| Plan: | Natuurrealisatie t.b.v. Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1960.HEUBzLingegebDiefz-VSG1 |
Provincie Gelderland is in nauwe samenwerking met de gemeente West Betuwe sinds 2016 bezig met een gebiedsproces om de herstelmaatregelen ten behoeve van het Natura 2000 gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid te realiseren. Een van de N2000 herstelmaatregelen die hier genomen wordt is de aanleg van een bufferzone. Deze bufferzone vormt een overgangszone tussen de relatief hoge grondwaterstand in het Natura 2000 gebied en de polder. In de zone waar de bufferzone wordt gerealiseerd en het oppervlaktewaterpeil wordt opgezet, zodat de grondwaterstand stijgt, liggen percelen met de bestemming 'Agrarisch met waarden - natuur en landschapswaarden'. Vanuit een andere provinciaal natuurbeleid heeft de provincie de percelen die gelegen zijn in de bufferzone met bestemming 'Agrarisch met waarden - natuur en landschapswaarden' begrensd als "nieuwe natuur". Percelen met dit label zijn agrarische gronden waar de provincie graag natuur van wil maken. Door dit label is het voor de eigenaren mogelijk om de gronden die gelegen zijn in de bufferzone op vrijwillige basis aan de provincie te verkopen, die er dan natuur van zal maken of deze natuur zelf te realiseren. De gronden die op vrijwillige basis in eigendom zijn gekomen van de provincie en gelegen in de bufferzone zullen samen met de gronden die in eigendom zijn van Staatsbosbeheer en al zijn ingericht als natuur, worden omgezet naar 'Natuur'.
Dit wijzigingsplan bevat de juridische planologische regeling die de wijziging van de agrarische gronden naar natuur mogelijk maakt.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente West Betuwe langs de Nieuwe Zuiderlingedijk ten zuiden van de kernen Heukelum en Asperen. Het plangebied bestaat uit twee locaties. Op onderstaande afbeelding zijn de locaties globaal weergegeven.
Globaal overzicht planlocaties (rood gearceerd)
Het plangebied omvat de kadastrale percelen, Heukelum Sectie D 47, 48, 50, 110, 592, 593, 595, 596, 616, 617, 618, 619, 621, 622, 623, 624, 625, 626, 627, 648, 649, 650, 651, 652, 653, 654, 655 en de kadastrale percelen gemeente Asperen, sectie A, 721, 724, 726, 732, 733, 734, 740 en 1735.
Kadastrale percelen Heukelum: 110, 592, 593, 595, 596, 616, 617, 618, 619, 621, 622, 623, 624, 625, 626, 627, 648, 649, 650, 651, 652, 653, 654 en 655, bron: provincie Gelderland
Kadastrale percelen Heukelum: 47, 48, 50 en Asperen: 721, 724, 726, 732, 733, 734, 740 en 2290, bron: provincie Gelderland
Voor het plangebied zijn de bestemmingsplannen 'Buitengebied 2012' (deels onherroepelijk in werking, vastgesteld 09-10-2012) en 'Reparatieplan Bestemmingsplan Buitengebied 2014' (onherroepelijk, vastgesteld 21-05-2014) van kracht.
De gronden zijn bestemd als 'Agrarische met waarden - Natuur- en landschapswaarden. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 3' en 'Waarde - Archeologische verwachting 4'.
Uitsnede geldend bestemmingsplan Buitengebied 2012 ten zuiden van Heukelum, bron: www.ruimtelijkeplannen.nl
Uitsnede geldend bestemmingsplan Buitengebied 2012 ten zuiden van Asperen, bron: www.ruimtelijkeplannen.nl
In artikel 44.2 van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het bestemmingsplan te wijzigen naar de bestemming 'Natuur' ten behoeve van bos- en natuurontwikkeling of het verplaatsen van houtopstanden. Voorliggend plan maakt gebruik van deze wijzigingsbevoegdheid.
In artikel 44.2 zijn de volgende wijzigingsvoorwaarden opgenomen:
Voorliggend plan maakt de omzetting van agrarische percelen naar natuur die gelegen zijn in de bufferzone mogelijk. De bufferzone is een van de herstelmaatregelen die door de provincie Gelderland wordt genomen ten behoeve van het Natura 2000 gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid.
Het plan leidt niet tot aantasting van de Ecologische Hoofdstructuur en de bijbehorende beschermingszones.
Naast de hiervoor beschreven wijzigingscriteria zijn in het geldende bestemmingsplan ook algemene criteria opgenomen. Voor elke wijziging geldt in zijn algemeenheid dat in de afweging in ieder geval de agrarische, landschappelijke, verkeerstechnische en milieuhygiënische belangen worden betrokken. Met het oog daarop zijn in elk geval de volgende criteria in acht genomen:
De gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden worden niet belemmerd.
In paragraaf 4.7 worden de aspecten ecologie, natuur en landschap behandeld. De beoogde ontwikkeling waarvoor dit wijzigingsplan is opgesteld, vormt juist een positieve impuls voor het landschap en de natuur.
In paragraaf 4.1 worden de aspecten archeologie en cultuurhistorie behandeld. Dit wijzigingsplan is op dit onderdeel uitvoerbaar.
In paragraaf 4.6 wordt het aspect water behandeld. Het waterschap is zelf uitvoerder van dit wijzigingsplan. Hierdoor is het aspect water voldoende gewaarborgd.
De ontwikkeling maakt geen functie mogelijk die een verkeersaantrekkende werking heeft. Het wijzigingsplan is daarom op dit onderdeel uitvoerbaar.
De ontwikkeling maakt geen functie mogelijk die een verkeersaantrekkende werking heeft. Hiermee is aan deze wijzigingsvoorwaarde voldaan.
Aan de specifieke gebruiksregels in de bestemming Natuur van dit wijzigingsplan wordt toegevoegd dat buitenopslag niet is toegestaan.
De percelen in het plangebied zijn onbebouwd, er is geen bedrijfswoning aanwezig. Hiermee is aan deze wijzigingsvoorwaarde voldaan.
In paragraaf 4.7 wordt het aspect landschap behandeld.
In paragraaf 4.5 wordt het aspect externe veiligheid behandeld. Dit wijzigingsplan is op dit onderdeel uitvoerbaar.
In paragraaf 4.3 en 4.7 worden de aspecten geluid en ecologie behandeld. Dit wijzigingsplan is op deze onderdelen uitvoerbaar.
De natuurontwikkeling versterkt de bestaande natuur, het Natura 2000 gebied en draagt bij aan meer biodiversiteit. Er ontstaan geen negatieve gevolgen voor EHS en de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS worden niet significant aangetast.
De ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven worden met de nieuwe functie natuur niet belemmerd.
Hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan betreft de planbeschrijving. Hoofdstuk 4 gaat in op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens de juridische opzet van voorliggend bestemmingsplan toegelicht. Hoofdstuk 6 gaat tot slot in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Het Lingegebied & Diefdijk-Zuid is een uniek stukje natuur langs de rivier de Linge en de Diefdijk. In het kleinschalige rivierenlandschap met open water, rietlanden, moeras, grasland en natte wilgenbosjes is rust en ruimte. Om de bijzondere natuur te behouden en versterken, is het Lingegebied & Diefdijk-Zuid aangewezen als Natura 2000-gebied.
In nauwe samenwerking met de voormalige gemeente Lingewaal, thans de gemeente West Betuwe, is de provincie sinds 2016 bezig met een gebiedsproces om de herstelmaatregelen ten behoeve van het Natura 2000 gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid te realiseren. De meest zichtbare maatregelen worden genomen nabij het natuurgebied Nieuwe ZuiderLingedijk. Daar legt de provincie een overgangszone aan tussen het natuurgebied en de polder, een zogeheten bufferzone. In deze hydrologische bufferzone verlegt de provincie de watergang en verhoogt de grondwaterstand. Dit versterkt de bestaande natuur, het Natura 2000 gebied en draagt bij aan meer biodiversiteit. In bijlage 6 bij de toelichting is het maatvast ontwerp van de hydrologische bufferzone opgenomen.
Ten behoeve van het provinciaal natuurbeleid zijn de percelen met een agrarische bestemming die gelegen zijn in de bufferzone begrensd als 'nieuwe natuur'. Dat wil zeggen gronden met de agrarische bestemming, waarvan de provincie natuur wil maken. Deze percelen maken onderdeel uit van het Gelders Natuur Netwerk. De provincie Gelderland is eigenaar van een aantal agrarische percelen. Daarnaast heeft Staatsbosbeheer een aantal percelen al ingericht als natuur, maar hier nog niet het bestemmingsplan van gewijzigd.
Tot slot wordt op het perceel kadastraal bekend gemeente Heukelum, sectie D, nummer 1735 planologisch bestemd als natuur om een waterberging te realiseren ter compensatie van de peilopzet die nodig is om de bufferzone te realiseren. Dit perceel zal een waterbergende functie krijgen en zijn agrarische functie verliezen. De waterberging krijgt een natuurlijk karakter.
Foto Lingegebied & Diefdijk-Zuid, bron: provincie Gelderland
De ontwikkeling binnen het plangebied betreft een N2000 herstelmaatregel, namelijk de aanleg van een bufferzone. Deze bufferzone vormt een overgangszone tussen de relatief hoge grondwaterstand in het Natura 2000 gebied en de polder. Deze ontwikkeling is getoetst aan het geldende beleid.
Ontwerp NOVI
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), vooralsnog in ontwerp, geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI wordt ingegaan op urgente opgaven die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Deze opgaven omvatten onder andere klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Het uitgangspunt in de aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.
Binnen het toekomstperspectief Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk wordt gestreefd naar robuuste natuur. Onderhavige ontwikkeling past daar goed in.
Wet natuurbescherming (2017)
In het natura 2000 beheerplan Lingegebied & Diefdijk-Zuid zijn de maatregelen beschreven die nodig zijn om de instandhoudingsdoelen van het gebied te bereiken. Om de bijzondere natuur waarvoor het gebied is aangewezen te behouden en waar nodig te verbeteren is de verantwoordelijke overheid op grond van de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en de Wet natuurbescherming gehouden deze maatregelen uit te voeren.
In het bijzonder gaat het om maatregel M4. Opheffen verdroging: Aanleg en inrichting hydrologische bufferzone.
De benodigde maatregelen om de bufferzone in te richten zijn onder andere:
o aanleg / verplaatsen kunstwerken, gronddammen en duikers
o verleggen (graven) A watergang
o afdammen / verondiepen voormalige A-watergang
Verder staat in het beheerplan beschreven dat : "Het realiseren van de bufferzone en het instellen van een tussenpeil in de bufferzone leidt tot vernattingschade aan (landbouw)percelen. Voor het voorkomen, beperken en compenseren van deze vernattingschade kunnen een aantal maatregelen worden genomen, zoals:
o functiewijziging van (agrarische) percelen naar natuur
o ophogen van percelen
o financiële compensatie van natschade."
Dit wijzigingsplan is nodig om de aanleg van de bufferzone en bijbehorende compenserende maatregelen zoals het ophogen van landbouwgronden en realisatie van nieuwe natuur te kunnen uitvoeren. Met de uitvoering van de in het Natura 2000 beheerplan omschreven maatregelen wordt geborgd dat de instandhoudingsdoelen van het gebied worden bereikt. Uitvoering is dan ook een verplichting. Omdat de maatregelen in het beheerplan zijn beschreven en op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis zijn onderbouwd is voor de uitvoering van deze maatregelen (ook in hun uitgewerkte vorm) geen vergunning nodig op basis van de Wet natuurbescherming. De maatregelen zijn dan ook vrijgesteld van de Wet Natuurbescherming en vormen geen onderdeel van de aanvraag van het wijzigingsplan. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming voor soorten blijft wel van kracht. Om een goede invulling te geven aan haar zorgplicht heeft de provincie en waterschap een werkprotocol op laten stellen met maatregelen waarmee invulling gegeven wordt aan de zorgplicht.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
In het Barro is aangegeven dat bij provinciale verordening de gebieden worden aangewezen die het natuurnetwerk Nederland vormen. In paragraaf 3.2 is dit getoetst. Het plangebied valt niet binnen de begrenzing van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in het Barro. Overigens valt dit op basis van de provinciale verordening wel binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Gelderland (december 2018)
Het plangebied ligt binnen het nationaal landschap de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het plan mag niet strijdig zijn met de kernkwaliteiten. Het plan tast de kernkwaliteiten niet aan, zoals is aangegeven in paragraaf 3.3. Verder valt het plangebied binnen de zone 'waterbescherming'. Dit is bedoeld voor het toestaan van de waterfuncties Beschermingszone natte landnatuur, Natte landnatuur en dergelijke. Onderhavige ontwikkeling past daarbinnen.
Bovendien ligt het plangebied binnen het Gelders natuurnetwerk.
De ontwikkeling binnen het plangebied betreft een N2000 herstelmaatregel, namelijk de aanleg van een bufferzone. Deze bufferzone vormt een overgangszone tussen de relatief hoge grondwaterstand in het Natura 2000 gebied en de polder. Die ontwikkeling is getoetst aan de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en sluit hierop aan. Het Natuurbeheerplan 2018 beschrijft de beleidsdoelen en subsidiemogelijkheden voor ontwikkeling en beheer van (agrarische) natuurgebieden. Onderhavige ontwikkeling past daar eveneens binnen.
Manifest van Lingewaal (2010)
In 2030 is Lingewaal een vitale en vooral groene gemeente waar ecologie, economie en samenleving in een goede balans met elkaar samengaan. Deze manifestregel kan worden gezien als de missie van Lingewaal. Realisering van de herstelmaatregelen ten behoeve van het Natura 2000 gebied past daarbinnen. Binnen de structuurvisiekaart is het plangebied aangegeven als 'natuurgebieden' en 'bestaand bos'.
Bestemmingsplan Buitengebied Parapluplan Nieuwe Hollandse Waterlinie
In het Bestemmingsplan Buitengebied Parapluplan Nieuwe Hollandse Waterlinie heeft het perceel de dubbelbestemming 'Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie' en een aanduiding 'overige zone - verdichtingsvelden'. Op basis hiervan gelden beperkingen voor het bouwen, en voor werken en werkzaamheden geldt een vergunningplicht, namelijk voor het ophogen van gronden, het verlagen van gronden, het afgraven, verleggen of ophogen van historische polderkades en/of natuurlijke reliëfranden, het vellen of rooien van hoogopgaande beplanting, waaronder mede begrepen boomteelt en/of fruitteelt, met een (gezamenlijke) oppervlakte van meer dan 50 m² en het verleggen of dempen van watergangen en/of waterpartijen. Het plangebied ligt in een zogenaamd verdichtingsveld. Dit is de veilige zijde van de linie. Hier is ruimte voor landschappelijke verdichting: een kleinschalige ruimtelijke en functionele mix. Hier staat niet langer het behoud van het oorspronkelijk agrarisch landschap voorop; er wordt, naast bestaand agrarisch gebruik, ruimte geboden voor nieuwe ontwikkelingen zoals recreatie, stedelijk uitloop, nieuwe landgoederen, landelijk wonen, natuur- en waterontwikkeling. Voorop staat het groene karakter van de verdichting.
Er geldt voor het plangebied verder geen regelgeving, die het voornemen van de provincie in de weg staat. Voor het overige beleid wordt verwezen naar het volgende hoofdstuk dat een toelichting bevat op het ruimtelijk onderzoek, waarvoor ten dele de gemeente verantwoordelijk is.
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Archeologie
In het Lingegebied worden natuurbeschermingsmaatregelen uitgevoerd. Er is archeologisch advies gevraagd bij de regioarcheoloog van de Omgevingsdienst Rivierenland. Het advies is in deze paragraaf opgenomen.
Ten noorden van de Nieuwe Zuiderlingedijk in Heukelum worden diverse kadastrale percelen ontgraven met 0,30 tot 0,80 meter. Daarnaast worden meerdere (delen van) percelen met 0,20 tot 0,40 meter opgehoogd. Voor deze gronden geldt in het bestemmingsplan Buitengebied 2012 onder meer artikel 31.5.2 (Waarde - Archeologische verwachting 4). Het daarin opgenomen verbod op werken en werkzaamheden is niet van toepassing, voor zover het werkzaamheden betreft tot een diepte van 100 cm onder bestaand maaiveld en voor zover het werkzaamheden betreft over een maximale oppervlakte van 5.000 m2. Aangezien hier slechts circa 20 centimeter wordt ontgraven (of opgehoogd) is hier geen archeologisch vooronderzoek noodzakelijk.
Ten noorden van de Nieuwe Zuiderlingedijk in Asperen worden de kadastrale percelen Asperen Sectie A nummer 732, 733 en 734 en Heukelum Sectie D nummer 47 ontgraven met 0,20-0,640 meter. Het kadastrale perceel Asperen Sectie A nummer 2290 wordt ontgraven met 1 meter. Voor de gronden gelden de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologische verwachting 3 en Waarde - Archeologische verwachting 4. Hoewel het regime strenger is ter plaatse van Waarde - Archeologische verwachting 3 (max. 30 cm en 500 m2) wordt de vereiste minimumdiepte voor werkzaamheden (30 onder maaiveld) op dat deel niet gehaald. Op perceel Asperen A740 (meest oostelijke plagvlak) wordt de vrijstelling waarbinnen nader archeologisch onderzoek niet nodig is formeel zowel in diepte (0,4-0,6 ipv 0,3) als oppervlak (circa 1.000 m2 ipv 500 m2) overschreden.
Kortom: ten aanzien van archeologie is in alle gevallen geen vooronderzoek noodzakelijk, met uitzondering van het perceel Asperen A740 (meest oostelijke plagvlak). Hiervoor is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 1. Uit het onderzoek is gebleken dat de kans klein is dat archeologische resten in de bovenste 200 cm van het bodemprofiel aanwezig zijn. Naar verwachting zullen door de voorgenomen ingrepen, die 40 tot 60 cm diep rijken, geen archeologische resten worden verstoord. Eventueel aanwezige archeologische resten dieper dan 200 cm beneden maaiveld liggen buiten het bereik van de voorgenomen bodemingrepen. Er zijn geen maatregelen noodzakelijk. Geadviseerd wordt het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.
Cultuurhistorie
In 2012 heeft de gemeente Lingewaal een Cultuurhistorische Waardenkaart vastgesteld, om het erfgoed zichtbaarder te maken, onder de aandacht te brengen en te behouden. Het plangebied ten zuiden van Heukelum ligt in 'komontginningen, strookvormig ingedeeld'. Het plangebied ten zuiden van Asperen ligt in 'stroomrugontginning met regelmatige indeling'. De laaggelegen kommen stonden grote delen van het jaar (bijna) geheel onder water door de kwel en de problematische afwatering van de polders en waren moeilijk bewerkbaar door de zware klei. Deze gronden waren dan ook slechts bruikbaar als wei- of hooiland, voor de griendcultuur of als eendenkooi. De kommen zijn net als de stroomruggen sinds de Late Middeleeuwen overwegend in stroken verkaveld.
Nieuwe Hollandse Waterlinie
Het plangebied maakt onderdeel uit van Nationaal Landschap de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In de Omgevingsverordening Gelderland zijn de kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinie beschreven, deze kernkwaliteiten zijn:
Met voorgenomen plan worden de agrarische gronden omgezet naar natuur. Het kenmerkende historische verkavelingspatroon blijft behouden en de kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinie worden niet aangetast. Er wordt zelfs bijgedragen aan het groene en overwegend rustige karakter.
Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het kader van de uitvoerbaarheid bij een bestemmingsplan onderzocht worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Op basis van de Woningwet en het Bouwbesluit mag niet worden gebouwd op verontreinigde grond.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet vaak een bodemonderzoek worden geleverd. Dit is een verplichting uit de Woningwet om de gezondheid en veiligheid te garanderen van mensen die wonen, werken of verblijven in het gebouw waarvoor vergunning wordt aangevraagd.
Een bodemonderzoek is noodzakelijk wanneer:
Afweging
In het plangebied worden geen gevoelige (verblijfs)functies of nieuwe bebouwing gerealiseerd. Ter uitvoering van het inrichtingsplan wordt gegraven in de bodem. Er wordt 20-640 cm afgegraven op de natuurpercelen en voor realisatie van waterberging wordt plaatselijk 1 m afgegraven. Een deel van de grond wordt binnen het plangebied verwerkt om percelen op te hogen. Het overig deel zal worden afgevoerd naar een locatie elders. De vrijkomende grond wordt onderzocht conform de geldende wet en regelgeving (het Besluit Bodemkwaliteit).
In verband met de voorgenomen natuurherstelmaatregelen en verdrogingsbestrijdingsmaatregelen is een vooronderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 2. Tijdens het vooronderzoek is gekeken naar de (mogelijke) aanwezigheid van verontreinigingen in bodem en naar de (mogelijke) verontreiniging met asbest in bodem en verhardingslagen. De conclusie en aanbevelingen uit het vooronderzoek zijn als volgt.
Alle gedempte sloten en dammen binnen het onderzoeksgebied worden aangemerkt als verdacht op het voorkomen van bodemverontreinigingen. Daarnaast wordt een groot deel van de aanwezige dammen aangemerkt als verdacht op het voorkomen van een verontreiniging met asbest. Tevens zijn de (voormalige) fruitteeltgebieden binnen het gebied verdacht op het voorkomen van OCB. Voor deze verdachte deellocaties is voorafgaand aan de werkzaamheden bodemonderzoek aan te raden om na te gaan of er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Voor wat betreft PFAS worden verschillende opties aanbevolen, afhankelijk van de hoeveelheid spoed die gemoeid is met de geplande werkzaamheden. Indien de werkzaamheden op korte termijn gestart moeten worden, wordt aanbevolen voorafgaand aan de werkzaamheden de PFAS gehalten van zowel de uitkomende grond als de ontvangende bodem te bepalen. In dit geval dient een onderzoek naar PFAS in het gehele werkgebied te worden uitgevoerd. Indien er weinig spoed geboden is, wordt aanbevolen om met het grondverzet voor de realisatie van het natuurgebied te wachten tot de bodemkwaliteitskaart PFAS (met eventueel aangepaste Nota Bodembeheer) door de omgevingsdienst Rivierenland beschikbaar is gesteld. Op basis van contact met de omgevingsdienst Rivierenland wordt verwacht dat er aanstaande zomer (2020) een officiële bodemkwaliteitskaart inclusief PFAS wordt gepubliceerd voor o.a. het projectgebied. Wanneer deze kaart is goedgekeurd door het college van de gemeente West-Betuwe, kan vermoedelijk binnen het gebied gebruik worden gemaakt van vrij grondverzet. Bodemonderzoek en keuringen kunnen dan achterwege blijven. Wel dient nog steeds een bodemonderzoek plaats te vinden ter plaatse van de voor bodemverontreiniging verdachte locaties (dammen en slootdempingen).
Conclusie
Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt op verdachte locaties (dammen en slootdempingen) bodemonderzoek uitgevoerd. Vooruitlopend op de publicatie van de bodemkwaliteitskaart wordt onderzoek naar PFAS in het plangebied uitgevoerd.
De Wet geluidhinder (Wgh) gaat over het geluid dat veroorzaakt wordt door wegverkeer, railverkeer en gezoneerde industrieterreinen. Het doel van de Wet geluidhinder is het beschermen van de mens tegen geluidshinder.
Afweging
Met de voorliggende ontwikkeling worden geen geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Anderzijds worden geen functies mogelijk gemaakt die geluid produceren conform de Wgh.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.
In de periode 1940 - 1945 tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben zich op diverse locaties in de huidige gemeente Lingewaal oorlogshandelingen voorgedaan. Als gevolg van deze oorlogshandelingen kunnen op bepaalde locaties niet gesprongen Conventionele Explosieven (CE) of delen daarvan in de bodem voorkomen. Het is van belang om duidelijkheid te krijgen over de aard en omvang van de situatie aangaande CE ten einde de veiligheid van personeel en (directe) omgeving tijdens de realisatiefase op een verantwoorde wijze te kunnen waarborgen.
Om inzicht te krijgen in de mogelijke risico’s is een vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van CE of delen daarvan binnen het onderzoeksgebied Natura 2000 Lingegebied en Diefdijk-Zuid uitgevoerd, zie Bijlage 3. Op basis van bronmateriaal kan gesteld worden dat er geen feitelijke aanwijzingen zijn aangetroffen welke verwijzen naar mogelijke CE of delen daarvan binnen het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied wordt geclassificeerd als niet verdacht van CE.
In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn de normen van externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. Deze normen zijn uitgedrukt in een groepsrisico (GR) en een plaatsgebonden risico (PR). Afstand dient gecreëerd te worden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicovolle bedrijven.
De risiconormen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in het Bevi. In dit besluit zijn milieukwaliteitseisen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. De bij het besluit behorende ministeriële regeling “Regeling externe veiligheid inrichtingen” (Revi) werkt de afstanden, de referentiepunten en de wijze van berekenen van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico verder uit ter uitvoering van het Bevi. Daarnaast zijn de Handreiking Verantwoording Groepsrisico van het voormalige ministerie van VROM en de Handleiding externe veiligheid inrichtingen hulpmiddelen voor de wijze waarop volgens het Bevi met het externe veiligheidsrisico's moet worden omgegaan.
Het Bevi verplicht het bevoegd gezag op basis van de Wet milieubeheer om veiligheidsafstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. In het besluit zijn gevoelige objecten gedefinieerd als kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Om een eerste indicatie te krijgen van aanwezige risicobronnen in of bij het plangebied is de Risicokaart geraadpleegd (de groene cirkel geeft de globale ligging van het plangebied aan):
Uitsnede risicokaart, locatie plangebied globaal weergegeven (groene cirkels), bron: www.risicokaart.nl
Afweging
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen relevante aspecten in het kader van de externe veiligheid aangegeven, met uitzondering van een gasleiding langs de N848. In het voorliggende wijzigingsplan wisselen de gronden van bestemming 'Agrarisch' naar 'Natuur'. Er worden geen (beperkt) kwetsbare objecten of risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Hierdoor vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het voorliggende wijzigingsplan.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.
In artikel 3.1.6 (Bro) is aangegeven dat in de toelichting van een inpassingsplan is beschreven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding.
Het plangebied betreft agrarische percelen die worden omgezet naar een natuurbestemming.
Om de bufferzone te kunnen realiseren heeft het Waterschap Rivierland in juni jongstleden een peilbesluit genomen voor de zone waar de bufferzone wordt gerealiseerd en het oppervlaktewaterpeil wordt opgezet.
Daarnaast wordt de grond kadastraal bekend gemeente Heukelum, sectie D, nummer 1735 planologische bestemd als natuur om een waterberging te realiseren. Deze waterberging wordt aangelegd ter compensatie van de peilopzet die nodig is om de bufferzone te realiseren. Dit perceel zal een waterbergende functie krijgen en zijn agrarische functie verliezen. De waterberging krijgt een natuurlijk karakter.
Het ontwerp van de waterberging is opgenomen in Bijlage 4. Het ontwerp van de bufferzone is opgenomen in Bijlage 6.
Binnen het plangebied liggen A-, B- en C-watergangen. In beginsel is er altijd een beschermingszone voor A- en B-watergangen aangegeven in de legger van het waterschap.
Binnen het plangebied worden geen watergangen verlegd. Ook is geen sprake van toename van verhard oppervlak.
Buiten het plangebied ligt een primaire waterkering op basis van de legger van het Waterschap Rivierenland, namelijk de Nieuwe Zuiderlingedijk. De buitenbeschermingszone ligt over een deel van het plangebied. Er worden geen gebouwen of verharding gerealiseerd. Er wordt uitsluitend natuur aangelegd. Hierbij wordt de beschermingszone gerespecteerd.
Wet- en regelgeving
Voor de planologische procedure is het conform artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) noodzakelijk aandacht te besteden aan de natuurwetgeving en -regelgeving. Er dient onder meer aangegeven te worden of er als gevolg van de plannen vergunningen en/of ontheffingen noodzakelijk zijn, en zo ja, of deze verkregen kunnen worden.
Voor onderhavig plan is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van natuurbescherming relevant: de Wet natuurbescherming, de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de bijbehorende Omgevingsverordening Gelderland.
Afweging
Voorgenomen natuurontwikkeling maakt deel uit van het gebiedsproces om de herstelmaatregelen ten behoeve van het Natura 2000 gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid te realiseren. Voor het realiseren van een watergang als onderdeel van alle ecologische herstelmaatregelen die plaatsvinden in en nabij het Natura 2000-gebied Lingegebied en Diefdijk-Zuid is een provinciaal inpassingsplan opgesteld. Het inpassingsplan is op 26 september 2018 door Provinciale Staten vastgesteld. Voor het inpassingsplan is reeds onderzoek uitgevoerd, bestaande uit een quick scan natuur en een voortoets Natura 2000 (Effecten van antiverdrogingsmaatregelen voor het Natura 2000-gebied Lingegebied en Diefdijk-Zuid, Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming, Bureau Waardenburg bv, 21 november 2017).
In de uitgevoerde onderzoeken is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijke negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied.
In de genoemde natuurtoets is een van de uit te voeren maatregelen, te weten het afplaggen en ophogen in de bufferzone niet meegenomen. In de notitie zoals opgenomen in Bijlage 7 vormt daarom een aanvulling op de natuurtoets en geeft naast een beschrijving van het afplaggen en ophogen aan welke effecten van het afplaggen en ophogen verwacht kunnen worden.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt deels binnen het Gelders natuurnetwerk (GNN) en grenst aan het Natura 2000-gebied Lingegebied en Diefdijk-Zuid. Voorliggend plan heeft geen (significant) negatief effect op GNN en het Natura 2000-gebied Lingegebied en Diefdijk-Zuid.
Uitsnede kaart Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, GNN: groen weergegeven, locatie plangebied globaal weergegeven: rood omlijnd
Weergave Natura 2000-gebieden (blauw gestreept) ten opzichte van globale ligging plangebied (rood omlijnd), bron: www.natura2000.eea.europa.eu
Soortenbescherming
In het plangebied kunnen verschillende Wnb beschermde soorten worden verwacht. Voor de uitvoering van de ingreep is geen ontheffing nodig. Op grond van artikel 3.8, lid 7 Wnb zijn de verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde soorten namelijk niet van toepassing bij handelingen ter uitvoering van Natura 2000 instandhoudingsmaatregelen. De zorgplicht (artikel 1.11 Wnb) blijft wel van kracht, wat inhoudt dat maatregelen worden getroffen om negatieve effecten op soorten zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken.
Als gevolg van het afplaggen en ophogen van terreindelen in de bufferzone kunnen effecten optreden op de heikikker, algemeen voorkomend amfibieën en de veldmuis. Voor de uitvoering van de werkzaamheden geldt vrijstelling van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde soorten omdat de werkzaamheden worden uitgevoerd om de kwaliteit van het Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk - Zuid te verbeteren. Ten aanzien van de veldmuis geldt daarnaast een provinciale vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen. De provincie Gelderland wil echter graag invulling geven aan de zorgplicht en het zorgvuldig handelen. Door bij de uitvoering rekening te houden met het werkprotocol worden effecten als gevolg van de getoetste werkzaamheden ten aanzien van de heikikker, algemeen voorkomende amfibieën en veldmuis verkleind en voorkomen.
Conclusie
Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan. Wel geldt de zorgplicht waaraan invulling wordt gegeven bij opvolging van het werkprotocol.
M.e.r.-plicht
De vraag of sprake is van een m.e.r.-plicht omvat twee subvragen:
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Uit het voorgaande blijkt dat voor het bestemmingsplan een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden doorlopen voor de ontwikkeling van natuur. De vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
Een m.e.r.-beoordeling betekent dat er géén MER wordt opgesteld, tenzij er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het uitgangspunt is dus: 'Nee, tenzij....'
De 'belangrijke nadelige gevolgen' moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). Bijlage III noemt drie hoofdthema's:
1. de kenmerken van de activiteit (waaronder omvang, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen);
2. de plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu);
3. de kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde van grootte en waarschijnlijkheid van het effect).
De ontwikkeling binnen het plangebied betreft een N2000 herstelmaatregel, namelijk de aanleg van een bufferzone. Deze bufferzone vormt een overgangszone tussen de relatief hoge grondwaterstand in het Natura 2000 gebied en de polder. De activiteiten die mogelijk wordt gemaakt valt onder categorie 'D 9 Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan.'
De kenmerken van de activiteit, zoals genoemd onder punt 1, zijn reeds behandeld in hoofdstuk 1. De plaats van de activiteiten is eveneens in hoofdstuk 1 bechreven. De kenmerken van het potentiele effect zijn in de paragraaf 4.1 tot en met 4.7 behandeld.
Plaats van het project
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen:
Het plangebied is in de huidige situatie in gebruik als agrarisch (gras)land. Met het inrichten van het gebied is sprake van een wijziging van het bestaande grondgebruik.
Het genoemde onder het tweede aandachtsstreepje is in dit geval niet aan de orde. De nieuwe inrichting van het gebied heeft geen effect op natuurlijke hulpbronnen, zoals mineralen, ertsen, fossiele brandstoffen. Wat betreft het genoemde onder het derde aandachtsstreepje: De ontwikkeling binnen het plangebied betreft een N2000 herstelmaatregel, namelijk de aanleg van een bufferzone. Deze bufferzone vormt een overgangszone tussen de relatief hoge grondwaterstand in het Natura 2000 gebied en de polder.
Kenmerken van het potentiële effect
Bij de potentiële effecten van het project wordt voor zover relevant gekeken naar:
Dit wijzigingsplan is opgesteld volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan.
Voor de juridische regeling is aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen 'Buitengebied 2012', en 'Reparatieplan Bestemmingsplan Buitengebied 2014'. Deze bestemmingsplannen zijn van toepassing verklaard op het voorliggende wijzigingsplan.
De verbeelding omvat de ter plaatse geldende enkelbestemming 'Natuur' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' en 'Waarde - Archeologische verwachting 4'. Aan de bestemmingsomschrijving van de bestemming 'Natuur' wordt toegevoegd dat waterberging is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'waterberging', waarvoor geldt dat maximaal 18.500 m3 grond wordt ontgraven. Aan de specifieke gebruiksregels van de bestemming Natuur in het bestemmingsplan Buitengebied 2012 wordt toegevoegd dat buitenopslag tot strijdig gebruik wordt gerekend en dat een waterberging ter plaatse van de aanduiding 'waterberging' uitsluitend is toegestaan als deze wordt gerealiseerd conform het onwerp waterberging zoals opgenomen in de bijlage bij de regels.
De beoogde natuurontwikkeling is een initiatief van de provincie Gelderland. De provincie is eigenaar van de gronden. Waterschap Rivierenland doet de uitvoering. Voor de financiering van het project is een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen het Waterschap Rivierenland en de provincie Gelderland. Daarnaast neemt de provincie namens Staatsbosbeheer de gronden van Staatsbosbeheer mee die al zijn ingericht zijn als natuur, maar waarvan de bestemming nog niet is gewijzigd. Voor de gemeente zijn aan het wijzigingsplan geen kosten verbonden. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid van het plan verzekerd.
Vanaf donderdag 30 april 2020 tot en met woensdag 10 juni 2020 heeft het ontwerp wijzigingsplan 'Natuurrealisatie t.b.v. Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid' ter inzage gelegen in het kader van de ontwerpfase ex artikel 3.9a Wro. Tijdens de terinzagelegging is een ieder in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze omtrent het ontwerp wijzigingsplan aan het college van burgemeester en wethouders kenbaar te maken. Hiervan hebben twee appellanten gebruik gemaakt. De ontvankelijkheidbeoordeling en de zienswijzenbehandeling zijn opgenomen in hoofdstuk 3 en 4 van de Nota van zienswijzen, zie Bijlage 8 Nota van zienswijzen.