| Plan: | Kiel-Windeweer, Dorpsstraat 250A |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1952.wpkiwdorpsstr250a-va01 |
Ten zuiden van het perceel Dorpsstraat 250 in Kiel-Windeweer (hierna te noemen: Dorpsstraat 250a) ligt een braakliggende perceel. De toekomstige eigenaar heeft een verzoek ingediend voor de realisatie van een nieuwe woning op deze gronden. Hij maakt daarbij gebruik maken van de wijzigingsbevoegdheid die het bestemmingsplan Buitengebied kent.
Het voorliggende wijzigingsplan regelt het planologisch kader om de bouw van deze woning mogelijk te maken.
De locatie ligt aan de westzijde van Kiel-Windeweer, globaal ten zuiden van de Veendammerweg. Het gebied kenmerkt zich als een lintbebouwing met afwisselend woonbeboiuwing en agrarische bedrijfsgebouwen. (zie figuur 1-1).
figuur 1-1: Globale ligging plangebied binnen gemeente Midden-Groningen (rood kruis)
Zowel ten noorden als ten zuiden van de te bebouwen locatie bevinden zich woningen. Het plangebied met daarop de te bouwen woning is op onderstaande luchtfoto met een rood kruis aangegeven. Zie figuur 1.2.
figuur 1-2: Plangebieden
De woning wordt gebouwd op een deel van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Hoogezand, sectie O nummer 818. Het perceel is in figuur 1-3 weergegeven.
figuur 1-3: Kadastraal perceel
Het perceel Dorpsstraat 250a te Kiel-Windeweer maakt deel van het bestemmingsplan Buitengebied. Dit bestemmingsplan is op 23 augustus 2010 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Hoogezand-Sappemeer vastgesteld. Op de te bebouwen locatie rust de enkel bestemming 'Agrarisch met waarden' .
In deze bestemming is bepaald dat uitsluitend bedrijfswoningen zijn toegestaan binnen een bouwvlak.
De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische activiteiten en (agrarische) bedrijfsbebouwing, voor zover ze gebouwd worden binnen een bouwvlak. Verder zijn de gronden bestem voor de bescherming van de herkenbaarheid van het veenkoloniale verkavelingssysteem, ter plaatse van de aanduiding 'overig - veenkoloniaal gebied'.
Het initiatief betreft echter niet de bouw van bedrijfswoningen en verder heeft het perceel geen bouwvlak.
Ook gelden de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' , 'Waarde - Karakteristieke bebouwing' , en de gebiedsaanduidingen 'dorpsgebied', 'veenkoloniaal gebied' en de 'wro-zone - wijzigingsgebied 1'.
Op het meest oostelijke deel van het plangebied gelden nog de bepalingen van de Beheersverordening 'reparatie waterstaat - waterkering buitengebied' Met de in 2013 door de gemeenteraad vastgestelde beheersverordening is de in het bestemmingsplan (ten onrechte) opgenomen dubbelbestemming "Waterstaat - waterkering" weer ongedaan gemaakt.
In onderstaand figuur is een uitsnede van het bestemmingsplan Buitengebied voor de bertreffende locatie weergegeven.
Figuur 1-3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied met begrenzing plangebieden in rood (bron: ruimtellijkeplannen.nl)
De aanvraag is in strijd met het bestemmingsplan Buitengebied.
In het bestemmingsplan is echter een wijzigingsbevoegdheid, 'wro-zone - wijzigingsgebied 1', opgenomen op grond waarvan extra woningen in het totale buitengebioed kunnen worden gebouwd, We hebben het dan over de linten Achterdiep, Kalkwijk alsmede het lint Kiel-Windeweer. In die linten is een aantal locaties geselecteerd die in aanmerking komen voor woningbouw. Ook de onderhavige locatie Dorpsstraat 250a is als zodanig aangegeven.ie hiervoor de gebiedsaanduiding "wro - wijzigingsbevoegdheid 1", zoals op figuur 1-3 is aangegeven. Voorliggend wijzigingsplan geeft uitvoering aan deze wijzigingsbevoegdheid.
De voorliggende toelichting bevat de volgende hoofdstukken:
Hoofdstuk 2 Locatie- en planbeschrijving. Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de geschiedenis van het gebied en de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 3 Beleid. Dit hoofdstuk bevat een beschrijving en toets aan het relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.
Hoofdstuk 5 Omgevingsfactoren. In dit hoofdstuk staan de resultaten van de onderzoeken naar de relevante ruimtelijke en milieuaspecten beschreven.
Hoofdstuk 4 Juridische vormgeving. In dit hoofdstuk wordt de juridische regeling uitgelegd.
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid en Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid. Deze hoofdstukken gaan respectievelijk in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Het juridisch kader wordt gevormd door de planregels en de verbeelding (digitale kaart). Op de verbeelding worden de percelen in het gebied aangegeven met bestemming dan wel een aanduiding. In de regels worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het plangebied geregeld. De regels en de verbeelding moeten in samenhang worden bekeken. Tot slot wordt in deze toelichting een verantwoording gegeven van de in het plan gemaakte keuzes.
Algemeen
Tot omstreeks 1600 bestond de voormalige gemeente Hoogezand-Sappemeer voornamelijk uit een onbegaanbaar en verlaten hoogveengebied, het Oostermoer. Dit strekte zich vanaf de Hondsrug in oostelijke richting uit tot het Bourtanger Moeras, dat grotendeels in Duitsland lag.
Vanaf de eerste decennia van de 17e eeuw werd een begin gemaakt met de grootschalige en systematische afgraving van het Oostermoer om aan de steeds groter wordende vraag naar de brandstof turf te kunnen voldoen. Om het hoogveen begaanbaar te maken, droog te leggen en vervolgens af te graven was de aanleg van een kanalenstelsel nodig. Begonnen werd met de aanleg van een oost-west as - het Winschoterdiep - dat het hoofddiep vormde. Vanaf het hoofddiep werden diepen het veen in gegraven. ten behoeve van de afwatering werden dwars op het diep op vaste afstanden wijken gegraven waarover het afgestoken turf werd afgevoerd.
Kiel-Windeweer
Kiel-Windeweer is ontstaan binnen de systematische veenontginning in deze regio. Vanaf 1637 werd een aftakking van het Winschoterdiep in zuidoostelijke richting gegraven. Het eerste deel werd recht naar het zuiden gegraven en daarna met een hoek parallel aan het Kalkwijksterdiep gelegd. In de daarop volgende decennia ontwikkelt zich langs dit Kielsterdiep een bijna zeven kilometer lange lintbebouwing met de dorpen Kiel (nu het noordelijke deel langs het Kieldiep tot aan de Zuidlaarderweg) en Windeweer (ten zuiden hiervan). Deze dorpen groeiden in de loop der tijd aan elkaar vast. De Kielsterachterweg vormde de grens tussen de ontginning langs het Kielsterdiep en het Kalkwijksterdiep. In 1659 is het diep van de Nieuwe Compagnie aangelegd, dat het verlengde vormde van het eerste deel van het Kielsterdiep. De Groningse hoogveenontginning langs het Kielsterdiep liep tot aan de Semslinie, de grens die begin zeventiende eeuw werd getrokken tussen Groningen en Drenthe.
De aanleg van een veenkolonie ging volgens een contractueel vastgelegd patroon. In zo'n contract werden de verschillende afmetingen en maten van het hoofddiep, de wijken etcetera vastgelegd. Het systeem van kanalen en wijken bepaalde de vorm. Haaks op het hoofddiep lagen de wijken en de zwetsloten, met een vaste onderlinge afstand. Zo bedroeg bij de veenontginning van Kiel-Windeweer de vereiste afstand tussen twee wijken ongeveer 130 meter en kregen de kavels een lengte van ongeveer 625 meter. Aan weerszijden van het diep liep een weg. De westelijke weg was de breedste. De oostelijke was niet veel meer dan een jaag- of karrepad. Ter verbinding van de beide zijden werden vele bruggen aangelegd. Ook waar de wijken en zwetsloten op het kanaal uitmondden, waren bruggetjes vereist. Deze planmatige opzet bepaalt tot op de dag van vandaag de ruimtelijke structuur van Kiel-Windeweer.
De bebouwing bestond uit boerderijen, vaak naast een wijk, groepen kleinere huisjes van de veenarbeiders, en wat rentenierswoningen. De bebouwing lag evenwijdig aan de kavel en haaks op het diep. De kleinschalige bebouwing stond dicht op de weg en was meestal aaneengesloten. De oudere boerderijen stonden vaak zeer dicht op de weg, terwijl later gebouwde op een afstand van ongeveer 20 meter lagen.
De inrichting van de kavel waarop een boerderij was gelegen, was eveneens planmatig van opzet. Direct aan het hoofddiep was de boerderij met eventueel een siertuin, stookhut en moestuin gelegen. Vervolgens lag achter de boerderij een klein weiland gevolgd door bouwland. Aan de ene lengtezijde van de kavel lag een zwetsloot en aan de andere een brede wijk. Hierdoor was geen enkel punt van de kavel meer dan 65 meter van het water verwijderd. De inrichting van de schuur van de boerderij was eveneens typerend. De schuur was aan de achterzijde gemakkelijk vanaf het land te bereiken. Door de schuurdeuren aan de voorzijde konden de producten direct op een schip worden geladen.
Na afgraving van het veen verdwenen de compagnieën en werden de gronden verkocht aan boeren die het land voor akkerbouw geschikt maakten en de veenkolonie voor agrarisch gebruik inrichtten. Kiel-Windeweer is vanaf de eerste helft van de achttiende eeuw veranderd in een agrarische nederzetting. Aan beide zijden van het kanaal werden boerderijen gebouwd. De afgegraven veengronden werden landbouwgronden. Aan beide zijden van het hoofddiep werden boerderijen gebouwd. Idealiter twee op een 'eiland', dat wil zeggen op het gedeelte grond tussen twee wijken. Doordat de verkeersstroom langs het hoofddiep bemoeilijkt werd door de dicht op het diep gelegen bebouwing, ontwikkelde de Kielsterachterweg - gelegen op de concessiegrens - zich tot een belangrijke verkeersader. Dit in tegenstelling tot de meeste achterwegen in veenkoloniale gebieden.
In de loop van de tijd werd meer bebouwing langs beide zijden van het kanaal gerealiseerd. De verdichting concentreerde zich ter hoogte van de Nederlands Hervormde kerk. Dit centrumgebied werd ook wel Noord-Windeweer genoemd. Naar het noorden en zuiden toe werd de lintbebouwing aan beide zijden van het kanaal steeds dunner. Het gedeelte ten noorden van Noord-Windeweer werd aangeduid als De Kiel. Het gedeelte ten zuiden ervan als Zuid-Windeweer. De bebouwing bestond voornamelijk uit boerderijen en woonhuizen. In het 'centrum' kwamen tevens enige woonwinkelpanden en bedrijfspanden voor. Tot diep in de negentiende eeuw verdichtte de bebouwing langs het kanaal zich nog, daarna trad geleidelijk een terugval in, en werden op de plek van gesloopte panden niet altijd nieuwe huizen teruggebouwd.
(topografische kaart 1935)
Gedurende de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw behield Kiel-Windeweer zijn agrarisch karakter. Er vond geen ontwikkeling plaats naar een meer stedelijk en industrieel gebied, zoals in de kern Hoogezand. Toch kende het dorp enige industrie en nijverheid. Rond 1900 waren langs het Kielsterdiep drie scheepswerven gevestigd. Deze waren in 1930 verdwenen. Aan de westzijde ter hoogte van de Nederlands hervormde kerk stond een korenmolen. Daarnaast was in 1898 ten westen van de splitsing met het Nieuwe Compagniesterdiep de tweede coöperatieve aardappelmeelfabriek in de Veenkoloniën, 'Eendracht' genaamd, opgericht. In Nieuwe Compagnie volgde in 1900 de oprichting van de eveneens coöperatieve aardappelmeelfabriek 'De Toekomst'. Beide fabrieken werden na 1945 gesloten. Van de 'Eendracht' resteert enkel de directeurswoning. Van 'De Toekomst' bestaat het gebouwencomplex nog.
De lintbebouwing van Kiel-Windeweer verdichtte zich in de periode 1850-1940 meer en meer. Het betrof dan vooral niet-agrarische bebouwing. Bestaande boerderijen werden in deze periode veelal vernieuwd. Vanaf 1900 vond uitbreiding vooral plaats rondom het kruispunt met de Zuidlaarderweg. Aan de noordzijde van deze weg werden in de jaren 1930 enkele middenstandswoningen gebouwd. Rond 1900 was het wegennet grotendeels verhard en lag over het Kielsterdiep een groot aantal bruggen. Ten noorden van de Zuidlaarderweg, in De Kiel, werd rond 1900 de bestaande schutsluis vervangen en ernaast, aan de drukke kant, een sluiswachterswoning gebouwd. De meeste over het diep gelegen bruggen betroffen meestal voetgangersbruggen die toegang gaven tot de 'eilanden' aan de stille zijde van het kanaal.
De zogenaamde Snikhuis draai in Kiel-Windeweer, een houten draaibruggetje.
Na 1945 vonden geen ingrijpende veranderingen in de ruimtelijke structuur en het bebouwingsbeeld plaats. Het stelsel van hoofddiep, wijken en zwetsloten ondervond enige schade door dempingen, maar bleef voor het merendeel nog intact. Enkele draaibruggen over het diep verdwenen. Bestaande bebouwing werd hier en daar verdicht, terwijl op sommige plekken in het lint panden werden afgebroken. Veel boerderijen kregen nieuwe bijschuren.
De structuur en functie van Kiel-Windeweer bleef door de tijd heen vrijwel altijd gelijk. De na de veenafgraving overwegende agrarische functie is nog steeds afnemende. De modernisering en schaalvergroting in de landbouw, en het meer recreatieve gebruik van de buitengebieden legden in de tweede helft van de vorige eeuw wel steeds meer druk op de infrastructuur.
De Herinrichting Veenkoloniën is daar onder meer een gevolg van geweest. Hiervoor is een plan ontwikkeld, dat zowel de dienstbaarheid aan de landbouw als het ontwikkelen van recreatievoorzieningen omvatte. Door de historische waarde van de veenkoloniale structuren is een cultuurhistorisch advies als basis gebruikt voor de vormgeving van het geheel. De herinrichting heeft enkele veranderingen teweeggebracht, maar met respect voor de veenkoloniale structuur. Daar waar bijvoorbeeld de directe aansluiting van de wijken op het hoofddiep al was verdwenen, is een zichtbare verwijzing naar het vroegere bruggetje aangebracht door een terugspringende oeverbeschoeiing, een leuning en een verhoging in de weg. Dit heeft tevens een verkeersremmende werking. Er is een netwerk van fietspaden aangelegd in het achterliggende land. De ontsluiting van de boerderijen voor het zware agrarische verkeer werd geregeld via betonnen wegen achter de bedrijven langs. De draai- en klapbruggen zijn gebleven, en ook de sluis aan de Sluisweg bleef behouden. Wel is de brug op de kruising met de Zuidlaarderweg vervangen door een dam. Hoewel het zwaartepunt van het herinrichtingsplan, zeker financieel gezien, lag bij de verbetering van infrastructurele voorzieningen, was op vrijwel alle terreinen geldelijke ondersteuning mogelijk.
In de eerste jaren van de eenentwintigste eeuw ademt Kiel-Windeweer nog steeds de sfeer van een typisch veenkoloniaal dorp. De woonfunctie is nog steeds de belangrijkste functie in het dorp. In de laatste decennia is beperkt nieuwbouw gepleegd. In het dorp zijn nog enkele agrarische bedrijven en niet- agrarische bedrijven gevestigd, zoals een koekfabriek en een aannemersbedrijf. Als maatschappelijke voorzieningen zijn aanwezig een school en een dorpshuis. Geleidelijk is waarneembaar dat pogingen worden gedaan om in de toeristisch-recreatieve sector meer zaken te realiseren.De aanwezigheid van het horecabedrijf De Amshof draagt hier aan bij.
Het beschermd dorpsgezicht Kiel-Windeweer omvat globaal gezien het gehele dorp Kiel-Windeweer. Dat wil zeggen het gedeelte van het Kielsterdiep vanaf de voormalige splitsing met het gedempte Nieuwe Compagniesterdiep in het noorden tot aan het verbindingskanaal naar Annerveenschekanaal in het zuiden en de aan weerszijden van het hoofddiep gelegen bebouwing en landerijen tot op een afstand van 625 meter uit de as van het Kielsterdiep.
De kaart laat in groen de begrenzing van het beschermd dorpsgezicht zien.
(bron: kwaliteitsgids groningen)
Het wijzigingsplan maakt de bouw van een vrijstaande woning mogelijk. Voor deze woning is een concreet bouwplan opgemaakt. Figuur 2-1 geeft in 3 beelden een impressie van de beoogde woning weer en figuur 2-2 de situering daarvan op het perceel.
Figuur 2-1: Impressies van de beoogde nieuwe woning (bron: initiatiefnemer)
Figuur 2-2: Beoogde situering van de nieuw te bouwen woningen (bron: initiatiefnemer)
Het wijzigingsplan geeft slechts kaders voor het gebruik en de bebouwingsmogelijkheden van plangebied. De definitieve bouwaanvraag wordt uiteindelijk (onder andere) getoetst aan dit wijzigingsplan.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationaal ruimtelijk beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen, draagt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Het kabinet heeft in de hiervoor genoemde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen algemene regels moeten worden gesteld. Hiermee wordt de doorwerking van de nationale belangen op lokaal niveau geborgd. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de nationale belangen.
De beoogde ontwikkeling in het plangebied raakt geen van deze nationale belangen.
De Ladder voor Duurzame Verstedelijking (hierna: Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe (vereenvoudigde) Laddersystematiek geldt.
Deze systematiek houdt in dat als in een wijzigingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, de behoeft aan die ontwikkeling moet worden beschreven. Wanneer het plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet tevens worden gemotiveerd waarom die ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.
Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling. Op basis van jurisprudentie geldt voor woningbouwlocaties dat vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.
Het plan Dorpsstraat 250a omvat de bouw van 1 woning. Gelet op deze omvang is het plan niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling en is een verdere toetsing aan de Ladder niet noodzakelijk.
Provinciale Staten van de provincie Groningen hebben op 1 juni 2016 de Provinciale Omgevingsvisie 2016 - 2020 vastgesteld waarin het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving is neergelegd. In de bijbehorende Omgevingsverordening zijn ter bescherming van de provinciale belangen bindende regels opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen. De Provinciale Omgevingsvisie en de Provinciale Omgevingsverordening zijn op 15 november 2017 door Provinciale Staten gewijzigd.
In dit geval is sprake van de bouw van twee woningen op (thans) onbebouwde locaties in het door de provincie aangewezen buitengebied. In de Omgevingsverordening is voor het bouwen van nieuwe woningen in het buitengebied het volgende opgenomen:
Artikel 2.13.7 Nieuwbouw van woningen binnen bebouwingslinten in het buitengebied
Op grond van artikel 2.13.1 bevat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied in principe géén bestemmingen die voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 2.13.7 biedt daar echter, onder de volgende voorwaarden, wel mogelijkheden toe:
In afwijking van artikel 2.13.1, eerste lid, kan een bestemmingsplan voorzien in de bouw van maximaal twee nieuwe woningen, voor zover het een aan deze woning of woningen met bijbehorende bouwwerken ruimte biedende open plek binnen een bestaand bebouwingslint betreft, op voorwaarde dat:
In het voorliggende wijzigingsplan zijn de bouwregels voor woningen in het buitengebied rechtstreeks overgenomen uit het 'moederplan', het bestemmingsplan Buitengebied. Daarnaast zijn in de Welstandsnota specifieke gebiedsgerichte criteria opgenomen voor het gebied Kiel-Windeweer. Gezamenlijk moet dit er voor zorgen dat de te bouwen woning qua plaatsing, hoofdvorm, opmaak en aanzicht past in zijn omgeving. Uiteindelijk wordt bij de toetsing van de aanvraag voor een omgevingsvergunning door de Omgevingsdienst Groningen en de Welstandscommissie beoordeeld of hieraan wordt voldaan.
In het bestemmingsplan Buitengebied is langs het lint van Kiel-Windeweer een aantal locaties geselecteerd dat, via een wijzigingsbevoegdheid, in aanmerking komt voor woningbouw. De aanvaardbaarheid van deze locaties is, in samenspraak met de stedenbouwkundige, beoordeeld bij de opstelling van het bestemmingsplan Buitengebied.
Voor wat betreft de afweging op welke locaties woningbouw kan worden ontwikkeld wordt korteheidshalve verwezen naar de toelichting van het moederplan, het bestemmingsplan Buitengebied.
Conclusie is dat de voorgestelde locaties en de inrichtingsvoorwaarden voor de woningbouw, borg staan voor een optimale inpassing van nieuwe woningen in de beeldbepalende structuren van het dorp en de karakteristieken landschapskenmerken niet aantasten.
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is eveneens tot de conclusie gekomen dat de gekozen locaties passen binnen het beschermd dorpsgezicht.
Voor de gemeente Midden-Groningen geldt dat de woningvoorraad nog kan worden uitgebreid. Daarnaast is door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid planologisch reeds ruimte gereserveerd voor het toevoegen van deze woningen.
Verder moet de woningbouw passen in de woningbouwafspraken met de regio. Voor Hoogezand is dat de Regio Groningen-Assen. Binnen die woningbouwafspraken is er ruimte voor dit plan.
Artikel 2.13.8 Oppervlakte van woningen in het buitengebied
Voor de omvang van woonbebouwing in het buitengebied is in de Provinciale Omgevingsverordening het volgende opgenomen:
Dit is opgenomen in de regels en de te bouwen woningen zullen dan ook aan deze eis moeten voldoen. Dit zal getoetst worden bij de definitieve bouwaanvraag.
Artikel 2.9.1 Bescherming beeldbepalende en/of karakteristieke gebouwen
Ten aanzien van beeldbepalende en/of karakteristieke gebouwen is in de Provinciale Omgevingsverordening het volgende opgenomen:
Om hieraan te voldoen wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Karakteristieke bebouwing' opgenomen.
Het gemeentelijk beleid voor de locatie is neergelegd in het bestemmingsplan Buitengebied (vastgesteld 23 augustus 2010).
Zoals eerder aangegeven is de bouw van de woning in strijd met de bestemming 'Agrarisch met waarden', maar kan via de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 29.1,lid c meegewerkt worden aan het planologisch mogelijk maken van een nieuwe woning. Aan die wijzigingsbevoegdheid is een aantal voorwaarden verbonden. Hierna wordt getoetst of aan deze voorwaarden wordt voldaan:
Uit akoestisch onderzoek is gebleken dat niet wordt voldaan aan de ten hoogtse toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB, waardoor een hogere waarde verleend kan worden. De resultaten van het onderzoek zijn beschreven in paragraaf 5.6
Per bouwvlak is één woning voorzien.
Het wijzigingsplan biedt de mogelijkheid voor de bouw van 1 woning. Na de vaststelling van het moederplan is nog maar mondjesmaat gebruikt gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid. Het aantal van 19 woningen wordt dan ook niet overschreden.
In het voorliggend wijzigingsplan zijn de regels van deze bestemming onverkort van toepassing verklaard.
Uit het voorgaande blijkt dat het planvoornemen voldoet aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid.
Daarnaast geldt voor deze locatie de dubbelbestemming 'Waarde - Karakteristieke bebouwing'. Op grond daarvan mag alleen worden gebouwd als dat verenigbaar is met het beheer, de ontwikkeling en het behoud van de beschreven karakteristieke waarden en er geen wezenlijke veranderingen worden aangebracht aan het bebouwingsbeeld.
Op 27 april 2004 heeft de gemeente Hoogezand-Sappemeer haar welstandsnota vastgesteld. Het bestemmingsplan en de welstandsnota zorgen samen voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Het bestemmingsplan geeft aan wat, hoeveel, in welke vorm en waar er gebouwd mag worden. Het welstandsbeleid geeft aan hoe het gebouw er uit mag komen te zien. Dit wil zeggen dat het welstandsbeleid moet voorkomen dat er gebouwen gebouwd worden die afbreuk doen aan de omgeving.
In de welstandsnota is onderscheid gemaakt in gebieden. Per gebied gelden specifieke welstandscriteria. Voor de nieuwbouwlocaties in Kiel-Windeweer is in aanvulling op de welstandsnota het 'Beeldkwaliteitsplan nieuwbouwlocaties Kiel-Windeweer' vastgesteld.
Per nieuwbouwlocatie wordt daarbij aangegeven waarbij aangegeven waaraan te nieuwe woning moet voldaan. Ciriteria worden gesteld aan hoofdvorm, nokrichting, situering, opmaak, materiaalgebruik e.d. De nieuw te bouwen dienen aan dit beeldkwaliteitsplan te voldoen.
De bouwaanvragen zullen uiteindelijk getoetst worden aan de in de Welstandsnota opgenomen beeldkwaliteitscriteria voor het gebied langs het Kieldiep.
Voor het perceel Dorpsstraat 250a (in het beeldkwaliteitsplan als locatie KW 9 vermeld) gelden de volgende uitgangspunten:
(bron: welstandsnota 2004 gemeente Hoogezand-Sappemeer)
De gemeenteraad heeft op 28 februari 2019 de Woonvisie vastgesteld. In de Woonvisie zijn criteria op hoofdlijnen opgenomen om nieuwe initiatieven te kunnen beoordelen. Naarmate een initiatief aan meer van deze criteria voldoet, is medewerking kansrijker. In de visie zijn de toekomstige demografische factoren zichtbaar gemaakt en zijn keuzes gemaakt met betrekking tot het verdelen van nieuwbouwruimte.
Nieuwbouwruimte
Er is maar zeer beperkte nieuwbouwruimte voor kleinere dorpen, zoals Kiel-Windeweer, beschikbaar, daarnaast zijn er elders in Kiel-Windeweer initiatieven die kansrijker scoren op de criteria van de Woonvisie. Bovendien hebben we te maken met een vigerend bestemmingsplan met een wijzigingsbevoegdheid voor de bouw van een woning. Conclusie is dat de bouw van de woning niet in strijd is met de woonvisie..
Een bestemmingsplan bestaat uit de plantoelichting, regels en verbeelding. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende gedeelte van een bestemmingsplan. De verbeelding en de regels moeten altijd in samenhang worden gebruikt. De plantoelichting is bedoeld om de verbeelding en de regels te verduidelijken en om gemaakte keuzes te verantwoorden aan de hand van ruimtelijk beleid.
Een bestemmingsplan dient rechtszeker, eenvoudig te begrijpen, goed toepasbaar en handhaafbaar te zijn voor de gebruiker. Met de indeling van het bestemmingsplan zoals de naamgeving van de bestemmingen, opbouw van de regels en de weergave van op de verbeelding wordt aangesloten op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 van het ministerie van VROM.
Alle gronden die binnen een plangebied vallen hebben een bestemming en/of aanduiding gekregen op de verbeelding. Deze bestemmingen en aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien in de regels hieraan een betekenis wordt gegeven. De begrenzingen van de bestemmingen volgen zoveel mogelijk geografische, topografische en/of kadastrale grenzen. Daar waar dat niet mogelijk bleek, is gekozen voor een meer praktische benadering. De schaal van de verbeelding kan met behulp van de computer door de gebruiker naar keuze worden ingesteld.
De regels zijn een juridische vertaling van het planologische -en ruimtelijk beleid van de gemeente, provincie en het rijk. De regels zijn een juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bebouwing, bepalingen over de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bebouwing. Bij het opstellen van de regels is geprobeerd om de regels zo beperkt mogelijk te houden door alleen te regelen wat nodig is.
Gebruiksregels
Per bestemming is aangegeven voor welk gebruik de gronden zijn bedoeld. Indien daar aanleiding voor aanleiding voor bestaat, wordt via de specifieke gebruiksregels expliciet aangegeven waarvoor de gronden niet zijn bedoeld.
Bouwregels
In een groot aantal bestemmingen zijn bouwregels opgenomen, waarbij de bouwmogelijkheden mee worden gereguleerd. Hoofdgebouwen moeten altijd worden gebouwd binnen een daarvoor aangeduid bouwvlak. Uitgangspunt voor de bebouwing is de bestaande voorgevel. Dit betekend dat indien er vervangende bebouwing wordt geprojecteerd, deze in de gevellijn moet worden teruggebouwd. Waar het wenselijk is om het huidige bebouwingsbeeld in stand te houden zijn tevens aanduidingen opgenomen ten aanzien van bijbehorende bouwwerken of de kapvorm van daken.
In hoofdstuk 1 worden diverse begrippen welke in de planregels worden gehanteerd nader verklaard. Dit om mogelijke interpretatieproblemen te voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten.
De begripsbepalingen in artikel 1 zijn noodzakelijk bij de interpretatie van de regels. In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. De begrippen die hierin zijn opgenomen zijn terug te vinden in de bestemmingsbepalingen. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik.
Met uitzondering van de eerste drie begrippen (plan, wijzigingsplan en moederplan) zijn de begrippen alfabetisch gerangschikt. De begrippen zijn zoveel mogelijk gebaseerd op vaste jurisprudentie. In de loop der tijd hebben de meeste begrippen zich ontwikkeld tot een standaard, waarvan ook in dit bestemmingsplan gebruik is gemaakt.
De bepalingen over de wijze van meten zijn in artikel 2 opgenomen. Dit artikel geeft aan hoe de hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
In hoofdstuk 2 van de regels worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt toegelicht op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden.
Deze bestemming is gegeven aan het gehele plangebied. Op grond van de wijzigingsbevoegdheid uit het moederplan zijn de regels voor de bestemming Wonen uit het moederplan rechtstreeks overgenomen.
Situering en aantal
De woning dient binnen een bouwvlak te worden gesitueerd. Aan een geringe overschrijding van het bouwvlak kan worden meegewerkt met een ontheffingsmogelijkheid. Binnen het bouwvlak is één woning toegestaan. Uitgegaan wordt van een vrijstaande woning. De voorgeschreven afstand van de woning(en) tot de zijdelingse perceelsgrens wordt gemeten vanuit enig punt van de woning.
Maatvoering
De maten van de woningen dienen te voldoen aan het in de voorschriften opgenomen bouwschema. Dit is de gebruikelijke in de gemeente toegepaste maatvoering. Met het verlenen van vrijstelling kan meegewerkt worden aan het uitbreiden van het totale oppervlak van het hoofdgebouw. Als de uitbreiding dit noodzakelijk maakt, wordt eveneens vrijstelling van het bouwen binnen het bouwvlak gegeven.
Bijgebouwen
Onder bijgebouwen wordt ook verstaan aan- en uitbouwen. Dit is via de begripsbepalingen geregeld. Met een percentage gekoppeld aan de grootte van het bouwperceel wordt ervoor gezorgd dat de verhouding tussen ruimte op het perceel en bebouwing acceptabel blijft. Een maximum is wel van toepassing, namelijk 300 m2, waarbij de vierkante meters bijgebouwen het aantal vierkante meters van het hoofdgebouw niet mag overstijgen. Dit is in verband met het behoud van herkenbare verhouding tussen hoofd- en bijgebouwen.
Wanneer een kap wordt toegepast dient de hellingsgraad van de kap tussen de 30 en de 60 graden te zijn. Met een ontheffing kan medewerking worden verleend voor een bijgebouw met een kap van maximaal 80 graden, óf een plat dak.
Bedrijf of beroep aan huis
Wonen mag gecombineerd worden met een vrij beroep of een overige aan-huis-verbonden beroep of bedrijf. Het geeft mensen de kans thuis of bij huis te werken. Bijvoorbeeld om een startend bedrijf de kans te geven tot volwaardige onderneming te groeien, waarna vestiging in een daarvoor bestemde bedrijfsruimte (financieel) mogelijk wordt. Het wonen moet echter wel de hoofdfunctie blijven.
De gemeente Midden-Groningen heeft daarbij in haar beleidsnota 'Aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven 2019' (vastgesteld 23 juli 2019) gekozen voor een ja-mits benadering. De inwoners moeten op een eenvoudige manier de mogelijkheid krijgen om een beroep of bedrijf aan huis te beginnen, mits voldaan wordt aan de vooraf gestelde voorwaarden. Omdat niet elk beroep of bedrijf aan huis zich goed mengt met de woonfunctie is een aantal voorwaarden opgenomen. Zodra aan de volgende voorwaarden wordt voldaan is het beroep of bedrijf bij recht toegestaan:
Op deze manier worden de gebruiksmogelijkheden van de woning vergroot en kan de bedrijvigheid aan huis toenemen, terwijl er toch een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd blijft.
Onderscheid kan gemaakt worden tussen vrije beroepen en overige-aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven. Uit jurisprudentie blijkt dat vrije beroepen worden geacht binnen de woonbestemming te passen.
Vrije beroepen
Onder vrije beroepen worden in ieder geval begrepen:
| - advocaat - accountant-administratieconsulent - acupuncturist - alternatieve genezer - bouwkundig architect - belastingconsulent - dierenarts (kleine huisdieren) - fysiotherapeut - gerechtsdeurwaarder - grafisch ontwerper/webdesigner - huidtherapeut - huisarts |
- interieurarchitect - juridisch adviseur - kunstschilder/kunstenaar - logopedist - makelaar - medisch specialist - notaris - oefentherapeut Cesar/Mensendieck - organisatieadviseur - orthopedagoog - psycholoog |
- raadgevend adviseur - redacteur - registeraccountant - stedenbouwkundige - tandarts - tandartsspecialist - tolk-vertaler (al dan niet beëdigd) - tuin- en landschapsarchitect - verloskundigenpraktijk |
Overige aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven
Of een bedrijfsactiviteit kan worden geschaard onder een overig aan-huis-verbonden beroep of bedrijf kan niet worden afgeleid uit jurisprudentie. Slechts de gemeentelijke afweging welke activiteiten hier wel en niet toelaatbaar zijn, is hier maatgevend. Uit zorgvuldigheid kunnen vanzelfsprekend niet alle bedrijfsactiviteiten hieronder worden geschaard. Uitgangspunt is dat het uitsluitend gaat om bedrijfsactiviteiten met een consumentenverzorgend karakter.
Onder overig aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven worden in ieder geval begrepen:
| - autorijschool (geen theorie) - bloemschikker - computerservice (o.a. systeembouw/-analyse) - decorateur - fietsenreparateur (verkoop niet inbegrepen) - fotograaf - goud- en zilversmid - glazenwasser - hoedenmaker - hondentrimmer - instrumentenmaker - kaarsenmaker - kapper - klompenmaker - klussenbedrijf (geen be en verwerkende activiteiten op het perceel) |
- koeriersdienst (eigen rijder: ten hoogste 1 auto) - lijstenmaker - loodgieter - meubelmaker - muziekinstrumentenmaker - nagelstudio/pedicure/manicure- pottenbakker - prothesemaker - reisorganisatie (geen reisbureau met etalagefunctie) - reparatie van kleine consumentenartikelen (antiek/radio's-tv's/horloges etc.) - schoonheidsspecialist - schilder - traiteur |
- taxibedrijf (eigen rijder: ten hoogste 1 auto) - tussenpersoon/ commissionair - zadelmaker - hobbymatige activiteiten die qua aard en omvang vergelijkbaar zijn met bovengenoemde activiteiten (uitgezonderd agrarische activiteiten) - hobbymatige exposities en musea - bedrijfsmatige activiteiten welke naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met de hierboven genoemde bedrijfsmatige activiteiten |
Kamerverhuur
Een woning is bestemd voor het huisvesten van een gezin, een huishouding. Er is een periode geweest dat meer en meer panden in gebruik werden genomen voor commerciële (losse) kamerverhuur. Dit betreft situaties waarin panden worden opgedeeld tot woonunits en/of kamers en vervolgens aan afzonderlijke huurders worden verhuurd. De handhavingspraktijk wijst uit dat deze vorm van wonen tot overlast voor, en verloedering van, de woonomgeving kan leiden. In de gebruiksbepalingen wordt commerciële kamerverhuur dan ook uitgesloten.
Artikel 5 Waarde - Karakteristieke bebouwing
De bebouwingslinten, anders dan het beschermd dorpsgezicht, in de gemeente geven goed zichtbaar en herkenbaar de veenkoloniale ontstaansgeschiedenis van het landschap weer. De linten hebben elk hun karakteristiek voor wat betreft de afwisseling van open en gesloten ruimten, de kavelstructuur, de richting van de kavels ten opzichte van de ontginningsas, de omvang van de bouwvolumes, etc.
Door sloop kunnen deze karakteristieken aangetast worden en verloren gaan. Met name in het geval bestaande gebouwen worden gesloopt en niet worden vervangen.
Ter bescherming van de karakteristiek van de linten, moet worden voorkomen dat open gaten ontstaan in de bestaande bebouwingsstructuur. Dit gebeurt door het slopen van gebouwen vergunningplichtig te stellen voor zover die sloop de karakteristiek van het lint kan aantasten. Om deze bescherming mogelijk én herkenbaar te maken, zijn alle karakteristieke linten in de gemeente als 'Waarde - Karakteristieke bebouwing' bestemd.
Op grond van het moederplan zijn de regels (en bijbehorende bijlage bij de regels) voor de bestemming Waarde - Karakteristieke bebouwing rechtstreeks daaruit overgenomen.
Hoofdstuk 3 van de regels bevat bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in afzonderlijke artikelen onder te brengen.
Met dit artikel wordt voorkomen dat meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd. Dit is bijvoorbeeld mogelijk als (onderdelen van) bouwpercelen van eigenaars in maatvoering verschillen en wisselen. Door verwerving van een extra (bouw)perceel of een gedeelte daarvan, kunnen de gronden niet meegenomen worden met de berekening van de bouwmogelijkheden van het nieuwe perceel als de nieuw verworven gronden reeds meegenomen zijn bij de berekening van een eerder bouwplan. Het is dus niet toegestaan gronden twee keer in te zetten om een omgevingsvergunning te verkrijgen.
Op grond van het moederplan zijn de regels (en bijbehorende bijlage bij de regels) voor de gebiedsaanduiding overige zone - dorpsgebied rechtstreeks daaruit overgenomen.
In hoofdstuk 4 van de regels zijn twee artikelen opgenomen, het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing en de slotregel waarin de citeertitel van het bestemmingsplan wordt aangehaald.
In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van legaal bestaand gebruik en legale bestaande bouwwerken opgenomen die afwijken van de (nieuwe) bestemming. Het overgangsrecht beschermt de gevestigde belangen of rechten bij een nieuwe, van de bestaande situatie afwijkende regeling.
In de slotregel van het bestemmingsplan wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. In dit geval kunnen de regels van het bestemmingsplan aangehaald worden als "Regels van het wijzigingsplan Kiel-Windeweer, Dorpsstraat 250A".
Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op de omgeving. Anderzijds kan ook de zichtbare en soms niet zichtbare omgeving van invloed zijn op de uitvoerbaarheid van de voorgenomen plannen. In dit hoofdstuk worden de omgevingsfactoren beschreven en wordt beoordeeld wat de invloed op het plan kan zijn.
Nederlandse gemeenten zijn vanwege wetgeving op het gebied van archeologische monumentenzorg verplicht om archeologische waarden in de ruimtelijke planprocedures tebetrekken en waardevolle resten te beschermen. De kern van de Erfgoedwet is dat wanneer debodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer ditniet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ).
Om hier invulling aan te geven is op 23 april 2020 de beleidsnota archeologie Midden-Groningen door de gemeenteraad vastgesteld. De gemeente Midden-Groningen zet met deze nota in op het behoud van waardevolle archeologische waarden. Terreinen en gebieden waar sprake is van (een grote kans op) waardevolle resten, worden daarom door de gemeente beschermd. Ook archeologische vindplaatsen die weliswaar deels verstoord zijn,maar die zeldzame resten omvatten, gelden in dit kader als behoudenswaardig. Daarbij hanteert de gemeente de Beleidskaart archeologie en en de actuele archeologische verwachtingskaart. Daarop worden vier beschermingscategorien onderscheiden.
De in 2020 vastgestelde beleidsnota is de opvolger van de in 2010 door de vm. gemeente Hoogezand-Sappemeer vastgestelde Nota Archeologiebeleid.
4.9.2 Toetsing
Op basis van een advies van Libau is ten aanzien van het plangebied sprake van een lage archeologische waarde. Zie ook onderstaand figuur 4.1 Het onderzoek van Libau is als bijlage aan dit wijzigingsplan toegevoegd.
Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek wordt archeologisch vervolgonderzoek voor de beoogde bouwkavel dan ook niet nodig geacht. Op basis daarvan hoeft ook geen archeologische dubbelbestemming te worden opgenomen.
figuur 4-1: Uitsnede Archeologische Verwachtingskaart met ligging plangebieden
Indien bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische grondsporen worden aangetroffen en/of archeologische vondsten worden gedaan, dient hiervan direct melding te worden gedaan bij de gemeente Midden-Groningen (0598-373891), of bij de archeologische adviseur van de gemeente, Steunpunt Libau 050-3126545.
De gemeenteraad van de Midden-Groningen heeft op 19 april 2018 de Erfgoedverordening 2018 gemeente Midden-Groningen vastgesteld. De Erfgoedverordening regelt, onder andere, het aanwijzen van gemeentelijke monumenten, de instandhouding ervan, de bescherming van rijks en gemeentelijke monumenten en de instandhouding van archeologische gebieden.
Rondom het plangebied bevinden zich een aantal karakteristieke gebouwen en gemeentelijke monumenten(zie figuur 4-2). Daarnaast is het lint Kiel-Windeweer aangemerkt als beschermd stads-en dorpsgezicht, zoals bedoeld in de Erfgoedwet.
figuur 4-2: Uitsnede Erfgoedkaart met ligging plangebieden (bron: www.midden-groningen.nl/erfgoed)
Het wijzigingsplan maakt de bouw van een woning mogelijk waarbij de beschreven en te behouden waarden ten aanzien van plaatsing en hoofdvorm van bebouwing langs het Kieldiep c.q. Kiel-Windeweer leidend zijn geweest. Deze waarden zijn dan ook vertaald in de regels en op de verbeelding.
Op basis van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaarten en -gegevens is geconcludeerd dat er geen verontreinigingen aanwezig of te verwachten zijn. De bodem is in beginsel geschikt voor een woonfunctie. Nietemin dient bij de aanvraag om eern omgevingsvergunning voor de bouw van de woning een bodemonderzoek te worden overlegd. Vooralsnog wordt ervan uiitgegaan dat de bodem geschikt is voor de bouw van een woning.
Verder is bij de gemeente geen informatie bekend over (voormalige) bedrijfsactiviteiten die potentieel bodembedreigend zijn. Het plangebied, kadastraal bekend als perceel O 818 is in thans nog in gebruik als braakliggend landbouwperceel.
De Wet natuurbescherming (Wnb) is in werking getreden op 1 januari 2017. Deze wet vervangt de volgende drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (houtopstanden).
De provincie is bij de Wnb het bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en handelingen bij Natura 2000-gebieden en dier- en plantensoorten. Het Rijk blijft bevoegd gezag bij ruimtelijke ingrepen met grote nationale belangen. Voor gemeenten geldt dat zij het bevoegd gezag zijn voor omgevingsvergunningen.
Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) -voorheen Ecologische Hoofdstructuur- is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN is voor de provincie Groningen uitgewerkt in de Provinciale Omgevingsvisie en de bijbehorende Provinciale Omgevingsverordening.
Soortenbescherming
Het uitgangspunt van de Wnb is dat er geen (opzettelijke) schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De soortenbescherming binnen de Wnb is daarbij opgedeeld in drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Bij beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen dier- en plantensoorten. Er dient een ontheffing op grond van artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 Wnb te worden aangevraagd voor een (bouw)werkzaamheid of activiteit indien het volgende van toepassing is:
Houtopstanden
In de Wnb is de bescherming van houtopstanden buiten de, door de gemeenteraad vastgestelde, bebouwde kom geregeld. Doel is de instandhouding van het bosareaal. In de Provinciale Omgevingsverordening van de provincie Groningen is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer ontheffing van de herbeplantingsplicht kan worden verleend.
In de nabijheid van de plangebieden bevinden zich binnen een straal van 3 km géén Natura 2000-gebieden, Nationale parken of Wetlands (zie figuur 4-3)
figuur 4-3: Uitsnede kaartenmachine rondom plangebieden (bron: Alterra)
Zoals uit figuur 4-4 vallen de plangebieden ook niet binnen het NNN. Op bijna 5 kilometer ten westen van de plangebieden bevindt zich een NNN-natuurgebied.
figuur 4-4: Ligging plangebied (rode stip) ten opzichte van NNN (groen vlak) (bron: Provinciale Omgevingsverordening
Het planvoornemen heeft mede gelet op de kleinschaligheid van de ontwikkeling geen invloed op beschermde natuurgebieden in de omgeving.
Het plangebied is op dit moment als braakliggend landbouwgrond in gebruik. maken op dit Het perceel is onbebouwd. Gelet op het gebruik en de functie van het gebied worden geen beschermde soorten op grond van de Wet natuurbescherming verwacht. Tevens wordt geen opgaande beplanting of bebouwing weggehaald waarin eventueel beschermde soorten voorkomen. al niveau beschermd zijn, maar waarvoor provinciaal wel een vrijstelling geldt.
Zorgplicht
Op basis van de Wnb is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving. Concreet betekent dit dat bij (ruimtelijke) ingrepen gezorgd moet worden dat dieren niet verstoord of gedood worden en dat planten niet zomaar verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld broedende vogels, de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Daarbij geldt voor alle bouwactiviteiten dat er voorzorgsmaatregelen genomen dienen te worden, waardoor:
Er worden bij dit plan geen bomen gekapt,sloten gedempt en/of gebouwen gesloopt. Ook is het bestaande terrein -zoals gezegd in gebruik (geweest) voor agrarische doeleinden. De beoogde bouwactiviteiten en bodemingrepen gaan niet gepaard met aantasting van ecologische waarden. Nader onderzoek naar ecologie is niet nodig.
Bij het transport, de opslag en bij het be- en verwerken in bedrijven van gevaarlijke stoffen, bestaat de kans op ongevallen waarbij slachtoffers vallen die niet bij de activiteit betrokken zijn. Het doel van de toets op externe veiligheidsaspecten rond ruimtelijke plannen is na te gaan welke risico's de voorgenomen ontwikkelingen met zich brengen en/of welke risico's de voorgenomen ontwikkeling loopt als gevolg van een externe bron.
Het externe veiligheidsonderzoek richt zich in eerste instantie op het plaatsgebonden risico. Dit geeft een beeld van de ruimtelijke verdeling van de hoogte van de risico's rond een bron. Vervolgens wordt (indien noodzakelijk) nagegaan wat de hoogte van het groepsrisico is. Dit geeft inzicht in de aantallen personen die bij een ongeval betrokken kunnen raken. Als er sprake is van een groepsrisico waarbij meer dan 10 dodelijke slachtoffers kunnen vallen is het bevoegd gezag verplicht het groepsrisico te verantwoorden.
Het plangebied is geïnventariseerd op de aanwezigheid van zogenoemde Bevi-inrichtingen (vergunde situatie en feitelijke situatie). Hieruit blijkt dat binnen het plangebied geen risicobronnen liggen. Realisatie van nieuwe inrichtingen die externe veiligheidsrisicocontouren met zich meebrengen is binnen het plangebied niet toegestaan.
Buiten het plangebieden is één risico-inrichting gelegen, te weten een NAM-locatie in de buurgemeente Aa en Hunze, aan de Veendammerweg. Hwet plangebied De liggen op circa 1.600 meter ten noordoosten van deze locatie en daarmee op een dusdanige afstand dat deze niet van invloed is op het plangebied.
Op circa 700 meter ten oosten van de plangebieden ligt een buisleiding van de NAM (zie figuur 4-5). Dit is de dichtstbijzijnde leiding.De afstand tot het plangebied is te groot om van invloed te zijn. Op grotere afstand liggen meerdere buisleidingen.
Figuur 4-5: Ligging plangebied (0,00 m) ten opzichte van dichtsbijzijnde risicobronnen (bron: risicokaart)
De A7 en de N33 zijn door het Basisnet aangewezen als routes waar in beginsel de gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Beide wegen liggen op grite afstand van het plangebied om van invloed te zijn.
Ten aanzien van objecten waar kinderen vaak aanwezig zijn, dient rekening gehouden te worden met (mogelijke) effecten van elektromagnetische straling. Volgens de Netkaart hoogspanningslijnen van het RIVM geldt voor hoogspanningslijnen een indicatieve zone van maximaal 165 meter aan weerszijden van een hoogspanningslijn.
Binnen een straal van 3 kilometer rondom het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig.
Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wet geluidhinder is tweeledig. Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid. Bepalend is steeds de situering van geluidsbronnen ten opzichte van geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen en scholen. De Wgh gaat uit van zones langs wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Binnen dergelijke zones zijn nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen alleen toegestaan indien de geluidsbelasting op de buitengevel onder of hoogstens gelijk is aan ten hoogste oelaatbare geluidsbelasting. Ontheffing hiervan is toegestaan indien maatregelen om de geluidsbelasting op de buitengevels te beperken niet mogelijk zijn of onvoldoende helpen en indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
De Wet geluidhinder is alleen van toepassing binnen de van rechtswege aanwezige zone van een weg. Conform de Wet geluidhinder heeft elke weg een zone. Conform art. 74, lid 2 Wgh zijn de onderstaande wegen hiervan uitgezonderd:
De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging in stedelijk of buitenstedelijk gebied. De wegen nabij het plangebied zijn gelegen in buitenstedelijk gebied. Hiervoor gelden de volgende zonebreedtes (conform art. 74, lid 1 Wgh):
De afstanden zoals weergegeven worden aan weerszijden van de weg gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook.
Voor het wijzigingsplangebied Kiel-Windeweer, Dorpsstraat 250a geldt dat het plangebied gelegen is binnen de van rechtswege aanwezige geluidszone van de Dorpsstraat 250. Voor deze weg geldt een maximumsnelheid van 50 km/u).
Het plangebied ligt niet binnen de zone van een andere weg, industrieterrein of spoorweg. Er is derhalve geen sprake van cumulatie van geluid met andere bronnen.
Bij de realisatie van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen moeten de wettelijke grenswaarden in acht worden genomen. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai bedraagt 48 dB. Indien de geluidsbelasting hoger is moet er onderzoek worden gedaan naar mogelijke bron- en/of overdrachtsmaatregelen. Zijn maatregelen niet mogelijk dan kunnen burgemeester en wethouders ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting verlenen. Indien met maatregelen niet kan worden voldaan aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB kan voor woningen in buitenstedelijk gebied een hogere waarde worden vastgesteld van ten hoogste 53 dB.
Om de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer inzichtelijk te maken en te toetsen aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage bij dit wijzigingsplan gevoegd.
Uit het akoestisch onderzoek komt naar voren dat de geluidsbelasting op de oostgevel van de te bouwen woning 53 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh) bedraagt. Daarmee wordt niet voldaan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.
Het treffen van bronmaatregelen is niet mogelijk. Vanwege beheerstechnische redenen is een geluidsreducerend wegdek op het stuk weg ter plaatse van de woningen ongewenst en bovendien is het effect beperkt. Gezien de ligging van de weg buiten de bebouwde kom is een verdere snelheidsverlaging niet mogelijk.
Het treffen van overdrachtsmaatregelen in de vorm van wallen of schermen is eveneens niet mogelijk omdat dit zou conflicteren met de erfontsluiting van de woningen.
Zonder bron- of overdrachtsmaatregelen moet er een hogere waarde worden vastgesteld. Gelet op de maximale ontheffingswaarde van 53 dB die in buitenstedelijke situaties geldt, wordt deze geluidsbelasting niet onaanvaardbaar geacht.
Parallel aan de wijzigingsplanprocedure wordt een procedure voor de vaststelling van een hogere waarde doorlopen. Het ontwerp-besluit is als bijlage aan dit wijzigingsplan toegevoegd
Nieuwe functies kunnen milieuhinderlijk zijn voor omringende woningen dan wel bedrijven. Er dient een beoordeling plaats te vinden of de nieuwe functie wel milieuhygiënisch inpasbaar is. Daartoe is beoordeeld hoe dit plan zich verhoudt tot hetgeen is verwoord in de VNG-Reeks 'Bedrijven en Milieuzonering'. De (indicatieve) lijst 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie gaan uit van een 'rustige woonwijk'. Wanneer er sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied' dan kan de richtafstand met één afstandsstap worden teruggebracht.
Op basis van de VNG-lijst gelden voor een woning geen richtafstanden naar andere woningen, bedrijven of instellingen. De woning is dan ook niet van invloed op de milieuhinder voor de omgeving.
Binnen een straal van 100 meter van de locatie liggen enkel gebouwen met eveneens een woonbestemming. Het dichtsbijzijnde perceel met een bedrijfsbestemming ligt op meer dan 200 meter van dhet plangebied, zodat er geen sprake is van milieuhinder.
Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Projecten die 'niet in betekende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden luchtkwaliteit. In de AMvB niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), zijn de criteria vastgelegd om te kunnen beoordelen of voor een project sprake is van nibm.
Zo is een project waarbij in totaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg worden gebouwd nog aangemerkt als een nibm-project.
Voorliggend project, wat voorziet in het realiseren van slechts een woning, blijft ruimschoots onder deze drempelwaarde. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is dan ook niet nodig.
Sinds 1 november 2003 is het verplicht ruimtelijke plannen te toetsen opwaterhuishoudkundige aspecten: de zogenaamde watertoets. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterhuishoudkundige doelstellingen worden daarbij expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen binnen deze ruimtelijke plannen en besluiten. Het watersysteem wordt hierbij op een integrale wijze benaderd. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater worden dus (in samenhang) in beschouwing genomen. Daarbij gaat het naast de kwantiteit ook om de kwaliteit. De integrale benaderin van het watersysteem betekent ook dat het watersysteem wordt benaderd in samenhang met andere beleidsvelden. De watertoets is een instrument om ruimtelijke plannen waterneutraal vorm te geven en om het watersysteem op orde te krijgen.
Op 16 juni 2020 is via het online instrument via www.dewatertoets.nl de zogeheten watertoets uitgevoerd. Op basis hiervan blijkt dat het project zich bevindt binnen het beheersgebied van het waterschap Hunze en Aa's. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de Normale procedure van de watertoets is doorlopen. Vanuit het waterschap is aangegeven dat in de toelichting van het bestemmingsplan beschreven dient te worden hoe met het aspect water omgegaan wordt in relatie tot het beoogde (bouw)plan.
Op 16 juli 2020 is vanuit het waterschap de definitieve uitgangspuntennotitie opgesteld en verzonden. De definitieve uitgangspuntennotitie is als bijlage bijgevoegd. Hierna volgen de relevante delen uit het genoemde document en is ingegaan op de concrete uitwerking ten aanzien van het gewenste bouwplan.
Het plangebied ligt in een peilgebied met zomerpeil van -1,35 m NAP en een winterpeil van -1,27 m NAP. Aan de oostzijde van het plangebied ligt het Kieldiep (figuur 1). Dit kanaal is een hoofdwatergang, en is daarmee van groot belang voor het functioneren van het oppervlaktewatersysteem. Om onderhoud te kunnen plegen ligt aan weerszijden van de watergang een beschermingszone van 5 meter, waarbinnen geen obstakels geplaatst mogen worden.
figuur 1 plangebied met peilgebied en hoofdwatergang
Bij het invullen van de vragen is aangegeven dat er maximaal 750 m2 verhardingstoename plaatsvindt, waardoor de compensatiedrempel voor het bebouwde gebied (150 m2) wordt overschreden. Echter, omdat het plangebied in het buitengebied ligt is de compensatiedrempel voor het landelijke gebied (1500 m2) van toepassing.
Om deze reden is het niet noodzakelijk om compenserende waterberging aan te leggen.
Hierbij moet wel worden benadrukt dat het hemelwater bij voorkeur zo veel mogelijk via het eigen terrein vertraagd wordt afgevoerd/geinfiltreerd, om de hoeveelheid water die rechtstreeks op het Kieldiep afstroomt te beperken.
Het complete maatwerk wateradvies is als opgenomen bij de toelichting van dit plan.
Het voorgenomen plan betreft geen concreet benoemde activiteit die in kolom D van het Besluit m.e.r. is genoemd. Er is dan ook geen sprake van het overschrijden van drempelwaarden in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor het planvoornemen geldt daarom geen plan-MER-plicht en een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is ook niet aan de orde.
Voorts kan op basis van voorgaande verantwoording van de omgevingsaspecten in redelijkheid worden aangenomen dat geen onaanvaardbare milieueffecten in het projectgebied hoeven te worden verwacht.
Alle kosten die gepaard gaan met het opstellen van het wijzigingsplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
De enige kosten die verder uit dit plan kunnen voortvloeien, zijn planschadekosten. Deze zijn op voorhand niet uit te sluiten. Daarom is op grond van artikel 6.4a van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) met de initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten, waarin de initiatiefnemer verklaart de eventueel uit te keren planschade te zullen vergoeden aan de gemeente.
Het ontwerp wijzigingsplan Kiel-Windeweer, Dorpsstraat 250A, vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1952.wpkiwdorpsstr250a-on01, heeft vanaf 17 december 2020 tot en met 27 januari 2021 ter inzage gelegen.
Tijdens de ter inzage legging is er 1 zienswijze ingediend.
Daarnaast hebben 2 overlegpartners gereageerd op het ontwerp wijzigingsplan.
Het waterschap geeft aan dat voor het wijzigingsplan Kiel-Windeweer, Dorpsstraat 250a een wateradvies afgegeven. Volgens de opgave ligt het plan buiten de bebouwde kom en is het voor de watercompensatie niet noodzakelijk daarvoor extra voorzieningen te treffen. Toch wordt er op gewezen om bij de verdere invulling van het plan voldoende rekening te houden met de verwerking van hemelwater om overlast situaties te voorkomen.
Verder zijn er geen opmerkingen op het plan en gaat het waterschap ervan uit dat er rekening wordt gehouden met de algemene adviezen voor zover ze op dit plan van toepassing zijn.
De provincie Groningen heeft aangegeven dat het ontwerpwijzigingsplan geen aanleiding geeft tot het indienen van een zienswijze.
De ontvangen zienswijzen en reacties zijn gebundeld in de Nota van beantwoording behorende bij het wijzigingsplan Kiel-Windeweer, Dorpsstraat 250a. Deze nota is als bijlage bij dit wijzigingsplan toegevoegd.