direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Waaldijk 4, Opijnen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1960.OPIWaaldijk4-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Gebr. Van Kessel Buren B.V. bezit aan Waaldijk 4 te Opijnen een bedrijfslocatie waar verschillende bedrijfsonderdelen van het 'aannemersbedrijf in de wegenbouw' zijn gevestigd c.q. gebruik van maken. Daarnaast is een groot deel van het bedrijfsperceel in gebruik voor (buiten)opslag.

Het bedrijfsperceel is in het bestemmingsplan 'Buitengebied Neerijnen, veegplan 2017' bestemd als 'Bedrijf' en nader aangeduid als 'specifieke vorm van bedrijf - 35', waarbinnen een aannemersbedrijf, houtbewerking en (binnen)opslag is toegestaan.

Naar aanleiding van een controlebezoek door de Omgevingsdienst Rivierenland, die op verzoek van een omwonende is uitgevoerd, is gebleken dat de huidige bedrijvigheden niet meer volledig binnen het huidige bestemmingsregiem passen. Het type bedrijf en de buitenopslag komt niet meer overeen met de vigerende bestemming. Het vigerende bestemmingsplan bevat een binnenplanse mogelijkheid om het type bedrijf onder voorwaarden te wijzigen. Het buitenopslag moet echter door middel van een zelfstandige juridisch-planologische procedure mogelijk worden gemaakt.

Ten behoeve van onderhavig plan is het college gevraagd medewerking te verlenen aan het in overeenstemming brengen van het juridisch-planologisch regiem met de feitelijke situatie. De gemeente heeft per brief (van 20 augustus 2018 met kenmerk 18-23579-31857) medegedeeld in principe medewerking te verlenen aan het opstarten van een juridisch-planologische procedure in de vorm van een herziening van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Plangebied

Het plangebied is gelijk aan het bedrijfsperceel aan de Waaldijk 4 te Opijnen en staat kadastraal bekend als (kadastrale) gemeente Est en Opijnen, sectie C, nummers 2529 (gedeeltelijk) en 2530 (gedeeltelijk). Het oppervlak van het bedrijfsperceel bedraagt circa 3,65 hectare. Ten oosten van het plangebied is de woonkern van Opijnen gelegen en ten zuiden van het plangebied loopt de Waal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.OPIWaaldijk4-VSG1_0001.jpg"

Afbeelding 1.1: ligging en globale begrenzing van het plangebied

1.3 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 behandelt het vigerende bestemmingsplan en in hoofdstuk 4 wordt de beoogde situatie getoetst aan het beleid. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 6 gaat in op bestemmingsplansystematiek en het wijze van bestemmen. In hoofdstuk 7 en 8 wordt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan toegelicht.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

Historie

Het bedrijventerrein is gesticht als bedrijfslocatie van de Opijnensche Steenfabriek. Doordat steenfabrieken afhankelijk zijn van rivierklei en vervoer van de zware bakstenen over water, vestigden de Nederlandse steenfabrieken zich veelal buitendijks langs de (grote) rivieren. Zo ook de Opijnensche Steenfabriek. Vanaf 1890 is op de historische topografische kaart waar te nemen dat het bedrijfsperceel in gebruik is genomen. Ook nu ligt het terrein van de oude Opijnensche Steenfabriek nog altijd buitendijks, aan de westzijde van de dijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.OPIWaaldijk4-VSG1_0002.jpg"

Afbeelding 2.1: historische topografische kaarten

Vanaf 1972 is bedrijfsperceel in gebruik genomen door Bitumarin. Bitumarin was een gezamenlijke onderneming van twee wegenbouwmaatschappijen, namelijk Wegenbouwmaatschappij J. Heijmans (tegenwoordig Heijmans) en de Koninklijke Maatschappij Wegenbouw (tegenwoordig VolkerWessels). Het onderdeel Bitumarin was gespecialiseerd in kust- en oeverbeschermingsproducten waarin bitumen (teer/asfalt) een belangrijke grondstof vormde.

Maapron (VolkerWessels) heeft het bedrijfsperceel in de loop der tijd overgenomen. Gebr. Van Kessel Buren B.V. heeft het perceel vanaf circa 2008 gehuurd en heeft het bedrijfsperceel in november 2017 overgenomen van VolkerWessels.

Het beoogde plan

Het doel van voorliggend bestemmingsplan betreft de juridisch-planologische verankering van het bestaande gebruik.

Het fysieke bedrijfsperceel

Het bedrijfsperceel bevindt zich in het buitendijkse deel van de Waal op een zgn. hoogwatervrije deel. Buitendijkse hoogwatervrije gebieden mogen in principe worden bebouwd. Het oppervlak van het bedrijfsperceel bedraagt circa 3,65 hectare. Het perceel is in de huidige situatie voor het grootste deel in gebruik als bedrijfsperceel en voor een deel uit bos c.q. begroeiingen. Van het bestemmingsplan-technische bedrijfsperceel is momenteel circa 2,4 hectare daadwerkelijk in gebruik door het bedrijf. Het overige deel bestaat uit begroeiingen.

Het bedrijfsperceel biedt ruimte aan vier bedrijfsgebouwen met een totaal oppervlak van 3.296 m² (conform de gemeentelijke BAG) en een bedrijfswoning. Het overige deel van het terrein is hoofdzakelijk in gebruik voor opslag, paden, manoeuvreerruimte en parkeerruimte (zie afbeelding 2.2). Aan het fysieke bedrijfsperceel worden geen wijzigingen aangebracht. De omvang en vorm blijven gelijk en er wordt ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan niet meer bebouwing mogelijk gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.OPIWaaldijk4-VSG1_0003.jpg" Afbeelding 2.2: luchtfoto van het bedrijfsperceel (bron: cyclomedia)

Het gebruik

Op het perceel zijn meerdere werkmaatschappijen gevestigd. Gebr. Van Kessel B.V. betreft een aannemersbedrijf dat over de gehele breedte van de bouwsector actief is (zowel in de woningbouw/utiliteitsbouw als in de wegenbouw). Het bedrijfsperceel wordt gebruik voor hoofdzakelijk opslag en de bedrijfsgebouwen mede als werkplaats.

Van Straten Geleiderail B.V. is gespecialiseerd in voertuigkeringen, aanrijdbeveiliging (gebouwbescherming) en straatmeubilair. Herkenbare werkzaamheden betreffen het plaatsen van vangrails langs wegen. Het werkmateriaal bestaat bij Van Straten vooral uit forse metalen voorwerpen (de vangrails). Deze voorwerpen worden grotendeels buiten op- en overgeslagen. De assemblage werkzaamheden vinden in de bedrijfsgebouwen plaats. De geluid producerende werkzaamheden (het werken met een pneumatische boormachines) die in het verleden nog buiten werden uitgevoerd zijn reeds beëindigd. Ten behoeve van de werkmaatschappijen wordt door vrachtwagens de (bouw)producten met behulp van een heftruck en autolaadkraan geladen en gelost.

Het bedrijf wordt in het bestemmingsplan passend aangeduid als 'aannemersbedrijf in de bouw, grond, weg- en waterbouw met werkplaats en opslag'. Daarnaast wordt ten behoeve van de buitenopslag over het bedrijfsperceel de aanduiding 'buitenopslag' opgenomen.

Beëindiging overlast

Naar aanleiding van een klacht van een omwonende is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de daadwerkelijke geluidsniveaus in de omgeving. Dit onderzoek is als bijlage 1 opgenomen. In dit onderzoek is aangetoond dat bij de werkzaamheden die in het verleden werden uitgevoerd de normen niet werden overschreden. In principe zijn ook die werkzaamheden dus aanvaardbaar. Echter, om tegemoet te komen aan de klacht zijn de werkzaamheden die de overlast veroorzaken per direct gestaakt.

Hoofdstuk 3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Buitengebied Neerijnen, veegplan 2017' van de gemeente Neerijnen. Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan de volgende bestemmingen en aanduidingen:

  • Enkelbestemming Bedrijf
    • 1. Bouwvlak
    • 2. Functieaanduiding: specifieke vorm van bedrijf - 35
  • Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 en 4
  • Dubbelbestemming Waterstaat - Uiterwaardengebied
  • Dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering
  • Gebiedsaanduiding vrijwaringszone - dijk-1

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.OPIWaaldijk4-VSG1_0004.jpg"

Afbeelding 3.1: uitsnede van vigerende bestemmingsplan - enkelbestemming, bouwvlak en functieaanduiding

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.OPIWaaldijk4-VSG1_0005.jpg"

Afbeelding 3.2: uitsnede van vigerende bestemmingsplan - dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 en 4

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.OPIWaaldijk4-VSG1_0006.jpg"

Afbeelding 3.3: uitsnede van vigerende bestemmingsplan - dubbelbestemming Waterstaat - Uitwerwaardengebied, Waterstaat - Waterkering en vrijwaringszone - dijk - 1

Hieronder worden de regels van de bestemmingen toegelicht welke van belang zijn voor onderhavig plan.

Enkelbestemming

Artikel 6 Bedrijf

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven zoals opgenomen in de 'Tabel Bedrijven';
  • b. bedrijfsactiviteiten in de milieucategorie 1 en 2 conform de Staat van bedrijfsactiviteiten;
  • c. uitsluitend buitenopslag ter plaatse van de aanduiding 'opslag';

Tabel bedrijven

Aanduiding   Adres   Plaats   Type bedrijvigheid   Aantal BW   Toegestane opp. bedrijfsbebouwing  
Specifieke vorm van bedrijf - 35   Waaldijk 4U1 /m 4U3   Opijnen   Aannemersbedrijf, houtbewerking, opslag   1BW   4.000 m2  

6.2 Bouwregels

6.2.1 Algemeen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. Indien een bouwvlak ter plaatse is opgenomen, is het bouwen van gebouwen uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'opslag' geen bebouwing is toegestaan. Indien geen bouwvlak is aangegeven, dan wordt het bestemmingsvlak gezien als bouwvlak.
  • b. Per bouwvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één bedrijf toegestaan. Indien tussen bouwvlakken de aanduiding 'relatie' is opgenomen, worden deze bouwvlakken aangemerkt als één bouwvlak. Indien geen bouwvlak is aangegeven, dan wordt het bestemmingsvlak gezien als bouwvlak.
  • c. Het bouwvlak mag worden bebouwd conform het bepaalde in de 'Tabel Bedrijven', met dien verstande dat de afstand van gebouwen tot de perceelsgrenzen niet minder dan 5 mag bedragen. Indien geen bouwvlak is aangegeven, dan wordt het bestemmingsvlak gezien als bouwvlak.


6.6.2. Wijziging type bedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen de gronden binnen deze bestemming wijzigen voor het toestaan van een ander bedrijf dan ter plaatste is toegestaan, mits:

  • a. Het bedrijf voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met het bestaande bedrijf, met dien verstande dat de milieucategorie niet meer mag bedragen dan 3.2.
  • b. Geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
  • c. Sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Dubbelbestemmingen en gebiedsaanduiding

De toegestane bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied wordt met dit bestemmingsplan gewijzigd. Er zullen geen fysieke wijzigingen plaatsvinden binnen het plangebied, waarmee er anders eventueel belemmeringen kunnen zijn vanuit de dubbelbestemming waarde archeologie, waterkering of uiterwaardengebied.

Ten tijde van het opstellen van dit bestemmingsplan heeft het ontwerp bestemmingsplan 'Dijkversterking Tiel - Waardenburg' ter inzage gelegen. Dit bestemmingsplan overlapt voor een gedeelte het plangebied. Een gedeelte van de bedrijfsbestemming (ten oosten van het plangebied) komt te vervallen en krijgt in het bestemmingsplan 'Dijkversterking Tiel-Waardenburg' de bestemming 'Natuur', 'Verkeer' en 'Groen'. De begrenzing van dit bestemmingsplan is hierop aangepast. De dubbelbestemmingen blijven gehandhaafd. De gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk - 1' komt te vervallen en de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk 2' uit het bestemmingsplan 'Dijkversterking Tiel - Waardenburg' wordt toegevoegd aan het plangebied.

Doorwerking in het plangebied

Bestemmingsomschrijving

In het plangebied zijn zowel de specifiek aangeduide bedrijven toegestaan als bedrijven behorend tot milieucategorieën 1 en 2 in het algemeen. Het bedrijf behoort niet tot categorie 1 en 2 (zie voor nadere toelichting paragraaf 5.4 Bedrijven en milieuzonering). Daarnaast komt de huidige bedrijfsvoering ook niet exact overeen met hetgeen wat is aangeduid (Specifieke vorm van bedrijf - 35: aannemersbedrijf, houtbewerking, opslag).

Gebr. Van Kessel B.V. betreft een aannemersbedrijf in de bouw- en infrasector. Dit bedrijf is derhalve reeds toegestaan op basis van de bestemming (als aannemersbedrijf). Van Straten Geleiderail B.V. is eveneens actief in de infrasector en is in principe reeds toegestaan, hetzij dat er assemblage werkzaamheden buiten werden uitgevoerd. De geluid producerende werkzaamheden (het werken met een pneumatische boormachines) die in het verleden nog buiten werden uitgevoerd zijn reeds beëindigd.

De huidige en beoogde bedrijfsactiviteiten kunnen beter als volgt worden omschreven; 'aannemersbedrijf in de bouw, grond, weg- en wegenbouw met werkplaats en opslag'.

Er is uitsluitend buitenopslag toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'opslag'. Binnen het vigerende bestemmingsplan is het plangebied niet voorzien van de aanduiding 'opslag'. De huidige opslag op het buitenterrein (circa 1,2 hectare) is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Echter is de buitenopslag reeds aanwezig vanaf de oprichting (1972) van het voormalige bedrijf Bitumarin dat zich vestigde op het oude steenfabriek terrein. In de beoogde situatie wordt de aanduiding 'opslag' opgenomen in het bestemmingsplan, om zo de opslag op het buitenterrein te legaliseren.

Bouwregels

Per bouwvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één bedrijf toegestaan. Op het perceel zijn echter meerdere werkmaatschappijen gevestigd. Naast Gebr. Van Kessel Buren B.V. is Van Straten Geleiderail B.V. op het perceel gevestigd. Bovendien maakt het bedrijf Interpomp (formeel gevestigd aan A.H. de Kockstraat 2 te Waardenburg) gebruik van het terrein om een enkele container op te slaan vanwege gebrek aan ruimte op het eigen bedrijfsperceel.

Zoals gebruikelijk bij (grotere) bedrijven bestaat ook de bedrijvenconstructie rondom Gebr. Van Kessel Buren B.V. uit meerdere bv's die geheel in eigendom zijn van het moederbedrijf. VolkerWessels is in deze het moederbedrijf. Alle (oorspronkelijk zelfstandige) werkmaatschappijen behouden na overname door VolkerWessels de eigen sterke regionale naam. Gebr. Van Kessel Buren B.V. is een zgn. werkmaatschappij van VolkerWessels. Van Kessel Wegenbouw B.V. is op zijn beurt weer een werkmaatschappij van Gebr. Van Kessel, Van Straten Geleiderail is een werkmaatschappij IJzerman B.V. en tot slot is IJzerman B.V. weer een werkmaatschappij van Gebr. Van Kessel Buren B.V. Kortom: Van Straten en Van Kessel zijn één aannemersbedrijf. Er is geen sprake van meerdere bedrijven op het perceel waardoor wordt voldaan aan de voorwaarde in het bestemmingsplan.

Wijziging type bedrijf

Het vigerende bestemmingsplan bevat in artikel 6.6.2. een wijzigingsbevoegdheid om het type bedrijf onder voorwaarden te wijzigen. Onderstaand wordt de huidige bedrijfsactiviteiten aan deze voorwaarden getoetst.

a. Het bedrijf voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met het bestaande bedrijf, met dien verstande dat de milieucategorie niet meer mag bedragen dan 3.2.

In de huidige situatie is in het plangebied een bedrijf gevestigd met de kenmerken 'aannemersbedrijf', 'houtbewerking' en 'opslag'. In de beoogde situatie wordt dit 'aannemersbedrijf in de bouw, grond, weg- en waterbouw met werkplaats en opslag'. Conform de toets aan de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering' behoort het beoogde bedrijf tot een lagere categorie (3.1 in plaats van 3.2). Zie voor nadere toelichting paragraaf 5.4. De bedrijfscategorie 3.2 wordt niet overschreden.

b. Geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

Het plangebied ligt in de uiterwaarden (zgn. buitendijks gebied) op een bestaand bedrijfsperceel (voormalige steenfabriek locatie) en op een zgn. hoogwatervrij gebied. Aan deze kenmerken worden geen wijzigingen aangebracht. Het onderhavige plan betreft een wijziging van het type bedrijf op een bestaand bedrijfsperceel, er vinden geen fysieke wijzigingen plaats. Deze wijziging is puur bestemmingsplan technisch. Er gaan geen andere of meer bedrijvigheden plaatsvinden die negatieve invloed op de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Aantasting van aangrenzende woonpercelen als gevolg van eventuele milieuhinder is onder c gemotiveerd.

c. Sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Naast de motivering door middel van de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering' is het noodzakelijk aan te tonen dat ter plaatse van de westelijk gelegen woningen daadwerkelijk sprake is van een goed woon en leefklimaat. Geluid speelt hierbij, conform de VNG-publicatie, de hoofdrol. Dit wordt gestaafd door het handhavingsverzoek waarin met name last wordt ondervonden als gevolg van geluidhinder. Om de daadwerkelijke geluidsbelastingen te beoordelen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd waarin de feitelijke geluidbelastingen worden gemeten tijdens de werkzaamheden (met metaal). Uit dit onderzoek blijkt dat de representatieve bedrijfssituatie voor het terrein Waaldijk 4, bestaande uit de bedrijfsactiviteiten van het gehele terrein (dat wil zeggen, van alle bedrijven die gebruik maken van het terrein) voldoet aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hiermee is aangetoond dat het beoogde gebruik, dat overeenkomt met de huidige bedrijfsvoering, uit akoestisch oogpunt inpasbaar is in de omgeving en dat het woon- en leefklimaat bij de nabijgelegen woningen geborgd is.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De SVIR schetst het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid van het rijk met ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028.

Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte richt zich op de volgende 13 nationale belangen behoren onder de voorname drie streefdoelen:

Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland

  • 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren (nationaal belang 1);
  • 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie (nationaal belang 2);
  • 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen (nationaal belang 3);
  • 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond (nationaal belang 4).

Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid

  • 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen (nationaal belang 5);
  • 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem (nationaal belang 6);
  • 7. Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen (nationaal belang 7).

Waarborgen kwaliteit leefomgeving

  • 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's (nationaal belang 8);
  • 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling (nationaal belang 9);
  • 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten (nationaal belang 10);
  • 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten (nationaal belang 11);
  • 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten (nationaal belang 12);
  • 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten (nationaal belang 13).

De (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking wordt overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Rijk legt met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) Algemene Maatregels van Bestuur (AMvB) Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden.

Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.

4.1.3 Toetsing van beoogde situatie aan Rijksbeleid

Nationaal belang

Het plangebied grenst aan de Waal en ligt in het buitendijkse gedeelte. Opgaven van nationaal belang in het gebied Oost-Nederland, en welke van belang is voor het plangebied is: Versterking van de primaire waterkeringen (hoogwaterbeschermingsprogramma) en het samen met decentrale overheden uitvoeren van het gebiedsgerichte deelprogramma Rivieren van het Deltaprogramma ten behoeve van het formuleren van een integrale strategie voor het rivierengebied. De grote rivieren Waal, Rijn en IJssel spelen een belangrijke rol in de ruimtelijke inrichting en de ruimtelijke kwaliteit, maar kennen ook een belangrijke opgave voor de waterveiligheid en klimaatbestendigheid. Uit het Deltaprogramma blijkt dat de waterveiligheidsopgave langs de Waal groot is. De dijken tussen Tiel en Waardenburg (hiertussen bevindt zich de plaats Opijnen) zijn afgekeurd. Op basis hiervan is het project dijkversterking Tiel-Waardenburg opgenomen in het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Het doel van dijkversterkingsproject Tiel – Waardenburg is dat de dijk tussen Tiel en Waardenburg gaat voldoen aan de nieuwe veiligheidsnormen uit de Waterwet (2017). Voor dit dijktraject is aangetoond dat de afstand tot deze normen groot is en dat er dus een grote versterkingsopgave ligt. Daarom heeft de dijkversterking binnen het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) een hoge prioriteit. Naast het realiseren van een veilige dijk, heeft het project als doel om de dijk goed in te passen en waar mogelijk meerwaarde te creëren voor de functies op en om de dijk.

Voordat de dijkversterking gerealiseerd kan worden, stelt het waterschap een projectplan op in het kader van de Waterwet. De uitvoeringsmaatregelen die beschreven staan in het projectplan Waterwet passen niet allemaal in de vigerende bestemmingsplannen. In afstemming met de de gemeente West Betuwe is een nieuw bestemmingsplan 'Dijkversterking Tiel - Waardenburg' opgesteld.

Dit bestemmingsplan overlapt voor een gedeelte het plangebied. Een gedeelte van de bedrijfsbestemming (ten oosten van het plangebied) komt te vervallen en krijgt in het bestemmingsplan 'Dijkversterking Tiel-Waardenburg' de bestemming 'Natuur', 'Verkeer' en 'Groen'. De begrenzing van dit bestemmingsplan is hierop aangepast. De dubbelbestemmingen blijven gehandhaafd. De gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk - 1' komt te vervallen en de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk 2' uit het bestemmingsplan 'Dijkversterking Tiel - Waardenburg' wordt toegevoegd aan het plangebied.

Ladder duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing. De ladder is uitsluitend van toepassing op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In het onderhavige plan is geen sprake van een nieuwe stedelijke functie. Het betreft de voortzetting van een bestaande stedelijke functie in de vorm van een bestaand bedrijfsperceel zonder nieuwe bouwmogelijkheden.

Buitendijks gebied

Door de situering van het plangebied aan de Waal is het Barro relevant. Rivier de Waal valt in de Barro onder Grote Rivieren (Titel 2.4). De artikelen binnen deze Barro hebben uitsluitend betrekking op activiteiten in het rivierbed. De Waal is een stroomvoerend deel van het rivierbed. De activiteiten in een rivierbed mogen geen nadelige effecten hebben voor de waterstand, afvoercapaciteit of zorgen voor een afname van het bergend vermogen. Een functieverandering binnen de bestaande bebouwing kan onverminderd mogelijk worden gemaakt.

Het plangebied is gelegen op een bestaand hoogwatervrij terrein binnen het buitendijkse gebied. Deze terreinen dragen niet bij aan de waterafvoerende functie en capaciteit van de rivier. Bovendien vindt er een functieverandering binnen de bestaande bebouwing plaats. Er vinden geen activiteiten en fysieke wijzigingen plaats die nadelige effecten kunnen hebben op de waterstand, afvoercapaciteit of het bergend vermogen van de Waal.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. In de Omgevingsvisie staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Met deze kernbegrippen wordt het volgende beoogd:

  • Gezond en veilig: dit betekent een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Daarnaast wordt hiermee ook bedoeld het voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. Verder dient aandacht besteed te worden aan de verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
  • Schoon en welvarend: dat betekent een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Tegelijkertijd wordt ook gestreefd naar het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen en het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.


Om deze doelstellingen vorm te geven, zijn er diverse thematische visieschetsen in de Omgevingsvisie opgesteld. Dit betreffen de volgende thema's:

  • Energietransitie: van fossiel naar duurzaam.
  • Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer.
  • Circulaire economie: het sluiten van kringlopen.
  • Biodiversiteit: werken met de natuur.
  • Bereikbaarheid: duurzaam verbonden zijn.
  • Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio.
  • Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers en duurzaam.

In navolging van de Omgevingsvisie is in 2018 ook de eerste definitieve versie van de Omgevingsverordening vastgesteld. In de volgende paragraaf 4.2.2 Omgevingsverordening Gelderland wordt de beoogde situatie nader getoetst aan het provinciale ruimtelijke beleid.

4.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De provinciale Omgevingsverordening is een van de wettelijke instrumenten van de provincie en richt zich net zo breed op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland als de Omgevingsvisie, die daarin is verankerd. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Op 22 september 2020 stelden Gedeputeerde Staten (GS) het ontwerp voor de Omgevingsverordening vast. Dit ontwerp heet ook wel actualisatieplan 7. Naar aanleiding van de ter inzage legging is het actualisatieplan aangepast en is deze door GS op 12 januari 2021 vastgesteld. Op 31 maart 2021 nemen Provinciale Staten een besluit over de aangepaste Omgevingsverordening. Voor de toetsing van de boogde situatie aan de verordening zijn de volgende onderwerp relevant:

Intrekgebied waterwinning

Rond de plaats(en) waar grondwater wordt gewonnen voor de openbare drinkwater voorziening zijn beschermingsgebieden gecreëerd. Binnen die gebieden gelden regels om de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Die bescherming wordt geringer naarmate de afstand tot de winningslocaties toeneemt of in de locatie geïsoleerd ligt. Dit heeft geleid tot een onderverdeling van de beschermingsgebieden in de zones waterwingebied, grondwaterbeschermings gebied, boringsvrije zone en intrekgebied.

Het plangebied ligt in een zogenaamd intrekgebied voor de winning van drinkwater in de nabije omgeving. Binnen dit gebied zijn bestemmingen voor de winning van fossiele energie (aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas) niet toegestaan. Dit is bij onderhavig plan niet aan de orde. Er vinden geen fysieke wijzigingen plaats, alleen het type bedrijf dat binnen het plangebied gevestigd mag worden wordt gewijzigd.

Natuur

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.OPIWaaldijk4-VSG1_0007.jpg"

Afbeelding 4.1: Natuur in omgevingsverordening actualisatieplan 7

Het plangebied overlapt voor een deel met het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (GO). Voor het GNN gaat het om een oppervlak van circa 4.000 m2 zachthoutooibos met een voedselrijke ondergroei. Voor de GO geldt een overlap van circa 280 m2 met het plangebied. Het betreft een strook bos van circa 3 m breed, die grenst aan de Waal.

In de huidige situatie is het gebied dat is aangewezen als GNN en GO in het bestemmingsplan bestemd als bedrijf. In de omgevingsverordening zijn regels opgenomen omtrent de GNN en GO.

GNN

Voor zover een bestemmingplan betrekking heeft op het Gelders natuurnetwerk wordt een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten als die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone.

GO

Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone maakt geen nieuwe grootschalige ontwikkeling mogelijk die leidt tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone van het betreffende gebied, tenzij:

  • a. er geen reële alternatieven zijn;
  • b. sprake is van redenen van groot openbaar belang;
  • c. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt;
  • d. de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd

Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone kan een nieuwe kleinschalige ontwikkeling mogelijk maken, als:

  • a. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt;
  • b. deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.

Wijzigingsbevoegdheid begrenzing (Artikel 2.54a)

Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone wijzigen:

  • a. voor een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, voor zover:
    • 1. de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone behouden blijven; en
    • 2. de oppervlakte van het Gelders natuurnetwerk ten minste gelijk blijft;
  • b. voor de toepassing van paragraaf 2.6.1; of
  • c. voor zover er op 17 oktober 2014 sprake was van een onherroepelijk bestemmingsplan met daarin bestemmingen die strijdig zijn met de begrenzing van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone.

Gezien de bedrijfsbestemming voor een deel met het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (GO) overlapt en er op 17 oktober 2014 geen sprake was van een onherroepelijk bestemmingsplan met daarin bestemmingen die strijdig zijn met de begrenzing van het GNN en GO krijgt dit deel de bestemming natuur. In dat geval blijft het oppervlak GNN en GO behouden en zijn (potentiële) negatieve effecten op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van de deelgebieden niet aan de orde.

4.2.3 Structuurvisie Waalweelde-West

De Structuurvisie Waalweelde-West is op 8 juli 2015 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld. De structuurvisie omvat de provinciale ruimtelijke visie op enerzijds riviermaatregelen en anderzijds gewenste, niet-riviergebonden ruimtelijke ontwikkelingen in het rivierbed. De visie heeft geen direct rechts gevolg: de ontwikkelingen en riviermaatregelen moeten in bestemmingsplannen worden uitgewerkt.

Binnen de structuurvisie aangewezen als potentiële woningbouwlocatie 'Bitumarin-terrein in Opijnen'. De locatie is opgenomen als zogenaamde functieveranderingslocatie.

Gezien het feit dat de functieveranderingslocatie gelegen is in het buitendijks gebied dient er een vergunning te worden aangevraagd in het kader van de Waterwet. Hierbij geldt dat er dient te worden voldaan aan de kaders die worden gesteld in het Barro, dat onder meer samenhangt met de Beleidslijn grote rivieren. Naast de algemene voorwaarden waaraan de activiteiten dienen te voldoen geldt dat deze niet-riviergebonden activiteiten (de ontwikkeling van woningbouw) alleen kan worden gerealiseerd indien er per saldo meer ruimte voor de rivier wordt gecreëerd. Hierbij moeten de initiatiefnemers de financiering en tijdige realisering van de gevraagde rivierverruimende maatregelen verzekeren.

De grondeigenaar heeft onderzoek gedaan naar het realiseren van woningen ter plaatse van het plangebied. Uit enkele verkenningen is gebleken dat vanwege de buitendijkse ligging de investeringen die noodzakelijk zijn om het gebied woonrijp te maken dusdanig hoog zijn waardoor woningbouw op deze locatie niet meer haalbaar is. De plannen zijn ingetrokken en geschrapt van de woningbouwplanning.

4.2.4 Toetsing van beoogde situatie aan Provinciaal beleid

De beoogde situatie is niet in strijd met de omgevingsvisie en omgevingsverordening van de provincie Gelderland. In de structuurvisie Waalweelde-West is het plangebied aangewezen als potentiële woningbouwlocatie. Uit onderzoek is gebleken dat woningbouw binnen het plangebied niet haalbaar is, de plannen zijn ingetrokken en geschrapt van de woningbouwplanning.

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Regionaal Programma Werklocaties 2019-2024

De gemeenten van Regio Rivierenland hebben in juni 2016 het Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB) Regio Rivierenland 2016-2020 vastgesteld. De huidige gemeenten binnen de regio - de gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West-Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel – hebben behoefte aan een evaluatie van het programma en de afspraken uit het RPB. De regio heeft met het RPB 2016 een gezonde vraag-aanbodbalans kunnen bewaken en heeft het RPB als leidraad gehanteerd voor nieuwe ontwikkelingen.

De regio gaat nu aan de slag met een nieuw RPB, het Regionaal Programma Werklocaties Rivierenland 2019-2024 (vanaf hier: RPW 2019). De regio maakt daarnaast een aantal nieuwe afspraken die aansluiten bij de huidige economische ontwikkelingen die houdbaar zijn voor de toekomst. De regiogemeenten willen aansluiten bij de economische dynamiek en specifieke context van Regio Rivierenland. De huidige en gewenste economische positie, maar ook de Ruimtelijk Strategische Visie (RSV), beleidsambities op gebied van energietransitie en duurzaamheid, de (regionale) arbeidsmarkt en ‘daily urban systems’ zijn belangrijke aandachtspunten voor het nieuwe RPW. Met de nieuwe afspraken stelt de regio zich nadrukkelijk als doel om de bestaande bedrijventerreinen toekomstbestendiger te maken en de lokale, bestaande bedrijvigheid voor (gemeenten in) de regio te behouden. Bovendien zet de regio in op het behouden van werkgelegenheid met een grote lokale en regionale toegevoegde waarde.

Het nieuwe programma heeft een bijgesteld doel in vergelijking tot het RPB 2016: voldoende aanbod van bedrijventerreinen van de juiste kwaliteit hebben, waarbij de toekomstige marktbehoefte (volgens model WLO II) het uitgangspunt is. Provincie Gelderland heeft verder verzocht om de naam van het programma te wijzigen van Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB) in Regionaal Programma Werklocaties (RPW), in lijn met de aangepaste provinciale omgevingsverordening.

Regio Rivierenland wil met het RPW 2019 nu en in de komende jaren kunnen voldoen aan de te verwachten (kwantitatieve en kwalitatieve) marktvraag, overaanbod voorkomen maar ook flexibiliteit hebben om in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen in een dynamische markt. Het RPW 2019 biedt het kader voor concrete werk- en projectafspraken tussen de regiogemeenten en provincie Gelderland. Het RPW is:

  • Het regionale afsprakenkader voor planning en programmering van bedrijventerreinen tussen Regio Rivierenland en provincie Gelderland.
  • De vertaling en uitwerking van de gemeentelijke, regionale en provinciale doelstellingen op het gebied van toekomstbestendige bedrijventerreinen, economische ontwikkeling en ruimtelijk beleid.
  • Het toetsingskader voor de ontwikkeling van bedrijventerreinen in de regio. Dit is in lijn met de provinciale verordening: nieuwe planontwikkeling wordt slechts toegestaan wanneer regionale afspraken zijn vastgesteld in de regionale programmering.

Het plangebied is niet opgenomen in het RGB als uitgeefbare locatie. Er ligt geen herstructureringsopgave voor het plangebied.

4.3.2 Toetsing van beoogde situatie aan Regionaal beleid

De beoogde situatie is niet in strijd met het Regionaal Programma Werklocaties 2019-2024, het plangebied niet opgenomen in het RGB als uitgeefbare locatie voor een herstructureringsopgave.

4.4 Gemeentelijk beleid

De gemeente West Betuwe is ontstaan per 1 januari 2019 na de fusie van de gemeenten Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal. Hierna wordt ingegaan op het beleid van de gemeente Neerijnen welke is opgesteld voor de fusie.

4.4.1 Structuurvisie Neerijnen 2020

Zowel vanwege de wettelijke verplichting om over een structuurvisie te beschikken, als vanwege beleidsinhoudelijke motieven, is de ‘Structuurvisie Neerijnen 2020’ opgesteld. Een belangrijke opgave voor de structuurvisie is om een goede afstemming te verkrijgen tussen de documenten over verschillende beleidsvelden en ruimtelijke vraagstukken en vervolgens een doorvertaling te maken naar het gemeentelijke schaalniveau. Een tweede opgave is het nader concretiseren van de zoekzones voor landschapsversterking uit het Streekplan Gelderland 2005.

In de structuurvisie wordt het volgende gezegd over het plangebied:

De ontwikkeling van het Bitamurin terrein is onderdreel van het Waalweede project. Deze ontwikkeling is in de Ontwerp - Ruimtelijke Verordening Gelderland opgenomen als bestaand stedelijk gebied. Bij Bitamarin zijn plannen voor luxe woningen. Het aantal woningen is nog onduidelijk.

4.4.2 Toetsing van beoogde situatie aan Gemeentelijk beleid

In de structuurvisie Neerijnen 2020 is het plangebied aangewezen als potentiële woningbouwlocatie. Uit onderzoek is gebleken dat woningbouw binnen het plangebied niet haalbaar is, de plannen zijn ingetrokken en geschrapt van de woningbouwplanning.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet voor het oprichten van geluidsgevoelige bestemmingen (woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzoringstehuizen etc.), die binnen de onderzoekszone van (spoor)wegen en gezoneerde industrieterreinen liggen, een toets aan de geluidsnormen plaatsvinden.

De beoogde situatie voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen van geluidsgevoelige functie, er hoeft geen akoestisch onderzoek naar (spoor)wegen en gezoneerde industrieterreinen plaats te vinden.

De bedrijfsactiviteiten die binnen het plangebied mogen plaatsvinden kunnen wel voor overlast zorgen bij geluidsgevoelige bestemmingen in de omgeving. De meest nabijgelegen geluidgevoelige bestemmingen betreft woningen, ten oosten van de Waaldijk. De dichtstbijzijnde woning aan de Brucestraat bevinden zich op een afstand van circa 60 meter van de grens van het perceel.

In paragraaf 5.4 Bedrijven en milieuzonering is ingegaan op het aspect geluidhinder voor in de omgeving liggende gevoelige objecten in combinatie met de toegestane bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied. Middels een akoestisch onderzoek is de geluidsbelasting in beeld gebracht. Uit dit onderzoek blijkt dat de representatieve bedrijfssituatie van het gehele plangebied voldoet aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hiermee is aangetoond dat de beoogde situatie, dat overeenkomt met de huidige bedrijfsvoering, uit akoestisch oogpunt inpasbaar is in de omgeving en dat het woon- en leefklimaat bij de nabijgelegen woningen geborgd is. Echter zijn in het kader van onderhavig bestemmingsplan de activiteiten die voor geluidsoverlast zorgen (het pneumatisch aandraaien van bouten in de buitenlucht) beëindigd.

Conclusie

In de voormalige situatie voldeed het bedrijf reeds aan geluidsnormen. Door de meest van belang zijnde geluidproducerende activiteiten te beëindigen treedt er toch een verbetering op. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde situatie.

5.2 Bodem

De toelichting van een bestemmingsplan dient een motivering te bevatten over de bodemkwaliteit in relatie tot de boogde bestemming. Indien de bodemkwaliteit in het plangebied voldoet aan de beoogde functie die in het bestemmingsplan wordt opgenomen dan is er in principe geen belemmering om het bestemmingsplan vast te stellen ten aanzien van het aspect bodem.

Voorliggende herziening van bestemmingsplan heeft als doel om het juridisch planologisch regime in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Het plangebied kent reeds de enkelbestemming 'bedrijf'. De wijziging van het bestemmingsplan voorziet uitsluitend in de wijziging van de bedrijfscategorie die toegestaan is op het perceel, zodat dit aansluit op hoe het terrein daadwerkelijk gebruik wordt.

De functie en het gebruik van de gronden binnen het plangebied blijven echter ongewijzigd, waardoor geen aanleiding is voor het uitvoeren van bodemonderzoek in het kader van dit bestemmingsplan. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan staat als gevolg van het aspect bodem tevens niet ter discussie.

Conclusie

Zoals reeds geconcludeerd geeft de bestemmingsplanwijziging geen aanleiding voor het uitvoeren van bodemonderzoek. De bodemkwaliteit is reeds in overeenstemming met het gebruik en de functie van de locatie.

5.3 Luchtkwaliteit

Nederland heeft de regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De wijziging van het type bedrijf leidt niet tot een substantiële verkeersaantrekkende werking en is daarmee niet van invloed op de luchtkwaliteit. Op grond van de Wet milieubeheer is hier sprake van een project dat 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde situatie.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'.

VNG-publicatie

Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode).

De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering (waaronder een onderzoek naar de feitelijke milieubelastende activiteiten) kan hiervan worden afgeweken.

Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).

Toetsing van het onderhavige plan
De omgeving aan de westzijde van de dijk kenmerkt zich als uiterwaardengebied en de rivier de Waal. Aan de oostelijke zijde van de dijk ligt het woongebied van de kern Opijnen. Dergelijke gebieden worden gekenmerkt als 'rustig buitengebied' en 'rustig woonwijk'. De richtafstanden kunnen derhalve niet met één stap worden verkleind.

Het bedrijfsperceel kenmerkt zich als een milieubelastende activiteit.

In de omgeving liggende gevoelige objecten

Aan de overzijde van de dijk ligt de woonkern van Opijnen. De afstand vanaf deze woningen tot aan het bedrijfsperceel bedraagt circa 60 meter. De afstand tot de bedrijfshal waar werkzaamheden plaatsvinden bedraagt circa 120 meter en tot aan het terrein waar opslag plaatsvindt bedraagt tussen de 100 en 250 meter. Op het voorterrein vinden geen werkzaamheden plaats.

Onderhavig plan als milieubelastende activiteit

Huidige situatie

In de huidige bestemde situatie is er een 'aannemersbedrijf', 'houtbewerking' en 'opslag' binnen het plangebied toegestaan.

In tabel 1 zijn deze kenmerken conform de systematiek van de VNG-publicatie opgesomd.

SBI-2008     Omschrijving   Afstanden  
-   Nummer     Geur   Stof   Geluid   Categorie  
41, 42, 43   2   Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.
> 1000 m2  
10   30   50   3.1  
162   0   Timmerwerkplaatsen, vervaardiging overige artikelen van hout > 200 m2   0   30   100   3.2  

Tabel 1. Richtafstandentabel

In de huidige situatie is er een een aannemersbedrijf gevestigd die tot categorie 3.1 behoort (zie tabel 1, Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1000 m2). Daarnaast is er middels de huidige bestemde situatie houtbewerking toegestaan op het gehele perceel. De bijbehorende vergelijkbare categorie betreft een timmerwerkfabriek c.q. timmerwerkplaats met een oppervlak groter dan 200 m². Dit bedrijf behoort tot categorie 3.2. De grootste afstand betreft geluid.

Beoogde functies

De beoogde functie 'aannemersbedrijf in de bouw, grond, weg- en waterbouw met werkplaats en opslag' kan worden vergeleken met 'Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1000 m2 '. Dit bedrijf behoort tot categorie 3.1. De grootste richtafstand betreft geluid.

Doorwerking voor het onderhavige plan

Middels de huidige bestemde situatie is houtbewerking toegestaan op het gehele perceel, welke behoort tot categorie 3.2. In de huidige en beoogde situatie is er sprake van een 3.1 bedrijf. In het plangebied wordt derhalve een gelijkwaardige functie voortgezet.

De richtafstanden voor geluid, stof en geur worden niet overschreden. De grootste afstand betreft geluid, de richtafstand voor geluid bij 'Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1000 m2' bedraagt 50 meter. De afstand vanaf deze woningen tot aan het bedrijfsperceel bedraagt circa 60 meter. Wat betreft deze aspecten kan op basis van de VNG-publicatie worden geconcludeerd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Tot voor kort werden er nog geluid producerende werkzaamheden (het werken met een pneumatische boormachines) buiten uitgevoerd, deze werkzaamheden vielen onder categorie 3.2. Daarbij werd de richtafstand voor geluid vanaf de woningen tot aan de grens van het bedrijfsperceel overschreden. De richtafstand tot de locaties waar de werkzaamheden (hoofdzakelijk) plaatsvonden werd niet overschreden. Omdat deze werkzaamheden formeel overal op het perceel mochten plaatsvinden en er overlast werd ervaren is middels een akoestisch onderzoek de daadwerkelijke geluidsbelasting in beeld gebracht. Uitsluitend de conclusie is onderstaand weergegeven. De gehele rapportage is als bijlage 1 opgenomen.

Het doel van het onderzoek is om de akoestische effecten van de bedrijfsactiviteiten voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van nabijgelegen woningen te bepalen. Hierbij wordt de VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gehanteerd. De bedrijfsactiviteiten moeten voldoen aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.

In het akoestisch onderzoek is de representatieve bedrijfssituatie opgesteld, die bestaat uit de bedrijfsactiviteiten van het gehele terrein. Geconstateerd is dat het beoogde toekomstige gebruik van het terrein, overeenkomt met de huidige bedrijfsvoering. Uit de resultaten, samengevat in voorgaande paragrafen, volgt dat:

  • De berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ten hoogste 38 dB(A) in de dagperiode, 33 dB(A) in de avondperiode en 30 dB(A) in de nachtperiode bedragen;
  • De berekende maximale geluidniveaus, inclusief piekgeluiden voor laad- en losactiviteiten in de dagperiode, bedragen ten hoogste 60 dB(A) in de dagperiode en 59 dB(A) in de avond- en nachtperiode;
  • Equivalente geluidniveaus als gevolg van indirecte hinder bedragen ten hoogste 43 dB(A) etmaalwaarde.

Er is ter plaatse van bestaande woningen voldaan aan de richtwaarden voor het gebiedstype rustige woonwijk uit de VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering', met uitzondering van een drietal woningen waar LAmax berekend is van ten hoogste 59 dB(A) in de nachtperiode. Deze geluidbelasting is als aanvaardbaar beoordeeld omdat deze waarde voldoet aan de grenswaarden voor geluidpieken uit 'Bedrijven en milieuzonering' en het Activiteitenbesluit van 60 dB(A) en omdat van cumulatieve effecten geen sprake is.

Hiermee is aangetoond dat hhet beoogde gebruik, dat overeenkomt met de huidige bedrijfsvoering, uit akoestisch oogpunt inpasbaar is in de omgeving en dat het woon- en leefklimaat bij de nabijgelegen woningen geborgd is.

Conclusie

De huidige en daarmee de beoogde bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied vormen geen belemmering op basis van geluid, stof en geur voor de omgeving. Er is sprake van een 'goed woon- en leefklimaat'.

5.5 Externe veiligheid

De externe veiligheid gaat over het beheersen van risico's. Daarbij gaat het om risico's die worden veroorzaakt door risicovolle inrichting, het transport van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen.

Er vinden geen fysieke wijzigingen plaats binnen het plangebied. Daarnaast wordt met het beoogde gebruik geen gevoeligere functie mogelijk gemaakt ten opzichte wat nu met het vigerende bestemmingsplan is toegestaan. In het huidige gebruik is het plangebied bestemd als bedrijf en in de beoogde situatie blijft het bestemd als bedrijf. Er is geen sprake van een risicobedrijf en van verslechtering van de veiligheidssituatie.

Het plangebied is wel gelegen binnen de 200 meter zone van de Waal, waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden. Het groepsrisico zal niet toenemen, waardoor kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Op grond van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor:

  • de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute
  • de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Bij een calamiteit ten gevolge van het vrijkomen van toxische en/of brandbare stoffen zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Bij een calamiteit, waarbij toxische en/of brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert.

Bij een toxisch scenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Bij een scenario, waarbij brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het advies om te vluchten van de risicobron af, maar ook schuilen in een gebouw biedt in eerste instantie voldoende bescherming voor personen in het plangebied. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om relevante adviezen tijdig op te volgen.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er gezien vanuit het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.

5.6 Ecologie

De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. In de toelichting van een bestemmingsplan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels.

Soortenbescherming

Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.

Gebiedsbescherming

Ter invulling van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan de Minister van Economische Zaken gebieden als Natura 2000-gebied of als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen. Voor deze gebieden geldt op basis van de Wet natuurbescherming een zorgplicht, en voor Natura 2000-gebieden geldt bovendien een vergunningsplicht voor het uitvoeren van projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Dit wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermd gebied.

De Wet Natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Toetsing van het onderhavige plan
Door Ecogroen is er een Quickscan natuurtoets uitgevoerd. In deze natuurtoets zijn de effecten van het legaliseren van de bestaande situatie getoetst aan de beschermingskaders van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland. De natuurtoets is als bijlage 2 bijgevoegd. Hierna wordt op de soortenbescherming en gebiedsbescherming binnen het plangebied ingegaan.

Soortenbescherming

  • In het plangebied zijn geen beschermde planten aangetroffen en te verwachten. Wel zijn exoten als Japanse duizendknoop, reuzenbalsemien en bamboe sp. aangetroffen.
  • De bedrijfswoning en een van de bedrijfsgebouwen zijn geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen door gaten en kieren in onder andere het metselwerk en kapotte dakdelen, die toegang tot verblijfplaatsen kunnen bieden. In twee bomen nabij de bedrijfswoning zijn voor vleermuizen geschikte spleten en gaten gevonden die kunnen dienen als (toegang tot) een verblijfplaats. Als gevolg van de bestemmingsplanwijziging worden activiteiten mogelijk gemaakt die kunnen leiden tot het kappen van de twee bomen.
  • In het plangebied zijn verspreid ruigte, bosjes en ruimten onder bouwmaterialen aangetroffen die geschikt zijn als verblijfplaats van kleine marterachtigen.
  • In en rondom het plangebied zijn geen nesten van vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen bekend en aangetroffen. Tijdens het veldonderzoek zijn wel braakballen en uitwerpselen op de zolder van de bedrijfswoning aangetroffen, van vermoedelijk een kerkuil. Werkzaamheden aan bebouwing worden door het plan niet mogelijk gemaakt. Door de bestemmingswijziging worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die leiden tot verlies of verstoring van nestlocaties van vogels met jaarrond beschermde nesten.
  • Gedurende de broedperiode zijn diverse algemene vogels broedend te verwachten in en in de directe omgeving van het plangebied. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren.
  • Teunisbloempijlstaart is bekend in de omgeving van het plangebied. Door de bestemmingswijziging worden activiteiten mogelijk gemaakt die mogelijk leiden tot het verlies van voortplantingslocaties van teunisbloempijlstaart.
  • Overige beschermde soorten worden niet verwacht in het plangebied.
  • In het plangebied zijn vaste verblijfplaatsen en overwinteringsplaatsen van een aantal algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten en amfibieën te verwachten. Bij de projecten die volgen uit het nieuwe bestemmingsplan kunnen enkele verblijfplaatsen en/of exemplaren van deze soorten geschaad worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wnb, waardoor de Wnb geen belemmering voor wijziging van het bestemmingsplan vormt.

In de natuurtoets is aangegeven dat nader onderzoek gewenst is naar vleermuizen, kleine marterachtigen en teunisbloempijlstraat. Kleine marterachtigen en de teunisbloempijlstaart zijn niet aangetroffen, maar wel geschikt habitat en eventuele geschikte ruimte voor verblijf door deze soorten (in de rommelhoekjes en langs de bosrand).

Nader onderzoek is nodig om met zekerheid vast te stellen of voor bepaalde activiteiten een ontheffing op grond van de Wnb nodig zou zijn. Hoewel die activiteiten op grond van het bestemmingsplan mogelijk zijn, is het uitvoeren van dit onderzoek in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet nodig en ook niet efficiënt. Daarbij is in de eerste van belang dat het gaat om een locatie die al geruime tijd een bedrijfsbestemming heeft, en ook als zodanig in gebruik is. Bovendien, als uit nader onderzoek voor bepaalde activiteiten een ontheffingsplicht zou volgen, dan geldt dat er geen reden is om aan te nemen dat die ontheffing (al dan niet door het treffen van maatregelen) niet zal kunnen worden verleend. Als initiatiefnemer in de toekomst bijvoorbeeld de betreffende locaties op het terrein wenst te verharden, te bebouwen c.q. bestaande bebouwing wil aanpassen of de twee bomen welke geschikt zijn voor vleermuizen wil kappen, dan zal op dat moment (opnieuw) actueel onderzoek moeten worden gedaan naar beschermde soorten en zal op dat moment, afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, ontheffing moeten worden aangevraagd.

Onder al deze omstandigheden kan op basis van het natuuronderzoek worden geconcludeerd dat voldoende vaststaat dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Nader onderzoek in deze fase is niet nodig.

Gebiedsbescherming

Groene ontwikkelingszone en Gelders Natuurnetwerk

Het plangebied overlapt voor een deel met het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (GO). Voor het GNN gaat het om een oppervlak van circa 4.000 m2 zachthoutooibos met een voedselrijke ondergroei. Voor de GO geldt een overlap van circa 280 m2 met het plangebied. Het betreft een strook bos van circa 3 m breed, die grenst aan de Waal. Zie paragraaf 4.2.2 (Omgevingsverordening Gelderland) voor de begrenzing en de overlap van het GNN en GO.

De begrenzing kan mogelijk door de provincie worden aangepast als er op 17 oktober 2014 sprake was van een onherroepelijk bestemmingsplan met daarin bestemmingen die strijdig zijn met de begrenzing van het GNN en GO.

Op 17 oktober 2014 was er geen sprake van een onherroepelijk bestemmingsplan met daarin bestemmingen die strijdig zijn met de begrenzing van het GNN en GO. In dit bestemmingsplan krijgt het oppervlak GNN en GO de bestemming 'Natuur'. In dat geval blijft het oppervlak GNN en GO behouden en zijn (potentiële) negatieve effecten op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van de deelgebieden niet aan de orde.

Natura 2000-gebieden

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.OPIWaaldijk4-VSG1_0008.jpg"

Afbeelding 5.1: Natura 2000-gebied

Het plangebied overlapt aan de noordwestzijde voor een klein deel met Natura 2000-gebied Rijntakken (zie afbeelding 5.1). Het gaat om een strook van circa 2 bij 75 meter. Met dit bestemmingsplan wordt dit gedeelte wat nu de bestemming 'Bedrijf' heeft bestemd als 'Natuur'. Hierdoor valt het plangebied buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden en zijn directe negatieve effecten, als gevolg van bijvoorbeeld oppervlakteverlies en betreding, op voorhand uitgesloten. Indirecte (uitstralende) effecten door verstoring door geluid, licht en visuele verstoring kunnen gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied niet op voorhand worden uitgesloten. Door de inzet van mobiele werktuigen en aanwezigheid van mensen kunnen effecten optreden als gevolg van verstoring door geluid en licht, visuele verstoring en verzuring en vermesting (stikstofdepositie).

Uit de effectbeoordeling blijkt dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Rijntakken door verstoring door licht, geluid en optische verstoring zijn uitgesloten. Uit de stikstofberekening blijkt dat sprake is van een toename in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebied Rijntakken. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen als gevolg van verzuring en vermesting zijn op voorhand niet uit te sluiten. Er is sprake van stikstofdepositie van maximaal 8,44 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten binnen Natura 2000-gebied Rijntakken. Zie de AERIUS-berekening in bijlage

Er is een ecologische voortoets uitgevoerd, teneinde te onderzoeken of de toename van stikstofdepositie kan leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Rijntakken. De ecologische voortoets is bijgevoegd als bijlage 3. Uit de ecologische voortoets is het volgende gebleken:

  • Een extra depositie van maximaal 0,9 mol/ha/jr op overbelaste Natura 2000-locaties is verwaarloosbaar t.o.v. de jaarlijkse aanvoer van stikstof door de rivier en de afvoer van stikstof bij regulier graslandbeheer. Dergelijke extreem kleine depositietoenames kunnen de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantasten. De zeer beperkte depositie van de wijziging van het bestemmingsplan zal dan ook geen significant effect hebben op de haalbaarheid van de Natura 2000 doelen binnen het effect-gebied.
  • Doordat het plan met zekerheid niet zal leiden tot effecten op Natura 2000 is een cumulatietoets niet aan de orde.
  • Er is al met al geen reden om aan te nemen dat de extra depositie kan leiden tot significant negatieve effecten. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is dan ook niet vereist.

In het stikstofonderzoek en de uitgevoerde berekeningen is uitgegaan van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Daarbij is - hoewel dat op grond van de wet en rechtspraak wel is toegestaan - geen rekening gehouden met de bestaande activiteiten die op basis van het huidige bestemmingsplan al zijn toegestaan. Volstaan had kunnen worden met het onderzoeken van de gevolgen van hetgeen in dit bestemmingsplan extra mogelijk gemaakt wordt ten opzichte van de feitelijke planologische legale situatie. Duidelijk mag zijn dat de depositie op basis van die uitgangspunten lager zou zijn geweest. Als er met de in het verrichte onderzoek gekozen uitgangspunten al geen sprake is van significant negatieve effecten, dan is dat zeker ook het geval wanneer was uitgegaan van de uitgangspunten die de wet en de rechtspraak voorschrijven.

Conclusie

Gezien het feit dat dit bestemmingsplan niet meer mogelijk maakt dan de huidige situatie en er geen fysieke wijzigingen gaan plaatsvinden vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de beoogde situatie.

5.7 Water

In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Op grond van het Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap. De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets van waterschap Rivierenland.

Buitendijks gebied

Het plangebied is gelegen binnen het buitendijkse gebied van de Waal. Voor buitendijkse functies gelden geen wettelijke normen voor de bescherming tegen wateroverlast of erger. De kans op slachtoffers is echter minimaal en meestal is er sprake van wateroverlast in plaats van een overstroming. Doordat het plangebied is gelegen op een bestaand hoogwatervrij terrein is de kans op overstroming of wateroverlast zeer minimaal.

De Waal is een stroomvoerend deel van het rivierbed. De activiteiten in een rivierbed mogen geen nadelige effecten hebben voor de waterstand, afvoercapaciteit of zorgen voor een afname van het bergend vermogen. Een functieverandering binnen de bestaande bebouwing kan onverminderd mogelijk worden gemaakt. Met onderhavig plan vindt er een functieverandering binnen de bestaande bebouwing plaats. Er zijn daardoor geen nadelige gevolgen voor de waterstand, afvoercapaciteit of bergend vermogen van de Waal.

Watertoets

Het plan betreft uitsluitend een functieverandering van bestaande bebouwing. Er vindt geen aanpassing van bebouwing of ruimte plaats. Waterschap Rivierenland heeft geen bezwaar tegen dit plan. Het plan hoeft in het kader van de watertoets niet meer voorgelegd te worden aan Waterschap Rivierenland. In Bijlage 4 is het toetsresultaat van de watertoets toegevoegd.

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde situatie.

5.8 Archeologie en cultuurhistorie

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2019 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

Toetsing van het onderhavige plan

De gemeente heeft een eigen archeologische waarden- en verwachtingskaart opgesteld, die in het vigerende bestemmingsplan is verwerkt. Het plangebied is bestemd als 'Waarde-Archeologie 3' en 'Waarde-Archeologie 4'.

Binnen deze dubbelbestemmingen is een archeologische onderzoek noodzakelijk indien:

  • bij 'Waarde-Archeologie 3' de totale bodemingreep groter is dan 5.000 m2 en de verstoring dieper dan 50 cm is;
  • bij 'Waarde-Archeologie 4' de totale bodemingreep groter is dan 10.000 m2.

Deze dubbelbestemmingen vormen geen belemmering voor de onderhavige plan. Het onderhavige plan betreft een functiewijziging, binnen de bestaande bebouwing. De bebouwing wordt niet uitgebreid en er vinden geen grondwerkzaamheden plaats. Het plangebied an sich heeft geen cultuurhistorische waarden en omdat er geen fysieke wijzigingen plaats vinden kunnen er überhaupt geen aantastingen plaats vinden.

Conclusie 

Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde situatie. Omdat er geen archeologisch onderzoek is uitgevoerd is het plangebied niet vrij gegeven. De dubbelbestemming ten behoeve van archeologische verwachtingswaarde blijft derhalve behouden.

5.9 Vormvrije M.E.R.

In de bestemde huidige situatie is het mogelijk om in het plangebied een bedrijf te vestigen met de kenmerken 'aannemersbedrijf', 'houtbewerking' en 'opslag'. Dit komt niet meer overeen met het huidige gebruik. In de beoogde situatie wordt dit 'aannemersbedrijf in de bouw, grond, weg- en waterbouw met werkplaats en opslag'.

Dat betekent, dat het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt, zoals dat is bedoeld in categorie D.11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Deze activiteit betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Een stedelijk project valt onder een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer,
  • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Aangezien deze drempelwaarden niet worden overschreden geeft het Besluit milieueffectrapportage aanleiding om een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieueffecten. Op grond van artikel 2 lid 5 van het Besluit milieueffectrapportage moet het voornemen worden getoetst aan de criteria van Bijlage III van de Europese m.e.r. richtlijn.

De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen is geheel afhankelijk van het feit of de specifieke omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Dit worden de 'bijzondere omstandigheden' genoemd. Om te beoordelen of een MER moet worden opgesteld, bekijkt het bevoegd gezag of er sprake is van bijzondere omstandigheden. De bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op:

  • de kenmerken van de activiteit;
  • de plaats waar de activiteit plaatsvindt;
  • de samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie);
  • de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben.

Toetsing van het onderhavige plan

Het onderhavige plan betreft een wijziging van het type bedrijf op een bestaand bedrijfsperceel, er vinden geen fysieke wijzigingen plaats. Deze wijziging is puur bestemmingsplan technisch. Er gaan geen andere of meer bedrijvigheden plaatsvinden die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Ter onderbouwing van de milieukundige haalbaarheid van het bestemmingsplan is naar al deze aspecten onderzoek verricht.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten

6.1 Juridisch systeem

Het bestemmingsplan is vervat in planregels, een verbeelding en een toelichting.

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en\of op te richten bouwwerken. De regels zijn conform de RO-standaarden 2012 onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan.

De toelichting heeft géén bindende werking. De toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn 'Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).

6.2 Regels

De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier delen.

In de "Inleidende regels" zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot.

In de "Bestemmingsregels" zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. Deze bestemmingsregels worden in paragraaf 6.3 nader uitgewerkt.

In de "Algemene regels" staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreft onder andere de voor alle bestemmingen geldende afwijkingsregels. De algemene afwijkingsregels zorgen voor enige verruiming ten behoeve van de flexibiliteit van het plan. Deze afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht. Zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen.

In de "Overgangs- en slotregels" staan artikelen benoemd die voor alle voorgaande regels gelden. Het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik is hierin geregeld alsmede de slotregel.

6.3 Verklaring van bestemmingen

Bedrijf

Deze bestemming is toegekend vanwege de bestaande bedrijvigheid op deze gronden. Het betreft hier bedrijvigheid, anders dan agrarische bedrijvigheid ofwel niet-agrarische bedrijvigheid waaronder semi-agrarische bedrijvigheid.

Waarde – Archeologie 3 en 4 (verwachtingswaarden)

De voor Waarde – Archeologie 3 en 4 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van middelhoge /gematigde (3) en lage (4) archeologische waarden ofwel middelhoge (3) en lage (4) archeologische verwachtingswaarden. De archeologische verwachtingswaarden zijn beschermd door middel van een omgevingsvergunningenstelsel. Hierin zijn regels opgenomen voor wat betreft het uitbreiden van bebouwingsmogelijkheden en ingrepen in de bodem qua diepte.

Waterstaat - Waterkering

Deze dubbelbestemming is afkomstig van de keur van het waterschap en is gericht op de bescherming van de waterveiligheidsbelangen van de beschermingszone van bestaande primaire/regionale waterkeringen, zoals voorkomend op de legger en in de keur van het waterschap.

Waterstaat - Uiterwaardgebied

Deze dubbelbestemming is afkomstig uit de te realiseren wateropgave en is gericht op hydrologische belangen van het uiterwaardgebied. De voor 'Waterstaat - Uiterwaardgebied' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de afvoer en doorstroming van rivierwater. Ze hebben dus een belangrijke functie voor het doorvoeren en bergen van rivierwater.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

De uitvoering van het onderhavige plan is in handen van een particuliere partij. Er zijn voor de particuliere partij en gemeente geen uitvoeringskosten waarvoor een specifiek onderzoek naar economische aspecten moet worden uitgevoerd. Overige kosten worden op grond van de legesverordening op de particuliere partij verhaald.

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.