direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herenstraat ong. (tussen 8a en 10) Haaften
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1960.HAAHerenstrong-VGS1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het onbebouwde stuk grond, tussen Herenstraat 8a en 10 te Haaften, heeft geruime tijd gediend als tuin bij de woning Koningstraat 11-13, direct ten oosten van het perceel. De eigenaar van het stuk grond is echter voornemens om op het perceel een vrijstaande woning met tuin te bouwen. Vandaar dat het college is verzocht om de wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan te gebruiken, omwille van de realisatie van één woning. Het college heeft op 21 januari 2020 besloten in principe medewerking te verlenen aan dit verzoek, mits aan de gestelde voorwaarden in de wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan. Ten behoeve van de beoogde wijziging is onderhavig wijzigingsplan opgesteld.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt ten zuiden van de kern Haaften en is kadastraal bekend als gemeente West Betuwe, sectie K, nr. 1527 en 1528. Het plangebied grenst aan:

  • Noordzijde: de zijdelingse perceelsgrens van Herenstraat 10 (perceel nr. 119);
  • Oostzijde: de achterperceelsgrens van Koningsstraat 11-13 (perceel nr. 797);
  • Zuidzijde: de zijdelingse perceelsgrens van Herenstraat 8a (perceel nr. 117);
  • Westzijde: de Herenstraat

Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.HAAHerenstrong-VGS1_0001.jpg" Globale ligging plangebied (rode druppel)

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.HAAHerenstrong-VGS1_0002.jpg" Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Voor de gronden in dit wijzigingsplan geldt het bestemmingsplan 'Kern Haaften', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 9 december 2010. Het perceel heeft de bestemming 'Wonen', maar de toevoeging van een woning is niet mogelijk, aangezien een bouwvlak ontbreekt. De aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 4', gelegen op het hele perceel, verwijst naar lid 26.5, waarin een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen, welke de bouw van een woning wel mogelijk maakt, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan 1.
  • b. De woning mag uitsluitend vrijstaand worden gebouwd.
  • c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 4 m.
  • d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 8 m.
  • e. De diepte mag niet meer bedragen dan 12 m.
  • f. De wijziging dient inpasbaar te zijn vanuit een stedenbouwkundig ruimtelijk oogpunt.
  • g. De wijziging dient economisch uitvoerbaar te zijn.
  • h. Er mag geen sprake zijn van archeologische belemmeringen.
  • i. Er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen.
  • j. Er dient op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien.

Daarnaast is het gehele perceel voorzien van de aanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied', welke verwijst naar lid 25.2 en het bevoegd gezag de mogelijkheid geeft om een omgevingsvergunning te verlenen voor het vestigen van detailhandel en/of een ambachtelijk bedrijf.

In het geldende bestemmingsplan is het hele plangebied tevens voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' en aan de westzijde van het plangebied is sprake van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' mogen geen gebouwen worden gebouwd. Als gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan 'Dijkversterking Gorinchem – Waardenburg', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2021, is de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering' echter komen te vervallen, omdat de gronden in het bestemmingsplan 'Dijkversterking Gorinchem – Waardenburg' zijn aangeduid als 'vrijwaringszone – dijk 2'. Op basis van deze aanduiding vallen de gronden onder de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. Deze aanduiding heeft enkel een attentiewaarde en kent geen inhoudelijke planologische regeling.

Naast de bestemmingsplannen 'Kern Haaften' en 'Dijkversterking Gorinchem - Waardenburg' gelden voor de gronden in het plangebied ook het bestemmingsplan 'Standplaatsen' en het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 ', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op respectievelijk 17 september 2015 en 30 juni 2020.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.HAAHerenstrong-VGS1_0003.jpg" Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan met ligging plangebied (rode omkadering)

De beoogde ontwikkeling past, vanwege het ontbreken van een bouwvlak, niet binnen het bestemmingsplan. Om het plangebied te voorzien van een bouwvlak, ten behoeve van de realisatie van één woning, wordt gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid, onder lid 26.5.

1.4 Leeswijzer

Het wijzigingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het wijzigingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het wijzigingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het wijzigingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen:

Inleiding en beschrijving plangebied
In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor de planwijziging beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied.

Verantwoording
Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit gedeelte worden het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Ook wordt hier de wijzigingsbevoegdheid getoetst.

Juridische planbeschrijving
In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.

Uitvoerbaarheid
Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen aan de Herenstraat en betreft een (nog) onbebouwd perceel te midden van een relatief dicht bebouwd dorpslint. De Herenstraat behoort tot het 'Historisch dorpsgebied' van Haaften. Het straatbeeld is afwisselend door het gevarieerde wegbeloop en de individuele plaatsing van panden. De bebouwing bestaat veelal uit historische panden, waarin de oorspronkelijke agrarische functie herkenbaar is.

Het perceel bestaat uit een grasveld met daarop enkele fruitbomen. Op navolgende afbeeldingen is schematisch de bestaande situatie in en om het plangebied weergegeven, evenals een impressie van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.HAAHerenstrong-VGS1_0004.jpg" Uitsnede kaart BGT met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering)

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.HAAHerenstrong-VGS1_0005.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.HAAHerenstrong-VGS1_0006.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.HAAHerenstrong-VGS1_0007.jpg" Impressies plangebied

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie wordt het aantal fruitbomen geheel of gedeeltelijk teruggebracht en wordt passend binnen het stedenbouwkundige profiel van de Herenstraat, een vrijstaande woning gerealiseerd. Losstaand van de andere bebouwing en met onderlinge verschillen in bouwstijl. Hiermee wordt de directe bouwtitel, zoals opgenomen in het hiervoor geldende bestemmingsplan ('Kom Haaften herziening 1981-I'), weer opgenomen. Overigens voorzag dit plan enkel in een maximum goothoogte, een maximum bouwhoogte was niet opgenomen, zie ook navolgende afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.HAAHerenstrong-VGS1_0008.jpg" Uitsnede plankaart bestemmingsplan 'Kom Haaften herziening 1981-I'

Op navolgende afbeelding is de situering van het bouwvlak weergegeven. De voorste grens van het bouwvlak ligt evenwijdig aan de perceelgrens. Dit is conform de structuur van de bestaande woning. De afstand van het bouwvlak tot de voorste perceelsgrens is in lijn met de woning Herenstraat 8a, ten zuiden van het plangebied. Deze situering is ondergeschikter ten opzichte van de historische bebouwing, die dichter op de Herenstraat staat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.HAAHerenstrong-VGS1_0009.jpg" Impressie situering bouwvlak

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De kaders van het rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In de SVIR schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid meer bij provincies en gemeenten komen te liggen. Het Rijk zal zich alleen bezig houden met de zaken die prioriteit hebben. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De structuurvisie is juridisch vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie 3.1.2

Planspecifiek
Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. De SVIR is niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de SVIR. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

Planspecifiek
Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'

In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied.

Planspecifiek
Onderhavig initiatief betreft de realisatie van één woning. Daarmee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.4 Conclusie

De beoogde wijziging past binnen het nationale ruimtelijke beleid.

3.2 Provinciaal beleid

Op 19 december 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' en de bijbehorende Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en -verordening zijn allebei op 1 maart 2019 in werking getreden.

De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie 2 keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast.

3.2.1 Omgevingsvisie

De wereld verandert ingrijpend en er komt veel op de inwoners van Gelderland af. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. Het is de bedoeling om samen keuzes te maken over de voorliggende vraagstukken en de betekenis daarvan voor de inrichting van Gelderland. In onderling overleg zoeken naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden. Waarbij de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal stelt.

  • Gezond en veilig: Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
  • Schoon en welvarend: Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie
  • Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In onze groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd investeren we in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied ons vertrekpunt. Wij geven de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen. Wij gaan voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, breiden we uit aan de randen van onze steden of dorpen.
  • De dynamiek op de woningmarkt is groot. Voor ons staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. We hebben zorg en aandacht voor de woonbehoeften van alle Gelderlanders en maken hier met onze partners afspraken over. Ook zijn de meeste woningen verre van energieneutraal en klimaatbestendig. Wij stimuleren innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Ook zijn wij met onze partners in gesprek over hoe we het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer kunnen aanpakken. Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van onze inwoners.

Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling sluit aan bij het uitgangspunt dat zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gebouwd wordt. Daarnaast wordt de nieuwe woning zonder aardgasaansluiting gerealiseerd. Dit is geheel in lijn met de provinciale duurzaamheidsambities.

In de omgevingsvisie zijn verder geen specifieke doelstellingen geformuleerd ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Vandaar dat de omgevingsvisie geen belemmering vormt voor de plan realisatie.

3.2.2 Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.

In artikel 2.2 is opgenomen dat een bestemmingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda.

Planspecifiek
De toevoeging van één extra woning is passend binnen de omgevingsverordening, omdat het passend is binnen het regionaal afgestemde woningbouwprogramma (zie subparagraaf 3.3.2).

Daarnaast is het plangebied onderdeel van een intrekgebied van een waterwingebied. De omgevingsverordening regelt in artikel 2.6.3 'Intrekgebied' dat een intrekgebied geen bestemming mag krijgen die de winning van fossiele energie mogelijk maakt. Hiervan is geen sprake.

Ook is het plangebied gelegen binnen een straal van 400 meter van een molen (De Blauwe Reiger), binnen een zogenaamde molenbiotoop. Volgens artikel 2.8.2 'Molenbiotoop', van de omgevingsverordening, is nieuwe bebouwing danwel beplanting binnen deze gronden niet toegestaan, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat het functioneren van de molen door middel van windvang niet wordt beperkt. De beoogde vrijstaande woning vormt echter geen belemmering voor de aan- en afvoer van wind naar de molen, omdat er al een lint van woningen met opgaand groen dichterbij de molen gelegen is en de maximale bouwhoogte van 8 m aansluit op de maximaal toegestane bouwhoogte van de nabijgelegen bestaande bebouwing. De hoogte van de bestaande woningen varieert tussen de 6 en 10 m.

In de omgevingsverordening zijn verder geen specifieke doelstellingen geformuleerd ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Vandaar dat de omgevingsverordening geen belemmering vormt voor de plan realisatie.

3.2.3 Conclusie

De beoogde ontwikkeling past binnen het provinciale ruimtelijke beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Visie Wonen en Werken 2002-2011

Tot aan de vaststelling van een structuurvisie voor Neerijnen, geldt de ‘Visie Wonen en Werken 2002-2011’ als structuurvisie. Met de Visie Wonen en Werken 2002-2011 is uitwerking gegeven aan het Experiment Ruimtelijk Beleid Rivierenland. Het doel van de Visie Wonen en Werken is het maken van een integrale ruimtelijke afweging voor de ontwikkeling van woon- en werklocaties binnen de gemeente op korte- en lange termijn. Ten aanzien van het zoeken van ruimte voor woningbouw en bedrijvigheid wordt aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar inbreidingslocaties.

Haaften heeft, in tegenstelling tot de overige kernen in de gemeente, relatief meer mogelijkheden voor verdichting. In de fasering, dat onderdeel uitmaakt van het plan, zijn in Haaften 9 locaties opgenomen, die in aanmerking kunnen komen voor de ontwikkeling van woningbouw en/of andere functies.

Planspecifiek
Het plangebied bevindt zich binnen bestaand stedelijk gebied. Door de realisatie van een extra woning binnen dit gebied, is dus sprake van inbreiding. Daarnaast tonen de woonbestemming en de wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan aan dat het plangebied door de gemeente geschikt wordt geacht voor het toevoegen van een woning.

3.3.2 Woonvisie West Betuwe 2020-2030

Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad van West Betuwe de Woonvisie 'Wonen naar behoefte' vastgesteld. Met deze woonvisie geeft de gemeente West Betuwe aan hoe zij de komende tien jaar een toekomstbestendige woningmarkt willen bewerkstelligen, waarin ruimte is voor alle doelgroepen, zodat Wet Betuwe een leefbare, maar ook groene gemeente is en blijft. De gemeente wil een woningaanbod die aansluit op de behoefte van de bewoners van de 26 kernen. Dorpen waar jong en oud naar tevredenheid wonen. Hiervoor heeft de gemeente vier leidende principes opgesteld:

  • Het beschermen van de unieke landschappelijke kwaliteiten en het karakter van West Betuwe en haar kernen;
  • Voor elke inwoner is een passende woning haalbaar en betaalbaar;
  • Ieder kan gezond en veilig wonen;
  • Woningbouw is mogelijk in elke kern, passend bij de aard en schaal van de kern;

Woningbouw is in principe in elke kern wenselijk, om aan alle inwoners voldoende en passende woonruimte te kunnen bieden. In het 'Afwegingskader voor nieuwe woningbouwplannen', van april 2020, wordt aangegeven dat tot 2024 nog 1.100 woningen in de pijplijn zitten om te ontwikkelen. Op basis van woningbehoefteonderzoek tot 2030 blijkt dat bovenop wat er reeds in de pijplijn zit, weinig behoefte is aan extra woningbouw. Vandaar dat de gemeente nieuwe initiatieven zorgvuldiger gaat afwegen.

Planspecifiek
De voorgenomen bouw van één woning past binnen het woningprogramma. In het 'Afwegingskader voor nieuwe woningbouwplannen' wordt namelijk aangegeven dat bouwinitiatieven waarover het gemeentebestuur al een positief principebesluit heeft genomen, reeds zijn opgenomen in het gemeentelijk woningbouwprogramma en dus kunnen worden voortgezet. Het college heeft op 21 januari 2020 besloten in principe medewerking te verlenen aan dit wijzigingsplan.

3.3.3 Conclusie

De beoogde ontwikkeling past binnen het gemeentelijke ruimtelijke beleid.

3.4 Conclusie

Het wijzigingsplan is passend binnen het beleid van de verschillende overheden.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Verkeer & parkeren

4.1.1 Verkeer

Het plangebied wordt voor motorvoertuigen via drie routes ontsloten via de Herenstraat, de Molenstraat, de Dreef, de Bernhardstraat en de Marijkestraat; via de Waalbandijk en de Zijving; en via de Hertog Karelweg; naar de Graaf Reinaldweg (N830).

In de toekomstige situatie neemt het aantal woningen in het plangebied met één woning toe. Dit betekent dat het aantal voertuigbewegingen slechts beperkt toeneemt, met 8,2 extra voertuigbewegingen per weekdag. Dit aantal voertuigbewegingen is gemakkelijk op te vangen op omliggende wegen, ook omdat er drie verschillende ontsluitingroutes zijn, waarover het wegverkeer zich verdeelt.

Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.1.2 Parkeren

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van de normen zoals aangegeven in het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019' en zoals opgenomen in de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren. Haaften is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'niet stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van de 'rest bebouwde kom'. De parkeerkencijfers uit de publicaties van CROW worden weergegeven in de vorm van een bandbreedte. De gemeente West Betuwe gaat bij het bepalen van de parkeerbehoefte uit van de maximale parkeernorm, hetgeen uitkomt op:

  • 2,7 parkeerplaatsen per vrijstaande woning, koop.

Dit betekent dat er drie parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd moeten worden. Het plangebied biedt voldoende ruimte om hierin te voorzien. Hiertoe wordt te zijner tijd een inritvergunning aangevraagd bij de gemeente.

Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.2 Bodem

4.2.1 Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden.

Bij het opstellen van een ruimtelijk plan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/herzien van een ruimtelijk plan alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

4.2.2 Doorvertaling wijzigingsplan

De bodem van het plangebied is geruime tijd in gebruik geweest als tuin bij de woning Koningstraat 11-13. Sinds1984 zijn de huidige fruitbomen op het perceel aanwezig. Voor het aanplanten van deze bomen is overgebleven grond van een renovatie/verbouwing van de Koningstraat 11-13 gebruikt. Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 1 bij de toelichting gevoegd. Het bodemonderzoek laat de volgende resultaten, conclusies en aanbevelingen zien:

Resultaten:

  • De toplaag van de locatie is plaatselijk licht verontreinigd met organochloorbestrijdingsmiddelen.
  • De bovengrond van de locatie is licht verontreinigd met verschillende zware metalen, PAK en PCB. Ter plaatse van boring 05, centraal op de locatie, is een matige verontreiniging met zink in de bovengrond aangetoond. De bovengrond is indicatief van klasse industrie.
  • De ondergrond van de locatie is licht verontreinigd met kobalt en nikkel. Ook deze grond is indicatief van klasse industrie.
  • Het grondwater is "van nature" licht verontreinigd met barium.

Conclusies:

  • In de bovengrond ter plaatse van boring 05 wordt voor zink de tussenwaarde overschreden. Uit de resultaten blijkt dat sprake is van een heterogeen, overwegend licht verontreinigde bovengrond, waarbij plaatselijk een matige verontreiniging met zink aanwezig is. Gezien de gevolgde onderzoeksstrategie en de aanvullende individuele analyses is in voldoende mate vastgesteld dat op locatie geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (minder dan 25 m3 boven de interventiewaarde verontreinigde grond). Dit houdt in dat er op basis van de Wet bodembescherming geen aanleiding is voor het uitvoeren van nader onderzoek en/of sanerende maatregelen.
  • De verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en PCB en OCB in de grond zijn te relateren aan antropogene invloeden op de bodem als gevolg van het jarenlange gebruik van de locatie. Dit heeft ertoe geleid dat de geroerde grond van de gehele locatie indicatief getoetst aan het BKK van klasse industrie is, wat normaal is voor locaties in oude woonkernen. De gehalten zijn echter dusdanig laag dat geen humane risico's bestaan bij het voorgenomen gebruik 'Wonen met tuin'.
  • De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen wijziging en toekomstige bouwactiviteiten.

Aanbevelingen:

  • Als bij toekomstige bouwactiviteiten grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. Op hergebruik van grond is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het 'meldpunt bodemkwaliteit'. In het kader van kostenefficiëntie is het advies om vrijkomende grond zoveel mogelijk binnen de onderzoekslocatie te hergebruiken.
  • Aanbevolen wordt om bij eventuele graafwerkzaamheden de lokaal aanwezige matig met zink verontreinigde bovengrond (directe omgeving boring 5) gescheiden te ontgraven. Vermenging met schone(re) grond moet worden vermeden.

In het bodemonderzoek zijn licht verhoogde loodgehalten gemeten. Deze vormen mogelijk een gezondheidsrisico voor spelende kinderen. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt de bodem één meter opgehoogd. Dit is voldoende om de contactmogelijkheden en zodoende de gezondheidsrisico's voor spelende kinderen te minimaliseren.

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.3 Geluid

4.3.1 Regelgeving

Algemeen

Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen.

De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie:

  • waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;
  • waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woon- en leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.

4.3.2 Wegverkeerslawaai

Regelgeving
In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven en 30-km/uur-gebieden.

Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel 76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.HAAHerenstrong-VGS1_0010.png" Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg)

De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.

4.3.3 Doorvertaling wijzigingsplan

Het plangebied ligt niet binnen een wettelijke geluidszone van een weg. De wegen in de nabijheid van het plangebied, te weten: de Herenstraat, de Molenstraat, de Dreef, de Koningsstraat, en de Waalbanddijk, kennen een snelheidsregime van maximaal 30 km/u. Bovendien betreft het smalle wegen, waarbij auto's elkaar met gepaste snelheid moet passeren en de intensiteiten relatief beperkt blijven.

Er zijn geen spoorwegen of gezoneerde bedrijventerreinen in de directe nabijheid van het plangebied gelegen.

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

 

4.4 Milieuzonering

4.4.1 Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.

Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.

Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.HAAHerenstrong-VGS1_0011.jpg" Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'

Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.

4.4.2 Doorvertaling wijzigingsplan

In de directe omgeving van het plangebied komen uitsluitend woningen voor. Pas op circa 50 m afstand van het plangebied is een woningbouwvereniging gevestigd. Dit betekent dat de te realiseren woning geen bedrijven in hun bedrijfsvoering schaadt en andersom de toekomstige woning ook geen overlast ondervindt van bedrijvigheid. Er is dus sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

 

4.5 Luchtkwaliteit

4.5.1 Regelgeving

Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze zogenaamde 'Wet luchtkwaliteit' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:

  • negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken.
  • mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt.
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 % ten opzichte van de grenswaarde). Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen.
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend.

Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.

4.5.2 Doorvertaling wijzigingsplan

Aangezien het aantal woningen in de toekomstige situatie met één woning toeneemt, is sprake van een 'NIBM'-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.6 Geur

4.6.1 Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:

  • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv))) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;
  • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel.

    Concentratiegebied   Niet-concentratiegebied  
Binnen bebouwde kom   diercategorieën Rgv   max. 3 ouE/m³   max. 2 ouE/m³  
  andere diercategorieën   min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object   min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object  
Buiten bebouwde kom   diercategorieën Rgv   max. 14 ouE/m³   max. 8 ouE/m³  
  andere diercategorieën   min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object   min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object  

Geurnormen Wgv

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.

Regeling geurhinder en veehouderij
In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:

  • de geurbelasting wordt bepaald;
  • de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object wordt gemeten.

Activiteitenbesluit
Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv. Dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelasting geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

Geur bij niet-agrarische bedrijven
Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid. Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument 'Handleiding Geur Industrie' en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de 'Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017' voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is. Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder. Over het algemeen wordt een geurcontour die ligt tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf.

4.6.2 Doorvertaling wijzigingsplan

In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen (niet-)agrarische bedrijven gevestigd die geurhinder kunnen veroorzaken. Bovendien zijn tussen de omliggende bedrijven en het plangebied andere gevoelige woonbestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende (niet-)agrarische bedrijven.

Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

 

4.7 Externe veiligheid

4.7.1 Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten.

In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.

Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren.

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico's worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen.

De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

4.7.2 Doorvertaling wijzigingsplan

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.HAAHerenstrong-VGS1_0012.jpg" Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe stip)

Inrichtingen c.q. bedrijven
Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting.

Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding
Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van aardgastransportleidingen.

Vervoer van gevaarlijke stoffen
Het plangebied ligt op circa 150 m van de Waal. Conform het Basisnet Water, is de Waal een zwarte vaarweg (belangrijke vaarwegen). Voor een dergelijke vaarweg geldt dat de 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour niet verder komt dan de oever. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de Waal, binnen de voor het groepsrisico belangrijke zone van 200 meter vanaf de Waal en (de westzijde) binnen de vrijwaringszone van de Waal, waar mogelijke gevolgen van een plasbrand kunnen optreden.

De vrijwaringszone langs de Waal levert geen beperking op voor de voorgenomen ontwikkeling, omdat het bestemmingsplan 'Dijkversterking Gorinchem – Waardenburg', de zone ter plaatse van het plangebied, aanduidt als buitenbeschermingszone. Hiervoor gelden geen beperkingen van bouwactiviteiten, mits er geen afgravingen worden verricht, er geen explosief materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen gehouden worden en er geen diepe boringen uitgevoerd worden.

Wat betreft het groepsrisico moet, conform het Bevt, de hoogte van het groepsrisico worden verantwoord. Omdat het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden, kan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden volstaan. Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in een beperkte verantwoording worden ingegaan op de mogelijkheden voor:

  • de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op de transportroute; en
  • de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.

Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 28 juli 2020 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) 'bijzonder kwetsbare object', bestemd voor verminderd zelfredzame personen.

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.

Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.8 Waterhuishouding

4.8.1 Regelgeving

Nationaal beleid
Het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid tot 2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied.

Beleid waterschap
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Op 27 november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 vastgesteld, met als titel “Koers houden, kansen benutten”. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Bij de uitvoering van het programma beweegt het waterschap mee met de (klimaat)veranderingen om ons heen en benut zij de kansen die zich voordoen in de regio. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2016 - 2021) wil bereiken en hoe zij dat willen bewerkstelligen.

Watertoets
De uitgangspunten die door het waterschap Rivierenland worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:

  • Waterneutraal inrichten: Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren.
  • Schoon inrichten: Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding).
  • Veilig inrichten: Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.

Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt voor nieuw verhard oppervlak een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht voor een toename tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden en dit wordt getoetst door de afdeling vergunningen van het waterschap. Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt.

Beleid Gemeente
Uitgangpunt van de gemeente is dat het afvalwater en het hemelwater afzonderlijk van elkaar worden ingezameld. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt, is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. De gemeente hoeft niet het hemelwater afkomstig van particulier terrein af te voeren, indien er andere alternatieven mogelijk zijn. De West Betuwse voorkeursvolgorde voor de omgang met afvloeiend hemelwater is: hergebruik, vasthouden, bergen en afvoeren.

Conform de Waterwet moeten perceelseigenaren hemelwater op eigen terrein verwerken. Alleen als dit redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt het hemelwater op het oppervlaktewater, de openbare hemelwatervoorziening of de openbare gemende riolering geloosd. De perceelseigenaar/initiatiefnemer dient zelf aan te tonen indien een locatie niet geschikt is om het hemelwater op eigen terrein te bergen.

Daarnaast moet bij het gebruik en de inrichting van de private ruimte rekening worden gehouden met klimaatadaptatie en kwel. Haaften is een kwetsbaar gebied voor kwel.

4.8.2 Doorvertaling wijzigingsplan

Hemelwater
In de bestaande situatie is geen verharding in het plangebied aanwezig. Door het realiseren van een vrijstaande woning met tuin gaat verharding optreden. Aangezien het totale oppervlak van het plangebied 685 m² bedraagt, is het niet aannemelijk dat meer dan de vrijstellingsoppervlakte, van 500 m2 in bestaand stedelijk gebied, verhard gaat worden. Van de eenmalige vrijstelling van 500 m2 in stedelijk gebied is in het onderhavig geval nog geen gebruik van gemaakt. Vandaar dat op basis van het beleid van het waterschap geen compensatie hoeft plaats te vinden.

Op basis van het gemeentelijk beleid bedraagt de waterbergingsopgave, bij een toename van het verhard oppervlak van 500 m2 of minder, 20 mm/m2. Al het overige hemelwater mag op het gemengd stelsel aangesloten worden, aangezien er geen watergang in de buurt is. Het plangebied biedt voldoende ruimte om aan de waterbergngsopgave te voldoen. In de regels is een voorwaardelijke verplichting waterberging opgenomen, opdat met realisatie van de woning wordt voorzien in voldoende waterberging.

Bij de bouw van de woning wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild.

Riolering
De Herenstraat is voorzien van een gemengde riolering. De afvoer van het vuilwater van de nieuwe woning wordt hierop aangesloten. Vanaf de perceelgrens wordt de rioolaansluiting, op kosten van de initiatiefnemers, door de gemeente voorzien.

Klimaatadaptatie
Het plangebied wordt opgehoogd, waardoor het regenwater van omliggende percelen niet op het plangebied afwatert. Het regenwater afkomstig van de Herenstraat komt in de huidige situatie ook niet in het plangebied terecht, vanwege de goot langs de weg en de straatkolken die in het trottoir zijn ingebouwd. Vandaar dat voor de beoogde ontwikkeling alleen rekening hoeft te worden gehouden met het regenwater dat direct in het plangebied valt, dat in eerste instantie op eigen terrein verwerkt wordt.

Kwel
Bij hoge grondwaterstanden, is het plangebied door de ligging nabij de dijk, gevoelig voor rivierkwel. Bij de ontwikkeling van het plangebied wordt hiermee rekening gehouden door het plangebied op te hogen. Door het ophogen wordt de drooglegging (het verschil tussen het bouwpeil en het oppervlaktewaterpeil) vergroot.

Waterkering
De veiligheid van de nabije waterkering komt door de beoogde ontwikkeling niet in het geding. Aangezien door de vaststelling van het bestemmingsplan 'Dijkversterking Gorinchem – Waardenburg' de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' ter plaatse van het plangebied is komen te vervallen. De zone is aangeduid als buitenbeschermingszone. Hiervoor gelden geen beperkingen van bouwactiviteiten, mits er geen afgravingen worden verricht, er geen explosief materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen gehouden worden en er geen diepe boringen uitgevoerd worden. Hiervan is ten behoeve van de onderhavige ontwikkeling geen sprake.

Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.9 Ecologie

4.9.1 Regelgeving

De Wet natuurbescherming (Wnb) kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes:

  • 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn;
  • 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen.

De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.HAAHerenstrong-VGS1_0013.png" Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.

Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

4.9.2 Doorvertaling wijzigingsplan

Voor de beoogde realisatie van een vrijstaande woning, wordt aantal bestaande hoogstam fruitbomen in het plangebied geheel of gedeeltelijk teruggebracht. Er is een ecologisch oriënterend onderzoek uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 2 bij de toelichting gevoegd. Over de aanwezigheid van beschermde flora en fauna concludeert het onderzoek dat er geen beschermde soorten aanwezig zijn in het plangebied. Daarentegen is het wel mogelijk dat tijdens de bouwwerkzaamheden het geschikte habitat voor de rugstreeppad ontstaat. Gedurende de ontwikkeling dient het terrein daarom ongeschikt gehouden te worden en/of ontoegankelijk gemaakt te worden. Daarnaast is de planlocatie mogelijk wel geschikt als leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels, welke niet beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. In het kader van de Algemene zorgplicht moet tijdens de uitvoering van de werkzaamheden voorzichtig gehandeld worden ten aanzien van de mogelijk aanwezigheid van algemene zoogdieren. Voor de houtopstanden in het plangebied geldt bij kap geen meldingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming.

De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' ligt op circa 2,3 km van het plangebied. Deze afstand is te groot voor een externe werking van de ontwikkeling op dit Natura 2000-gebied. Naast de grote afstand, is in de gebruiksfase bovendien geen sprake van een grote toename in stikstofemissie. Vandaar dat in het ecologisch oriënterend onderzoek op voorhand wordt uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden.

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.10 Archeologie & cultuurhistorie

4.10.1 Regelgeving

In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de Monumentenwet 1988 opgesplitst in twee delen: (1) duiding van het erfgoed staat in de Erfgoedwet, (2) omgang met erfgoed binnen de fysieke leefomgeving is opgenomen in de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet (voorzien op 1 januari 2022) geldt overgangsrecht (hoofdstuk 9 Erfgoedwet).

Gemeentelijk beleid
Gemeenten hebben een hoge mate van beleidsvrijheid ten aanzien van archeologie. De voormalige gemeente Neerijnen heeft op 25 september 2008 een eigen archeologiebeleid voor het gehele gemeentelijk grondgebied vastgesteld. Bij de gemeentelijke herindeling is dit beleid per 1 januari 2019 overgegaan naar de nieuwe gemeente West Betuwe. De historische kern Haaften is aangemerkt als gebied van archeologische waarde. In het bestemmingsplan is Haaften als hoogste dubbelbestemming waarde archeologie opgenomen. Op navolgende afbeelding is een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Neerijnen (Vestigia 2008) met de historische dorpskern van Haaften opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.HAAHerenstrong-VGS1_0014.jpg" Uitsnede archeologische beleidskaart met globale aanduing plangebied (blauwe ster)

4.10.2 Doorvertaling wijzigingsplan

Archeologie
De archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1', uit het geldende bestemmingsplan betekent dat het plangebied mede bestemd is voor de bescherming van archeologische waarden. Plannen met een grotere oppervlakte dan 100 m2, waarbij ingrepen dieper reiken dan 0,5 m onder het maaiveld, moeten archeologisch worden onderzocht. Aangezien de beoogde ontwikkeling beide drempelwaarden overschrijdt is archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is namens gemeente West Betuwe getoetst door de regioarcheoloog van Rivierenland (ODR). Het eindrapport is als bijlage 3 bij de toelichting opgenomen.

Bevindingen onderzoek
Het plangebied bevindt zich op de Waal stroomrug, binnen de historische kern van Haaften. In de ondergrond van het plangebied worden oeverafzettingen van de Waal verwacht, waarop sinds de ijzertijd (ca 800 voor Christus) in theorie bewoning kan plaatsvinden. De verwachting op de aanwezigheid van bewoningsresten vanaf die periode is hoog.

De archeologische verwachting in het plangebied is bevestigd door het booronderzoek. In het plangebied zijn oever-, op geul- op beddingafzettingen van de Waal aangetroffen. De oeverafzettingen zijn overdekt geraakt door een pakket recentere dijkdoorbraakafzettingen met een dikte van 120 tot 170 cm. De top van de oeverafzettingen is een archeologisch relevant niveau voor de periode ijzertijd – nieuwe tijd (tot 1711 AD). Op de oeverafzettingen zijn mogelijk resten van de oude kern van Haaften nog (deels) intact aanwezig. De dijkdoorbraakafzettingen zelf vormen op basis van het bureauonderzoek geen archeologisch relevant niveau.

Het archeologisch relevante niveau is aangetroffen vanaf een diepte van 120 cm. De uitvoerder adviseert om het plangebied vrij te geven voor bodemingrepen tot 100 cm -Mv. Zo blijft er een buffer van 20 cm tussen een eventuele ingreep en het archeologisch relevante niveau. Dit advies is overgenomen door ODR namens gemeente West Betuwe. In de planregels is een maatwerkartikel waarde archeologie 1 opgenomen.

Het aspect 'archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

Cultuurhistorie
In en rondom het plangebied zijn enkele cultuurhistorische waarden aanwezig. Waaronder een twaalftal volwassen hoogstamfruitbomen ter plaatse van het plangebied. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt dit aantal teruggebracht. Behoud van de bomen is vanwege het ophogen van het plangebied namelijk niet mogelijk. Herbeplanting van enkele bomen wordt getracht.

Daarnaast zijn in de nabijheid van het plangebied drie gemeentelijke monumenten aanwezig langs het oude en cultuurhistorisch waardevolle bebouwingslint de Herenstraat. Vandaar dat de beoogde woning passend binnen de aanwezige stedenbouwkundige context wordt gerealiseerd, omdat met de vrijstaande woning wordt aangesloten op de bestaande historische structuur, van individueel geplaatste panden met onderlinge verschillen in bouwstijl.

Ook de ligging van het plangebied binnen de molenbiotoop van het rijksmonument De Blauwe Reiger, aan de Waalbandijk 249, is in het kader van de cultuurhistorische waarde van het gebied van belang. De voorgenomen nieuwbouw van de vrijstaande woning, vormt geen belemmering voor de windvang van de molen. De molen staat op de dijk en heeft een stelling. De onderkant van de wieken zijn hoger dan de omliggende bebouwing en bomen. De bebouwing tussen het plangebied en de molen is minimaal even hoog als de maximale bouwhoogte van de beoogde woning. Bovendien zijn in de huidige situatie in het plangebied hoogstamfruitbomen aanwezig. Er is geen sprake van verstoring door deze ontwikkeling.

Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.11 Leidingen

4.11.1 Regelgeving

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

4.11.2 Doorvertaling wijzigingsplan

In (de directe omgeving) van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen.

Het aspect 'leidingen' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.12 Vormvrije MER-beoordeling

4.12.1 Regelgeving

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

4.12.2 Doorvertaling wijzigingsplan

In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Aangezien het aantal woningen in de toekomstige situatie met één wooneenheid toeneemt, is er geen m.e.r.-beoordeling conform het Besluit m.e.r. noodzakelijk. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

De omvang van het plangebied en derhalve de complexiteit van de ontwikkeling zijn gering. Er is geen sprake van cumulatie met andere projecten. Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Ook is er geen sprake van productie van afvalstoffen en verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden tot nabijgelegen milieubelastende activiteiten. Het plangebied is al bestemd als 'Wonen' en de beoogde woning wordt binnen het bestaand stedelijk gebied van Haaften gerealiseerd. Het betreft een inbreidingslocatie, omgeven door woningen, gelegen in een dorp, met een relatief beperkte bebouwingsdichtheid. Hier wordt slechts één woning aan toegevoegd. Vandaar dat de beoogde ontwikkeling geen aanzienlijke effecten op de bevolking heeft. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter.

Gelet op de onderzoeksresultaten en de toelichtingen in hoofdstuk 4 blijkt dat voor alle milieuaspecten geldt dat er geen nadelige effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving.

Er is geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en de locatie van het onderhavige plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Geconcludeerd wordt dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. 

De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere ruimtelijke plannen van de gemeente. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen.

5.2 Wijzigingsplan

Dit wijzigingsplan regelt de toevoeging van een bouwvlak, aan de voor 'Wonen' aangewezen gronden in het plangebied, ten behoeve van de realisatie van één woning. Voor de regels van dit wijzigingsplan wordt verwezen naar de volgende bestemmingsplannen die onverkort van toepassing zijn:

  • het bestemmingsplan 'Kern Haaften' (NL.IMRO.0304.BPhaaften-1005)
  • het bestemmingsplan 'Standplaatsen' (NL.IMRO.0304.BPstandplaatsen-1503 )
  • het bestemmingsplan 'Dijkversterking Gorinchem - Waardenburg' (NL.IMRO.1960.WBGoWa-VSG1)

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Alle kosten die gemaakt moeten worden voor het opstellen van een wijzigingsplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Daarmee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.

6.2 Overleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van vooroverleg is het plan voorgelegd aan de volgende partijen:

  • Waterschap Rivierenland
  • Provincie Gelderland

6.3 Inspraak

Vanaf 15 april 2021 heeft het ontwerpwijzigingsplan, gedurende zes weken, ter inzage gelegen. Het termijn liep op 27 mei af. Er zijn geen zienswijzen ontvangen.

Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.