direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Schildwolde, Meenteweg 69
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1952.bpscwmeenteweg69-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding opstellen bestemmingsplan

1.1.1 Algemeen

Aan de Meenteweg 69 te Schildwolde was een kwekerij gevestigd. Dit gebruik is beëindigd en het hele perceel is verkocht. Het perceel bevat gronden met een bedrijfsbestemming, woonbestemming en een agrarische bestemming. Alleen bij de woonbestemming was een bouwvlak opgenomen.

De aanleiding voor het opstellen van voorliggend bestemmingsplan betreft een particulier initiatief. Een bedrijf werkzaam in de dienstverlening ten behoeve van de landbouw, heeft de gronden aangekocht. De initiatiefnemer zoekt al geruime tijd naar passende huisvesting voor het bedrijf. Daarnaast wil de initiatiefnemer in de buurt van het bedrijf wonen.

Het initiatief betreft het bouwen van een woning met garage en berging, het bouwen van een loods en het slopen van de bestaande woning met bijgebouw.

De nieuw te bouwen loods ten behoeve van het bedrijf, is bedoelt voor het onderdak stallen van het materieel (vrachtwagen, shovel, straatmachine, kraan, etc.). Onderhoud aan het materieel zal uitgevoerd worden op een andere locatie. Het materiaal dat gebruikt wordt (klinkers, zand, et cetera) wordt rechtstreeks op locatie geleverd.

De bestaande woning aan de Meenteweg 69 te Schildwolde wordt gesloopt zodra de nieuwe woning gereed is.

1.1.2 Locatiekeuze

Zoals hierboven is aangegeven is de initiatiefnemer al jaren op zoek naar een passende locatie waarbij het wonen bij het werken gecombineerd kan worden. Daarbij is ook gezocht naar locaties binnen bestaand stedelijk gebied. Voor twee locaties is een ruimtelijke procedure gestart. Deze konden vanwege beperkingen echter geen doorgang vinden. Vanwege de aard van de bedrijvigheid, waarbij met groot materieel wordt gewerkt, moet een locatie voor de initiatiefnemer aan specifieke eisen voldoen, zowel qua omvang als qua ontsluiting.

Het type bedrijf past niet in een woonomgeving, waardoor de vestiging in een woonwijk niet gewenst is. De voorliggende locatie was al bedrijfsmatig in gebruik. Deze locatie leent zich er voor om wonen en werken te combineren, de kavel is daarvoor voldoende groot. Een bedrijfsbestemming is daarom passend in het straatbeeld.

Er is ook geen bedrijventerrein in de omgeving waar het bedrijf terecht kan. Het dichtstbijzijnde bedrijventerrein dat enigszins aansluit op het werkgebied van de initiatiefnemer is bedrijventerrein Korenmolendreef/Korenmolenweg te Slochteren. Dit terrein heeft geen uitgeefbare gronden. Het bedrijventerrein in Siddeburen aan Kalverkampen is ook volledig ingevuld. De toekomstige uitbreiding van Kalverkampen, wordt ontwikkeld door de gebruikers en is in beginsel ook volledig ingevuld.

Het bedrijf is werkzaam voor verschillende werkgevers in de wegenbouw en straatwerk. De werkzaamheden bestaan uit lasergestuurd egaliseren, machinaal straten en het graven van funderingen. Dit is altijd werk op locatie. De locaties verschillen per dag en zijn gesitueerd rondom Schildwolde bij agrarische bedrijven. De initiatiefnemer heeft geen werknemers in dienst en geeft aan dat dit in de toekomst ook zo zal blijven. Voor de werkzaamheden van het bedrijf is het noodzakelijk dat minimaal twee vrachtwagens gestald kunnen worden. Één vrachtwagen is beladen met een shovel en één vrachtwagen is beladen met een kraan.

Deze locatie is groot genoeg om de benodigde loods op te richten. Bovendien is er ruimte genoeg om met zwaar materieel op het terrein te manoeuvreren. De ligging is aangrenzend aan het stedelijk gebied. De ontsluiting van het bedrijfsgedeelte vindt plaats aan de Singel. Vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid heeft dit de voorkeur boven een ontsluiting aan de drukkere Meenteweg.

De locatie is centraal gelegen in het werkgebied van het bedrijf. In de huidige situatie staat materiaal her en der bij diverse boerenbedrijven gestald. Dit is verre van praktisch en niet efficiënt voor de bedrijfsvoering. Daarom is de initiatiefnemer op zoek gegaan naar een woonplek waarbij een schuur gebouwd mag worden zodat hij in de ochtend direct met het juiste materieel naar de klant kan. Door stalling bij het huis en de centrale ligging, wordt het aantal verkeersbewegingen met zwaar verkeer beperkt tot een minimum.

1.2 Plangebied bestemmingsplan Schildwolde, Meenteweg 69

1.2.1 Begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Meenteweg 69 te Schildwolde. Het betreft het kadastrale perceel sectie S, nummer 2029, van de voormalige gemeente Slochteren. Het plangebied betreft lintbebouwing aan de N865 richting Ten Post. Het perceel wordt aan de westelijke zijde begrenst door de Meenteweg. Aan deze kant zijn voornamelijk woningen gelegen, net zoals aan de noordelijke zijde. Aan de zuidelijke zijde grenst het perceel aan de Singel. Aan de oostelijke zijde grenst het perceel aan het buitengebied en agrarische gronden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpscwmeenteweg69-va01_0001.jpg"

Figuur 1. Weergave plangebied

1.2.2 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse is het bestemmingsplan Slochteren-Schildwolde van toepassing, vastgesteld door de gemeenteraad op 5 april 2012 en op 28 juni 2012 onherroepelijk geworden. Het perceel heeft in dit bestemmingsplan de bestemmingen 'bedrijf', 'wonen 1a' en 'agrarisch'.

Voor het grootste gedeelte van de bestemming 'agrarisch' en voor een gedeelte van de bestemming 'bedrijf' geldt tevens de dubbelbestemming 'waarde-archeologie-3'. Voor het gedeelte met de bestemming 'bedrijf' is ook de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-kwekerij' opgenomen. Bedrijven in de milieucategorieën categorieën 1, 2 en 3.1 zijn toegestaan (bijlage 2 Staat van Bedrijven: Bedrijf).

Langs de Meenteweg, tot globaal halverwege op het perceel, is de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone-vervoer gevaarlijke stoffen' opgenomen. De gronden met de bestemming 'agrarisch' en het grootste gedeelte met de bestemming 'wonen 1a' wordt tot het provinciaal buitengebied gerekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpscwmeenteweg69-va01_0002.jpg"

Figuur 2. Fragment verbeelding van bestemmingsplan Slochteren-Schildwolde (bron Ruimtelijkeplannen.nl)

Naast bovenstaand bestemmingsplan is bestemmingsplan Slochteren-Schildwolde, wijzigingsplan Staat van Bedrijven geldig (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 maart 2013). Dit plan beperkt de mogelijkheden voor detailhandel bij de bestemmingen 'bedrijf' en 'gemengd'.

1.3 Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk Planbeschrijving wordt ingegaan op de huidige en de nieuwe situatie van het plangebied.

In het hoofdstuk Planologisch beleidskader wordt de op het bestemmingsplan betrekking hebbende wetgeving en beleid van de verschillende overheden beschreven. Hierop volgend worden in het hoofdstuk Onderzoeken de relevante onderzoeken behandeld. Het gaat hierbij onder andere om geluid, bodem en verkeer.

De uitleg van de juridische vormgeving van de verbeelding en de regels is opgenomen in het hoofdstuk Juridische planbeschrijving. Hierna wordt de Economische uitvoerbaarheid en de Maatschappelijke uitvoerbaarheid behandeld. Hier zijn onder andere de resultaten van het gevoerde overleg en de inspraak en zienswijzen opgenomen.

In de toelichting wordt op een aantal plaatsen verwezen naar bijlagen. Deze zijn aan het slot van de toelichting apart gebundeld als Bijlagen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Op het perceel was eerder een kwekerij gevestigd. Het gedeelte met bedrijfsbestemming heeft geen bouwvlak, of bebouwing, maar beplanting. De voormalige bedrijfswoning met bijgebouwen heeft een reguliere woonbestemming en wordt nu door de initiatiefnemer bewoond. Naast de woning richting de Singel ligt nog een groenstrook en een onbebouwd gedeelte. Aan Singel en aan de Meenteweg zijn ontsluitingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpscwmeenteweg69-va01_0003.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpscwmeenteweg69-va01_0004.jpg"

Figuur 3 en 4. Luchtfoto 2018 huidige situatie (bron Cyclomedia 2018)

2.2 Nieuwe situatie

In de nieuwe situatie wordt achter de huidige woning een nieuwe woning met garage en berging gerealiseerd. De huidige woning wordt gesloopt. Oostelijk van de nieuwe woning wordt een nieuwe loods gebouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpscwmeenteweg69-va01_0005.jpg"

Figuur 5. Positionering nieuwe woning en loods (Architect Karla Ubels, december 2018)

De beoogde woning beslaat een oppervlakte van maximaal 300 m2 (inclusief de garage en de berging), circa 25 m breed en circa 12 m diep. De bouwhoogte is circa 9,5 m. De goothoogte is maximaal 3 m hoog.

De loods heeft een oppervlakte van circa 650 m2 circa 36 m breed en circa 18 m diep. De bouwhoogte is circa 10 m. De goothoogte is maximaal 5 m hoog.

Nadat de nieuwe woning en loods zijn gebouwd zijn de maximale bouwmogelijkheden bereikt.

2.2.1 Strijdigheid met het bestemmingsplan

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpscwmeenteweg69-va01_0006.jpg"

Figuur 6 Fragment verbeelding van bestemmingsplan Slochteren-Schildwolde (bron Ruimtelijkeplannen.nl)

De nieuwe bouwplannen passen niet binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan. Op het gedeelte waar de nieuwe woning wordt gerealiseerd is nu nog geen bouwvlak opgenomen.

Het gedeelte waar nu een bedrijfsbestemming met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kwekerij' is opgenomen, zal als tuin bij de woning worden gebruikt.

Waar de loods wordt opgericht, geldt een agrarische bestemming zonder bouwvlak. Voor de activiteiten van de initiatiefnemer is de bestemming 'bedrijf' nodig.

2.2.2 Strijdigheid Omgevingsverordening provincie Groningen 2016

Het gedeelte van de gronden met de bestemming 'agrarisch' en het grootste gedeelte van de bestemming 'wonen 1a' worden tot het provinciaal buitengebied gerekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpscwmeenteweg69-va01_0007.jpg"

Figuur 6 Grens provinciaal buitengebied (bron Cyclomedia 2018)

De loods is geprojecteerd op een gedeelte van de gronden dat in de Omgevingsverordening aangewezen is als buitengebied. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied bevat geen bestemmingen die voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling (artikel 2.13.1, lid 1, van de Omgevingsverordening).

Een uitzondering kan worden gemaakt als het een stedelijke ontwikkeling betreft die aansluit op het bestaand stedelijk gebied en als binnen het bestaand stedelijk gebied geen ruimte beschikbaar is of na intensivering, revitalisering en herstructurering kan worden verkregen (artikel 2.13.1, lid 2, onder a. van de Omgevingsverordening). Dit houd in dat gemotiveerd moet worden waarom de loods op deze plek noodzakelijk is omdat elders binnen bestaand stedelijk gebied geen ruimte beschikbaar is. De onderbouwing voor de keuze van de locatie is hierboven onder 1.1.2 opgenomen.

De gronden die aangemerkt zijn als buitengebied maken deel uit van het bebouwingslint aan de Meenteweg. Daarmee sluit de locatie aan op bestaand stedelijk gebied.

De gronden hebben niet altijd helemaal deel uitgemaakt van het buitengebied. Voor 2013 had een groot gedeelte van de gronden de bestemming "bedrijfsdoeleinden, categorie B(kt)" en maakten deel uit van de kwekerij. Bij de herziening van het bestemmingsplan heeft op basis van het feitelijke gebruik een omzetting in de bestemming 'agrarisch' zonder bouwvlak plaatsgevonden. Op dit moment zijn de gronden met de bestemming 'agrarisch', maar ook het grootste gedeelte van de bestemming 'wonen 1a', onderdeel van het buitengebied.

Op het perceel was in het vorige bestemmingsplan ook een bestemming "bedrijf" opgenomen. De reden om de bedrijfsbestemming binnen het perceel "te verschuiven" richting de Singel, is in belangrijke mate ingegeven door verkeersveiligheid. De verkeersstroom van het bedrijf (vrachtwagen, shovel, straatmachine, kraan, etc.) kruist de verkeersstroom van de woning nu niet. Doordat het terrein ook een inrit heeft aan de Singel is de openbare verkeersveiligheid ook niet in het gedrang. Op eigen terrein kan goed gekeerd worden zodat het terrein vooruitrijdend verlaten kan worden. De aansluiting van de Singel op de Meenteweg is ruim en overzichtelijk. Dit heeft de voorkeur boven de directe aansluiting op de Meenteweg.

De bestaande beplanting op en rond het terrein is beoordeeld. Vooral de beukenhaag langs de Meenteweg is beeldbepalend. Door de bestaande opritten te hergebruiken, blijft deze intact. Ook is er gekeken naar de bestaande beplanting op het terrein. Er hoeven voor het bouwen van de loods geen bomen gekapt te worden en de bestaande begroeiing vormt nu een mooie natuurlijk buffer tussen de woning en de loods. Aan de noordoost-zijde van de loods zorgt de bestaande beplanting langs de sloot voor voldoende afscherming naar het erachter gelegen meer open gebied. De loods wordt in gedekte kleuren uitgevoerd. De afschermende beplanting rond het perceel is op de verbeelding opgenomen (functieaanduiding 'groenvoorziening'). In de regels van het bestemmingsplan is bij de bestemmingen 'bedrijf' en 'wonen-1A' de verplichtng opgenomen om de beplanting in stand te houden als het plan wordt uitgevoerd.

Hoofdstuk 3 Planologisch beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De structuurvisie schetst de rijksambities tot 2040 en formuleert doelen, belangen en opgaven tot 2028.

De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. De SVIR is de eerste rijksnota die de onderwerpen infrastructuur en ruimte integraal behandelt. In de SVIR richt het rijk zich vooral op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. Door urbanisatie, individualisering, vergrijzing en ontgroening nemen de ruimtelijke verschillen toe. Vanaf 2035 groeit de bevolking niet meer. De samenstelling van de bevolking, en daarmee de samenstelling van huishoudens, verandert. Ambities tot 2040 zijn onder andere het aansluiten van woon- en werklocaties op de (kwalitatieve) vraag en het zoveel mogelijk benutten van locaties voor transformatie en herstructurering.

Ook wil het Rijk ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Dit moet voor zowel het landelijk als het stedelijk gebied gelden. In de SVIR is verder vastgelegd dat provincies en (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk zijn voor programmering van verstedelijking. (Samenwerkende) gemeenten zorgen voor (boven) lokale afstemming van woningbouwprogrammering die past binnen de provinciale kaders. Ook zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningbouwprogramma's. Ter versterking van het vestigingsklimaat in de stedelijke regio's rondom de main-, brain- en greenports geldt een gebiedsgerichte, programmatische urgentieaanpak. In krimpregio's wordt het interbestuurlijke programma bevolkingsdaling doorgezet.

Nationaal belang 13 van de SVIR van het Rijk vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de zogeheten Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de Ladder) worden onderbouwd. Deze onderbouwing is opgenomen in paragraaf Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het kabinet heeft in de hiervoor genoemde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen algemene regels moeten worden gesteld. Hiermee wordt de doorwerking van de nationale belangen op lokaal niveau geborgd. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders.

De volgende nationale belangen uit het Barro zijn van toepassing op de gemeente Midden-Groningen:

  • Waddenzee en waddengebied.
  • Hoofdwegen en landelijke spoorwegen.
  • Elektriciteitsvoorziening.
  • Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
  • Natuurnetwerk Nederland.
3.1.3 Conclusie

Het bestemmingsplan heeft geen betrekking op rijksbelangen. Het rijksbeleid werkt wel door in het beleid van lagere overheden. Het rijksbeleid werkt tevens door in de verschillende omgevingsaspecten die in dit bestemmingsplan zijn getoetst. Dit komt in de volgende paragrafen en in hoofdstuk 4 Onderzoeken aan de orde. In dit hoofdstuk wordt onder andere ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie 2016 - 2020 van de provincie Groningen bevat de integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie zijn zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving.

Doel van de Omgevingsvisie is het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de provincie verder verbeteren. Het accent in het beleid ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. De provincie wil ruimte bieden voor ondernemerschap om in te spelen op de dynamische ontwikkelingen. Activiteiten lopen steeds meer door elkaar heen. Dat heeft gevolgen voor het ruimtegebruik. Functies, als bijvoorbeeld wonen en werken, zijn steeds minder van elkaar gescheiden.

In de Omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's en elf provinciale 'belangen':

Ruimte

  • 1. Versterken van ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe bovenlokale ontwikkelingen;
  • 2. Het creëren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor woningbouw, bedrijventerreinen, kantoorlocaties en detailhandel door het concentreren van ruimtelijke ontwikkelingen in stedelijke gebieden en vitale kernen;
  • 3. Voorwaarden scheppen voor een goede infrastructuur ven ruimte voor veilige winning, transport en opslag van duurzame energie;
  • 4. Zorgen voor een vitale landbouwsector in balans met de omgeving.


Natuur en landschap

  • 5. Beschermen en versterken van de kenmerkende landschapsstructuren en het culturele erfgoed dat bijdraagt aan de identiteit en de variëteit van de diverse landschappen in onze provincie;
  • 6. Beschermen en ontwikkelen van de biodiversiteit, zowel binnen als buiten het Nationaal Natuurnetwerk Nederland.


Water

  • 7. Zorgen voor bescherming tegen wateroverlast en overstromingen
  • 8. Zorg dragen voor de beschikbaarheid van kwalitatief en voldoende schoon water


Mobiliteit

  • 9. Zorgen voor goede en veilige (inter)nationale, provinciale en regionale bereikbaarheid over weg, water, spoor, door de lucht en digitaal


Milieu

  • 10. Tegengaan van milieueffecten en -hinder door te sturen op de kwaliteit van water, lucht, geluid en bodem;
  • 11. Streven naar een zorgvuldig gebruik van de ondergrond en een veilige winning en opslag van (delf)stoffen

Naast de genoemde provinciale belangen worden er in het beleid 5 specifieke opgaven genoemd voor specifieke onderwerpen of gebieden. De 5 opgaven zijn:
Gaswinning, Energyport, Groei en krimp, Regio Groningen-Assen en Waddengebied. Met uitzondering van het laatste onderwerp zijn de andere 4 opgaven in meer of mindere mate relevant voor de gemeente Midden-Groningen.

3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening

In de Omgevingsverordening Provincie Groningen 2016 (hierna Omgevingsverordening genoemd) heeft de provincie regels opgenomen om de doelstellingen aangegeven in de omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsverordening bevat dan ook regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen.

3.2.3 Provinciaal buitengebied

In het provinciaal beleid wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk gebied en buitengebied. Binnen het stedelijk gebied laat de provincie veel ruimtelijke bevoegdheden over aan gemeenten. In het buitengebied ziet de provincie, in verband met taken op het gebied van onder meer natuur, water, landschap en erfgoed een grotere verantwoordelijkheid voor zichzelf.

In de provinciale omgevingsverordening is het provinciaal buitengebied vastgelegd. Een gedeelte van het plangebied ligt in het buitengebied (kaart 1 bij de Omgevingsverordening). Het betreft het gedeelte dat in het voorgaande bestemmingsplan de bestemming 'agrarisch' had en een gedeelte van de bestemming 'wonen-1a'. Voor het grootste gedeelte van deze gronden wordt in dit bestemmingsplan de bestemming 'bedrijf' opgenomen.

Artikel 2.13.1 van de Omgevingsverordening geeft regels met betrekking tot de nieuwvestiging of uitbreiding van niet-functioneel aan het buitengebied gebonden functies. Een bedrijf dat zich richt op agrarische dienstverlening, wordt tot deze categorie gerekend. In artikel 2.13.1 staat aangeven

"1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied bevat geen bestemmingen die voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
2 Het eerste lid is niet van toepassing:

a.op een stedelijke ontwikkeling die aansluit op het bestaand stedelijk gebied, op voorwaarde dat in de plantoelichting is aangetoond dat voor deze ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied geen ruimte beschikbaar is of na intensivering, revitalisering en herstructurering kan worden verkregen;..."

De onderbouwing voor de keuze van de locatie is hierboven onder 1.1.2 opgenomen. In paragraaf 2.2 bij de beschrijving van de nieuwe situatie, wordt een verdere onderbouwing gegeven.

3.2.4 Conclusie

Het plan bevat in de plantoelichting een motivering ten aanzien van de locatie, waarom binnen bestaand stedelijk gebied geen ruimte beschikbaar is. Daarom is het plan in overeenstemming met het provinciale beleid uit de Omgevingsvisie en -verordening.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Harmonisatie beleid

Het beleid van de voormalige gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Slochteren en Menterwolde moet geharmoniseerd worden tot nieuw beleid voor Midden-Groningen. Hierbij vormen de uitgangspunten en bouwstenen uit het Kompas de basis. Het huidige beleid is (met een aantal uitzonderingen, waaronder bestemmingsplannen) geldig tot 1 januari 2020. Voorliggend bestemmingsplan wordt dan ook getoetst aan het beleid van de voormalige gemeenten, voor zover relevant.

3.3.2 Kompas gemeente Midden-Groningen

Per 1 januari 2018 zijn de voormalige gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Slochteren en Menterwolde samengegaan tot de nieuwe gemeente Midden-Groningen. In het Kompas is de richting beschreven waarin de nieuwe gemeente zich wil gaan ontwikkelen. Hierbij is de gemeente eerst en vooral bondgenoot van inwoners, bedrijven en organisaties. Het motto is: minder voorschrijven, meer samenwerken.

Het Kompas benoemt drie bouwstenen voor een gemeenschappelijke maatschappelijke agenda. Deze bouwstenen bevatten de gemeenschappelijke doelen waar gemeente, inwoners, ondernemers, organisaties en bestuur de komende jaren aan gaan werken.

Bouwsteen 1: Groots in kleinschaligheid
De gemeente zet sterk in op zelfredzame en leefbare dorpen en kernen. Hierbij zijn inwoners medeverantwoordelijk voor de leefbaarheid. Leefbaarheid heeft sterk te maken met 'schoon, heel en veilig'. Gemeente en inwoners worden hierin steeds meer gelijkwaardige partners.

De nieuwe gemeente is een verband van vitale, lokale gemeenschappen die bestaan uit de inwoners van dorpen, kernen en wijken. Al deze gemeenschappen hebben hun eigen identiteit en alle dorpen en wijken zijn anders. De omstandigheden, mogelijkheden en wensen zijn op elke plek anders en vragen om specifieke initiatieven, arrangementen en maatregelen. Daarom wordt nadrukkelijk gekozen voor maatwerk. Door inwoners zelf meer verantwoordelijkheid en zeggenschap te geven, wordt eveneens meer ruimte gegeven aan de verschillen tussen dorpen en kernen.

Het maatwerk dat geleverd wordt, valt binnen een overkoepelende visie. In alle dorpen en wijken kunnen mensen goed en plezierig wonen. Iedere lokale gemeenschap beschikt over een gelegenheid of voorziening waar inwoners elkaar kunnen ontmoeten. Daarnaast zijn alle dorpen en kernen fysiek en digitaal goed bereikbaar. Het streven is om de voorzieningen die van belang zijn voor het dagelijks leven, zo dicht mogelijk bij mensen te brengen of te zorgen dat deze goed bereikbaar zijn. Daarbij blijven we realistisch: wie in een klein dorp woont, mag een bij die schaal passend aanbod van voorzieningen verwachten. Meer gemeente-brede of regionale voorzieningen worden geconcentreerd in de stedelijke kern van Hoogezand.

Bouwsteen 2: Ieder mens telt
In de gemeenschap telt ieder mens: iedereen heeft betekenis voor zichzelf en zijn omgeving, en komt tot zijn recht om wie hij is. Het uitgangspunt is 'eigen kracht': alle inwoners - van jong tot oud, met of zonder beperking - nemen zelf de regie over hun leven en zijn zelf verantwoordelijk voor hun leven.

Voor mensen die maatschappelijk kwetsbaar zijn, is het soms moeilijk hun eigen kracht te vinden. Scholing voor kinderen is de manier om de vicieuze cirkel van maatschappelijke kwetsbaarheid te doorbreken. De integrale kindcentra kunnen daar goed bij helpen, maar niet per se en overal. Ook hier is ruimte voor verschillen en maatwerk. De sociale teams leveren ook maatwerk. De sociale teams spelen in individuele situaties een belangrijke rol bij het vinden van oplossingen. Samen met de ouders en/of gezinnen gaan zij na hoe belemmeringen op het gebied van geld, gezondheid, onderwijs en/of werkloosheid kunnen worden weggenomen. Ze redeneren daarbij vanuit het gezin, niet vanuit de verschillende hokjes of budgetten bij de gemeente. Verder wil de gemeente samen met werkgevers en onderwijsinstellingen snel een concreet plan maken en uitvoeren om werkzoekenden 'fit' te maken voor werk.

Bouwsteen 3: Economie van de toekomst
De gemeente Midden-Groningen heeft een stevige economische basis, dankzij de bedrijvigheid in stuwende sectoren zoals (maak-)industrie, landbouw, handel, bouw en energie. Vooral met de maakindustrie, met name scheepsbouw, onderscheiden wij ons regionaal. Voor de werkgelegenheid zijn ook de publiek gefinancierde instellingen en ondernemingen van belang. De maakindustrie en de landbouw kunnen worden versterkt. Nieuwe kansen bieden de energietransitie en de vrijetijdseconomie. De gemeente heeft weinig mogelijkheden om de economie en de arbeidsmarkt te veranderen; daarvoor zijn vooral partijen als onderwijs en bedrijfsleven aan zet. De gemeente zet zich wel samen met lokale en regionale partners in voor onder andere de volgende zaken:

  • het innoveren van de arbeidsmarkt en economie;
  • het creëren van nieuwe partnerschappen en allianties en bestaande allianties versterken:
  • excellente dienstverlening voor ondernemers en instellingen;
  • beschikbaarheid van snel internet;
  • meer regionale waarde voor de landbouw;
  • blijvende vernieuwing van de maakindustrie;
  • duurzame inzetbaarheid van de beroepsbevolking;
  • energietransitie om de afhankelijkheid van fossiele energie te verkleinen;
  • bredere samenwerkingsverbanden;
  • uitwerken van de regionale agenda.
3.3.3 Woonvisie Nieuw Midden-Groningen 2019-2028

Op 28 februari 2019 heeft de gemeenteraad van Midden-Groningen de 'Woonvisie Nieuw Midden-Groningen 2019-20208' vastgesteld. De belangrijkste ambitie van de woonvisie is woonkwaliteit van Midden-Groningen verbeteren. Voor de stedelijke kern van Hoogezand-Sappemeer is een grootschalige herstructurering de grootste opgave voor de komende jaren. Geen van de dorpen van Midden-Groningen gaat 'op slot'. Door aardbevingsproblematiek en krimp zet het college daar in op dorpsvernieuwing met een belangrijke rol voor bewoners. De woonvisie is opgesteld in nauwe samenspraak met woningbouwcorporaties en inwoners van Midden-Groningen.

In het stedelijk gebied van Hoogezand-Sappemeer wordt fors ingezet op realisatie van het Stadshart: een project van ongeveer 300 woningen. Na afronding van sloop-nieuwbouw in Gorecht-West zijn de woningen in Gorecht, Spoorstraat-Kieldiep, Noorderpark-Margrietpark en Foxhol aan de beurt. In de Vosholen en de IJsbaanlocatie wil Midden-Groningen woningen bouwen die aansluiten op de vraag. Voor de dorpen ontwikkelen inwoners en gemeente de komende jaren dorpsvisies. In die visies is ruimte voor kleinschalige woningbouw, als daaraan behoefte is bij dorpsbewoners. Aan de westzijde van de gemeente wil Midden-Groningen mogelijkheden voor groei benutten door creatieve nieuwe woonmilieus toe te voegen.

Onderdeel van de Woonvisie is een uitvoeringsagenda. De uitvoeringsagenda is een jaar geldig en wordt jaarlijks vernieuwd.

3.3.4 Ecologische basiskaart

Ruimtelijke ontwikkelingen en werkzaamheden kunnen gevolgen hebben voor beschermde en/of bedreigde planten en dieren. De Wet natuurbescherming stelt daar regels voor. Concrete ontwikkelingen, werkzaamheden en beheer en onderhoud moeten daaraan getoetst worden. Als hulpmiddel daarbij heeft de gemeente Midden-Groningen de 'Ecologische basiskaart en leidraad Midden-Groningen’ opgesteld.

De ecologische basiskaart bestaat uit meerdere kaarten, waarop onder meer de ligging van natuurgebieden en de populaties van soorten zijn aangegeven. In de bijbehorende leidraad is aangegeven wanneer bepaalde werkzaamheden op het vlak van bouwen (en slopen) en groenbeheer kunnen plaatsvinden.

Er is vooral gekeken buiten de reeds beschermde natuurgebieden. Binnen de natuurgebieden zijn de bijzondere waarden namelijk al beschermd door de planologische status van die gebieden. De aandacht is vooral gevestigd op bijzondere soorten en waarden uit de Wet natuurbescherming die voorkomen in bepaalde typen gebieden, zoals agrarische cultuurgronden, bosgebieden en landschapselementen.

3.3.5 Conclusie

Het plan is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid. Er worden geen extra woningen in het plan mogelijk gemaakt. Ten aanzien van ecologie is voor de locatie een Ecologische quickscan uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. In paragraaf Ecologie worden de conclusies behandeld.

Hoofdstuk 4 Onderzoeken

4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk bevat de resultaten van de verschillende onderzoeken naar de randvoorwaarden voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en de bijbehorende regelingen.

4.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

4.2.1 Inleiding

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving.

Op 1 juli 2017 is de nieuwe 'Ladder voor duurzame verstedelijking' in werking getreden. Deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Ladder houdt in dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de volgende onderdelen moet bevatten:

  • Beschrijving van de behoefte aan de ontwikkeling.
  • Indien de ontwikkeling ligt buiten het bestaande stedelijk gebied moet tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien.

Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voorziet het plan in de toevoeging van een gebouw, dan ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m2.

4.2.2 Toetsing

Stedelijke ontwikkeling
Voordat de Ladder voor de duurzame verstedelijking wordt doorlopen, moet de vraag worden beantwoord of er wel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. In onderlinge samenhang moet worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan.

In het voorgaande bestemmingsplan was een bedrijf (kwekerij) mogelijk (zonder bouwvlak) op het westelijke gedeelte van het perceel, een woning en agrarische grond (zonder bouwvlak). Zie ook paragraaf 1.2.2 Geldend bestemmingsplan. Ten aanzien van de bedrijfsbestemming is het goed om op te merken dat bedrijven in de milieucategorieën categorieën 1, 2 en 3.1 waren toegestaan, alsmede een kwekerij met ondergeschikte detailhandel. Inmiddels zijn geen bedrijfsgebouwen meer aanwezig en was er ook geen bouwvlak opgenomen.

In de nieuwe situatie wordt op het oostelijke gedeelte een bedrijfsbestemming toegevoegd. De agrarische bestemming wordt omgezet naar de bedrijfsbestemming. Ten behoeve van een loods wordt een bouwvlak opgenomen, waarin hoofdzakelijk stalling van de voertuigen plaatsvindt. Bebouwing voor dienstverlening ten behoeve van de landbouw met een bedrijfsoppervlakte van meer dan 500 m2 wordt mogelijk gemaakt. Daarmee zou in beginsel sprake zijn van een stedelijke ontwikkeling.

Het gaat in dit geval echter niet om vestigen van een nieuw bedrijventerrein. Het betreft 1 solitair bedrijf, waar enkel stalling van voertuigen zal plaatsvinden . Strikt genomen gaat het om het verplaatsen van een bedrijfsbestemming. De bedrijfsbestemming in het westelijke gedeelte van het plangebied komt te vervallen. Dit wordt als tuin aan de woonbestemming toegevoegd. Aan het oostelijke gedeelte van het plangebied wordt een bedrijfsbestemming toegevoegd.

Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er is sprake van het verschuiven van een bedrijfstemming binnen een kadastraal perceel.

Behoefte
Wanneer de ladder niet van toepassing is op een plan is wel een motivering nodig waaruit blijkt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet onder andere aandacht worden besteed aan de uitvoerbaarheid van het plan. In het kader van de uitvoerbaarheid moet aandacht worden besteed aan de behoefte. Op grond van de Omgevingsverordening van de provincie Groningen moet ook gemotiveerd worden waarom de loods op deze plek noodzakelijk is en elders binnen bestaand stedelijk gebied geen ruimte beschikbaar is. Dit wordt hierboven behandeld bij paragraaf 2.2 Nieuwe situatie.

4.2.3 Conclusie

Voorliggend plan voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

4.3.1 Inleiding

De VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) biedt een handreiking voor de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau.
De publicatie geeft informatie over de milieu- en hinderaspecten van verschillende typen bedrijven. Die aspecten worden weergegeven in scores of in richtafstanden tot hindergevoelige objecten. Op basis van de aspecten worden de verschillende bedrijfstypen gescoord in milieucategorieën. Daaruit volgt een indicatie van de afstand die voor dat type bedrijf worden aangehouden tot woningen of andere gevoelige objecten.
De norm is niet wettelijk verankerd. Het gaat om een richtafstand. Het bestuursorgaan kan met die richtafstand in de hand differentiëren naar omgevingstypen: rustige woonwijk, rustig buitengebied, en gebied met functiemenging (gemengd gebied). Ook de specifieke eigenschappen van het geval doen ter zake, bijvoorbeeld de schaal van de activiteiten. In voorkomende gevallen zal de bestuursrechter de afwegingen van het bestuursorgaan toetsen aan een goede ruimtelijke ordening. Daarbij weegt de VNG-brochure meestal zwaar.

De richtafstand werkt twee kanten op. Nieuwe bedrijvigheid moet voldoende afstand houden tot gevoelige objecten, maar nieuwe woningen moeten ook afstand houden tot bedrijvigheid. Niet alleen het woon- en leefklimaat telt immers. Ook de continuïteit van het bedrijf en de uitbreidingsmogelijkheden moeten worden gewogen.

Naast het afwegingskader van de brochure kunnen ook wettelijke normen van toepassing zijn. Zo heeft een melkveehouderij bijvoorbeeld te maken met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Activiteitenbesluit en/of de Wet geurhinder en veehouderij. Van geval tot geval moet worden beoordeeld hoe eventuele wettelijke normen en de VNG-richtlijn zich tot elkaar verhouden, beide bevatten immers maximum afstanden tot omliggende objecten. In zijn algemeenheid geldt dat in ieder geval aan de wettelijk normen moet worden voldaan. In sommige gevallen kan er uit het oogpunt van een goed woon- en leefklimaat aanleiding bestaan op basis van de VNG-brochure een grotere afstand aan te houden

4.3.2 Toetsing

Het plangebied is te karakteriseren als lintbebouwing van de kern Schildwolde aan een doorgaande weg. Het lint wordt omsloten door het buitengebied, met hoofdzakelijk een agrarische functie. In het gebied komen meerdere functies voor. In de directe omgeving wordt overwegend gewoond. Daarnaast komen een bedrijfsbestemmingen (opslag) en diverse percelen met een gemengde bestemming voor. Het gebied kan gekarakteriseerd worden als een gemengd gebied, waar diverse functies voorkomen.

Op grond van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' en de Staat van Bedrijven: Bedrijf moet een bedrijf dat dienstverlening ten behoeve van de landbouw verricht met een grotere bedrijfsoppervlakte dan 500 m2 in milieucategorie 3.1 geplaatst worden. Voor dit type bedrijf is de richtlijn voor de grootste afstand die moet worden aangehouden tot gevoelige functies 50 meter in verband met geluid. Omdat het een gemengd gebied betreft mag de afstand met 1 stap worden verlaagd. De afstand tot gevoelige functies, in dit geval woningen, moet dan volgens de richtlijn minimaal 30 meter bedragen.

De afstand wordt gemeten van de grens van de bestemming 'bedrijf' en het bouwvlak van de bestemming 'Wonen - 1A'. De kortste afstand tot een woning is circa 11 meter. Dit is aan de Singel. Daarom is binnen de bestemming 'bedrijf' een zonering opgenomen. Ter plaatse van het bouwvlak waar de loods wordt gebouwd en in een gebied er omheen is bedrijvigheid tot en met categorie 3.1 toegestaan. Voor de rest van het bestemmingsvlak 'bedrijf' is bedrijvigheid tot en met categorie 2 toegestaan. Voor deze milieucategorie is de richtlijn een afstand van 10 meter tot woningen. Op de verbeelding van het bestemmingsplan zijn aanduidingen voor de milieucategorieën opgenomen.

4.3.3 Conclusie

Door een zonering op te nemen is er voldoende afstand tot de omliggende woningen. Zoals eerder al aangegeven, beperken de bedrijfsactiviteiten zich tot stalling van het materieel (vrachtwagen, shovel, straatmachine, kraan, etc.). Eventueel onderhoud aan het materieel zal op een andere locatie worden uitgevoerd. Buitenopslag is niet toegestaan. Dit alles maakt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

4.4 Externe veiligheid

4.4.1 Inleiding

Wetgeving inrichtingen

Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) is het wettelijk kader voor risicovolle inrichtingen als het gaat om afstanden tot risicogevoelige objecten. Uitgangspunt is dat personen die ergens langdurig of permanent verblijven geen onevenredig groot risico lopen als er ramp gebeurt.

Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten

Het BEVI maakt onderscheid tussen twee categorieën risicogevoelige objecten: kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Dit onderscheid is gebaseerd op maatschappelijke opvattingen over welke groepen mensen in het bijzonder moeten worden beschermd. Daarnaast spelen ook het aantal personen en de verblijfsduur een rol.

Het BEVI geeft geen harde definities van kwetsbaar of beperkt kwetsbaar. Het noemt enkele categorieën kwetsbare objecten, met daarbij voorbeelden. Er kan bijvoorbeeld worden gedacht aan woningen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, scholen, kinderopvang, grote kantoren, hotels en winkelcomplexen en grote kampeer- en recreatieterreinen. Beperkt kwetsbare objecten zijn volgens het besluit in ieder geval verspreid liggende woningen, dienstwoningen van derden, kleinere kantoren, hotels, winkels, bedrijfsgebouwen, sporthallen, zwembaden, overige sport- en kampeerterreinen en objecten van hoge infrastructurele waarde zoals elektriciteitscentrales.

Plaatsgebonden risico

Het BEVI onderscheidt twee vormen van risico: het plaatsgebonden risico en het groepsgebonden risico.

Het plaatsgebonden risico (PR) is een maat voor het overlijdensrisico van één persoon op een bepaalde plaats in de omgeving van een ongeval. Het maakt niet uit of daar echt personen aanwezig zijn. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als: de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een inrichting zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof.

Het plaatsgebonden risico laat zich goed vertalen op een kaart. De verschillende punten in de omgeving met hetzelfde risico worden verbonden en zo ontstaat een contour. Zo wordt op de kaart een gebied met een bepaald risico aangegeven. Voor kwetsbare objecten geldt een zogenaamde grenswaarde: een kans van 10-6 per jaar. Die mag niet worden overschreden. Voor beperkt kwetsbare objecten is de kans van 10-6 een zogenoemde richtwaarde. Als het risico groter wordt, moet dat goed gemotiveerd worden.

Groepsrisico

Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is niet een vast getal, maar wordt uitgezet in een grafiek. Die geeft een curve waarin de kans op een bepaald aantal doden is af te lezen: zoveel kans op één dode, zoveel kans op twee doden en zo verder. Het groepsrisico geeft inzicht in de eventuele maatschappelijke ontwrichting. Daardoor kan er bewuster worden omgegaan met risico's. Het groepsrisico kan op twee manieren toenemen:

  • door uitbreiding van risicovolle activiteiten: de kans op een ongeval neemt toe;
  • door het verhogen van de personendichtheid (bijvoorbeeld door woningbouw): het aantal mogelijke doden neemt toe.

In beide gevallen neemt het groepsrisico toe. Daarom wordt er bij het opstellen van ruimtelijke plannen naar het groepsrisico gekeken.

Voor het groepsrisico gelden geen harde normen, maar alleen oriënterende waarden. Als die waarden worden overschreden, moet het bestuur dat motiveren. De regels daarvoor staan in het BEVI en de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Wij moeten in ieder geval aandacht besteden aan:

  • het aantal personen in het invloedsgebied;
  • het groepsrisico;
  • de mogelijkheden om het risico te verminderen;
  • de alternatieven;
  • de mogelijkheden om de omvang van de ramp te beperken;
  • de mogelijkheden tot zelfredzaamheid.

Wetgeving buisleidingen

Sinds 1 januari 2011 geldt het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en van de gemeente. De gemeente moet in bestemmingsplannen rekening houden met risicovolle buisleidingen.

De gemeente moet een ruimtelijke reservering opnemen voor het plaatsgebonden risico (PR). Het bestemmingsplan mag binnen de PR 10-6 risicocontour geen kwetsbare objecten mogelijk maken. Ook risicoverhogende objecten mogen niet. Risicoverhogende objecten zijn bijvoorbeeld windmolens (afvallende wieken) en hoogspanningslijnen. Beperkt kwetsbare objecten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen.

De gemeente moet het groepsrisico (GR) verantwoorden. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Het invloedsgebied bij brandbare vloeistoffen reikt tot net buiten de 10-6 contour. Voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet het invloedsgebied per geval berekend worden.

De gemeente moet een ruimtelijke reservering opnemen voor belemmeringenstrook met aanleg vergunningstelsel: de voor onderhoud gereserveerde ruimte bedraagt ten minste 5 meter aan beide zijden van de leiding.

Voorheen vielen de transportleidingen voor chemische stoffen (anders dan aardgas of aardolieproducten) nog niet onder het Bevb, maar onder de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. De Circulaire is echter in 2015 vervallen. Deze types leidingen zijn vanaf dat moment ook onder het Bevb gaan vallen. Als de ruimtelijke inpassing van deze leidingen echter voldoet aan het Bevb, wordt automatisch voldaan aan de huidige Circulaire.

Wetgeving transportroutes

Voor ruimtelijke plannen binnen het invloedsgebied (1% letaliteitsgebied) van de risicovolle transportassen (spoor, weg of water) is de circulaire "RisicoNormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen" (RNVGS) van toepassing. Deze circulaire zal worden vervangen door het Besluit transportroutes externe veiligheid (BTEV). De circulaire RNVGS blijft gelden totdat het BTEV in werking treedt. Een ontwerp van het BTEV is al in 2008 gepubliceerd.

Basisnet

Aan het BTEV is het zogenaamde basisnet gekoppeld. Dat is bedoeld om de transportroutes vast te leggen. Het basisnet houdt rekening met de veiligheid, maar ook met de dynamiek van het transport en met toekomstige groei. In het basisnet is de grotere weg-, spoor- en waterinfrastructuur opgenomen.

Onder het landelijk basisnet vallen binnen de gemeente Slochteren de A7, de N33 en het Eemskanaal.

De provincie Groningen heeft ook al een provinciaal basisnet vastgesteld, als onderdeel van de Provinciale Omgevingsverordening. Het basisnet geeft aan voor welke provinciale wegen aspecten van externe veiligheid aan de orde zijn. Het basisnet ziet toe op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Provinciespecifiek is een extra regel voor de bescherming voor minder zelfredzame personen.

Voor Slochteren is de volgende infrastructuur opgenomen in het provinciaal basisnet: A7, N33, N387, N860, N865, N987 en het Eemskanaal. De A7, N33 en het Eemskanaal zijn zoals gezegd tevens opgenomen in het nationaal basisnet.

  • Binnen 30 meter van de rand van wegen en spoorwegen in het basisnet mogen wij geen nieuwe objecten of functies voor beperkt zelfredzame personen toestaan (scholen, zorgwoningen, zorgcentra et cetera).
  • In de toelichting van bestemmingsplannen moeten wij aandacht besteden aan het groepsrisico binnen 200 meter van een weg uit het basisnet. Met name de risico's van een plasbrand (een brandende plas) en een BLEVE (gasexplosie) moeten beschouwd worden.
  • In de toelichting moeten wij ook aandacht besteden aan het groepsrisico in gebieden binnen 1500 meter van de spoorweg Groningen-Zuidbroek. Een strook aan de zuidkant van de gemeente valt binnen de invloedsafstand voor toxisch gas. De invloedsafstanden voor een plasbrand en een BLEVE vallen buiten de gemeentegrens.
  • Er zijn geen wegvakken nabij waar de contour van het plaatsgebonden risico (PR 10-6) buiten de contour van de weg valt.
4.4.2 Toetsing

In het plangebied treden geen veranderingen op met betrekking tot externe veiligheid. Er zijn geen risicovolle inrichtingen en/of risicovolle infrastructuur aanwezig en ook geen (noemenswaardige) wijzigingen in het plaatsgebonden en groepsrisico. De Meenteweg (N865) maakt onderdeel uit van het provinciaal basisnet. Daarom is de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' opgenomen. De nieuw te bouwen woning valt buiten deze zone.

4.4.3 Conclusie

Het bestemmingsplan is wat betreft het aspect externe veiligheid uitvoerbaar.

4.5 Verkeer en parkeren

4.5.1 Inleiding

Het plangebied is gelegen aan de Meenteweg te Schildwolde. Het plan maakt een woonbestemming aan de Meenteweg mogelijk. Hier wordt een woning vervangen. De woning heeft een eigen ontsluiting aan de Meenteweg.

Op de hoek Meenteweg en Singel komt de bedrijfsbestemming waar een loods wordt toegevoegd. Het bedrijf heeft een eigen in-/uitrit aan Singel. Hierdoor hoeft de Meenteweg niet een nieuwe aansluiting te krijgen voor zwaar verkeer. Voor de verkeersveiligheid is het beter dat het bedrijfsverkeer (vrachtwagen, shovel, straatmachine, kraan, etc.) niet meteen op de Meenteweg wordt ontsloten. De aansluiting Singel – Meenteweg is ruim en overzichtelijk. Op eigen terrein kan goed gekeerd worden zodat het terrein vooruitrijdend verlaten kan worden.

Singel is een landweg die een aantal percelen in het buitengebied ontsluit. De weg wordt gebruikt door bestemmingsverkeer. De Meenteweg is een provinciale weg. Ter plaatse van het plangebied is het binnen de bebouwde kom en geldt een maximumsnelheid van 50 km per uur.

4.5.2 Toetsing

Om te bepalen welke verkeerseffecten de nieuwe ontwikkeling heeft, is gebruik gemaakt van de publicatie van het CROW (Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 381). Het uitgangspunt is dat parkeren op het eigen terrein plaatsvindt. Het bouwplan is te onderscheiden in het (vervangen) van een woning en het verplaatsen van een bedrijfsbestemming inclusief het toevoegen van een loods.

Parkeren
Naast kencijfers voor de verkeersgeneratie zijn ook kencijfers voor parkeren in de publicatie van het CROW opgenomen. Het dorp Schildwolde is op deze locatie te beschouwen als een weinig stedelijk gebied in de rest van de bebouwde kom. Voor een koopwoning, vrijstaand, is de parkeerbehoefte minimaal 1,9 en maximaal 2,7 parkeerplaatsen per woning. De initiatiefnemer zal op het terrein 3 parkeerplaatsen ten behoeve van de woning aanleggen. Op het terrein is in zowel de huidige als toekomstige situatie voldoende ruimte aanwezig om in parkeren op eigen terrein te voorzien.

Het parkeren ten behoeve van de bedrijfsbestemming is maatwerk. De oppervlakte van de op te richten loods is specifiek op de behoefte van de initiatiefnemer afgestemd. Het parkeren ten behoeve van de bedrijfsbestemming vindt inpandig plaats.

Verkeersgeneratie
Voor de woning kan volgens is in de publicatie van het CROW een verkeersgeneratie van minimaal 7,8 en maximaal 8,6 motorvoertuigen per weekdag opgenomen. In de huidige situatie is eenzelfde soort woning aanwezig die dezelfde verkeersaantrekkende werking heeft. Met het planvoornemen verandert er dan ook niets aan de verkeerssituatie ter plaatse.

Voor het vrachtverkeer kan, op basis van de bedrijfsvoering uitgegaan van 2 vrachtwagens per dag. Rekening houdend met het komen en gaan van elke vrachtwagen, zijn dit 4 ritten.

De Meenteweg kan deze verkeersstroom prima aan. Bij de provincie Groningen zijn telgegevens opgevraagd. De laatste 10 jaar neemt de verkeersintensiteit eerder af dan toe.

4.5.3 Conclusie

Het planvoornemen is wat betreft het aspect verkeer en parkeren uitvoerbaar.

4.6 Water

4.6.1 Inleiding

Het opnemen van een waterparagraaf in een bestemmingsplan is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het overleg met het waterschap wordt gevoerd op basis van artikel 3.1.1 Bro. In die paragraaf dient te worden uiteengezet wat voor gevolgen het plan in kwestie heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater.

Het waterbeleid, zoals opgenomen in het Nationaal Waterplan 2016-2021 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet zet hiermee in op een robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteeem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

In het kader van de ontwikkelingen van dit plan dient overleg gevoerd te worden met waterschap Hunze en Aa's. De wijze waarop de aanvrager het waterschap informeert over ruimtelijke plannen en om advies vraagt, hangt sterk af van de aard van het plan. In de waterparagraaf dienen de keuzes in ruimtelijke plannen ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd worden beschreven. Het wateradvies van het waterschap moet daarin zijn meegenomen.

Bij het opstellen van de waterparagraaf zijn ruimtelijk relevante criteria te onderscheiden in criteria die betrekking hebben op de locatiekeuze en in criteria die betrekking hebben op de inrichting van een ruimtelijk plan. In de waterparagraaf van het bestemmingsplan dienen zowel de huidige- als toekomstige relevante thema's te worden beschreven. Thema's die in de waterparagraaf meegenomen kunnen worden zijn: veiligheid, wateroverlast, afvalwater & riolering, grondwater& ontwatering, peilen & drooglegging, waterkwaliteit & volksgezondheid, inrichting watersysteem, natuur & ecologie en bodemdaling.

Waterhuishoudkundige consequenties van een plan mogen niet op de omgeving afgewenteld worden. Het waterschap streeft ernaar om de ingrepen binnen een peilgebied waterneutraal te houden. Wateraspecten die met een specifiek instrument geregeld kunnen worden, worden in de watertoets wel gesignaleerd maar niet geregeld. In het afgegeven advies wordt wel verwezen naar de regelstellende instrumenten zoals, de Keur van het waterschap, Activiteitenbesluit, Besluit lozen buiten inrichtingen, Besluit bodemkwaliteit, peilbesluit, gemeentelijke verordening, watervergunning.

4.6.2 Toetsing

Het Waterschap Hunze en Aa's is geïnformeerd over het plan Meenteweg 69 te Schildwolde door gebruik te maken van de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de Normale procedure van de watertoets wordt doorlopen. Dit houdt in dat het waterschap Hunze en Aa's een maatwerk wateradvies levert. Dit advies is hieronder opgenomen. Het volledige wateradvies is in Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen.

Specifiek en aanvullend advies (bron: wateradvies waterschap Hunze en Aa's)

"Het plangebied ligt in een peilgebied met een zomerpeil van -2,95 m NAP en een winterpeil van -3,45 m NAP. Aan de noordoostzijde ligt een hoofdwatergang en aan de zuid-, en zuidwestzijde ligt een schouwsloot (zie figuur 1). Onder de oostzijde van het gebied (op de locatie van de nieuwe loods) komen relatief hoge grondwaterstanden voor van ongeveer 0,4 m onder maaiveld (zie figuur 2). Het perceel kan dus vrij nat worden; het waterschap adviseert om hiermee rekening te houden bij de bouw van de nieuwe loods. Het bouwpeil kan bijvoorbeeld verhoogd worden. Zoals de hoogtekaart (figuur 3) laat zien ligt deze locatie namelijk relatief laag ten opzichte van het omliggende landschap. De laagste grondwaterstanden op deze plek liggen op ongeveer 0,9 meter onder maaiveld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpscwmeenteweg69-va01_0008.png"

Figuur 1 oppervlaktewatersysteem

Binnen het plan vindt verhardingstoename plaats. De verhardingstoename bestaat uit de bouw van een nieuwe loods (+ 648 m2), de sloop van de oude woning (-200 m2), de bouw van een nieuwe woning (+ 293) en het plaatsen van aanvullende bestrating rondom deze woning (300 m2). Dit komt neer op een toename van 1041 m2. Hierdoor wordt de compensatiedrempel van 150 m2 verhardingstoename in het stedelijk gebied overschreden. Dit houdt in dat compenserende waterberging moet worden gerealiseerd. De gebiedsspecifieke afvoer is 1,6 l/sec/ha. Om deze afvoer in het plangebied niet te overschrijden bij piekbuien (waardoor het oppervlaktewatersysteem overbelast kan raken), is 81 m3 compenserende waterberging nodig.

In de planomschrijving staat dat het vrijkomende hemelwater op het hemelwaterriool wordt afgekoppeld, of op een gemengd stelsel. Het waterschap heeft sterk de voorkeur bij afkoppeling op een gescheiden stelsel, of op een oppervlaktewatersysteem. Omdat het plangebied omgrensd wordt door oppervlaktewater is afkoppeling hierop dan ook sterk te adviseren.

De planindiener dient een voorstel te doen over de te nemen maatregel(en) om de benodigde hoeveelheid compenserende waterberging te realiseren. Het waterschap kan hierbij ondersteunen, indien nodig. Het voorstel wordt vervolgens beoordeeld door het waterschap om te bepalen of de maatregel afdoende is. Om de effectiviteit van de compenserende waterbergingsmaatregelen goed te kunnen beoordelen is van belang om duidelijk aan te geven; wat de maatvoering van de bergingsmaatregel is, waar de maatregel wordt genomen en hoe het geborgen water wordt afgevoerd (bijvoorbeeld via infiltratie of met een aansluiting op het watersysteem).

Compenserende waterberging kan op meerdere manieren gerealiseerd worden. Naast uitbreiding van het bestaande oppervlaktewater kan bijvoorbeeld gedacht worden aan berging in/op het bouwoppervlak, via een groen dak of een waterdak. Indien de locatie hiervoor geschikt is zouden bodeminfiltratiemaatregelen kunnen worden toegepast, zoals grindkoffers, infiltratiekratten of een infiltratieriool. De in het gebied voorkomende hoge grondwaterstanden maken dergelijke maatregelen echter minder effectief. Indien infiltratiemaatregelen gewenst zijn is aanvullend onderzoek te adviseren."

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpscwmeenteweg69-va01_0009.png"

Figuur 2 Gemiddeld Hoogste Grondwaterstanden

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpscwmeenteweg69-va01_0010.png"

Figuur 3 Hoogtekaart

Maatregelen

Conform het wateradvies van het waterschap Hunze en Aa's zijn de volgende maatregelen getroffen. Er is een bestaande vijver van 10 x 20 meter.

Er is een toename van verhard gebied van 1041 m2. Per m2 toename moet er 80 liter kunnen worden opgevangen. 80 x 1041 = 83.280 liter.

De vijver is uitgediept tot een diepte van 1 meter. De grond die er uit kwam is gebruikt voor het ophogen van het terrein ter plaatse van de loods. De vijver kan 20 x 1 = 200 m3 = 200.000 liter bergen en is dus voldoende.

Op advies van het waterschap is aan de bestemmingen een voorwaardelijke verplichting toegevoegd die een minimale waterberging van 81 m3 verplicht. Aan de regels is een Bijlage Watercompensatie toegevoegd.

4.6.3 Conclusie

Het bestemmingsplan Meenteweg 69, Schildwolde is voor wat betreft het aspect water uitvoerbaar.

4.7 Bodem

4.7.1 Inleiding

Bodemkwaliteit

De aanwezige milieuhygiënische bodemkwaliteit behoort te passen bij het huidige of het toekomstige gebruik van de bodem. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door menselijk handelen (zorgplicht).

Informatie over uitgevoerde bodemonderzoeken, bodemsaneringen en historisch verdachte locaties staan vermeld op de Bodeminformatiekaart (via www.provinciegroningen.nl).

Grondverzet

Voor toepassing van grond, bouwstoffen en baggerspecie gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Een deel van de regels voor hergebruik van grond staan beschreven in de gemeentelijke de Regionale bodemkwaliteitskaart Groningen en de Regionale Nota bodembeheer provincie Groningen (2014).

Bodemtoets

Bij graafwerkzaamheden, bouwactiviteiten, uitbreiding of verandering van (bedrijfs-) activiteiten dient de initiatiefnemer bij de gemeente na te gaan of een actueel bodemonderzoek ingediend moet worden of niet.

4.7.2 Toetsing

Door Klijn Bodemonderzoek is het "Verkennend bodem- en asbestonderzoek Meenteweg 69 te Schildwolde" uitgevoerd (Rapport 18KL435, 4 december 2018). Het Bodemonderzoek omvat het gehele perceel.

De belangrijkste bevinding op grond van het onderzoek van Klijn is dat ter plaatse van de voorgenomen nieuwbouw van de woning, rondom de garage en ter plaatse van de voormalige schuur, matig tot sterke verontreinigingen met onder andere zink, DDT en DDE aangetroffen zijn. De omvang van deze verontreiniging(en) is nog niet helemaal in beeld gebracht, daarvoor is nader onderzoek nodig. Dit betekent dat de aanvrager een vervolgonderzoek moet laten doen. Dit nader bodemonderzoek moet de omvang en spoedeisendheid van de geconstateerde verontreinigingen in kaart te brengen. Gezien de mogelijke omvang van de verontreiniging, moet het nader onderzoek worden uitgevoerd door een bedrijf dat erkend is voor saneringen. Bij vergunningaanvragen met betrekking tot graafwerkzaamheden, bouw- of bedrijfsactiviteiten dient de initiatiefnemer alsnog na te gaan of de bodemkwaliteit voldoende in beeld is gebracht of niet.

In de rest van het plangebied, verspreid over het terrein, zijn licht verhoogde gehalten in de bovengrond aangetroffen. Deze licht verhoogde gehalten liggen echter onder het criterium voor nader onderzoek en vormen geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek en vormen geen belemmering voor de voorgenomen bouw van de loods.

4.7.3 Conclusie

De gemiddelde bodemkwaliteit voldoet aan de functie Wonen en vormt geen belemmering voor de wijziging van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is wat betreft het aspect bodem uitvoerbaar.

4.8 Luchtkwaliteit

4.8.1 Inleiding

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. Projecten met een invloed van 'niet in betekenende mate' (nibm) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:

  • woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen;
  • projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10). Deze grens komt overeen met 1.401 auto's dan wel 109 vrachtwagens per weekdagetmaal.

PM10 en PM2,5 zijn overigens sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden.

4.8.2 Toetsing

Met de NIBM-tool is de bijdrage aan de luchtkwaliteit vastgesteld. De NIBM-tool is in 2008 ontwikkeld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil. De NIBM-tool wordt jaarlijks door InfoMil geactualiseerd.

Het doel van de NIBM-tool is:

  • eenvoudig en snel bepalen of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht.
  • het beperken van de onderzoekslast bij kleinere projecten.
  • het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen, dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de NIBM-grens.

Het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer is ingevoerd. Voor de overige invoergegevens is in de NIBM-tool uitgegaan van worst-case omstandigheden. Met deze beperkte invoergegevens wordt vastgesteld of een plan NIBM is.

Voor de verkeersaantrekkende werking aangeven is met in achtneming van de worst-case omstandigheden rekening gehouden met 7 ritten per dag voor de woning. Verder is op basis van de bedrijfsvoering uitgegaan van 2 ritten met vrachtwagens per dag. Rekening houdend met het komen en gaan van elke vrachtwagen, zijn dit 4 ritten. Het totaal is derhalve 11 ritten per dag waarbij het aandeel vrachtverkeer 4/11 = 36% bedraagt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpscwmeenteweg69-va01_0011.jpg"

4.8.3 Conclusie

Het planvoornemen is wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.

4.9 Ecologie

4.9.1 Inleiding

Ter bescherming van ecologische waarden moet bij ruimtelijke ingrepen een afweging worden gemaakt in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden (Natura 2000).

Leidraad Gemeente Midden-Groningen

De gemeente Midden-Groningen heeft in 2017 een leidraad met bijbehorende themakaarten opgesteld dat als handreiking dient voor ruimtelijk beleid en inzicht geeft in de ecologische waarden in de gemeente Midden-Groningen. Met behulp van de leidraad kan een goed beeld worden verkregen van de natuurwaarden in de gemeente.

Ecologische quick scan

Door Dillerop natuuradvies is een Ecologische quickscan uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. De locatie is bezocht op 6 november 2018.

4.9.2 Toetsing

In de quick scan wordt geconcludeerd dat in het plangebied geen beschermde dier- of plantensoorten die door de activiteiten wezenlijk kunnen worden beïnvloed. Vanuit de Wet natuurbescherming zijn er geen belemmeringen. In het plangebied komen mogelijk wel enkele algemene kleine zoogdieren en amfibieënsoorten voor.

Door de voorgenomen sloop van de oude woning zullen voor vleermuizen geen verblijfplaatsen, vliegroutes en geen significant oppervlak aan foerageergebied worden aangetast. Er treden geen negatieve effecten op; derhalve hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd.

In het plangebied noch in de directe omgeving daarvan zijn jaarronde vaste rust- of verblijfplaatsen (van strenger beschermde soorten) aangetroffen; hier zijn geen effecten te verwachten.

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of een ander gebied beschermd middels de Wet natuurbescherming. Er is geen sprake van externe werking. De voorgenomen werkzaamheden hebben om deze reden geen negatieve effecten op het functioneren van Natuurnetwerk Nederland.

4.9.3 Conclusie

In de quickscan worden aanbevelingen gedaan. Als deze in acht worden genomen is het planvoornemen wat betreft het aspect ecologie uitvoerbaar.

4.10 Geluid

4.10.1 Inleiding

Wat betreft geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder van toepassing. In deze wet wordt onderscheid gemaakt in wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai.

Wegverkeerslawaai
In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/geldt en wegen die zijn aangeduid als 'woonerf'. In geval van nieuwe geluidgevoelige bebouwing binnen een zone dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. Voor 30 km wegen geldt formeel geen zone, maar hiervoor geldt in het kader van goede ruimtelijke ordening een onderzoeksplicht. Alleen indien zonder twijfel vaststaat dat het aantal voertuigbewegingen over de weg beperkt is, is akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Behoudens situaties waarbij door burgemeester en wethouders een hogere waarde is vastgesteld, geldt voor geluidgevoelige bebouwing, waaronder woningen binnen een zone als hoogst toelaatbare geluidsbelasting van de gevel 48 dB.

Railverkeerslawaai
Ook hoofdstuk 7 (Zones langs spoor-, tram- en metrowegen) van de Wet geluidhinder is van belang. Behoudens situaties waarbij door Gedeputeerde Staten een hogere waarde is vastgesteld, geldt voor woningen binnen een zone als hoogst toelaatbare geluidsbelasting van de gevel 55 dB (artikel 106 Wet geluidhinder).

Bij het voorbereiden van de vaststelling of de herziening van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijke betrekking heeft op grond behorende bij een zone als bedoeld in artikel 106b van de Wet geluidhinder, dienen burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek in te stellen naar:

  • de geluidsbelasting die door woningen, door andere geluidgevoelige gebouwen of door geluidgevoelige terreinen binnen de zone vanwege de spoorweg zou worden ondervonden, zonder de invloed van maatregelen die de geluidsoverdracht beperken;
  • de doeltreffendheid van de in aanmerking komende maatregelen om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege de spoorweg optredende geluidsbelasting van de woningen te boven zou gaan.

Industrielawaai
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden industrieterreinen met grote lawaaimakers enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds.

Met zonering wordt beoogd geluidgevoelige bestemmingen enerzijds en geluidproducerende bedrijven anderzijds ruimtelijk te scheiden en rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.

4.10.2 Toetsing

In de nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn aanwezig die kan bijdragen aan eventuele geluidhinder op het perceel.

In het plangebied ligt geen zone van een gezoneerd industrieterrein.

De Meenteweg is de enige geluidsrelevante weg in de omgeving van het plangebied. De nieuw te bouwen woning ligt circa 40 meter uit het hart van de weg. De provincie houdt tellingen bij van het verkeer. Uitgaande van de hoogste intensiteit van de afgelopen jaren en rekening houdend met substantiële groei, wordt de hoogst toelaatbare geluidsbelasting niet overschreden. Uit tellingen blijkt dat de verkeersintensiteit gelijk blijft, of afneemt.

4.10.3 Conclusie

Het planvoornemen is wat betreft het aspect geluid uitvoerbaar.

4.11 Archeologie

4.11.1 Inleiding

Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta (Malta). Daarna heeft de rijksoverheid beleid ontwikkeld voor een zorgvuldige omgang met het archeologisch erfgoed. Het uitgangspunt is het behoud van archeologische waarden 'in situ' (ter plekke; in de bodem).

In 2007 heeft het verdrag zijn neerslag gekregen in de Nederlandse wetgeving. Op 1 september van dat jaar trad de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking. In samenhang daarmee werden ook de Monumentenwet 1988 en drie andere wetten aangepast.

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ).

De gemeente Midden-Groningen is gestart met een grote harmonisatie van de bescherming van het gemeentelijk erfgoed. In de drie voormalige gemeenten heeft in 2017 een inventarisatie plaatsgevonden van het gemeentelijk erfgoed. Het is de bedoeling medio 2018 meer gemeentelijke monumenten te selecteren en aan te wijzen, enerzijds om bijzonder waardevolle panden zo goed mogelijk te kunnen beschermen tegen gevolgen van de gaswinning, anderzijds vanwege benodigde harmonisatie van erfgoedbeleid.

Nederlandse gemeenten zijn vanwege wetgeving op het gebied van archeologische monumentenzorg (Wet op de archeologische monumentenzorg) verplicht om archeologische waarden in de ruimtelijke planprocedures te betrekken en waardevolle resten te beschermen.Om deze wettelijke taak goed te kunnen uitvoeren en direct mee te kunnen nemen in de actualisering van bestemmingsplannen is gemeentelijk archeologiebeleid, bestaande uit een beleidsnota en beleidskaart, opgesteld. Op de archeologische beleidskaart is aangegeven welk archeologisch beleid van toepassing is in het bestemmingsplan.Door het archeologisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan dit beleid is duidelijk geworden waar (hoge) archeologische verwachtingswaarden zijn en waar deze laag zijn. Door deze kaart is nu vooraf duidelijk voor welke bouw- en graafwerkzaamheden wel en voor welke geen inventariserend archeologisch onderzoek vooraf meer nodig is om uit te sluiten dat archeologische waarden worden aangetast. Wanneer de beleidskaart aangeeft dat de verwachtingswaarden hoog zijn moet de aanvrager middels een onderzoek aantonen of er waarden aanwezig zijn. De kaart is gebruikt als input voor het bestemmingsplan.

4.11.2 Toetsing

In het vorige bestemmingsplan was voor delen van het plangebied de dubbelbestemming 'waarde-archeologie-3' opgenomen. De actuele archeologische verwachtingskaart geeft voor het hele perceel een lage archeologische verwachting. Er is dan geen archeologisch onderzoek nodig. De archeologische dubbelbestemming is daarom in dit plan niet meer opgenomen.

4.11.3 Conclusie

Het bestemmingsplan is wat betreft het aspect archeologie uitvoerbaar.

4.12 Cultuurhistorie

4.12.1 Inleiding

Ieder ruimtelijk plan moet een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

4.12.2 Toetsing

In 2017 heeft de gemeente Midden-Groningen een inventarisatie uitgevoerd naar karakteristieke bebouwing in de gemeente. Deze karakteristieke bebouwing is opgenomen in Facetbestemmingsplan karakteristieke objecten, vastgesteld 20 december 2018 door de gemeenteraad van Midden-Groningen.

4.12.3 Conclusie

De te slopen woning is niet een object dat is opgenomen in het Facetbestemmingsplan karakteristieke objecten. In het plangebied is geen karakteristieke bebouwing aanwezig. De nieuwe woning en loods hoeven niet aan het Facetbestemmingsplan karakteristieke objecten te worden getoetst. Het planvoornemen is wat betreft het aspect cultuurhistorie uitvoerbaar.

4.13 Kabels en leidingen

De hogedrukgasleidingen zijn al aan de orde gekomen in de paragraaf 4.4 Externe veiligheid. Voor het overige liggen in het plangebied geen ondergrondse kabels en leidingen waarvoor een specifieke planologische bescherming van belang is.

Bij de realisering van nieuwe bebouwing wordt wel geadviseerd een Klic-melding te doen, voor de ligging van eventuele kabels en/of leidingen (aansluitleidingen). Dit is de verantwoordelijkheid van de betrokken initiatiefnemer.

4.14 M.e.r.-beoordeling

4.14.1 Inleiding

In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een vorm van m.e.r.-verplichting geldt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, waarvoor altijd een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag nader moet beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). In bijlage C van het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welk type activiteiten het maken van een milieueffectrapportage verplicht is. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welk type activiteiten een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Hierbij zijn per type activiteiten drempelwaarden opgenomen.

Wanneer ontwikkelingen onder de in lijst D opgenomen drempelwaarden blijven, moet wel beoordeeld worden of de geplande activiteiten geen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor deze motivering/toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd.

4.14.2 Toetsing

De voorgenomen plannen zijn geen concreet benoemde activiteiten die in kolom D van het Besluit m.e.r. is genoemd. Er is dan ook geen sprake van het overschrijden van drempelwaarden in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor het planvoornemen geldt daarom geen plan-MER-plicht en een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is ook niet aan de orde.

Verder kan op basis van voorgaande verantwoording van de omgevingsaspecten in redelijkheid worden aangenomen dat geen onaanvaardbare milieueffecten in het projectgebied hoeven te worden verwacht.

4.14.3 Conclusie

Voor het bestemmingsplan hoeft gezien het voorgaande geen m.e.r.-(beoordelings)procedure te worden doorlopen. Het plan is op dit punt uitvoerbaar.

4.15 Duurzaamheid

4.15.1 Inleiding

Aardgasvrije wijken staan prominent op de politieke agenda's van zowel het Rijk, de Provincies, Gemeenten alsook de Woningbouwcorporaties. De noodzaak om gasloos te bouwen wordt in Groningen extra gevoeld. Zowel het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Midden-Groningen als de woningbouwcorporaties in de gemeente staan achter gasloze nieuwbouw. De problemen die de gaswinning in de regio met zich meebrengt zijn een extra stimulans om de energietransitie voortvarend in praktijk te brengen.

Om bovenstaande in praktijk te brengen is op 8 mei 2018 een wetswijziging van de gaswet doorgevoerd en gepubliceerd in het Staatsblad. De strekking van deze gaswetwijziging is dat alle nieuwbouwwoningen gasloos gebouwd moeten worden. Deze wetswijziging treedt twee maanden na publicatie in werking. Dit betekent dat met ingang van 8 juli alle nieuwbouwwoningen gasloos aangelegd moeten worden. Hiermee geeft de (Rijks-) overheid aan dat er vaart gemaakt moet worden met het terugdringen van het gasverbruik en dat er stappen gezet moeten worden om deze fossiele bronnen te vervangen door hernieuwbare- /duurzame bronnen. Ook voor bestaande woningen zal dit op (korte) termijn gaan gebeuren.

Alternatieve bronnen voor gas zijn warmte uit lucht, water of bodem met gebruikmaking van een individuele warmtepomp. Warmtepompen worden meestal gecombineerd met zonnepanelen om op deze wijze ook op een duurzame wijze de extra benodigde elektriciteit voor de warmtepomp op te wekken. Andere opties zijn collectieve voorzieningen met als bron biomassa, geothermie of restwarmte.

4.15.2 Toetsing

Het bestemmingsplan sluit aan op de eisen vanuit het Bouwbesluit. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de woning zal aangetoond moeten worden dat de EPC-norm 0,4 of minder is. Daarnaast dient de woning gasloos te worden aangelegd. Ook dit is een regeling die buiten het bestemmingsplan om is geregeld, nadere eisen in dit bestemmingsplan zijn dan ook niet noodzakelijk.

4.15.3 Conclusie

Het aspect duurzaamheid is in de planvorming betrokken en wordt in de verdere planvorming uitgewerkt.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het 'Bestemmingsplan Schildwolde, Meenteweg 69' is een bestemmingsplan dat de planregels herziet om een bedrijf en een woning mogelijk te maken ten behoeve van een particulier inititatief. Het is een plan op basis van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarmee kunnen met direct recht omgevingsvergunningen worden verleend. Dit bestemmingsplan is gemaakt conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012.

5.2 Toelichting basisbestemmingen

In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de bestemmingsregels die in het plangebied voorkomen.

5.2.1 Bedrijf

Deze bestemming voorziet in een regeling voor (individuele) bedrijven die niet zijn gelegen op een bedrijventerrein. Branches die hierbinnen vallen worden geregeld in de Staat van Bedrijven die in de bijlage van het bestemmingsplan is opgenomen.

Op de verbeelding is een functieaanduiding opgenomen die aangeeft welke milieucategorie is toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' zijn bedrijven genoemd in de Staat van Bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' zijn bedrijven genoemd Staat van Bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. De lagere milieucategorie is opgenomen om te waarborgen dat geen hinder wordt veroorzaakt voor de omliggende woningen.

Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor bedrijven die niet genoemd worden in de Staat van Bedrijven en voor de vestiging van bedrijven van 1 (stap van een) milieucategorie hoger dan de categorie die op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Een afwijking kan alleen verleend worden als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bestaande woon- en leefklimaat in de directe omgeving en het geen geluidszoneringplichtige en/of risicovolle inrichtingen betreft.

Het perceel heeft bestaande beplanting op en rond het terrein. Vooral de beukenhaag langs de Meenteweg is beeldbepalend. De beplanting ontneemt ook het zicht op de nieuw te bouwen loods. Het is belangrijk dat de beplanting rond het perceel in stand wordt gehouden. Daarom is op de verbeelding de aanduiding 'groenvoorziening' opgenomen en in de regels de voorwaardelijke verplichting om de lijnvormige aanplanting in stand te houden.

Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak.

Binnen de bestemming wordt geen bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Het gebruik van gebouwen voor wonen is specifiek uitgesloten. Tevens is het gebruik van de gronden voor buitenopslag en detailhandel uitgesloten. Productiegebonden detailhandel in gebouwen, met een verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 60 m², is toegestaan.

5.2.2 Wonen - 1A

Wonen en bijbehorende gronden (tuinen en erven) worden binnen deze bestemming begrepen. Deze bestemming wordt slechts toegepast op ruime, brede percelen waar de vrijstaande woning min of meer midden op het perceel is gesitueerd.

De opgenomen regeling laat het onderscheid tussen het hoofdgebouw en ondergeschikte verbonden delen los, voorzover dit wordt ingevuld binnen het bouwvlak. Daarnaast wordt de spreiding van de aan de woning verbonden ruimten beperkt, waardoor de relatie met de hoofdvorm behouden blijft. De grootte van dat bouwvlak hangt af van de locatie, het overwegende bebouwingsbeeld, belendende percelen etcetera.

Met deze regeling wordt binnen het bebouwingsvlak geen onderscheid gemaakt in of gebouwtypen ondergeschikt of niet ondergeschikt zijn. Zo ontstaat meer ontwerpvrijheid bij uitbreiding van woningen.

Het perceel heeft bestaande beplanting op en rond het terrein. Vooral de beukenhaag langs de Meenteweg is beeldbepalend. De beplanting ontneemt ook het zicht op de nieuw te bouwen loods. Het is belangrijk dat de beplanting rond het perceel in stand wordt gehouden. Daarom is op de verbeelding de aanduiding 'groenvoorziening' opgenomen en in de regels de voorwaardelijke verplichting om de lijnvormige aanplanting in stand te houden.

Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak. Per bestemmingsvlak is ten hoogste 1 woning toegestaan. Het woningtype is uitsluitend een vrijstaande woning.

Het perceel heeft bestaande beplanting op en rond het terrein. Vooral de beukenhaag langs de Meenteweg is beeldbepalend. De beplanting ontneemt ook het zicht op de nieuw te bouwen loods. Het is belangrijk dat de beplanting rond het perceel in stand wordt gehouden. Daarom is op de verbeelding de aanduiding 'groenvoorziening' opgenomen en in de regels de voorwaardelijke verplichting om de lijnvormige aanplanting in stand te houden.

5.3 Toelichting gebiedsaanduidingen

5.3.1 Algemeen

Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bij de toepassing van het bestemmingsplan specifieke regels gelden of waar nadere afwegingen moeten worden gemaakt.

Gebiedsaanduidingen overlappen meestal meerdere bestemmingen. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en (deel)gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. In alle gevallen gaan gebiedsaanduidingen vergezeld van een daarop betrekking hebbende regeling.

In het voorliggende bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van de volgende gebiedsaanduidingen:

5.3.2 Veiligheidszone- vervoer gevaarlijke stoffen

Langs de wegen N387 en N33 is de aanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' toegepast. De wegen zijn opgenomen in het Provinciaal Basisnet Groningen, waarin een borging van risico-afstanden als gevolg van transporten van gevaarlijke stoffen is vastgelegd. Op grond van het Basisnet geldt voor deze infrastructuur dat binnen een zone van 30 meter geen nieuwe kwetsbare objecten worden opgericht en tevens het vestigen van nieuwe functies (scholen, zorgwoningen, zorgcentra, etcetera) voor beperkt zelfredzame personen wordt uitgesloten. Ter plaatse van de aanduiding is het niet toegestaan objecten ten behoeve van minder zelfredzame personen te bouwen of in gebruik te nemen.

5.4 Verbeelding

5.4.1 Algemeen

Het onderscheid tussen de digitale en de analoge verbeelding van het bestemmingsplan is een nieuw element in de RO-standaarden 2008. Per wijze van verbeelding is steeds aangegeven hoe de inhoud van een bestemmingsplan moet worden weergegeven.

De analoge verbeelding van een bestemmingsplan leidt altijd tot een concreet en afgerond product, te weten een analoge oftewel papieren kaart. Bij de eisen die worden gesteld aan de digitale verbeelding, is dit niet het geval. Dit komt omdat er bij de digitale verbeelding - gebaseerd op een geometrische plaatsbepaling van plangebied en bestemmingen niet alleen sprake is van een standaard cartografische weergave door middel van kleuren en symbolen, maar ook van dynamiek en interactie met de digitale informatie.

In het Bro wordt de verbeelding niet langer als onderdeel van het bestemmingsplan genoemd. Dit komt omdat in de nieuwe wettelijke regelingen wordt uitgegaan van het primaat van digitalisering. Wel wordt door het Bro een volledige verbeelding van het bestemmingsplan op papier verplicht gesteld. In dat verband blijft de analoge verbeelding van het bestemmingsplan van belang.

De analoge verbeelding van het bestemmingsplan bevat naast verklaringen met een verhelderende functie (bijvoorbeeld topografische gegevens, kadastrale ondergrond, straatnamen en dergelijke) alleen normen die juridisch relevant zijn. De normatieve regelingen die op een analoge verbeelding van het bestemmingsplan vermeld staan, zijn daarom terug te vinden in de regels.

Als ondergrond voor de verbeelding van het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de Grootschalige Basiskaart van Nederland (GBKN) aangevuld met kadastrale gegevens. Daardoor is snel en helder te zien waar percelen, bebouwing, wegen, waterlopen etc. zich bevinden. De GBKN geeft de situatie weer zoals deze was ten tijde van de vaststelling van het plan.

Op de verbeelding wordt de plangrens vermeld. Daarnaast worden de grenzen van de bestemmingen vermeld. De verschillende bestemmingen worden op de verbeelding in verschillende kleuren weergegeven, aangevuld met één of meer letters. Dubbelbestemmingen daarentegen worden weergegeven met een arcering.

Verder zijn, daar waar nodig, bouwvlakken opgenomen. Een bouwvlak betreft het gebied waarbinnen (hoofd- en woon)gebouwen gebouwd mogen worden. De begrenzing van een bouwvlak wordt aangegeven door middel van een bouwgrens.

Binnen een bestemmingsvlak of bouwvlak kan met een symbool of arcering een aanduiding op de plankaart een aanvullend kenmerk zijn aangegeven. De betekenis daarvan is terug te vinden in de planregels.

Op de verbeelding is een legenda opgenomen met de verklaring van de in het plan voorkomende bestemmingen, bouwvlakken, dubbelbestemmingen, lijnen, arceringen en aanduidingen, met de daarbij behorende artikelnummers.

De ligging van de bebouwingsgrenzen en dergelijke op de verbeelding of plankaart is bepaald aan de hand van onder meer:

  • ruimtelijke aspecten zoals gewenste rooilijnen, weg- en bebouwingsprofielen, zichtlijnen etc.;
  • overzichtelijkheid van hoek- en verkeerssituaties;
  • particuliere belangen samenhangend met uitzicht, toegankelijkheid e.d.;
  • ligging van kabels en leidingen;
  • ligging van hindercirkels en milieuzoneringen.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

6.1 Exploitatieplan

Op grond van artikel 6.12 van de Wro kan de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan ook een exploitatieplan vaststellen. Dit is niet noodzakelijk indien:

  • de kosten van de grondexploitatie voor de gronden in het plan op een andere manier zijn verzekerd;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Het gaat om een particulier initiatief, waarvan de economische uitvoerbaarheid in handen ligt van de initiatiefnemers. Daarom is het weergeven van de economische uitvoerbaarheid in de vorm van een exploitatieplan niet noodzakelijk.

6.2 Planschade

In artikel 6.1 Wro is bepaald dat burgemeester en wethouders en belanghebbenden die als gevolg van een bepaling van een bestemmingsplan (of een ander ruimtelijk besluit) schade lijdt, in de vorm van inkomensderving of waardevermindering van een onroerende zaak, op zijn verzoek een tegemoetkoming in de schade toekennen. Daarbij geldt dat de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en dat een tegemoetkoming op een andere wijze niet is verzekerd. Binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager. Met de aanvrager is een planschadeovereenkomst afgesloten. Daarnaast wordt ook een waardevermindering van maximaal 2% ontstaan door een verandering in het planologisch regime binnen het normale maatschappelijke risico gerekend.

Met het voorliggende bestemmingsplan is de verwachting is dat de planologische wijziging niet het normale maatschappelijke risico overschrijdt qua planschade. Met de initiatiefnemer is een planschadeverhaalsovereenkomst afgesloten.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

7.1.1 Vooroverlegpartners

Op grond van artikel 3.1.1 van het Bro wordt bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg gepleegd met het waterschap, diensten van het rijk en provincie die betrokken zijn bij de ruimtelijke ordening en eventueel andere gemeenten.

Gelet op de verschillende instanties die belangen hebben in het plangebied wordt voorgesteld het aantal vooroverlegpartners uit te breiden. De vooroverlegpartners hebben gedurende 4 weken de gelegenheid gehad te reageren op het plan.

Het plan is in het kader van het vooroverleg beschikbaar gesteld aan de volgende partners:

  • Provincie Groningen
  • Waterschap Hunze en Aa's

Inspraak

Omdat het bestemmingsplan slechts één perceel betreft en een beperkte impact op de directe omgeving wordt verwacht, is geen voorontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. Om direct betrokken in een vroeg stadium bij de planvorming te betrekken heeft de inititatiefnemer de buren/omwonenden gesproken en hen op de hoogte gebracht van het bouwplan. Er zijn geen opmerkingen naar voren gebracht die aanleiding geven tot het aanpassen van het plan.

De direct omwonenden van het perceel ontvangen een brief waarin wordt aangekondigd dat er een ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd wordt en de mogelijkheid bestaat om de stukken te komen inzien. Verder is het vervolg van de procedure aangegeven.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerp verzamelbestemmingsplan heeft op grond van artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening (Wro) gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode kon iedereen het plan bekijken, vragen stellen en een zienswijze indienen. Er is in deze periode 1 zienswijze Ingekomen (Bijlage 2 Nota van zienswijzen bestemmingsplan Schildwolde, Meenteweg 69). Deze zienswijze heeft niet geleid tot een inhoudelijke aanpassing van het bestemmingsplan.

7.3 Vaststelling

Nadat het ontwerp bestemmingsplan zes weken ter inzage heeft gelegen, een reactie op eventuele zienswijzen is voorbereid en aanpassingen in het plan zijn doorgevoerd (indien aan de orde), besluit de gemeenteraad over de vaststelling van het plan. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt vervolgens zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kunnen belanghebbenden die op tijd een zienswijze hebben ingediend beroep instellen tegen het vastgestelde plan.

Het vastgestelde bestemmingsplan treedt in werking nadat het vastgestelde plan zes weken ter inzage heeft gelegen. Het instellen van beroep schorst de inwerkingtreding van het bestemmingsplan niet, tenzij hier een specifiek verzoek voor wordt ingediend.