direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1960.TRIrodenburgcraye-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Woningcorporatie KleurrijkWonen is voornemens om aan de Rodenburgstraat en Laan van Crayestein te Tricht een aantal woningen te slopen en vervangende nieuwbouw te realiseren. In het plangebied (percelen kadastraal bekend als gemeente Geldermalsen, sectie K, nummers 403 en 1065) worden 16 woningen afgebroken en zullen 19 nieuwe woningen worden gerealiseerd. Met het oog op deze ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan ontwikkeld (zie Bijlage 1 bij de toelichting).

Het beoogd nieuwbouwplan kan niet worden gerealiseerd binnen de kaders die het geldende bestemmingsplan stelt. Het voorliggend bestemmingsplan "Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht" is bedoeld om de voor de beoogde ontwikkeling vereiste planologische ruimte te scheppen.

Binnen het plangebied is de bouw van 19 grondgebonden rijwoningen met bijbehorende parkeervoorzieningen (24 haaks parkeerplaatsen langs de Rodenburgstraat, 3 langsparkeerplaatsen aan de Rodenburgstraat, 9 langsparkeerplaatsen aan de Laan van Crayensteinen en 2 parkeerplaatsen op individuele percelen aan de Rodenburgstraat) en een flankerende plantsoen structuur voorzien.

1.2 Ligging plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.TRIrodenburgcraye-VSG1_0001.png"

Afbeelding: luchtfoto met globale ligging plangebied (geel omkaderd) (bron: GoogleMaps)

Ligging plangebied

Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden, gelegen in het zuidwesten van de kern Tricht. Het ene deelgebied bevindt zich ten westen van de Laan van Crayestein en ten noorden van de Rodenburgstraat. Het andere deelgebied bevindt zich aan de zuidzijde van de Rodenburgstraat. De afbakening van beide deelgebieden is globaal weergegeven op de volgende afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.TRIrodenburgcraye-VSG1_0002.png"

Afbeelding: luchtfoto ingezoomd met ligging plangebied geel omkaderd (bron: GoogleMaps)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan "Kern Tricht 2013" (NL.IMRO.0236.TRIkerntric2013gec-GECO), geconsolideerd door de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Geldermalsen op 27 maart 2015. In dit bestemmingsplan hebben de gronden in het plangebied de bestemming 'Wonen', voorzien van bouwvlakbegrenzing. Tevens geldt ter plaatse de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. Naar aanleiding daarvan is in het plangebied archeologisch onderzoek gedaan (zie paragraaf 4.8.1)

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.TRIrodenburgcraye-VSG1_0003.png"

Uitsnede geldend bestemmingsplan, met aanduiding plangebied in rood (bron: ruimtelijke plannen)

Binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan is de realisatie van het beoogde stedenbouwkundige plan niet mogelijk, omdat de aard en situering van de woningen aangepast is, maar ook het aantal woningen. Ook wordt er openbaar gebied gerealiseerd in het plangebied, dat een bijpassende verkeersbestemming krijgt.

1.4 Leeswijzer

De voorliggende toelichting is als volgt opgebouwd:

  • In hoofdstuk 2 is de bestaande karakteristiek van het plangebied beschreven;
  • In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van het beleidskader dat van toepassing is op het bestemmingsplan;
  • In hoofdstuk 4 volgt de planbeschrijving: deze bestaat uit een korte impressie van het onderliggende stedenbouwkundig plan binnen de context van de omgeving en een beschrijving van het voorgenomen bouwplan;
  • In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten;
  • In hoofdstuk 6 komt de juridische regeling aan de orde;
  • In hoofdstuk 7 is de economische uitvoerbaarheid besproken;
  • In hoofdstuk 8 is ingegaan op de resultaten van het vooroverleg en zienswijzenprocedure.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Ontstaansgeschiedenis

De loop van de rivier de Linge is in belangrijke mate leidend geweest in de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Langs de rivier ontstonden de eerste nederzettingen, op de afzettingen van zand en grind uit de rivier die breed en relatief hoger gelegen waren ten opzichte van het omringende landschap. Ook de wegenstructuur liep over deze oeverwallen. Lange tijd zijn alleen deze hoger gelegen gronden geschikt geweest voor bewoning, begrazing of als bouwland. Verder van de rivier af vonden minder afzettingen plaats en werden alleen fijnere kleideeltjes afgezet. Zo ontstonden de lager gelegen, nattere komgronden.

Pas na de bedijking van de Linge kon men overgaan tot de ontginning van de komgronden om aan de grotere behoefte aan landbouwgrond te kunnen voldoen. Het onderscheid tussen de stroomrug en de komgronden is ook nu nog in het landschap waar te nemen door het verschillende grondgebruik; de stroomruggen worden overheerst door de fruitboomgaarden en de kommen door open uitgestrekte graslanden. Beheersing van het water was moeilijk. Binnendijkse opstuwing vanuit de komgronden kwam vaak voor, waardoor dorpen onder water liepen. Deze regelmatig terugkerende overstromingen vormden de aanleiding om woningen en boerderijen op terpen te bouwen.

Ontwikkeling van Tricht

De kern Tricht heeft zich langs 3 lijnen ontwikkeld: de Lingedijk met zijn kleine, vaak witte en dicht opeen gebouwde huizen, vervolgens de Bulkstraat – Laan van Crayestein met deels open ruimte en deels woningen ertussenin en tenslotte de Kerkstraat. In de open ruimte tussen de beide haaks op de dijk staande wegen is de drukke spoorlijn Utrecht – Den Bosch terecht gerealiseerd.

De doorsnijding van de spoorlijn en de verspreiding van jongere bebouwing en voorzieningen over het dorp, maken de structuur van het dorp minder helder. Het dorp bezit waardevolle historische fragmenten; met name het beeld aan de Lingedijk, de Kerkstraat en (deels) de Bulkstraat is van waarde. Deze vertegenwoordigen dan ook de karakteristiek van het dorp. De Lingedijk is een historische dijk met een nog altijd belangrijke verkeersfunctie voor het dorp Tricht en omgeving. De dijkweg sluit aan op de Middelweg en de Appeldijk in het westen en loopt via de kern van Tricht naar de aansluiting met de N833 en de Rijksstraatweg ter hoogte van Geldermalsen in het oosten. Naast ontsluitingsweg is de Lingedijk een populaire recreatieve route. De hogere ligging van de weg op de dijk biedt een fraai uitzicht over het water, de oevers en het omliggend rivierenlandschap van de Linge. Ter plaatse van het spoortracé krijgt de dijkweg een onderdoorgang.

2.2 Ruimtelijk-functionele structuur

Het plangebied bestaat uit twee rijen aaneensloten woningen aan de Rodenburgstraat en een rij en een twee-onder-een-kapwoning aan de Laan van Crayestein. Deze woningen maken deel uit van een planmatig ontwikkelde woonbuurt met de kenmerkende woningen uit de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw. De woonbuurt bestaat uit rij-, twee-onder-een-kap- en vrijstaande woningen in half gesloten woonblokken. De openbare ruimte wordt vrijwel zonder uitzondering gekenmerkt door voortuinen, smalle trottoirs en straten met (langs-)parkeerplaatsen. Het openbare groen beperkt zich tot enkele straten met laanbeplanting en het groen tussen de evenwijdig liggende Bulkstraat en Laan van Crayestein.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.TRIrodenburgcraye-VSG1_0004.png"

Afbeelding: luchtfoto (bron: GoogleMaps)

2.3 Ruimtelijke context en aanknopingspunten

De Bulkstraat en Laan van Crayestein vormen een bijzondere stedenbouwkundige structuur in het dorp. Beide wegen lopen evenwijdig aan elkaar vanaf de Lingedijk tot aan de toegangspoort van het voormalige kasteel Crayestein. De ruimte tussen beide straten is deels ingevuld met woningbouw, deels bestaat het uit grasweiden met bomen. De bijzondere bebouwing is vooral op het oostelijke gedeelte nabij de Lingedijk te vinden. Hier staan karakteristieke T-boerderijen met gekeimde gevels, ramen met roedeverdelingen en afdekking door middel van dominante rieten kappen.

Het uitgangspunt voor het plangebied is dat de op te richten woningen aansluiten bij de omliggende woonbuurt. Echter ontstaan door het voornemen kansen om meer diversiteit in de buurt aan te brengen. De planmatige woonbuurt is immers in een kort tijdsbestek (jaren 50-60) met typerende vroeg naoorlogse woningbouw opgebouwd, met een eenzijdig aanbod en straatbeeld tot gevolg. Door middel van een afwijkende, eigentijdse vormgeving kan de nieuwbouw van de 19 woningen een positieve bijdrage aan de buurt leveren, en een welkome afwisseling in het straatbeeld betekenen.

2.4 Stedenbouwkundige opzet

Het plan voorziet in de sloop van 16 woningen, waarna 19 vervangende woningen worden gerealiseerd. De nieuwbouw bestaat uit aaneengesloten rijwoningen met voor- en achtertuinen. Aan de zuidzijde van de Rodenburgstraat krijgen de woningen twee bouwlagen met een kap, aan de noordzijde van de Rodenburgstraat en aan de Laan van Crayestein bestaan de woningen uit één bouwlaag met kap. Doordat vrijwel dezelfde typen woningen in dezelfde oriëntatie worden gebouwd als in de huidige situatie, is de ruimtelijke impact op de omgeving beperkt. De stedenbouwkundige structuur blijft vrijwel ongewijzigd. Op straatniveau worden echter kleine wijzigingen doorgevoerd. Deze zijn als volgt:

  • Ter plaatse van de vier rijwoningen aan de zuidzijde van de Rodenburgstraat worden vijf rijwoningen opgericht. De woningen hebben een smallere beukmaat maar zijn dieper. De rooilijn blijft nagenoeg ongewijzigd. Aan deze zuidelijke zijde van de Rodenburgstraat worden 9 openbare haaksparkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast is ten westen van het woonblok één parkeerplaats voorzien;
  • Ter plaatse van de zes rijwoningen aan de noordzijde van de Rodenburgstraat worden eveneens zes rijwoningen teruggebouwd. De rooilijnen worden opgeschoven, zodat aan de straatzijde ruimte ontstaat voor nog eens 15 haakse parkeerplaatsen, omzoomd met hagen en bomen. De huidige voortuinen komen hierbij te vervallen en maken plaats voor een trottoir tot aan de gevel. Daarnaast is één parkeerplaats ten oosten van het woningblok voorzien.
  • Ter plaatse van de zes rijwoningen aan de Laan van Crayestein worden acht rijwoningen opgericht. De rooilijnen van de meest zuidelijk gelegen rijwoningen worden iets opgeschoven, zodat de inrichting van de tuinen wordt geoptimaliseerd. Aan de westelijke zijde van de Laan van Crayestein worden 9 openbare langsparkeerplaatsen gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.TRIrodenburgcraye-VSG1_0005.png"

Beoogde situatie

Voor een vergrote weergave van het stedenbouwkundig plan wordt verwezen naar Bijlage 2.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke beleidskaders voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied aangegeven.

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

In het kader van de nieuwe omgevingswet, die per 1 januari 2022 in werking treedt, is de Nationale Omveringsvisie (NOVI) door het rijk opgesteld. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 wordt hierin de langetermijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk (net als nu) sturen en richting geven. Hiervoor worden vier prioriteiten onderscheiden:

  • 1. Ruimte voor klimaat adaptatie.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's.
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het rijk de volgende drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaat voor enkelvoudige functies.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Vooralsnog is het rijksbeleid ook vastgelegd in respectievelijk de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld en in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. Anders dan in de Nota Ruimte gaat de structuurvisie uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een meer selectieve inzet van rijksbeleid, met een focus op 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Het in de SVIR opgenomen beleid heeft dan ook geen rechtstreekse doorwerking op dit bestemmingsplan.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen met het oog op een goede ruimtelijke ordening.

Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. In relatie tot onderhavig bestemmingsplan zijn de in het Barro aangewezen radarverstoringsgebieden relevant.

3.1.3.1 Radarverstoringsgebied

Het plangebied is gelegen in het radarverstoringsgebied van het Radarstation Herwijnen. Vanuit het Barro vloeit de verplichting voort om de werking van het radarstation in het aangewezen gebied niet te hinderen. In verband hiermee zijn er ter voorkoming van radarverstoring beperkingen van toepassing voor de bouw van hoge gebouwen en overige bouwwerken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.TRIrodenburgcraye-VSG1_0006.jpg"

Uitsnede kaart radarstations

De bouwbeperkingen binnen het radarverstoringsgebied zijn vastgelegd in het Besluit (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). In artikel 2.4 van de Rarro zijn de radarverstoringsgebieden beschreven, waarvoor op basis van artikel 2.6.9 van het Barro bouwhoogte-beperkingen gelden in verband met radarverstoring. Tezamen met de artikelen 2.5 en 2.6 geeft dit artikel het regime om te beoordelen of er sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor de werking van de radar. Het doel van dit regime is zeker te stellen dat de defensie radars een goed beeld van het luchtruim behouden en dat dit beeld niet in onaanvaardbare mate wordt verstoord door hoge objecten. Met het oog hierop kunnen op grond van artikel 2.6.9 van het Barro hoge objecten in een radarverstoringsgebied slechts worden toegestaan nadat is aangetoond dat deze objecten het radarbeeld niet ontoelaatbaar verstoren.

De afstand tussen het radarstation Herwijnen en het plangebied bedraagt circa 11 km. Binnen een afstand van 15 km van het radarstation Herwijnen geldt dat de maximale hoogte van bouwwerken in een radarverstoringsgebied wordt bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf de top van de radarantenne op 25 m NAP, oplopend met 0,25 graden tot een punt gelegen 15 kilometer vanaf de radarantenne. De toetsingshoogte ter plaatse van dit bestemmingsplan bevindt zich daarmee rond circa 73 meter boven NAP.

De gestelde hoogtes zijn gerelateerd aan NAP. Het maaiveld in het plangebied bevindt zich op een hoogte van circa 3,5 m +NAP. Dat betekent dat een object met een hoogte groter dan 69,5 m het radarbeeld potentieel kan verstoren. Het bestemmingsplan maakt geen bouwwerken met een dergelijke bouwhoogte mogelijk. Daarmee voldoet het bestemmingsplan aan de gestelde regels inzake het radarverstoringsgebied.

3.1.4 Natura 2000

Om de natuur in Europa als geheel te beschermen en te ontwikkelen, werken de lidstaten van de Europese Unie (EU) samen aan Natura 2000. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief.

Doel van Natura 2000 is om deze flora en fauna duurzaam te beschermen. In juridische zin komt Natura 2000 voort uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen; in Nederland vertaald in de Wet natuurbescherming. Binnen een Natura 2000-gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten onder welke voorwaarden mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat private en publieke ontwikkelaars willen.

Het plangebied is niet direct gelegen in, of grenst niet direct aan een Natura 2000 gebied. In de ruime omgeving van het plangebied zijn twee Natura 2000-gebieden gelegen. Dit betreft de gebieden:

  • 1. Rijntakken: circa 6,3 km ten zuiden & 9,5 km ten noordoosten van het plangebied;
  • 2. Lingegebied & Diefdijk-Zuid: circa 9 km ten westen van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.TRIrodenburgcraye-VSG1_0007.png"

Uitsnede overzichtskaart Natura 2000 gebieden in geel (bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx)

Effectbeoordeling

Het planvoornemen betreft de realisatie van 19 woningen in de bebouwde kom van Tricht, ter vervanging van 16 woningen die in de huidige situatie aanwezig zijn. De locatie ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden, 6 km of meer. Een dergelijk gering project op deze afstand, heeft geen negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden. E.e.a. is nader onderbouwd na de Raad van State uitspraak voorjaar 2019; zie daarvoor ook paragraaf 4.10.2.

Conclusie

De voorgenomen plannen hebben geen negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden tot gevolg.

3.1.5 Toets duurzame verstedelijking

In artikel 3.1.6 van het Bro is de 'toets voor duurzame verstedelijking' opgenomen. Deze toets stelt eisen aan de onderbouwing in bestemmingsplannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. In gevallen waarbij een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient in de toelichting:

  • Gemotiveerd te worden dat een voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte;
  • (Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied) gemotiveerd te worden waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien;

De eerste vraag is echter: is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Het begrip stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”.

Het begrip woningbouwlocatie dat wordt gebruikt in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling is niet nader gedefinieerd in het Bro. Uit jurisprudentie blijkt dat 11 woningen niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Het planvoornemen omvat de realisatie van 19 woningen, daar waar er reeds 16 bestemd zijn. Ofwel planologisch wordt de mogelijkheid gecreëerd voor de netto toevoeging van 3 woningen, niet zijnde een stedelijke ontwikkeling. Een toets aan deze voorwaarden is derhalve niet aan de orde.

3.1.6 Conclusie

Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het planvoornemen niet strijdig is met nationale beleidskaders, zoals geschetst in de SVIR, het Barro en het beleid voor Natura 2000 gebieden.

Op grond van vaste rechtspraak geldt dat de netto toevoeging van drie woningen, zoals in dit plan voorzien, niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. Nadere toetsing aan de duurzame verstedelijkingsvereisten is derhalve niet aan de orde.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 hebben de Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Deze is op 1 maart 2019 in werking getreden. Centrale opgave in deze visie is een gaaf Gelderland te behouden en te ontwikkelen voor de toekomst. Daarbij staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.

In de omgevingsvisie is een zevental ambities opgenomen. Deze omvatten, in grote lijnen, de volgende onderwerpen:

  • Energietransitie: van fossiel naar duurzaam
  • Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer
  • Circulaire economie: sluiten van kringlopen
  • Biodiversiteit: werken met de natuur
  • Bereikbaarheid: duurzaam verbonden
  • Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio
  • Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam


De provincie Gelderland geeft invulling aan voorgenoemde ambities door de zogenoemde 'DOE-principes':

  • Doen: Er wordt breed gekeken en consequent gewerkt vanuit het perspectief van duurzaam én verbonden én economisch krachtig. Waar nodig worden regels en kaders gesteld;
  • Laten: zaken die niet aansluiten op de omgevingsvisie worden niet gestimuleerd;
  • Zelf: het goede voorbeeld wordt zelf gegeven, de nodige verantwoordelijkheid wordt genomen, en er is voldoende doorzettingsvermogen;
  • Samen: er wordt met open vizier gewerkt en gebouwd aan gezamenlijke agenda's met partners, en er worden kansen voor innovatie en kennisdeling gestimuleerd.


Ruimtelijk beleid

Al sinds 2014 is de ruimtelijke ontwikkeling van Gelderland een maatschappelijke opgave met verantwoordelijkheden voor overheden, organisaties en partners. De provincie draagt op een toekomstbestendige manier bij, met beleid dat een duurzame economische structuur in de provincie en regio's versterkt en dat richting geeft aan de vestigingsmogelijkheden en milieugebruiksruimte voor bedrijven.

Het provinciaal belang is gelegen in het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. De klimaatbestendigheid wordt vergroot, de mogelijkheden om zonne- en windenergie op te wekken zijn in kaart gebracht en de natuur- en landschappelijke kwaliteit blijft behouden. De provincie zet zich in voor vitale steden en dorpen en voor een duurzame verstedelijking, gericht op versterking van de stedelijke netwerken, gecombineerd met aandacht voor de vitaliteit van kleine kernen en dorpen.

De kwalitatieve regionale opgave voor wonen is van provinciaal belang, net als het belang dat bij locaties met een bovenlokaal ontwikkelpotentieel die potenties benut worden. Het beleid voorziet in provinciale kaders voor het terugdringen van leegstand en overcapaciteit in gemeentelijke plannen en voor zorgvuldige locatie-afwegingen op regionaal niveau.

Voor wonen en werken geldt een regionale aanpak die gericht is op een gezonde en veilige woonomgeving, waarin mensen zich met elkaar verbonden voelen en die goed bereikbaar is en goede voorzieningen heeft.

Ruimte in kernen en vrijgekomen bebouwing kan worden benut voor wonen en nieuwe economische dragers en als versterking van de vitaliteit van het (landelijk) gebied. Bij de nadere invulling van de uitgangspunten wordt ruimte gelaten voor lokale of regionale initiatieven door gemeenten of regionale samenwerkingsverbanden.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening Gelderland is door Provinciale Staten op 24 september 2014 vastgesteld ter vervanging van de Ruimtelijke Verordening Gelderland en op 18 oktober 2014 in werking getreden. De Omgevingsverordening is voor het laatst geactualiseerd op 19 december 2018. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. Voor onderhavig plan is Artikel 2.2 (instructieregel bestemmingsplan doorwerking regionale woonagenda) van belang, dat het volgende aangeeft:

Een bestemmingsplan maakt nieuwe woningen alleen mogelijk als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Als een ontwikkeling niet past binnen de vigerende regionale woonagenda, kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda nieuwe woningen toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden:

  • Er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking;
  • De ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid;
  • Er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling, en
  • Gedeputeerde Staten stemmen in met deze ontwikkeling.
3.2.3 Conclusie

Het voorgenomen bouwplan betreft vrijwel geheel vervangende nieuwbouw en heeft slechts betrekking op de netto toevoeging van drie woningen. Dit betreft een kleinschalige ontwikkeling, waarvoor een expliciete toetsing aan de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik niet noodzakelijk wordt geacht. De planologische realisatie van 19 vervangende (waarvan 16 reeds bestemde) woningen, verdeeld naar prijsklasse en type, past binnen de regionale woonagenda Rivierenland.

De planlocatie maakt geen onderdeel uit van het Gelders Natuur netwerk, Groene ontwikkelingszone, waardevol open gebied, weidevogelgebied, beschermingsgebied natte landnatuur of grondwaterbeschermingsgebied.

Gelet op bovenstaande wordt geconcludeerd dat het planvoornemen niet strijdig is met de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Lekker leven langs de Linge (Structuurvisie gemeente Geldermalsen)

Met de structuurvisie 'Lekker leven langs de Linge' (2009) heeft de toenmalige gemeente Geldermalsen haar visie op de ruimtelijke ontwikkeling van haar grondgebied neergelegd. Deze visie is gestoeld op drie kernkwaliteiten: landschapskwaliteit, knooppuntkwaliteit en kernenkwaliteit.

Deze drie kwaliteiten samen dragen bij aan een goede balans tussen aantrekkelijk wonen en leven enerzijds en economische vitaliteit anderzijds. Met 'kernenkwaliteit' wordt gedoeld op de verscheidenheid aan kernen in het gebied, elk met een eigen karakter.

Op het gebied van woningbouw ligt de nadruk op de kernen Geldermalsen en Beesd. Beide kernen beschikken over substantiële uitbreidingsmogelijkheden met respectievelijk de locaties De Plantage en De Garstkampen. Daarnaast zijn er verschillende kleinschalige inbreidingsmogelijkheden binnen de bestaande kernen.

Het initiatief voorziet in vervangende nieuwbouw op een inbreidingslocatie, leidend tot een geringe toename van het woningbestand. Dit conflicteert niet met de koers zoals neergelegd in de structuurvisie.

3.3.2 Woonvisie Geldermalsen 2016-2025

In de Woonvisie Geldermalsen 2016-2025 heeft de gemeente Geldermalsen haar beleidskaders omtrent wonen in één visie gebundeld. De woonvisie heeft een looptijd tot 2020, met een doorkijk naar 2025. In de woonvisie zijn twee hoofddoelstellingen geformuleerd:

  • Voorzien in de woonbehoefte van de eigen inwoners en van de huishoudens die graag in de gemeente willen komen wonen, nu en in de toekomst;
  • Waarborgen dat de gemeente Geldermalsen een groene gemeente blijft.

Deze hoofddoelstellingen worden geconcretiseerd aan de hand van vier thema's:

  • Het woningbouwprogramma;
  • Betaalbaarheid en beschikbaarheid;
  • Langer zelfstandig wonen;
  • Duurzaamheid.

Het initiatief vertegenwoordigt in beginsel vooral een kwalitatieve ingreep in de voorraad, door het vervangen van 16 verouderde woningen door 19 moderne woningen. Met het bouwprogramma wordt aangesloten bij de actuele stand van de techniek en ambitie op het vlak van (energetische) duurzaamheid en levensloop bestendigheid.

Waar het het bouwprogramma betreft, wordt met de bouw van 5 eengezinswoningen en 14 grondgebonden levensloopbestendige woningen bijgedragen aan de gewenste ontwikkeling van de voorraad in het dorp Tricht en de verwachte ontwikkeling van de woningvraag.

3.3.3 Gids voor Ruimtelijke Kwaliteit, gemeente Geldermalsen

De vormgeving van de nieuwe woonbebouwing dient te passen binnen de criteria van het welstandsbeleid van gemeente West Betuwe. De criteria zijn beschreven in de ‘Gids voor Ruimtelijke Kwaliteit’ van de (voormalige) gemeente Geldermalsen. De planlocatie behoort volgens de gids tot de planmatige woonbuurten. Hiervoor gelden algemene criteria voor welstand:

Het bouwplan:

  • Tast de waarde en kernkwaliteiten van het deelgebied en de stedenbouwkundige of landschappelijke structuur niet aan;
  • Versterkt de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte en levert een positieve bijdrage aan de leefbaarheid en sociale veiligheid van de omgeving;
  • Vormt een versterking van markante stedenbouwkundige ruimten en locaties;
  • Richt zich op de openbare ruimte en de toegang vanaf het openbaar gebied is duidelijk herkenbaar;
  • Markeert het onderscheid tussen openbaar en privé gebied duidelijk;
  • Heeft op zichzelf een evenwichtige opzet, die tot uitdrukking komt in samenhangende maatverhoudingen van buitenruimten, bouwvolumes, massaopbouw, kapvorm en vlakverdelingen;
  • Tast de kernkwaliteiten van het ensemble en/of de gebouwtypologie niet aan;
  • Sluit aan op de omgeving voor wat betreft positie, hoofdvorm, maat en schaal;
  • Heeft een herkenbaar en consequent uitgewerkt ontwerpconcept met esthetische kwaliteiten en de architectuur- of bouwstijl is afgestemd op de omgeving;

Aanvullende criteria:

  • Verandering en handhaving van het (bebouwings)beeld zijn beide mogelijk, zowel naar structuur als naar architectuur, maar altijd met behoud van stedenbouwkundige en/of landschappelijke waarden;
  • Wijzigingen en toevoegingen gaan uit van het bewaren van een zekere stedenbouwkundige samenhang per straat en een architectonische samenhang per bouwblok;
  • Bouwmassa’s voegen zich binnen uitersten van de omgeving;
  • Bij herontwikkelingen worden erfafscheidingen langs achtererven mee ontworpen;
  • De aanwezige groenstructuren vormen een belangrijke kwaliteit in de woonbuurten. Het uitgangspunt is om deze te behouden.

Naast de criteria uit deze gids zijn, door middel van een beeldkwaliteitplan (zie Bijlage 1) aanvullende criteria voor het bouwvoornemen uitgewerkt. Deze criteria zullen als aanvulling op het welstandsbeleid worden vastgesteld. Indien er sprake is van een afwijking tussen criteria in de Gids voor Ruimtelijke kwaliteit en dit beeldkwaliteitplan, zijn de criteria in het beeldkwaliteitplan leidend.

Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten

4.1 Algemeen

In dit hoofdstuk worden alle relevante milieu- en omgevingsaspecten voor het plangebied behandeld. Indien er beperkingen uit het plan voortvloeien naar aanleiding van één van de aspecten, dan is hier in dit plan als randvoorwaarde rekening mee gehouden. Een en ander betekent dat het bestemmingsplan in overeenstemming met het criterium van 'een goede ruimtelijke ordening' dient te zijn.

4.2 Bedrijven en milieuzonering

In het kader van de goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er een voldoende mate van scheiding aanwezig is tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies als wonen. De milieuzonering heeft twee doelen:

  • Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij wonen en andere gevoelige functies;
  • Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam en onder aanvaardbare voorwaarden kunnen (blijven) uitoefenen.

Voor de toetsing kan onder meer gebruik worden gemaakt van de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' waarin voor de onderscheiden bedrijfsactiviteiten generieke afstandsnormen zijn opgenomen. Dit betreffen conform jurisprudentie richtafstanden, die indicatief zijn voor een goede ruimtelijke ordening. Bij de toetsing van concrete situaties dient echter maatwerk te worden geleverd. Afwijking van de generieke richtafstanden uit de VNG publicatie is hierbij mogelijk, mits dit goed kan worden gemotiveerd.

In dit bestemmingsplan wordt de bouw van woningen mogelijk gemaakt, daar waar reeds een woonbestemming geldt. Ook wijzigt de locatie en oriëntatie van woningen binnen het plangebied niet significant.

Woningen

In de directe omgeving van het plangebied zijn uitsluitend woningen aanwezig. Deze kennen geen milieubelastend effect op de omgeving en zijn dan ook niet gezoneerd. Zoals uit onderstaande uitsnede van het geldend bestemmingsplan blijkt, komen er direct aangrenzend aan het plangebied geen andere functies voor dan wonen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.TRIrodenburgcraye-VSG1_0008.png"

Uitsnede geldend bestemmingsplan, met planlocatie gemarkeerd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Ten zuidoosten van de planlocatie is nabij het plangebied de locatie Lingedijk 138 gelegen, waarvoor een bedrijfsbestemming geldt. Conform de aanduiding is op deze locatie de vestiging en uitoefening van een supermarkt toegestaan. Voor een dergelijk bedrijf geldt een categorie aanduiding 1, passend bij een rustige woonbuurt. Voor dit bedrijf en overige functies op grotere afstand van de planlocatie, zijn bestaande woningen reeds maatgevend voor de mogelijke bedrijfsontwikkelingen. Het plangebied heeft daar geen negatief effect op.

Conclusie

Het aspect milieuzonering leidt niet tot belemmeringen voor het plan en andersom zal het plan niet leiden tot belemmeringen voor omliggende bedrijven.

4.3 Geluid

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet inzichtelijk worden gemaakt welke geluidsbronnen in of de nabije omgeving van het plangebied aanwezig zijn en wat de geluidbelasting is voor woningen en andere geluidgevoelige functies. Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening mee moet worden gehouden:

  • wegverkeerslawaai;
  • spoorweglawaai en
  • industrielawaai.

In opdracht van Pouderoyen is door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het spoor- en wegverkeerslawaai in het kader van de voorgenomen ontwikkeling (zie Bijlage 3). Dit onderzoek is van 6 januari 2020.

Omdat het spoor in 2020 is gewijzigd, heeft de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR), in opdracht van de gemeente West Betuwe, onderzocht wat de gevolgen zijn van die wijzigingen. De resultaten daarvan zijn opgenomen in een notitie van 29 april 2021 (zie Bijlage 4).

4.3.1 Wegverkeerslawaai

Uit de toets in het kader van de Wet geluidhinder kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

Ten gevolge van het wegverkeer op de niet-gezoneerde wegen Laan van Crayestein, Rodenburgstraat, Bulkstraat, Middelweg, Lingedijk, Roemershof en Moerkensgaard wordt op geen enkele gevel van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde, zijnde 48 dB overschreden.

4.3.2 Spoorweglawaai

De planlocatie bevindt zich binnen de onderzoekszone van het spoortracé (300 m). Uit de geactualiseerde geluidsberekeningen van de ODR blijkt dat de voorkeursgrenswaarde voor railverkeerslawaai van 55 dB ter plaatse van de geprojecteerde woningen niet wordt overschreden.

4.3.3 Industrielawaai

De planlocatie is niet gelegen binnen een zone voor industrielawaai. Het aspect industrielawaai hoeft derhalve voor onderhavig plangebied niet nader onderzocht te worden en vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.3.4 Cumulatie

Wet geluidhinder

Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In het onderhavige geval is dit niet aan de orde.

Goede ruimtelijke ordening

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de 'methode Miedema'. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de het spoortraject en de straat Laan van Crayestein, bedraagt 53 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie 'redelijk' en daarmee van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Tevens beschikken de woningen van het bouwplan over een geluidluwe gevel/buitenruimte. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.4 Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Hierbij zijn tevens op 15 november 2007 het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: het Besluit) en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: de Regeling) in werking getreden. Uit artikel 2, eerste lid van het Besluit volgt dat een project na de vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof of stikstofdioxide, indien deze maximaal 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes of stikstofdioxide bedraagt. Als aangetoond wordt dat een project niet meer bedraagt dan 3% aan de jaargemiddelde concentratie, behoeft het project niet te worden getoetst aan de grenswaarden en is het inpasbaar vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit. De grens van de bouw van woningen ligt bij 1500 woningen.

Conclusie

Omdat het bestemmingsplan slechts de netto toevoeging van 3 woningen mogelijk maakt, wordt op grond van het voornoemde geconcludeerd dat het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven. Het bestemmingsplan is voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

4.5 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. Met de Wet geurhinder en veehouderij geldt één toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen in de hele gemeente. Voor niet vergunningplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit het toetsingskader.

De Wet geurhinder en veehouderij bevat normen en afstanden die bedrijven moeten aanhouden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarnaast geeft de Wet geurhinder en veehouderij gemeenten de beleidsvrijheid om maatwerk te leveren dat is afgestemd op de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet gebied en de gewenste (toekomstige) ruimtelijke inrichting.

Ten aanzien van de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting betreft de geurbelasting van individuele veehouderij op een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting betreft de gebiedsbelasting: cumulatieve geurbelasting in een gebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen.

De meest nabijgelegen veehouderij (Middelweg 52), bevindt zich op ca. 575 meter van het plangebied. Op grond van deze afstand wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van onaanvaardbare geurbelasting op het plangebied. Daarnaast geldt dat onderhavige ontwikkeling niet leidt tot een belemmering in de bedrijfsvoering van de veehouderij.

Gelet op deze afstand en de ligging van het plangebied binnen de bebouwde kom van Tricht, is een nadere analyse van de achtergrondbelasting niet aan de orde.

Conclusie

Eén en ander leidt tot de conclusie dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van geur.

4.6 Bodem

Bij het toekennen van een bestemming wonen aan de grond is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. Het is bijvoorbeeld in strijd met een goede ruimtelijke ordening om gevoelige bestemmingen zoals woondoeleinden te plannen op gronden die verontreinigd zijn. In dit verband is voor het onderhavig plangebied, waarin woningen zijn voorzien, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Aelmans Eco (zie Bijlage 5). In onderstaande zijn de bevindingen en conclusies uit het onderzoek overgenomen.

Bovengrond

Het zandpakket onder de tegels / klinkers is analytisch onderzocht in grondmengmonster 1. Uit de analyseresultaten van dit betreffende grondmengmonster blijkt, dat de concentraties kwik en PCB de achtergrondwaarden overschrijden, doch niet de bodemindex en/of interventiewaarden. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan voornoemde bovengrond als klasse AW2000 grond gekwalificeerd worden.

De oorspronkelijke bovengrond (lees: klei) is analytisch onderzocht in de grondmengmonsters 2, 3 en 4. Uit de analyseresultaten van de grondmengmonsters 2 en 3 blijkt, dat geen van de standaard parameters de achtergrondwaarden overschrijden. In beide grondmengmonsters worden echter licht verhoogde concentraties OCB aangetroffen. Voornoemde concentraties zijn van dien aard, dat deze weliswaar de achtergrondwaarden overschrijden doch niet de bodemindex of interventiewaarden.

De alhier aangetroffen concentraties vormen geen directe belemmeringen voor de beoogde bouwplannen. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit, dient deze grond echter wel als klasse industrie grond gekwalificeerd te worden.

Uit de analyseresultaten van grondmengmonster 4 blijkt, dat de concentratie cadmium de achtergrondwaarde overschrijdt. Voornoemde overschrijding is van dien aard, dat deze weliswaar de achtergrondwaarde overschrijdt doch niet de bodemindex en/of interventiewaarden. Daarnaast overschrijden de concentraties OCB in voornoemd grondmengmonster niet de betreffende achtergrondwaarden. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan deze bovengrond als klasse AW2000 grond worden gekwalificeerd.


Ondergrond

De ondergrond is analytisch onderzocht in de grondmengmonsters 5 en 6. Uit de analyseresultaten van deze beide grondmengmonsters blijkt, dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden overschrijden.

Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de ondergrond als klasse AW2000 grond bestempeld worden.


Grondwater

In het grondwater zijn marginale overschrijdingen aangetroffen met barium en molybdeen. Voornoemde overschrijdingen zijn van dien aard, dat deze geen directe belemmeringen en/of beperkingen opleveren vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor de beoogde bouwplannen.


Asbest

Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek, zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetoond. Op basis van de bevindingen van voornoemd zintuiglijk bodemonderzoek en het analytisch asbestonderzoek kan de hypothese "onverdacht" met betrekking tot asbest worden bevestigd.


Conclusie

De hypothese "diffuus verontreinigde locatie" wordt op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd. Voornoemde diffuse verontreinigingen zijn veelal toe te schrijven aan de in het verleden toegepaste bestrijdingsmiddelen. De aangetroffen overschrijdingen zijn van dien aard, dat deze geen directe belemmeringen en/of beperkingen opleveren voor de geplande bouwplannen.

Voor wat betreft de onderzoekslocatie, zijn er geen aanleidingen om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek.

Resumerend kan gesteld worden, dat ondanks de verhoogde concentraties in de bovengrond en het grondwater, deze vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen vormen voor het voorgenomen gebruik. Vanwege de diversiteit in bodemlagen dient men er rekening mee te houden, dat voornoemde bodemlagen niet onderling vermengd mogen worden. Daarnaast dient men rekening te houden met diverse grondstromen (lees: klasse industrie en/of klasse AW2000 grond).

Tot slot wordt geattendeerd op het feit dat de sloop van de woningen secuur dient te worden uitgevoerd teneinde geen vermenging van de visuele schone grond met eventuele bouwpuinresten te verkrijgen.

Geconludeerd wordt dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

4.7 Verkeer en parkeren

Als onderdeel van de beoogde planontwikkeling zijn de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur en de parkeersituatie inzichtelijk gemaakt.

Verkeer

Het plan leidt niet tot wijzigingen in de bestaande verkeerskundige structuur en situatie. De nieuwe woningen worden op exact dezelfde wijze ontsloten als in de bestaande situatie, namelijk via de Rodenburgstraat en Laan van Crayestein.

De geringe toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan is dusdanig gering dat er geen knelpunten zullen ontstaan ten aanzien van de doorstroming van het verkeer en de verkeersveiligheid.

Parkeren

Op 30 juni 2020 heeft de gemeenteraad van West Betuwe het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 vastgesteld en het bestemmingsplan is inmiddels onherroepelijk in werking getreden. Dit bestemmingsplan legt voor de hele gemeente het parkeerbeleid juridisch-planologisch vast. Bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen moet het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 als juridisch-planologisch kader worden meegenomen. Concreet betekent dit dat de planregels en bijbehorende toelichting in elk nieuw plan moeten worden doorvertaald.

Het nieuwbouwplan voorziet in de bouw van 5 eengezinswoningen en 14 grondgebonden senioren levensloopbestendige woningen. Er geldt op basis van het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 een maximale parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. De totale parkeerbehoefte van het plan bedraagt daarmee 38 parkeerplaatsen.

In de Laan van Crayestein is ruimte voor 89 langsparkeerplaatsen op de rijbaan. In de Rodenburgstraat wordt via de situering van de woningen achter de rooilijnen, ruimte gecreëerd voor in totaal 24 haaksparkeerplaatsen. Daarnaast worden aan de Rodenburgstraat tevens 3 langsparkeerplaatsen gerealiseerd. Tot slot wordt twee keer één parkeerplaats gerealiseerd langs de woonblokken (één parkeerplaats ten oosten van het woningblok aan noordzijde Rodenburgstraat en één parkeerplaats ten westen van het woningblok aan zuidzijde Rodenburgstraat). Hiermee wordt in totaal in de parkeerbehoefte van 38 parkeersplaatsen voorzien. De situering van de parkeerplaatsen is weergegeven op onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.TRIrodenburgcraye-VSG1_0009.png" Parkeersituatie na nieuwbouw

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.8 Archeologie en cultuurhistorische waarden

4.8.1 Archeologie

Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumenten-zorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Erfgoedwet. In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak 'in situ' te beschermen. Gemeenten zijn met de inwerkingtreding van de Wamz in grote mate verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief.

Planspecifiek

Zoals in paragraaf 1.3 is aangegeven, geldt voor de locatie een archeologische dubbelbestemming ('Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'). Om zicht te verkrijgen op de kans op het aantreffen van archeologische waarden, is een archeologisch onderzoek uitgevoerd door Bureau voor Archeologie (rapportnr. 870, d.d. 2 oktober 2020). Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 9 bij onderhavige toelichting. Hieronder volgt een korte samenvatting van de resultaten en de besluitvorming van het bevoegd gezag.

Onderzoek

In het plangebied is een cultuurlaag geconstateerd die mogelijk is te relateren aan bewoniningssporen langs de Laan van Crayestein die dateren uit de late middeleeuwen en/of nieuwe tijd. De top van de cultuurlaag ligt vrij ondiep (ca 30 tot 50 cm) onder het huidige maaiveld met een enkele uitschieter naar 70 cm. Om geen archeologische waarden te schaden dienen graafwerkzaamheden tot in de cultuurlaag vermeden worden.

Besluit bevoegd gezag

Als in de cultuurlaag gegraven wordt, kan op basis van de resultaten besloten worden tot nader veldonderzoek om vast te stellen wat de kwaliteit van de cultuurlaag is. Voor de bouw van de drie woningen zal dit echter niet leiden tot noemenswaardige kenniswinst. De cultuurlaag is namelijk vrij heterogeen van samenstelling: er is geen sprake van een volledig intact bodemprofiel. Daarbij wordt grotendeels gebouwd op de plek waar de huidige woningen stonden. De nieuwe verstoring bedraagt hooguit 500 m2. Een archeologisch onderzoeksinspanning en mogelijke kenniswinst staat niet in verhouding tot de omvang van de ontwikkeling.

Geconcludeerd wordt dat het aspect 'Archeologie' geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Meldingsplicht

Het is nooit uit te sluiten dat bij graafwerkzaamheden toch archeologische resten tevoorschijn komen. In deze situatie geldt de meldingsplicht bij Onze Minister OCW van archeologische toevalsvondsten volgens de Erfgoedwet (artikel 5.10). In de praktijk dient de melding gedaan te worden bij Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. De melder is tevens verplicht direct gemeente West Betuwe in te lichten van de toevalsvondst.

4.8.2 Cultuurhistorie

Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is het Bro (artikel 3.6.1, lid 2) gewijzigd. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Het plangebied maakt deel uit van een naoorlogse, planmatig opgezette woonbuurt. De woningen die in het kader van het plan worden afgebroken, vertegenwoordigen in cultuurhistorisch opzicht geen bijzondere waarde. De nieuw te realiseren woningen voegen zich naar de bestaande stedenbouwkundige context (bebouwingspatroon en stratenloop), die daarmee niet noemenswaardig wijzigt.

Conclusie

Als gevolg van het plan worden geen cultuurhistorische waarden aangetast of geschaad. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen beletsel voor de planontwikkeling.

4.9 Water

4.9.1 Beleid

Beleid waterschap Rivierenland

Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 “Koers houden, kansen benutten” bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

Gemeentelijk beleid

Op 30 juli 2019 is het gemeentelijk Water- en rioleringsplan 2019-2023 door de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe vastgesteld. Het WRP is gebaseerd op de regionale blauwdruk en beschrijft de wijze waarop de gemeente West Betuwe invulling wil geven aan de zorgplicht voor (stedelijk) afvalwater, hemelwater en grondwater, alsmede een doelmatig en duurzaam beheer van de gemeentelijke riool- en watervoorzieningen en oppervlaktewater. Dit plan bevat de visie voor de lange termijn, alsmede de beleidskaders en de concrete activiteiten voor de planperiode 2019-2023. Voor de aspecten stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater, oppervlaktewater, bedrijfsvoering en participatie en communicatie is de strategie als volgt:

Stedelijk afvalwater:

  • Doelmatigheid is leidend. Hulpmiddel is het denkstappenmodel van Stowa/Rioned. De aanvliegroute van maatregelen gaat over het belang van burgers en bedrijven en niet meer vanuit de sectorale verantwoordelijkheid van gemeente en waterschap. Het beschermen van de volksgezondheid en het milieu blijven de hoofddoelen.
  • Beheerders zijn zich bewust van de (toenemende) risico’s van nieuwe stoffen in afvalwater;
  • Waar dat uit doelmatigheidsredenen gewenst is, wordt ingezet op lokale oplossingen;
  • Afvalwater wordt (in toenemende mate) als waardevolle grondstof en energiebron beschouwd.
  • Waar het gaat om innovatieve oplossingen en omgang met nieuwe afvalstoffen neemt West Betuwe op korte termijn een behoudender standpunt in. De gemeente doet mee met landelijke ontwikkelingen en regionale initiatieven maar gaat geen pilot-trajecten op eigen initiatief starten. In de aankomende planperiode is alle energie nodig om het fusieproces af te ronden en door te vertalen in alle aspecten van de rioleringszorg. In de planperiode(n) daarna zal meer ruimte zijn voor eventuele nieuwe ontwikkelingen.

Afvloeiend hemelwater

  • Ruimtelijke functies worden onderling op elkaar afgestemd en de ruimtelijke effecten (op waterhuishouding en vice versa) zijn vastgelegd in het bestemmingsplan of omgevingsplan;
  • De kwaliteit van het hemelwater bepaalt de manier van verwerken. Doel is om verontreiniging van grond- en oppervlaktewater en waterbodem te voorkomen. Dat begint bij de bron, zodat hemelwater als grondstof kan worden benut. Verontreinigd hemelwater wordt lokaal behandeld, en alleen waar dit niet doelmatig is als afvalwater naar de RWZI getransporteerd;
  • De hoeveelheid hemelwater varieert in de tijd. Dat kan leiden tot droogte of overschot, met overlast of zelfs schade tot gevolg. Om te zorgen voor voldoende aanbod bij schaarste en voldoende afvoer/verwerkingsmogelijkheden bij overschot, wordt naast het vasthouden van hemelwater (door infiltratie) ook ingezet op (het onderzoeken van mogelijkheden tot) het hergebruik van dit water. Bijvoorbeeld voor het water geven van de tuin of toiletspoeling. De West Betuwse voorkeursvolgorde is dan ook: hergebruik – vasthouden – bergen – afvoeren. Deze voorkeursvolgorde geldt uitdrukkelijk ook voor de gemeente zelf: goed voorbeeld doet volgen!

Grondwater:

  • De gemeente vervult een loketfunctie voor vragen en meldingen over grondwater;
  • Een goed grondwaterbeheer vergt samenwerking en slimme inrichting van de openbare ruimte. Bijvoorbeeld door afkoppelen en infiltreren van hemelwater en bovengrondse afvoer via ‘blauwe aders’ door de stad naar retenties;
  • De voorkeursvolgorde voor hemelwaterverwerking is ook van belang voor de grondwaterhuishouding. Als hergebruik niet mogelijk is dan heeft infiltratie van hemelwater de prioriteit. Infiltratie is van belang voor het aanvullen van het grondwater in droge, zomerse periodes. Dit gaat niet alleen verdroging, maar ook de daarmee gepaard gaande verzilting tegen. Door middel van klimaatstresstests bewaken wij de robuustheid en verbeteringskansen van het watersysteem.

Oppervlaktewater:

  • Voor het aanpakken van kwetsbaarheden (neerslag, droogte, hitte, gezondheid) door klimaatverandering wordt een strategie bepaald. Wat kunnen we doen? Waar kunnen we grote winsten behalen? Hoe financieren we het?
  • Om extreme weersituaties het hoofd te bieden en hinder, overlast en schade te beperken wordt de kwetsbaarheid voor de gevolgen van klimaatverandering in kaart gebracht. Er zijn maatregelen nodig om de kwetsbaarheid te verminderen: klimaatadaptatie;
  • In West Betuwe wordt het oppervlaktewater als integraal onderdeel van het watersysteem beschouwd, daar waar het gaat om klimaatadaptatie. Dit betekent dat alle betrokken gemeentelijke disciplines – waaronder in elk geval Riolering, Wegen en Groen – een aandeel hebben in de klimaatopgave en de maatregelen die de gemeente hiervoor wil of moet nemen. Het is daarom van belang dat de gemeente in de aankomende planperiode een (gemeentelijke) visie ontwikkelt op het West Betuwse watersysteem als één geheel;
  • Bij het ontwikkelen van nieuwe ruimtelijke plannen neemt klimaatadaptatie een belangrijke plaats in zodat vanuit oppervlaktewater geen nieuwe kwetsbaarheden of gezondheidsrisico’s ontstaan door extreme neerslag, langdurige droogte en extreme hitte;
  • Inwoners zijn op de hoogte van klimaatadaptatie, de rol van oppervlaktewater en de openbare ruimte daarin én de positieve rol die ze daar zelf in kunnen spelen;
  • In de woon- en werkomgeving is water zichtbaar, bereikbaar en veilig voor bijvoorbeeld vissers en wandelaars.

Bedrijfsvoering:

  • De basissystemen en -registraties worden op orde gebracht en er wordt gestreefd naar uniformiteit;
  • In de aankomende planperiode worden in de huidige systemen en contracten geïnventariseerd en geëvalueerd. Van hieruit wordt naar 1 beheersysteem, 1 besturingssysteem en een standaard contractvorm gewerkt. Dit alles zal bijdragen aan het streven naar 100% dekkende beheers- en functioneringsgegevens. Daarnaast zal een organisatiescan worden uitgevoerd (bijvoorbeeld op basis van de branchestandaarden van Rioned);
  • Beheer van assets geschiedt vanuit een risicogestuurde benadering;
  • De overgang van normgerichte benadering naar een risicogestuurde benadering van benodigde maatregelen betekent dat de gemeente voortaan meer onderzoeken zal uitvoeren voordat zij ingrijpt in de bestaande situatie. Bijvoorbeeld door gericht te meten en monitoren om de concrete effecten op het watersysteem te bepalen. Ook hier geldt vervolgens dat de gemeente samen met alle waterketenpartners onderzoekt wat de meest doelmatige oplossing is om de risico’s voor de inwoners van West Betuwe te minimaliseren.

Communicatie en participatie:

  • De gemeente laat burgers en bedrijven op goede wijze participeren in overheidstaken. Hierdoor nemen wederzijds begrip en betrokkenheid toe. De waterketen en het watersysteem vormen hier geen uitzondering op. In eerste instantie voor projecten en lokaal verwerken van hemelwater, op termijn ook voor lokaal verwerken van afvalwater;
  • Burgerparticipatie wordt niet als doel op zichzelf beschouwd, maar als middel om de andere waterdoelen zoals verwoord in het WRP te bereiken;
  • Burgers, bedrijven en (maatschappelijke) organisaties hebben een belangrijke rol bij stedelijk water- en rioolbeheer. Naast directe communicatie met burgers, bedrijven en (maatschappelijke) organisaties wordt ook ingezet op voorlichting via hoveniers, installateurs, woningstichtingen en onderwijs.
4.9.2 Watertoets

Pouderoyen Compagnons heeft een digitale watertoets uitgevoerd via de website www.dewatertoets.nl. Op basis van deze toets (zie bijlage 10 bij de toelichting) wordt vervolgoverleg met het waterschap Rivierenland niet noodzakelijk geacht.


Veiligheid

In het plangebied is geen kern en beschermingszone van een waterkering gelegen.


Grondwater (algemeen)

Het plangebied wordt gekenmerkt door een bepaalde grondwaterstand. De drooglegging van het gebied is hiervoor medebepalend. Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter.

Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. In gebieden waar grondwateroverlast bekend is of gebieden met hoge grondwaterstanden adviseren wij om hier nader onderzoek naar te doen. Bij hoge rivierwaterstanden kunnen gebieden gelegen nabij de rivieren overlast ondervinden van kwel. Eventuele maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of kruipruimteloos bouwen.


Waterberging

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang. Zo wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd. Het waterschap hecht groot belang aan het zoveel mogelijk instandhouden van en compenseren in open water als onderdeel van het watersysteem.

Voor plannen met een toename van verharding is compenserende waterberging nodig. Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht. Bij oppervlaktes groter dan 500 m2 in het stedelijk gebied kan eventueel de vrijgestelde oppervlaktes in mindering worden gebracht.

De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. Voor plannen met een toename aan verharding kan de vuistregel van 436 m³ per hectare verharding worden gebruikt bij bui T=10+10% en 664 m³ bij bui T=100+10%, mits er geen complicerende zaken als kwel aan de orde zijn.

De maximaal toelaatbare peilstijging bij bui T=10+10% bedraagt 0,30 meter in het beheergebied van Waterschap Rivierenland. Bij een bui T=100+10% mag geen inundatie optreden. De maatgevende afvoer is 1,5 l/s/ha. In stedelijk gebied kan de waterberging eventueel ook worden geregeld via een waterbergingsbank (indien beschikbaar). Plannen met een toename van het verhard oppervlak in stedelijk gebied tot 1.500 m2 komen hiervoor in aanmerking.


Voorkeursvolgorde aanleg watercompensatie

Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de trits vasthouden-bergen-afvoeren. In aansluiting hierop hanteert het waterschap de volgende voorkeursvolgorde:

  • Hemelwater vasthouden door hergebruik of infiltratie
  • Hemelwater bergen in open water (of droogvallende watergang)
  • Hemelwater bergen in kunstmatige bergingsvoorzieningen (wadi, bassins, kratten, kelders).


Watergangen

Binnen het plangebied ligt geen A-watergang. Binnen het plangebied ligt geen beschermingszone van een A-watergang. Binnen het plangebied ligt geen B-watergang of een beschermingszone van een B-watergang.


Waterkwaliteit (algemeen)

Hieronder volgen een aantal algemene aandachtpunten die gelden voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen:

Bij de herstructurering van bestaande woonwijken of herbouw van woningen is er de kans om het rioolsysteem zodanig aan te passen dat hemelwater wordt afgekoppeld. Het uitgangspunt is dat er minimaal tot aan de erfgrens een gescheiden stelsel wordt aangelegd.

Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage.


Riolering en zuiveringswerken

Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap.

Vervolgtraject

Op grond van de digitale watertoets procedure adviseert waterschap Rivierenland positief over het plan, onder de voorwaarde dat er voldoende rekening wordt gehouden met bovengenoemde aandachtspunten (indien van toepassing). Het ruimtelijk plan hoeft in het kader van de watertoets niet meer toegestuurd te worden aan Waterschap Rivierenland.

4.9.3 Gevolg planvoornemen

Het planvoornemen voorziet in een herontwikkeling aan de Laan van Crayestein - Rodenburgstraat waarbij 16 kwalitatief verslechterde woningen worden gesloopt en 19 nieuwe, duurzame woningen worden gebouwd. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard ten gevolge van woningen, bijgebouwen, parkeer- en verkeervoorzieningen en overige erfverhardingen. In de nieuwe situatie zal het verhard oppervlak binnen het plangebied dan ook gelijk blijven dan wel in zeer geringe mate toenemen. Gezien het feit dat de toename aan verharding ten gevolge van het planvoornemen minder dan 500 m2 bedraagt (zie ook Bijlage 11), geldt conform het beleid van Waterschap Rivierenland een vrijstelling voor compenserende waterberging.

Conform het beleid zoals geformuleerd in het gemeentelijk Water- en Rioleringsplan dient de geringe toename aan verharding binnen het plangebied wel gecompenseeerd te worden. Hiertoe worden bij nadere planuitwerking de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Afvalwater en hemelwater worden afzonderlijk van elkaar ingezameld, getransporteerd en verwerkt. Dit draagt ook bij aan een efficiëntere behandeling van het “echte” afvalwater;
  • Iedere perceeleigenaar is zich bewust van de eigen (wettelijke) verantwoordelijkheid voor het verwerken van het hemelwater dat op het eigen terrein valt. De taakverdeling tussen particulieren, bedrijven en overheid is voor iedereen duidelijk en wordt door iedereen gedragen;
  • Om wateroverlast zoveel als mogelijk te voorkomen, mogen de achtertuinen bij de woningen voor maximaal 50% worden verhard. Hiermee blijft voldoende ruimte beschikbaar voor hemelwater om te infiltreren in de bodem;
  • Bij het gebruik en de inrichting van de openbare en private ruimte wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie. Hoewel hinder en overlast in de toekomst wellicht vaker moeten worden geaccepteerd, is schade geminimaliseerd;
  • In alle gevallen worden integrale oplossingen toegepast, waarbij de verschillende functies / bestemmingen geen belemmering vormen voor elkaar.

Gelet op vorenstaande worden ten aanzien van het aspect 'water' geen belemmeringen voor het planvoornemen verwacht.

4.10 Natuur

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Het natuurbeschermingsrecht is verder te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden.

4.10.1 Soortbescherming

De voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden hebben mogelijk negatieve effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. Om goed voorbereid te zijn op een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag van de Wet natuurbescherming is er door Viridis een onderzoek uitgevoerd (projectnr. 2020-046, d.d. 19 augustus 2020) naar het voorkomen van gebouwbewonende beschermde soorten. Het onderzoek heeft zich met name gericht op de verblijfplaatsen van vleermuizen en de jaarrond beschermde nestplaatsen van huismus en gierzwaluw. Het onderzoek is als Bijlage 6 bij onderhavige toelichting bijgevoegd.

Uit het onderzoek blijkt dat er in de woningen twee zomerverblijven van gewone dwergvleermuis en één paarverblijf van ruige dwergvleermuis aanwezig zijn.

Bij uitvoering van de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden worden mogelijk verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (artikel 3.5) overtreden, omdat de verblijfplaatsen van vleermuizen verloren zullen gaan. Om deze reden is het noodzakelijk om mitigerende maatregelen uit te voeren.

Door het nemen van de juiste mitigerende maatregelen worden mogelijk optredende negatieve effecten op beschermde soorten voorkomen dan wel verminderd. Voor twee woningblokken geldt dat enkel algemene mitigerende maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht uitgevoerd moeten worden. Voor twee andere woonblokken zijn aanvullende mitigerende maatregelen wel noodzakelijk. Omdat negatieve effecten, ondanks het nemen van mitigerende maatregelen, niet in alle gevallen geheel te voorkomen zijn door de aard van de werkzaamheden, is het aanvragen van een ontheffing van de voorgenoemde wet noodzakelijk. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de onderzoeksresultaten per woningblok en de noodzakelijke vervolgstappen (ontheffingsaanvraag).

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.TRIrodenburgcraye-VSG1_0010.png"

Vastgestelde beschermde soorten per woonblok

Op 8 september 2020 is door Viridis, namens KleurrijkWonen, een ontheffingsaanvraag ingediend. Op 29 april 2021 is een positief (ontwerp) besluit genomen voor de aangevraagde ontheffing Wet natuurbescherming (zie Bijlage 7). Zodra het besluit definitief is en aan de voorschriften als opgenomen in het besluit wordt voldaan, leidt het planvoornemen ten aanzien van soortenbescherming niet tot overtredingen van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming.

Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.10.2 Gebiedsbescherming

Natura 2000

De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.

De dichtsbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn op grote afstand van het plangebied gelegen, namelijk Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’, ‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’ en 'Kolland en Overlangbroek'. Deze gebieden zijn op respectievelijk 6,3 km, 9 km en 13,3 km van het plangebied gelegen. Negatieve effecten voor licht, geluid en trillingen ten gevolge van de sloop, realisatie en in gebruik name van de woningen, zijn gezien de ruimte afstand, op deze Natura 2000-gebieden uit te sluiten.

Stikstof

Negatieve effecten ten aanzien van stikstof zijn op voorhand niet uit te sluiten. Om deze reden is door Pouderoyen Tonnaer een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8. Uit het onderzoek blijkt dat het planvoornemen niet leidt tot een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist.

4.11 Externe veiligheid

Het rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens.

Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden.

4.11.1 Externe veiligheidsbeleid

De gemeente West Betuwe wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. Om die verantwoordelijkheid in te vullen is de Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld (2019). In de visie is het externe veiligheidsbeleid van de gemeente opgenomen.

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan inrichtingen en andere risicobronnen die een risico vormen voor personen in de omgeving. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.

Door Windmill Milieu en Management is een inventarisatie uitgevoerd van de externe veiligheidsrisico's in relatie tot de voorgenomen planontwikkeling (Zie Bijlage 12 bij de toelichting). Hieruit volgen onderstaande onderzoeksresultaten.

Transport over het water en de weg

Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een waterweg of een weg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water en de weg vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde.

Transport over het spoor

Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6-risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied van de nabijgelegen spoorweg waarover structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied bevindt zich binnen een afstand van 200 meter van de spoorlijn Lunetten – Geldermalsen (route 71), waardoor de hoogte van het groepsrisico middels een RBM II-berekening kwantitatief inzichtelijk gemaakt moet worden. Tevens dient een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden aangezien het plangebied binnen het invloedsgebied (toxisch en BLEVE scenario) van voornoemde spoorweg ligt.

Door Windmill Milieu en Management is een onderzoek (incl. RBM II-berekening) uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico's van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor Lunetten - Geldermalsen (route 71). Het onderzoek (d.d. 20 februari 2020) is als Bijlage 13 bij onderhavige toelichting toegevoegd. Op basis van het onderzoek worden de volgende conclusies getrokken:

  • Plaatsgebonden risico: conform Bijlage II Tabel Basisnet spoor blijkt dat voor het spoortraject Lunetten – Geldermalsen geen plaatsgebonden 10-6-risicocontour aanwezig is, ter hoogte van het plangebied. Ook een PAG is niet aanwezig. Geconcludeerd kan worden dat het plaatsgebonden risico alsmede het PAG ten gevolge van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, geen belemmering voor de planvorming.
  • Groepsrisico: Aangetoond is dat ter hoogte van het plangebied in de huidige situatie de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden en zelfs lager is dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Als gevolg van de planontwikkeling neemt de personendichtheid binnen het plangebied toe. De gewijzigde populatieaantallen resulteren niet in een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico. Gelet op het feit dat de toename van de hoogte van het groepsrisico ongewijzigd is, kan ingevolge artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) volstaan worden met een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico.

Buisleidingen

Het plangebied ligt niet binnen de 1% letaliteitsafstand van buisleidingen. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde.

Inrichtingen

Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR10-6-risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico's als gevolg van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde.

4.11.2 Beperkte verantwoording groepsrisico

Op basis van voornoemde quickscan en rapport externe veiligheid (RBM II, 20 februari 2020) van Windmill is onderstaand een beperkte verantwoording groepsrisico uitgewerkt. Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in deze situatie namelijk worden ingegaan op de mogelijkheden voor:

  • de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op het spoor Lunetten-Geldermalsen en;
  • de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.

De uitwerking van deze elementen kan door de gemeenteraad worden gebruikt bij de oordeelsvorming inzake de verantwoording van het groepsrisico.

Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om over die elementen een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 14 mei 2021 aangegeven dat in dit geval sprake is van een situatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van (nog niet aanwezige) "zeer kwetsbare objecten", bestemd voor verminderd zelfredzame personen.Dit betekent dat personen in het plangebied zich bij een eventuele dreigende situatie zelfstandig in veiligheid kunnen brengen. Bij een calamiteit, waarbij toxische en/of brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een toxisch scenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Bij een scenario, waarbij brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het advies om te vluchten van de risicobron af, maar ook schuilen in een gebouw biedt in eerste instantie voldoende bescherming voor personen in het plangebied. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om relevante adviezen tijdig op te volgen.

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Bij een calamiteit ten gevolge van het vrijkomen van toxische en/of brandbare stoffen zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van adequate bluswatervoorzieningen (conform het Bouwbesluit) door de brandweer worden bestreden. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

4.11.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Lunetten-Geldermalsen. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voor het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid.

4.12 Kabels en leidingen

Binnen het plangebied zijn geen kabels of leidingen die vanuit planologisch opzicht van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling.

4.13 Conclusie

Uit het voorgaande blijkt dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de wet- en regelgeving en dat er met het planvoornemen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 5 Juridische regeling

5.1 Inleiding

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door voor de gronden bestemmingen aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.

5.2 Uitgangspunten

5.2.1 Wettelijk kader

Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit betekent dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan.

5.2.2 Planonderdelen

Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast.

Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/GBKN ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend.

De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de gebruiks- en bouwmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd conform de door het SVBP2012 voorgeschreven systematiek en gebaseerd op de regels uit het vigerend bestemmingsplan ('Geconsolideerde versie Kern Tricht 2013').

De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels.

5.3 Toelichting op de planregels

5.3.1 Inleidende regels

In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om onduidelijkheid door interpretatieverschillen te voorkomen. Er zijn alleen begripsbepalingen opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Een gedeelte van de begrippen is omschreven in het SVBP en dient letterlijk daaruit te worden overgenomen.

Deze begrippen en de voorgeschreven omschrijvingen zijn overgenomen. Ook over de bepaling van afstanden, hoogtes en oppervlaktes kunnen interpretatieverschillen ontstaan. Om op een eenduidige manier afstanden, hoogtes en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de wijze van meten worden in de SVBP2012 regels gegeven, welke in het plan letterlijk zijn overgenomen.

5.3.2 Bestemmingsregels

Per bestemming, die op de verbeelding wordt gebruikt, worden gebruiks- en bouwregels opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:

  • Bestemmingsomschrijving;
  • Bouwregels;
  • Nadere eisen;
  • Afwijken van de bouwregels;
  • Specifieke gebruiksregels;
  • Afwijken van de gebruiksregels;
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden;
  • Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • Wijzigingsbevoegdheid;

Niet alle onderdelen komen bij elke bestemming voor. Van de meest gebruikte onderdelen volgt hieronder een korte toelichting.

Bestemmingsomschrijving

In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies genoemd. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden 'met daaraan ondergeschikt'. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming.

Bouwregels

In de bouwregels is bepaald welke bouwwerken mogen worden opgericht, waarbij in ieder geval een onderscheid wordt gemaakt tussen de regeling van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en daar waar van toepassing ook tussen hoofdgebouwen en bijgebouwen. Voorts bevatten de bouwregels, voor zover van toepassing, minimale en maximale maatvoeringen voor de diverse bouwwerken zoals goothoogtes, bouwhoogtes, oppervlaktes en dakhellingen.

Afwijken van de bouwregels

Door het opnemen van afwijkingsbevoegdheden wordt flexibiliteit in bestemmingsregels gecreëerd door mogelijkheden te bieden om in beperkte mate af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Deze bevoegdheden zijn niet bedoeld voor afwijkingen van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze veelal kunnen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast. Voor elke afwijking is aangegeven waarvan een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels wordt verleend, de maximale afwijking die met de omgevingsvergunning kan worden toegestaan en meestal de situaties of voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels (zijnde algemene regels).

Specifieke gebruiksregels

Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening vervallen. In dit artikel was het verbod opgenomen om gronden te gebruiken op een manier die in strijd is met het bestemmingsplan. Derhalve moeten in de specifieke gebruiksregels bepaalde functies concreet worden genoemd als zijnde verboden gebruik. Ook het laten gebruiken moet specifiek worden genoemd.

Afwijken van de gebruiksregels

Door middel van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels kan van de gebruiksregels in het plan worden afgeweken ten behoeve van een concrete vorm van grondgebruik. Dit mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel kan worden afgeweken van de gebruiksregels ten behoeve van functies die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies, maar dat via het afwijken geen 'nieuwe' functies kunnen worden toegestaan. Het afwijken van de gebruiksregels dient te zien op kleinere, planologisch minder ingrijpende onderwerpen. Functiewijzigingen en grotere, ruimtelijke ingrepen dienen te worden geregeld via een wijzigingsbevoegdheid of een afzonderlijke bestemmingsplanherziening.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of werkzaamheden

Met een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden kunnen specifieke inrichtingsactiviteiten aan een werk of werkzaamheid worden verbonden. Onder deze inrichtingsactiviteiten valt niet het bouwen en het gebruiken. Een vergunningenstelsel wordt opgenomen om extra bescherming aan een specifieke waarde van de bestemming te bieden, zoals landschappelijke of natuurlijke waarden, ecologische waarden of de groen- en/of waterstructuur. Een vergunningenstelsel kan in specifieke en bijzondere situaties worden opgenomen in verband met bijvoorbeeld het verwijderen van waardevolle boombeplanting.

5.4 Toelichting op bestemmingen

Hierna zijn de binnen het plangebied gelegen bestemmingen afzonderlijk opgenomen.

5.4.1 Bestemming Verkeer - Verblijfsgebied

Binnen de bestemming “Verkeer – Verblijfsgebied” vallen de wegen, de openbare verblijfsruimten met het hierbij behorende groen en de overige verkeersdoeleinden waaronder de parkeervoorzieningen. Tevens zijn de gronden bestemd voor groenvoorziening en beplanting, water, openbare nutsvoorzieningen en straatmeubilair, waaronder in ieder geval afvalcontainers. Ter plaatse van de aanduiding "groen" zijn de gronden uitsluitend bestemd voor (openbare) groenvoorzieningen, water, paden en in- en uitritten, straatmeubilair en speelvoorzieningen.

5.4.2 Bestemming Wonen

Ten behoeve van de woningen is de bestemming 'Wonen' opgenomen. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woondoeleinden, water en openbare nutsvoorzieningen, één en ander met bijbehorende voorzieningen. In het kader van de waterbergingsopgave geldt dat de achtertuinen bij de woningen voor maximaal 50% mogen worden verhard. Tevens wordt bij de woonbestemming een aan huis gebonden beroep of bedrijf onder voorwaarden toegestaan.

5.4.3 Dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 1 en 2

De dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie 1” en "Waarde - Archeologie 2" gelden voor de gronden waar ingevolge het gemeentelijke erfgoedbeleid een hoge verwachting geldt voor het aantreffen van archeologische waarden. Het is verboden bodemverstorende ingrepen uit te voeren die een gebied beslaan groter dan 100 m2 en dieper dan 0,3 cm beneden maaiveld ("Waarde - Archeologie 1") of bodemverstorende ingrepen uit te voeren die een gebied beslaan groter dan 500 m2 en dieper dan 0,3 cm beneden maaiveld ("Waarde - Archeologie 2") zonder een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Naast het toetsen aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient het bestemmingsplan ook getoetst te worden aan de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in het kader van het bestemmingsplan een onderzoek te worden gedaan naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van het plan.

In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voorgeschreven dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor de gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is de definitie van bouwplan gegeven, waarbij de bouw van één of meerdere woningen als bouwplan wordt gedefinieerd. Met het tweede lid van artikel 6.12 Wro kan worden afgeweken van de plicht een exploitatieplan vast te stellen, mits het verhaal van kosten anderszins is verzekerd.

De kosten voor het bouwplan alsmede de plankosten worden gedragen door de initiatiefnemer. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van planschade. Hiervoor wordt een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente gesloten. De ambtelijke kosten voor de realisatie van het plan zijn voor de gemeente anderszins verzekerd in deze overeenkomst. Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan wordt, conform artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening, gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de periode van ter inzage legging kunnen bewoners, bedrijven, dorps- en stadsraden en andere geïnteresseerden of belanghebbenden reageren op het plan. In dezelfde periode is ook overleg gevoerd met andere overheden over het plan. De resultaten van de ter inzage legging kunnen leiden tot aanpassingen, verbeteringen of wijzigingen van het plan.

Hoofdstuk 7 Procedure

7.1 Overleg en inspraak

Ingevolge artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dienen burgemeester en wethouders overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die dienste van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In verband hiermee wordt het ontwerp bestemmingsplan voorgelegd aan verschillende instanties.

Omwonenden zijn voorafgaand aan de procedure persoonlijk over het initiatief geïnformeerd. Om die reden is er geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

7.2 Procedure

Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter inzage gelegen (van 6 mei 2021 t/m 16 juni 2021). Gedurende deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om zijn/haar zienswijze kenbaar te maken. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

Naar aanleiding van een reactie van de ODR betreffende de paragraaf 'Externe veiligheid' en een verzoek van Waterschap Rivierenland om een verhardingsbalans toe te voegen, zijn ambtshalve wijzigingen doorgevoerd in het plan. Dit betreffen enkel tekstuele wijzigingen in de toelichting, die geen gevolg hebben voor de uitkomsten van het plan.

Het bestemmingsplan is in de raadsvergadering van 28 september 2021 ongewijzigd vastgesteld.