direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Westerwolde, Burgemeester Buiskoolweg 6
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1950.TO2501-vs01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voorliggende omgevingsplanwijziging heeft betrekking op het agrarische bedrijfsperceel aan de Burgemeester Buiskoolweg 6 te Sellingen. In het verleden bevond zich hier een melkveehouderij. De bedrijfsactiviteiten van dit bedrijf zijn echter reeds beëindigd en de agrarische bebouwing is inmiddels, met uitzondering van de woonboerderij, gesloopt. Het plan is dan ook om de functie van de gronden te wijzigen naar een reguliere woonfunctie.

Om het voornemen mogelijk te maken, dient het omgevingsplan van de gemeente Westerwolde te worden gewijzigd. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste planologische kaders voor de beoogde woonfunctie. In deze ruimtelijke motivering wordt aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.2 Beschrijving van wijziging

Het plangebied ligt aan de Burgemeester Buiskoolweg 6 te Sellingen, in de gemeente Westerwolde. In de volgende afbeelding is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2501-vs01_0001.png"  
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: Plattekaart.nl)  

1.3 Regeling in het omgevingsplan

1.3.1 Huidige planologische situatie

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Westerwolde. Het betreft het omgevingsplan van rechtswege, dat geldt sinds 1 januari 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat ter plaatse uit de volgende documenten:

  • Omgevingsplan gemeente Westerwolde (in werking vanaf 4 september 2024);
  • Facetbestemmingsplan Archeologie Westerwolde (vastgesteld op 5 juni 2024);
  • Facetbestemmingsplan woningsplitsing en verkamering Westerwolde (vastgesteld op 27 maart 2024);
  • Facetbestemmingsplan Parkeren Westerwolde (vastgesteld op 2 november 2022);
  • Paraplubestemmingsplan Geitenhouderijen 2020 (vastgesteld op 16 decmber 2020);
  • Bestemmingsplan Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016 (geconsolideerd op 22 maart 2016).

Voor de duiding van het planologisch regime van het plangebied is met name het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016' van belang. Voorliggend TAM-omgevingsplan houdt wel rekening met de regels uit de overige plannen.

In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan opgenomen. Het plangebied is hierin indicatief weergegeven met de rode contour.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2501-vs01_0002.png"  
Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding vigerende bestemmingsplan (Bron: omgevingswet.overheid.nl)  

Op basis van bovengenoemd bestemmingsplan, onderdeel uitmakend van het omgevingsplan van rechtswege, zijn de gronden voorzien van de bestemming 'Agrarisch - 1'. Deze gronden zijn bestemd voor het agrarisch gebruik. Het oostelijke deel van het plangebied is daarnaast voorzien van een bouwvlak. Het gehele plangebied heeft ten slotte de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel'. Hiermee is geregeld dat ter plaatse van het gehele plangebied de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering is toegestaan. Gebouwen en overkappingen dienen ten slotte binnen het bouwvlak te worden gebouwd.

1.3.2 Strijdigheid

Het agrarisch bedrijf is zoals in de aanleiding beschreven reeds beëindigd. Het voornemen is daarom om het perceel in gebruik te nemen als regulier woonperceel. Op basis van het omgevingsplan van rechtswege is dit echter niet toegestaan. Daarom is een herziening van het omgevingsplan noodzakelijk, waarbij de mogelijkheden voor een agrarisch bedrijf worden verwijderd en het perceel wordt voorzien van een passende vervolgfunctie, namelijk wonen.

De wijziging vindt plaats door gebruik te maken van de TAM-IMRO. Dit is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) waarmee de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. Juridisch zal dit TAM-omgevingsplan deel uit maken van het omgevingsplan van de gemeente Westerwolde.

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op het planvoornemen. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. In hoofdstuk 4 vindt een analyse plaats van de regels en het beleid. Hoofdstuk 5 gaat in op de wijze hoe het beoogde voornemen wordt geregeld in het omgevingsplan van de gemeente Westerwolde. Hoofdstuk 6 bevat een beschrijving van de gevolgen van het voornemen op de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 7 komt het kostenverhaal aan bod, waarna hoofdstuk 8 ingaat op de participatie en het ketenoverleg.

Hoofdstuk 2 Planvoornemen

In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie en de beoogde situatie met betrekking tot de ruimtelijke- en functionele structuur van het gebied waar de wijziging op ziet beschreven.

2.1 Bestaande activiteiten (huidige situatie)

Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Westerwolde, ten noordoosten van de kern van Sellingen. Het perceel betreft een voormalig agrarisch bedrijfsperceel. Momenteel bevindt zich ter plaatse uitsluitend nog een voormalige woonboerderij met de bijbehorende onbebouwde gronden en ontsluitingsweg.

Het plangebied bevindt zich ten oosten van de Burgemeester Buiskoolweg 6. Dit betreft een kleinschalig landweggetje die voornamelijk voor bestemmingsverkeer wordt gebruikt. Langs deze weg bevindt zich een watergang. Functioneel kenmerkt de omgeving zich voornamelijk door de aanwezigheid van agrarische (bedrijfs) percelen en verspreid liggende woonpercelen. In de volgende afbeeldingen zijn een straatbeeld en een luchtfoto van het plangebied opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2501-vs01_0003.png"  
Afbeelding 2.1: Straatbeeld van het plangebied (Bron: Google Maps)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2501-vs01_0004.png"  
Afbeelding 2.2: Luchtfoto plangebied (Bron: Google Maps)  

2.2 Beoogde activiteiten (beoogde situatie)

Aangezien er geen bedrijfsactiviteiten meer worden uitgeoefend, is het perceel momenteel uitsluitend nog in gebruik als woonperceel. Het voornemen is daarom om de functie te wijzigen naar een reguliere woonfunctie, waarbij de agrarische bedrijfsactiviteiten worden beëindigd. Er worden geen extra sloop- of bouwactiviteiten uitgeoefend in het kader van deze ontwikkeling. De gronden buiten het beoogde woonerf zullen worden voorzien van een passende agrarische vervolgfunctie waar hobbymatige agrarische activiteiten kunnen worden uitgeoefend.

Hoofdstuk 3 Gemeentelijk beleid

3.1 Omgevingsvisie

3.1.1 Algemeen

De gemeente Westerwolde beschikt over een eigen Omgevingsvisie. Dit is een verplichting vanuit de nieuwe Omgevingswet. Maar het is ook vooral een mooie aanleiding om te komen tot een lonkend perspectief wat de gemeente inspireert om op pad te gaan. De raad doet dit samen met het college en een breed pallet aan mensen en partijen uit en rondom de gemeente. Westerwolde gaat de uitdaging aan om al het mooie van Westerwolde te behouden en waar nodig ontwikkelingen in gang te zetten. Om zo het fundament onder Westerwolde te versterken en te verbreden.

De visie is onderverdeeld in onder andere een visie en kernwaarden en een uitwerking per thema. In dit geval zijn met de visie en kernwaarden van Bellingwolde en de uitwerking van het thema 'wonen' van belang. Hierna wordt daar op ingegaan.

3.1.2 Thema 'Wonen'

Inwoners, professionals en ook het maatschappelijk veld ervaren de afgelopen jaren een zekere mate van 'stilstand' op de Westerwoldse woningmarkt. De wens om weer dynamiek en doorstroming in Westerwolde op gang te brengen is daarom groot. Daar wil de gemeente gehoor aan geven. De gemeente wil dat wonen in Westerwolde aantrekkelijk blijft. Daarom kijken we naar de huidige behoefte, maar bovenal naar de toekomstige veranderingen in de samenstelling van de bevolking en de behoefte die dat met zich meebrengt. Doel is verbetering van de particuliere en sociale woningvoorraad, waarbij de eigen identiteit en kwaliteit het uitgangspunt is. Tweede doel is het sterk verlagen van de energiebehoefte voor wonen met als uiteindelijk doel energieneutraal wonen.

De gemeente stuurt op het vitaal houden van de Westerwoldse woningvoorraad, met ruimte voor vernieuwing waar dat nodig is. De bestaande voorraad staat centraal. Er wordt ingezet op verduurzaming van de woningen om te zorgen voor meer wooncomfort, lagere energielasten en waardebehoud.

Om nieuwbouw mogelijk te maken, is een strategie ontwikkeld die ervoor zorgt dat het toevoegen van woningen niet leidt tot ongewenste neveneffecten zoals leegstand, waardedaling en verpaupering.

Toevoeging vindt plaats op plekken waar het een meerwaarde voor de omgeving is. Het ontwikkelen van initiatieven ligt bij de samenleving, corporaties en de markt.

3.1.3 Visie: Ruimte voor dynamiek en rust

Westerwolde biedt ruimte aan dynamiek en rust. Het biedt partijen de mogelijkheid zich aan te sluiten bij een sterk en innovatief landbouw- en voedselindustriecluster, te ondernemen in een aantrekkelijk en actief ondernemersklimaat en aan te haken bij een sterk (inter)nationaal infrastructureel netwerk in Noordwest-Europa. De gemeente zoekt daarin nadrukkelijk de verbinding en samenwerking met de buurgemeenten, -provincies en de rest van Nederland, maar vooral ook de buren in het Nedersaksische deel van Duitsland.

Bewoners wordt een afwisselende omgeving geboden met rust en ruimte in het buitengebied en dynamiek in de leefbare en vitale kernen. Het kleinschalige landschap wordt gekoesterd en de rijke cultuurhistorie is basis van de gemeentelijke identiteit. Het perspectief van Westerwolde is versterking en groei. Westerwolde is trots, wil zich verankeren in netwerken en wil zich als onontdekte parel laten zien. Daartoe verwelkomt de gemeente mensen uit binnen- en buitenland om de schoonheid en de ruimte die we te bieden hebben gedurende een korter of langer verblijf te ervaren.

3.1.4 Toetsing van het voornemen aan de Omgevingsvisie

Met het voornemen wordt een passende vervolgfunctie gevonden voor een voormalig agrarisch bedrijfsperceel. Dit sluit aan bij de ambitie van de gemeente Westerwolde om de inwoners van het buitengebied de ruimte te bieden om in een rustige omgeving te wonen. Tevens wordt de woonboerderij voorzien van een status van een reguliere woonfunctie, waarmee deze tot de actuele woningvoorraad gaat behoren. Al met al kan worden geconcludeerd dat het voornemen aansluit bij de ambities zoals geformuleerd in de Omgevingsvisie Westerwolde.

3.2 Specifiek beleid gemeente Westerwolde

In deze paragraaf wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan specifieke beleidsthema's die van toepassing zijn op de ontwikkeling. Voorliggende ontwikkeling voorziet in woningbouw. De woonvisie en het op 28 juni 2023 vastgestelde addendum op de woonvisie zijn daarom relevant.

3.2.1 Woonvisie 2019-2024
3.2.1.1 Algemeen

Op 20 maart 2019 is de Woonvisie 2019-2024 door de gemeenteraad vastgesteld. In deze woonvisie omschrijft de gemeente de koers die zij de komende vijf jaar wil gaan varen op het gebied van wonen, met een doorkijk naar de ontwikkelingen in Westerwolde de komende tien jaar.

De gemeente vindt het belangrijk dat iedereen die in Westerwolde wil wonen, ook een plek kan vinden in de gemeente om fijn en goed te kunnen wonen. Stip op de horizon van deze woonvisie is dan ook dat Westerwolde een aantrekkelijk en vitaal woongebied in de Oost-Groningse regio is en blijft de komende jaren. Met deze koers stuurt de gemeente op het vitaal houden van de Westerwoldse woningvoorraad, met ruimte voor vernieuwing waar dat nodig is. De gemeente creëert meer flexibiliteit en ruimte op het gebied van nieuwbouw, maar weegt dit altijd goed af tegen de bestaande woningvoorraad. De bestaande voorraad staat centraal binnen deze koers. Er wordt ingezet op verduurzaming van de woningen om zo te zorgen voor meer wooncomfort, lagere energielasten en waardebehoud. Daarbij wordt rekening gehouden met de kaders van wat lokaal en regionaal nodig en mogelijk is. De gemeente respecteert de afspraken die samen met OostGroningse partners zijn gemaakt op het gebied van wonen.

De gemeente focust zich op vijf speerpunten:

  • 1. Vernieuwen en vitaal houden;
  • 2. Een kwaliteitsimpuls voor de (sociale) huurvoorraad;
  • 3. Verbeteren van de particuliere voorraad;
  • 4. Goed begeleiden van de vergrijzingsopgave;
  • 5. Verduurzaming van de woningvoorraad.
3.2.1.2 Structuurversterking: de juiste woningen op de juiste plekken bouwen

Toevoegingen aan de woningvoorraad vinden plaats op plekken waar dit van meerwaarde is voor de omgeving (structuurversterking). Dit kunnen beeldbepalende of centrale plekken zijn in een kern. Daarnaast kunnen dit onaantrekkelijk ogende plekken, zoals potentiele 'rotte kiezen' of leegstaande panden zijn. De gemeente Westerwolde vindt het belangrijk dat, daar waar nog ruimte is voor vernieuwing en kwaliteitsverbetering, dit plaatsvindt op de meest wezenlijke plekken in de kernen. In principe moet éérst binnen bestaand stedelijk gebied worden gezocht naar mogelijkheden, voordat daarbuiten wordt gebouwd. In het regionale prestatiekader is de afspraak gemaakt dat in principe enkel nog op structuurversterkende plekken wordt gebouwd.

Structuurversterking: focus op wezenlijke plekken in de kernen
Het aantal woningen dat toegevoegd kan worden in de gemeente is beperkt en neemt op termijn af, dus toevoegen moet gebeuren op plekken waar de meerwaarde groot is. Denk hierbij aan beeldbepalende of centrale plekken in de kern of op locaties waar verbetering van belang is. Bouwen op structuurversterkende plekken zorgt voor meer levendigheid, meer ruimtelijke kwaliteit en meer draagvlak voor voorzieningen. Voor de centrumkern, waar Ter Apel toe behoort, wordt onder structuurversterkende plekken verstaan:

  • In of direct rondom het centrum;
  • aanpak van rotte kies, structurele leegstand of beeldbepalende plek;
  • (eventueel) hergebruik van bestaand vastgoed;
  • binnen bestaand stedelijk gebied.
3.2.1.3 Toetsing

Voorliggende ontwikkeling voorziet uitsluitend in een functiewijziging van een bestaande woonboerderij. Er is geen sprake van nieuwbouw. Met de functieverandering wordt één woning toegevoegd aan de woningvoorraad. Het perceel wordt hiermee vitaal gehouden aangezien deze wordt voorzien van een passende planologische vervolgfunctie. Het voornemen past binnen de woonvisie.

3.3 Conclusie

Het voornemen past binnen het relevante beleid van de gemeente Westerwolde.

Hoofdstuk 4 Regelanalyse en beleid

In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling getoetst aan de regels die het Rijk heeft opgenomen in de AmvB's en de provincie in de omgevingsverordening.

4.1 Rijksbeleid en (instructie)regels

4.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)
4.1.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

4.1.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

In de NOVI is aangegeven dat het vorm geven van de opgaven nodig is op een lager schaalniveau. De aangewezen regio's werken samen met de provincies aan ruimtelijke voorstellen. Vervolgens wordt er gekeken of alle losse plannen bij elkaar tot een duurzaam landelijk beeld leiden. De stappen die genomen worden, staan beschreven in het programma NOVEX en het programma Mooi Nederland.

4.1.2 Instructieregels Rijk

Een omgevingsplan bevat regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat:

  • waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2)
  • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
  • beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
4.1.3 Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten van het rijksbeleid

Gelet op de aard en omvang van het voornemen kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met de doelstellingen zoals deze zijn geformuleerd in de NOVI. In Hoofdstuk 6 wordt het voornemen getoetst aan de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het voornemen past binnen het relevante rijksbeleid.

4.2 Provinciaal beleid en (instructie)regels

De provincie Groningen heeft een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening vastgesteld. In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het plan zich verhoudt tot de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van de provincie Groningen.

4.2.1 Omgevingsvisie Groningen
4.2.1.1 Algemeen

De Omgevingsvisie provincie Groningen bevat een integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving. Belangrijke onderwerpen in de Omgevingsvisie zijn het zorgen voor een aantrekkelijk woon- en leefklimaat, het benutten van ontwikkelingsmogelijkheden, het beschermen van karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen en het bieden van ruimte voor ondernemerschap.

De provincie wilt het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in onze provincie verder verbeteren. Vanuit die invalshoek wordt gekeken naar de kansen die zich voordoen om hier een bijdrage aan te leveren middels beleid. Het accent in het provinciale beleid ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. De provincie wilt ruimte bieden voor ondernemerschap om in te spelen op de dynamische ontwikkelingen. Activiteiten lopen steeds meer door elkaar heen. Dat heeft gevolgen voor het ruimtegebruik. Functies, zoals wonen en werken, zijn steeds minder van elkaar gescheiden. Door samenwerking met medeoverheden en andere partijen en het leveren van maatwerk wil de provincie de samengestelde doelen bereiken.

Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. In deze Omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's en elf provinciale 'belangen':

Ruimte

  • 1. Ruimtelijke kwaliteit
  • 2. Aantrekkelijk vestigingsklimaat
  • 3. Ruimte voor duurzame energie
  • 4. Vitale landbouw

Natuur en landschap

  • 5. Beschermen landschap en cultureel erfgoed
  • 6. Vergroten biodiversiteit

Water

  • 7. Waterveiligheid
  • 8. Schoon en voldoende water

Mobiliteit

  • 9. Bereikbaarheid

Milieu

  • 10. Tegengaan milieuhinder
  • 11. Gebruik van de ondergrond

In dit geval is met name het provinciale belang 'ruimtelijke kwaliteit' binnen het thema 'Ruimte' van belang. Daarnaast is de visie ten aanzien van 'wonen' relevant. Hier wordt in de volgende subparagraaf op ingegaan.

4.2.1.2 Ruimtelijke kwaliteit

De provincie Groningen streeft naar een zo hoog mogelijke ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald door de mate waarin binnen een gebied de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde in onderlinge verhouding geoptimaliseerd zijn.

  • Bij gebruikswaarde gaat het om een efficiënte inrichting van het gebied voor uitoefening van de daaraan toegekende of toe te kennen functies;
  • Bij belevingswaarde gaat het om de sfeer en allure van het gebied, het behoud van gebouwd cultuurhistorisch erfgoed en de herkenbaarheid van de historisch gegroeide stedenbouwkundige en landschappelijke structuur;
  • Bij toekomstwaarde gaat het om de toekomstbestendigheid van de maatregelen die ten behoeve van de gebruiks- en de belevingswaarde worden genomen.

Een hoge ruimtelijke kwaliteit is van belang om de provincie aantrekkelijk te laten blijven om te wonen, werken en recreëren. Dynamische steden, dorpen waar veel te beleven valt, een mooie woonomgeving en mooie natuur dragen allemaal bij aan de aantrekkingskracht van onze provincie.

In het beleid wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk gebied en buitengebied. Binnen het stedelijk gebied laat de provincie zeer veel ruimtelijke bevoegdheden over aan gemeenten. De provincie wil stedelijke ontwikkelingen zo veel mogelijk laten plaatsvinden binnen bestaand stedelijk gebied, om zo het grote contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied, dat zo bepalend is voor de identiteit van de provincie, te behouden en versterken.

4.2.1.3 Woningvoorraad

De kwaliteit van het wonen levert een belangrijke bijdrage aan de leefbaarheid van de provincie. Een hoge woonkwaliteit kan worden bereikt door het woningaanbod optimaal te laten aansluiten bij de wens van de inwoners; ook als het gaat om het soort kern waar men wil wonen: van een kleine kern tot een grote stad. Het is mogelijk om kleine kernen kleinschalig uit te breiden. Hiervoor worden primair de inbreidingsmogelijkheden benut. Door iedereen de mogelijkheid te bieden om daar te blijven of te komen wonen, wordt ook in de kleinere kernen een bijdrage geleverd aan het behoud van de sociale verbanden.

4.2.1.4 Toetsing aan de Omgevingsvisie

Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de provincie Groningen. In dit geval is er uitsluitend sprake van een functiewijziging van een bestaande woonboerderij. Hiermee wordt een toekomstbestendige vervolgfunctie gevonden voor dit perceel waarbij wordt voorzien in een concrete woningbehoefte. Geconcludeerd wordt dat het voornemen aansluit bij de Omgevingsvisie van de provincie Groningen.

4.2.2 Omgevingsverordening

In de Omgevingsverordening provincie Groningen (vastgesteld op 1 januari 2024) staan regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. In de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen over de inhoud van ruimtelijke plannen van gemeenten en waterschappen op het gebied van milieu, water en ruimtelijke ordening. In de verordening is aangegeven waarmee gemeenten bij ruimtelijke plannen rekening moeten houden. Voor dit plan zijn de instructieregels ten aanzien van vrijgekomen gebouwen, stilte en duisternis en het leefgebied van akkervogels van belang.

Artikel 3.16 Instructieregel gebruik vrijgekomen gebouwen in het buitengebied

  • 1. Een omgevingsplan kan een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel Artikel 3.13 mogelijk maken voor het hergebruik van vrijgekomen gebouwen, mits:
    • a. de functie wonen slechts wordt toegekend aan het hoofdgebouw of een bij het hoofdgebouw behorend karakteristiek gebouw of beeldbepalend gebouw;
    • b. geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het betrokken erf;
    • c. bedrijfsactiviteiten worden beperkt tot wat naar aard en omvang ruimtelijk, milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is;
    • d. regels worden opgenomen voor de opslag van materialen en goederen op het erf; en
    • e. regels worden opgenomen over de uitoefening van detailhandel.
  • 2. De regels, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, worden alleen vastgesteld als de omgevingsplanactiviteit past in een woonvisie als bedoeld in Artikel 3.31 of de gemeentelijke omgevingsvisie.

In dit geval wordt een woonfunctie toegekend aan het hoofdgebouw en het bijbehorende gebouwerf. De toegestane activiteiten op het perceel beperken zich daarmee tot het wonen al dan niet in combinatie met ruimte voor mantelzorg, logiesverstrekking, dan wel een aan-huis-verbonden beroep c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Deze activiteiten zijn passend bij reguliere woonfuncties in de gemeente Westerwolde. Verder blijkt uit deze motviering dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het erf en dat de ontwikkeling past binnen de gemeentelijke woonvisie.

Artikel 3.77 Instructieregel aandachtsgebieden stilte en duisternis

Gelet op het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wordt in een omgevingsplan dat van toepassing is op aandachtsgebieden voor stilte en duisternis rekening gehouden met de stilte en duisternis.

Met het voornemen is uitsluitend sprake van een functiewijziging van een pand wat reeds voor bewoning wordt gebruikt. Er is daarmee geen sprake van een toevoeging van een activiteit waarmee sprake is van extra lichthinder en daarmee een negatief effect op de stilte en duisternis in het buitengebied met zich meebrengt.

Artikel 3.126 Instructieregel leefgebieden akkervogels

  • 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen leefgebieden akkervogels, stelt regels waarmee wordt voorkomen dat de actuele waarde van het gebied voor akkervogels ernstig wordt geschaad door aantasting van de landschappelijke openheid, door verstoring van vogels of door aantasting van het areaal, tenzij de schade niet voorkomen kan worden en deze elders wordt gecompenseerd.
  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op normaal agrarisch gebruik.

In dit wijzigingsbesluit wordt uitsluitend voorzien in het regulier bewonen van de woonboerderij. De (bouw)activiteiten die mogelijk waren ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering worden met dit plan verwijderd, waardoor het aantal potentiële negatieve activiteiten voor de akkervogels fors worden verminderd. Dit omgevingsplan past daarmee binnen deze instructieregel.

4.2.3 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met het beleid van de provincie Groningen.

4.3 Bruidsschat

Tot 2032 gelden de regels uit de bruidsschat (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Westerwolde). In voorliggend geval is geen sprake van een noodzaak om de regels van de bruidsschat aan te passen dan wel buiten toepassing te verklaren.

Hoofdstuk 5 Hoe gaan we het regelen

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de regels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke activiteiten. Dit is van belang in verband met de mogelijkheid om voor alle activiteiten een gerichte motivering te kunnen opvragen. De in de regels opgenomen regelingen en/of beperkingen dienen te worden gemotiveerd.

5.1 Uitwerking in de regels

In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe het plan, zoals verwoord in hoofdstuk 2.2, wordt uitgewerkt in de regels die in het Omgevingsplan Westerwolde worden opgenomen.

5.2 Welke activiteiten worden toegestaan en waar

Het woonerf van de woonboerderij wordt in zijn geheel voorzien van de functie 'Wonen'. De overige gronden binnen het plangebied worden voorzien van de functie 'Agrarisch - 1' zonder bouwvlak. De gebruiks- en bouwregels zijn gebaseerd op de regels zoals opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, vervat in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016'.

Met voorliggende wijziging van het omgevingsplan mogen de gronden worden gebruikt voor woonhuizen, bijbehorende bouwwerken bij de woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimten voor mantelzorg, logiesverstrekking dan wel een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit en de bijbehorende tuinen, erven, terreinen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Deze wijziging voorziet daarnaast in de beoordelingsregels behorende bij de omgevingsvergunning voor het bouwen, zoals opgenomen in artikel 22.26 van het omgevingsplan van rechtswege, onderdeel bruidsschat.

Hoofdstuk 6 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving

Met de Omgevingswet komen alle aspecten van de fysieke leefomgeving samen. Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen daarop door de beoogde ontwikkeling. Thema's als gezondheid, veiligheid, geluid, natuur, bouw en water maken integraal deel uit van het omgevingsplan. Het hoofdstuk bevat een omschrijving van de uitgevoerde onderzoeken en de resultaten hiervan.

6.1 M.e.r.-beoordeling

6.1.1 Algemeen

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:

  • In kolom 1 staan de projecten opgesomd;
  • In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is;
  • In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt;
  • Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten, dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

6.1.2 Situatie plangebied

Woningbouw valt op basis van kolom 1 van bijlage V Ob onder een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. In dit geval is uitsluitend sprake van een functiewijziging van een bestaande woonboerderij. Gelet op de kenmerken van dit project en de plaats van het project zal dit geen gevolgen voor het milieu met zich meebrengen. In de overige paragrafen van dit hoofdstuk wordt dit aangetoond. Er wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r..

6.1.3 Conclusie

Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

6.2.1 Algemeen

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling, en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

6.2.2 Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is van toepassing bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Uit Afdelingsjurisprudentie blijkt dat de vraag wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in grote mate casuïstisch wordt beantwoord. Uit jurisprudentie blijkt dat de bouw van 11 woningen in een dorpskern niet als stedelijke ontwikkeling wordt gezien (uitspraak ABRvS 16 september 2015;ECLI:NL:RVS:2015:2921).

In voorliggend geval is er slechts sprake van een functiewijziging. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan dan ook achterwege blijven. Het plan voldoet aan de instructieregels uit artikel 5.129g Bkl voor wat betreft de ladder voor duurzame verstedelijking.

6.3 Dienstenrichtlijn

Uit de Dienstenrichtlijn volgt dat er geen economische motieven zijn voor regels voor diensten in een omgevingsplan. Voor het uitvoeren van de Dienstenrichtlijn staat in artikel 5.1 a van het Bkl een instructieregel. Deze instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan voldoet aan artikel 14, aanhef en onder 5, van Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376). Hierin staat dat de vestiging van een dienstenactiviteit niet afhankelijk mag zijn van economische criteria.

Voorliggende ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een dienstenactiviteit.

6.4 Duurzaamheid

Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op deze doelen wordt het plan aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst.

Met het voornemen worden de agrarische bedrijfsdoeleinden planologisch beëindigd en wordt reguliere bewoning van de woning mogelijk gemaakt. Het plan houdt in voldoende mate rekening met het aspect 'duurzaamheid'.

6.5 Gezondheid

6.5.1 Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben.

6.5.2 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen

Op agrarische grond waarop gewassen mogen worden geteeld, kunnen gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Deze zorgen ervoor dat planten, groente of fruit beschermd worden tegen schimmels, insecten en andere plagen. Door de wind kunnen deze middelen in de omgeving worden verspreid. Dit heet drift. Drift van gewasbeschermingsmiddelen kan tot gezondheidsproblemen leiden. Er zijn geen regels in de wet die bepalen dat een bepaalde afstand tot agrarische grond moet worden aangehouden. In de rechtspraak wordt als vuistregel een afstand van 50 meter tussen de agrarische grond en gevoelige functies, zoals woningen, aangehouden. Dit wordt een spuitzone genoemd. Als je verblijfsruimten zoals tuinen bij woningen, speelplaatsen of andere terreinen waar langdurig menselijk verblijf mogelijk is wil realiseren binnen die spuitzone, kan dit tot problemen leiden. Dit vanwege de mogelijke effecten van de gewas- en bestrijdingsmiddelen op de gezondheid en dus het woon- en leefklimaat.

De 50 meter vuistregel uit jurisprudentie is een indicatieve afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Bij het bepalen of een spuitzone van toepassing is, geldt de maximale planologische invulling. Bij de beoordeling van de vraag of (al dan niet) een spuitzone moet worden aangehouden, moet niet worden gekeken naar het feitelijke gebruik maar naar hetgeen planologisch maximaal is toegestaan.

Ten tijde van het schrijven van voorliggende ruimtelijke verkenning is in beginsel geen mogelijkheid om op kortere afstand dan de 50 meter vuistregel functies toe te staan waar sprake is van langdurig verblijf van mensen. Dit heeft te maken met het ontbreken van een wetenschappelijk aanvaarde onderzoeksmethode, waarmee in de ruimtelijke ordening spuitzones mee kunnen worden bepaald. Er zijn wel onderzoekmethoden in ontwikkeling (o.a. het EFSA-model), maar deze doorstaan tot op heden niet de toets bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.5.3 Situatie plangebied

Met de ontwikkeling is geen sprake van het toestaan van een milieubelastende activiteit die mogelijk schadelijke gevolgen heeft voor de gezondheid. Het gaat om de functiewijziging van een bedrijfswoning, wat reeds een bestaande gevoelige functie betreft. Het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak bevindt zich op 160 meter afstand van het woonperceel. In het kader van geluidhinder is de minimaal aan te houden richtafstand (op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering) 30 meter; in het kader van geur is dit op basis van de regels van het omgevingsplan minimaal 50 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.

Het plangebied grenst ten slotte direct aan agrarische gronden, waar het mogelijk is om gewasbeschermingsmiddelen in te zetten. In voorliggende geval is echter reeds sprake van een bestaande bedrijfswoning en daarmee een bestaande gevoelige functie. Deze bedrijfswoning geniet op grond van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) reeds bescherming tegen bedrijven van derden. Door de toekenning van een woonfunctie aan de voormalige bedrijfswoning is er in dit geval geen sprake van een verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Bovendien zijn in de directe omgeving van het betreffende perceel meer woonbestemmingen, waaronder ook voormalige (agrarische) bedrijfswoningen die ook reeds deze bescherming genieten.

Ook waren er bij de bedrijfswoning conform het omgevingsplan mogelijkheden voor mantelzorgwoningen. Eveneens een gevoelige functie. Tot slot, zijn in hetzelfde Besluit activiteiten leefomgeving diverse bepalingen opgenomen om drift te reduceren. Ook is bosbouw, houtteelt en andere opgaande teeltvormen (waaronder sierbeplanting en fruitteelt) op grond van het omgevingsplan (artikel 4.5, sub h van voormalig bestemmingsplan Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016) verboden. Deze betreffende gewassen staan doorgaans bekend om veel drift bij het bespuiten, maar deze gewassen zijn dus ter plaatse reeds verboden.

6.5.4 Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.6 Verkeer en parkeren

6.6.1 Algemeen

Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. Daarnaast wordt ingegaan op de bereikbaarheid van het plangebied voor openbaar vervoer, gemotoriseerd verkeer en de toegankelijk van de openbare ruimte.

6.6.2 Verkeer en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. De gemeente Westerwolde heeft in het omgevingsplan van rechtswege, onderdeel 'Facetbestemmingsplan Parkeren Westerwolde', aangegeven dat een omgevingsvergunning slechts wordt verleend, indien in voldoende mate wordt voorzien in parkeerplaatsen op eigen terrein. De beoordeling of in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's wordt op basis van de door de CROW vastgestelde richtlijnen bepaald, dan wel aan de hand van de van toepassing zijnde beleidsregels van de gemeente Westerwolde ten aanzien van parkeren. Deze richtlijnen baseren de parkeerbehoefte (en verkeersgeneratie) aan de hand van de functie die wordt gerealiseerd en de verstedelijkingsgraad en stedelijke zone waarin de ontwikkeling plaatsvindt.

Voor de voorliggende ontwikkeling worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk;
  • Stedelijke zone: Buitengebied.

Parkeerbehoefte

Op basis van bovenstaande uitgangspunten geldt voor een vrijstaande woning een parkeerbehoefte van 2,3 parkeerplaatsen (afgerond 2). Op het eigen erf is hier (reeds) ruim voldoende ruimte voor.

Verkeersgeneratie en bereikbaarheid

Een vrijstaande woning heeft op deze locatie een verkeersgeneratie van 8,2 (afgerond 8) verkeersbewegingen met zich meebrengen. Vanwege het bestaande gebruik vindt deze zeer geringe verkeersgeneratie in de huidige situatie al plaats. De Burgemeester Buiskoolweg kan deze verkeersbewegingen eenvoudig verwerken. Daarnaast worden de bedrijfsmogelijkheden voor een agrarisch bedrijf verwijderd, waarmee er planologisch geen zware verkeersbewegingen behorende bij agrarische bedrijfsactiviteiten mogelijk zijn.

6.6.3 Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het plan voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.7 Ecologie: soortenbescherming

6.7.1 Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

6.7.2 Situatie plangebied

Voor het voornemen zijn geen sloop- of kapwerkzaamheden nodig. Er treden dan ook geen negatieve effecten op voor beschermde flora en fauna. De uitvoering van een quickscan soortenbescherming is niet noodzakelijk.

6.7.3 Conclusie

Het plan houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van soorten.

6.8 Ecologie: gebiedsbescherming

6.8.1 Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
6.8.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

6.8.3 Situatie plangebied

Natura 2000-gebieden

Het plangebied bevindt zich op circa 6 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Lieftinghsbroek'. Gelet op de ruimte afstand is directe hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid of lichthinder, uitgesloten. Naast directe hinder kan er ook sprake zijn van indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie. Stikstofdepositie kan ontstaan als gevolg van een ontwikkelingsfase en een gebruiksfase van de ontwikkeling.

In voorliggend geval is er uitsluitend sprake van een functiewijziging van een bestaand perceel. Er is daarmee geen sprake van een ontwikkelingsfase in de vorm van bouw-, sloop- en/of aanlegwerkzaamheden. De gebruiksfase is slechts beperkt tot bestemmingsverkeer van en naar de woning. Gelet op de aard en omvang van deze ontwikkeling, in combinatie met de ruime afstand tot Natura 2000, kan worden geconcludeerd dat het voornemen niet gepaard zal gaan met significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.

NNN-gebieden

Het dichtstbijzijnde gebied dat tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) hoort, bevindt zich op circa 660 meter ten westen van het plangebied. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van enige aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN.

6.8.4 Conclusie

Het plan houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van natuurgebieden.

6.9 Luchtkwaliteit

6.9.1 Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.
6.9.2 Situatie plangebied

Conform artikel 5.54 sub b valt een activiteit die betrekking heeft op de realisatie van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan onder een NIBM project, indien er sprake is van:

  • 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of
  • 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen;

Gelet op de aard en omvang van het voornemen, in vergelijking met deze gevallen, is er zonder meer sprake van een ontwikkeling die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

6.9.3 Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.10 Geluid

6.10.1 Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).

Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:

  • activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);
  • geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);
  • geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen

De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.10.2 Situatie plangebied

Planologisch gezien voorziet het voornemen in een nieuw geluidsgevoelig gebouw. Hieronder wordt ingegaan op de geluidhinder afkomstig van wegen, spoorwegen, industrieterreinen en overige geluidsbelastende activiteiten.

6.10.2.1 Wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Geluid door wegen en spoorwegen

In het omgevingsplan van de gemeente Westerwolde zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden:

  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m;
  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en
  • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

In de nabijheid zijn geen spoorlijnen aanwezig. Railverkeerslawaai vormt daarom geen belemmering voor het voornemen. Verder bevindt het plangebied zich binnen de geluidszone van de Burgemeester Buiskoolweg. Deze weg heeft een zeer kleinschalige karakter en wordt voornamelijk gebruikt voor bestemmingsverkeer. Van zwaar vrachtverkeer is niet tot nauwelijks sprake. Een akoestisch onderzoek naar het geluid door wegen kan dan ook achterwege blijven.

Industrielawaai

In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van een gezoneerd industrieterrein. Bescherming tegen geluid afkomstig van industrieterreinen behoeft daarom geen verdere aandacht.

6.10.2.2 Overige geluidbelastende activiteiten

Wettelijk kader

Onder de Omgevingswet worden aspecten als geluid- en geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG heeft besloten dat de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Milieuzonering nieuwe stijl (VNG handreiking mei 2019) anticipeert hierop en gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren, onder meer voor geluid. De werkelijke milieubelasting van een bedrijfsactiviteit is dan bepalend of een activiteit op een bepaalde locatie past, en niet meer een richtafstand.

De systematiek uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is opgenomen in veel bestemmingen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn - ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege - wordt deze systematiek nog toegepast. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Westerwolde, waardoor deze systematiek kan worden toegepast.

Onder milieuzonering wordt verstaan: het bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in acht nemen van voldoende afstand, een richtafstand, tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals wonen).

Om de richtafstanden te bepalen wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' onderscheid gemaakt tussen gebiedstypen. Het plangebied bevindt zich gelet op de functionele structuur van de omgeving in een 'rustige woonwijk'. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2501-vs01_0005.png"  

Toetsing

In de omgeving van het plangebied bevinden zich een aantal geluidsbelastende activiteiten. Dit betreffen voornamelijk agrarische bouwpercelen. Hiervoor geldt voor het aspect geluid een aan te houden richtafstand van 30 meter. Het dichtstbijzijnde agrarisch bouwperceel bevindt zich op circa 160 meter ten noorden van het plangebied. Aan de richtafstanden wordt ruimschoots voldaan, waardoor kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geluidhinder van omliggende milieubelastende activiteiten.

6.10.3 Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect geluid.

6.11 Geur

6.11.1 Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat);
  • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat);
  • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).


Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.

De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels.

6.11.2 Situatie plangebied

In voorliggend geval is er sprake van een functiewijziging van een agrarisch bouwperceel naar een woonperceel. Hiermee wordt een geurbelastende activiteit planologisch verwijderd. De woning bevindt zich op circa 160 meter van het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak. Hier kunnen landbouwhuisdieren zonder geuremissie worden gehouden, waarvoor op basis van het omgevingsplan een minimaal aan te houden afstand van 50 meter geldt. Hier wordt aan voldaan. Omliggende milieubelastende activiteiten zorgen daarmee niet voor een onevenredige geurhinder op de woning en omgekeerd is er geen sprake van enige belemmering van de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven.

6.11.3 Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.12 Omgevingsveiligheid

6.12.1 Algemeen

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Ow optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
  • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
  • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);
  • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).
6.12.2 Situatie plangebied

De risico's in de omgeving van het plangebied zijn in beeld gebracht met behulp van de Signaleringskaart externe veiligheid. In afbeelding 6.1 is een uitsnede hiervan opgenomen. Hieruit blijkt dat in de wijde omgeving geen risicovolle activiteiten plaatsvinden. De omgevingsveiligheid is daarmee in voldoende mate gewaarborgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2501-vs01_0006.png"  
Afbeelding 6.1: Uitsnede signaleringskaart externe veiligheid (Bron: EV-Signaleringskaart)  
6.12.3 Conclusie

De omgevingsveiligheid wordt in voldoende mate gewaarborgd.

6.13 Trillingen

6.13.1 Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.

Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.

6.13.2 Situatie plangebied

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van de spoorlijn. Er is daarmee geen sprake van trillinghinder ter plaatse van het plangebied.

6.13.3 Conclusie

Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor het voornemen.

6.14 Cultureel erfgoed

6.14.1 Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

6.14.2 Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.

Op 12 september 2023 heeft de gemeente Westerwolde de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart gemeente Westerwolde' vastgesteld. Op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart of inventarisatiekaart zijn alle bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische waarden opgenomen. Met ‘aantoonbaar’ wordt bedoeld dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische en/of historische informatie. Om aan te sluiten bij het concept van de genoemde handleiding zijn de geïnventariseerde archeologische waarden ingedeeld naar periode en complextype. Het rapport vormt de toelichting op de werkwijze voor de archeologische waarden- en verwachtingskaart. Op basis van de archeologische beleidskaart is het plangebied gekwalificeerd met 'Waarde - Archeologie 6'. Hiervoor geldt een vrijstelling voor bodemingrepen tot 1000 m2.

In voorliggend geval is er geen sprake van bodemingrepen. Archeologisch onderzoek kan dan ook achterwege blijven.

6.14.3 Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermend monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.


In of nabij het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig die kunnen worden geschaad als gevolg van het voornemen. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

6.14.4 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische worden.

6.15 Bodem

6.15.1 Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:

  • Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn.
  • Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde.
  • Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn.
  • Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.


Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.

6.15.2 Situatie plangebied

Voor de locatie is een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in Bijlage 1 van deze motivering. Op basis van het bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de bovengrond voldoet aan de functie wonen/industrie, de ondergrond voldoet aan landbouw/natuur en het grondwater voldoet aan de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering.

6.15.3 Conclusie

De bodemkwaliteit is geschikt voor het beoogde gebruik.

6.16 Water

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In deze paragraaf wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

6.16.1 Vigerend beleid
6.16.1.1 Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

6.16.1.2 Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

Er liggen grote opgaven voor het waterdomein:

  • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering;
  • We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte;
  • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027.

6.16.1.3 Beleid waterschap Hunze en Aa's

Het beleid van het Waterschap Hunze en Aa's staat beschreven in het beheerprogramma 2022-2027. In het beheerprogramma staat met welke ambities en maatregelen het waterschap de ontwikkelingen en opgaven op het gebied van veiligheid, voldoende en schoon water oppakken. Het waterschap speelt onder andere in op klimaatverandering en Europese normen voor schoon en gezond water.

6.16.2 Waterparagraaf
6.16.2.1 Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets.

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.

6.16.2.2 Watertoetsproces

Het waterschap is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat er geen waterschapsbelangen worden geraakt. Dit aangezien er uitsluitend sprake is van een functiewijziging van bestaande bebouwing. De watertoets is opgenomen in Bijlage 2 van deze motivering.

6.16.3 Conclusie

Het plan houdt voldoende rekening met de waterhuishouding.

Hoofdstuk 7 Kostenverhaal

7.1 Regels kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit.

Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten.Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.

In voorliggend geval is sprake van een functiewijziging van bestaande bebouwing naar een woonfunctie. Daarmee kan worden gesteld dat sprake is van het toestaan van één of meer gebouwen met een woonfunctie, waardoor de activiteit kostenverhaalplichtig is.

7.2 Anterieure overeenkomst

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

Hoofdstuk 8 Participatie en keten

8.1 Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.

Initiatiefnemer heeft de directe buren geïnformeerd over het voornemen. Deze hebben allen aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de beoogde functiewijziging.

8.2 Afstemming overlegpartners

Het plan is voorgelegd aan de relevante overlegpartners, waaronder de provincie Groningen en het Waterschap Hunze en Aa's. De provincie heeft aangegeven akkoord te zijn met het plan wanneer het plan wordt getoetst aan de instructieregels over vrijgekomen bebouwing. Dit is voor de ter inzage legging van het ontwerpbesluit uitgevoerd. Uit de watertoets is verder gebleken dat het plan geen waterschapsbelangen raakt.

8.3 Zienswijzen

Het wijzigingsbesluit is voor een periode van 6 weken voor een ieder ter inzage gelegd. In deze periode is één zienswijze ingediend. Deze heeft geleid tot een aanpassing van het plan. In de in Bijlage 3 opgenomen nota van zienswijzen is de zienswijze opgenomen en is aangegeven hoe hiermee is omgegaan.