| Plan: | TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Hagerweg 20 te Oirsbeek |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1954.TAMOPhagerweg20-VA01 |
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aanleiding van het plan, het plangebied, de planologisch-juridische situatie en is een leeswijzer inbegrepen.
Ter plaatse van Hagerweg 20 te Oirsbeek wordt camping 'High Chaparral' (hierna: 'de camping') geëxploiteerd. Het voornemen bestaat om de recreatieve verblijfseenheden en bijbehorende buitenruimte van de camping op te waarderen en uit te breiden ten behoeve van het verbeteren van de toekomstbestendigheid van het bedrijf. Voor de beoogde uitbreiding dient een gedeelte van het op dit moment voor 'Agrarisch' bestemd gebied te wijzigen naar 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. Voorts dient voor de gehele ontwikkeling de bestaande recreatieve bestemming planologisch-juridisch te worden aangepast, hierna te noemen 'plangebied'.
Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied
Ter plaatse van plangebied is het Omgevingsplan gemeente Beekdaelen per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Dit plan wordt door de gemeente nog nader ingevuld. Het plangebied is eerder in diverse bestemmingsplannen bestemd, die van rechtswege gelden als planologisch-juridisch kader als onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege.
De beoogde bestemmingswijziging alsook de herontwikkeling van de camping is op grond van het ter plekke geldende planologisch-juridisch kader niet rechtstreeks toegestaan. Hiervoor is een aanpassing in het Omgevingsplan benodigd. De gemeente Beekdaelen heeft schriftelijk kenbaar gemaakt, onder voorwaarden, medewerking te willen verlenen aan de beoogde ontwikkeling.
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling wordt, aan de hand van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-IMRO besluit dient als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO. Voor het opnemen in een later geconsolideerd omgevingsplan is een nieuw wijzigingsbesluit nodig conform de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Onderhavige motivering is opgesteld ter motivering bij het te nemen wijzigingsbesluit.
Het plangebied is gelegen aan de Hagerweg 20 te (6438 BL) Oirsbeek, ten noorden van de dorpskern Oirsbeek. De Hagerweg betreft een doodlopende zijstraat van de Provincialeweg Noord in de richting van Doenrade. In de nabije omgeving bevinden zich naast woningen andere recreatieve activiteiten zoals: Uitkijkpunt Beukenberg, Ruitercentrum Daalderhof en Hotel Kasteel Doenrade.
Luchtfoto met ligging plangebied ten opzicht van Oirsbeek
Kadastraal betreft het plangebied de percelen kadastraal bekend als gemeente Beekdaelen - sectie D - nummers: 1871, 2488, 252, 1950, 1949, 1716, 853, 850 en de uitbreiding betreft een gedeelte van de percelen kadastraal bekend als gemeente Beekdaelen - sectie D - nummers 2839, 2840 en 2841, 2842.
De percelen ter plaatse van de beoogde utbreiding zijn vooralsnog in eigendom van de gemeenten en derden. Het perceel in eigendom van de gemeente is bestemd voor 'Verkeer', waarbij de mogelijkheid is voor de aanleg van een wandelpad. Bij het principebesluit van het college van Burgemeester en Wethouders wordt verwezen naar dit wandelpad. Het wandelpad van de Akerweg, via de Hagerweg richting de Hultenweg is echter nooit aangelegd. Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling worden deze gronden door initiatiefnemer aangekocht en gedeeltelijk weer verkocht aan de gemeente. Het resterende gedeelte zal vervolgens onderdeel uitmaken van het plangebied. In onderstaande afbeelding is dit nader gevisualiseerd. De beoogde ver- en aankoop zal juridisch worden geborgd in een anterieure overeenkomst.
Kadastrale kaart met indicatie plangebied en eigendomsverhoudingen
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de Gemeente Beekdaelen van rechtswege onderdeel geworden van één omgevingsplan. Dit omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk en een nieuw deel. De bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het tijdelijk deel bestaat uit:
Omdat bestemmingsplannen onderdeel uitmaken van het omgevingsplan wordt in navolgende paragraven, naast het omgevingsplan, tevens de ter plekke geldende bestemmingsplannen beschouwd.
Onderhavig plangebied is, voor zover dit betrekking heeft op de bestaande camping, gelegen binnen het plangebied van het bestemmingsplan '2e wijziging bp Buitengebied Schinnen'. Op grond van dit bestemmingsplan geldt ter plekke de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' met - ter plaatse van de bedrijfswoning - een bouwvlak. Verder is voor de camping een maximum aantal kampeermiddelen van 115 stuks voorgeschreven. Voorts zijn de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1', en de gebiedsaanduidingen 'luchtvaartverkeerzone - invliegfunnel 3' en 'milieuzone - rijksbufferzone' van toepassing. De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn in het algemeen bedoeld voor verblijfsrecreatie, kampeermiddelen en ondergeschikte voorzieningen.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan '2e wijziging bp Buitengebied Schinnen' met indicatie plangebied
Ter plaatse van de beoogde fysieke uitbreiding van de camping is het bestemmingsplan 'Buitengebied Schinnen' van kracht, op grond waarvan de bestemming de bestemming 'Agrarisch' geldt alsook - voor een beperkte strook - de bestemming 'Verkeer'. Voorts zijn aldaar de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' alsook de gebiedsaanduiding 'milieuzone - rijksbufferzone'. De voor 'agrarisch' aangewezen gronden zijn in het algemeen betemd voor agrarisch gebruik en ondergeschikte voorzieningen.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied Schinnen' met indicatie plangebied
Ter plaatse van onderhavige locatie is het omgevingsplan 'Omgevingsplan gemeente Beekdaelen' (identificatienummer: /akn/nl/act/gm1954/2020/omgevingsplan), vastgesteld en in werking getreden vanaf 1 januari 2024, van kracht. Zoals aangegeven in voorgaande paragraaf is het voornemen in strijd met dit omgevingsplan, namelijk:
Binnen het vigerende planologisch-juridisch kader zijn mogelijkheden voor bebouwing en kampeermiddelen opgenomen zoals een maximum aantal kampeermiddelen tot 115, welke momenteel bij lange na niet wordt benut. Voor vakantiebungalow of -chalets geldt een bebouwingspercentage van 30% binnen het bestemmingsvlak.
Vooraleerst is de beoogde fysieke uitbreiding van de camping strijdig met de bouw- en gebruiksregels van de ter plekke van toepassing zijnde bestemming 'Agrarisch'. Voorts schrijft het bestemmingsplan onder andere voor dat de inhoud van een recreatiewoning maximaal 250 m³ mag bedragen of maximaal de bestaande inhoud indien deze groter is. Van deze maatvoering kan met 10% worden afgeweken op grond van de regels van het bestemmingsplan, dus tot maximaal 275 m³. De ter plaatse van onderhavige camping beoogde nieuwe recreatieve verblijfseenheden kunnen qua inhoud groter zijn dan deze 275 m³. Gelet hierop is de beoogde ontwikkelingen niet toegestaan.
Het perceel in eigendom van de gemeente is bestemd voor 'Verkeer'. De gronden ter plekke zijn bestemd voor verkeersdoeleinden, wegen en paden. Echter, er is geen (wandel)pad; de gronden worden agrarisch gebruikt. Formeel mogen deze gronden niet worden gebruikt ten behoeve van reacratief gebruik.
De gemeente heeft op 11 januari 2024 schriftelijk (kenmerk: 2023:011161) kenbaar gemaakt principemedewerking te verlenen aan het plan. Binnen de 'oude' wetgeving is het echter niet meer mogelijk om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. De gemeente heeft kenbaar gemaakt onder de nieuwe wetgeving medewerking te kunnen verlenen middels een aanvraag wijziging omgevingsplan via TAM-IMRO. In navolgende paragraaf wordt hierop nader ingegaan.
De beoogde herontwikkeling is binnen de regels van de vigerende planregime niet rechtstreeks mogelijk. Hiervoor is een aanpassing in het Omgevingsplan benodigd. Aan de hand van onderhavige tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-IMRO besluit dienst als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO. Voor het opnemen in een later geconsolideerd omgevingsplan is een nieuw wijzigingsbesluit nodig conform de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Onderhavige motivering is opgesteld ter motivering bij het te nemen wijzigingsbesluit.
Voor de gebieden van de voormalige gemeenten Nuth en Onderbanken is een gezamenlijke archeologische verwachtingskaart vastgesteld in 2007 en geactualiseerd vastgesteld in 2013. Dit is een uniforme kaart voor de aangesloten Parkstad gemeenten. Voor de voormalige gemeente Schinnen is een archeologische verwachtingskaart vastgesteld in 2012. Deze kaarten en de daarbij behorende regels zijn opgenomen in de ruimtelijke plannen die zijn vastgesteld na die data. Om de geactualiseerde archeologische verwachtings- en beleidskaart voor Beekdaelen zoals vastgesteld door de raad in okt 2023 van kracht te laten zijn is op 23 april 2024 het 'paraplubestemmingsplan Archeologie' vastgesteld. De huidige locatie en de uitbreiding vallen in het gebied met aanduiding 'Waarde Archeologie 4', dit zijn gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde.
In paragraaf 4.9.3 en 4.9.4 wordt verder ingegaan op het aspect 'archeologie'.
Ter plaatse van onderhavige locatie is het bestemmingsplan 'Woningsplitsing, Kamerbewoning en Parkeren', vastgesteld door de raad op 19 december 2023, van kracht. Dit bestemmingsplan voorziet in planologisch-juridische borging van - het gehele grondgebied van de gemeente Beekdaelen van toepassing zijnde - regeling met betrkking tot het toegestane aantal woningen, toegestane aantal bewoners/huishoudens (en de samenstelling daarvan) en parkeernormen.
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in Hoofdstuk 2 de huidige en nieuwe situatie op locatie omschreven. In Hoofdstuk 3 vindt de toetsing aan het geldende Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid plaats. In Hoofdstuk 4 vindt de toetsing aan alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving plaats. In Hoofdstuk 5 en Hoofdstuk 6 wordt respectievelijk de juridische planbeschrijving en de uitvoerbaarheid van het voornemen gemotiveerd. In Hoofdstuk 7 wordt de te doorlopen procedure toegelicht.
In de bestaande situatie wordt ter plaatse van het plangebied camping 'High Chaparral' geëxploiteerd, bestaande uit circa 52 eenheden voor recreatief verblijf in de vorm kamperen, woonlodges, chalets en boomstamhuizen. Tevens is op het terrein een beheerderswoning, receptie, kantoor, sanitairgebouw, wasserette, kantine/recreatiezaal, zwembad, e.d. aanwezig.
De bestaande situatie op de camping wordt weergegeven aan de hand van volgende afbeeldingen.
Plattegrond bestaande camping
Luchtfoto bestaande camping (maart 2022)
In de bestaande situatie is ter plaatse van het recreatieterrein, gelegen ten noord(west)en van de Hagerweg, sprake van gerenoveerde chalets die dicht op elkaar zijn geplaatst. Deze chalets zullen nog voor enkele jaren geschikt zijn voor de verhuur; weliswaar voldoen deze chalets niet meer aan de hedendaagse eisen van de gast.
Om in te spelen op de veranderende vraag bestaat de behoefte om een groot deel van de bestaande recreatieve verblijfseenheden op de camping te vervangen voor luxere verblijfsrecreatieve eenheden. Om tevens te voorzien in een aantrekkelijk verblijfsklimaat moet er een kwaliteitsomslag plaats vinden in ruimtelijke kwaliteit waarin het groen voldoende ruimte krijgt op het terrein. Om meer groen en ruimte op het kampeerterrein te kunnen realiseren, en toch afdoende verblijfsrecreatieve eenheden te kunnen plaatsen, wordt is een fysieke uitbreiding voorzien van het terrein aan de noordzijde van de camping.
Ter plekke is eigendom verworven van het bestaand agrarische perceel, alwaar een uitbreiding is voorzien. Met de beoogde fysieke uitbreiding kan voorzien worden in extra ruimte om enerzijds een rendabele hoeveelheid verblijfsrecreatieve eenheden te realiseren en daarnaast te voldoen aan de beoogde na te streven kwaliteitsbeleving op de camping.
Het nu voorliggende voornemen is feitelijk een uitbreiding van soortgelijke verblijfsrecreatieve eenheden als de inmiddels gerealiseerde boomstamhuizen op het terrein ten zuid(oost)en van de Hagerweg. Dit soort luxe huizen zijn zeer gewild; reden waarom wordt ingezet op een verdere uitbreiding (vervanging) van luxere verblijfsrecreatieve eenheden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is in opdracht van initiatiefnemers door Leisurebrains het 'Masterplan High Chaparral' (hierna te noemen: 'masterplan') opgesteld waarin de gewenste- en beoogde toekomst van de camping is uitgewerkt. De volledige rapportage is bijgevoegd als 'Bijlage 1' bij voorliggend plan. In het nieuwe concept staat de volgende thema's centraal:
Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling is het beoogde aantal verhuureenheden bepaald. In onderstaande tabel is dit weergegeven.
Tabel beoogde recreatieve eenheden (Bron: Masterplan High Chaparral)
De recreatieve eenheden kunnen worden onderverdeeld in verschillende soorten waarvan het aantal slaapplaatsen niet groter zal zijn dan voor 8 personen. Gelet hierop is in onderhavig plan uitgegaan van recreatieve eenheden met een gemiddeld aantal slaapplaatsen voor 6 personen. De daadwerkelijke realisatie (en keuze van type) huisjes zal gefaseerd worden uitgevoerd en afhankelijk van de markt en ruimte. In het masterplan is een impressie van de beoogde revitalisering opgenomen. Initiatiefnemer benadrukt dat in alle gevallen de focus ligt op kwaliteit en niet om kwantiteit. In onderstaande afbeelding is dit visualiseerd.
Impressies woondlodge (links) en boomstamhuizen (rechts)
De ontwikkeling gaat dan ook gepaard met het aanbieden van verblijfsrecreatieve eenheden van hoogwaardige kwaliteit en een investering in de ontwikkeling van groen en ondersteunende voorzieningen zoals barbecueplaatsen, hoogwaardige speelplaatsen en voldoende vegetatie. De beoogde herontwikkeling is in het masterplan weergegeven middels een vlekkenplan welke is bijgevoegd als Bijlage 2. In onderstaande afbeelding is dit vlekkenplan weergegeven.
Uitsnede vlekkeplan Masterplan High Chaparral
De geplande ontwikkeling omvat onder anderen de volgende zaken:
Gelet op bovenstaande wordt met onderhavige planontwikkeling ingespeeld op de vraag naar luxe, exclusiviteit en beleving van de huidige recreant die geen caravan of tent heeft maar toch op zoek is naar de beleving van de natuur zonder het verlies van gemak. Het is de wens om te voorzien in een zo goed mogelijke inpassing van de verblijfsrecreatieve eenheden in de omgeving waarin ze niet meer recht-toe-recht-aan worden verkaveld maar juist midden 'in het groen'.
In dat kader wordt het geheel landschappelijk ingepast waarbij het bestaande groen zoveel mogelijk wordt behouden en nieuwe aanplant in lijn met het bestaande groen gerealiseerd. Hiermee wordt een verbetering van de visuele aantrekkelijkheid van het gebied bewerkstelligd welke enkel de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. In het landschappelijk inpassingsplan is ook opgenomen hoe het gebied rond de molenromp wordt verbeterd. In paragraaf 4.10 wordt hierop nader ingegaan.
Revitalisering
Primair is in onderhavige ontwikkeling sprake van een revitalisering/herontwikkeling waarbij het aantal verhuurplekken juist afneemt en een nieuwe weg ingeslagen wordt ten behoeve van het vitaal blijven van de onderneming. Hierbij is de uitdaging om, onderhanks het afnemen van het aantal eenheden, anderzijds de omzet te laten stijgen. Voorliggend planologisch juridisch kader biedt hiervoor de ruimte op grond waarvan initiatiefnemer op een gelijke en verantwoorde wijze de transitie de komende jaren in kan zetten. De revitalisering is aan de zuidoost zijde van de camping reeds ingezet.
Bestaande planologisch-juridische situatie
Momenteel is binnen het geldende bestemmingsplan '2e wijziging bp Buitengebied Schinnen' vastgelegd dat ter plekke een maximum aantal van 115 kampeermiddelen mag worden geplaatst. Verder is vastgelegd dat binnen het bestemmingsvlak een recreatiewoning, vakantiewoning, -appartement, -bungalow of chalet mag worden gebouwd met dien verstande dat het bebouwingspercentage van het bestemmingsvlak maximaal 30% mag bedragen. Op deze wijze van bestemmen zijn geen aantal maximum aantal slaapplaatsen planologisch vastgelegd.
Nieuwe planologisch-juridische situatie
De daadwerkelijke transitie van onderhavige planontwikkeling is sterk afhankelijk van diverse factoren zoals tijd, financiële middelen en de bouw- en realisatiemogelijkheden en wordt in dat kader gefaseerd uitgevoerd. Voorts wenst initiatiefnemer, met het oog op het overdragen van een toekomstbestendige recreatieve onderneming aan zijn zoon, ook in de toekomst te kunnen inspelen op de continue veranderende vraag van de consument. Gelet hierop worden de aantallen en eenheden in onderhavig plan, naast de reeds bestaande planregels, planologisch-juridisch geborgd middels het opnemen van:
Op deze manier biedt onderhavig plan enerzijds voldoende ontwikkelruimte en anderzijds een goed afgebakend planologisch-juridisch kader.
Natuurinclusieve principes
Initiatiefnemer is voornemens om met voorliggende ontwikkeling aan te sluiten bij het principe 'natuurinclusief ondernemen'. Natuurinclusief ondernemen houdt in dat een recreatiebedrijf zich richt op het bevorderen van de biodiversiteit en het respecteren van de natuurlijke omgeving in al zijn activiteiten. Concreet wordt bij voorliggend plan de volgende natuurinclusieve maatregelen genomen:
Ieder ruimtelijk plan waarbij de mogelijkheid wordt gecreëerd om nieuwe voorzieningen te realiseren, gaat gepaard met het optreden van ruimtelijk-visuele effecten. Zo ook voorliggende planontwikkeling, op basis waarvan het mogelijk wordt om - naast handhaving en continuering van een bestaand kampeerterrein - nieuwe recreatieve eenheden te realiseren ter plaatse van momenteel agrarisch gebied.
Ruimtelijke effecten binnen het plangebied
In de huidige situatie zijn de chalets 'recht-toe-recht-aan' verdeeld over het kampeerterrein zoals te zien in paragraaf 2.1. Door in de nieuwe situatie een speelse verdeling aan te houden krijgt de camping een natuurlijke uitstraling en verbeteren hierdoor de ruimtelijk- en visuele effecten op de camping.
Daarnaast heeft het gebruik van natuurlijke materialen (hout) in plaats van stenen of kunststof een positief effect op de visuele aantrekkelijkheid. Initiatiefnemer wilt tevens een terrein met natuurlijke erfafscheidingen en paden voor een hoge belevingswaarde creëeren.
Ruimtelijke effecten t.o.v. omliggende gebieden
Noemenswaardig in dit verband is dat de camping vanuit de straatzijde (Provincialeweg Noord) niet zichtbaar vanuit de omgeving. Van een visuele waarneembaarheid vanuit de provincialeweg van voorliggende planontwikkeling is geenszins sprake. Dit is weergeven middels onderstaande foto (bron: Google Streetview, april 2022).
Zicht vanuit de Provincialeweg Noord nabij toegang tot Hagerweg
Ditzelfde geldt vanuit de provincialeweg N276, van waaruit de camping is ingepast in een groene omzoming. In het kader van voorliggende ontwikkeling wordt rondom het toe te voegen fysieke terrein een groene omzoming - analoog aan de bestaande - gerealiseerd, waarmee de camping ook in de nieuwe situatie vanuit de N276 aan het zicht is onttrokken.
Zicht vanuit de provincialeweg N276 met aanduiding camping
Tussen de camping, de Akerweg, de N276 en de Hulterweg zijn, ondanks de in het bestemmingsplan opgenomen bestemming 'Verkeer', in de feitelijke situatie geen wandelpaden aanwezig direct ten noord(oost)en van het plangebied. Derhalve is voor de wandelaar/recreant geen sprake van zicht op het plangebied. Aan deze zijde zal de uitbreiding worden omgeven door een gedegen landschappelijke inpassing, waardoor een landschappelijke overgang van de camping naar het open buitengebied wordt gerealiseerd. Dit zal de ruimtelijke en landschappelijke effecten aanzienlijk verbeteren.
Voorts is het plan ter advisering op 16 november 2023 voorgelegd aan de welstandscommissie en akkoord bevonden te worden.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid en het project hieraan getoetst. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de instructieregels Rijk (AMvB's). Voor de beschrijving van het provinciaal beleid is gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) en de Omgevingsverordening Limburg (OvL). Voor wat betreft het regionaal beleid wordt ingegaan op de Visie Vrijetijdseconomie 2030. Het gemeentelijke beleid is ontleend aan het beleidsdocument 'Ons Beekdaelen maken we samen' en de 'Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Beekdaelen' vastgesteld door de raad op 17 december 2019.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: 'NOVI') vastgesteld. In de NOVI staat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, waarmee wordt bedoeld dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden.
In de NOVI wordt gebruik gemaakt van afwegingsprincipes bij het maken van keuzes:
In de NOVI zijn de volgende belangrijkste keuzes opgenomen:
Daarbij wordt bijvoorbeeld gewerkt aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.
Ter uitvoering van de in de NOVI gemaakte keuzes is een Uitvoeringsagenda opgesteld. Daarin staat hoe samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering zal moeten worden gegeven aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. De NOVI wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling. Daarnaast wordt gebiedsgericht gewerkt met Omgevingsagenda's en NOVI-gebieden.
In de NOVI wordt ten aanzien van Zuid-Limburg aangegeven dat de regio sociaaleconomische en fysieke opgaven heeft die van betekenis zijn in een bijzondere grensoverschrijdende omgeving (met regio's rond het Duitse Aken, het Waalse Luik en het Vlaamse Hasselt). De opgaven die te maken hebben met bereikbaarheid (drielandentrein), circulaire economie (Chemelot) en bevolkingsdaling (voormalige mijnstreek) zijn stuk voor stuk fors en vragen alle drie internationale afstemming en overleg. Een rijksrol is daarbij noodzakelijk.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Omgevingsbesluit
Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.
Besluit activiteiten leefomgeving
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat regels ter bescherming van de nationale belangen instructieregels, waaronder :
Toepassing
In Hoofdstuk 4 van deze motivering worden de aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Voor zover de instructieregels relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling, worden deze regels in de paragraaf van detreffende aspect behandeld.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, indien de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien.
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Bij woningbouw is vanaf 12 woningen (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953) sprake van een stedelijke ontwikkeling, die ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.
Onderhavige ontwikkeling is recreatief van aard waarbij de revreatieve verblijfsfunctie in deze vorm tevens een grondgebonden functie is. Desbetreffende functies past niet (altijd) binnen stedelijk gebieden en komen beperkt voor binnen de ontwikkelingen wonen, kantoren, winkels, bedrijventerreinen, etc. welke getoetst moeten worden aan de ladder van duurzame verstedelijking.
Hoewel de beoogde ontwikkeling in fysieke zin een uitbreiding betreft kan onderhavig plan geschaard worden onder een herontwikkeling van bestaande recreatieve verblijfseenheden. Van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling is in dat kader geen sprake, waardoor verdere toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde is. Desalniettemin dient te worden aangetoond of wordt voorzien in een behoefte. In het masterplan is de behoefte van onderhavige ontwikkeling reeds beschouwd.
Onderhavig planvoornemen levert geen strijd op met de Nationale Omgevingsvisie en eventuele van toepassing zijnde rijksinstructieregels. Het project is passend binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk. Er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggende ontwikkeling.
De Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. De POVI is een zelfbindend document en bindt daarmee enkel de provincie Limburg. Met deze Omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Limburg wil bereiken.
Daar waar de provincie van mening is dat het noodzakelijk is om bindende regels te stellen voor de uitwerking van onderdelen van beleid in de POVI, dan gebeurt dit in de omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte.
De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels:
Bij nieuwe ontwikkelingen wordt gestreefd naar maatwerk en dient er rekening gehouden te worden met het karakter en mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. Indien er een afweging wordt gemaakt wordt dat gedaan op basis van de volgende principes:
Op basis van de POVI wordt onderscheid gemaakt tussen thematische visies en gebiedsgerichte visies en is er een onderverdeling in 'zoneringen'. De uitwerking in de thema's zijn verankerd in de Omgevingsverordening en in navolgende paragraaf wordt hierop nader ingegaan.
Thematische visies
De provincie onderscheidt in de omgevingsvisie de volgende thematische visies:
Vrijetijdseconomie
Per thema beschrijft de provincie in de omgevingsvisie het provinciale belang, de opgave, de ambities en waar de provincie voor kiest. Voor voorliggend project is sprake van een ontwikkeling gericht op de vrijetijdseconomie. Daarop wordt in de thematische visie 'Economie' door de provincie ingegaan.
Aangegeven wordt dat de vrijetijdseconomie een belangrijke economische pijler in Limburg vormt. Daarover wordt het volgende in de omgevingsvisie vermeld:
'Voor een florerende vrijetijdseconomie zijn de kwaliteit van landschap en natuur, aantrekkelijke steden en een goede bereikbaarheid van belang. Een stabiele balans is nodig.
Vraag en aanbod van verblijfsaccommodaties dienen beter in balans gebracht te worden, zowel kwantitatief als kwalitatief. Meer van hetzelfde leidt tot verdringing en leegstand. Een voortdurende kwaliteitsslag is nodig om nieuw en bestaand aanbod aan te passen aan de veranderende vraag van zowel vaste als nieuwe gasten. Bij de herbestemming van vrijkomende agrarische bebouwing wordt verblijfsrecreatie vaak, zonder nadere kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing, als mogelijke nieuwe functie gezien. Dit is geen realistische oplossing wanneer dan sprake is van enkel een kwantitatieve toevoeging. Oneigenlijk gebruik van verblijfsaccommodaties, (zoals permanent of tijdelijk wonen), leidt tot vertroebeling van de recreatieve identiteit en is ongewenst. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor handhaving, maar dat blijkt niet eenvoudig.'
Specifiek ten aanzien van het thema vrijetijdseconomie hecht de provincie belang aan de volgende ontwikkelingen:
De provincie continueert het beleid om het gebruik van recreatieverblijven voor andere functies dan verblijfsrecreatie, zoals permanent en tijdelijk wonen, te verbieden. In afwijking van het voorgaande blijft, in het kader van de revitalisatie c.q. sanering van vakantieparken en kampeerterreinen, onder voorwaarden tijdelijke huisvesting van short-stay internationale werknemers toegestaan voor maximaal tien jaar. Indien nodig zal de provincie, in datzelfde kader en onder nader te bepalen voorwaarden, ook tijdelijke huisvesting van woonurgenten toestaan.
Ten aanzien van de vrijetijdseconomie wordt onder andere aangegeven dat zowel in de groenblauwe mantel als het buitengebied kansen worden gezien, in combinatie met versterking van natuurwaarden en landschapskwaliteiten (groenblauwe mantel). Specifiek voor het landelijke gebied van Zuid-Limburg wordt het volgende vermeld ten aanzien van vrijetijdseconomie.
'De vrijetijdseconomie in Zuid-Limburg groeit in kwaliteit. De vrijetijdseconomie wordt beter verbonden aan het bewaken en verhogen van de kwaliteit van het Zuid-Limburgse landschap. Duurzaamheid is hierbij belangrijk, daarom worden toerisme en recreatie met respect voor mens en omgeving ontwikkeld. Door de realisatie van het landschappelijke raamwerk inclusief het groene stedelijk uitloopgebied van de stad-landzones, groeit het aanbod aan extensieve recreatiemogelijkheden in de randen van het middengebied sterk. We pakken de recreatieve overdruk in kwetsbare gebieden daarnaast aan door de (gemotoriseerde) mobiliteit in deze gebieden te beperken. Voor de bezoeker straalt de binnentuin 'het goede leven' en de kleinschaligheid die daarbij hoort uit. Zuid-Limburg is één kwaliteitsvol toeristisch product voor de bewoners en bezoekers. Beleving van de Zuid-Limburgse Grote Verhalen, die veelal gekoppeld zijn aan het Zuid-Limburgse materieel en immaterieel erfgoed, zijn fysiek en digitaal zichtbaar en beleefbaar.'
Voorliggend plan voorziet in een revitalisering van een bestaande camping. Uitgangspunt is dat de kwaliteit van het verblijf wordt verhoogd en aansluiting wordt gezocht bij de steeds strenger wordende eisen van de klant. Verder geeft voorliggend plan aanleiding om aansluiting te zoeken het huidige landschap en de cultuurhistorische elementen als de naastliggende molenromp, waardoor het landschappelijke verhaal beter tot zijn recht komt en wordt verteld. Voorliggend plan voorziet in daarom in het versterken van de kwaliteit van de recreatieverblijven in Zuid-Limburg.
Zoals aangegeven in paragraaf 3.2.1 kan de provincie middels de Omgevingsverordening regels stellen met betrekking tot de uitoefening van taken of bevoegdheden aan gemeente (instructieregels). Bij de OvL behoort een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau (mede) kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de OvL van toepassing zijn. Op onderhavig project zijn de volgende provinciale regels van toepassing.
Buitengebied
Op basis van de OvL is onderhavig projectgebied gedeeltelijk gelegen binnen een gebied gekenmerkt als 'Buitengebied' op grond waarvan volgens de omgevingsverordening specifieke regels gelden met betrekking tot o.a:
Voorliggend project voorziet niet in activiteiten op grond waarvan bovengenoemde regels van toepassing zijn. Dientengevolge zijn bovengenoemde instructieregels niet relevant voor onderhavig project.
Visie vrijetijdseconomie (Artikel 12.6, onder 3)
Op basis van de Omgevingsverordening Limburg gelden ter plaatse van onderhavige locatie regels met betrekking tot het toevoegen van van vestigingsmogelijkheden vrijetijdseconomie. Aangegeven wordt dat:
De geformuleerde ambities voor de vrijetijdseconomie in Zuid-Limburg in 2030 zijn als volgt:
De strategie om de geformuleerde ambities ook daadwerkelijk te gaan realiseren is opgebouwd uit vijf pijlers:
1. Kwaliteit
De focus van de vrijetijdseconomie ligt op groei in kwaliteit. Bescherming en verbetering van landschappelijke kwaliteiten, toeristisch-recreatieve voorzieningen en erfgoed staat hierbij centraal.
2. Verleiden
De wens is om inwoners en gasten te verleiden om ook de minder bekende locaties in de regio te bezoeken. Het doel hiervan is langer te verblijven en vaker terug te komen.
3. Beleving van Zuid-Limburgse Grote Verhalen
Om ervoor te zorgen dat inwoners en gasten geraakt worden door de bijzondere verhalen van Zuid-Limburg en zich daarmee verbonden voelen, zet de regio in op het ontwikkelen, ontsluiten en vervolgens promoten van de belangrijke Zuid-Limburgse verhalen.
4. Duurzame vernieuwing
Om nieuwe doelgroepen aan te (blijven) trekken en economisch vitaal te blijven, richt deze pijler zich op continue vernieuwing van het toeristisch-recreatief product.
5. Ondernemerschap en innovatie
Deze pijler richt zich o.a. op het stimuleren van innovatie en cross-overs, thema- en doelgroepgericht werken, het opleiden van geschikt personeel en het verbinden van ondernemers met de streekidentiteit.
Voorliggend voornemen voorziet in het verbeteren van de kwaliteit van camping High Chaparral, waarbij wordt aangesloten op de kwaliteit die de klant en de provincie graag ziet en waarbij een toekomstbestendig bedrijf wordt ontwikkeld. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij het bestaande landschap.
Groenblauwe mantel
Op basis van de OvL is onderhavig projectgebied gedeeltelijk gelegen binnen een gebied gekenmerkt als 'Groenblauwe mantel' (Artikel 7.3) op grond waarvan wordt aangegeven dat de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied de kenmerken als zodanig beschrijft:
In paragraaf 4.10 wordt hierop nader ingegaan en onderbouwd dat geen sprake is van strijdigheid met eventuele provinciale belangen op dit punt.
Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg (Artikel 7.1)
Onderhavig project is gelegen in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg. In Nederland zijn in totaal 20 zogenaamde nationale landschappen aangewezen. Dit zijn landschappen met elk een unieke combinatie van cultuurhistorische en natuurlijke elementen. De Nationale Landschappen kenmerken zich door de specifieke samenhang tussen de verschillende onderdelen van het landschap, zoals natuur, reliëf, grondgebruik en bebouwing.
De kernkwaliteiten voor het Nationaal Landschap Zuid-Limburg betreffen: 'schaalcontrast van zeer open naar besloten', 'het groene karakter', 'reliëf en ondergrond' en 'rijk en gevarieerd cultuurhistorisch erfgoed'. Bij (ruimtelijke) ontwikkelingen binnen een nationaal landschap dienen de geformuleerde kernkwaliteiten in acht te worden genomen. Op grond van de omgevingsverordening geldt primair een verbod op het verrichten van handelen in beekdalen, bronnen of bronzones, graften en holle wegen. Hiervan is ter plekke van onderhavig project sprake. In paragraaf 4.10 wordt nader ingegaan op het Nationaal Landschap Zuid-Limburg en onderbouwd dat geen sprake is van strijdigheid met eventuele provinciale (instructie)regels.
Omgevingswaarden wateroverlast (Artikel 3.1)
Met het oog op de berging – en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt ter plekke een overstromingskansgebied B en C. In paragraaf 4.7 wordt ingegaan op de waterhuishouding ter plekke en onderbouwd dat geen sprake is van strijdigheid met eventuele provinciale (instructie)regels.
Klimaatadaptatie (Artikel 3.5)
De motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van:
In paragraaf 4.13.2 wordt hierop verder ingegaan en onderbouwd dat geen sprake is van strijdigheid met eventuele provinciale (instructie)regels.
Vellen van houtopstanden (Artikel 9.2.1)
In het kader van bescherming van flora en fauna zijn regels opgesteld met betrekking tot het vellen van houtopstanden. Op grond van artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen zonder voorafgaand een melding daarvan te doen bij het bevoegd gezag. Onderhavige ontwikkeling gaat niet gepaard met het vellen van houtopstanden waardoor geen sprake is van strijdigheid met eventuele provinciale (instructie)regels.
Onderhavig project levert geen strijd op met de Provinciale Omgevingsvisie en eventuele van toepassing zijnde provinciale instructieregels. Het project is passend binnen de doelstellingen en beleid van de Provincie en er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggend project.
In december 2019 is de Visie Vrijetijdseconomie 2030 van de Zuid-Limburgse gemeenten en de provincie Limburg aangeboden aan de diverse gemeenten. Hierin wordt verwoord op welke wijze de gemeenten gezamenlijk willen werken aan een toekomstbestendige toeristisch-recreatieve bestemming Zuid-Limburg.
De geformuleerde ambities voor de vrijetijdseconomie in Zuid-Limburg in 2030 zijn als volgt:
Om te toetsen of recreatieve ontwikkelingen voldoen aan uitgangspunten en ambities van de Visie Vrijetijdseconomie 2030 is de themagroep Vrijetijdseconomie Zuid-Limburg in het leven geroepen.
Voorliggende planontwikkeling voorziet in een fysieke uitbreiding/ontwikkeling van een bestaand verblijfsrecreatieve bestemming in afwijking van het bestemmingsplan. In dat kader is de beoogde planontwikkeling in eerste instantie op 5 januari 2024 ter advies voorgelegd aan de themegroep Vrijetijdsseconomie Zuid-Limburg en akkoord bevonden.
De themagroep staat positief tegenover dit initiatief. De themagroep constateert dat het hier gaat om een doorontwikkeling van een bestaande locatie. De kwaliteitsverbetering is mede tot stand gekomen naar aanleiding van een doorlopen vitaliteitstraject en is al deels in de praktijk voor de bestaande vakantiehuizen doorgevoerd. Hieruit blijkt nu al een daadwerkelijke kwaliteitsverbetering en bereidheid tot investering aan de zijde van de initiatiefnemer.
Het vakantiepark wordt weliswaar in oppervlakte uitgebreid, maar getuige het aantal verblijfseenheden ziet de uitbreiding vooral op een kwaliteitsverbetering en betere inpassing van vakantiehuizen. Met andere woorden: er komt op het park meer ruimte voor groen en ruimere kavels voor de vakantiehuizen.
Uit het masterplan van Leisurebrains blijkt verder dat de initiatiefnemer een doordachte en toekomstgerichte keuze wil maken ten aanzien van inzet op specifiekere doelgroepen.
Om de kwaliteitsverbetering van het masterplan zo goed mogelijk door te voeren, adviseert de themagroep aan de gemeente om conform het vlekkenplan uit het masterplan vast te houden aan het principe dat parkeren zoveel mogelijk wordt gecentreerd aan de rand van het park, en dat het park zelf zoveel mogelijk autovrij blijft. Initiatiefnemer gaat hierin mee en wil het parkeren in beginsel concentreren aan de Provinciale weg.
De themagroep verzoekt de gemeente om in de regels van het nieuwe ruimtelijke plan de maximum aantallen vakantiehuizen, woodlodges en boomstamhuizen zo duidelijk mogelijk vast te leggen, evenals het aantal slaapplaatsen. Daarnaast is het zaak om de kwaliteitsverbetering c.q. de ruimtelijke indeling en landschappelijke inpassing zoveel mogelijk te borgen in het ruimtelijke plan, bijvoorbeeld door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels. Het concept van het vakantiepark, inclusief de nadere invulling en uitwerking van natuurinclusief ondernemen, zoals vermeld in het masterplan, dient te worden beschreven in de motivering.
Omdat het advies van de themagroep een geldigheidsduur heeft van 1 jaar, en in de tussentijd nog geen ontwerp van voorliggende planontwikkeling ter inzage heeft gelegd, is het initiatief opnieuw voorgelegd aan de themagroep voor herijking van het eerdere advies van 5 januari 2024. Behandeling heeft plaatsgevonden op 18 november 2025 waarna op 25 november 2025 advies is uitgebracht. Daarbij heeft de themagroep geconstateerd dat het initiatief nog steeds actueel is en de gemeente doende is de ruimtelijke procedure op te starten. Verder is vastgesteld dat er geen gewijzigde feiten of omstandigheden zijn ten aanzien van de situatie uit 2024. Zodoende is het advies van de themagroep ongewijzigd, en staat ze positief tegenover onderhavig initiatief. De adviezen van 5 januari 2024 en 25 november 2025 zijn bijgevoegd als Bijlage 3.
De planontwikkeling levert geen strijd op met het regionaal beleid. Het plan is passend binnen de doelstellingen en beleid van de regio en akkoord bevonden door de regio.
Op 5 juli 2018 is het beleidsdocument 'Ons Beekdaelen maken we samen' vastgesteld door de gemeenteraad van (de voormalige gemeente) Schinnen. Ten aanzien van toerisme en recreatie wordt in dit document het volgende aangegeven.
'Het landschappelijke karakter van Beekdaelen biedt perspectief voor verdere ontwikkeling van toerisme en recreatie. Een sterke toerisme- en recreatiesector in de gemeente vergroot bovendien het draagvlak voor de reguliere middenstand in de gemeente. De gemeente kan een ondersteunende rol vervullen door ondernemers de ruimte te bieden en door te investeren in het onderhoud van het buitengebied, inclusief paden en routes.'
Met voorliggende planontwikkeling wordt gepoogd een kwaliteitsslag door te voeren ter plekke van een bestaande camping. Deze kwaliteitsslag betreft niet enkel het soort accommodaties, echter ook de nagestreefde groene inrichting van de camping. Dit komt enkel de kwaliteit van het buitengebied en de recreatieve sector ten goede.
Op 17 december 2019 heeft de raad van de gemeente Beekdaelen de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld. Met die nota geeft de gemeente de sturing aan bouwplannen om zo de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving te waarborgen. Doel van deze nota is het vertalen, waarborgen en versterken van de ruimtelijke kwaliteit in de gebouwde omgevingen. In deze Nota maakt uw gemeente onderscheid tussen drie verschillende soorten buitengebied:
Onderhavig plangebied is voor wat betreft het merendeel van het bestaande terrein gelegen in een waardevol buitengebied 'Waardevolle landschappen'. Voor voorliggende planontwikkeling heeft dit geen implicaties. Bij het verstrekken van vergunningen voor de nieuwe verblijfsaccommodaties op grond van het bestemmingsplan dienen deze getoetst te worden aan de criteria van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit.
Uitsnede kaart Nota Ruimtelijke Kwaliteit met indicatie plangebied
Gelet op de vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavig project passend is binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Beekdaelen.
Bij de realisering van een project moet rekening worden gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt elk aspect in een paragraaf beschreven en onderbouwd.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met geluid en geur door industrieterreinen en bedrijfslocaties.
Ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving dienen nieuwe bedrijfsmatige activiteiten een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van de bedrijfsmatige activiteiten gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van de bedrijfsmatige activiteiten en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:
De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie een bedrijfsmatige activiteit of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord.
In de omgeving van onderhavig plangebied is een tweetal bestaande bedrijven gevestigd.
Provincialeweg 7 te Oirsbeek: ALDI
Ten (noord)westen van onderhavig plangebied is de Aldi gevestigd aan de Provincialeweg 7 te Oirsbeek. Deze locatie op grond van het geldende bestemmingsplan is bestemd voor 'Bedrijf' waarbinnen bedrijfsactivteiten tot en met milieucategorie 3.1 zijn toegestaan. Voor dergelijke bedrijfsactiviteiten dient op grond van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)' een richtafstand te worden aangehouden van 50 meter. De beoogde fysieke uitbreiding van het recreatieterrein ter plekke van onderhavig plangebied is gelegen op circa 75 meter afstand ten opzichte van de inrichtingsgrens van de Aldi. Gelet op deze afstand vormt de bedrijfsvoering aan de Provincialeweg 7 geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling
Provincialeweg 148 te Oirsbeek: paardenhouderij Renssen
Voorts is en zuidoosten van onderhavig plangebied paardenhouderij Renssen aan de Provincialeweg 148 te Oirsbeek gevestigd. Ten opzichte van deze inrichting dient een richtafstand (vanwege geur) aan te worden gehouden van 50 meter. De fysieke uitbreiding van het onderhavige recreatieterrein is gelegen op een afstand van meer dan 180 meter. Gelet op deze afstand vormt de paardenhouderij aan de Provincialeweg 148 geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling.
Als gevolg van voorliggende planontwikkeling wordt het bestaande terrein heringericht en een voor agrarisch grondgebruik bestemd perceel toegevoegd aan de bestaande recreatiebestemming. Op grond van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)' dient vanwege het aspect geluid in beginsel rekening te worden gehouden met een minimale richtafstand van 50 meter tot gevoelige objecten. Voor geur en gevaar is deze afstand 30 meter.
Aan de richtafstand voor geluid wordt (reeds in de bestaande situatie) niet voldaan. Dientengevolge is een akoestisch onderzoek industrielawaai verricht. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4. Op grond van dit onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken voor het ruimtelijke spoor:
Buitenplanse inpassing in het ruimtelijke spoor is mogelijk.
Voor wat betreft het milieuspoor zijn de volgende conclusies getrokken:
Het bedrijf voldoet aan de best beschikbare technieken (BBT).
Voor zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als het maximale geluidsniveau wordt gemotiveerd wordt verzocht een maatwerkvoorschrift te verlenen voor de geluidniveaus zoals opgenomen in het rapport.
Algeheel is geconcludeerd dat de planontwikkeling akoestisch inpasbaar en vergunbaar kan worden en sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Voor de aspecten geur en gevaar moeten alle bronnen buiten de richtafstand van 30 meter worden gehouden. Dit wordt vastgelegd in de te verlenen omgevingsvergunning. Als gevolg van voorliggende planontwikkeling verandert dit vereiste niet, en mag worden verondersteld dat sprake is (blijft) van een evenwichtige toedeling van functie.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van bedrijfsmatige activiteiten voldaan aan de regels en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke.
Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden, echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving').
Onderhavige plan voorziet niet planologisch gezien niet in nieuwe geurveroorzakende activiteiten in vergelijking met de huidige planologisch-juridische situatie ter plekke. De feitelijke erfgrens ligt op 5 meter van de locatie Hagerweg 24. Echter, zoals in paragraaf 4.1.3 ligt de feitelijke grens van het kampeerterrein op 30 meter van de woning. Derhalve wordt voldaan aan de richtafstand van 30 meter voor geur.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van geur voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook rekening gehouden te worden met de het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen.
Als gevolg van voorliggend project kunnen de nieuw activiteiten invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve hiervan zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid beoordeeld.
In het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van het omgevingsplan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het omgevingsplan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is.
Aandachtsgebieden
In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden voor een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Het kan ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft.
De wijziging van Omgevingsplan maakt geen van deze activiteiten mogelijk.
Tenslotte is de mate van de verhoogde concentratie van belang. Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook 'niet in betekende mate' (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets.
Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaalt voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. De activiteiten vallen niet onder de standaard gevallen. Gelet hierop is de NIBM-tool geraadpleegd waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtverontreiniging beoordeeld kunnen worden.
NIBM-tool
InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een 'worst-case' berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 1.471 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) pas in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 3% vrachtverkeer. Een dergelijke toename van de hoeveelheid verkeersbewegingen is als gevolg van onderhavig project geen sprake. In paragraaf 4.12 wordt ingegaan op het aantal verkeer- en parkeren.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van buitenlucht voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat').
Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De aanvaardbaarheid van de geluidbelasting is in de Omgevingswet een afweging die gemeente zelf moet maken. Gemeenten dienen dus voor elke locatie in de gemeente gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels op te nemen in het omgevingsplan.
Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl).
Bij voorliggend project is in vergelijking met de bestaande situatie geen sprake van het realiseren van een nieuw geluidgevoelig gebouw, ruimte of ligging in een geluidaandachtsgebied van (spoor)weg of industrie. In dat kader behoeft het aspect 'geluid' niet verder te worden beschouwd. Wel dient te worden beoordeeld ter plekke sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.
In het kader van 'geluid door wegen' wordt overogen dat onderhavig plangebied is gelegen aan een provinciale weg met een snelheidsregime van maxmaal 60 km/h. Voorts is het gebruik voor recreatief (nacht)verblijf reeds rechtstreeks toegestaan en is de fysieke uitbreiding van het terrein op afstand van de provinciale weg gelegen. Tot slot voorziet voorliggende planontwikkeling in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe verblijfsaccommodaties ter vervanging van de verouderde bestaande accommodaties. Bij nieuwbouw kan optimaal rekening worden gehouden met een goed akoestisch binnenniveau, waardoor een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Gelet op bovenstaande wordt akoestisch onderzoek in het kader van wegen, spoorwegen en industrieterreinen niet nodig geacht.
Met betrekking tot het aspect geluid kan in de fysieke leefomgeving sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van de (bedrijfs)activiteiten die plaatsvinden op onderhavige locatie of bedrijfslocaties in de omgeving. In paragraaf 4.1 is dit reeds beschouwd en toegelicht dat wordt voldaan aan de voorwaarden.
Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een Omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Gelet hierop dient, indien sprake is van wijziging van activiteiten in de fysieke leefomgeving, te worden aangegeven op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Hierbij gaat het om zowel het beschermen alsook het bevorderen van de gezondheid.
De regels met betrekking tot de 'gezondheid' is sterk afhankelijk van het gemeentelijke beleid. Ter plaatse van onderhavige locatie zijn, op grond van het omgevingsplan gemeente Beekdaelen, diverse regels van toepassing ten behoeve van het beschermen van de gezondheid.
Omgevingsplan Beekdaelen
De hieronder genoemde artikelen uit het Omgevingsplan Beekdaelen hebben betrekking op gezondheid en zijn ter plaatse van onderhavige locatie van toepassing:
Het project voorziet in de herontwikkeling en uitbreiding van camping High Chaparral. Als gevolg van voorliggend plan is geen sprake van een belemmering ten opzichte van bovengenoemde regels met betrekking tot gezondheid.
Andersom is geen sprake van het oprichten van een nieuwe (bedrijfs)locatie. Omdat sprake is van een herontwikkeling van bestaande recreatieve eenheden is er vanuit dat oogpunt geen sprake van strijdigheid met het planologisch-juridisch kader ter plekke. Als gevolg van voorliggend plan wijzigt dit niet.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van gezondheid voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.
Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Bij het wijzigen van het Omgevingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet) en uitvoering is gegeven aan de instructieregels vanuit het Rijk (paragraaf 5.1.4.5 Bkl) en de provincie.
Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.
Hierna wordt beschreven welke waarden binnen onderhavig plangebied gelden en of de aanwezige bodemkwaliteit hieraan voldoet.
Voorliggend project voorziet onder anderen in het omvormen van voor agrarisch doeleinden bestemde gronden naar een bodemgevoeligere locatie (artikel 5.89h Bkl). In dat kader is ten behoeve van het project een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het uitvoeren van de beoogde activiteiten in de fysieke leefomgeving. Aangezien de gemeente (nog) geen lokale waarden in haar Omgevingsplan heeft vastgelegd, dient te worden getoetst aan de interventiewaarde bodemkwaliteit uit bijlage IIA van het Bal en de bruidsschat (hoofdstuk 22 omgevingsplan).
Verricht bodemonderzoek
De rapportage van het verrichte bodemonderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5. Op grond van dat verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan:
Op grond van bovenstaande kan de bovengrond als klasse AW2000 grond bestempeld worden.
Op grond van bovenstaande kan de ondergrondgrond als klasse AW2000 grond bestempeld worden.
Op grond van het verrichte bodemonderzoek blijkt dat vanuit milieuhygiënisch oogpunt de grond geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging vormt.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van bodemkwaliteit voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.
In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels:
Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water. Het wettelijk kader rondom het aspect water en watersystemen is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen op de waterhuishouding die als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. In het kader van de watertoets dient derhalve advies te worden gevraagd bij de betrokken waterbeheerder.
In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein:
Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027.
Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren.
De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied.
Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.
Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water:
De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders vast voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend.
Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven.
Ter plaatse van de projectlocatie is op grond van de Omgevingsverordening Limburg (Ovl2021) de omgevingswaarde 'wateroverlast' van toepassing. Op grond hiervan is de projectlocatie gelegen in een gebied gekenmerkt als 'overstromingskansgebied B & C' en geldt een gemiddelde overstromingskans van 1 op 10 respectievelijk 25 jaar als omgevingswaarde. Deze instructieregel is een inspanningsverplichting voor het waterschap waar zij rekening mee moet houden.
Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is uitgezet.
Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma:
Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatigere afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak.
Door klimaatverandering zal de kans op extreme buien, regenwateroverlast en overstromingen toenemen. Het is belangrijk om vooruit te kijken en nu al rekening te houden met toekomstige klimaatontwikkelingen. Waterschap Limburg heeft daarom in opdracht van programma Waterveiligheid en Ruimte Limburg (WRL) overstromingskaarten opgesteld.
Voor deze kaarten is vooruitgekeken naar het jaar 2100 en de risico's die we in dat jaar op basis van klimaatverandering verwachten.
De kaarten geven inzicht op welke plekken overstromingen kunnen ontstaan door extreme neerslag (pluviale overstromingen) of piekafvoeren in de beken (fluviale overstromingen). Ze geven ook inzicht in de risico's op schade voor bebouwing en veiligheidsrisico's zoals gevaar voor voertuigen en mensen op staat of instortingsgevaar van gebouwen.
Uitgangspunt is een situatie die in 2100 eens per 100 jaar kan voorkomen (jaarlijkse kans is 1%). In het huidige klimaat is de kans op zulke overstromingen kleiner en komt dit gemiddeld eens per circa 500 jaar voor. Dit beeld is ongeveer vergelijkbaar met wat in juli 2021 in Valkenburg is gebeurd.
Met betrekking tot de projectlocatie zijn de volgende beschikbare overstromingskaarten geraadpleegd:
Op 31 oktober 2023 heeft de gemeenteraad van Beekdaelen ingestemd met de 'Hemelwaterverordening gemeente Beekdaelen 2024'. In deze hemelwaterverordening is bepaald dat geen hemelwater van plangebieden met verhard oppervlak door (her)bouw, uitbreiding of herontwikkelingen in een openbaar riool geloosd, tenzij een bergingsvoorziening op eigen perceel is aangebracht en in stand gehouden. Daarbij is voorgeschreven dat de minimale capaciteit van de bergingsvoorziening 60 liter per m² van het verhard oppervlak bedraagt, en dat deze zodanig wordt ontworpen en in stand gehouden dat deze tussen 24 uur en 48 uur weer voor 100% beschikbaar is. Bij initiatieven met (her)bouw, uitbreiding of herontwikkelingen met een verhard oppervlak van meer dan 200 m2 is uitvoering van een onderzoek naar de doorlatendheid van de bodem verplicht.
Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen onderhavig projectgebied wordt hierna uiteengezet.
Overstromingsrisico regionaal watersysteem
Uit raadpleging van de kaarten blijkt dat ter plaatse van onderhavig plangebied een beperkt risico bestaat (1 - 20 centimeter) met betrekking tot waterdiepte bij pluviale overstromingen, voornamelijk ter plekke van noord(west)elijke terreindeel. De gevaarzetting is geklassificeerd als 'Kleine voertuigen kunnen afdrijven (onveilig voor personen in de voertuigen en mensen op straat)'.
Uitsnede overstromingskaart 'waterdiepte bij pluviale overstroming'
Uitsnede overstromingskaart 'waterveiligheid bij pluviale overstroming'
In verband met voorliggende planontwikkeling zijn nog geen concrete (civiel)technische tekeningen beschikbaar. Deze zullen worden uitgewerkt in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning(en) op grond van het met voorliggend plan vast te leggen planologisch-juridische kader. Bij uitwerking van de vergunningaanvra(a)g(en) kunnen door bij het te kiezen bouwpeil van de nieuwe recreatieve bouwwerken rekening te houden met de informatie uit de overstromingsrisicokaarten, negatieve gevolgen bij pluviale overstromingen worden voorkomen.
Afvalwater
Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Beekdaelen. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. Bij de uitwerking van de concrete vergunningaanvraag en het in dat verband te vervaardigen ontwerp voor het afval(- en hemel)water voor de met voorliggend plan mogelijk te maken bebouwing, dient een vuilwaterberekening te worden uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomsten daarvan dient bij de civieltechnische uitwerking te worden voorzien in eventuele maatregelen ter voorkoming van verstoppingen en dergelijke.
Hemelwater
Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem. Bij het ontwerp voor de gewenste uitbreiding zijn natuurinclusieve en klimaatadaptieve uitgangspunten leidend. Daarmee wordt beoogd een aanvullende kwaliteitsbijdrage te leveren. De nieuw aan te leggen verharding, de rijbanen en parkeerplaatsen, worden middels halfverharding aangelegd, zodat het hemelwater ter plekke kan infiltreren. Hiermee wordt ook de af te koppelen verharding beperkt.
Het van de daken en verhard buitenterrein vrijkomende hemelwater dient op eigen perceel duurzaam te worden verwerkt door middel van een buffer/infiltratievoorziening met een capaciteit van 60 liter per m² van het verhard oppervlak (horizontaal gemeten). Het Waterschap Limburg adviseert een capaciteit van 80 liger per m². Ingebed tussen de te realiseren kampeerplaatsen binnen de bestaande camping en de uitbreiding, worden wadi’s aangelegd waarin hemelwater kan worden opgevangen en infiltreren. De wadi’s bieden naast het opvangen van hemelwater ook aanvullende ecologische waarden door de overgang van droog naar nat.
In totaal is ruim 900 m² van het projectgebied gereserveerd voor wadi's, waarbinnen middels een landschappelijke invulling ongeveer 700 m³ aan hemelwater kan worden opgevangen. Uitgaande van een minimale bergingscapaciteit van 60 liter per vierkante meter (conform de gemeentelijke hemelwaterverordening), kan op basis van de buffercapaciteit van 700 m³ omgerekend het hemelwater afkomstig van ruim 11.500 m² aan (nieuwe) verharding/bebouwing worden opgevangen. Zou gerekend worden met een bergingscapaciteit van 80 liter per m², zoals geadviseerd door het waterschap, bedraagt dit oppervlak circa 8.750 m².
Op basis van het Masterplan (Bijlage 1) wordt voorzien in 60 verblijven, waarvan er 22 reeds zijn gerealiseerd. Op basis hiervan is de verwachting dat ongeveer 38 verblijven nog worden gerealiseerd. Uitgaande dat de bebouwing per verblijf beperkt in omvang is (maximaal 80 m², vergelijkbaar met de huidige boomstamhuizen), is sprake van een maximaal verhard oppervlak aan dakverharding van 3.040 m². Daarnaast bedraagt het oppervlak van de aan te leggen (half)verhardingen (rijbanen, parkeerplaatsen e.d.) op grond van het inrichtingsplan circa 4.000 m². Het totaal te verharden oppervlak bedraagt zodoende circa 7.040 m², waarvoor een buffercapaciteit voor circa 425 m³ is benodigd bij 60 liter per m² en circa 565 m³ bij 80 liter per m². Nu fysieke ruimte mogelijk is voor een buffercapaciteit van circa 700 m³, is ruimschoots afdoende capaciteit beschikbaar voor de te realiseren hemelwatervoorziening(en).
Op basis van voorliggend omgevingsplan zullen vergunningen kunnen worden verleend voor het realiseren van nieuwe verblijfsaccommodaties. In het kader van de concrete aanvraag omgevingsvergunning dient door middel van een berekening en tekening, en eventuele overige documenten conform hemelwaterverordening, nader te worden uitgewerkt op welke wijze het hemelwater op eigen terrein wordt opgevangen. Hierbij moeten de volgende zaken worden aangeleverd:
In de juridische regeling van voorliggend plan is de verplichting tot het realiseren van een hemelwatervoorziening overeenkomstig de vereisten uit de gemeentelijke hemelwaterverordening verankerd.
Opvang schoon hemelwater
In de hemelwatervoorziening wordt alleen schoon hemelwater opgevangen, waaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren in de bodem. Door het gebruik van niet-uitlogende materialen in de bouw wordt verontreiniging van het hemelwater voorkomen.
Voorkomen van wateroverlast
Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat geen water in de te realiseren gebouwen kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van water en watersystemen voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.
Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. Dit beleid kan zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer ervan.
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid opgenomen in de instructieregels afdeling 5.1.2 Bkl. In het algemeen wordt onderscheidt gemaakt tussen:
In het Bkl worden risicovolle activiteiten aangewezen als risicobronnen. Het betreft de volgende activiteiten:
Plaatsgebonden risicocontour
Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Daarvoor geldt (nog steeds) een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het Omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde.
Brand-, gifwolk- en explosieaandachtsgebied: Groepsrisico
Indien sprake is van een risicovolle activiteit kan daarvoor ook een 'aandachtsgebied' toegewezen zijn. Deze aandachtsgebieden zijn vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en digitaal raadpleegbaar. Binnen deze gebieden dient rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. De begrippen beperkt kwetsbare-, kwetsbare- en zeer kwetsbare gebouwen worden in Bijlage VI, Besluit kwaliteit leefomgeving nader gedefinieerd. Binnen deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. De contour van een gifwolkaandachtsgebied bedraagt ten hoogste 1,5 kilometer conform artikel 5.12, lid 4 van het Bkl.
Ten behoeve van voorliggend project zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven.
De te realiseren recreatieve eenheden zijn wel (beperkt) kwetsbare gebouwen. Na raadpleging van de kaarten externe veiligheid van de Atlas Leefomgeving zijn de volgende risicobronnen geïnventariseerd.
Uitsnede kaarten externe veiligheid Atlas Leefomgeving met aanduiding plangebied (wit omcirkeld)
Uit de inventarisatie blijkt dat binnen het plangebied zelf een risicobron aanwezig is. Dit betreft een propaantank met een inhoud van 7.950 liter. Voor deze tank gelden plaatsgebonden risicocontouren (tabel 4.899 Bal) en aandachtsgebieden (bijlage VII Bkl, activiteit A7). Deze risicocontouren vormen echter géén toetsingsgrond voor de olanvorming aangezien de (beperkt) kwetsbare gebouwen binnen het plangebied een functionele binding hebben met de risicovolle activiteit (artikel 4.899 lid 4 Bal).
Naast deze externe veiligheidsafstanden volgen uit PGS (artikel 4.901 Bal) te respecteren interne veiligheidsafstanden. De propaantank betreft een reeds bestaande en vergunde voorziening waarvan de ligging ongewijzigd blijft. In de huidige situatie zijn een aantal kampeerplaatsen naast de propaantank aanwezig. In de beoogde situatie neemt het aantal plekken rond de tank af en wordt deels ingevuld als parkeerplaats. In feite zal de afstand van de beoogde recreatieverblijven tot aan de propaantank groter zijn dan in de huidige situatie.
Transportroutes
In de omgeving van onderhavig plangebied is geen sprake van transportroutes van gevaarlijke stoffen.
Risicovolle milieubelastende activiteiten
In de omgeving van onderhavig plangebied is geen sprake van risicovolle milieubelastende activiteiten.
Leidingen
In de omgeving van onderhavig plangebied is geen sprake van transportleidingen van gevaarlijke stoffen.
Door de grote afstand van de risicovolle bronnen en het plangebied daarmee niet binnen een plaatsgebonden risicocontour en/of aandachtsgebied ligt, wordt ten aanzien van het aspect externe veiligheid het basisbeschermingsniveau gerespecteerd en hoeft geen rekening te worden gehouden met het groepsrisico binnen het aandachtsgebied uit artikel 5.15 Bkl.
In het kader van het aspect 'omgevingsveiligheid' is het plan als vooroverleg voorgelegd aan de brandweer. De brandweer heeft een aantal adviespunten meegegeven die bij het verder concretiseren van de plannen ter harte worden genomen en in het kader van het vergunningentraject tot in detail worden uitgewerkt.
Specifiek gelden de volgende adviespunten:
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van externe veiligheid voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.
Ten behoeve van het uitvoeren van nieuwe activiteiten in de fysieke leefomgeving dient te worden aangegeven op welke wijze bij de beoogde activiteiten rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteiten aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met cultureel erfgoed.
In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.
De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over:
Ter plaatse van onderhavige locatie zijn diverse beschermingsregimes van toepassing van toepassing. Hieronder wordt onderhavig planontwikkeling getoetst aan deze regimes.
De gemeente Beekdaelen hecht veel waarde aan haar erfgoed - zoals monumentale panden, dorpsgezichten en landgoederen - en wil dit daarom blijvend in een goede staat houden en (nog verborgen) verhalen zichtbaar maken. De Erfgoedvisie gemeente Beekdaelen gaat verder dan alleen leegstand en herbestemming. Het gaat om de erfgoedwensen van de verschillende belanghebbenden, met belangrijke thema's als verduurzaming, erfgoedtoerisme, restauratie, herbestemming, erfgoedparticipatie, financiering en de Omgevingswet.
Molens
Het plangebied ligt in de molenbiotoop van de Janssenmolen, gelegen aan de Molenweg 4 in Oirsbeek. Deze functionerende molen is in eigendom van Stichting Limburgs Landschap. Dit wordt onderschreven door de 'cultuurhistorische kenmerkenkaart bouwkunst en stedenbouw'; het plangebied ligt volledig in de invloedsfeer van de molenbiotoop van dit rijksmonument.
Cultuurhistorische waardenkaart Beekdaelen met aanduiding molenbiotoop (rode cirkel)
Voorliggende planontwikkeling heeft geen onevenredig nadelige effecten op het bestaande functioneren van de Janssenmolen. De uitbreiding van het campingterrein vindt plaats op meer dan 200 meter waarbij tussen deze uitbreiding van de Janssenmolen bestaande bebouwing gelegen is.
Voorts ligt direct grenzend aan het plangebied het gemeentelijk monument Hagerweg (molenromp Dortantsmolen). Op grond van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente is aan deze molenromp een hoge waarde toegekend vanwege de markante situering in de rand van de bebouwde kom. Voorts is de molenrom beeldbepalend vanwege de bijzondere hoofdvorm en van architectuur- en bouwhistorisch belang vanwege de kenmerkende typologie, verschijningsvorm en constructie. Tot slot heeft de molenromp een zeldzaamheidswaarde vanwege de hoge ouderdom en de bijzondere typologie.
In de Erfgoedvisie wordt aangegeven dat bij wijzigingen of ontwikkelingen in of bij erfgoed rekening wordt gehouden met de erfgoedwaarden waarbij de ensemble benadering wordt toegepast. Ook vanuit de Omgevingswet is het effect van de uitbreiding op dit gemeentelijk monument te benoemen. Een negatief effect dient te worden voorkomen, en het erfgoed wordt gerespecteerd en in haar waarde wordt behouden.
Versterken waarden
Door het toepassen van gebiedseigen landschappelijke elementen, kan ter plekke, binnen de bestaande cultuurhistorische patronen, de overige waarden worden versterkt en verbinding te worden gezocht met bijvoorbeeld de molen. Daarmee wordt een logischere overgang met passende elementen gecreëerd tussen de camping en het buitengebied en worden de cultuurhistorische waarden versterkt.
Op dit moment is de molenromp van de Molen van Dortants een losstaand object in het landschap zonder duidelijke (cultuur)historische binding met de omgeving. Dit wordt versterkt doordat de molenromp aan drie zijden is omgeven voor een rij van coniferen.
Bestaande situatie molenromp
Het Limburgs Landschap heeft reeds een project opgestart om deze molenromp van de Molen van Dortants beter in het landschap zichtbaar te maken en het gebied op te waarderen. Ter plekke wordt een hoogstamfruitboomgaard aangelegd. Een dergelijke fruitboomgaard is van oudsher passend in de dorpsmantel rond een dorpskern van een dorp op het Limburgs plateau. Tevens worden recreatieve zitplekken gerealiseerd. Bij de aanleg worden bestaande zichtlijnen gerespecteerd dan wel gerealiseerd. Bij voorkeur worden de coniferen rond de molen verwijderd, omdat deze beperkt tot geen natuurlijke waarden hebben.
Het project van het Limburgs Landschap is meegenomen als een belangrijk uitgangspunt in het landschappelijk inpassingsplan. Bij de verdere uitwerking van de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de molenromp en zal deze beter beleefbaar worden gemaakt voor de recreant.
Beoogde situatie; de molenromp heeft een duidelijke relatie met de omgeving
Om de geactualiseerde archeologische verwachtings- en beleidskaart voor Beekdaelen zoals vastgesteld door de raad in oktober 2023 van kracht te laten zijn, is op 23 april 2024 het 'Paraplubestemmingsplan Archeologie' vastgesteld. De huidige locatie en de uitbreiding vallen in het gebied met aanduiding 'Waarde Archeologie 4', dit zijn gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor bodemverstoringen in het totale plangebied met een diepte vanaf 0,4 meter en een verstoringsoppervlak vanaf 250 m² is een onderzoeksplicht voorgeschreven in overleg met de regioarcheoloog.
Uitsnede archeologische verwachtingskaart gemeente Beekdaelen met aanduiding plangebied
Ten behoeve van voorliggende planontwikkeling is in eerste instantie een archeologisch onderzoek ter plekke van het uit te breiden terreindeel. De volledige rapportage is opgenomen als Bijlage 6. Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan:
Op basis van het verkennend booronderzoek dient de hoge archeologische verwachting met betrekking tot resten uit de periode neolithicum-Romeinse tijd te worden behouden. Vanwege de aantasting van de oorspronkelijk bodem door een combinatie van ploegen en bodemerosie kan de verwachting met betrekking tot het aantreffen van behoudenswaardige vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum worden bijgesteld naar laag.
Geadviseerd is om binnen het plangebied een archeologisch vervolgonderzoek middels proefsleuven uit te voeren naar de aanwezigheid en behoudenswaardigheid van archeologische resten van sporennederzettingen uit de neolithicum-Romeinse tijd. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd op basis van een voorafgaand door de gemeente Beekdaelen goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Dit advies is tevens verwoord in het selectiebesluit, bijgevoegd als Bijlage 7.
Naast een archeologisch onderzoek ter plekke van de gewenste uitbreiding is tevens een archeologisch onderzoek verricht ter plekke van het bestaande, en tevens her in te richten, terreindeel. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoed als Bijlage 8. Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan:
Geadviseerd is om binnen het noordelijk deel van plangebied vanwege de aantoonbaar lage archeologische verwachting met betrekking tot de aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten en complexen geen vervolgonderzoek meer uit voeren naar de aanwezigheid van een voldoende intacte oorspronkelijke bodem en/of behoudenswaardigheid van archeologische resten. Voor het zuidelijk deel van plangebied wordt vanwege de vooralsnog onbekende archeologische verwachting en het ontbreken van relatief grootschalige civieltechnische bodemingreepplannen eveneens geen vervolgonderzoek geadviseerd, maar dient de archeologische dubbelbestemming te worden behouden. Dit advies is tevens verwoord in het selectiebesluit, bijgevoegd als Bijlage 9.
Ter plaatse van onderhavig plangebied is sprake van cultureel erfgoed. Bij het uitwerken van het landschappelijk inpassingplan zijn de cultuurhistorische waarden met betrekking tot de molenromp meegenomen. Sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ten behoeve van het uitvoeren van nieuwe activiteiten in de fysieke leefomgeving dient te worden aangegeven op welke wijze bij de beoogde activiteiten rekening is gehouden met het landschap en/of ingepast in de omgeving.
Zoals reeds eerder geconstateerd in paragraaf 3.2.2 is het projectgebied gelegen in het beschermingsgebied 'Nationaal Landschap Zuid-Limburg' en 'beekdal'.
In de Omgevingsverordening Limburg wordt ten aanzien van het beschermingsgebied 'Nationaal Landschap Zuid-Limburg' voorgeschreven dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in deze gebieden – waarvan in casu sprake is – een beschrijving bevat van de in het projectgebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd.
Cultuurhistorische waardenkaart Beekdaelen met landschapswaardering
Zoals aangegeven in paragraaf 2.2.2 is ten behoeve van voorliggend project een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 10. Het doel van dit landschappelijk inpassingsplan is het bereiken en in standhouden van een goede omgevingskwaliteit ter plekke. In onderstaande afbeelding is het landschappelijk inpassingsplan weergegeven. Het plan is daarnaast op schaal bijgevoegd als Bijlage 11 bij voorliggend plan.
Uitsnede landschappelijk inpassingsplan
De inpassingsmaatregelen betreffen in eerste instantie handhaving van de bestaande groene omzoming. Voorts wordt voorzien in nieuw struweel rondom de speel-/bbq weides en aanplant van nieuwe bomen en hagen op het terrein zelf.
De daadwerkelijke realisatie en duurzame instandhouding van de inpassingsmaatregelen wordt in onderhavig plan publiekrechtelijk geborgd middels het opnemen van een voorwaardelijke verplichting.
In het kader van beoogde ontwikkeling wordt door initiatiefnemer primair ingezet op vitalisering van de camping. Het aantal verhuurbare eenheden en kampeerplekken neemt als gevolg van voorliggend plan af en maakt ruimte voor nieuwe accommodaties met natuurlijke uitstraling. Dit gecombineerd met een stedenbouwkundige herinirchting in het groen zorgt voor een passende herontwikkeling ter plekke. Onderhavig planontwikkeling is voorgelegd aan welstandscommissie en stedenbouwkundig akkoord bevonden. Nadere technische uitwerking van de bouwplannen vindt volwaardig plaats bij de omgevingsvergunning aanvraag voor de bouwactiviteiten.
Gelet op vorenstaand wordt in het kader van landschap voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij het opstellen van een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. In het vervolg van deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden.
De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in het Bal, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Effecten kunnen in beginsel alleen optreden door zogenaamde externe werking, waarbij veranderingen en activiteiten binnen de locatie kunnen leiden tot effecten in de natuurgebieden.
Het projectgebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), daarnaast zijn volgens de provinciale verordening geen natuurwaarden binnen het projectgebied aanwezig. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is 'Geleenbeekdal'. Dit betreft een Habitatrichtlijngebied en ligt op ca 3 km afstand ten noordoosten van het projectgebied.
Stikstofemissie kan mogelijk een effect veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Voor onderhavig planvoornemen betreft het de uitstoot van stikstof als gevolg van de realisatie en het gebruik ervan. Beoordeeld dient te worden of tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase een significant effect kan ontstaan op omliggende Natura2000 gebieden. Derhalve is door Aelmans ROM B.V. een stikstofonderzoek uitgevoerd voor zowel de realisatiefase en de gebruiksfase. De rapportage hiervan is opgenomen in Bijlage 12.
Uit de resultaten van het onderzoek naar de invloed van NOx- en NH3-emissie van de realisatie- en gebruiksfase op Natura 2000-gebieden blijkt, dat er als gevolg van de realisatiefase en de gebruiksfase in de nieuwe situatie geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden.
Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet tevens duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten. Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd waardoor vrijwel voor alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan moet worden of er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat dan zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald wanneer een vergunning nodig is.
In verband met voorliggende planontwikkeling is een quickscan flora en fauna verricht. De rapportage van deze quickscan is bijgevoegd als Bijlage 13. Op grond van deze is geconcludeerd dat rooiwerkzaamheden van bomen en struiken buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) dienen te worden uitgevoerd ter voorkoming van verstoring van eventuele broedvogels. Indien dit niet mogelijk is zal er een broedvogelcheck uitgevoerd moeten worden. De rooiwerkzaamheden in het kader van voorliggende planontwikkeling zullen buiten het broedseizoen plaatsvinden.
Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van natuurbescherming voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
Ten behoeve van de beoogde activiteiten ter plaatse van onderhavig plangebied dient te worden voorzien in afdoende parkeergelegenheid. In dat kader wordt hieronder een uiteenzetting gegeven van de parkeerbehoefte van de nieuwe situatie. Hierbij is gebruik gemaakt van de CROW-kencijfers. Gelet op het feit dat de kampeerplaatsen in zijn geheel komen te vervallen wordt in de nieuwe situatie uitgegaan van de categorie 'bungalowparken'.
Uitgaande van de CROW dient rekening te worden gehouden met 2,0 tot 2,2 parkeerplaatsen per bungalow gelegen in een gebied gekenmerkt als 'buitengebied' en 'matig stedelijk'. Gelet hierop bedraagt de minimale parkeerbehoefte op het terrein als gevolg van voorliggende planontwikkeling op basis van 60 recreatieve eenheden circa 120 (2x60) parkeerplaatsen.
Gelet op de aanwezige ruimte binnen het plangebied en de beoogde fysieke uitbreiding van de camping kan worden aangenomen dat afdoende ruimte beschikbaar worden gemaakt om te voldoen aan de parkeerbehoefte. In onderstaande afbeelding is de beoogde parkeerinrichting van de nieuwe situatie weergegeven.
Uitsede LIP met aanduiding indicatie parkeerplaatsen
Beoordeeld dient te worden of de planontwikkeling gevolgen heeft voor de verkeersstructuur, -doorstroming, -afwikkeling, en -veiligheid. Vooraleerst worden geen nieuwe in-/uitritten op de openbare weg gerealiseerd. Gebruik kan worden gemaakt van de bestaande aansluiting.
Voor wat betreft een bungalowpark (huisjescomplex) wordt op grond van de CROW-kencijfers uitgegaan van een verkeergeneratie van 2,6 tot 2,8 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal (mvt/etm) per standplaats. Voor een camping (kampeerterrein) wordt een norm van 0,4 motorvoertuigbewegingen gehanteerd.
| Kampeermiddel | Vakantiehuisjes | Totaal | ||
| Norm | 0,4 per standplaats | 2,8 per bungalow | - | |
| Aantal | 17 | 47 | 64 | |
| Behoefte | 6,8 | 131,6 | 138,4 | |
In de bestaande situatie is ter plaatse van het plangebied de planologische mogelijkheid aanwezig om recreatiewoningen, vakantiewoningen, recreatieappartementen, recreatiebungalows of chalets te realiseren. In aantal zijn deze niet gelimiteerd. Wel is het oppervlak en de inhoud, alsook het maximum bebouwingspercentage van het bestemmingsvlak, aan regels gebonden. Voorts bestaat de mogelijkheid om in totaal maximaal 115 kampeermiddelen te plaatsen.
Als gevolg van voorliggend plan wordt de mogelijkheid geboden om te kunnen voorzien in circa 60 recreatieve eenheden. De wens is uiteindelijk om het gehele recreatieterrein om te vormen waarbij het kamperen met kampeermiddelen zal verdwijnen. In totaliteit zal het aantal verblijfsaccomodaties afnemen. Op basis 60 recreatieve eenhden en de CROW-kencijfers impliceert de ontwikkeling een verkeersgeneratie van 168 voertuigbewegingen (60*2,8) per werkdagetmaal. De verkeersgeneratie neemt als gevolg daarvan toe met 29,6 (168 - 138,4) voertuigbewegingen.
Onderhavig plangebied wordt ontsloten via de bestaande ontsluiting van Hagerweg naar Provincialeweg Zuid en vervolgens in richting van de N276. Gelet op de verkeerstructuur ter plekke kan worden aangenomen dat deze wegen de toename van verkeersgeneratie als gevolg van onderhavig plan gemakkelijk aan kan en worden onoverkomelijke belemmeringen in het kader van de verkeersdoorstroming, -afwikkeling, en- veiligheid niet verwacht.
Wettelijk kader
Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.
Toepassing
Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.
Met betrekking tot natuurinclusief bouwen wordt gestreefd naar natuurinclusief ondernemen. Natuurinclusief ondernemen kan niet alleen helpen om de natuur te beschermen, maar ook om een aantrekkelijke bestemming te worden voor milieubewust gasten die waarde hechten aan duurzaamheid en natuurbehoud. Om hierop in te zetten wordt gedacht aan:
Met betrekking tot duurzaamheid wordt beoogd om:
Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig).
Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat.
Wettelijk kader
Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.
In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming, en droogte.
Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. Ten behoeve van deze wijziging van het Omgevingsplan zijn mogelijke meekoppelkansen geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het Omgevingsplan ten aanzien van het aspect 'klimaatadaptatie' beoordeeld.
In het kader van klimaatadaptatie is de kaart 'klimaatrisico' op www.atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Het risico op deze kaart laat zien waar je last kan hebben van een hoge gevoelstemperatuur (hitte stres) én waar wateroverlast kan ontstaan naar een hevige regenbui. Hierbij geldt hoe groene de kleur, hoe hoger het risico (1 is laag, 5 is hoog).
Uitsnede kaart 'Klimaatrisico' (RIVM, 2020)
Gelet op kaart 'klimaatrisico' is onderhavige locatie gelegen binnen gebied gekenmerkt met een risicoscore 3,6 tot 3,8. Gelet hierop en het feit dat onderhavige locatie is gelegen in een Beekdal kan worden aangenomen dat de kans op risico's en gevolg vanwege droogte ter plekke minimaal is. Daarentegen dient wel rekening te worden gehouden met mogelijke risico's- en gevolgen vanwege van wateroverlast en overstromingen. In dat kader zal ten behoeve van de voorliggend worden voldaan aan het beleid zoals wordt omschreven in bovengenoemde paragraven.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van duurzaamheid en klimaatadaptatie voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Door het projectgebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt.
De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. De nieuw te realiseren recreatieverblijven zullen hierop moeten worden aangesloten. Bij het nader uitwerken van de aansluitingen, dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen.
Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het project.
Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling mer-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de m.e.r.-procedure is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de m.e.r. Op deze manier vormt de m.e.r. een hulpmiddel voor de besluitvorming.
Een omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34).
De motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit:
In Bijlage V. bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In deze lijst zijn zowel de m.e.r.-plichtige als de m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. In het Besluit milieueffectrapportage waren dat nog 2 lijsten (onderdelen C en D in de bijlage bij dat besluit).
Bij voorliggende activiteit is geen sprake van een project met daartoe benodigd besluit zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit.
Voorliggende ontwikkeling valt onder M4 'Permanente kampeer- en caravanterreinen' Hierin valt voorliggend project volgens kolom 4 zijnde het omgevingsplan alsmede kolom 3 onder 'Aanleg, wijziging en uitbreiding' waardoor volgens artikel 11.6 lid 2 van het Omgevingsbesluit een mer-beoordelings-plicht ingediend te worden zoals beschreven in Artikel 16.43 'aanwijzen mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten'.
Ten behoeve van het doorlopen van de procedure is een separate m.e.r.-aanmeldingsnotitie opgesteld en ter belsuitvorming voorgelegd aan het college van Burgemeester en Wethouders. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project, en de kenmerken van de effecten van het project is geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijk nadelige milieugevolgen'.
Uit de m.e.r.-aanmeldingsnotitie is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een m.e.r.-rapportage en dat er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet bevat het omgevingsplan (o.a.) de bruidsschat. Dit zijn de hoofdstukken 1 en 22 en bijlage I bij artikel 1.1, tweede lid, van hoofdstuk 1. De bruidsschat is opgesteld in STOP/TP.
Een TAM-IMRO omgevingsplan wordt met een andere techniek (IMRO i.p.v. STOP/TP) opgesteld, bekend gemaakt en beschikbaar gesteld. Daardoor is het niet mogelijk om het TAM-IMRO omgevingsplan en de tekst van de bruidsschat in één bestand samen te voegen. Omdat het juridisch wel één omgevingsplan vormt, wordt in praktijk het TAM-IMRO omgevingsplan als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd in het omgevingsplan van rechtswege. Dit hoofdstuk wordt juridisch toegevoegd na Hoofdstuk 22 en voor de slotbepalingen. De naam van een TAM-IMRO omgevingsplan begint met 'TAM-omgevingsplan' gevolgd door een spatie en de rest van de plannaam.
Een TAM-IMRO plan is een tijdelijk hulpmiddel om ervoor te zorgen dat ontwikkelingen door kunnen blijven gaan, tot dat gemeente het Omgevingsplan volledig in STOP kan opstellen. Het TAM-IMRO wijzigingsbesluit wordt later ondergebracht in STOP. De TAM-IMRO is een wijziging van het Omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt deze opgesteld met de techniek welke in gebruik is volgens de huidige (of oude) wetgeving. Juridisch moet een TAM-IMRO plan ook voldoen aan de regels van het Bkl en de provincie.
De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan gewijzigd worden, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering bij 'artikel 1' begint. Voor het doel is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering echter onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, wordt met voorliggend plan na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moet worden.
Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project.
Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden.
Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan: Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit.
Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd. In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn.
Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een Omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een Omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.
Initiatiefnemer hecht veel waarde aan communicatie met de omgeving en heeft regelmatig contact met buren en omwonenden. In dat kader is ten behoeve van voorliggend project op informele wijze een omgevingsdialoog uitgevoerd met de directe omwonenden, grondeigenaren en het Limburgs Landschap (eigenaar van de molenromp). Initiatiefnemer heeft de plannen kenbaar gemaakt en besproken. De omwonenden zijn op de hoogte gesteld van de plannen en hebben aangegeven hier geen directe bezwaren tegen te hebben. Een verslag van de omgevingsdialoog is als participatieverslag bijgevoegd in Bijlage 14.
In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is ('niet evident onuitvoerbaar'). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.
Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.
Anterieure overeenkomst
Als sprake van een ontwikkeling die op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het wijzigen van het Omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken.
Publiekrechtelijk kostenverhaal
Naast het privaatrechtelijke spoor van het sluiten van een anterieure overeenkomst, kan het kostenverhaal ook via het publiekrechtelijke spoor worden verzekerd in het Omgevingsplan, in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse Omgevingsplanactiviteit) of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow). Dit spoor is aan de orde indien geen overeenkomst wordt bereikt bij de onderhandelingen over de anterieure overeenkomst. In het publiekrechtelijke spoor mag de overheid de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Daarnaast mogen er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.
Er worden twee systemen in het publiekrechtelijk kostenverhaalstelsel onderscheiden waarvoor de Omgevingswet in regelingen voorziet voor het kostenverhaal:
1. Integrale gebiedsontwikkeling, mét tijdvak (artikel 13.14 Ow)
2. Organische gebiedsontwikkeling, zónder tijdvak (artikel 13.15 Ow)
Rekening houdend met onderhavige ontwikkeling, zijnde het doorvoeren van een inpandige functiewijziging, ontstaan geen verhaalbare kosten waardoor het sluiten van een anterieure overeenkomst of het vaststellen van een exploitatieplan niet aan de orde is.
Artikel 13.22 Ow biedt, in aanvulling op het kostenverhaal, een grondslag voor het maken van afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied. Het betreft andere kosten dan die verhaald worden via de anterieure overeenkomst over het kostenverhaal. De basis van deze bijdragen moet worden gelegd in een omgevingsvisie of programma. Dergelijke bijdragen dienen ter verbetering van de fysieke leefomgeving.
In het kader van deze wijziging van het Omgevingsplan zijn geen aanvullende financiële bijdragen aan de orde.
Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:
De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn:
Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:
Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.
Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een Omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit.