direct naar inhoud van Regels
Plan: Herziening landelijk gebied Dansersweg 1
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1963.BPDansersw1BKLW19-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan:

het bestemmingsplan Herziening landelijk gebied Dansersweg 1 van de gemeente Hoeksche Waard.

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1963.BPDansersw1BKLW19-VG01 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen).

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 adviseur inzake natuur en landschap

een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen adviseur inzake natuur en landschap.

1.6 agrarisch bedrijf

een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen
en/of het houden van dieren; nader te onderscheiden in:

  • a. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, met uitzondering van fruit-, sier- en bollenteelt en bosbouw; onder akker- en vollegrondstuinbouw wordt mede witlofteelt verstaan;
  • b. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee geheel of nagenoeg geheel op open grond;
  • c. glastuinbouw: de teelt van tuinbouwgewassen geheel of nagenoeg geheel met behulp van kassen;
  • d. gemengde tuinbouw: een bedrijf dat in nagenoeg gelijke mate zowel gericht is op het duurzaam en intensief telen van tuinbouwgewassen in de volle grond als onder glas;
  • e. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond;
  • f. kleinfruitteelt: de teelt van kleinfruit op de open grond, zijnde eetbare vruchten aan meerjarige struikvormige en andere laagblijvende gewassen, behorende tot de geslachten fragaria, ribes, rubus en vaccinium met een maximale hoogte van 1,5 m;
  • g. sierteelt: de teelt van siergewassen zonder gebruikmaking van kassen;
  • h. bollenteelt: de teelt van bollen;
  • i. bosbouw: de teelt van bomen in de volle grond vanwege de houtproductie;
  • j. intensieve kwekerij: de teelt van planten, algen, vissen en ongewervelde dieren, zonder of nagenoeg zonder gebruik te maken van daglicht, met uitzondering van witlofteelt;
  • k. intensieve veehouderij: het houden van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen en geheel of nagenoeg geheel zonder weidegang, waarbij de teelt niet afhankelijk is van de agrarische grond als productiemiddel;
  • l. paardenfokkerij: het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij waaraan het africhten van en de handel in paarden ondergeschikt is; onder paardenfokkerij wordt niet verstaan paardenstalling, paardrijschool en manege.
1.7 agrarisch loonbedrijf

een onderneming of instelling die uitsluitend of overwegend gericht is op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven met behulp van landbouwwerktuigen.

1.8 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.9 bed & breakfast

het bieden van recreatief nachtverblijf, kortdurend, in de vorm van logies al dan niet met ontbijt, binnen oorspronkelijk voor een andere functie gebouwd (deel van een) hoofdgebouw, aanbouw en bijgebouw.

1.10 bedrijf

een onderneming gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen danwel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, beroepsmatige activiteiten in of bij een woning daaronder niet begrepen.

1.11 bedrijfsmatige activiteiten (in of bij een woning)

een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning door de bewoners wordt uitgeoefend, waarbij de woonfunctie als primaire functie blijft gehandhaafd en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving.

1.12 bedrijfsvloeroppervlakte

de totale vloeroppervlakte van een bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.

1.13 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bedrijfsvoering, in overeenstemming met de bestemming, noodzakelijk is.

1.14 (beperkt) kwetsbaar object:

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

objecten als zodanig bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, waaronder woningen, gebouwen die bestemd zijn voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, hotels, winkels, restaurants en cafés, kantoren, sport- en recreatieterreinen en vergelijkbare functies.

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

objecten als zodanig bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, waaronder woningen, gebouwen die bestemd zijn voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, hotels, winkels, restaurants en cafés, kantoren, sport- en recreatieterreinen en vergelijkbare functies, en lintbebouwing voor zover deze loodrecht of nagenoeg loodrecht is gelegen op de contouren van het plaatsgebonden risico van een buisleiding.

1.15 beroepsmatige activiteiten (in of bij een woning)

het beroeps- of bedrijfsmatig verlenen van diensten op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee naar de aard gelijk te stellen beroep dat door zijn aard en omvang zodanig is dat deze activiteiten in een woning kunnen worden uitgeoefend zodat de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving.

1.16 bestaand
  • a. ten aanzien van bebouwing: een bouwwerk dat op het moment van het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
  • b. ten aanzien van gebruik: het gebruik van grond en opstallen dat bestaat op het moment van het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en in overeenstemming is het voorheen geldende planologisch regime.
1.17 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

1.18 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.19 bijgebouw

een aangebouwd of op zichzelf staand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.20 bouwen:

plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten.

1.21 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

1.22 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.23 bouwperceelsgrens:

een grens van een bouwperceel.

1.24 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.25 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

1.26 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en/of leveren aan personen, die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.27 dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan het publiek, zoals een kapsalon, reisbureau, uitzendbureau, bankfiliaal, wasserette of apotheek, eventueel met bijbehorend kantoor, magazijn of ambacht, met uitzondering van garagebedrijf, horeca en seksinrichtingen.

1.28 extensieve (dag)recreatie

niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie.

1.29 gebouw:

bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.30 geluidsgevoelig object

woningen, alsmede gebouwen en terreinen als bedoeld in artikel 1.2  van het 'Besluit geluidhinder' zoals dat gold ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp plan.

1.31 geurgevoelig object

gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

1.32 gevoelig object

een object waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen, crèches en kinderdagverblijven;

1.33 hobbymatige paardenhouderij

het houden van paarden waarbij tot een maximum van 5 paarden (hieronder veulens en pony's inbegrepen) wordt aangehouden voor eigen gebruik en vrijetijdsbesteding.

1.34 hoofdgebouw

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het percee; aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.35 hoofdverblijf

het gebouw op een agrarisch perceel waarin de bedrijfswoning is gevestigd.

1.36 horeca

bedrijfsmatige activiteiten die in zijn algemeenheid zijn gericht op het ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of op het exploiteren van zaalaccommodatie.

1.37 hoveniersbedrijf

een bedrijf, geen tuincentrum zijnde, dat gericht is op de aanleg en het onderhoud van tuinen, parken en plantsoenen met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend.

1.38 kassen

bouwwerken, geheel of grotendeels van glas of ander doorschijnend materiaal ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering met een bouwhoogte van 1,5 m. of meer.

1.39 landgoed

een aaneengesloten, voor het publiek toegankelijk, natuurgebied met daarop een gedeelte bedoeld voor wonen.

1.40 landschappelijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van bodem, water, terreinvormen, niet-levende en levende natuur en het menselijk grondgebruik in onderlinge samenhang en wisselwerking.

1.41 maatschappelijke doeleinden

sociale, culturele, onderwijs-, levensbeschouwelijke en (para)medische voorzieningen, voorzieningen voor sport- en recreatiebeoefening in verenigingsverband en voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverlening.

1.42 manege

een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden en daarvoor paarden en/of pony's houdt, zulks in combinatie met een of meer van de navolgende activiteiten of voorzieningen: het in pension houden van paarden en pony's, horeca-activiteiten (kantine, foyer e.d.), logies- en/of verenigingsaccommodatie en het houden van wedstrijden of andere evenementen.

1.43 mantelzorg

langdurige, intensieve niet georganiseerde zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt gegeven aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak door één of meer leden uit diens directe dan wel sociale omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie.

1.44 mestsilo

een bouwwerk dat is bestemd voor de opslag van dierlijke meststoffen.

1.45 milieucategorie

een aan een bedrijfsactiviteit toegekende categorie volgens de in de bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten.

1.46 opslag

het bewaren van goederen, waaronder agrarische producten, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard.

1.47 paardenhouderij:

het houden van paarden en pony´s ten behoeve van:

  • a. het produceren van deze dieren, geschikt voor bepaalde taken zoals hengstenstations, opfokbedrijven, handelsstallen en africht- en trainingsstallen (productiegerichte paardenhouderij);
  • b. het gebruiken van deze dieren, zoals ten behoeve van pensionstallen, verhuurbedrijven, rijscholen en maneges (gebruiksgerichte paardenhouderij).
1.48 peil
  • a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
  • b. voor woningen die langs de dijk zijn gebouwd: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang van de bijbehorende woningen;
  • c. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
  • d. voor stacaravans: de bovenzijde beganegrondvloer.
1.49 productiegebonden detailhandel

beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen die functioneel rechtstreeks verband houden met de bedrijfsactiviteiten.

1.50 recreatief medegebruik

het geven van gelegenheid tot recreatieve activiteiten, met dien verstande dat deze functie van beperkt bedrijfsmatige - en/of ruimtelijke omvang is, zodat de functie waaraan zij wordt toegevoegd qua aard, omvang en verschijningsvorm als hoofdfunctie herkenbaar blijft.

1.51 uitbouw

een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw, dat door zijn constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, dat een vergroting van de bestaande ruimte in dat hoofdgebouw is en direct daarmee in open verbinding staat.

1.52 voormalig agrarische bedrijf

een niet volwaardig of voormalig agrarisch bedrijf, waarbij de nadruk ligt op de woonfunctie in de (voormalige) bedrijfswoning, die qua ruimtelijke uitstraling tot dat bedrijf behoort en waarbij de bijgebouwen ten dienste staan van het wonen en/of de niet volwaardige agrarische functie.

1.53 voorerf

het gedeelte van het erf dat is gelegen voor de voorgrens van het hoofdgebouw en dat grenst aan dan wel zich oriënteert op openbaar gebied.

1.54 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw, welke als belangrijkste is aan te merken en waarvan de gebouwen in hoofdzaak toegankelijk zijn.

1.55 woning

een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.  

1.56 wooneenheid

een voor wonen geschikte ruimte die, hetzij zelfstandig is en qua verschijningsvorm ondergeschikt is aan de grootste woning op een perceel, hetzij aan de grootste woning is gekoppeld en één of meer ruimten deelt met die woning.

1.57 woonperceel

een bouwperceel dat gebruikt wordt voor woondoeleinden.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling, alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen wordt daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.

2.2 bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3 dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.4 goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.5 hoogte van een windturbine:

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

2.6 inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.7 oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.8 Afstandsmaten kassen en fruitteelt en woningen
  • a. In afwijking van het bepaalde in afstand en Wonen, dient - afhankelijk van de situatie op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan - per situatie ten minste de volgende afstand in acht te worden genomen:
    • 1. uitbreiding van bestaand glastuinbouwbedrijf en bestaande woning 10 m;
    • 2. bestaand glastuinbouwbedrijf en nieuwe woning: 25 m;
    • 3. bestaand glastuinbouwbedrijf en uitbreiding bestaande woning: 10 m;

een en ander met inachtneming van specifieke milieunormen;

  • b. In afwijking van het bepaalde in Agrarisch en Artikel 3 Agrarisch, dient de afstand tussen de gronden die gebruikt worden voor fruitteelt en woningen die niet tot het betreffende fruitteeltbedrijf behoren ten minste 50 m te bedragen, een en ander met inachtneming van specifieke milieunormen.

Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Algemeen

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de volgende grondgebonden agrarische bedrijven:
    • 1. akkerbouwbedrijven;
    • 2. vollegrondstuinbouwbedrijven;
    • 3. grondgebonden veehouderijen;
    • 4. gemengde tuinbouwbedrijven;
    • 5. bestaande bosbouwbedrijven;
    • 6. fruitteeltbedrijven;
    • 7. kleinfruitteeltbedrijven;
  • b. water.

3.2 Bouwregels

Ten aanzien van de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij:

  • a. overkappingen, (mest)silo's, mest- en vloerplaten en paardenbakken en/of stapmolens niet zijn toegestaan;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • c. voorzover de maatvoering ten tijde van de inwerkingtreding van het plan reeds meer bedroeg, geldt de bestaande maatvoering als maximum.

Artikel 4 Bedrijf

4.1 Bestemmingsomschrijving
4.1.1 Algemeen

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen in Bijlage 1 van deze regels, met uitzondering van:
    • 1. risicovolle inrichtingen;
    • 2. geluidzoneringplichtige inrichtingen;
    • 3. horeca;
    • 4. detailhandel;
    • 5. zelfstandige kantoren;
  • b. bedrijfswoningen;
  • c. bedrijfsgebonden parkeervoorzieningen.

4.1.2 Hovenier

Ter plaatse van de aanduiding 'hovenier' zijn de in lid 4.1.1 bedoelde gronden uitsluitend bestemd voor een hoveniersbedrijf.

4.2 Bouwregels

Ten aanzien van de in 4.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

4.2.1 Gebouwen
  • a. gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen het bestemmingsvlak;
  • b. de gebouwen een goothoogte mogen hebben van maximaal 7 m, tenzij ter plaatse met de aanduiding 'maximale goothoogte' een andere goothoogte is aangegeven;
  • c. de gebouwen een bouwhoogte mogen hebben van maximaal 8 m, tenzij ter plaatse met de aanduiding 'maximale bouwhoogte' een andere bouwhoogte is aangegeven;
  • d. het bebouwingspercentage niet meer mag bedragen dan 40%.

4.2.2 Andere bouwwerken
  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
  • b. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m.
  • c. voorzover de bouwhoogte als bedoeld onder c ten tijde van de inwerkingtreding van het plan reeds meer bedroeg, geldt de bestaande bouwhoogte als maximum.

4.2.3 Voorwaardelijke verplichting

Op de in lid 4.1 bedoelde gronden mag op grond van lid 4.2.1 en 4.2.2 alleen gebouwd worden en mag de gerealiseerde bebouwing slechts in stand gehouden worden indien en voor zolang wordt voldaan aan het bepaalde in het als Bijlage 3 opgenomen beplantingsplan.

4.3 Afwijken van de bouwregels
4.3.1 Verhoging bebouwingspercentage

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.1 onder d bedoelde bebouwingspercentage met ten hoogste 10%-punten, waarbij de omgevingsvergunning voor het afwijken per bedrijf éénmaal verleend mag worden.

4.3.2 Verhoging bebouwingspercentage agrarisch aanverwante bedrijven

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.1 onder d bedoelde bebouwingspercentage met ten hoogste 30%-punten, onder de voorwaarde dat:

  • a. het een agrarisch aanverwant bedrijf betreft;
  • b. verplaatsing van het bedrijf naar een bedrijventerrein niet mogelijk is;
  • c. maatregelen worden getroffen voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  • d. de omgevingsvergunning voor het afwijken mag per bedrijf éénmaal verleend worden.

4.3.3 Gebouw buiten het bouwvlak

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.1 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch afzet, verwerking en toelevering' voor de realisering van een gebouw buiten het bouwvlak, onder de voorwaarde dat:

  • 1. het oppervlak van het gebouw niet meer mag bedragen dan 10 m2;
  • 2. de bouwhoogte van het gebouw niet meer mag bedragen dan 2,5 m;
  • 3. het gebouw landschappelijk wordt ingepast.

4.4 Specifieke gebruiksregels
4.4.1

Per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijf toegestaan.

4.4.2

Niet meer dan 50% van het bedrijfsoppervlak per bedrijf met een maximum van 2.000 m2 mag voor kantooractiviteiten worden gebruikt. Zelfstandige kantoren zijn niet toegestaan.

4.5 Afwijken van de gebruiksregels
4.5.1 Omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.4.2 teneinde een groter bedrijfsoppervlak voor kantooractiviteiten toe te staan, met dien verstande dat:

  • a. het kantooroppervlak ten hoogte 2.500 m2 mag bedragen, mits het kantooraandeel niet meer bedraagt dan 50% van het totale bedrijfsoppervlak;
  • b. het kantooroppervlak ten hoogste 3.000 m2 mag bedragen, mits het kantooraandeel niet meer bedraagt dan 30% van het totale bedrijfsvloeroppervlak.

4.5.2 Meerdere bedrijven

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1.1 onder a teneinde bedrijven toe te laten die niet in de Staat van bedrijfsactiviteiten, opgenomen in Bijlage 1van deze regels, zijn genoemd, indien en voorzover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de ingevolge lid 4.1.1 toegelaten categorieën van de Staat van bedrijfsactiviteiten.

4.5.3 Milieucategorie

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1.1 onder a teneinde op deze gronden bedrijven toe te laten uit categorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen in Bijlage 1 van deze regels, indien en voorzover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de ingevolge lid 4.1.1 toegelaten categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

4.5.4 Mantelzorg

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1 ten behoeve van mantelzorg in bestaande aan-, uitbouwen of bijgebouwen bij een woning dan wel het toestaan van extra aan- of uitbouwen of vrijstaande bijgebouwen ten behoeve van mantelzorg, met in achtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. de noodzaak van mantelzorg dient te worden aangetoond;
  • b. de oppervlakte aan extra gebouwen is maximaal 75 m², mits het perceel dat tot de woning behoort voor 50% onbebouwd blijft en de bouwhoogte maximaal 3.5 meter;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van aanwezige functies en waarden in de omgeving, alsmede van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende erven.

4.6 Wijzigingsbevoegdheid
4.6.1 Wijziging aanduiding

Het bevoegd gezag is bevoegd de blijkens 4.1.1 aan de gronden gegeven aanduiding te wijzigen in een andere aanduiding, teneinde een ander soort bedrijf toe te staan, onder de voorwaarde dat:

  • a. niet is genoemd in milieucategorie 3 of hoger van de Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen in Bijlage 1 van deze regels;
  • b. een verantwoorde verkeersafwikkeling kan worden voorzien;

en met dien verstande dat:

  • c. per bedrijf de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen niet meer mag bedragen dan ter plaatse met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' is aangegeven; indien geen sprake is van die aanduiding, mag het desbetreffende bouwvlak volledig met gebouwen worden bebouwd;
  • d. per bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning is toegestaan, tenzij ter plaatse met de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is aangegeven dat geen bedrijfswoning is toegestaan of tenzij ter plaatse met de aanduiding 'bedrijfswoning' is aangegeven dat twee bedrijfswoningen zijn toegestaan;
  • e. de bouwhoogte en goothoogte van gebouwen niet meer mag bedragen dan ingevolge lid 4.2.1 onder a en c is toegestaan.

4.6.2 Andere woningen dan bedrijfswoningen

Het bevoegd gezag is bevoegd de bestemming 'Bedrijf' te wijzigen in de bestemming 'Wonen' en 'Tuin' indien het betrokken bedrijf ter plaatse wordt opgeheven en het bouwvlak niet langer ten dienste van de bedrijfsvoering zal functioneren en onder de voorwaarde dat:

  • a. de gebouwen niet hoger zullen worden dan op grond van de bestemming 'Bedrijf' is toegestaan;
  • b. het op grond van de bestemming 'Bedrijf toegestane aantal bedrijfswoningen niet wordt vergroot.

Artikel 5 Tuin

5.1 Bestemmingsomschrijving
5.1.1 Algemeen

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bij woningen behorende tuinen,
  • b. onbebouwde erven,
  • c. toegangspaden en andere verhardingen;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. water.

5.1.2 Parkeren

Ter plaatse van de aanduiding 'parkeren' zijn de in lid 5.1.1 bedoelde gronden uitsluitend bestemd voor een in- en uitrit en parkeervoorzieningen ten behoeve van de aangrenzende woningen.

5.2 Bouwregels

Ten aanzien van de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

5.2.1 Gebouwen
  • a. gebouwen zijn niet toegestaan;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - 1' gebouwen binnen de bouwvlakken worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. de gezamenlijke grondoppervlakte niet meer mag bedragen dan 150 m2;
    • 2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' m is aangegeven.

5.2.2 Andere bouwwerken
  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
  • b. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m.

5.3 Afwijken van de bouwregels
5.3.1 Hobbykassen en dierenverblijven

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 ten behoeve van de bouw van hobbykassen en dierenverblijven, mits de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedraagt en de oppervlakte van de gebouwen per tuin niet meer dan 10 m2 bedraagt.

Artikel 6 Wonen

6.1 Bestemmingsomschrijving
6.1.1 Algemeen

De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen:
  • b. beroepsmatige activiteiten;
  • c. aan de functie onder a gebonden parkeervoorzieningen.

6.1.2 Opslag

Ter plaatse van de aanduiding 'opslag' zijn de in lid 6.1.1 bedoelde gronden tevens bestemd voor opslag.

6.2 Bouwregels

Ten aanzien van de in lid 6.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

6.2.1 Gebouwen
  • a. per bestemmingsvlak mag ten hoogste één vrijstaande woning worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'relatie' dienen de aangeduide bestemmingsvlakken te worden beschouwd als één bestemmingsvlak;
  • c. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens dient tenminste 1 m te bedragen, tenzij de bestaande situatie reeds kleiner is, dan geldt deze kleinere afstand als de minimale afstand;
  • d. de inhoud van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 500 m3 voor woonpercelen met een oppervlakte tot 300 m2;
  • e. de inhoud van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 800 m3 voor woonpercelen met een oppervlakte van minimaal 300 m2;
  • f. in afwijking van het bepaalde onder d en e geldt dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'maximum inhoud' de inhoud van een hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding is opgenomen;
    • 2. de inhoudsmaten mogen worden overschreden voor zover dat geschiedt door aan de woning aangebouwde voormalige bedrijfsgebouwen bij de woning te trekken;
  • g. de goothoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 5 m, tenzij ter plaatste met de aanduiding 'maximale goothoogte' een afwijkende goothoogte is aangegeven;
  • h. de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 10 m, tenzij ter plaatste met de aanduiding 'maximale bouwhoogte' een afwijkende bouwhoogte is aangegeven;
  • i. per woonperceel zijn tot een gezamenlijke oppervlakte van 50 m2 bijgebouwen toegestaan, mits
    • 1. 40% van het perceel onbebouwd blijft bij aaneengesloten hoofdgebouwen en 60% onbebouwd blijft bij vrijstaande hoofdgebouwen;
    • 2. de goothoogte van bijgebouwen niet meer bedraagt dan 3 m;
    • 3. de bouwhoogte van bijgebouwen niet meer bedraagt dan 6 m;
  • j. in afwijking van het bepaalde in lid 6.2.1 onder i is ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouw' een bijgebouw toegestaan waarvan de goot- en bouwhoogte niet meer mag bedragen dan met de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' is aangegeven;
  • k. in afwijking van het bepaalde in lid 6.2.1 onder i mag indien het woonperceel groter is dan 400 m2 tot 15% van de grotere oppervlakte extra aan bijgebouwen worden gebouwd tot een maximum van 100 m2.

6.2.2 Andere bouwwerken

ten aanzien van de lid 6.1 bedoelde gronden de volgende bouwregels voor andere bouwwerken gelden:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
  • b. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m.

6.3 Afwijken van de bouwregels
6.3.1

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2.1 onder f ten behoeve van de situering van de woning op een kortere afstand tot de as van de weg, onder de voorwaarde dat voldaan wordt aan de normen uit de Wet geluidhinder.

6.3.2

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2.1 onder k en onder l, teneinde voor het hoofdgebouw een goothoogte van maximaal 6 m en een bouwhoogte van maximaal 10 m toe te staan.

6.4 Specifieke gebruiksregels

Het gebruik van hoofdgebouwen en/of aangebouwde bijgebouwen als praktijkruimte voor beroepsmatige activiteiten is toegestaan, mits:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, waarbij geldt dat de grondoppervlakte niet meer mag bedragen dan 35% van de woning met een maximum van 50 m2;
  • b. geen afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving;
  • c. in de omgeving geen onevenredige toename van verkeersbelasting optreedt;
  • d. er wordt voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein;
  • e. de beroepsmatige activiteiten geschieden door degene die op het perceel woonachtig is;
  • f. er, behoudens een beperkte kleinschalige verkoop in direct verband met de beroepsmatige activiteiten, geen detailhandelsactiviteiten plaatsvinden.

6.5 Afwijken van de gebruiksregels
6.5.1 Bedrijfsmatige activiteiten

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.4 voor het medegebruik van hoofdgebouwen en/of aangebouwde bijgebouwen ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten, mits:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, waarbij geldt dat de grondoppervlakte niet meer mag bedragen dan 35% van de woning met een maximum van 50 m2;
  • b. geen afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving;
  • c. in de omgeving geen onevenredige toename van verkeersbelasting optreedt;
  • d. er wordt voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein;
  • e. de beroepsmatige activiteiten geschieden door degene die op het perceel woonachtig is;
  • f. er geen detailhandelsactiviteiten plaatsvinden;
  • g. er geen vergunningplichtige activiteiten op grond van de Wet milieubeheer mogen plaatsvinden.

6.5.2 Bed & breakfast

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.1 ten behoeve van bed & breakfast, onder de voorwaarde dat:

  • a. de hoofdfunctie wonen gehandhaafd blijft;
  • b. ten hoogste 4 kamers zijn toegestaan tot een oppervlakte van in totaal 100 m2, waar maximaal 10 gasten mogen verblijven;
  • c. de voorzieningen ten behoeve van de bed & breakfast binnen de bestaande bebouwing wordt gerealiseerd;
  • d. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaan;
  • e. geen sprake is van permanente bewoning.

6.5.3 Mantelzorg

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.1 ten behoeve van mantelzorg in bestaande aan-, uitbouwen of bijgebouwen bij een woning dan wel het toestaan van extra aan- of uitbouwen of vrijstaande bijgebouwen ten behoeve van mantelzorg, met in achtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. de noodzaak van mantelzorg dient te worden aangetoond;
  • b. de oppervlakte aan extra gebouwen is maximaal 75 m², mits het perceel dat tot de woning behoort voor 50% onbebouwd blijft en de bouwhoogte maximaal 3.5 meter;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van aanwezige functies en waarden in de omgeving, alsmede van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende erven.

Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels

8.1 Overschrijding bouwgrenzen
8.1.1 Toepassing

De bouwgrenzen mogen in afwijking van de op de verbeelding en hoofdstuk 2 uitsluitend worden overschreden door:

  • a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, luifels, trappen, funderingen, balkons, erkers, galerijen, hellingbanen en entreeportalen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt;
  • b. andere onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt.
8.1.2 Afwijken

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.1.1 onder a tot ten hoogste 3 m.

8.2 Ondergronds bouwen

Ondergronds bouwen dient onder het hoofdgebouw plaats te vinden tot een diepte van ten hoogste 3 m.

8.3 Bestaande maten en bestaande andere maten
8.3.1

In die gevallen dat de afstanden van gebouwen en andere bouwwerken tot gronden met de bestemming verkeer of de afstanden van gebouwen tot erfscheidingen, op de dag van terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 2 als minimum is voorgeschreven, mogen deze bestaande afstanden in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

8.3.2

In die gevallen dat de inhoud van een woning of de oppervlakten van gebouwen op de dag van terinzagelegging van het ontwerp van het plan c.q. het moment van het van kracht worden van een wijzigingsbesluit meer bedragen dan overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 2 als maximum is voorgeschreven, mogen deze bestaande maten in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

9.1

Indien niet op grond van hoofdstuk 2 reeds bij omgevingsvergunning is afgeweken kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor:

  • a. de bouw van niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals wachthuisjes, telefooncellen en naar aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen, mits deze bouwwerken geen grotere bouwhoogte dan 2,5 m en geen grotere oppervlakte dan 20 m3 hebben;
  • b. de bouw van transformatorhuisjes, mits deze bouwwerken geen grotere bouwhoogte dan 3,5 m en geen grotere inhoud dan 50 m3 hebben;
  • c. de bouw van straatmeubilair en andere bouwwerken, die om waterstaatkundige of verkeersredenen noodzakelijk zijn, zoals duikers of keermuren, mits de bouwhoogte niet meer dan 2,5 m bedraagt;
  • d. de bouw van lantaarnpalen, vlaggenmasten en antennemasten, mits deze voorzieningen van gering horizontale afmetingen zijn en mits de bouwhoogte niet meer dan 15 m bedraagt;
  • e. afwijkingen van bouwgrenzen en voorgeschreven maten (daaronder begrepen bebouwingspercentages) met ten hoogste 1,5 m respectievelijk 10%, voor zover voor wat betreft de goot- en/of bouwhoogte geen toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 8 afwijkingen van bouwgrenzen, voorzover zulks van belang is voor een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of voorzover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de afwijkingen niet meer bedragen dan 3 m.

9.2

Een omgevingsvergunning voor het afwijken mag slechts worden verleend, indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

9.3

Een omgevingsvergunning voor het afwijken mag niet worden verleend, indien hierdoor waarden van de gronden met de bestemming onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

9.4

Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken als bedoeld in 9.3 te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de adviseur inzake natuur en landschap.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

10.1 Stijdig gebruik

Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

10.2

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  • a. onbebouwde gronden te gebruik of te laten gebruiken als:
    • 1. opslagplaats voor vaten, kisten al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen, voer- en vaartuigen en machines of onderdelen daarvan, oude en nieuwe (bouw)materialen, afval, puin, grind en brandstoffen;
    • 2. uitstalling-, opslag-, stand- of ligplaats voor kamper- en/of verblijfsmiddelen;
  • b. zomerhuizen en stacaravans te gebruiken of laten gebruiken voor permanente bewoning;
  • c. gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken als seksinrichting met uitzondering van de gronden die blijkens de bestemming, de bestemmingsomschrijving en/of overige regels uitdrukkelijk zijn aangewezen voor een seksinrichting.

10.3

Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan:

  • a. vormen van gebruik als bedoeld in lid 10.2, die verenigbaar zijn met het doel waarvoor de grond ingevolge de bestemming en deze regels mag worden gebruikt;
  • b. het opslaan van bouwmaterialen, puin en specie in verband met normaal onderhoud, dan wel ter verwezenlijking van de bestemming;
  • c. het uitoefenen van detailhandel, voor zover dit een normaal en ondergeschikt bestanddeel uitmaakt van de totale bedrijfsuitoefening, zoals ingevolge de bestemming en/of deze regels toegestaan, en de verkoop van goederen, gelet op de aard daarvan, geschiedt in rechtstreeks verband met de uitoefening van het bedrijf;
  • d. voor de stalling van ten hoogste een toercaravan binnen het agrarische bouwvlak en de gronden met de bestemming Tuin en Bedrijf;
  • e. het al dan niet tijdelijk opslaan van materiaal inherent aan en ten dienste van de bestemming, alsmede producten van het land, binnen de agrarische bouwvlakken of binnen de als agrarisch loonbedrijf aangewezen bestemmingsvlakken,
  • f. het al dan niet tijdelijk opslaan van materiaal inherent aan en ten dienste van de bestemming, alsmede producten van het land, binnen de agrarische bouwvlakken of binnen de als agrarisch loonbedrijf aangewezen bestemmingsvlakken,

waarbij als voorwaarde geldt dat de omvang van de buitenopslag de normen opgenomen in het Besluit Landbouw milieubeheer, het Activiteitenbesluit, het Besluit Bodemkwaliteit en het Bouwstoffenbesluit niet mag overschrijden en de buitenopslag van akkerbouwproducten niet langer dan drie maanden na de oogst mag plaatsvinden.

Artikel 11 Algemene procedureregels

11.1 Procedureregels afwijken bij omgevingsvergunning

Op de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor afwijken is de procedure als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.

11.2 Procedureregels bij wijzigen

Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging is de procedure als bedoeld in artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing.

Hoofdstuk 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
12.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
12.1.2 Afwijken

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 12.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 12.1.1 met maximaal 10%.

12.1.3 Uitzondering

Lid 12.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

12.2 Overgangsrecht gebruik
12.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

12.2.2 Veranderen strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 12.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

12.2.3 Onderbreken strijdig gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in het lid 12.2.1 na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

12.2.4 Uitzondering

Lid 12.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

12.3 Persoonsgebonden overgangsrecht

In afwijking van het bepaalde in 12.2 is wonen door de rechthebbende natuurlijke persoon zoals deze is opgenomen in Bijlage 2 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden recht' toegestaan. Het persoonsgebonden overgangsrecht kan niet worden overgedragen aan of overgaan op andere natuurlijke personen of rechtspersonen.

Artikel 13 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Herziening landelijk gebied Dansersweg 1.