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de regels en verbeelding van voorliggend plan zijn
opgebouwd.
De regels bestaan uit vier hoofdstukken:
• Inleidende regels (hoofdstuk 1)
• Bestemmingsregels (hoofdstuk 2)
• Algemene regels (hoofdstuk 3)
• Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4)
Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende artikelen.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard, dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna volgt een toelichting per artikel.
Agrarisch
Voor de gronden met de bestemming 'Agrarisch' is aangesloten bij het vigerende plan 'Landelijk gebied 2013' van de gemeente Cromstrijen.
Bedrijf
Ook hier is in beginsel aangesloten bij het vigerende plan, in het hierna beschreven vooroverleg met de provincie is ingegaan op de ruimtelijke kwaliteit. Vanwege de ruimtelijke kwaliteit zijn er een aantal aanpassingen gedaan ten opzichte van het vigerende plan. Verder is het gewenst de goothoogte van de bedrijfsbebouwing met één meter te verhogen tot zeven meter, aangezien dit voor een efficiënte bedrijfsvoering gewenst cq. noodzakelijk is.
Tuin
Geen aanpassingen ten aanzien van het vigerende plan.
Wonen
Tenslotte is ook voor deze bestemming aangesloten bij ter plaatse vigerende plan. De maximale inhoud is verhoogd om aan te sluiten bij latere herzieningen en omliggende plannen.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
In hoofdstuk 3 worden enkele algemene regels gegeven, zoals de anti-dubbeltelregel. Ook worden algemene gebruiksregels gegeven. Daarnaast worden enkele algemene afwijkings- en wijzigingsregels gegeven die de flexibiliteit van het plan vergroten. Om te verzekeren dat de toekomstige sit
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Dit hoofdstuk bevat de overgangsregels voor bouwwerken en gebruik alsmede de slotregel waarin is bepaald onder welke naam de regels aangehaald worden. Om te verzekeren dat de in paragraaf 2.2 'toekomstige situatie' beschreven situatie niet leidt tot een toename van het aantal woningen is voorzien in een persoongebonden overgangsrecht.
In het kader van het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) worden voorontwerpbestemmingsplan verzonden aan de gebruikelijke partners, waaronder de provincie. Van eventuele reacties wordt in deze paragraaf verslag gedaan.
In het kader van het vooroverleg met de provincie is een principeverzoek opgesteld voor de beoordeling van de ruimtelijke kwaliteit van het initiatief. De keuzes die in dit bestemmingsplan zijn gemaakt aan de hand van de ruimtelijke handreiking die in de beoordeling door de provincie is gedaan.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook zijn de stukken met de kennisgeving aan belanghebbende diensten en instanties worden toegezonden (artikel 3:13 Algemene wet bestuursrecht).
Er is één zienswijze van omwonenden ingediend. Deze zienswijze heeft betrekking op het uiterlijk van bouwwerken en de goot- en bouwhoogte van gebouwen binnen de bedrijfsbestemming.
Er zijn geen ambtshalve wijzigingen doorgevoerd.
De ingediende zienswijze heeft geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. De maximaal toegestane nokhoogte is gewijzigd van 10 naar 8 meter. Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die borgt dat de beoogde landschappelijke inpassing ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.