| Plan: | Schildwolde, Meenteweg 110 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1952.wpscwmeenteweg110-va01 |
Met het voorliggende wijzigingsplan wordt het bouwvlak van het agrarisch bedrijf aan de Meenteweg 110 in Schildwolde gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging van het bouwvlak is de geplande vervangende nieuwbouw van een bedrijfswoning en een nieuwe jongveestal. De huidige bedrijfswoning en de oude jongveestal hebben te kampen met bevingsschade en moeten worden vervangen. Beide objecten zijn opgenomen in het aardbevingsprogramma van de NCG. Daarnaast is het verzoek om -op termijn- aan de zuidwestzijde van het agrarisch bedrijf van 2 kleinschalige windturbines te realiseren. Tenslotte dient het bouwvlak aan de zuidwestkant worden uitgebreid in verband met het realiseren van een mestopslagplaats.
Genoemde nieuwbouwactiviteiten liggen deels buiten het bestaande bouwvlak. Dit betekent dat niet alleen de ligging van het bestaande bouwvlak wordt gewijzigd, maar dat ook de oppervlakte wordt vergroot.
Om de percelen te voorzien van het juiste juridisch-planologisch kader, is dit wijzigingsplan opgesteld. Binnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' is onder lid artikel 3.6.1. en 4.5.1. van het moederplan Buitengebied Midden-Groningen (vastgesteld op 3 februari 2022) een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het bouwvlak te wijzigen c.q. de bestemming te wijzigen.
Het plangebied van dit wijzigingsplan bestaat uit het perceel behorende bij het agrarisch bedrijf aan de Meenteweg 110 te Schildwolde, te weten kadastraal bekend gemeente Slochteren, sectie Y nummer 26. De locatie ligt ca. 2,5 km ten noordwesten van het dorp Schildwolde. Hieronder een weergave van de ligging van het plangebied.
Figuur 1. Luchtfoto van de Meenteweg 110 in Schildwolde.
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 het plangebied beschreven. Ook wordt de huidige en de nieuwe situatie beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de beleidskaders. De wijzigingsbevoegdheid en voorwaarden hierbij alsmede het erfinrichtingsplan en onderzoeken die ten grondslag liggen aan het plan worden in hoofdstuk 4 toegelicht. Hoofdstuk 5 bevat de juridische toelichting op het bestemmingsplan. De hoofdstukken 6 en 7 beschrijven tot slot de financiële consequenties en de uitvoerbaarheid van het plan.
Het agrarisch bedrijf heeft nu bouwvlak van in totaal 1,07 hectare. Hiervan is feitelijk alle ruimte benut. Op korte afstand tot de Meenteweg bevindt zich de huidige bedrijfswoning. Daarachter bevindt zich de oude, af te breken, jongveestal. Beide met een nokrichting haaks op de weg. Ten zuiden van deze beide bedrijfsgebouwen bevinden zich nog twee stallen voor melkvee en een machineberging annex werkplaats. Binnen het bouwvlak bevindt zich voorts nog de kuilvoer- en mestopslag.
Het agrarisch bedrijf is een zogenaamd gemengd bedrijf. Naast melkvee heeft het bedrijf nog een akkerbouwtak. Er is sprake van een volwaardig agrarisch bedrijf. De melkveetak bestaat uit circa 110 melk- en kalfkoeien plus bijbehorend 70 stuks jongvee. H|et areaal bestaat uit circa 100 ha landbouwgrond. Hiervan is circa 50 ha grasland en circa 50 ha akkerbouw. Hier worden gewassen als wintertarwe, suikerbieten, snijmais en zetmeelaardappelen geteelt. Een deel van de gewassen dient als voedsel voor de melkkoeien.
Figuur 2: Bovenaanzicht Meenteweg 110
Figuur 3: Overzicht uitbreiding bouwblok. Van boven naar beneden resp. locatie nieuwe bedrijfswoning, locatie nieuwe loods en locatie nieuwe mestplaat en zoekgebied kleinschalige windmolens
Figuur 4: Type windmolen EAZ (ashoogte 15 meter)
Het geldende bestemmingsplan op deze locatie is het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen, vastgesteld in 2022, van de gelijknamige gemeente. Het bestaande bedrijfsperceel heeft de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf'. Deze gronden zijn voorzien van een bouwvlak en een gebiedsaanduiding "veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen".
De gronden rondom het bedrijfsperceel zijn bestemd als 'Agrarisch - Cultuurgrond" en hebben geen bouwvlak.Binnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' zijn de gronden onder andere bestemd voor agrarische bedrijvigheid. Gebouwen en bouwwerken ten behoeve van het agrarisch bedrijf moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd.
Figuur 5: Kaart overzicht vigerend bestemmingsplan Buitengebied
De kleinschalige windturbines zijn gepland aan de zuidwestzijde van het perceel. Op deze gronden is de bestemming 'Agrarisch Cultuurgrond' van toepassing. Het bouwen van deze kleinschalige windturbines is strijdig met de geldende bestemming.
Vanwege aardbevingsschade worden zowel de huidige bedrijfswoning en een daarachter gelegen bedrijfsgebouw gesloopt en vervangen. De huidige bedrijfswoning bevindt zich zeer dicht op de (provinciale) weg, de Meenteweg en bovendien binnen de veiligheidszone 'vervoer - gevaarlijke stoffen'. Om beide redenen hebben eigenaren te kennen gegeven de nieuwe bedrijfswoning op een andere plek te willen realiseren. Binnen het bouwvlak is daarvoor echter geen ruimte meer aanwezig. Reden waardom gekozen is voor nieuwbouw buiten het bouwvlak aan de noordwestzijde van het agrarisch bedrijf. Het deel van het bouwvlak waar nu de huidige bedrijfswoning staat komt te vervallen. In figuur 5 is de huidige locatie met een rode marker weergegeven.
Het nieuw te realiseren bedrijfsgebouw, dat in de plaats komt van de wegens bevingschade te slopen gebouw, kan net niet binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. Ook wordt het raadzaam geacht om de westelijke grens van het huidige bouwvlak 3 m op te schuiven om zodoende voldoende ruimte bieden voor de geplande nieuwbouw.
Door de aanpassing van het bouwvlak aan de westzijde kan ook de geplande uitbreiding van de mestplaats aan die zijde worden gerealiseerd.
Eigenaren willen verder graag verduurzamen en zijn voornemens om twee kleinschalige windturbines te plaatsen. Om de windturbines voldoende wind te kunnen laten vangen is enige afstand tot de bestaande bebouwing gewenst. De meest optimale locatie van de turbines is aan de achterzijde van de bebouwing aan de zuidwestkant van het perceel.
Zoals in voorgaande paragraaf aangegeven mogen binnen de bestemming Agrarisch - Cultuurgrond geen gebouwen of overkappingen worden gebouwd. Om het voornemen toch mogelijk te maken moet de bestemming worden gewijzigd en moet het bouwvlak worden aangepast.
In de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf is in artikel 3.6.1 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het bouwvlak te vergroten.
Daarnaast is in artikel 4.5.1.een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming Agrarisch - Cultuurgrond te wijzigen naar Agrarisch - Agrarisch bedrijf.
Door deze aanpassingen bedraagt het nieuwe bouwvlak in totaal 1.17.60 ha. Voor de exacte ligging van het bouwvlak wordt kortheidshalve verwezen naar de verbeelding. In Hoofdstuk 4 wordt verder ingegaan op de wijzigingsbevoegdheid en de toetsing van de voorwaarden.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op specifiek beleid dat van belang is voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. Voor de overige beleidsstukken wordt verwezen naar het moederplan.
In de Provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening is het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving neergelegd. In de Omgevingsverordening (voor het laast gewijzigd op 25 mei 2022) zijn ter bescherming van de provinciale belangen bindende regels opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen.
Strikt genomen gaat het over uitbreiding van het bouwvlak. In de Omgevingsverordening is over agrarische bouwpercelen het volgende opgenomen:
Artikel 2.26.3 Uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot 2 hectare
b. een erfinrichtingsplan is opgesteld waarbij in ieder geval rekening ie gehouden met
achtereenvolgens:
- de historisch gegroeide landschapsstructuur;
- de afstand tot andere ruimtelijke elementen;
- een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving
van de bedrijfsgebouwen;
- het uitgangspunt dat voor de bedrijfsvoering niet meer in gebruik zijnde opstallen,
met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen op het bouwperceel
worden gesloopt;
- het woon- en leefklimaat van direct omwonenden;
- het aspect nachtelijke lichtuitstraling
De voorwaarden uit dit artikel van de provinciale omgevingsverordening zijn verwerkt in de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid van het gemeentelijk bestemmingsplan (Buitengebied Midden-Groningen 2022). Door het toepassen van de maatwerkmethode en de oppervlakte (kleiner dan 2 hectare) wordt voldaan aan de voorwaarden uit het provinciaal beleid.
Het erfinrichtingsplan maakt onderdeel uit van dit wijzigingsplan. In hoofdstuk 4 wordt verder ingegaan op de wijzigingsvoorwaarden (welke deels voortkomen uit het provinciaal beleid).
Het gemeentelijk beleid voor de locatie is vastgelegd in het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen, zoals deze is vastgesteld op 3 februari 2022. Gesteld kan worden dat de geplande uitbreidingen passen binnen het in dat plan opgenomen gemeentelijke beleid. Vanuit beleidsoogpunt zijn er geen belemmeringen tegen het planvoornemen.
Zoals gemeld past het planvoornemen niet binnen het huidige bouwvlak. Binnen het moederplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. In Hoofdstuk 4 wordt hier verder op ingegaan. Bij de definitieve aanvraag omgevingsvergunning wordt het bouwplan meer in detail beoordeeld. De huidige beoordeling volstaat voor de wijzigingsprocedure.
Het planvoornemen past -zoals eerder vermeld - niet binnen het huidige bouwvlak. Op de te bouwen gronden geldt de bestemming Agrarisch - Cultuurgrond. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient deze bestemming te worden gewijzigd in Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en dient het bouwvlak te worden vergroot.
Het plan is niet in strijd met de overige bestemmingen en aanduidingen van het bestemmingsplan. Met het voorliggend wijzigingsplan wordt de nieuwe situatie planologisch verankerd, waarbij de verder bestemmingen/aanduidingen uit het moederplan van toepassing blijven.
Het planvoornemen is getoetst aan de voorwaarden die gekoppeld zijn aan de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in het moederplan in de artikelen 3.6.1. en 4.5.1.
Voor de beoogde locatie is de bestemming Agrarisch - Bedrijf' van toepassing. Onder lid 3.6.1. is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen omde oppervlakte van het bouwvlak te wijzigen. Deze wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt:
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van 49.2, de bestemming 'Agrarisch - Bedrijf' wijzigen in die zin dat een bouwvlak kan worden vergroot, mits:
Aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan.
ad a. de oppervlakte van het nieuwe bouwperceel bedraagt 1.17.60 ha.;
ad b. er is sprake van een bestaand bedrijf en bovendien voor wat betreft de bedrijfsgebouwen
spake van vervangende nieuwbouw;
ad c. de maatwerkmetode is toegepast met medewerking van een onafhankelijke deskundige
namelijk Libau te Groningen;
ad d. er is een erfinrichtingsplan opgesteld waarbij:
1. de historische landschapsstructuur wordt gerespecteerd;
2. rekening is gehouden met afstanden tot andere ruimtelijke elementen;
3. gebleken is dat de infrastructurele onsluiting toereikend is;
4. sprake is van een evenwichtige ordening, maatvoering en vormgeving van
bedrijfsgebouwen en bedrijfselementen;
5. er is geen sprake van sloop van monumentale of karakteristieke gebouwen op het
bouwperceel die worden gesloopt;
6. er is geen sprake van direct omwonenden;
7. wat lichtuitstraling betreft dient de nieuwe jomngveestal te voldoen aan het bepaalde in artikel 3.2.1. sub e van het moederplan;
ad e. de uitvoering en instandhouding van het erfinrichtingsplan wordt in de regels opgenomen.
Binnen de bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond' kan de bestemming onder voorwaarden worden gewijzigd. In artikel 4.5.1. is daarvoor een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Deze wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt:
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van artikel 49.2, in combinatie met 3.6.1. ....... de bestemming wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Bedrijf' wijzigen en ter plaatse (gedeeltelijk) een bouwvlak toekennen ten behoeve van vergroting of wijziging van het bouwperceel van een bestaand agrarisch ......bedrijf ................. , onder de volgende voorwaarden:
Aan ook deze voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan. Onderstaand gwordt hier puntsgewijs op ingegaan:
a. het betreft een vergroting van een bestaand agrarisch bouwvlak met de bestemming "
Agrarisch-Bedrijf ";
b. het betreft een bestaand agrarisch bedrijf, waarvan de bedrijfswoning wegens
bevingsschade moet worden vervangen. Daanaast wordt een verouderde jongveestal
afgebroken en door nieuwbouw vervangen. De aanpassing is noodzakelijk voor de
bedrijfsvoering.Door plaatsing van windmolens kan voor langere tijd een duurzame
bedrijfsvoering worden gegarandeerd. Het bouwvlak wordt aangepast om de windmolens op een logische plaats te situeren in het bouwvlak nabij de bestaande bedrijfsgebouwen.
c. binnen het bestaande bouwperceel is geen ruimte aanwezig om de bedrijfswoning en de
jongveestal te realiseren. Bovendien is herbouw van de bedrijfswoning op de huidige
locatie ongewenst gezien de ligging binnen de veiligheidszone. Uit een oogpunt van
efficiente bedrijfsvoering is herbouw op deze locatie ook ongewenst.
d. in de wijzigingsregels wordt gemeld dat artikel 3 van het moederplan van overeenkomstige toepassing zijn.
e. niet van toepassing.
In deze paragraaf wordt het erfinrichtingsplan inhoudelijk verder kort toegelicht.
Opgave
Vanuit het AGRO programma van de provincie Groningen is team Ruimtelijke Kwaliteit van de Stichting Libau gevraagd om samen met de exploitanten van het bedrijf en de gemeente Midden-Groningen de maatwerkmethode door te lopen en te onderzoeken op welke wijze tot een passende oplossing kan worden gekomen.
Aanpak en leeswijzer
Het uiteindelijke maafwerkadvies is tot stand gekomen naar aanleiding van het in de periode december 2021 - februari 2022 gezamenlijk doorlopen maatwerktraject. Vanuit een analyse van de context en de kwaliteiten van de plek is een voor deze plek specifieke erfontwikkelingsschets met uitgangspunten voor de vormgeving van de gebouwen gemaakt. Dit vormt de basis voor de bestemmingsplanprocedure, verdere planuitwerking en parallel hieraan de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Toelichting erfontwikkelingsschets
In het wegdorpenlandschap liggen woningen vrijwel altijd aan de weg met daar achter in een tweede lijn de bedrijfsbebouwing. Met het verplaatsen van de woning wordt van deze opbouw afgeweken en is gezocht naar een nieuwe heldere erfopbouw.
De erfontwikkelingsschets verbeeldt deze opbouw waarbij een omkering van voor- en zijerf ontstaat. De woning wordt daarbij een zelfstandig volume in de, als nieuw voorerf te definiëren en in te richten, ruimte tussen het kanaal en de bedrijfsbebouwing.
De herinrichting van het nieuwe voorerf vraagt om het verplaatsen van de aanwezige voeropslag en het dunnen van de omzomende bepanting om de woning als ruimtelijk hoofdmoment op het erf vanuit de omgeving te kunnen ervaren.
In de schets is binnen het nieuwe voorerf een verdeling gesuggereerd met een aan de weg
gelegen deel met een laagstamboomgaard in extensief beheerd grasland met ruimte voor een theetuin; en een tuindeel ten noorden, westen en zuiden van de woning. Een inheemse haag
rondom houdt beide delen van het voorerf bijeen. De bestaande entree tot het voorerf kan behouden blijven en wordt ruimtelijk benadrukt door twee grote bomen en een boomgroep op de plek van de voormalige woning.
Verder wordt bestaande beplanting op het erf zoveel mogelijk behouden en worden ook de twee bedrijfstoegangen ruimtelijk met bomen geaccentueerd. Langs de naar het zijerf verplaatste opslag blijft ruimte voor een grasstrook als overgang naar de weg. Het achtererf wordt begrensd met een rij inheemse bomen in een wilde streekeigen haag met waar nodig onderbrekingen om het veld te kunnen betreden.
Uiteindelijk ziet de schets er zo uit:
In de erfontwikkelingsschets wordt verder ingegaan op de uitgangspunten voor de vormgeving van de nieuw te realiseren gebouwen. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.
Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. Op 1 juli 2017 is de nieuwe 'Ladder voor duurzame verstedelijking' in werking getreden. Deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Ladder houdt in dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de volgende onderdelen moet bevatten:
Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.
Stedelijke ontwikkeling
Voordat de Ladder voor de duurzame verstedelijking wordt doorlopen, moet de vraag worden beantwoord of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.
Uit jurisprudentie (uitspraak van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1438 (Maasdriel) ) blijkt dat ontwikkelingen op de gronden waaraan een agrarisch bestemming is toegekend niet zijn aan te merken als stedelijke ontwikkeling.
Met voorliggend plan wordt een relatief geringe uitbreiding van het bouwvlak doorgevoerd, waarmee er sprake is van een aanpassing van het bestaande agrarische bedrijf. Deze wijziging is niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling aan te merken. Nadere motivatie van de Ladder is voor deze ontwikkeling niet nodig.
Behoefte
Ogschoon een ruimtelijke ontwikkeling niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt, moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Bij die toets moet worden aangetoond of de geplande ontwikkeling voorziet in een behoefte.
In dit geval is sprake van vervangende nieuwbouw van een bedrijfswoning wegens aardbevingsschade. Daarnaast is sprake van geringe uitbreiding van het bouwvlak in westelijke richting om de voorgenomen mestopslag te faciliteren. Met de plaatsing van de kleinschalige windturbines willen de eigenaren hun bedrijf verduurzamen. Gesteld kan dan ook worden dat er een concrete behoefte is voor de ontwikkeling.
Beleidskader
Milieuaspecten worden in principe geregeld via de daartoe geëigende wetgeving, het Activiteitenbesluit en/of de Wet Milieubeheer. Daar waar het de ruimtelijke ordening raakt, moet met deze aspecten echter rekening worden gehouden. Het gaat dan met name om de situering van milieugevoelige functies (zoals woningen) ten opzichte van milieuhinderlijke inrichtingen (zoals bedrijven).
Om te bepalen welke afstanden dienen te worden aangehouden, wordt de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' gehanteerd. De VNG-brochure geeft informatie over de milieu- en hinderaspecten van verschillende typen bedrijven. Per type bedrijf wordt tevens een milieucategorie aangegeven. Uit de milieucategorie volgt een indicatie van de afstanden die voor dat type bedrijf worden aangehouden tot woningen of andere gevoelige objecten. Deze richtafstanden hebben betrekking op de aspecten geluid, stof, geur en gevaar. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde eisen. Dit betekent dat afwijken van de afstanden, mits goed gemotiveerd, is toegestaan. De afstand wordt gerekend van de grens van de bestemming die milieubelastende functies toelaat tot de gevel van de milieugevoelige functies. Naast het omgevingstype 'rustige woonwijk' wordt het omgevingstype 'gemengd gebied' onderscheiden. Een gemengd gebied is een gebied met een matig tot sterke functiemenging.
Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één stap terug worden gebracht. Daarnaast kan in sommige gevallen er uit het oogpunt van een goed woon- en leefklimaat aanleiding bestaan op basis van de VNG-brochure een grotere afstand aan te houden. De richtafstand werkt twee kanten op. Nieuwe bedrijvigheid moet voldoende afstand houden tot gevoelige objecten, maar nieuwe woningen moeten ook afstand houden tot bedrijvigheid. Niet alleen het woon- en leefklimaat telt immers. Ook de continuïteit van het bedrijf en de uitbreidingsmogelijkheden moeten worden gewogen.
Toetsing
Het bedrijf is een gemengd bedrijf (melkveehouderij en akkerbouw). Het bedrijf valt onder het Activiteitenbesluit Milieubeheer en heeft daarvoor een melding gedaan.
Een melkveehouderij kan het beste worden ingedeeld in de categorie 'Akkerbouw en dienstverlening t.b.v. de landbouw (Fokken en houden van rundvee, SBI 2008, 0141,0142). Voor deze categorie geldt een grootste richtafstand van 100 m vanwege geur (categorie 3.2).
De afstand van het bouwvlak tot de dichtstbijzijnde burgerwoning is ca. 120 meter. In de nieuwe situatie is dit dezelfde afstand. In dit opzicht treedt er geen verandering op. Hiermee kan ruimschoots worden voldaan aan de aanbevolen afstand uit de VNG-uitgave bedrijven en milieuzonering. Het aspect milieuhinder vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
Conclusie
Het planvoornemen is wat betreft milieuhinder uitvoerbaar.
Wetgeving inrichtingen
Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) is het wettelijk kader voor risicovolle inrichtingen als het gaat om afstanden tot risicogevoelige objecten. Uitgangspunt is dat personen die ergens langdurig of permanent verblijven geen onevenredig groot risico lopen als er ramp gebeurt.
KWETSBARE EN BEPERKT KWETSBARE OBJECTEN
Het BEVI maakt onderscheid tussen twee categorieën risicogevoelige objecten: kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Het BEVI geeft geen harde definities van kwetsbaar of beperkt kwetsbaar. Het noemt enkele categorieën kwetsbare objecten, met daarbij voorbeelden. Er kan bijvoorbeeld worden gedacht aan woningen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, scholen, kinderopvang, grote kantoren, hotels en winkelcomplexen en grote kampeer- en recreatieterreinen. Beperkt kwetsbare objecten zijn volgens het besluit in ieder geval verspreid liggende woningen, dienstwoningen van derden, kleinere kantoren, hotels, winkels, bedrijfsgebouwen, sporthallen, zwembaden, overige sporten ampeerterreinen en objecten van hoge infrastructurele waarde zoals elektriciteitscentrales.
PLAATSGEBONDEN RISICO
Het BEVI onderscheidt twee vormen van risico: het plaatsgebonden risico en het groepsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico (PR) is een maat voor het overlijdensrisico van één persoon op een bepaalde plaats in de omgeving van een ongeval. Het maakt niet uit of daar echt personen aanwezig zijn. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als: de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een inrichting zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof. Voor kwetsbare objecten geldt een zogenaamde grenswaarde: een kans van 10-6 per jaar. Die mag niet worden overschreden.
Voor beperkt kwetsbare objecten is de kans van 10-6 een zogenoemde richtwaarde. Als het risico groter wordt, moet dat goed gemotiveerd worden.
GROEPSRISICO
Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft inzicht in de eventuele maatschappelijke ontwrichting. Daardoor kan er bewuster worden omgegaan met risico's. Het groepsrisico kan op twee manieren toenemen:
In beide gevallen neemt het groepsrisico toe. Daarom wordt er bij het opstellen van ruimtelijke plannen naar het groepsrisico gekeken.
Voor het groepsrisico gelden geen harde normen, maar alleen oriënterende waarden. Als die waarden worden overschreden, moet het bestuur dat motiveren. De regels daarvoor staan in het BEVI en de Bevb. Er moeten in ieder geval aandacht besteedt worden aan:
Wetgeving buisleidingen
Sinds 1 januari 2011 geldt het Besluit externe veiligheid Buisleidingen (Bevb). Het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en van de gemeente. De gemeente moet in bestemmingsplannen rekening houden met risicovolle buisleidingen. De gemeente moet een ruimtelijke reservering opnemen voor het plaatsgebonden risico (PR). Het bestemmingsplan mag binnen de PR 10-6 risicocontour geen kwetsbare objecten mogelijk maken. Ook risicoverhogende objecten mogen niet. Risicoverhogende objecten zijn bijvoorbeeld windmolens (afvallende wieken) en hoogspanningslijnen. Beperkt kwetsbare objecten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen.
De gemeente moet het groepsrisico (GR) verantwoorden. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Het invloedsgebied bij brandbare vloeistoffen reikt tot net buiten de 10-6 contour. Voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet het invloedsgebied per geval berekend worden. De gemeente moet een ruimtelijke reservering opnemen voor belemmeringenstrook met aanleg vergunningstelsel: de voor onderhoud gereserveerde ruimte bedraagt ten minste 5 meter aan beide zijden van de leiding.
Voorheen vielen de transportleidingen voor chemische stoffen (anders dan aardgas of aardolieproducten) nog niet onder het Bevb, maar onder de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. De Circulaire is echter in 2015 vervallen. Deze types leidingen zijn vanaf dat moment ook onder het Bevb gaan vallen. Als de ruimtelijke inpassing van deze leidingen echter voldoet aan het Bevb, wordt automatisch voldaan aan de huidige Circulaire.
Wetgeving transportroutes
Voor ruimtelijke plannen binnen het invloedsgebied (1% letaliteitsgebied) van de risicovolle transportassen (spoor, weg of water) is het Besluit externe veiligheid transportroutes(Bevt) van toepassing.
BASISNET
Aan het Bevt is het zogenaamde basisnet gekoppeld. Dat is bedoeld om de transportroutes vast te leggen. Het basisnet houdt rekening met de veiligheid, maar ook met de dynamiek van het transport en met toekomstige groei. In het basisnet is de grotere weg-, spoor- en waterinfrastructuur opgenomen.
De provincie Groningen heeft ook al een provinciaal basisnet vastgesteld, als onderdeel van de Provinciale Omgevingsverordening. Het basisnet geeft aan voor welke provinciale wegen aspecten van externe veiligheid aan de orde zijn. Het basisnet ziet op plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Provincie specifiek is een extra regel voor de bescherming voor minder zelfredzame personen.
Toetsing
Voor wat betreft de inrichtingen en de buisleidingen zijn In de directe nabijheid geen risicobronnen aanwezig. Ook worden met het plan geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt. Het plan zorgt niet voor een toename van verblijfsgebied van personen of veranderingen op het gebied van leiding of BEVI-inrichtingen. Er is geen verandering van het plaatsgebonden risicio of groepsrisico.
Wat de transportroutes betreft geldt voor deel van het plangebied een gebiedsaanduiding 'vervoer gevaarlijke stoffen'. Dit heeft te maken dat het perceel is gelegen aan de Meenteweg. Dit is een provinciale weg en is aangeduid als de N 385 (Meenteweg (Schildwolde - Ten Post). Binnen die gebiedsaanduiding ligt de huidige bedriijfswoning, die vanwege bevingssschade, wordt afgebroken. Dat deel van het bouwvlak komt ook te vervallen.
In de nieuwe situatie is de vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning buiten deze gebiedsaanduiding gesitueerd. Weliswaar wordt de nieuwe bedrijfswoning gerealiseerd binnen 200 meter van de weg, zodat aandacht moet worden besteed aan het groepsrisico. Hierover kan worden gemeld, dat er feitelijk sprake is van de verplaatsing van een bestaande situatie van een bedrijfswoning. Doordat er een grotere afstand tot de weg wordt aangehouden wordt het groepsrisico kleiner dan in de bestaande situatie. Bovendien is er geen sprake van beperkt zelfredzame personen.
Conclusie
Het planvoornemen is wat betreft het aspect externe veligheid uitvoerbaar.
Het opnemen van een waterparagraaf in een bestemmingsplan is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het overleg met het waterschap wordt gevoerd op basis van artikel 3.1.1 Bro. In die paragraaf dient te worden uiteengezet wat voor gevolgen het plan in kwestie heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater.
Het waterbeleid, zoals opgenomen in het Nationaal Waterplan 2016-2021 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet zet hiermee in op een robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteeem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, Het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en en gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
Keur Waterschap
Voor alle aanpassingen aan de waterhuishouding, zoals genoemd in de keur, is ook een watervergunning van het waterschap vereist.
In de keur van waterschap Hunze en Aa's (2010) is ook opgenomen dat binnen het beheersgebied zonder vergunning van het bestuur geen verhard oppervlak mag worden aangebracht, voor zover dit leidt tot een versnelde afvoer richting oppervlaktewaterlichamen. Hierbij geldt binnen de bebouwde kom een norm van 150 m² en daarbuiten 1500 m². Bij nieuwe verharding met een oppervlak boven deze normen zullen compenserende maatregelen moeten worden genomen.
Daarnaast zijn er in de keur ook regels opgenomen over beschermingszone langs (boezem)kades en beschermings- en obstakelvrije zones langs hoofdwatergangen. De beschermingszones worden aangegeven of omschreven in de legger. Bij het ontbreken van een legger geldt als beschermingszone een strook van 5 meter, waarbij de 5 meter moet worden gerekend vanaf de insteek of de teen van het waterstaatswerk. Als een onderhoudsstrook aanwezig is dan hoort die bij het waterstaatswerk en niet bij de beschermingszone.
Beheerprogramma 2016-2021
Voor het buitengebied is het Beheerprogramma 2016-2021 van het waterschap van toepassing. Hierin staan beschreven onderwerpen als waterveiligheid, voldoende water en ecologisch gezond water. Ook relevant is het Werkdocument watervisie 2018-2021. Kortheidshalve wordt naar beide documenten verwezen.
Algemeen geldt dat er doelstellingen en aandachtspunten zijn geformuleerd inzake het waterbeheer, waarbij alle betrokken partijen hun rol moeten pakken, waaronder de gemeenten in hun ruimtelijke plannen.
Dit gebeurt mede door de verplichte waterparagraaf in bestemmingsplannen, met als doelstelling: “Water wordt door overheden, stedenbouwkundigen en projectontwikkelaars geaccepteerd en gehanteerd als ordenend principe".
Het waterschap is de vanzelfsprekende wateradviseur bij locatiekeuze en inrichting.
Aandachtspunten in de notitie die relevant zijn voor bestemmingsplannen zijn:
| Onderwerp | Probleem | Oplossingsrichting |
| Ruimte voor water | Onvoldoende inspelen op wateraspecten bij ruimtelijke plannen, wateroverlast, slechte waterkwaliteit in nieuwe gebieden. |
waterschap eerder betrekken |
| Taakverdeling | Onduidelijkheid voor gemeenten en burgers. |
Heldere afspraken, eenduidigheid, helder communiceren over taken en verwachtingen. |
| Watersysteem | Slechte waterkwaliteit, wateroverlast, vervuilde waterbodem, weinig natuurvriendelijke oevers, verstoring watersysteem |
Duurzame inrichting, basisinspanning/waterkwaliteitsspoor intensiveren, alternatieve oplossingen, aanpak diffuse bronnen, wateroverlastmaatregelen met gemeente, oplossingen op maat, herstel watersysteem. |
Toetsing
Voor het wijzigingsplan is bij het waterschap een watertoets gedaan. Het waterschap heeft hiervoor een uitgangspuntennotitie opgesteld. Deze notitie is als bijlage bij de toelichting van dit wijzigingsplan opgenomen. De belangrijkste conclusies van deze notitie worden hierna weergegeven.
Wijzigingen in verhard oppervlak / Compenserende waterberging.
Met de vervanging van de bedrijfswoning en de jongveestal neemt de verharding toe met 689 m2. Echter in de periode 2014/2015 is er een stal, voeropslagplaatsen en een nieuwe ontsluitingsweg gerealiseerd. Van deze verhardingstoename van 3611 m2 is indertijd geen melding gedaan en wordt daarom nu alsnog meegenomen, Het gaat om een totale verhardingstoename van ca. 4300 m2.
Door de toename verhard oppervlak dient er compensatie in het watersysteem te worden geraliseerd. Voor een toename van 4300 m2 verharding moet in totaal 335 m3 aan compensatieruimte voor waterberging gerealiseerd worden,
In het verleden heeft in dit gebied de herinrichting Midden-Groningen plaatsgevonden. Daarbij is de hoofdwatergang langs het Roegwold gehandhaafd, terwijl het afvoerend oppervlak op die watergang is afgenomen. Daarmee is er ruimte ontstaan die de benodigde bergingscompensatie van 335m3 kan bergen. Als gevolg van de afvoer vanaf de toegenomen verharding zal de waterstand in de hoofdwatergang met ongeveer 0,10 meter stijgen.
Afvoer vuil water
In de huidige situatie is er geen voorziening aanwezig voor de behandeling van het huishoudelijk afvalwater en wordt het afvalwater afgevoerd naar de mestkelder.
In het verleden was lozing van huishoudelijk afvalwater op een in werking zijnde gierkelder toegestaan. Het afvalwater met gier werd dan gelijkmatig verspreid over de bodem van de akkers en of weilanden. Dit is echter volgens de mestwetgeving en het Activiteitenbesluit sinds 2013 niet meer toegestaan en moet worden aangepast.
De voorkeursoptie is lozen op het riool en als dat redelijkerwijs niet mogelijk is dan via een IBA, (minimaal) klasse 1 met lozing op het oppervlaktewater. Hiervoor moet een melding worden gedaan bij het waterschap. Het meldingsformulier Besluit-lozen-afvalwater-huishouden is daarvoor beschikbaar.
Conclusie
Wat betreft de bergingsopgave is de conclusie dat ter er overcapaciteit aanwezig is. Er is geen extra actie voor bergingscompensatie nodig, wel ten aanzien van de afvalwaterbehandeling .
Het planvoornemen is wat betreft het aspect water uitvoerbaar.
De aanwezige milieuhygiënische bodemkwaliteit behoort te passen bij het huidige of het toekomstige gebruik van de bodem. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door menselijk handelen (zorgplicht).
Informatie over uitgevoerde bodemonderzoeken, bodemsaneringen en historisch verdachte locaties staan vermeld op de Bodeminformatiekaart (via www.provinciegroningen.nl).
Grondverzet
Voor toepassing van grond, bouwstoffen en baggerspecie gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Een deel van de regels voor hergebruik van grond staan beschreven in de gemeentelijke de Regionale bodemkwaliteitskaart Groningen en de Regionale Nota bodembeheer provincie Groningen (2014).
Bodemtoets
Bij graafwerkzaamheden, bouwactiviteiten, uitbreiding of verandering van (bedrijfs-) activiteiten dient de initiatiefnemer bij de gemeente na te gaan of een actueel bodemonderzoek ingediend moet worden of niet.
Toetsing
Voor het betreffende perceel is de kaart van het Bodemloket geraadpleegd. Deze kaart geeft voor het overgrote deel van het perceel weer dat het voldoende is onderzocht/gesaneerd. Voor de overige delen van het perceel is geen bodeminformatie bekend. Voor de planologische procedure is de uitvoerbaarheid hiermee voldoende aangetoond. Bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen kan in bepaalde gevallen alsnog gevraagd worden om een bodemonderzoek.
Conclusie
Het planvoornemen is wat beterft het aspect bodem uitvoerbaar.
Beleidskader
In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. Projecten met een invloed van 'niet in betekenende mate' (nibm) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:
PM10 en PM2,5 zijn overigens sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden.
Toetsing
Het planvoornemen voor het adres Meenteweg 110 zijn gericht op de vervangende nieuwbouw van een bedrijfswoning en een bedrijfsgebouw. Daarnaast vindt er realisatie van kleinschalige windturbines plaats. Dit leidt niet tot een verandering van de luchtkwaliteit. Dit leidt dan ook niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Conclusie
Het planvoornemen is wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
Beleidskader
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en een goede aansluiting op het omgevingsrecht.
De volgende gebieden genieten bescherming op grond van de Wet natuurbescherming:
Ook de provincie heeft gebieden aangewezen waarbinnen beschermende regels gelden ten aanzien van het behoud van ecologische waarden. In de omgevingsverordening zijn voor enkele van deze aspecten, waaronder Natuur Netwerk Nederland en Bos- en natuurgebieden buiten het Natuur Netwerk Nederland, bindende regels opgenomen.
Leidraad Gemeente Midden-Groningen
De gemeente Midden-Groningen heeft in 2017 een leidraad met bijbehorende themakaarten opgesteld dat als handreiking dient voor ruimtelijk beleid en inzicht geeft in de ecologische waarden in de gemeente Midden-Groningen. Met behulp van de leidraad kan een goed beeld worden verkregen van de natuurwaarden in de gemeente.
Toetsing
Voor het plangebied van voorliggend bestemmingsplan zijn geen ecologische aspecten relevant. De betreffende grond wordt bouwrijp gemaakt voor de uitvoering van het project. Met betrekking tot de kleinschalige windturbines zijn de praktijkervaringen dat er geen sprake is van negatieve effecten op vogels of andere diersoorten.
Conclusie
Het planvoornemen is wat betreft het aspect ecologie uitvoerbaar.
Beleidskader
Wat betreft geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder van toepassing. In deze wet wordt onderscheid gemaakt in wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai.
Wegverkeerslawaai
In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/geldt en wegen die zijn aangeduid als 'woonerf'. In geval van geluidgevoelige bebouwing binnen een zone dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. Alleen indien geen twijfel bestaat over het beperkte aantal voertuigbewegingen over de weg is akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Behoudens situaties waarbij door burgemeester en wethouders een hogere waarde is vastgesteld, geldt voor geluidgevoelige bebouwing, waaronder woningen. binnen een zone als hoogst toelaatbare geluidsbelasting van de gevel 48 dB.
Toetsing
In deze situatie wordt de nieuwe bedrijfswoning op een grotere afstand tot de Meenteweg gesitueerd dan in de bestaande situatie. Afhankelijk van de exacte situering is is de afstand tot de Meenteweg ten minste 40 en ten hoogste 60 m. Geluidstechnisch is dan ook sprake van een verbetering ten opzichte van de huidige ligging van de woning. Gelet op de gemelde afstanden mag er redelijkerwijs vanuit worden gedaan dat kan worden voldaan aan de gestelde voorkeursgrenswaarde, te meer daar op de Meenteweg een maximumsnelheid geldt van 60km/uur.
Railverkeerslawaai
Ook hoofdstuk 7 (Zones langs spoor-, tram- en metrowegen) van de Wet geluidhinder is van belang. Behoudens situaties waarbij door Gedeputeerde Staten een hogere waarde is vastgesteld, geldt voor woningen binnen een zone als hoogst toelaatbare geluidsbelasting van de gevel 55 dB (artikel 106 Wet geluidhinder). Bij het voorbereiden van de vaststelling of de herziening van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijke betrekking heeft op grond ehorende bij een zone als bedoeld in artikel 106b van de Wet geluidhinder, dienen burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek in te stellen naar:
Toetsing
In de nabijheid van het perceel Meenteweg 110 is geen spoorlijn aanwezig die kan bijdragen aan eventuele geluidhinder op het perceel.
Industrielawaai
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van (grote) lawaaimakers enerzijds (zowel solitaire bedrijven als gevestigd op industrieterreinen) en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds.
Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.
In het plangebied liggen geen inrichtingen waar een geluidscontour van uitgaat (geluidszoneringsplichtige bedrijven). Er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen met een geluidscontour die over (een deel van) het plangebied reikt.
Toetsing
Met het planvoornemen worden geen nieuwe hindergevoelige functies mogelijk gemaakt. Akoestisch onderzoek naar (weg- railverkeerslawaai of industrielawaai) is niet aan de orde.
Conclusie
Het planvoornemen is wat betreft het aspect geluid uitvoerbaar.
Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta (Malta). Daarna heeft de rijksoverheid beleid ontwikkeld voor een zorgvuldige omgang met het archeologisch erfgoed. Het uitgangspunt is het behoud van archeologische waarden 'in situ' (ter plekke; in de bodem).
In 2007 heeft het verdrag zijn neerslag gekregen in de Nederlandse wetgeving. Op 1 september van dat jaar trad de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking. In samenhang daarmee werden ook de Monumentenwet 1988 en drie andere wetten aangepast.
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat later over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2023 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ).
Nederlandse gemeenten zijn vanwege wetgeving op het gebied van archeologische monumentenzorg (Wet op de archeologische monumentenzorg) verplicht om archeologische waarden in de ruimtelijke planprocedures te betrekken en waardevolle resten te beschermen. Om deze wettelijke taak goed te kunnen uitvoeren en direct mee te kunnen nemen in de actualisering van bestemmingsplannen is gemeentelijk archeologiebeleid, bestaande uit een beleidsnota en beleidskaart, opgesteld. Op de archeologische beleidskaart is aangegeven welk archeologisch beleid van toepassing is in het bestemmingsplan. Voor de gemeente Midden-Groningen is de Erfgoedverordening in mei 2018 vastgesteld. Behorend bij deze verordening is de Archeologische verwachtingskaart. De archeologische verwachtingen worden vervolgens doorvertaald in de afzondelijke bestemmingsplannen.
Toetsing
Voor het perceel Meenteweg 110 is geen aanduiding op het terrein van archeologie van kracht.
Conclusie
Het planvoornemen is wat betreft het aspect archeologie uitvoerbaar.
Ieder ruimtelijk plan moet een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Toetsing
Vanaf 2017 zijn er inventarisaties uitgevoerd naar karakteristieke bebouwing in de gemeente. Deze karakteristieke bebouwing is door de gemeente Midden-Groningen in een nieuw facetbestemmingsplan opgenomen. In het plangebied van dit wijzigingsplan is geen karakteristieke bebouwing aanwezig. Op het adres zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Er is geen sprake van karakteristieke bebouwing van het perceel Meenteweg 110.
Conclusie
Het planvoornemen is wat betreft het aspect cultuurhistorie uitvoerbaar.
In of nabij de locaties liggen geen kabels en/of leidingen die een belemmering vormen voor de uitvoering van de plannen. Voor de molens zal wel een leiding richting de schuur benodigd zijn. Deze is niet vergunningsplichting.
Bij de realisering van nieuwe bebouwing wordt wel geadviseerd een Klic-melding te doen, voor de ligging van eventuele kabels en/of leidingen (aansluitleidingen). Dit is de verantwoordelijkheid van de betrokken initiatiefnemer.
Beleidskader
In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een vorm van m.e.r.-verplichting geldt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, waarvoor altijd een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag nader moet beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). In bijlage C van het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welk type activiteiten het maken van een milieueffectrapportage verplicht is. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welk type activiteiten een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Hierbij zijn per type activiteiten drempelwaarden opgenomen.
Wanneer ontwikkelingen onder de in lijst D opgenomen drempelwaarden blijven, moet wel beoordeeld worden of de geplande activiteiten geen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor deze motivering/toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd.
Toetsing
De voorgenomen plannen zijn geen concreet benoemde activiteiten die in kolom D van het Besluit m.e.r. is genoemd. Er is dan ook geen sprake van het overschrijden van drempelwaarden in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor het planvoornemen geldt daarom geen plan-MER-plicht en een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is ook niet aan de orde.
Verder kan op basis van voorgaande verantwoording van de omgevingsaspecten in redelijkheid worden aangenomen dat geen onaanvaardbare milieueffecten in het projectgebied hoeven te worden verwacht.
Met het wijzigingsplan wordt o.a. een wijziging doorgevoerd ten behoeve van duurzaamheid (realisering kleinschalige windturbines). Het plan sluit aan bij de duurzaamheidsambities van gemeente, provincie en Rijk.
Het voorliggend wijzigingsplan bestaat uit een toelichting, regels en verbeelding. De regels en verbeelding van dit wijzigingsplan zijn de juridisch bindende onderdelen.
De geldende bestemmingen en bijbehorende regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Midden-Groningen' dat op 3 februari 2022 is vastgesteld (het zogenoemde 'moederplan') zijn onverkort van toepassing op dit wijzigingsplan, inclusief de daarin opgenomen beleidskaders.
Nieuwe ontwikkelingen
Met het plan wordt een aanpassing aan het bouwvlak mogelijk gemaakt. Het betreft een particulier inititatief. De kosten hiervoor worden in rekening gebracht op basis van de gemeentelijke legesverordening.
Planschadeovereenkomst
De enige kosten die verder uit dit plan kunnen voortvloeien, zijn planschadekosten. Deze zijn op voorhand niet uit te sluiten. De gemeente beziet daarom bij iedere aanvraag om medewerking te verlenen aan een nieuwe ontwikkeling of er planschade mogelijk is. Indien dit het geval kan zijn, wordt met de belanghebbende aanvrager een overeenkomst gesloten, zoals bedoeld in artikel 6.4a van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarmee kan worden voorkomen dat de gemeenschap voor de planschadekosten moet opdraaien die worden gemaakt in het belang van de aanvrager.
Voor dit initiatief is met de aanvrager een planschadeovereenkomst gesloten.
Geen exploitatieplan
Een exploitatieplan is voor dit wijzigingsplan niet nodig. Er is geen sprake van kosten die verhaald moeten worden op de aanvrager.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Hierbij wordt onderscheidt gemaakt in de verschillende stappen van de bestemmingsplanprocedure, zoals opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Met het waterschap Hunze en Aa's is het wijzigingsplan besproken. De uitkomsten zijn verwerkt in de watertoets / uitgangspuntenotitie en de belangrijkste conclusies zijn in de waterparagraaf opgesomd. Deze toets/notitie is als bijlage bij het wijzigingsplan opgenomen.
Voor een wijzigingsplan is geen vooroveleg met de provincie nodig, aangezien de provincie al heeft ingestemd met het moederplan.
Omdat het gaat om een zeer beperkte aanpassing van het bouwvlak is er voor gekozen om het voorontwerp niet naar de overige vooroverlegpartners te sturen.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht niet om een voorontwerp wijzigingsplan ter inzage te leggen voor inspraak. Omdat het gaat om een zeer beperkte aanpassing van het bouwvlak is er voor gekozen om dit wijzigingsplan niet voor inspraak ter inzage te leggen.
Het ontwerp wijzigingsplan is op grond van artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening (Wro) vanaf 1 december 2022 gedurende gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kan iedereen het plan bekijken, vragen stellen en een zienswijze indienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Het ontwerp wijzigingsplan is daarnaast aan de overlegpartners toegezonden. Het Waterschap Hunze en Aa's heeft angegeven dat zijn geen opmerkingen hebben bij het ontwerp wijzigingsplan. Van de provincie Groningen is geen formele reactie ontvangen.
Nadat het ontwerp wijzigingsplan zes weken ter inzage heeft gelegen, heeft het college vban burgemeester en wethouders op 7 februari 2023 het wijzigingsplan ongewijzigd vastgesteld.
Het vastgestelde wijzigingsplan wordt vervolgens zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen tegen het vastgestelde plan.
Het vastgestelde wijzigingsplan treedt in werking nadat het vastgestelde plan zes weken ter inzage heeft gelegen. Het instellen van beroep schorst de inwerkingtreding van het verzamelbestemmingsplan niet, tenzij hier een specifiek verzoek voor wordt ingediend.