direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herstructurering Van Haersoltestrjitte tweede fase te Sexbierum
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1949.SbrvHaersoltestrj-VAS1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Van Haersoltestrjitte zijn op dit moment 18 bejaardenwoningen en een aantal garageboxen aanwezig. Het voornemen is om deze woningen en garageboxen te slopen en te vervangen voor 10 woningen in de vorm van drie-onder-één-kap woningen en twee-onder-één-kap woningen.

Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van de geldende planologische regeling uit het bestemmingsplan Sexbierum/Pietersbierum. De voorgenomen woningen passen niet binnen de bestaande bouwvlakken. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Daarbij hoort een onderbouwing van een goede ruimtelijke ordening. Het voorliggende plan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt in het zuidwestelijke deel van de bebouwde kom van Sexbierum. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.SbrvHaersoltestrj-VAS1_0001.png"

Figuur 1.1 Ligging van het plangebied

1.3 Planologische regeling

Het plangebied is momenteel geregeld in het bestemmingsplan Sexbierum/Pietersbierum, vastgesteld op 2 juli 2008 door de voormalige gemeente Franekeradeel. Een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 1.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.SbrvHaersoltestrj-VAS1_0002.png"

Figuur 1.2 Uitsnede geldende bestemmingsplan Sexbierum/Pietersbierum

In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied twee bestemmingen. Het grootste deel van het plangebied is bestemd als 'Wonen-1'. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteit. Ondergeschikt zijn ook wegen, woonstraten en paden, parkeer-, groen-, speel en nutsvoorzieningen en water toegestaan. Hoofdgebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd.

Daarnaast is een deel van het plangebied bestemd als 'Verkeer - Verblijf'. Deze gronden zijn bestemd voor woonstraten, fiets- en voetpaden, bruggen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en sloten en bermen. Ondergeschikt zijn speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen en tuinen en erven toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'garage' zijn tevens garageboxen toegestaan.

In het noordelijke deel van het plangebied geldt daarnaast de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De gronden binnen deze dubbelbestemming zijn mede bestemd voor het behoud, het herstel en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

Omdat de voorgenomen woningen niet binnen de bouwvlakken passen en de bestaande wegenstructuur wordt aangepast, past het voornemen niet binnen de geldende regeling.

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding, wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen plan. Dit wordt in de hoofdstukken 3 en 4 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een uitleg aan de juridische regeling van het bestemmingsplan, hoofdstuk 6 gaat tenslotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

Het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling (het initiatief) is het belangrijkste uitgangspunt voor dit bestemmingsplan en wordt in dit hoofdstuk beschreven. De ontwikkeling moet op een goede manier worden ingepast in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden ook in dit hoofdstuk opgenomen. De inpassing in de huidige situatie wordt ook behandeld.

2.1 De bestaande situatie

Het plangebied bevindt zich aan de Van Haersoltestrjitte 39 tot en met 73 (oneven) te Sexbierum. In de huidige situatie zijn in het plangebied 18 bejaardenwoningen aanwezig. Deze woningen zijn verdeeld over drie rijen van vier woningen, die in noord-zuid richting geplaatst zijn. Ten zuiden van elke rij staan vervolgens nog twee halfvrijstaande woningen. De ruimte tussen de woningen wordt deels gebruikt als tuin en deels als openbaar groen. De woningen bestaan uit één bouwlaag met een kap. In het zuiden van het plangebied loopt een ontsluitingsweg naar de daar aanwezige garageboxen. In totaal zijn vijf garageboxen aanwezig in het plangebied. De huidige inrichting van het plangebied is weergegeven in figuur 2.1 en figuur 2.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.SbrvHaersoltestrj-VAS1_0003.png"

Figuur 2.1 Luchtfoto van de bestaande situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.SbrvHaersoltestrj-VAS1_0004.png"

Figuur 2.2 Vooraanzicht van de bestaande situatie, vanaf de noordzijde

Het plangebied maakt onderdeel uit van een woonwijk en wordt aan alle zijden omringd door woningen. Ten zuidwesten van het plangebied, op enige afstand, ligt de ijsbaan. Ten westen en zuiden van de woonwijk ligt het buitengebied van Sexbierum. Ten noordoosten van de woonwijk is het centrum van Sexbierum gelegen.

2.2 Voorgenomen situatie

In de voorgenomen situatie worden de bestaande woningen en garageboxen gesloopt. In plaats daarvan worden tien woningen gerealiseerd en wordt tevens de bestaande wegenstructuur aangepast. Het aantal woningen neemt daarmee met acht af. De woningen zullen bestaan uit één laag met een kap en worden opgezet in de vorm van twee drie-onder-één-kap woningen en twee twee-onder-één-kap woningen. Daarnaast wordt aan de zuidzijde de bestaande weg doorgetrokken in noordoostelijke richting, zodat er een rondgang rondom de woningen ontstaat en alle woningen goed bereikbaar zijn en ontsloten worden. In figuur 2.3 is de voorgenomen inrichting van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.SbrvHaersoltestrj-VAS1_0005.png"

Figuur 2.3 Voorgenomen inrichting van het plangebied

De drie-onder-één-kap woningen worden eengezinswoningen met een bouwhoogte van 8,8 meter hoog. De twee-onder-één-kap woningen worden levensloopbestendige woningen met een maximale bouwhoogte van 7 meter. Impressies van de voorgenomen te realiseren woningen zijn weergegeven in figuur 2.4 en figuur 2.5. In het plangebied ontstaan door de nieuwe inrichting twee groene delen. Deze gronden blijven vrij van bebouwing om in de toekomst te kunnen inrichting met bijvoorbeeld groenvoorzieningen, speeltoestellen of bankjes.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.SbrvHaersoltestrj-VAS1_0006.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.SbrvHaersoltestrj-VAS1_0007.png"

Figuur 2.4 Impressies eengezinswoningen

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.SbrvHaersoltestrj-VAS1_0008.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.SbrvHaersoltestrj-VAS1_0009.png"

Figuur 2.5 Impressies levensloopbestendige woningen

De woningen rondom het plangebied bestaan uit deels één laag met een kap en deels uit twee lagen met een kap. Door de nieuwe woningen in één laag met een kap te bouwen wordt op een goede manier aangesloten op de omliggende bebouwing. De woningen worden wel hoger dan in de huidige situatie, maar dit is noodzakelijk om de woningen te laten voldoen aan de huidige eisen van deze tijd.

Verkeer en parkeren

De voorgenomen woningen worden ontsloten aan de Van Haersoltestrjitte. Deze straat loopt in de voorgenomen situatie geheel rond het plangebied. Deze weg doet zowel in de huidige als in de toekomstige situatie dienst als erfontsluitingsweg. Omdat het aantal woningen in de voorgenomen situatie afneemt met acht, zal de verkeersgeneratie in en rondom het plangebied als gevolg van deze ontwikkeling eveneens afnemen. Het plan heeft daarmee een positieve werking op de verkeersgeneratie. Het verkeer kan zich ook in de voorgenomen situatie via de Van Haersoltestrjitte, de Kade, Nije Buorren en de Tsjerk Hiddesstrjitte afwikkelen op de N393. Het plan zal niet zorgen voor belemmeringen in de verkeersafwikkeling.

In de voorgenomen situatie worden tien huurwoningen ontwikkeld. Daarvoor geldt een parkeerbehoefte van 1,6 parkeerplaatsen per woning. In totaal komt dit neer op 16 parkeerplaatsen. In de voorgenomen situatie worden ten behoeve van de ontwikkeling in het plangebied 22 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt ruimschoots voorzien in de parkeerbehoefte.

Conclusie

De ontsluiting van het plangebied is goed. De nieuwe ontwikkeling zal niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling en parkeren.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Voor het bestemmingsplan zijn geen nationale belangen van belang.

Wel zijn de beleidsregels met betrekking tot de Waddenzee relevant. Bij nieuwe bestemmingsplannen die betrekking hebben op de Waddenzee en het Waddengebied moet een beoordeling plaatsvinden van de mogelijke gevolgen voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het gebied. Deze waarden zijn in de verordening benoemd. Nieuwe bebouwing of verandering van het gebruik is niet toegestaan als dit leidt tot significante aantasting van de waarden in het gebied.

Binnen het plangebied wordt een lager aantal woningen mogelijk gemaakt ten opzichte van de huidige situatie. Dit gebeurt binnen een bestaande woonwijk, op reeds ontwikkelde gronden. Daarmee leidt het initiatief niet tot aantasting van de kernkwaliteiten van het Barro die betrekking hebben op het Waddengebied. Het voornemen is daarom niet in strijd met het gestelde in de SVIR en het Barro.

Ladder voor Duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In 2017 is de Ladder herzien. In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

Toepassing ladder voor duurzame verstedelijking

In dit geval is sprake van een afnemend aantal woningen in het plangebied, ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. Toetsing aan deze ladder is daarom niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid

Het provinciale beleid is uiteengezet in het Streekplan 'Om de kwaliteit van de romte' (structuurvisie). De belangrijkste uitgangspunten uit het provinciale beleid zijn vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Hierin zijn voor de provinciale belangen regels opgenomen, waar in bestemmingsplannen rekening mee gehouden moet worden.

Streekplan Fryslân

Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (bestemmingsplan)beleid. Dit is onder meer neergelegd in het Streekplan Fryslân, vastgesteld op 13 december 2006.

In het Streekplan geeft de provincie aan dat nieuwe woningen zoveel mogelijk in het bestaande bebouwde gebied van kernen worden opgevangen. Door dit gebied optimaal te gebruiken wordt benutten wordt bijgedragen aan een efficiënt gebruik van de ruimte. Het benutten van ruimtewinst in bestaand bebouwd gebied is geen doel op zich. Het is een manier om de ruimtelijke kwaliteit te verhogen. Het gaat erom iedere plek functioneel zo goed mogelijk te benutten. Niet de hoeveelheid steen per m2 telt, maar de hoeveelheid functie Dit geldt ook voor nieuwe uitbreidingslocaties. Het bestaande bebouwde gebied heeft geen vaste harde grens, maar deze schuift mee met nieuwe gerealiseerde uitbreidingen.

Toetsing

Met dit plan wordt binnen bestaand bebouwd gebied een herstructurering mogelijk gemaakt. Achttien verouderde bejaardenwoningen worden gesloopt en vervangen door tien eengezins- en levensloopbestendige woningen. Hiermee wordt de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied verhoogd. Daarmee is het plan in overeenstemming met het Streekplan Fryslân.

Verordening Romte Fryslân

Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. Deze verordening behelst een aanpassing van de op 15 juni 2011 vastgestelde verordening en is op 16 augustus 2014 in werking getreden. In deze verordening is het beleid, zoals verwoord in het Streekplan, vertaald naar regels voor bestemmingsplannen. De verordening is met name gericht op regels met betrekking tot het landelijk gebied.

In artikel 3 van de Verordening Romte Fryslân is opgenomen dat een ruimtelijk plan mogelijkheden voor woningbouw kan bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft.

Toetsing

In dit plan wordt het aantal woningen met acht verminderd. In paragraaf 3.3 word gemotiveerd dat dit in overeenstemming met de prestatie afspraken van de gemeente Waadhoeke is. Daarmee is het plan in overeenstemming met het provinciaal beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

Het gemeentebestuur is bezig met de voorbereiding van haar Woonvisie. Daarom wordt in het kader van de toetsing aan het gemeentelijk beleid teruggegrepen naar het woonbeleid van de voormalige gemeente Franekeradeel.

Woonplan Gemeente Franekeradeel 2015-2018

Het gemeentelijke woonplan van de voormalige gemeente Franekeradeel is vastgesteld op 15 oktober 2015. Door de verwachte krimp van de bevolking staat de kwaliteit van de woningbouw voorop. De vitaliteit van het woningbestand en de lokale vraag naar woningen staat de komende jaren centraal. De volkshuisvestelijke opgave bestaat hierbij voornamelijk uit sloop/nieuwbouw, waarbij meer wordt gesloopt dan wordt teruggebouwd. Het vitaal houden van de bestaande voorraad woningen krijgt daardoor meer accent en wijk- en dorpsvernieuwingsprojecten zullen nodig zijn om de leefbaarheid in stand te houden.

Het plan is om 18 verouderde bejaardenwoningen te slopen en hiervoor 10 senioren- en eengezinswoningen terug te bouwen. Dit is in overeenstemming met het gestelde in het Woonplan van de voormalige gemeente Franekeradeel.

Prestatieafspraken Wonen 2017-2021

In het kader van de Woningwet en het BTIV is het verplicht prestatieafspraken tussen gemeentes en huurdersorganisaties te maken voor het DAEB bezit van de corporatie indien er een gemeentelijke of regionale woonvisie is. Het staat partijen ook vrij om prestatieafspraken te maken zonder woonvisie. In de prestatieafspraken zijn alle geplande herstructurerings-, sloop-, transformatie-, renovatie- en nieuwbouwopgaven in de gemeente opgenomen.

In de prestatieafspraken is een volkshuisvestelijke analyse per dorp in de gemeente Waadhoeke opgenomen, waarin de gemeente het gewenste eindbeeld per dorp geeft. Na uitvoering van alle herstructurering en sloop, transformatie en renovatie, en nieuwbouw resteert er een kernvoorraad huurwoningen per dorp die op basis van de analyse voldoende is om de doelgroep te voorzien van een betaalbare huurwoning.

In het herstructurerings/nieuwbouw programma per dorp is de locatie Van Haersoltestrjitte opgenomen. Hier wordt de sloop van 18 woningen beoogd, met daarbij de nieuwbouw van 10 woningen in de plaats hiervan. Dit plan maakt de beoogde herstructurering en nieuwbouw mogelijk en is daarmee in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand.

Toetsing

Direct rondom het plangebied is uitsluitend sprake van woningen. Ten zuidoosten van het plangebied is op enige afstand een ijsbaan aanwezig. Dit betreft een grasveld dat in de winter onder water wordt gezet. Tevens is hierbij verlichting aanwezig. Het grasveld mag tevens gebruikt worden als sportveld, tennisbaan en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen. Op het noordelijke deel van het terrein staat een kantine gebouw en is de parkeerplaats gelegen. Zuidelijk hiervan ligt het terrein dat dienst doet als ijsbaan, dan wel als sportveld of tennisbaan.

De kantine en parkeerplaats zijn op circa 30 tot 50 meter van het plangebied gelegen. De ijsbaan zelf is op 50 meter en verder van het plangebied gelegen. Voor sportvelden met verlichting geldt conform de VNG-brochure een afstand van 50 meter ten opzichte van gevoelige objecten. Gemeten vanaf de ijsbaan wordt hieraan voldaan. Daarom is nader onderzoek niet noodzakelijk. Voor het overige zijn er geen bedrijven of andere inrichtingen in de omgeving van het plangebied waar rekening mee gehouden dient te worden. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor dit plan.

4.2 Ecologie

Toetsingskader

Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekkingen tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.

Daarnaast is in elke provinciale verordening een uitwerking van de Wnb opgenomen. In de provincie Friesland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNN-gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden.

Toetsing

Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden als Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Waddenzee op circa 2 kilometer afstand. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Binnen het plangebied worden 18 woningen gesloopt en worden hiervoor 10 woningen terug gebouwd. Het afnemende aantal woningen in het plangebied betekent minder verkeersbewegingen en heeft een positieve werking voor omliggende beschermde natuurgebieden. Daarom kan redelijkerwijs gesteld worden dat de ontwikkeling in het plangebied geen significante gevolgen heeft voor omringende beschermde natuurgebieden.


Soortenbescherming

In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Toetsing

In het plangebied worden de bestaande woningen en garageboxen gesloopt ten faveure van de nieuwe woningen. Om te onderzoeken of sprake is van beschermde soorten in het plangebied waar met de sloop rekening mee gehouden moet worden, is een nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen en vogels uitgevoerd. Het plangebied is meegenomen in een onderzoek naar meerdere herstructureringslocaties van Wonen Noordwest Friesland.

Uit het onderzoek (bijlage 1) is naar voren gekomen dat geen sprake is van gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen. Daarmee wordt de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied uitgesloten. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk en er hoeven ook geen maatregelen getroffen te worden om rekening te houden met beschermde soorten.

Omdat het plan geen nadelige gevolgen voor omliggende beschermde natuurgebieden heeft en er geen sprake is van beschermde soorten in het plangebied, vormt het aspect ecologie geen belemmering voor dit plan.

4.3 Bodem

Toetsingskader

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval.

Toetsing

Het plangebied is in de huidige situatie in gebruik ten behoeve van de woonfunctie. Ook in het geldende bestemmingsplan is het plangebied bestemd met een woonbestemming. Er kan daarom vanuit worden gegaan dat de bodem van voldoende kwaliteit is voor de voorgenomen functie. In het kader van de omgevingsvergunning zal een bodemonderzoek worden uitgevoerd waarin dit nogmaals onderzocht wordt. Voor het bestemmingsplan vormt het aspect bodem geen belemmering.

4.4 Geluid

Toetsingskader

Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Toetsing

Het plangebied is niet gelegen in een geluidzone van een geluidzoneringsplichtige weg. Conform de Wet geluidhinder is daarom geen akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. De wegen rondom het plangebied betreffen 30 km/uur-wegen, waar vrijwel uitsluitend bestemmingsverkeer gebruik van maakt. Gezien het feit dat in de huidige situatie ter plaatse van de woningen in het plangebied een goed akoestisch woon- en leefklimaat heerste, kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat dit ook in de nieuwe situatie het geval is. De woningen worden niet dichter op de weg geplaatst en voldoen aan het Bouwbesluit 2012, waardoor eveneens een goed akoestisch binnenklimaat wordt gegarandeerd.

4.5 Water

Toetsingskader

Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân.

Toetsing

Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Wetterskip Fryslân (kenmerk: 20180808-2-18498). De uitkomst van deze toets is dat de korte procedure moet worden gevolgd. Het plan heeft een beperkte invloed op de wateraspecten die van belang kunnen zijn bij ruimtelijke plannen. Dit betekent dat de beperkte invloed van het plan kan worden opgevangen met standaard maatregelen die vermeld staan in de leidraad watertoets. Hiermee wordt rekening gehouden tijdens de uitvoering van de plannen. Het resultaat van de watertoets is opgenomen als bijlage 2.

In het kader van de klimaatadaptatie zijn daarnaast onlangs de WOLK en Hittestresskaarten uitgerold in de gemeente Waadhoeke. De WOLK-kaart geeft zicht op de verwachte waterdiepte op basis van een modellering voor een bui met een intensiteit van 60 mm per uur. Uit de kaart blijkt dat ter plaatse van het huidige parkeerterrein bij de garageboxen watercumulatie van 10 tot 40 centimeter kan ontstaan. In de toekomstige situatie komt hier een doorgaande weg te liggen en zal rekening worden gehouden met het verzorgen van een goede afwatering in het gebied. Voor het overige is geen sprake van wateroverlast in het plangebied.

4.6 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn op grond van de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Tevens moet worden bekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de voorgenomen functie.

Toetsing

Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2015) is er in de directe omgeving van het plangebied sprake van een goede luchtkwaliteit. Dit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

Daarnaast neemt het aantal woningen in het plangebied met de uitvoering van dit plan af. Dit betekent dat de verkeersgeneratie eveneens lager zal komen te liggen. Dit heeft een positieve invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor dit plan.

4.7 Archeologie

Toetsingskader

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie.

FAMKE

Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.).

Conform de steentijd-bronstijd advieskaart is geen onderzoek noodzakelijk, ongeacht de grootte van de ontwikkeling. Conform de ijzertijd-middeleeuwen advieskaart valt het plangebied deels (noordelijke deel) binnen het gebied 'waarderend onderzoek (terpen)'. Hier geldt dat bij ontwikkelingen met een minimale oppervlakte van 50 m² archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De overige gronden van het plangebied vallen binnen het gebied 'karterend onderzoek 1', waar voor ontwikkelingen met een minimale oppervlakte van 500 m² archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Bestemmingsplan Sexbierum/Pietersbierum

In het bestemmingsplan Sexbierum/Pietersbierum is voor het deel dat in het FAMKE bestempeld is als 'waarderend onderzoek (terpen)' een archeologische dubbelbestemming opgenomen, waarbij geldt dat voor ontwikkelingen met een oppervlakte groter dan 50 m² en dieper dan 0,30 meter een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Toetsing

Voor dit plan zijn alle aanwezige woningen en garageboxen gesloopt en ter plaatse worden nieuwe woningen ontwikkeld. Om te onderzoeken of er in het plangebied sprake is van archeologische waarden is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3.

Tijdens het veldonderzoek is geconcludeerd dat in het grootste deel van het plangebied grotendeels intacte terplagen aanwezig zijn, bestaande uit zeer fijn tot uiterst fijn, matig tot uiterst siltig, licht- tot donker(bruin)grijs zand. Dit pakket is overwegend zwak tot matig humeus en bevat grijze vlekken, houtskool spikkels en leem spikkels. In een deel van de boringen was een duidelijke afwisseling waar te nemen van niet humeuze tot zwak humeuze ophoging slagen met relatief weinig indicatoren en matig tot sterk humeuze bewoning slagen met relatief veel indicatoren. Deze gelaagdheid geeft de verschillende fasen van de ophoging weer. Onder de terp ophoging bevinden zich de natuurlijke kwelderafzettingen, bestaande uit lichtgrijs, zeer fijn tot uiterst fijn zand met kleilagen. In het uiterste zuiden zijn geen terplagen aangetroffen. Hier bevinden zich onder een ca. 100 centimeter dik pakket ophoogzand direct de natuurlijke kwelderafzettingen. Vermoedelijk ligt een deel van het plangebied net buiten de dorps terp, waardoor natte omstandigheden geheerst hebben. Vandaar dat het bij de inrichting van de woonwijk waarschijnlijk nodig was om een dik zandpakket op te brengen ter versteviging van het maaiveld, evenals ter egalisatie.

De terplagen bevinden zich overwegend op een diepte van 20 tot 30 centimeter onder het maaiveld. Ze lopen door tot 85 tot 130 centimeter in twee boringen en tot 130 tot 260 centimeter in de overige boringen. In boring 1 en 2 lijkt een relatief hoog deel van de kwelderrug te liggen, waardoor de terp minder dik is.

Ter plaatse van de huidige bebouwing is de bodem tot ca. 1 meter onder het maaiveld verstoord. Aangezien de terplagen overwegend tot dieper dan 1 meter onder het maaiveld doorlopen, is de verwachting dat onder de huidige bebouwing nog resten van de dorps terp aanwezig zijn.

Binnen de AMZL-cyclus geldt dat bij het aantreffen van archeologisch relevante lagen, behoud in situ de voorkeur heeft. Over het algemeen wordt bij behoud in situ een bufferzone gehanteerd van 30 centimeter boven het archeologisch niveau. Aangezien in het plangebied archeologische resten reeds vanaf 202 tot 30 centimeter onder het maaiveld worden verwacht, is behoud in situ alleen mogelijk als niet in de bodem gegraven wordt. Op basis van resultaten van het booronderzoek is daarom bij alle bodemingrepen vervolgonderzoek noodzakelijk.

Daarop is een vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Hiervan is het evaluatieverslag opgenomen als bijlage 4. Het proefsleuvenonderzoek heeft geresulteerd in het aantreffen van archeologische resten te dateren in de 10e tot 11e eeuw. Deze archeologische resten bestaan uit bewoningssporen die waarschijnlijk deel hebben uitgemaakt van de middeleeuwse bewoning op de zuidelijke rand van de dorpsterp van Sexbierum. De resten kunnen deel hebben uitgemaakt van een kleinere nederzettingsvorm zoals een motte (kasteelheuvel) of versterkte hoeve. De aangetroffen resten bevinden zich in het noordelijke deel van het plangebied.

Uit de waardering volgens de door KNA voorgeschreven wijze blijkt dat de vindplaats die is aangetroffen behoudenswaardig is. Deze vindplaats bevindt zich op een minimale diepte van 140 centimeter onder maaiveld. Hierbij is uitgezonderd de hogere kwelderkop in de noord-westhoek van het terrein. Hier bevindt zich het niveau, waarop zich de archeologische resten kunnen bevinden, op een diepte van 85 centimeter onder het maaiveld. Hoewel er in de proefsleuven geen archeologische sporen zijn aangetroffen in de verschillende terplagen (oudere maaiveldniveaus) is dit niet op voorhand voor het gehele plangebied uit te sluiten. Bovendien is de terp zelf ook onderzoekswaardig en bevindt zich hierin archeologisch vondstmateriaal.

Rekening houdend met de aanwezigheid van eventuele archeologische resten in de verschillende terplagen (oudere maaiveldniveaus) wordt bij bodemingrepen tot een diepte van 110 centimeter onder maaiveld een archeologische begeleiding geadviseerd. Bij de diepte van 110 centimeter onder maaiveld is uitgegaan van een buffer van 30 centimeter ter bescherming van de archeologische resten direct onder de terplagen op een diepte van minimaal 140 centimeter, uitgezonderd de hogere kwelderkop in de noord-westhoek van het terrein. Vinden de bodemingrepen dieper dan 110 centimeter plaats onder maaiveld, is de buffer te gering en zullen de bedreigde aanwezige archeologische resten moeten worden opgegraven. Dit kan gebeuren bij uitvoering van de nieuwbouwwerkzaamheden. Vervolgonderzoek hoeft uitsluitend plaats te vinden op de delen van het plangebied die in de huidige situatie nog niet zijn verstoord en in de toekomstige situatie ontwikkeld worden ten behoeve van de voorgenomen nieuwbouw.

4.8 Cultuurhistorie

Toetsingskader

Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

Toetsing

Om te onderzoeken of sprake is van cultuurhistorische waarden is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Hieruit komt naar voren dat geen sprake is van specifieke cultuurhistorische waarden binnen het plangebied.

4.9 Externe veiligheid

Toetsingskader

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Toetsing

In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes en buisleidingen aanwezig zijn die van invloed zijn op de beoogde woningen in het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt daarom geen belemmering voor dit plan.

4.10 Kabels en leidingen

Toetsingskader

In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.

Toetsing

Binnen het plangebied is sprake van een middenspanningskabel voor elektra. Deze zal worden verlegd ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Voor het overige is geen sprake van kabels en leidingen waar rekening mee gehouden dient te worden. Het aspect kabels en leidingen vormt daarom geen belemmering voor dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Het juridisch systeem

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden.

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

In het voorliggende bestemmingsplan wordt de beoogde situatie vastgelegd. Het plangebied in dit plan drie bestemmingen gekregen.

Groen

De bestemming 'Groen' heeft betrekking op het openbaar groen in het plangebied, in de vorm van groenstroken, speelterrein en kleine plantsoenen. Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan. Wel is de realisatie van paden en speeltoestellen mogelijk.

Verkeer - Verblijfsgebied

De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is bedoeld voor de (woon)straten en de doorgaande paden in het plangebied, waar een 30 km/uur-regime geldt. Niet de doorgaande ontsluitingsfunctie, maar de verblijfsfunctie staat voorop. Ook parkeervoorzieningen zijn binnen deze bestemming toegestaan.

Wonen - 1

De bestemming 'Wonen - 1' heeft betrekking op de woonpercelen in het plangebied. Er is specifiek gekozen voor de bestemming Wonen -1 om aan te sluiten bij de huidige systematiek in Sexbierum. Deze bestemming heeft betrekking op alle woningen bestaande uit één bouwlaag met een kap. In het plangebied worden uitsluitend deze type woningen gerealiseerd.

Binnen de bouwregels wordt verder onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen enerzijds en aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen anderzijds. Voor de hoofdgebouwen zijn bouwvlakken opgenomen waar binnen deze gebouwd moeten worden. De bouwvlakken zijn afgestemd op de ontwerpen van de te bouwen woningen. Het aantal woning is niet in de regels vastgelegd aangezien de omvang van de bouwvlakken niet meer woningen toelaat.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak en overleg

Het bestemmingsplan zal direct als ontwerpbestemmingsplan in procedure worden gebracht. De provincie en het waterschap zijn wel op de hoogte gesteld van de voorgenomen ontwikkeling en gevraagd om hierop reactie te geven.

In reactie daarop heeft de provincie laten weten de onderbouwing met betrekking tot het aspect archeologie onvoldoende te achten. De provincie merkt op dat in het kader van dit plan een waarderend onderzoek nodig zal zijn om de waarde en de omvang van de archeologische vindplaats te kunnen bepalen. Hierop is ingegaan in paragraaf 4.7.

Zienswijze

Vervolgens is het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Er zijn tijdens deze periode geen zienswijzen ingediend.

Vaststelling

Het bestemmingsplan is vervolgens ongewijzigd vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat voor degenen die een zienswijze hebben ingediend en belanghebbende zijn de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid

Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. De initiatiefnemer heeft aannemelijk gemaakt dat het plan financieel haalbaar is.

Grondexploitatie

Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

De gemeente Waadhoeke en Wonen Noordwest Friesland (WNWF) hebben hiervoor een ontwikkelovereenkomst Herstructurering van Haersoltestrjitte 2e fase Sexbierum gesloten. In deze overeenkomst tussen de gemeente en WNWF zijn alle afspraken over de uitvoering vastgelegd. De gemeentelijke kosten en de kosten van WNWF zijn gedekt. Gezien het vorenstaande is het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar en kan worden afgezien van een exploitatieplan.