direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Hamerenweg 11 te Vrouwenparochie
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1949.BPVroHamerenweg11-VAS1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Hamerenweg 11 in het buitengebied van Vrouwenparochie is een rijksmonumentale kop-hals-rompboerderij gesitueerd (monumentnummer: 9524, geregistreerd per 19-09-1973). De vorige eigenaar heeft het schuurgedeelte voor een groot deel gesloopt met als doel deze in ere te herstellen maar dat is niet gelukt. De boerderij is nu aangekocht door initiatiefnemers die het voorhuis en hals gaan bewonen en de schuur in de oorspronkelijke bouwvorm willen gaan herstellen. De nieuwe eigenaren hebben plannen ontwikkeld om dat te laten slagen door ter plaatse dag- en verblijfsrecreatieve activiteiten op het terrein te ontplooien.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.BPVroHamerenweg11-VAS1_0001.jpg"

Figuur 1. Bovenste foto's betreffen huidige toestand van monumentale boerderijbebouwing eind 2021 (bron: BügelHajema Adviseurs), en onder de bebouwingstoestand in het verleden (bron: RCE)

Het plan is van de schuur een permanente trouw- en vergaderlocatie te maken, waarbij ook in de schuur logies voor groepen tot 25 personen (in 10 kamers) wordt geboden. Bij de bruiloften is het mogelijk dat er een feest plaatsvindt. Dat is in dit bestemmingsplan toegelaten, maar wel gemaximeerd (op ten hoogste 24 per jaar). Omwille van het planvoornemen wordt een gemeenschappelijke parkeervoorziening met 25 parkeerplaatsen aangelegd.

Initiatiefnemers willen daarnaast op termijn een kleinschalig kampeerterrein (maximaal 15 kampeermiddelen) en een theetuin (met 10 tafeltjes voor ten hoogste 25 personen) realiseren, in lijn met het toeristisch-recreatief beleid van de gemeente. Voor deze recreatieve activiteiten zullen diverse voorzieningen op het eigen erf worden aangelegd.

Overigens is voor herbouw van de schuur reeds omgevingsvergunning door de gemeente afgegeven dus maatvoering dienaangaande wordt als juridisch bestaand voor dit bestemmingsplan gezien.

1.2 Geldend bestemmingsplan

Op de planlocatie is het bestemmingsplan Buitengebied van de toenmalige gemeente het Bildt van kracht, als vastgesteld op 12 mei 2010. Het plangebied is hierin bestemd als 'Agrarisch' met een ruim aangeduid "bouwvlak" van bijna 1,5 ha ten behoeve van de vroegere agrarische bedrijfsvoering met bijbehorende bebouwing. De bestaande boerderij kent daarnaast vanwege het rijksmonumentale karakter de dubbelbestemming 'Waarde - Karakteristieke boerderijpanden / woningtypen'. Verder zijn in het plangebied een functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel agrarisch grondgebonden bedrijf", een bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - karakteristiek 1" en een gebiedsaanduiding "geluidzone - weg" van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.BPVroHamerenweg11-VAS1_0002.jpg"

Figuur 2. Kaartuitsnede van bestemmingsplan Buitengebied van de toenmalige gemeente het Bildt

(bron www.ruimtelijkeplannen.nl)

De voorgenomen woonfunctie en dag- en verblijfsrecreatieve activiteiten ter plaatse zijn niet passend in het geldende bestemmingsplan. Om het planvoornemen te kunnen realiseren is een op zichzelf staande bestemmingsplanprocedure noodzakelijk. Hiervoor is voorliggend bestemmingsplan opgesteld die ziet op de herziening van het planologisch-juridisch kader ter plaatse.

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 gaat verder in op het planvoornemen. In hoofdstuk 3 is het geldende en relevante ruimtelijke overheidsbeleid in het plangebied uitgewerkt. In hoofdstuk 4 volgt een beschrijving van de omgevingsaspecten betreffende de planologische en milieukundige randvoorwaarden. Hoofdstuk 5 betreft de toelichting op de juridische vormgeving van het bestemmingsplan en de hiervoor te volgen procedure. Tot slot is in hoofdstuk 6 ingegaan op de (economische en maatschappelijke) uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Plangebied

Het plangebied aan de Hamerenweg 11 te Vrouwenparochie ligt ongeveer 2 km ten zuiden van Vrouwenparochie, in het buitengebied nabij de kruising met de Súdhoekstermiddelweg en de Hamerenweg. Bovendien ligt de locatie ook in de directe nabijheid van de noordelijke Elfstedenroute die via de Súdhoekster Faart (noordelijk langs de Súdhoekstermiddelweg) loopt. Voor de exacte plangrens wordt verwezen naar de bij het voorliggende bestemmingsplan behorende verbeelding.

Het plangebied van dit bestemmingsplan omvat de kadastrale perceelnummers 248 en 251 sectie G van de kadastrale gemeente Lieve Vrouwe Parochie (gemeentecode VWE00). De kadastrale oppervlaktes bedragen 17.940 m2 (agrarisch perceel westelijk) en 8.120 m2 (het huisperceel) wat tot een totaaloppervlak leidt van het plangebied van 26.060 m2, dus ruim 2,5 ha.

Overigens is ook het kadastrale perceelnummer 252 zuidelijk van het huisperceel (met een oppervlakte van 2.960 m2) in eigendom van initiatiefnemers. Aangezien hier reeds een agrarische bestemming op grond van het geldende bestemmingsplan Buitengebied van de toenmalige gemeente het Bildt op rust, en daar geen recreatieve activiteiten worden toegestaan, is dit perceel buiten het plangebied van voorliggend bestemmingsplan gehouden. Het agrarische perceel betreffende kadastraal perceelnummer 248 is daarentegen wel betrokken in dit bestemmingsplan om zodoende het voormalig agrarisch bouwvlak in het geldende bestemmingsplan Buitengebied weg te kunnen bestemmen.

2.2 Huidige situatie

In het plangebied is een rijksmonumentale kop-hals-rompboerderij aanwezig. Van deze boerderij staat alleen het voorhuis (kop) en de (korte) hals nog geheel overeind. Van de bijbehorende schuur (romp) zijn enkel nog de muren over. Het gehele dak is verdwenen. Door de huidige leegstand en staat van de schuur is de uitstraling van het erf onvoldoende. Het terrein en herbouw/renovatie van de schuur biedt goede kansen voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering. De als eerste stap te nemen herstellen van de schuur zal het aanzicht van het perceel al snel ten goede komen.

De inrichting van het terrein vraagt om een goede inpassing om het karakter van een woon- en toeristisch-recreatieve bestemming te rechtvaardigen. Aandachtspunten zijn het aanzicht vanaf de straatzijde (de Hamerenweg) op de bebouwing en het gedeelte van het terrein waar de minicamping komt. De aanwezige (boom)beplanting rondom de bebouwing op het huisperceel zijn een kwaliteit die een fraaie, groene uitstraling van de locatie geven en dienen te worden behouden en eventueel versterkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.BPVroHamerenweg11-VAS1_0003.png"

Figuur 3. Luchtfoto van huidige situatie vanuit het westen bezien

2.3 Toekomstige inrichting

Beoogde activiteiten

Hoofdactiviteiten
Als hoofdactiviteit voor het toekomstig gebruik van de boerderij geldt het wonen in het voorhuis en hals, waarbij de schuur als permanente trouwlocatie gaat dienen, met de mogelijkheid van logies voor groepen tot 25 personen. De schuur kan ook multifunctioneel als mogelijke vergaderplek worden gebruikt. De bedoeling is logies in de schuur per keer (dag/weekend/doordeweeks) aan één partij te gaan verhuren. Dat kan zijn voor een bruiloft waarbij een aantal van de gasten overnachten, of bijvoorbeeld voor families met een familieweekend.

Met het faciliteren van groepen in de schuur wordt wel afgeweken van de Nota recreatie en toerisme gemeente Waadhoeke (2020), waarop in paragraaf 3.3.1 nader is ingegaan. Er zullen namelijk meer kamers voor meer personen (circa 10 kamers voor maximaal 25 personen) worden gerealiseerd dan waar in de gemeentelijke nota voor kleinschalige logies wordt uitgegaan, te weten een maximum van 5 kamers/eenheden voor maximaal 10 personen. Motivering om daarvan af te wijken is dat een dergelijke accommodatie als nu voorligt verder niet in de gemeente voorkomt en het planvoornemen op toeristisch-recreatief vlak dan ook een toevoeging vormt op het huidige gemeentelijke aanbod. Dat is in lijn met de provinciale ambities als geformuleerd in het "Actieplan vitale logiesaccommodaties binnen het programma Gastvrij Fryslân 2028" (uit 2021) die namens Provinsje Fryslân door ZKA Leisure Strategy is opgesteld. Aan de drie kwantitatieve hoofddoelen die hierin gesteld zijn, kan het planvoornemen bijdragen, te weten:

  • 1. Bevordering van brede welvaart: in 2028 is ten minste 91% van de Friese inwoners tevreden met het leven. Logiesaccommodaties dragen hier indirect aan bij door de impuls die zij leveren aan de ruimtelijke kwaliteit, banen, voorzieningen en stuwende bestedingen.
  • 2. Vitalisering van regulier logiesaanbod: door een gerichte aanpak heeft Fryslân in 2028 ongeveer 55% meer vitale logiesaccommodaties (circa 160 bedrijven), circa 20 nieuwe en/of herontwikkelingen en ongeveer 45% minder niet vitale logiesaccommodaties.
  • 3. Slimme groei van kleinschalig logiesaanbod en vraag: door vooral in te zetten op herontwikkeling van erfgoed voor de cultuur en natuurtoerist varieert de jaarlijkse groei afhankelijk van de deelregio tussen 1- 3%.

Voor de regio noordwest is in het actieplan gesteld dat het qua aantal aanbieders de kleinste regio van Fryslân is. Daarvan valt bijna 70% van het huidige aanbod in de minder-vitale segmenten. Opvallend groot is het aandeel van circa 40% bedrijven 'stuck in the middle'. Voor de regio wordt hierom vooral ingezet op het vitaliseren van het huidige aanbod, waardoor het huidige aanbod aantrekkelijker wordt voor gasten waardoor de logiesaccommodaties meer toeristische vraag zullen genereren. Tegelijkertijd wordt in de regio ook marktruimte voor nieuwe reguliere en kleinschalige ontwikkelingen gezien, maar dient goed te worden gekeken of het een onderscheidende aanvulling is op het bestaande aanbod. Dat is met voorliggend planvoornemen het geval, omdat er geen gelijke in de regio te vinden is. Het planvoornemen kan worden gezien als van toegevoegde waarde waarmee bovendien, en zeker niet onbelangrijk, het rijksmonumentale karakter van de boerderij wat betreft bouwvorm en voorkomen in oude luister kan worden hersteld.

Naast voorgaande kan nog worden opgemerkt dat officiële trouwlocaties in de gemeente behoorlijk schaars zijn en dat deze plek daarin op gemeentelijk niveau ook nog eens wat toevoegt aan het aanbod. Al met al kan worden geconstateerd dat het voorliggende planvoornemen een kwalitatieve impuls aan toeristisch-recreatieve mogelijkheden gaat bieden in de gemeente die passend zijn in de doelstellingen als geformuleerd in de Nota recreatie en toerisme gemeente Waadhoeke.

Nevenactiviteiten
Naast voorgaand benoemde hoofdactiviteiten willen initiatiefnemers op termijn mogelijk nog enkele kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten op het terrein ontplooien. Het ruime voormalige boerderijerf leent zich daar goed voor. Aan het volgende wordt gedacht:

  • De exploitatie van een theetuin c.q. rustpunt voor fietser en wandelaars;
  • Een kleinschalig kampeerterrein met 15 kampeerplekken (voor mobiele kampeermiddelen als caravans, campers en tenten) conform de provinciale verordening;
  • Een bij de trouwlocatie incidenteel voorkomend huwelijksfeest (ook wel bruiloftsfeest of trouwfeest genoemd) wordt verder niet als evenement maar als nevenactiviteit behorende bij de hoofdactiviteit als trouwlocatie aangemerkt (vanwege het niet openbare karakter). De feesten in het plangebied zijn met dit bestemmingsplan gemaximeerd op ten hoogste 24 per jaar.

Voor de toeristisch-recreatieve activiteiten betreffende de theetuin en het kamperen wordt als doelgroep met name ingezet op de cultuurtoerist en rust- en ruimtezoeker die de regio Noordwest-Fryslân daarvoor specifiek opzoeken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.BPVroHamerenweg11-VAS1_0004.jpg"

Figuur 4. Voorgenomen terreininrichting/situering toeristisch-recreatieve functies door initiatiefnemers (bron: Zantman architecten, 2022)

De voorgenomen hoofdactiviteiten betreffende trouwlocatie met logies en vergaderen in de boerderijbebouwing worden als hoofdfunctie naast het wonen gezien en vandaar dat in voorliggend bestemmingsplan wordt uitgegaan van een te bestemmen situatie als 'Wonen - Recreatie'. Dit uitgangspunt voor recreatie naast het wonen is kwantitatief passend in de kwalitatieve insteek die gelet op het karakter voor de locatie en de omgeving toeristisch-recreatief wordt voorgestaan door de gemeente.

Inrichting terrein

De huidige boerderijbebouwing op het erf wordt in de nieuwe ontwikkeling in stand gehouden en de schuur wordt met het planvoornemen hersteld. Ten behoeve van deze restauratie gebruiken eigenaren een bestaand bijgebouw voor tijdelijke bewoning op het erf, die op termijn als gastenverblijf (zijnde een onderdeel van de woning) voor familie en vrienden wordt ingezet.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.BPVroHamerenweg11-VAS1_0005.jpg"

Figuur 5. Zicht op bomensingel aan de noordkant (links) en het bestaande bijgebouw voor tijdelijke bewoning/toekomstig gastenverblijf (rechts)

Alle binnenactiviteiten zullen plaatsvinden binnen de bestaande bouwmogelijkheden.

De bestaande boerderij kent een dubbelbestemming 'Karakteristieke boerderijpanden / woningtypen' die ziet op behoud van de bestaande bebouwing. Deze dubbelbestemming blijft op de boerderij bestaan. De bebouwingssituatie zal niet aangetast worden door dit plan, maar vormt juist de kans en mogelijkheid om het geheel te gaan restaureren. Het onbebouwde deel van het plangebied blijft verder vrij van bebouwing. Deze gronden zullen gebruikt worden voor de buitenactiviteiten zoals het kamperen.

Bij de entree van het perceel wordt een collectief parkeerterrein voor bezoekers/gasten gerealiseerd met in ieder geval 25 plekken. Er is op het gehele terrein uiteindelijk meer capaciteit voor parkeren aanwezig, want zo nodig kan er ook op en bij de kampeerplaatsen worden geparkeerd. Het parkeren door bewoners vindt elders op het terrein plaats. Het gehele parkeerverhaal is verder uitgewerkt in paragraaf 4.8 Verkeer en parkeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.BPVroHamerenweg11-VAS1_0006.jpg"

Figuur 6. Zicht op achtererf van huisperceel, op het in te richten terrein voor kleinschalig kamperen

Ten behoeve van het kleinschalig kampeerterrein zullen te zijner tijd uiteraard sanitaire voorzieningen (toilet/douche) worden gerealiseerd. Dat zal in de boerderij of in de directe nabijheid van de boerderij op het achtererf plaatsvinden.

Hoofdstuk 3 Beleid

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen binnen wetten, regels en beleid van het Rijk en de provincie, alsmede eventueel regionaal en lokaal gevoerd beleid op (inter)gemeentelijk niveau.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

"Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig"

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Hierin is de visie van het Rijk op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een selectieve inzet van het rijksbeleid waarbij 13 nationale belangen aan de orde zijn die in de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen; het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn. Met betrekking tot het voornemen kan worden geconcludeerd dat geen van de 13 nationale belangen worden geschaad.

3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (2020)

"Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving"

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld.

De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI.

Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet.

In zijn totaliteit kent de NOVI in totaal 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan de vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en,
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de afwegingsprincipes benut worden.

Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. De NOVI geeft een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in een, gericht op het realiseren van een gezond, leefbaar, herkenbaar en economische sterk Nederland.

Het voornemen beoogd een oude monumentale boerderij te herstellen. Dit herstel zal de cultuurhistorische waarde van het gebied ten goede komen. Door een recreatiefunctie toe te voegen aan de gronden sluit het plan aan bij de NOVI om gebieden gecombineerde functies toe te delen.

Het voornemen van de sluit aan bij de NOVI.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 07-12-2011), ook wel bekend onder de naam AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd.

De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Inhoudelijk kan het daarbij gaan om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies zoals natuur in de ecologische hoofdstructuur (EHS) of met het vrijwaren van functies, bijvoorbeeld kapitaalintensieve functies in gebieden waar rivierverruiming noodzakelijk is. Nationale belangen kunnen ook procesvereisten of spelregels met zich mee brengen, zoals het uitvoeren van een landschaps- of cultuurtoets bij bestemmingsplannen

Ook geldt bij elk ruimtelijk plan nationaal belang 13 met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik. Bij het voornemen wordt rekening gehouden met wettelijke vereisten van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Nationaal belang 13 van de SVIR van het Rijk vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de zogeheten Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de Ladder) worden onderbouwd. Per 01-07-2017 is een vereenvoudigde Ladder van toepassing. De Ladderonderbouwing komt verder in paragraaf 4.10.1 aan de orde.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Visies
3.2.1.1 Omgevingsvisie Fryslân (2020)

"De Romte Diele"
Op 23 september 2020 is de omgevingsvisie Fryslân vastgesteld. In wat voor Fryslân wilt u in 2025-2030 wonen, werken, recreëren, kortom: leven? Deze vraag staat centraal bij het maken van de nieuwe Omgevingsvisie van de provincie Fryslân. In het plan komt al het provinciale beleid voor de fysieke leefruimte te staan. Het gaat om de hoofdlijnen voor de ruimtelijke inrichting van Fryslân, de provinciale waterhuishouding, infrastructuur, natuur, landschap en milieu.


Een van de doelen in de omgevingsvisie is een vitaal en samenhangend netwerk van steden en dorpen met een variatie aan woningen, bedrijven, kennis- en onderwijsinstellingen, werkgelegenheid en voorzieningen.


Fryslân kent een samenhangend netwerk van steden, grote en kleinere dorpen. Deze steden en dorpen vullen elkaar aan op het gebied van wonen, werken en voorzieningen, ieder vanuit de eigen kwaliteiten. De inzet is om de onderdelen van dit netwerk nog sterker met elkaar te verbinden tot een compleet palet aan woon-, en werkmilieus en voorzieningen. Het netwerk vormt daarmee de basis voor onder andere plezierig wonen in een verscheidenheid aan woonbuurten, waarbij het woningaanbod aansluit op de vraag van inwoners en van mensen die zich in Fryslân willen vestigen.


Vanuit de wettelijke verantwoordelijkheid voor zorgvuldig en verantwoord gebruik van de schaarse ruimte, vindt er regionale afstemming van plannen voor woningbouw, bedrijventerreinen en kantoorvolume plaats. Tussen provincie en gemeenten in regioverband worden meerjarige programmeringsafspraken over passend aanbod, zowel kwantitatief als ook kwalitatief wanneer dat gewenst is, gemaakt.


Van belang hierbij is dat stedelijke functies naar aard en schaal passen bij stad of dorp, en daarop aansluiten. En dat ze goed ontsloten worden, waarbij vervoersknooppunten zoveel mogelijk benut worden. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de verdeling van woningbouw en aanleg van bedrijfslocaties over hun kernen; in hun visies/ plannen bepalen ze waar dit gebeurt en in welke kwaliteit. Bij nieuwe inzichten en ontwikkelingen kan van afspraken worden afgeweken. Dit biedt flexibiliteit, ook om in te spelen op kwaliteiten waar aantoonbaar behoefte aan is.


In de omgevingsvisie wordt gesproken over de slimme groei van de gastvrijheidseconomie in Fryslân als een van de doelen. Het voornemen van de initiatiefnemer sluit goed aan bij de realisatie van dit doel. Door de monumentale boerderij te herstellen en te voorzien van een nieuwe functie wordt nieuw leven geblazen in de economie van het buitengebied op een bij de omgeving passende wijze.

3.2.1.2 Grutsk op 'e Romte (2014)

Provinciale Staten hebben op 26 maart 2014 het document 'Grutsk op 'e Romte' als thematische structuurvisie over landschap en cultuurhistorie vastgesteld. In deze thematische structuurvisie zijn landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, inspireren en adviseren. 'Grutsk op 'e Romte' is als procesvereiste opgenomen in de provinciale ruimtelijk verordening, zodat bij het opstellen van een ruimtelijk plan een analyse dient te worden gemaakt van de aanwezige waarden in het plangebied. Op deze wijze verwacht Provinsje Fryslân de doorwerking van provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, rijk en provincie te borgen.

3.2.2 Verordeningen
3.2.2.1 Verordening Romte Fryslân 2014 (geactualiseerd 2018)

Op 21-02-2018 is de wijzigingsverordening Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. Deze verordening is een hernieuwde vaststelling van de verordening uit 2014. In de verordening zijn concrete regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen (uit het streekplan, maar ook daarna opgestelde structuurvisies) doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. In de verordening is onder meer de grens tussen het bestaand stedelijk gebied en landelijk gebied vastgelegd.

Bestaand stedelijk gebied
In de verordening is onderscheid gemaakt tussen de begrippen bestaand stedelijk gebied en landelijk gebied. Voor bestaand stedelijk gebied geldt dat een grotere mate van beleidsvrijheid wat betreft de ruimtelijke ordening bestaat dan in het landelijk gebied. Onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan:


“het gebied dat de bestaande of bij bestemmingsplan toegelaten en voorziene woon- of bedrijfsbebouwing waaronder mede begrepen de daarbij behorende openbare voorzieningen en verkeersinfrastructuur van een kern bevat, zoals begrensd op de van de verordening deel uitmakende kaarten Begrenzing bestaand stedelijk gebied”. De definitie van landelijk gebied sluit daar op aan: “het gebied buiten het bestaand stedelijk gebied”. Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt in het landelijk gebied. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen zijn hier in principe niet toegestaan. Het voornemen is geen stedelijke ontwikkeling en daarmee op dit punt niet in strijd met de Verordening Romte Fryslân (VRF).

Hergebruik vrijkomende (niet-)agrarische bebouwing
Artikel 1.2.1 van de verordening regelt dat nieuwe stedelijke functies in landelijk gebied kunnen worden toegestaan indien sprake is van hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende gebouwen. Functies die kunnen worden toegestaan zijn wonen en zorg, dagrecreatie en verblijfsrecreatie (met inachtneming van artikel 5.5.1) functies op het gebied van natuur- en landschapsbeheer, cultuur, kunst, educatie, restaurants, logies of daarmee vergelijkbare horecavormen. Ook is detailhandel, dienstverlening en niet-industriële bedrijven behorende tot milieucategorieëen 1, 2 en 3 mogelijk. Alle met voorliggend planvoornemen te realiseren activiteiten (onder meer een theetuin en het gebruik van de bebouwing als vergaderlocatie) zijn mogelijk op grond van de verordening. Hierbij bestaat op grond van de verordening ook de mogelijkheid om enige aanvullende nieuwbouw te realiseren, mits deze wat betreft omvang onderschikt is aan het hoofdgebouw.

Kleinschalige dag- en verblijfsrecreatie
De minicamping met sanitair en de groepsaccommodatie zijn eveneens toegestaan op grond van artikel 1.2.1, tweede lid met een verdere inkadering middels voorwaarden in artikel 5.5.1, eerste lid onder a (minicamping) c.q. f (groepsaccommodatie) van de verordening. Kamperen is alleen in het toeristisch seizoen toegestaan. Er zijn geen stacaravans toegestaan. Het kampeerterrein moet een kleinschalige opzet hebben en moet goed zijn ingepast (een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied dient te voorzien in een zorgvuldige inpassing van een nieuwe recreatieve voorziening of uitbreiding van een recreatieve voorziening, artikel 2.1.1, derde lid onder e).

3.2.2.2 Omgevingsverordening Fryslân

In de aanstaande Omgevingsverordening Fryslân staan de provinciale regels voor de fysieke leefomgeving geformuleerd. De nieuwe verordening komt voort uit het ingezette beleid in de provinciale omgevingsvisie en vormt de voortzetting van de meeste regels uit diverse provinciale verordeningen met een ruimtelijke werking. Zo vervangt de omgevingsverordening de Wegen- en Vaarwegenverordening, Milieuverordening, Verordening Wet Natuurbescherming, Waterverordening en de huidige Verordening Romte.

Op sommige punten hebben de aanstaande Omgevingswet en Omgevingsvisie tot aanpassingen geleid in de verordenend door de provincie voor te schrijven regels. Daarbij kan worden gedacht aan het herstel van biodiversiteit, energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of landschapsversterking.

Het ontwerp van de Omgevingsverordening Fryslân is op 16 februari 2021 door Gedeputeerde Staten vastgesteld en heeft inmiddels ter inzage gelegen voor het indienen van zienswijzen. Als resultaat hiervan vinden zo nodig nog aanpassingen op onderdelen plaats. Afhankelijk van inwerkingtreding van de aanstaande Omgevingswet vindt het van kracht worden van de provinciale omgevingsverordening plaats. De Friese gemeenten op hun beurt verwerken de uiteindelijk regels van de provinciale omgevingsverordening in de eigen omgevingsplannen.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Nota recreatie en toerisme gemeente Waadhoeke (2020)

"Beleef Waadhoeke!"
De gemeente Waadhoeke heeft met de Nota recreatie en toerisme gemeente Waadhoeke in 2020 een visie en uitvoeringsagenda opgesteld waarmee richting wordt gegeven aan hoe de gemeente de komende vier jaar invulling wil geven aan het thema recreatie en toerisme. De toeristische sector kan een actieve bijdrage leveren aan de leefbaarheid en de dynamiek. De gemeente heeft zich als doel gesteld om meer bezoekers te trekken die komen genieten van de prachtige gemeente en tegelijkertijd door hun bestedingen de lokale economie en de toeristische sector versterken en bevorderen. Gemeente Waadhoeke zet in op waardevol toerisme en heeft de ambitie dat in 2024 de toeristisch-recreatieve bestedingen met 30% zijn toegenomen. Toeristisch-recreatieve aanbieders zoals ondernemers leveren een belangrijke bijdrage hierin.

Wat betreft de versterking van het logiesaanbod wordt in de gemeentelijke Nota recreatie en toerisme ruimte gezien voor uitbreiding van het kleinschalig logiesaanbod. Onder kleinschalige logies kunnen Bêd&Brochjes, vakantiehuisjes en -appartementen worden geschaard. Het gaat hierbij om een min of meer zelfregulerend markt, maar voor de gemeente ligt er de taak om een aantal heldere uitgangspunten te hanteren. De toeristisch-recreatieve nota geeft hiervoor bijvoorbeeld aan dat ondergeschikte kleinschalige logies mogelijk kan zijn met de eigenaar als hoofdbewoner, een maximum van 3 tot 5 kamers/eenheden en/of maximaal 6 tot 10 personen (passend bij het karakter van het desbetreffende dorp dan wel landschap), er geen ontoelaatbare parkeerdruk of inbreuk op de leefomgeving ontstaat, er sprake is van een aanvulling op het bestaande aanbod qua locatie of concept (logies als beleving/verhaal, luxeniveau).

Wat betreft het voorliggende planvoornemen geldt dat geen sprake is van kleinschalige logies ondergeschikt aan de woonfunctie, maar naast de woonfunctie, en dat het bestemmingsplan ziet op een menging van beide functies (wonen en recreatie, resulterend in de bestemming 'Wonen-Recreatie' die ziet op het dubbelgebruik als hoofdfunctie in het plangebied). Het planvoornemen sluit daarmee nog steeds goed aan bij de gemeentelijke ambities op het gebied van recreatie en toerisme. De voorgenomen inrichting van de boerderijbebouwing als trouwlocatie met logies voor groepen tot 25 personen en als vergaderlocatie, naast kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten als een theetuin, kleinschalig kampeerterrein, draagt bij aan de toeristisch-recreatieve sector in de gemeente Waadhoeke.

3.3.2 Nota Parkeernormen (2020)

Het perceel heeft een ontsluiting op de Hamerenweg. De gemeente Waadhoeke beschikt over een Nota parkeernormen van november 2020. Deze is door het college van B&W vastgesteld op 8 december 2020. Uitgangspunt is dat de parkeerbehoefte wordt opgevangen door genoeg parkeerplaatsen op eigen terrein. Het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Het aspect parkeren is verder uitgewerkt in paragraaf 4.8.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Uit de bestaande omgevingssituatie kunnen (wettelijke) belemmeringen en/of voorwaarden voor een planvoornemen blijken. Uitgangspunt is dat er een goede omgevingssituatie bestaat. In de volgende paragrafen zijn de randvoorwaarden voortkomend uit de omgevingsaspecten voor het plangebied beschreven en beoordeeld op eventuele beperkingen voor het planvoornemen.

4.1 Erfgoed

Normstelling en beleid

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend daarop zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, moet op grond van voorgaande dan ook aangegeven worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

Voor het onderzoek naar erfgoed wordt uitgegaan van de Cultuurhistorische Kaart 2 (CHK2) van de Provinsje Fryslân, waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden.

4.1.1 Archeologie

Toetsing

Op de FAMKE zijn voor het gemeentelijk grondgebied de bekende als wel de te verwachten archeologische waarden aangegeven. Daarbij worden twee verschillende onderzoeksperioden onderscheiden, te weten steentijd-bronstijd en ijzertijd-middeleeuwen. Ten behoeve van het planvoornemen van dit bestemmingsplan is de provinciale advisering ten aanzien van archeologie nagegaan. Hieruit blijkt dat voor beide onderzoeksperioden op grond van de FAMKE het advies geldt dat 'geen onderzoek noodzakelijk' is. Er is geen sprake van verwachte of bekende archeologische waarden in het plangebied. Hierom is dan ook geen archeologisch veldonderzoek uitgevoerd.

Conclusie

Dit bestemmingsplan mag wat betreft archeologie uitvoerbaar worden geacht.

Nota bene

De archeologische meldingsplicht blijft te allen tijde van kracht. Dit betekent dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente Waadhoeke.

4.1.2 Cultuurhistorie

Toetsing

In het plangebied is als bekend sprake van de aanwezigheid van een rijksmonumentale boerderij. Dit betreft monumentnummer 9524 als ingeschreven op 19-09-1973 in het rijksmonumentenregister. De rijksmonumentomschrijving hiertoe is de volgende geweest: "Boerderij van het kop-hals-romptype. Gaaf voorhuis tussen topgevels, waarlangs boeiborden; topschoorstenen met borden. Omlijste ingang; zesruitsvensters. In de top kleine lichtopeningen."

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.BPVroHamerenweg11-VAS1_0007.png"

Figuur 7. Foto van oorspronkelijke toestand in 1973 op basis waarvan de aanwijzing in het rijksmonumentenregister heeft plaatsgevonden (bron: Tresoar, 2022)

Met de rijksmonumentale waarde van de boerderij dient in het bestemmingsplan en bij de aanvraag om omgevingsvergunningen op basis van dit bestemmingsplan rekening te worden gehouden. Het is verder aan de welstandscommissie om middels de geldende waarderingscriteria voor bouwkunst te beoordelen in hoeverre de uiteindelijk in te dienen bouwplannen (zoals die voor herstel van de schuur, maar ook de bouw van bijbehorende bouwwerken) toelaatbaar zijn ten aanzien van de rijksmonumentale waarde van de boerderij.

De vijf hoofdcriteria (onder te verdelen in subcriteria) voor bouwkunst zijn:

  • 1. Cultuurhistorische waarden
  • 2. Architectuur- en kunsthistorische waarden
  • 3. Situationele en ensemblewaarden
  • 4. Gaafheid en herkenbaarheid
  • 5. Zeldzaamheid

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.BPVroHamerenweg11-VAS1_0008.jpg"

Figuur 8. Cultuurhistorische Kaart Fryslân 2 (bron: Provinsje Fryslân, 2022)

De CHK2 is voorts geraadpleegd op de aanwezigheid van overige belangwekkende cultuurhistorische elementen en objecten. Hieruit blijkt (als getoond in figuur 4) dat direct zuidelijk van het huisperceel van de kop-hals-rompboerderij een vroegere 'boerderijplaats' ligt. Boerderijplaatsen worden van belang geacht omdat deze de kern vormden van de vroegere agrarische samenleving en daarom kennis kunnen verschaffen over de bewoningsgeschiedenis en over de ontwikkeling van het cultuurlandschap. Daarnaast is de Hamerenweg in het kader van de inventarisatie Oude Paden Nieuwe Wegen als historische weg geïnventariseerd. Beide cultuurhistorische waarden worden met voorliggend bestemmingsplan niet verstoord. Verder kan worden opgemerkt dat het plangebied in een zeeboezemvlakte met rechthoekige polderverkaveling ligt (vanwege nieuw aangewassen en bedijkte gronden van de Middelsee leidende tot de vorming van het Bildt). Ook hieruit komen geen beperkingen voor het planvoornemen van dit bestemmingsplan naar voren.

Conclusie

Het planvoornemen van dit bestemmingsplan leidt tot de versterking van cultuurhistorische (monumentale) waarden door het herstel van de kop-hals-rompboerderij. Onderkende cultuurhistorische waarden worden niet belemmerd door het planvoornemen. Het planvoornemen als aanleiding van dit bestemmingsplan (zoals geschetst in Hoofdstuk 2) mag dan ook uitvoerbaar worden geacht.

4.2 Water

Normstelling en beleid

In de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets' van belang voor het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. De watertoets wordt gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit en kwantiteit van water. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder, in het geval van voorliggend plangebied Wetterskip Fryslân.

Toetsing

Via de Digitale Watertoets is Wetterskip Fryslân van het initiatief op de hoogte gebracht. De watertoets is uitgevoerd op 28 april 2022 en opgenomen in Bijlage 1. De aanmelding heeft ertoe geleid dat de korte procedure is doorlopen. Dit betekent dat voorliggend plan een beperkte invloed heeft op wijzigingen in de waterhuishouding en afvalwaterketen. Mogelijke gevolgen kunnen worden opgevangen door het treffen van gestandaardiseerde maatregelen.

In de Leidraad watertoets van Wetterskip Fryslân staan aandachtspunten voor alle wateraspecten omschreven waarmee rekening gehouden moet worden en is ook informatie raadpleegbaar over te nemen standaard maatregelen.

Verharding

Met de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling neemt het verhard oppervlak niet toe. Er kan dan ook vanuit worden gegaan dat het hemelwater niet versneld tot afstroming komt. Compenserende waterberging is niet noodzakelijk.

Conclusie

Wat betreft voorliggend plan zijn er geen waterhuishoudkundige bezwaren. De watertoets is afgerond met het afgeven van de indicatie dat een 'korte procedure' op het plan van toepassing is.

4.3 Bodem

Wettelijk kader

De milieuhygiënische bodemkwaliteit mag geen belemmering zijn voor de economische uitvoerbaarheid van het voornemen. De aanwezige bodemkwaliteit behoort te passen bij het huidig of het toekomstig gebruik van de bodem. De bodemkwaliteit mag immers geen onaanvaardbare risico's opleveren voor de gebruikers van de bodem. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet milieukundig bodemonderzoek worden uitgevoerd. Informatie over verdachte locaties, uitgevoerde bodemonderzoeken en bodemsaneringen staan vermeld op de Bodeminformatiekaart (via www.bodemloket.nl).

Toetsing

Op 15 februari 2022 is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het plangebied. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 2. Voor het onderzoek zijn een aantal van 25 boringen gezet op het huisperceel en het ten zuiden daarvan gelegen agrarische gronden. De locatie van de boringen zijn hieronder verbeeld. Alleen de boringen op het huisperceel zijn relevant, aangezien het zuidelijk agrarisch perceel buiten het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is gehouden. Hier worden namelijk geen structurele activiteiten ten behoeve van het voorgenomen toeristisch-recreatieve planvoornemen ontplooid. De agrarische functie ter plaatse blijft ongewijzigd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.BPVroHamerenweg11-VAS1_0009.png"

Figuur 9. Locaties van geplaatste boringen. (bron: Best 4 best)

Uit het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek blijkt dat:

  • De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) geen belemmering vormt voor de bestemmingsplanwijziging;
  • In het mengmonster van de bovengrond (MMBG1) van de geanalyseerde parameters de achtergrondwaarden voor nikkel, lood en PAK wordt overschreden;
  • In het mengmonster van de bovengrond (MMBG3) de achtergrondwaarde voor PAK wordt overschreden;
  • In de mengmonsters van de boven- en ondergrond (MMBG2 en MMOG1) geen verhoogde gehalten zijn aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden;
  • in het grondwater geen verhoogde concentraties ten opzichte van de streefwaarde zijn aangetoond;

De gemeten overschrijdingen van de achtergrondwaarde zijn echter dermate gering dat zij vanuit een milieukundig oogpunt geen bezwaar vormen. Nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.4 Hinder van en voor bedrijven en voorzieningen

Normstelling en beleid

Milieubelastende functies (zoals bedrijven) kunnen tot hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke op milieugevoelige functies (zoals woningen) in de directe omgeving leiden. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening is het waarborgen van voldoende afstand tussen bedrijven en woningen dan ook noodzakelijk. Op basis van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt hiertoe een richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten gehanteerd. Per bedrijfstype zijn voor de verschillende hinderaspecten minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen milieubelastende en milieugevoelige objecten om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. De grootst aangegeven afstand is daarbij bepalend. De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken. Er dient te worden aangetoond dat het planvoornemen van dit bestemmingsplan geen belemmeringen ondervindt van of tot belemmeringen leidt voor nabijgelegen functies.


Systematiek bedrijven en milieuzonering

In de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering worden twee omgevingstypen onderscheiden, te weten:

  • 1. Rustige woonwijk dan wel rustig buitengebied: Functiescheiding wordt nagestreefd door de minimale richtafstanden te hanteren die in een lijst bij omgevingstype 1 zijn opgenomen, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie tot een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies leidt. Het gaat hierbij om functies van gemiddelde grootte. Van de aangegeven minimale richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken als de te realiseren activiteiten bijvoorbeeld kleiner van aard, schaal en opzet zijn dan op grond van de VNG-publicatie wordt aangenomen. Hiertoe bestaat de methode dat minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2, etc.).
  • 2. Gemengd gebied: Bij de aanwezigheid en het naast elkaar samengaan van uiteenlopende hinderveroorzakende en hindergevoelige functies is sprake van functiemenging. In tegenstelling tot de rustige woongebieden van omgevingstype 1 zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieugevoelige objecten mogelijk. Hiertoe kan eveneens gebruik worden gemaakt van het verkleinen van de minimale richtafstand met een afstandsstap als genoemd bij functiescheiding, of de lijst worden gehanteerd voor bedrijven en voorzieningen die in gemengd gebied in de nabijheid van gevoelige functies zoals woningen kunnen worden toegelaten.


Toetsing

Voor de ligging van het plangebied kan worden uitgegaan van een rustig buitengebied (omgevingstype 1), waar functiescheiding aan de orde is. Voorliggend bestemmingsplan maakt een bestemming 'Wonen - Recreatie' mogelijk die als zowel hindergevoelig (het wonen) kan worden gezien als hinderveroorzakend (de bedrijfsmatig te ontplooien activiteiten in het kader van dag- en verblijfsrecreatie). In navolgende is allereerst beschouwd in hoeverre er hinder voor het wonen op de planlocatie kan bestaan en vervolgens welke hinder er van de planlocatie naar de omgeving kan uitgaan.

Hinderwerking op plangebied

Ten noorden van het plangebied is aan Hamerenweg 8 een groothandel in agrarische en humane verzorgingsproducten en verkoop van warmtepompen gesitueerd. Dit bedrijf behoort volgens de bijlage van het geldende bestemmingsplan tot milieucategorie 3.1 met een minimaal aan te houden richtafstand van 50 m tot hindergevoelige bebouwing in een rustig landelijk gebied.

De kortste afstand van het bedrijfsperceel tot het plangebied aan Hamerenweg 11 bedraagt bijna 100 m. Er wordt dan ook ruimschoots voldaan aan geldende richtafstanden die op basis van functiescheiding dienen te worden gehanteerd. Hierbij is gemeten tussen het bestaande bedrijfsperceel aan Hamerenweg 8 en de met voorliggend bestemmingsplan toe te passen woonbestemming op het huisperceel van de boerderij aan Hamerenweg 11.

Hinderwerking van planvoornemen

Dit bestemmingsplan ziet op het mogelijk maken van diverse activiteiten in het plangebied. Het gaat hierbij om een groepsaccommodatie, mogelijkheden om te trouwen en vergaderen, kleinschalig kamperen en een theetuin. Gelet op de aard van de activiteiten met het planvoornemen kan worden aangesloten bij de volgende in de VNG-publicatie opgenomen categorieën van het onderdeel 'logies-, maaltijden- en drankenverstrekking':

  • SBI-code 5510: Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra = milieucategorie 1 met een minimale richtafstand bij functiescheiding van 10 m (op basis van de bepalende hinderaspecten geur en gevaar; voor de aspecten stof en geluid wordt niet van hinder in deze categorie uitgegaan).
  • SBI-code 553, 552: Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken) = milieucategorie 3.1 met een minimale richtafstand bij functiescheiding van 50 m (op basis van het bepalende hinderaspect geluid; voor de aspecten geur en gevaar geldt 30 m; voor stof wordt niet van hinder in deze categorie uitgegaan).

De kortste afstand van de gronden in het plangebied, waar vorengenoemde hinderveroorzakende activiteiten op het perceel kunnen plaatsvinden, ten opzichte van de erfgrens van het zuidelijk gelegen, hindergevoelige buurperceel (want een reguliere woning) betreft ongeveer 34 m. Hiermee wordt voor wat betreft de aan te houden afstand voor reguliere kampeerterreinen niet voldaan aan de minimale richtafstand van 50 m. Omdat het planvoornemen echter uitgaat van kleinschalig kamperen (maximaal 15 kampeermiddelen) kan de categorisering van deze te realiseren functie worden afgeschaald naar milieucategorie 2 en een bijbehorende minimale richtafstand van 30 m worden gehanteerd. Er wordt met het planvoornemen dus voldaan aan richtafstanden met het oog op een goede ruimtelijke ordening en er kan wat betreft hinder van en voor bedrijven en voorzieningen worden gesproken van een uitvoerbaar planvoornemen.

Conclusie

Aan te houden afstanden uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening van het plangebied tot zowel hinderveroorzakende als wel hindergevoelige functies in de omgeving zijn groot genoeg. Wat betreft het aspect bedrijvenhinder mag het plan derhalve uitvoerbaar worden geacht.

4.5 Geluidhinder

Wet- en regelgeving

De Wet geluidhinder (Wgh) is erop gericht om geluidhinder vanwege onder meer wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid.

Wanneer binnen een geluidzone langs (spoor)wegen of ten behoeve van industrielawaai nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wgh wordt voldaan.

Spoorweg- en industrielawaai is niet aan de orde in het plangebied en omgeving. Daarom is hiernavolgend enkel op wegverkeerslawaai als bron van mogelijke geluidhinder ingegaan.

Toetsing

Het plangebied ligt aan de Hamerenweg waar een snelheidsregime van maximaal 60 km/uur geldt. De Hamerenweg heeft in het kader van de Wgh daardoor een geluidzone van 250 m ter weerszijden van de weg. In het geldende bestemmingsplan Buitengebied is voor de Hamerenweg een regeling getroffen middels het opnemen van een gebiedsaanduiding "geluidszone - weg" waarmee een toename van geluidgehinderden in geluidsgevoelige gebouwen wordt voorkomen.


De met voorliggend bestemmingsplan mogelijk te maken functies (groepsaccommodatie, vergader- en trouwlocatie en het kleinschalig kampeerterrein) worden op grond van de Wgh echter niet aangemerkt als zijnde geluidgevoelig waarvoor akoestisch onderzoek nodig zou zijn vanwege de nabijgelegen Hamerenweg. Er worden met voorliggend bestemmingsplan verder geen extra wooneenheden mogelijk gemaakt. Wel wordt de bestaande woonfunctie in de boerderij omgezet van agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woonfunctie. Het bestaande woonhuis betreft een geluidgevoelig object, maar in dit geval gaat het echter om een bestaande woonsituatie en neemt het aantal geluidgehinderden door de bestemmingswijziging niet toe.

Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen ook niet getoetst te worden aan van toepassing zijnde grenswaarden voor geluid. Geluidsgevoelige gebouwen in het plangebied zijn reeds aanwezig en bestaand. Hier treden geen veranderingen in op.

Conclusie

Ten aanzien van het omgevingsaspect geluidhinder bestaan geen belemmeringen voor het planvoornemen van dit bestemmingsplan.

4.6 Externe veiligheid

4.6 Externe veiligheid

Normstelling en beleid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de woon- en leefomgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim: Activiteitenbesluit).

Toetsing

In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld. Hierin is informatie opgenomen die met risico's te maken heeft; zowel risicobronnen als kwetsbare objecten worden getoond die aandacht verdienen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor het planvoornemen van dit bestemmingsplan is op de risicokaart nagegaan of er ook aandachtspunten (in dit geval risicobronnen) op het vlak van de externe veiligheid aanwezig zijn. Hieruit is gebleken dat in en in de wijde omgeving geen risicobronnen aanwezig zijn met invloed dan wel effecten in het plangebied. De meest nabijgelegen bron betreft een aardgastransportleiding die op ruim 2 km afstand is gesitueerd.

Bestrijdbaarheid

Bij bestrijdbaarheid gaat het om de mogelijkheden tot voorbereiding van de bestrijding en beperking van de omvang van een calamiteit. Om de gevolgen zoveel mogelijk te beperken, is het van belang dat de hulpverleningsdiensten niet worden belemmerd in de uitvoering van hun taken. Daarbij geldt ten aanzien van:

  • Bereikbaarheid: Het plangebied en de omgeving zijn voldoende snel en in voldoende mate bereikbaar zodat de brandweer eventuele optredende effecten kan bestrijden. Het plangebied is goed bereikbaar over de Hamerenweg.

Zelfredzaamheid

Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen. Belangrijk aspect hierbij is dat zij kunnen vluchten of schuilen zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten. Wat betreft zelfredzaamheid kan het volgende worden geconstateerd:

  • Zelfredzaam vermogen: Het planvoornemen ziet niet op het langdurig verblijf van groepen verminderd zelfredzame personen in het invloedsgebied van risicobronnen. De toekomstige gebruikers vormen een gemiddelde bevolkingsgroep uit de samenleving, die over het algemeen als zelfredzaam wordt beschouwd.
  • Alarmeringsmogelijkheden: Eind 2012 is NL-Alert geïntroduceerd. Met NL-Alert kan de overheid mensen in het rampgebied en in de directe omgeving van een (dreigende) noodsituatie met een tekstbericht informeren via de eigen mobiele telefoon. Daarnaast wordt bij grote rampen alarm geslagen via onder meer calamiteitenzenders, geluidswagens en sociale media. Hierdoor is een snelle alarmering in het plangebied mogelijk.

Conclusie

De uitvoerbaarheid van dit bestemmingplan wordt niet belemmerd door een extern veiligheidsrisico.

4.7 Ecologie (en stikstof)

Wet- en regelgeving

In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het conform artikel 3.1.6 Bro noodzakelijk om aandacht te besteden aan de effecten op natuurwaarden. Effecten dienen te worden beoordeeld in relatie tot geldende wet- en regelgeving op het terrein van zowel de soorten- als wel de gebiedsbescherming. Relevante wet- en regelgeving betreft de Wet natuurbescherming (Wnb) die per 1 januari 2017 in werking is getreden en het provinciale gebiedsgerichte natuurbeleid. Voor wat betreft de effecten op natuurwaarden moet onder meer aangegeven worden of er als gevolg van een plan vergunningen of ontheffingen noodzakelijk zijn en, zo ja, of deze verkregen kunnen worden.

Onderzoek

Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen te toetsen is een ecologisch onderzoek ingesteld naar de effecten op eventuele beschermde waarden in het plangebied en in de omgeving daarvan. Hiervoor is het plangebied op 8 december 2021bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De rapportage van deze zogeheten beknopte natuurtoets is als Bijlage 3 opgenomen. In navolgende zijn de resultaten en conclusies van dit onderzoek weergegeven. Voor achtergrondinformatie wordt op deze plaats naar het ecologisch onderzoek verwezen.

Toetsing

Soortenbescherming
Als gevolg van de plannen gaan geen jaarrond beschermde nesten van vogels verloren. Mogelijk gaan wel verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. Dit kan het geval zijn wanneer de houten gevelbetimmering en daklijsten aan de zuidzijde van het woonhuis worden verwijderd en/of bewerkt of wanneer het nieuwe dak van de schuur hier tegen aan wordt gebouwd waardoor de verblijfplaats niet meer bereikbaar is. Als deze werkzaamheden plaatsvinden, is nader onderzoek nodig om te bepalen of vleermuisverblijfplaatsen in het gebouw aanwezig zijn.

Het plangebied zal naar verwachting niet volledig ongeschikt worden als foerageergebied voor de te verwachten vleermuissoorten en kleine marterachtigen die in het plangebied kunnen foerageren. Bovendien is in de directe omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief en bovendien hoogwaardiger foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op vleermuizen en kleine marterachtigen door verlies van foerageergebied treden niet op.

Bij uitvoering van het plan wordt het plangebied mogelijk minder geschikt als foerageergebied voor ransuil en sperwer. Het plangebied vormt echter hooguit een klein onderdeel van het foerageergebied van deze soorten en bovendien is in de directe omgeving in ruime mate alternatief foerageergebied van hogere kwaliteit aanwezig. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied treden niet op.

Voor de overige vogelsoorten geldt dat, indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, in gebruik zijnde nesten van vogels kunnen worden verstoord of vernietigd. Dit is bij wet verboden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt.

Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieën- en zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de Provincie Fryslân. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb.

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet of grenst niet aan een in het kader van de Wnb beschermd gebied. Het meest nabijgelegen beschermde Natura 2000-gebied 'Waddenzee' ligt circa 6,5 km ten noorden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als 'Natuur buiten het NNN' ligt circa 2,4 km ten westen van het perceel. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt circa 6,5 km ten noorden van het terrein. Het terrein ligt circa 5,8 km ten westen van het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied. Gelet op de grote afstanden tot vorengenoemde natuurgebieden, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van voorliggend planvoornemen, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten.

Stikstofdepositieberekeningen
De eventuele toename van stikstofdepositie als gevolg van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase was op basis van de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering vrijgesteld van vergunningsplicht, maar is door het komen vervallen van de bouwvrijstelling bij uitspraak van de Raad van State op 2 november 2022 weer noodzakelijk geworden. Hierom zijn hernieuwde AERIUS-berekeningen uitgevoerd en is het reeds eerder opgestelde stikstofdepositie-onderzoek aangepast. De rapportage hiervan is als Bijlage 4 opgenomen. Uit de berekeningen blijkt dat zowel tijdens de aanleg- als tijdens de gebruiksfase geen sprake is van een stikstofdepositie boven 0,00 mol N/ha/jaar op in het kader van de Wnb beschermde stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof staat besluitvorming op voorliggend bestemmingsplan dan ook niet in de weg.


Wat betreft de gebiedsbescherming geldt dat er gelet op de aard van het plan en de afstand tot het NNN, natuur buiten het NNN en weidevogelleefgebieden ook geen negatieve effecten hoeven te worden verwachten.

Beschermde houtopstanden
De Wnb beschermt bos van minimaal 1.000 m2 en bomenrijen van minimaal 20 bomen gelegen buiten de bebouwde kom. Als gevolg van de plannen worden geen bomen gekapt. Het is dan ook niet nodig om een kapmelding bij de Provincie Fryslân in te dienen.

Conclusie

Uit het ecologisch onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken :

  • Wanneer de houten gevelbetimmering en daklijsten aan de zuidzijde van het woonhuis worden verwijderd en/of bewerkt of wanneer het nieuwe dak van de schuur hier tegen aan wordt gebouwd kunnen mogelijk aanwezige vleermuisverblijfplaatsen worden verstoord, vernietigd of onbereikbaar worden. In dat geval is dan nader onderzoek nodig om te bepalen of er daadwerkelijk vleermuisverblijfplaatsen in het gebouw aanwezig zijn.
  • Verder moet rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels dat ongeveer van half maart tot half juli duurt, en bij voorkeur vinden werkzaamheden buiten deze periode plaats. Het is mogelijk om voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken zodat wordt voorkomen dat vogels gaan broeden.

Als aan vorenstaande wordt voldaan, kan in alle redelijkheid worden gesteld dat natuurwet- en regelgeving de uitvoerbaarheid van het planvoornemen niet in de weg staat.

4.8 Verkeer en parkeren

Voor iedere ruimtelijke ontwikkeling geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). Verkeerseffecten die optreden als gevolg van een plan kunnen met vuistregels en kengetallen worden onderbouwd.

Publicatie nr. 381: Toekomstbestendig parkeren (december 2018) van CROW (het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte) kan hiervoor worden geraadpleegd, waarin per gebiedstype onder meer cijfers van de ritproductie voor woon-, werk- en voorzieningenfuncties per weekdag (verkeersgeneratie) beschikbaar zijn gesteld, met een minimale en maximale aan te houden bandbreedte. Gemeenten beschikken ook vaak over eigen beleid en regels in een gemeentelijke nota met betrekking tot verkeer en parkeren. In veel gevallen is daarbij aansluiting bij de kencijfers van CROW gezocht.

In navolgende zijn de verkeerseffecten vanwege het planvoornemen in het plangebied in beeld gebracht. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat Waadhoeke (en meer in het bijzonder Vrouwenparochie en omgeving) 'niet-stedelijk gebied' betreft en het plangebied in de zone 'buitengebied' ligt.

Voor navolgende uitwerking van het thema verkeer en parkeren zijn de volgende functies beschouwd die het planvoornemen van dit bestemmingsplan mogelijk maakt:

  • wonen;
  • trouwlocatie (incl. 24 feesten per jaar) met een oppervlakte van circa 300 m2 brutovloeroppervlak (bvo);
  • groepsaccommodatie met 10 kamers voor in totaal 25 personen;
  • kleinschalig kampeerterrein met maximaal 15 kampeerplaatsen;
  • theetuin met 10 tafeltjes (voor 25 personen).

Parkeernormen

De gemeente Waadhoeke beschikt over een Nota parkeernormen van november 2020. Deze is door het college van B&W vastgesteld op 8 december 2020. Uitgangspunt is dat de totale parkeerbehoefte wordt opgevangen door genoeg parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. In kader worden op het terrein op een centrale plek 25 parkeerplaatsen in een gemeenschappelijke parkeervoorziening voor de bedrijfsmatige activiteiten gerealiseerd. Het parkeren voor de woonfunctie zal elders op het terrein plaatsvinden. Daarnaast kan er indien nodig, bij drukte, op/bij de kampeerplaatsen geparkeerd worden.


Als de locatie voor een huwelijk wordt gebruikt dan zal de groepsaccommodatie niet beschikbaar zijn voor andere gasten dan die bij het huwelijk aanwezig zijn. Ook de theetuin zal alleen geopend zijn als de accommodatie niet is verhuurd. Omdat de verschillende functies niet gelijktijdig beschikbaar zijn voor verschillende groepen, zijn de parkeerplaatsen uitwisselbaar.


Voor de groepsaccommodatie is een vergelijking gemaakt met een 4*-hotel. Hiervoor is in de gemeentelijke parkeernormennota een parkeernorm van gemiddeld 9 plaatsen per 10 kamers opgenomen in het buitengebied. Voor een kleinschalig kampeerterrein met 15 kampeerplaatsen en een norm van 1,2 parkeerplaats per plek komt het gemiddeld aantal parkeerplaatsen op 18. Bij een maximale bezetting van genoemde voorzieningen zouden er 27 parkeerplaatsen nodig zijn. Er worden 25 plaatsen gerealiseerd en indien nodig kan er op/bij de 15 kampeerplaatsen worden geparkeerd. De ontwikkeling voldoet hiermee aan de gemeentelijke Nota parkeernormen.


Voor een theetuin zijn geen parkeernormen opgenomen. De verwachting is dat de meeste bezoekers hiervan fietsers en wandelaars zijn. Omdat niet uit te sluiten is dat er ook bezoekers met de auto komen, is een norm van 0,5 parkeerplaats per tafeltje opgenomen. Met 10 tafeltjes zou hiervoor een vijftal parkeerplaatsen nodig zijn. Ook het hiermee totaal aantal benodigde parkeerplaatsen voor de genoemde functies is prima op te vangen op de centrale parkeervoorziening in combinatie met de extra ruimte die op de kampeerplaatsen mogelijk is.


Een trouwlocatie in het buitengebied is niet in de gemeentelijke Nota parkeernormen opgenomen. Daarom is gekeken naar een vergelijkbare functie. Deze is gevonden in de categorie 'Evenementenhal / beursgebouw / congresgebouw'. Voor de rest bebouwde kom in een niet stedelijke omgeving is hier een gemiddelde van 8,5 parkeerplaats per 100 m2 bvo opgenomen. Voor deze voorzieningen is in het buitengebied aangegeven dat dit niet van toepassing is. Parkeerkencijfers hiervoor ontbreken hiermee. Voor de categorie 'Discotheek' zijn in het buitengebied wel parkeerkencijfers opgenomen. Hierbij zijn de parkeerkencijfers voor een discotheek in de restbebouwde kom in een niet stedelijk gebied gelijk aan die van het buitengebied. Als deze lijn ook op de categorie 'Evenementenhal / beursgebouw / congresgebouw' wordt doorgetrokken, kan worden geconcludeerd dat het aantal parkeerplaatsen ook voor deze activiteit voldoende is.


Verder kan nog worden opgemerkt dat er sprake is van een ruim perceel waarmee over voldoende ruimte wordt beschikt om incidenteel, naast de beschreven parkeerplaatsen, parkeerruimte te bieden.


In de regels is vastgelegd dat het parkeren ten behoeve van alle te ontplooien activiteiten in het plangebied te allen tijde op eigen terrein moet plaatsvinden. Hiermee is juridisch geregeld dat het planvoornemen er niet voor zorgt dat de parkeerdruk voor de omgeving in de openbare ruimte toeneemt en is het plan wat parkeren betreft dan ook uitvoerbaar gesteld. Er zal in geen geval vanwege de in het plangebied te realiseren recreatieve functies worden geparkeerd in de openbare ruimte langs de Hamerenweg.

Verkeersgeneratie

De verkeersgeneratie (in aantal motorvoertuigbewegingen, mvtb) die de te realiseren functies op het perceel met zich meebrengen zijn op basis van vorenstaande gegevens afgerond als volgt:

  Parkeren   Verkeersgeneratie (mvtb/dag)  
Woonhuis (met gastenverblijf)   2   9  
Kampeerterrein   18   6  
Trouw- en vergaderruimte (ob.v. 25 parkeerplaatsen)   25   50  
Theetuin (o.b.v. 10 tafeltjes voor 25 personen)   5   10  
    75  

Het aantal verkeersbewegingen vanwege de te realiseren functies komt hiermee op maximaal 75 per dag. Voor het onderzoek naar stikstofdepositie heeft dit cijfer het uitgangspunt gevormd om mee te rekenen. Bovendien komt met voorliggend bestemmingsplan de bestaande juridisch-planologische mogelijkheid van een agrarisch bouwvlak met dito gebruik en stikstofdepositie-uitstoot te vervallen.

Verkeersafwikkeling
Het plangebied ligt in het buitengebied en wordt ontsloten op de Hamerenweg waarlangs richting het noorden Vrouwenparochie en richting het zuiden Bitgum liggen. In alle windrichtingen kan vrij eenvoudig op een afstand van ongeveer 2 tot 3 km de diverse provinciale wegen in de regio worden bereikt, namelijk de N383 van St.-Annaparochie richting rijksweg A31 bij Leeuwarden en de N393 van St.-Annaparochie naar Stiens en via de N357 naar Leeuwarden dan wel N398 naar rijksweg A31. Het planvoornemen leidt gemiddeld genomen structureel tot een dagelijkse verkeerstoename van ten hoogste 75 motorvoertuigen, waarbij eens in de zoveel dagen sprake kan zijn van een wat groter voertuig. Dit is aanvaardbaar voor de aanwezige lokale en regionale wegenstructuur.

Conclusie

Het planvoornemen van dit bestemmingsplan leidt niet tot onevenredige verkeerseffecten. Het parkeren vanwege voorliggend bestemmingsplan wordt op eigen terrein opgelost. Daar is voldoende beschikbare ruimte voor. Wat betreft verkeer en parkeren mag voorliggend bestemmingsplan dan ook uitvoerbaar worden geacht.

4.9 Luchtkwaliteit

Wet- en regelgeving

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. Projecten met een invloed van 'niet in betekenende mate' (nibm) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:

  • woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen;
  • projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10). Deze grens komt overeen met 1.985 auto's (bij 100% autoverkeer) dan wel 100 vrachtwagens (bij 100% vrachtverkeer) per weekdagetmaal (grenswaarden per 23-04-2022).


PM10 en PM2,5 zijn overigens sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden.

Toetsing

Dit bestemmingsplan maakt het planvoornemen voor een functiewijziging van agrarisch naar wonen met recreatie mogelijk. Zoals uitgewerkt in voorgaande paragraaf 4.8 omtrent verkeerseffecten vindt een beperkte toename van autoverkeer plaats. Deze toename is dusdanig beperkt dat het planvoornemen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Gestelde grenswaarden van een nibm-project (meer dan 1.985 aan- en afrijdende motorvoertuigen per dag) worden niet overschreden. Het project kan dan ook in de tweede vrijstellingscategorie worden ondergebracht en is 'nibm' van invloed op de luchtkwaliteit.

Conclusie

Het planvoornemen wordt niet door de wettelijk gestelde eisen wat betreft het aspect luchtkwaliteit belemmerd en dient te worden beschouwd als een nibm-project. Ten aanzien van luchtkwaliteitsvereisten is het planvoornemen van dit bestemmingsplan dan ook uitvoerbaar.

4.10 Overig

4.10.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Wettelijk kader

De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Bro en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Infrastructuur en Milieu voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister er voor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's.


De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang:

  • Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
  • Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?
  • Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
  • Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?
  • Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

Toetsing

De eerste vraag bij de Laddertoets is of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 1.1.1 van het Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen".

Het plan voorziet in de renovatie van bestaande bebouwing en een functieverandering van agrarisch naar wonen en recreatie. De nieuwe activiteiten zullen plaatsvinden in de boerderijbebouwing en op het omliggende erf. Activiteiten die niet in deze bebouwing plaatsvinden zullen - naast het oprichten van enige bouwwerken ten behoeve van de recreatieve functie - geen verdere verstedelijking met zich meebrengen en met een minder groot planologisch-juridisch ruimtebeslag dan eerder mogelijk was met betrekking tot de agrarisch bestemde situatie in het plangebied. Er is door dit plan geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het plan hoeft daarom niet aan de overige vragen met de betrekking tot de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende plan voldoet aan de Ladder van duurzame verstedelijking.

4.10.2 M.e.r.-verantwoording

Wettelijk kader

De Wet milieubeheer bepaalt dat voor met name in de bijlage C van het Besluit milieueffectrapportage genoemde plannen en projecten een uitgebreide m.e.r.-procedure moet worden doorlopen zodat de milieueffecten van een plan of project volwaardig in de beoordeling en besluitvorming aan bod komen. Voor plannen of projecten die vergelijkbaar zijn, maar van een kleinere schaal en omvang, moet, wanneer de schaal en omvang maar groot genoeg zijn, door het bevoegd gezag worden overwogen of een uitgebreide m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. De schaal en omvang van deze plannen en projecten zijn genoemd in bijlage D van hetzelfde besluit. Voor nog 'kleinere' plannen geldt een soortgelijke verplichting, zij het dat de vorm van de beoordeling niet aan richtlijnen is gebonden.

Afweging

Voor dit project bestaat geen aanleiding om de m.e.r.-beoordeling uit te voeren omdat:

  • het plan slechts in een functiewijziging voorziet;
  • er geen sprake is van uitbreiding van bebouwde oppervlakte;
  • de milieueffecten - in vergelijking met de oude functie - nihil zijn, zoals ook blijkt uit de toelichting en dit hoofdstuk in het bijzonder.
4.10.3 Kabels en leidingen

In het plangebied is nutsinfrastructuur zijnde de gebruikelijke huisaansluitingen betreffende gas, water, elektriciteit, kabel en/of telecom aanwezig. Er is echter geen sprake van de aanwezigheid van planologisch relevante kabels en leidingen die een belemmering voor de uitvoering van het planvoornemen zou kunnen opleveren.

4.10.4 Duurzaamheid

Duurzaamheid van een gebied of in relatie tot een ruimtelijke ontwikkeling kan tot uitdrukking komen in de thema’s: kwaliteit van de leefomgeving, water, energie, mobiliteit, natuur/ecologie en milieu. Onder deze laatste kan onder meer het volgende worden verstaan: gezondheid, externe veiligheid, materiaalkeuze en hergebruik van materialen, duurzaam slopen, geluid, lucht en beheer/onderhoud van een gebied of gebouw.

Er bestaat geen wettelijke verplichting om het thema duurzaamheid in bestemmingsplannen vast te leggen. Wel vormt het een belangrijk onderwerp in het sociaal-maatschappelijke debat en daarmee een belangrijk aandachtspunt in het overheidsbeleid. Gemeenten streven in dat kader naar een duurzame (gebouwde) omgeving. Bestemmingsplannen kunnen echter beperkt worden gehanteerd om duurzame energieaspecten te regelen. Voor eventuele ambitieuze duurzame energiedoelstellingen dienen dan ook extra instrumenten, zoals privaatrechtelijke overeenkomsten, ingezet te worden.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Plansystematiek

Dit bestemmingsplan is zodanig vormgegeven dat het voldoet aan de vereisten voortkomend uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving van de regels en de verbeelding is aangesloten op de meest recente regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening en is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de digitale verplichtingen zoals die per 01-01-2010 van kracht zijn.

SVBP2012
De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit dat er sprake is van een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in artikel 1 aangaande de begrippen. Ook schrijft de SVBP2012 voor op welke wijze er invulling moet worden gegeven aan artikel 2 betreffende de wijze van meten. Vanwege het Bro geldt verder een formulering die ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht eveneens in de planregels moet worden overgenomen.

Analoog vs. digitaal bestemmingsplan
De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal bestemmingsplan. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend. Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is het digitale bestemmingsplan bepalend qua vormgeving en inhoud.

5.2 Toelichting op de regels

De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier hoofdstukken:

Hoofdstuk 1 - Inleidende regels

Artikel 1 : Begrippen

In artikel 1 van de regels worden waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn.

Artikel 2 : Wijze van meten

De wijze waarop maten, afstanden en dergelijke gemeten moeten worden, is opgenomen in artikel 2.

Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels

De bestemmingsregels in hoofdstuk 2 hebben betrekking op de in het bestemmingsplan gehanteerde bestemmingen en dubbelbestemmingen en zijn artikelsgewijs in de regels opgenomen. De verbeelding van het bestemmingsplan geeft aan waar de gehanteerde (dubbel)bestemmingen van toepassing zijn. Daarbij kan sprake zijn van verschillende soorten aanduidingen (gebieds-, functie-, bouw- en maatvoeringaanduidingen) waarmee een bepaald gebruik en het daarvoor bouwen nader wordt geregeld. De regels kunnen per bestemming achtereenvolgens bestaan uit de volgende onderdelen:

  • Bestemmingsomschrijving

In de bestemmingsomschrijving is uitgegaan van een volledige opsomming van wat binnen een bestemming functioneel ten aanzien van het gebruik van de gronden is toegestaan. Soms kan het voorkomen dat verschillende functies of bestemmingen naast elkaar zijn toegelaten, soms als primaire bestemming en soms als ondergeschikte bestemming.

  • Bouwregels

De bouwregels bieden voor iedere bestemming het kader in hoeverre er ergens gebouwd mag worden. Er zijn regels gesteld met betrekking tot het oprichten van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bouwregels kunnen eisen wat betreft maatvoering, oppervlakte- en inhoudsbepalingen en aantallen te plaatsen bouwwerken omvatten.

  • Nadere eisen

Met het opnemen van nadere eisen kan het bevoegd gezag aanvullende voorwaarden stellen aan de plaats en afmetingen en nokhoogte van bouwwerken. Dit met het oog op onder meer het voorkomen van een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het straat- en bebouwingsbeeld dan wel het landschappelijk beeld, de verkeersveiligheid en de milieusituatie.

  • Afwijken van de bouw- en gebruiksregels

Met het afwijken van bouw- en gebruiksregels wordt geregeld dat door het bevoegd gezag in voorkomende gevallen onder voorwaarden bij verschillende bestemmingen kan worden afgeweken van de opgenomen bouw- dan wel (specifieke) gebruiksregels per bestemming.

  • Specifieke gebruiksregels

Met specifieke gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval tot strijdig met het in de bestemmingsomschrijving toegestane gebruik wordt gerekend.

In dit bestemmingsplan is sprake van de volgende bestemmingen:

Artikel 3: Agrarisch

De agrarische bestemming ziet op de achter de boerderij gelegen gronden die voor agrarisch grondgebruik of als cultuurgronden kunnen worden aangewend.

De bestemming voor dit perceel is in hoofdzaak een voortzetting van het geldende juridisch-planologische regime uit het bestemmingsplan Buitengebied van de voormalige gemeente het Bildt, met dien verstande dat er een afwijkingsregel is opgenomen dat zo mogelijk ook kleinschalig kamperen (zoals met tenten) kan plaatsvinden op deze gronden. Dit onder voorwaarden van een goede landschappelijke inpassing middels een door een bij voorkeur professioneel landschapsdeskundige op te stellen en door de gemeente goed te keuren landschappelijk inpassingsplan. Daarnaast geldt dat het gestelde maximumaantal van 15 mobiele kampeermiddelen samen met de bestemming 'Wonen - Recreatie' in geen geval mag worden overschreden en dat er ook voldaan wordt aan de overige gestelde regels voor kleinschalig kamperen (zoals seizoensopenstelling).

Artikel 4 : Wonen - Recreatie

Voor deze voormalige agrarische bedrijfslocatie geldt een specifieke bestemming met op de functie en locatie toegesneden regels waarmee het planvoornemen als omschreven in Hoofdstuk 2 Planbeschrijving mogelijk wordt gemaakt.

In de bestemming is één woonhuis toegestaan waarbij voor de maatvoering vanwege de rijksmonumentale status van de kop-hals-rompboerderij wordt verwezen naar Bijlage 2 van de regels. Hierin zijn voor - in het geval van de boerderij in het plangebied betreffende type 1 - de onderlinge verhoudingen en de bandbreedte van de afmetingen per element (kop, hals, romp) tussen de afzonderlijke delen van de kop-hals-rompboerderij vastgelegd.

Als extra functie bij de woning is ruimte geboden voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf. Het plangebied zal gaan dienen als trouwlocatie. In de regels is geborgd dat de boerderij en het erf ten hoogste 24 maal per jaar als trouwlocatie en het daarbij behorende trouwfeest mag worden gebruikt. De trouwfeesten zullen kleinschalig zijn, en de schuur kan ook worden aangewend als vergaderplek wanneer er niet wordt getrouwd. Horeca is alleen toegestaan voor zover deze ten dienste staat van de trouwfeesten en de vergaderingen.

Daarnaast worden er verschillende toeristisch-recreatieve activiteiten mogelijk gemaakt: logies in de vorm van een groepsaccommodatie, een kleinschalig kampeerterrein voor maximaal 15 mobiele kampeermiddelen en een theetuin/rustpunt.

Wat betreft de toegelaten bijbehorende bouwwerken (zoals het reeds bestaande bouwwerk dat is bedoeld als gastenverblijf bij de woning, maar ook het bouwen van een sanitairgebouw bij het kleinschalig kampeerterrein) is een maximale totaaloppervlakte toegelaten van 100 m², gelijk aan de opgenomen ontheffingsregeling in de woonbestemming van het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied van de voormalige gemeente het Bildt.

In de specifieke gebruiksregels is verder geregeld dat het gebruik van en het in gebruik laten nemen van de gronden en bouwwerken alleen mogelijk is wanneer de bomensingel ter plaatse van de aanduiding "groen" op verbeelding wordt behouden en in stand gehouden. Daarnaast is geregeld dat de parkeerplaatsen moeten worden aangelegd en in stand gehouden conform het landschappelijk inpassingsplan. Als dat niet gebeurt dan wordt het gebruik van de gronden en gebouwen voor de diverse te realiseren activiteiten in het plangebied als strijdig gezien.

Artikel 5: Waarde - Karakteristieke boerderijpanden / woningtypen

Voor de contour van de bestaande rijksmonumentale kop-hals-rompboerderij in het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Karakteristieke boerderijpanden / woningtypen'. Deze dubbelbestemming ziet toe op de bescherming van de cultuurhistorisch en/of landschappelijk waardevolle hoofdvorm van specifiek als zodanig aangeduide Karakteristieke boerderijpanden of Karakteristieke woningtypen.

Hoofdstuk 3 - Algemene regels

Algemene regels gelden in het algemeen voor het gehele bestemmingsplan en staan min of meer los van de specifieke bestemmingsregels en worden om die reden in een apart hoofdstuk opgenomen.


Artikel 6 : Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen. De anti-dubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan.


Artikel 7 : Algemene bouwregels

In de algemene bouwregels is een regeling opgenomen ten aanzien van de overschrijding met niet meer dan 1 m van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen bij het toepassen van ondergeschikte bouwdelen bij het bouwen. Tevens is middels de algemene bouwregels geregeld dat bestaande gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die de in het bestemmingsplan voorgeschreven maten overschrijden, zijn toegestaan.


Daarnaast is op verzoek van het Wetterskip Fryslân een voorwaardelijke bepaling opgenomen ter waarborg van het nemen van compensatiemaatregelen als het verhard oppervlak boven gestelde grenswaarden uitkomt.


Artikel 8 : Algemene gebruiksregels

In de algemene gebruiksregels is geregeld welk gebruik in ieder geval tot strijdig gebruik met de in het plan opgenomen bestemmingen wordt gerekend.


Artikel 9 : Algemene afwijkingsregels

De algemene afwijkingsregels bieden enige flexibiliteit als het gaat om het afwijken van in het plan opgenomen maten en bieden ruimte om bepaalde voorzieningen te kunnen realiseren.


In de algemene afwijkingsregels is een regeling getroffen waarmee verduurzaming van gebouwen kan plaatsvinden. Een overschrijding van de aangegeven bouwvlakgrenzen kan met maximaal 1 m worden toegestaan als dat vanwege het isoleren van de schil/buitenkant van het gebouw noodzakelijk is. Als toelatingsvereiste hiervoor geldt een positieve welstandstoetsing.


Ook is in de algemene afwijkingsregels een mogelijkheid opgenomen om af te kunnen wijken van de aangegeven woningaantallen (op de verbeelding). Voor bedrijfswoningen geldt dat niet meer dan één per bouwperceel wordt toegestaan. Voor reguliere woningen geldt dat dit passend dient te zijn binnen een door Gedeputeerde Staten van Provinsje Fryslân geaccordeerd woonplan.

Artikel 10 : Overige regels

In de overige regels zijn tot slot de parkeerregels opgenomen.


Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels

Artikel 11 en 12 : Overgangsrecht en slotregels

Overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht en de SVBP2012 zijn de overgangs- en slotregels in de afsluitende artikelen van de regels opgenomen.

5.3 Overige aspecten

Additionele voorzieningen

In dit bestemmingsplan zijn de al dan niet in directe relatie met een bestemming staande voorzieningen, zoals ondergrondse leidingen, verhardingen, bermen, geluidswerende voorzieningen, centrale installaties ten behoeve van de energievoorziening, voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing in de vorm van watergangen, duikers, waterkeringen en dergelijke bij de bestemming inbegrepen zonder dat dit uitdrukkelijk is vermeld.

Handhaving

Dit bestemmingsplan geeft de gewenste planologische situatie voor het plangebied aan. Bestemmingsplannen zijn bindend voor de overheid en de burger. Enerzijds kan de overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen, anderzijds vormt het bestemmingsplan een juridisch kader voor de burger waaruit deze kan afleiden wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, op de in eigendom zijnde dan wel de naastgelegen buurpercelen, in de directe woon- en leefomgeving.

5.4 Bestemmingsplanprocedure

De bestemmingsplanprocedure is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de procedure zijn de volgende fasen te onderscheiden:

Ontwerpbestemmingsplan en vaststellingsprocedure

Na aankondiging in het Gemeenteblad wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd, en beschikbaar gesteld via de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp naar voren brengen. Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd uiterlijk 12 weken na de termijn van terinzagelegging vast.

Vastgesteld bestemmingsplan en beroepsprocedure

Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Door een ieder kan hiertegen binnen 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging uiterlijk 6 weken na vaststelling.

Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Onderdeel hiervan is de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Ook wordt in dit hoofdstuk aandacht besteed aan het aspect grondexploitatie.

6.1 Economische uitvoerbaarheid

6.1.1 Onderzoeks- en plankosten

De kosten voor realisatie van het planvoornemen op grond van dit bestemmingsplan, alsook de kosten voor de noodzakelijke onderzoeken en het opstellen van voorliggend bestemmingsplan, worden door initiatiefnemer gedragen. De kosten voor de gemeente betreffen de gebruikelijke kosten voor planbegeleiding. Hiervoor worden gemeentelijke leges geheven.

6.1.2 Planschadeverhaal

Vanwege voorliggend ruimtelijk plan is er de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. Diegenen die schade lijden omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 2% van de waarde van het onroerend goed uitkomt. Afspraken over de mogelijke kosten die samenhangen met deze tegemoetkoming in de planschade worden in de tussen initiatiefnemer en gemeente overeen te komen anterieure overeenkomst dan wel planschadeverhaalovereenkomst opgenomen.

6.1.3 Conclusie

Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van de initiatiefnemer. De uit het plan voortkomende kosten, evenals de afwenteling van de planschade, zullen in af te sluiten overeenkomsten met de gemeente door initiatiefnemer worden gedragen. Voorgaande betekent dat dit bestemmingsplan niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd. Het opstellen van een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet is dan ook niet noodzakelijk geweest voor dit bestemmingsplan.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Overleg ex. art. 3.1.1 Bro

In het kader van het bestuurlijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is dit bestemmingsplan aan verschillende maatschappelijke instanties aangeboden die daarmee in de gelegenheid zijn gesteld om een overlegreactie op het plan in te dienen.


Wetterskip Fryslân en Gasunie Transport Services B.V. (hierna: Gasunie) hebben aangegeven geen opmerkingen op de planvorming te hebben.


Van Brandweer Fryslân en Provinsje Fryslân zijn inhoudelijke reacties en advies ontvangen die als Bijlage 5 respectievelijk Bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan zijn opgenomen.


Op de ontvangen reacties, de gemeentelijke beantwoording daarop en verwerking daarvan in dit bestemmingsplan is in navolgende ingegaan.

Brandweer Fryslân

Opmerkingen
Brandweer Fryslân adviseert om:

  • 1. In de bestaande waterleiding voor het perceel een brandkraan te realiseren in het stuk waar de buitendiameter 110 is (en niet ter plaatse van de verkleining richting het perceel naar een buitendiameter van 75 omdat deze niet de benodigde 1.000 l/min. op kan leveren).
  • 2. Het open water op de kruising Sudhoekstermiddelweg en de Hamerenweg jaarlijks te hekkelen zodat bij calamiteiten voldoende bruikbaar bluswater kan worden verkregen van het nabijgelegen oppervlaktewater.

Beantwoording

Ad. 1./2. De advisering van Brandweer Fryslân wordt betrokken bij de verdere planuitwerking en richting definitieve planuitvoering.

Provinsje Fryslân

Opmerkingen
De provinciale belangen die raken aan het plan geven aanleiding tot de volgende opmerkingen:

1. Evenementen (cat. 2):

De provincie beschikt niet over specifiek beleid voor evenementen. Gelet op het begrip 'stedelijke functies' in de Verordening Romte moeten evenementen worden beschouwd als activiteiten behorende bij het functioneren van kernen en dus thuishoren in of aansluitend aan kernen. De hergebruikregeling in art. 1.2.1 Verordening Romte biedt een breed scala om activiteiten toe te staan, maar evenementen behoren daar niet toe. Dit wordt verklaard door de verkeersaantrekkende werking van evenementen en daarmee niet altijd passend zijn in het landelijk gebied. Gezien de ligging van het plangebied aan een smalle weg in het landelijk gebied, maakt dat evenementen uitgesloten zouden moeten worden op deze locatie. Geadviseerd wordt het plan hierop aan te passen en evenementen niet toe te staan in de planregels.

2. Sanitaire voorzieningen (cat. 2):

Geadviseerd wordt het gebouw met sanitaire voorzieningen aan te laten sluiten bij de bestaande bebouwingssituatie op de planlocatie en niet centraal op het kampeerterrein te realiseren. Geadviseerd wordt dit in de planregels te borgen.

3. Trouwfeesten (cat. 2):

Op grond van art. 1.2.1, lid 1, onder d van de Verordening Romte kan het gebruik van het perceel als trouwlocatie en vergaderruimte worden toegestaan. Trouwfeesten kunnen worden aangemerkt als horecavorm op grond van het gestelde onder b. Voorwaarde is wel dat de functies ruimtelijk en functioneel passend zijn. Als trouwlocatie en vergaderplek is het plangebied zonder meer passend. Voor trouwfeesten is dat niet direct het geval. De planregels stellen dat deze in ondergeschikte mate zijn toegestaan. Niet duidelijk is echter wat nog ondergeschikt is en dat zou nader bepaald moeten worden in de planregels. Geadviseerd wordt een maximum aantal feesten per jaar in de gebruiksregels op te nemen en bij voorkeur ook de omvang te beperken zodat duidelijk is dat deze activiteit passend is in het landelijk gebied. Dit kan de nodige rechtszekerheid richting omwonenden bieden.

4. Landschappelijke inpassing (cat. 2):

In de toelichting is aangegeven dat de inrichting van het terrein om een goede inpassing vraagt om het karakter van een woon- en toeristisch-recreatieve bestemming te rechtvaardigen. Provinsje Fryslân merkt op dat er nog geen landschappelijk inpassingsplan is opgesteld om de goede landschappelijke inpassing van de activiteiten te waarborgen. Geadviseerd wordt dat wel te doen en de uitvoering daarvan te koppelen aan een voorwaardelijke verplichting in de planregels.

5. Stikstof (cat. 3):

Voor de berekening van de stikstofdepositie blijkt geen gebruik te zijn gemaakt van de meest recente versie van AERIUS (versie 2021.1 d.d. 21-06-2022). Geadviseerd wordt een nieuwe berekening (m.b.t. de stookinstallaties en verwachte verkeersbewegingen) te maken met de meest actuele calculator, waarbij ook rekening wordt gehouden met de volgende punten:

  • a. Te overwegen of het rekenen met het gasverbruik van alleen twee woningen voor het plangebied voldoende is gelet op het voornemen van realisatie van een woning, schuur met B&B, gastenverblijf en sanitaire voorzieningen. Daarnaast dient duidelijk gemaakt te worden of er bij feesten e.d. mogelijk ook nog separate (dieselaangedreven) generatoren worden ingezet.
  • b. Het meenemen van de verkeersgeneratie als gevolg van bruiloften en feesten om een goed beeld te krijgen van de stikstofdepositie. Omdat hiervoor geen kencijfers van CROW voor handen zijn, adviseert Provinsje Fryslân eveneens om te bepalen hoeveel feesten en bruiloften in totaal op jaarbasis kunnen plaatsvinden en dit te maximeren in de gebruiksregels. Aan de hand van de omvang van de locatie kan verder worden bepaald hoeveel gasten per feest maximaal ontvangen kunnen worden (en dient ook geborgd te worden in de regels). Het totaal aan maximumaantallen kan dan worden gebruikt om de maximale stikstofdepositie te berekenen.
  • c. Opgemerkt wordt verder dat aantallen verkeersbewegingen m.b.t. de B&B/groepsaccommodatie, theetuin en het gastenverblijf ontbreekt. Ook is alleen gerekend met licht verkeer, terwijl ook (middel)zwaar verkeer verwacht zou mogen worden voor bijvoorbeeld bevoorrading.

6. Gastenverblijf (cat. 6):

Het aanwezige bijgebouw zal tijdelijk als woning worden gebruikt waarna het als gastenverblijf voor familie / vrienden wordt ingezet. Op grond van art. 5.1.1, lid 1 onder c van de Verordening Romte is het mogelijk een recreatiewoning te realiseren in een bestaand gebouw op een erf. Hoewel het hier strikt genomen niet om een recreatiewoning gaat, kan het daar wel mee worden vergeleken. Het gastenverblijf kan dus worden toegestaan, maar moet nog wel worden geregeld in het bestemmingsplan. Daarbij gaat de provincie er van uit dat de bestaande oppervlakte als maximum wordt aangehouden.

Categorie-indeling overlegadviezen

De gebruikte categorie-indeling voor de provinciale inzet in het vervolgtraject betekent het volgende:

  • Cat. 2.: "Interpretatie verordening / motivering": Er is sprake van een onjuiste, te ruime, interpretatie van de (afwijkings)ruimte van de Verordening Romte en/of een gebrek in de motivering bij het gebruik van die (afwijkings)ruimte. Aanpassing van het plan en/of nadere motivering is noodzakelijk. Ambtelijke en zo nodig bestuurlijke nazorg kan nodig zijn, al dan niet op gemeentelijk initiatief. Bij onvoldoende verwerking of weerlegging in het ontwerpplan, afhankelijk van een nadere beoordeling, is een provinciale zienswijze waarschijnlijk. Bij een niet of onvoldoende verwerke zienswijze bij vaststelling van het plan kan een reactieve aanwijzing volgen.
  • Cat. 3.: "Overige provinciale belangen": Er is strijd met belangen van de provincie vanuit haar rol als bevoegd gezag, beheerder of eigenaar. Aanpassing van het plan is noodzakelijk. Het vervolgtraject is gelijk aan categorie 2.
  • Cat. 6.: "Juridische kwaliteit": De provincie meent dat sprake is van onvolkomenheden in de juridische kwaliteit van het ruimtelijk plan, mogelijk mede van belang voor adequate handhaving van het ruimtelijk beleid. Aanpassing van het plan is een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Eventueel kan ambtelijke nazorg plaatshebben, op gemeentelijk initiatief. Bij niet of onvoldoende verwerking of weerlegging in het ontwerpplan volgt geen provinciale zienswijze. Evenmin volgt en reactieve aanwijzing, beroep of bezwaar.

Beantwoording

Ad. 1.

De advisering van Provinsje Fryslân wordt overgenomen door het toestaan van evenementen uit de planregels te verwijderen. Mocht sprake zijn van een incidenteel evenement/activiteit dan zal dat door de gemeente Waadhoeke per geval worden afgewogen en bij een positief oordeel met afzonderlijke vergunningverlening plaatsvinden.

Ad. 2.

Het ontwerpbestemmingsplan is eveneens op deze advisering aangepast. In de planregels is opgenomen dat niet meer dan 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken kunnen worden gerealiseerd (waar de sanitaire voorzieningen en het gastenverblijf zijn inbegrepen). Insteek van initiatiefnemers is de sanitaire voorzieningen in de directe nabijheid van de boerderij te realiseren. Het eerder gedachte sanitairgebouw, centraal op het kampeerterrein op afbeeldingen in de bestemmingsplantoelichting van het voorontwerp, komt te vervallen.

Ad. 3.

De boerderij blijft in alle gevallen bedoeld voor trouw- c.q. vergaderlocatie en kan daarvoor op ieder moment worden ingezet. De aangegeven lijn van Provinsje Fryslân ten aanzien van de opmerking rondom trouwfeesten wordt gevolgd. Trouwfeesten worden met voorliggend plan op aangeven van de provincie gemaximeerd. Reden daarvoor is de eventuele geluidhinder naar de omgeving te beperken en de draagkracht van het gebied c.q. de landelijke infrastructuur met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking. Uitgegaan wordt van een voor de initiatiefnemer werkbaar aantal van maximaal 24 feesten op jaarbasis. Het aantal te realiseren parkeerplaatsen in het plangebied is daarbij verder leidend in het aantal gasten dat ten hoogste op het terrein kan worden toegelaten.

Ad. 4.

Namens initiatiefnemer is inmiddels een nadere uitwerking voor de terreininrichting en landschappelijke inpassing gemaakt. Deze is bij voorliggend ontwerpbestemmingsplan betrokken. In de regels is middels een voorwaardelijke verplichting, als voorgesteld door de provincie, de waarborg opgenomen dat bij uitvoering van de plannen gehandeld wordt ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing.

Ad. 5.

Het stikstofdepositieonderzoek ten behoeve van dit bestemmingsplan en de activiteiten die daarmee mogelijk worden gemaakt is herzien. Daarbij is gebruik gemaakt van de op het moment van schrijven/opstellen van het ontwerpbestemmingsplan meest recente AERIUS-calculator. Verder is het verhaal met betrekking tot parkeren en verkeer samen met de gemeentelijk verkeerskundig aanzienlijk aangepast en geredigeerd. Zie hiervoor paragraaf 4.8 Verkeer en parkeren. De gemiddeld, dagelijks te verwachten verkeersbewegingen van 75 zijn als input voor het stikstofdepositieonderzoek gebruikt.

Voor zover mogelijk zijn verder de door de provincie aangegeven aandachtspunten betrokken. Hierover moet worden opgemerkt dat in de berekening nog steeds wordt uitgegaan van het gasverbruik behorende bij twee woningen. Dat moet namelijk een voldoende worst-casebenadering zijn aangezien initiatiefnemers met de plannen die thans voorliggen geen gebruik gaan maken van gas. Momenteel kan verder niet worden overzien of op termijn na planrealisatie (dieselaangedreven) generatoren bij in de toekomst te houden feesten worden ingezet. Uitgangspunt is dat dit niet gebeurt en dat alles elektrisch op het perceel kan worden georganiseerd. De door initiatiefnemer beoogde trouwfeesten betreffen geen grootse feesten, maar zijn vooral bedoeld voor kleinere groepen met een intiem gezelschap van een geschatte omvang van 60 tot maximaal 100 personen.

Ad. 6.

Het advies van de provincie wordt overgenomen in voorliggend plan. Het gastenverblijf is nu specifiek geregeld in het bestemmingsplan door een aanduiding "specifieke vorm van wonen - gastenverblijf" op de verbeelding op te nemen en het in de regels toegestaan gebruik daarvoor te verbinden.

6.2.2 Tervisielegging ontwerpbestemmingsplan

Na het stadium van planvoorbereiding is het ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd. Binnen de termijn van tervisielegging kon door eenieder zienswijzen op het bestemmingsplan worden ingebracht. Er zijn tijdens periode geen zienswijzen ingediend.