direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bestemmingsplan Buitengebied, Willibrordushoek 1
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied" van gemeente Meierijstad ten behoeve van een bestemmingswijziging aan de Willibrordushoek 1 te Veghel, waarbij een agrarisch bedrijf wordt omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf.

In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.

De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Op de locatie is reeds geruime tijd een agrarisch bedrijf gevestigd. Door de aanleg van de A50 in de achtertuin van initiatiefnemer en door het gebrek aan opvolgers is het agrarisch bedrijf in de afgelopen jaren afgebouwd. De initiatiefnemer voert op dit moment niet langer alleen agrarische activiteiten uit, maar heeft daarnaast een bedrijf in asbestsanering en gevelreiniging, inclusief bijbehorende materialen en machines. Initiatiefnemer wil de agrarische activiteit verder afbouwen en de asbestsanering en gevelreiniging als hoofdactiviteit gaan beschouwen. Het betreft een bedrijf waar vader en zoon werkzaam zijn, waarbij de zoon het bedrijf van zijn vader over wil nemen. Er is dan geen sprake meer van een hoofdactiviteit die past binnen de ter plaatse toegekende agrarische bestemming. Daarom is een wijziging naar een niet-agrarische bedrijfsbestemming nodig, waarmee het uitvoeren van de gewenste activiteiten als hoofdactiviteit mogelijk wordt gemaakt.

De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.2 Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan de Willibrordushoek 1 te Veghel en ligt aan de zuidwest kant van Veghel in het landelijk gebied van gemeente Meierijstad. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Veghel, sectie R, nummers 466, 475, 825 en 852. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0001.png"

Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Veghel (tegenwoordig gemeente Meierijstad), zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 22 oktober 2015, onverkort van toepassing.

Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de gebiedsaanduidingen 'other: toerisme', 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2' en 'vrijwaringszone - radar' en de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - 9' van toepassing. Op de bestemming zit de maatvoering 'maximum oppervlakte: 400 m²'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0002.png"

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer.
  • Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente.
  • Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven.
  • Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving.
  • Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Meierijstad. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit gemengd landelijk gebied. De verkavelingsstructuur betreft een blokverkaveling met een kleinschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door lijnen of singels in het landschap.

In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven gelegen, alsmede burgerwoningen. Ter oosten van de projectlocatie, aan de andere kant van de A50, zijn niet-agrarische bedrijven gevestigd. Ten zuiden van de projectlocatie bevinden zich enkele natuurgebieden.

2.1.2 Ruimtelijke structuur

Op de locatie is momenteel, naast een agrarisch bedrijf, ook een niet-agrarisch bedrijf gevestigd in de vorm van asbestsanering en gevelreiniging, inclusief bijbehorende materialen en machines. Deze activiteiten vinden plaats in de ter plaatse aanwezige bedrijfsbebouwing. Ter plaatse is eveneens een bedrijfswoning aanwezig.

Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 0,9 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0003.png"

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse.
Bron: PDOK Viewer.

2.2 Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur

De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse de agrarische bedrijvigheid te staken en de niet-agrarische bedrijvigheid als hoofdactiviteit te gaan uitvoeren. Derhalve is het noodzakelijk de agrarische bestemming te wijzigen in een niet-agrarische bedrijfsbestemming.

Een deel van de huidige bebouwing is verouderd en is niet goed geschikt om de gewenste bedrijfsvoering op efficiënte wijze uit te voeren. Het is daarom wenselijk te voorzien in een nieuwe loods met kantoor. Hiervoor worden diverse bestaande kleinere gebouwen en opslagloodsen afgebroken, en komt hier een nieuwe ruimere loods voor in de plaats. Hierdoor komt er ruimte om alle bestaande materialen binnen te plaatsen.

Door de versnippering van de opslagruimtes in de huidige situatie wordt er ook regelmatig materiaal buiten gestald. Met name om de vrachtwagen (om de kranen en verreikers te vervoeren) binnen te stallen is een grotere ruimte nodig. Dit om de vrachtwagen in en uit te rijden uit de loods en binnen te stallen. Hiervoor wordt bestaande bebouwing gesloopt en wordt een nieuwe loods terug gebouwd. De locatie op het bouwblok is dusdanig dat de nieuwe loods binnen de huidige contouren van het bouwvlak past. De plaatsing van de loods is dusdanig dat er voldoende ruimte tussen de resterende bebouwing en de nieuwe loods is om te kunnen manoeuvreren met de vrachtwagen met oplegger.

Het is voor de initiatiefnemer wenselijk de aanwezige bedrijfsbebouwing, welke niet aan de huidige bedrijfswoning is gelegen, te slopen. In de volgende figuur is de te slopen bebouwing nader weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0004.png"

Luchtfoto met te slopen bebouwing.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl (bewerkt).

Voor de gewenste bedrijfsvoering is de initiatiefnemer voornemens om hier een nieuwe loods met kantoor voor terug te bouwen van ongeveer 1.120 m². Ter plaatse mag vanuit het gemeentelijk beleid maximaal 400 m² aan bedrijfsbebouwing worden teruggebouwd. De overige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van 1.120 m² aan nieuw op te richten bedrijfsbebouwing. Dit is 720 m² meer dan vanuit het beleid is toegestaan. Derhalve dient voor de extra 720 m² compensatie plaats te vinden door middel van kwaliteitsverbetering.

Ter compensatie zal een groot deel van het perceel waarop de locatie is gelegen worden aangewend voor een goede landschappelijke inpassing door het aanbrengen van landschapselementen. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) wordt met de voorgenomen compensatie en landschappelijke inpassing ruimschoots voldoende gecompenseerd om de extra m² aan bedrijfsbebouwing ter plaatse mogelijk te maken.

Naast bedrijfsgebouwen mag bij een niet-agrarisch bedrijf vanuit het beleid van de gemeente een bedrijfswoning met bijgebouwen aanwezig zijn. Hierbij geldt dat bij de bedrijfswoning maximaal 180 m² aan bijgebouwen aanwezig mag zijn. Ter plaatse is reeds 250 m² aan bijgebouwen aanwezig. Daarvan wordt echter 70 m² betrokken bij de woning zelf (woonruimte), waarmee de inhoud van de woning, binnen het maximaal toelaatbare ruimtebeslag van de woning zelf, vergroot en is sprake van maximaal 180 m² aan bijgebouwen bij de bedrijfswoning.

De aanwezige bijgebouwen bij de bedrijfswoning zullen bij de omschakeling gebruikt worden voor klein materiaal, privé en een paar hobby-paarden die gehouden worden (welke het weiland gebruiken voor begrazing).

In de volgende figuur is de gewenste situatie met landschappelijke inpassing weergegeven. De volledige tekening op schaal is opgenomen in het landschappelijk inrichtingsplan dat als bijlage 1 bij deze toelichting is opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0005.png"

Situatietekening met landschappelijke inpassing.
Bron: h8 ontwerpbureau.

2.2.2 Landschappelijke inpassing

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.

Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het door de landschapsdeskundige opgestelde landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting.

Vanuit het ruimtelijke beleid is bij nieuwe ontwikkelingen, waarbij door het wijzigen van een bestemming een bestemmingswinst wordt behaald, een voldoende grote investering in het landschap noodzakelijk. Bij deze investering dient een deel van de behaalde bestemmingswinst te worden geïnvesteerd in het landschap. Dit kan bijvoorbeeld door het aanbrengen van landschappelijke elementen en/of het slopen van gebiedsontsierende bebouwing. Wanneer er niet voldoende kwaliteitsverbeterende maatregelen kunnen worden getroffen dan dient een aanvullende storting te worden gedaan in een landschapsfonds van de gemeente voor het realiseren van landschappelijke elementen elders in de gemeente.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een berekening gemaakt van de behaalde bestemmingswinst en van de mate van investeren die ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt gedaan. Daarbij wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing, waarbij voldoende nieuwe landschappelijke elementen worden aangelegd en onderhouden.

Daarnaast wordt bij de voorgenomen ontwikkeling de huidige aanwezige gebiedsontsierende bebouwing gesloopt. Omdat de sloop ten behoeve van de nieuw te bouwen loods vanuit het beleid niet kan worden aangemerkt als kwaliteitsverbetering zal de initiatiefnemer voldoende landschapselementen aanleggen om te voorzien in een passende bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit.

Uit de gemaakte berekening, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting, blijkt dat ruimschoots aan de minimaal vereiste investering wordt voldaan. Daarmee is in voldoende mate sprake van een investering in het landschap en is geen nadere aanvullende bijdrage in een landschapsfonds nodig.

Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet.

Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden.

Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven.

Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.

Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.

Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking

Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd:

"ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."

Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

Met de Omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat.

De Omgevingsvisie gaat over twee vragen:

  • Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien?
  • Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken?

De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.

De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven, en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.

Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom.

Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is één van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier.

Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie.

Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energie-neutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen.

Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen.

Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd:

  • Werken aan de Brabantse energietransitie;
  • Werken aan een klimaatproof Brabant;
  • Werken aan de slimme netwerkstad;
  • Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven.

Voor omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendige wijze wordt gebouwd.

Bij de omschakeling naar het niet-agrarische bedrijf zal ter plaatse worden gekeken naar een passende manier van bouwen en gebruik van materialen om te komen tot een duurzaam en klimaatbestendig gebouw. Het omschakelen van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf is een voorbeeld van een nieuwe vervolgfunctie in het buitengebied. Op deze manier worden er nieuwe, economische dragers gecreëerd. Daarnaast kunnen bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijkheden worden onderzocht voor een verdere verduurzaming van de bebouwing en/of naar mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 25 oktober 2019 heeft de provincie Noord-Brabant de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd.

Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als 'Landelijk gebied'. Binnen dit gebied gelden specifieke regels voor omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf (dit wordt gezien als vestiging van een niet-agrarisch bedrijf). Deze luiden als volgt:

" 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied

Lid 1:

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:
    • 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;
    • 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
    • 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.
  • b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel;
  • c. overtollige bebouwing wordt gesloopt;
  • d. de vestiging heeft geen betrekking op:
    • 1. een kantoor met baliefunctie;
    • 2. lawaaisport;
    • 3. mestbewerking.

Lid 2:

Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels:

  • a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking;
  • b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;
  • c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;
  • d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Lid 3:

Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor:

  • a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein;
  • b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²;
  • c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare."

Ad. 3.73, lid 1, sub a, onder 1:

De gemeente Meierijstad heeft bij het opstellen van het bestemmingsplan voor het buitengebied voor verschillende gebieden onderzocht welke functies in de gebieden passend en wenselijk zijn. Niet-agrarische bedrijvigheid is, onder voorwaarden, mogelijk in het gebied waarin de locatie is gelegen. Daarnaast zijn in de directe omgeving van de locatie al reeds meerdere voormalige agrarische bedrijven (veehouderijen) gelegen die reeds zijn omgeschakeld naar een niet-agrarische bedrijfsfunctie en/of een woonfunctie. Daarmee is sprake van een ontwikkeling die goed past binnen het gebied waarin de locatie is gelegen.

Tevens wordt bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een agrarisch bedrijf beëindigd, waarmee de milieubelasting op de omgeving zal afnemen. Dit past binnen de doelstellingen die de gemeente heeft voor dit gebied. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die past binnen het gebied.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.73, lid 1, sub a, onder 2:

Zoals nader is aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op de in de omgeving aanwezige functies en/of waarden. Tevens zal met de voorgenomen beëindiging van het agrarisch bedrijf sprake zijn van een afname van de milieubelasting aan de omgeving. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling een positief effect hebben op de leefbaarheid in de omgeving.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden en/of bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven. Tevens zullen ook geen andere functies in de ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad. Er is daarmee geen sprake van een belemmering van de agrarische ontwikkeling van het gebied.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 4.4), geen sprake van aanpassingen aan of van een aantasting van de infrastructuur ter plaatse. Tevens zal parkeren geheel op eigen terrein plaatsvinden. Het aantal verkeersbewegingen zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen. Daarmee zal er geen sprake zijn van nadelige gevolgen op de mobiliteit in het gebied.

De gewenste ontwikkeling betreft geen bedrijfsvoering die zal concurreren met functies op het bedrijventerrein omdat de afstand tot andere bedrijventerreinen relatief groot is. Nabij de locatie is wel het Foodpark Veghel gelegen, maar dit terrein richt zich met name op de voedselvoorziening en niet op overige niet-agrarische bedrijvigheid. Door de grote hoeveelheid aan beschikbare voormalige agrarische bedrijfsgebouwen in het buitengebied die anders leeg komt te staan is het gewenst om deze een nieuwe functie te geven.

De locatie leent zich uitstekend voor de gewenste bedrijvigheid. Door de goede bereikbaarheid van de locatie en de vrijwel directe aansluiting op de rijksweg A50 (via een parallelweg) zal geen sprake van een onevenredige hinder door de verkeersbewegingen van het bedrijf. Er hoeft immers niet door de kern te worden gereden.

Daarnaast zijn gronden op een bedrijventerrein erg duur. De initiatiefnemer heeft de gronden behorende bij de locatie reeds in eigendom. Als de initiatiefnemer dure gronden op een bedrijventerrein moet aankopen om het gewenste bedrijf te kunnen vestigen dan is de ontwikkeling financieel niet langer haalbaar. De initiatiefnemer kan in dat geval geen rendabel bedrijf uitoefenen omdat de investering van de aankoop van de noodzakelijke gronden op een bedrijventerrein dan te hoog is. Vestiging van het gewenste bedrijf op een bedrijventerrein ligt daarmee ook niet binnen de mogelijkheden.

Nabij de locatie is geen bedrijf voor asbestsanering en gevelreiniging gelegen. Er is voldoende vraag naar de werkzaamheden van de initiatiefnemer in de omgeving. Er zal daarmee met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een overaanbod van de uitgevoerde werkzaamheden in de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe invulling gegeven aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Daarmee wordt verdere leegstand elders juist tegengegaan. Er zal daarmee geen sprake zijn van leegstand elders in de regio.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.73, lid 1, sub a, onder 3:

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven en verder is uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), sprake zijn van een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en onderbouwd. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en de omgeving.

Daarnaast zullen de huidige aanwezige bedrijfsgebouwen bij de voorgenomen ontwikkeling worden gesloopt. In ruil daarvoor zal een nieuw bedrijfsgebouw met een hoge beeldkwaliteit worden teruggebouwd. Dit komt ten goede aan de beeldkwaliteit, en daarmee de ruimtelijke kwaliteit op de locatie.

Ter compensatie voor de extra terug te bouwen m² boven de m² die vanuit het huidige beleid zijn toegestaan zal het gehele perceel waarop de locatie is gelegen worden ingezet voor een goede landschappelijke inpassing, waarbij op het gehele perceel landschappelijke elementen aangelegd zullen worden. Daarmee zal het gehele perceel een passende landschappelijke uitstraling krijgen die past in het gebied en bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

Verder wordt er aan de aanwezige bebouwing in zijn geheel een nieuwe invulling gegeven. Daarmee wordt leegstand van bebouwing in het buitengebied voorkomen. Hiermee wordt voorkomen dat de bebouwing verpaupert. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.73, lid 1, sub b:

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het gehele bouwperceel benut voor de gewenste bedrijfsvoering. Er zal geen sprake zijn van splitsing in meerdere functies en/of bouwpercelen. De aanwezige agrarische bedrijfswoning zal als bedrijfswoning bij het gewenste niet-agrarische bedrijf worden gebruikt. Er is daarmee eveneens geen sprake van de afsplitsing van de bedrijfswoning.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.73, lid 1, sub c:

De huidige aanwezige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt ter plaatse gesloopt.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.73, lid 1, sub d, onder 1:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de vestiging van of de omschakeling naar een kantoorfunctie met een baliefunctie.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.73, lid 1, sub d, onder 2:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van activiteiten ten behoeve van een lawaaisport. Er vinden ter plaatse geen bedrijfsactiviteiten gericht op sport plaats.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.73, lid 1, sub d, onder 3:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de bewerking van mest.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.73, lid 2, sub a:

De gewenste bedrijvigheid is relatief kleinschalig van aard. De werkzaamheden zullen voornamelijk op andere locaties plaatsvinden. Op de locatie is alleen sprake van vertrek en aankomst van te gebruiken machines en materialen.

De bedrijvigheid wordt uitgevoerd door de initiatiefnemers (vader en zoon) en zonder verder personeel. Er is dus sprake van een bedrijvigheid die wordt uitgevoerd door maximaal 2 werknemers. Dit betreft een kleinschalige bedrijfsvoering.

Op de locatie zal ongeveer 1.120 aan bedrijfsbebouwing aanwezig zijn. Er zal geen sprake zijn van buitenopslag van materialen. De maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen is geborgd in de planregels behorende bij dit plan. Er is daarmee sprake van een kleinschalige bedrijvigheid die ook op termijn niet verder zal uitgroeien tot een omvang die niet langer passend is in het gebied.

De bedrijfsbebouwing wordt gebruikt voor de stalling van machines en materialen. Dit betreffen voornamelijk de bedrijfsbussen, de vrachtwagen en de verreikers (welke met de vrachtwagen worden vervoerd). Daarnaast worden enkele voorraden voor de gevelreiniging en asbestsanering opgeslagen in de bedrijfsbebouwing. Dit betreft echter zeer kleinschalige opslag en zal geen opslag van gevaarlijke en/of bodembedreigende materialen betreffen. Bij het landschappelijk inrichtingsplan, zoals is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting is eveneens een inrichtingstekening opgenomen waarop de gewenste bedrijfsbebouwing met de daarin gestalde machines is weergegeven.

Het aandeel bezoekers op de locatie zal zeer gering zijn. De totale oppervlakte van het bedrijf zal de gebruikelijke omvang van bedrijven in het gebied waarin de locatie is gelegen niet overschrijden. Er is daarmee sprake van een bedrijf dat qua omvang past in het gebied. Het bedrijf zal geen onevenredig grote publieksaantrekkende werking hebben.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.73, lid 2, sub b:

De voorgenomen bestemmingswijziging is ten behoeve van een bedrijfsvoering in de vorm van asbestsanering en gevelreiniging, inclusief bijbehorende materialen en machines. Er worden met de voorgenomen bestemmingswijziging geen andere activiteiten toegestaan. De voorgenomen bedrijvigheid is specifiek geborgd in de planregels behorende bij dit plan.

Daarmee worden geen andere bedrijfsmatige activiteiten toegestaan dan worden aangevraagd.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.73, lid 2, sub c:

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de bedrijfsvoering en de daarbij behorende opslag geheel in de reeds bestaande bebouwing plaatsvinden. Bij de voorgenomen bedrijfsvoering zal geen buitenopslag plaatsvinden. Alle opslag en stalling zal in de bedrijfsbebouwing plaatsvinden. Dit is eveneens geborgd in de planregels behorende bij dit plan.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.73, lid 2, sub d:

Indien de aangevraagde omvang niet langer toereikend blijkt te zijn en de eventueel met afwijkingsmogelijkheden en/of wijzigingsbevoegdheden maximaal toegestane omvang niet voldoende blijkt dan zal in plaats van een verdere uitbreiding worden gekeken naar een alternatieve locatie.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.73, lid 3, sub a:

Er is sprake van kleinschalige bedrijvigheid wanneer de bedrijvigheid een relatief kleine weergave betreft van de bedrijvigheid van het gebied en wanneer het oppervlaktebeslag een relatief kleine weergave betreft van het totale gebied.

De oppervlakte van het totale bestemmingsvlak zal niet meer dan 0,75 hectare bedragen. De locatie is gelegen in een landbouwgebied met landbouwkavels met een relatief grote oppervlakte. Het directe gebied waarin de locatie is gelegen, het gebied dat is afgekaderd door de dichtstbijzijnde wegen, kernen en landschapselementen (Rijksweg A50, het bosgebied aan de zuidkant en westkant van het gebied en de kern Eerde) heeft een oppervlakte van ruim 127 hectare. Dit gebied betreft daarnaast slechts een zeer klein deel van het gehele agrarisch gebied waarin de locatie is gelegen. De oppervlakte van de locatie betreft daarmee nog geen 0,6% van het afgekaderde gebied en een nog veel kleiner percentage van het totale agrarisch gebied waarin de locatie is gelegen. Er is daarmee sprake van een oppervlaktebeslag dat slechts een kleine weergave betreft van het totale gebied.

De gewenste bedrijvigheid is relatief kleinschalig van aard. Op de locatie zal nagenoeg geen sprake zijn van bezoekers, omdat de werkzaamheden voornamelijk op andere locaties worden uitgevoerd. Er is daarmee geen sprake van een bedrijvigheid die een grote aantrekkende werking heeft van buitenaf.

Het aantal voertuigen en verkeersbewegingen op de locatie is zeer beperkt. De bedrijvigheid op de locatie zelf betreft opslag van machines en materialen. De werkzaamheden vinden elders (op de locaties van de afnemers van de werkzaamheden) plaats. Er is daarmee sprake van een kleinschalige bedrijvigheid.

De werkzaamheden op het bedrijf zelf beslaan het stallen van machines en materialen die nodig zijn voor de bedrijfsvoering op de andere locaties. Omdat de werkzaamheden elders plaatsvinden ligt de arbeidsintensiteit op het bedrijf relatief laag. De arbeid kan ter plaatse worden uitgevoerd door één of twee personen, waarmee geen sprake is van een arbeidsintensief bedrijf. De bedrijvigheid is daarmee aan te merken als kleinschalig.

Verder dient te worden bekeken of het doelmatig is om het bedrijf op een bedrijventerrein te vestigen. De gewenste bedrijvigheid beslaat uit het stallen machines en materialen die nodig zijn voor het uitvoeren van asbestsanering en gevelreiniging op andere locaties. De stalling van machines en materialen is niet aan een bedrijventerrein gebonden.

De initiatiefnemer heeft de grond waarop de gewenste ontwikkeling zal plaatsvinden reeds in eigendom. Als de initiatiefnemer zou moeten verplaatsen naar een bedrijventerrein dan zouden hiervoor nieuwe gronden op een bedrijventerrein moeten worden aangekocht. De gronden op een bedrijventerrein zijn vaak erg duur. Dit zou betekenen dat de initiatiefnemer een aanzienlijke investering zou moeten doen om te kunnen verplaatsen naar een bedrijventerrein. Deze investering is, gezien de prijs van de gronden op een bedrijventerrein, voor de initiatiefnemer niet haalbaar om daarna te leiden tot een rendabele bedrijfsvoering. Zelfs als de huidige locatie verkocht zou worden dan zouden de opbrengsten van de verkoop van de locatie niet voldoende zijn om de aankoop van een locatie op een bedrijventerrein rendabel te maken. Daarmee is de vestiging van het bedrijf op een bedrijventerrein financieel niet haalbaar voor de initiatiefnemer.

Het is daarmee niet doelmatig om het gewenste bedrijf van de initiatiefnemer op een bedrijventerrein te vestigen.

Het bestemmingsvlak en de overige gronden worden vastgelegd in concrete bestemmingen op een bij een bestemmingsplan behorende verbeelding. De maximale oppervlakte die gebruikt kan worden voor de gewenste bedrijvigheid wordt daarmee vastgelegd en geregeld in een bestemmingsplan.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.73, lid 3, sub b:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een voorziening voor detailhandel.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.73, lid 3, sub c:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Aan de voorwaarden voor vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied zoals zijn opgenomen in artikel 3.73 van de Interim Omgevingsverordening wordt daarmee voldaan.

Naast de specifieke voorwaarden voor het vestigen van een niet-agrarische ontwikkeling in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen:

" Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

Lid 1:

Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.

Lid 2:

Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:

  • a. zorgvuldig ruimtegebruik;
  • b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering;
  • c. meerwaardecreatie."

Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen.

Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen:

" Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1:

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

  • a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat:
    • 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk;
    • 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan;
  • b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);
  • c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

Lid 2:

Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel."

Ad. 3.6, lid 1, sub a:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een toedeling van een functie binnen het huidige ruimtebeslag. Er is geen sprake van een uitbreiding van het huidige ruimtebeslag, maar van een vermindering van het ruimtebeslag, omdat het huidige agrarische bouwvlak van ongeveer 0,9 hectare wordt teruggebracht naar een bedrijfsperceel met een omvang van ongeveer 0,5 hectare.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.6, lid 1, sub b:

Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3).

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.6, lid 1, sub c:

Alle aanwezige bebouwing is geconcentreerd binnen het bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.6, lid 2:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een bestaand bouwperceel. Dit bouwperceel zal niet worden uitgebreid ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.

Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen:

" Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering

Lid 1:

De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.

Lid 2:

De lagenbenadering omvat de effecten op:

  • a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;
  • b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.
  • c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

Lid 3:

Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid."

Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.

Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen:

" Artikel 3.8 meerwaardecreatie

Lid 1:

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

  • a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat;
  • b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Lid 2:

De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie."

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een agrarisch bedrijf worden beëindigd. Een agrarisch bedrijf heeft een grote uitstoot van geur, fijnstof, stikstofoxiden, broeikasgassen en ammoniak. Bij de voorgenomen beëindiging zal de uitstoot van het bedrijf vrijwel geheel worden beëindigd. Dit heeft een aanzienlijke meerwaarde op het gebied van milieu en natuur. Het woon- en leefklimaat in de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee worden verbeterd.

Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling verouderde bebouwing worden gesloopt en worden vervangen door nieuwe, beter geïsoleerde bebouwing. Hiermee zal het energieverbruik op de locatie verminderen. Tevens zal het voorgenomen bedrijf aanzienlijk minder energie en water nodig hebben dan een volwaardig agrarisch bedrijf. Ook hierdoor zal het energie- en waterverbruik aanzienlijk verminderen. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan het behalen van de energiedoelstellingen van de overheid.

Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 3.9 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie.

Ten slotte wordt met de voorgenomen ontwikkeling een nieuwe invulling gegeven aan leegstaande agrarische bebouwing. Daarmee wordt leegstand en verpaupering van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing voorkomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie.

Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Gemeentelijke structuurvisie

De voormalige gemeente Veghel heeft op 19 december 2013 de Structuurvisie Veghel 2030 vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar 2030. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd.

Op onderstaande figuur is een uitsnede afgebeeld van de visiekaart 2030 uit de structuurvisie. Te zien is dat de locatie ligt in een gebied dat is aangewezen als 'Ontwikkelen van een afwisselend Veghels mozaïek; clusters van wonen, werken & recreatie in het landschap'.

De bestaande landschappelijke opbouw en functionele invulling vormt de leidraad voor een indeling van het buitengebied in vijf gebiedstypen. Bij elk van die gebiedstypen hoort beleid op maat. Eén van die gebieden is het Veghels mozaïek. In een brede ring rond Veghel ligt een landschap dat zich kenmerkt door een combinatie van functies, waarbij steeds sprake is van clusters in het landschap. Dit gebiedstype heet daarom het Veghels mozaïek. De kernen Eerde, Zijtaart en Mariaheide liggen binnen dit gebiedstype, evenals het toekomstige woongebied Veghels Buiten en het Foodpark. De invulling van de clusters verschilt per deelgebied. Rond Eerde zijn ze bijvoorbeeld sterk gericht op de aanwezige (verblijfs)recreatie, bijvoorbeeld rond de Eerdse Bergen. Bij Veghels Buiten gaat het vooral om geclusterde woningen in de vorm van nieuwe buurtschappen. De kwaliteit van het Veghels mozaïek ligt in het evenwicht tussen het landschap, de groenblauwe structuur en de bebouwde clusters. Het gebied vormt hiermee een duidelijke overgangszone tussen de kern Veghel en de overige delen van het buitengebied. Het uitbouwen van één van de afzonderlijke dragers behoort tot de mogelijkheden, maar altijd integraal en daarmee met oog voor het eerdergenoemde evenwicht tussen landschap en gebouwde functies.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0006.png"

Uitsnede Visiekaart 2030.
Bron: Structuurvisie Veghel 2030.

Aan de zuidzijde van Veghel gaan zich grote veranderingen voltrekken. Onder de noemer 'Veghels mozaïek' wordt ingezet op het realiseren van een aantrekkelijk en duurzaam woon- en werklandschap rondom Veghel. Daarbij wordt voortgegaan op de weg die met Veghels Buiten is ingezet: ruimtelijke ontwikkelingen maken deel uit van het landschap in plaats van erover te worden uitgerold. Bestaande groene en blauwe structuren blijven zo veel mogelijk bestaan.

De agrarische sector blijft ook tot 2030 zonder meer de belangrijkste drager voor het Veghelse buitengebied. Daarbij zijn drie verschillende gradaties te onderscheiden. In de beekdalen is sprake van agrarisch medegebruik, ter ondersteuning van de ecologische en landschappelijke functie van het gebied. In het meeste zuidelijke deel van de gemeente is de situatie juist omgekeerd. Dit gebied vormt het agrarische kerngebied binnen de gemeente, waar landbouw en veeteelt leidend zijn. De projectlocatie ligt in het overige deel van het buitengebied, waarin de landbouw weliswaar een belangrijke drager vormt, maar waar de groeiruimte veel beperkter is. Daarnaast biedt dit gebied meer ruimte voor andere functies, zoals wonen, recreatie en voorzieningen.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de omschakeling naar een niet-agrarisch bedrijf, in een gemengd gebied waar ruimte is voor andere functies naast de landbouw, past binnen de uitgangspunten uit de Structuurvisie Veghel 2030 van de voormalige gemeente Veghel.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten

4.1 Milieu

4.1.1 Milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.

Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen:

  • 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen);
  • 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een aannemersbedrijf met een werkplaats van maximaal 1.000 m². Echter dient voor het bepalen van de bedrijfsoppervlakte te worden gekeken naar het totale bestemmingsvlak voor het bedrijf, zodat alle bij het bedrijf behorende voorzieningen bij de bedrijfsoppervlakte worden betrokken. Omdat dit bestemmingsvlak groter is dan 1.000 m² is sprake van een aannemersbedrijf met werkplaats met een bedrijfsoppervlakte van meer dan 1.000 m².

Ten aanzien van dit type bedrijf (bouwnijverheid, SBI-code 41,42,43 nummer 2) zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:

  • Geur: 10 meter.
  • Stof: 30 meter.
  • Geluid: 50 meter.
  • Gevaar: 10 meter.

Het dichtstbijzijnd gevoelig object bevindt zich op een afstand van ongeveer 13 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Hiermee wordt niet aan de gestelde richtafstanden op het gebied van fijnstof (30 meter) en geluid (50 meter) voldaan. Echter, de afstand van de nieuwe loods tot aan de woning van het dichtstbijzijnde bestemmingsvlak (een agrarisch bedrijf) bedraagt ongeveer 45 meter. Dit is gemeten van gevel tot gevel. Hiermee wordt wel aan de richtafstand voor fijnstof voldaan, maar niet aan die voor geluid. In het voorste deel van het gewenste bedrijfsgebouw zal een kantoorruimte worden ingericht. Hiermee komt de daadwerkelijke bedrijfsruimte voor de gewenste bedrijfsactiviteiten op een grotere afstand dan 50 meter van de betreffende woning te liggen. Daarmee wordt aan de richtafstanden voldaan.

Het geluid bij de voorgenomen bedrijfsvoering zal voornamelijk worden veroorzaakt door het laden en lossen van de verreikers en materialen in de bedrijfsbussen en vrachtwagen. Daarnaast zullen de transportbewegingen van en naar het bedrijf geluid produceren. Het laden en lossen van de verreikers en materialen in de bedrijfsbussen en vrachtwagen vindt geheel inpandig in de bedrijfsbebouwing plaats. Zoals nader omschreven zal dit op een afstand van minimaal 50 meter van de omliggende gevoelige bebouwing plaatsvinden. Daarnaast zal de uitstraling van geluid beperkt blijven omdat de activiteiten inpandig plaatsvinden. Hiermee zullen de gevels van het bedrijfsgebouw zorgen voor voldoende afscherming van het geluid om onevenredige uitstraling naar buiten toe zoveel mogelijk te beperken.

De transportbewegingen vinden slechts zeer beperkt en in de dagperiode plaats. Er zal sprake zijn van twee momenten per dag waarop transportbewegingen plaatsvinden. Dat is op het moment dat de initiatiefnemers van de locatie vertrekken en op het moment dat zij weer terugkomen op het bedrijf. Het vertrek zal in de ochtend (na 7:00) plaatsvinden. De terugkomst vindt in de middag (voor 17:00) plaats. De geluidsbelasting als gevolg van de transportbewegingen blijft daarmee zeer beperkt.

Vanuit de VNG-handreiking kan daarnaast worden gesproken van een zogenaamd 'gemengd gebied'. Dit betreft een gebied waarin verschillende functies (agrarisch, wonen en bedrijvigheid) naast elkaar voorkomen. In een gemengd gebied geldt dat er al sprake is van een zekere te verwachten overlast, waardoor geldt dat voor wat betreft de richtafstanden één stap terug mag worden gezet in de richtafstanden en milieucategorie. Dit houdt in dat voor de voorgenomen bedrijfsvoering, omdat sprake is van een gemengd gebied, de volgende richtafstanden aangehouden mogen worden:

  • Geur: 0 meter.
  • Stof: 10 meter.
  • Geluid: 30 meter.
  • Gevaar: 0 meter.

Aan deze richtafstanden kan met de voorgenomen ontwikkeling, gezien het voorgaande, worden voldaan.

Daarnaast zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4), met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige geluidshinder aan de omgeving. Hiermee kan gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstanden en zal geen onevenredige geluidshinder worden veroorzaakt.

Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving.

Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

4.1.2 Geur

De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd.

De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.

Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een niet-agrarisch bedrijf gericht op asbestsanering en gevelreiniging. Een dergelijk aannemersbedrijf veroorzaakt geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving.

4.1.3 Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.

4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting

De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen

Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

4.1.3.3 Luchtkwaliteit ter plaatse van de inrichting

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit is doorgaans alleen van toepassing bij het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object.

Voor de volledigheid is, ondanks dat geen gevoelige objecten worden opgericht, echter alsnog gekeken naar de achtergrondconcentratie aan fijnstof en stikstofoxiden om te bepalen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse.

Vanuit de landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de achtergrondconcentratie niet meer dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) bedraagt. De provincie Noord-Brabant hanteert echter een strengere richtlijn. Binnen de provincie Noord-Brabant is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 31,2 µg/m³ bedraagt.

Volgens gegevens van de grootschalige depositiekaarten, zoals zijn opgenomen in de Atlas van de Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), zoals weergegeven in de volgende figuren, bedraagt de achtergrondconcentratie van fijnstof ter plaatse ongeveer 19,8 µg/m³ en die van stikstofoxiden ter plaatse ongeveer 22,6 µg/m³. Gezien de achtergrondconcentratie van zowel fijnstof als stikstofoxiden (aanzienlijk) minder dan 31,2 µg/m³ bedraagt is ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0007.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof.
Bron: Atlas van de Leefomgeving van het RIVM.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0008.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden.
Bron: Atlas van de Leefomgeving van het RIVM.

4.1.4 Geluid

De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc..

Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen:

  • Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg.
  • Woonwagenstandplaatsen.

Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai

Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen.

Bij het omzetten van de agrarische bedrijfswoning naar een niet-agrarische bedrijfswoning is de Wgh niet van toepassing, omdat de wijziging via het bestemmingsplan wordt gerealiseerd. Op basis van artikel 73, lid 3 van de Wgh hoeft de geluidbelasting van de omliggende zoneplichtige wegen niet getoetst te worden aan de grenswaarden.

4.1.4.2 Industrielawaai

Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen.

Voor wat betreft geluid zal de geluidsbelasting bij de voorgenomen ontwikkeling voornamelijk worden veroorzaakt door het laden en lossen van machines en materialen. Het laden van de machines en materialen in de bedrijfsbussen en de vrachtwagen vindt bij de voorgenomen bedrijfsvoering geheel inpandig plaats. De gevels van de bedrijfsbebouwing zorgen daarbij voor een afschermende werking die de geluidsuitstraling naar buiten toe zoveel mogelijk zal beperken.

Verder kunnen de transportbewegingen leiden tot een toename van de geluidsbelasting. Bij de gewenste bedrijfsvoering zal twee maal per dag sprake zijn van transportbewegingen. Dit betreft het vertrek van de initiatiefnemers van de locatie in de ochtend (na 7:00) en de terugkomst van de initiatiefnemers op de locatie na de werkzaamheden te hebben uitgevoerd elders in de middag (voor 17:00). De transportbewegingen zijn zeer beperkt en vinden uitsluitend in de dagperiode plaats, waarmee deze niet zullen leiden tot een onevenredige geluidsbelasting aan de omgeving.

Daarnaast ligt de locatie in een gebied dat is aan te merken als een gemengd gebied. In gemengde gebieden, waarin veel functies naast elkaar voorkomen, is al sprake van een zekere te verwachten overlast. De geluidsbelasting van de voorgenomen bedrijfsvoering past bij de functies in een gemengd gebied.

Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidsbelasting als gevolg van een toename van de verkeersbewegingen.

Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.

4.1.5 Volksgezondheid

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te kijken naar de mogelijke risico's voor de volksgezondheid. Dit is vooral van belang wanneer sprake is van een veehouderij of wanneer er wordt ontwikkeld in de nabijheid van een veehouderij. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een veehouderij of de ontwikkeling van een veehouderij. Er is daarom geen sprake van mogelijke verhoogde risico's voor de volksgezondheid als gevolg van de gewenste ontwikkeling.

Daarnaast is er bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van nieuwe gevoelige objecten. Er is daarmee op de locatie geen sprake van mogelijke verhoogde risico's ten aanzien van de volksgezondheid. Tevens is de locatie niet binnen de richtafstanden voor mogelijke risico's voor de volksgezondheid van een varkenshouderij, pluimveehouderij en/of geitenhouderij gelegen.

Er zal daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van mogelijk verhoogde risico's ten aanzien van de volksgezondheid.

4.1.6 Woon- en leefklimaat

Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

4.1.6.1 Woon- en leefklimaat op de locatie

Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijnstof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, waarmee verdere toetsing op dit gebied achterwege kan blijven.

4.1.6.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving

Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijnstof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) geen sprake zijn van een onevenredige geluidshinder aan de omgeving.

Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

4.1.7 Externe veiligheid

Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven.

Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers.

In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.

Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Daarnaast wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz..

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes.

Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0009.png"

Tabel wanneer verantwoording van het groepsrisico.
Bron: Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN).

4.1.7.1 Risicovolle inrichtingen

Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0010.png"

Uitsnede Risicokaart.
Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO).

Tevens worden bij de voorgenomen ontwikkeling geen installaties en/of inrichtingen opgericht die vallen onder het Bevi en/of waarvoor veiligheidsafstanden van toepassing zijn vanuit het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Er is daarmee geen sprake van een inrichting of installatie die mogelijk zal leiden tot risico's aan de omgeving.

4.1.7.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen

Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen door transport- en buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.

Nabij de locatie is de autosnelweg A50 gelegen. Over deze weg worden stoffen van de categorieën LF1, LF2, LTl, LT2 en GF3 vervoerd. De stof LT2 heeft het grootste invloedsgebied en is daarom bepalend voor het groepsrisico. De stof LT2 heeft, wanneer vervoerd over de weg, een invloedsgebied van 880 meter. De locatie is op ongeveer 40 meter van de autosnelweg A50 gelegen, waarmee de locatie in het invloedsgebied van de autosnelweg A50 is gelegen. Conform artikel 8 van het Bevt dient daarom het groepsrisico verantwoord te worden.

Nabij de locatie is eveneens een hogedruk aardgasleiding gelegen (leiding A-521). Deze leiding heeft een invloedsgebied van 430 meter aan weerszijden van de leiding. De locatie is gelegen op een afstand van ongeveer 260 meter van de betreffende leiding, waarmee de locatie in het invloedsgebied van de betreffende leiding is gelegen. Conform artikel 12, lid 1 van het Bevb dient daarom het groepsrisico verantwoord te worden.

Gezien het voorgaande is een nadere motivatie van het groepsrisico noodzakelijk. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Groepsrisico" (paragraaf 4.1.7.3).

4.1.7.3 Groepsrisico

Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van de autosnelweg A50 en de hogedruk gasleiding A-521 dient een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.

Personendichtheid en hoogte van het groepsrisico:  

De locatie is gelegen op relatief grote afstand van de betreffende aardgasleiding. De afstand tot de autosnelweg A50 is kleiner. Echter is de locatie niet direct aan de autosnelweg gelegen en is de autosnelweg ter plaatse afgeschermd door een geluidsscherm.

Er is geen toename van het aantal personen door de voorgenomen ontwikkeling binnen het invloedsgebied van de risicobron. Dit zorgt ervoor, dat de toename van het groepsrisico niet zichtbaar zal doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico.

Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico:

Zoals gesteld heeft op de locatie de personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch.

Mogelijkheden bestrijdbaarheid van een calamiteit:

De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld:

  • 1. Is het rampscenario te bestrijden?
    Voor wat betreft de autosnelweg A50 dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid voor een plasbrand, een explosie en een toxische wolk. Gezien de afstand van de locatie tot de autosnelweg A50 is het vrijkomen van een toxische wolk het maatgevende scenario. Bij (zeer) toxisch gas is het scenario dat ten gevolge van een ongeval een gat in de tankwagen ontstaat. Het giftige gas verdampt direct en er ontstaat een gaswolk die zich snel met de wind mee verspreidt. Bij een percentage aanwezige personen binnen het invloedsgebied van de toxische stof zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Effectbestrijding is mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. De locatie is zeer goed ontsloten, waardoor hulpdiensten tijdig aanwezig kunnen zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Voor wat betreft de hogedruk gasleiding dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid voor een fakkelbrand. Gezien de afstand tot de leiding is het risico dat een fakkelbrand zal leiden tot letsel op de locatie zeer beperkt.
  • 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren?
    Rond de locatie zijn voldoende aan- en afvoerroutes beschikbaar voor de inzet van hulpdiensten. Er is in de directe omgeving van de locatie onvoldoende bluswatercapaciteit aanwezig voor het blussen van secundaire branden. Echter zal bij de voorgenomen ontwikkeling, als kwaliteitsverbeterende maatregel, een natuurvriendelijke paddenpoel worden aangelegd. Hiermee wordt er op de locatie een bluswatervoorziening gerealiseerd.

Zelfredzaamheid:

Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario.

De mogelijkheden ten aanzien van zelfredzaamheid zijn redelijk. Er zijn geen aanwijzingen dat een grotere groep niet -of verminderd zelfredzame mensen op de locatie woonachtig zijn. De aanwezigen zijn naar verwachting voldoende mobiel om zelfstandig te kunnen vluchten. Het aantal mensen op de locatie is beperkt, en verandert niet.

Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang dat de locatie:

  • 1. Goed te alarmeren is:
    In geval van een calamiteit kan NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen.
  • 2. Goed te ontvluchten is:
    Bij de locatie zijn voldoende vluchtwegen gelegen, zodat bij een calamiteit van de risicobron afgevlucht kan worden.

Advies veiligheidsregio:

Conform artikel 9 van het Besluit externe veiligheid transportroutes en artikel 12, lid 2 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen dient aan de veiligheidsregio een advies te worden gevraagd betreffende de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. Dit advies is bij de veiligheidsregio ingewonnen. Op basis van het advies van de veiligheidsregio is te concluderen dat de gevolgen van een calamiteit op of nabij de locatie voldoende bestrijdbaar zijn en dat de personen ter plaatse voldoende zelfredzaam zijn. Voor het advies van de veiligheidsregio wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting.

Gezien het voorgaande is het aannemelijk dat er voldoende mogelijkheden voor het bestrijden van calamiteiten zijn en dat op de locatie aanwezige personen voldoende zelfredzaam zijn. Het groepsrisico is daarmee (beperkt) verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. Er zijn derhalve geen (wettelijke) belemmeringen ten aanzien van het aspect externe veiligheid voor het voorgenomen initiatief.

4.1.8 Hoogspanningsverbindingen

Volgens de Netkaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), zoals is weergegeven in de volgende figuur, is de locatie nabij een hoogspanningsverbinding met een spanning van 150 kV gelegen. Voor de betreffende verbinding geldt dat binnen 100 meter van de hoogspanningslijn geen (beperkt) kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Hiervan kan worden afgeweken indien een advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder, zijnde TenneT.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0011.png"

Uitsnede Netkaart.
Bron: RIVM.

De locatie is gelegen op een afstand van ongeveer 230 meter van de locatie. Hiermee is de locatie niet binnen 100 meter van de betreffende hoogspanningsverbinding gelegen. Tevens worden op de locatie geen (beperkt) kwetsbare objecten opgericht. Hiermee is geen sprake van een belemmering van de hoogspanningsverbinding.

4.1.9 Bodem

De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging.

Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.

Omdat sprake is van sloop en nieuwbouw dient echter bij de nieuwbouw aangetoond te worden of sprake is van een verontreiniging. Ten behoeve van de nieuwbouw zal daarom een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. Omdat ter plaatse van de nieuw te bouwen loods reeds bestaande bebouwing aanwezig is kan een verkennend onderzoek momenteel niet goed worden uitgevoerd. Het onderzoek zal na de sloop van de huidige aanwezige bebouwing worden uitgevoerd, in ieder geval voordat de nieuwbouw wordt gerealiseerd. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels behorende bij dit plan.

4.1.10 Spuitzones gewasbescherming

In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is een spuitzone opgenomen, waarbinnen geen nieuwe gevoelige objecten worden toegestaan.

Er zijn geen vaste afstanden vastgelegd voor spuitzones bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, omdat de verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen sterk afhankelijk is van de manier waarop deze worden toegediend en de aard van de middelen. Echter wordt als richtafstand doorgaans een maximale afstand van 50 meter aangehouden. In verschillende gevallen kan, afhankelijk van verschillende factoren, ook een kleinere afstand worden gehanteerd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen nieuwe gevoelige objecten opgericht. Tevens zijn nabij de locatie (binnen 50 meter) geen boomgaarden gelegen. Er is daarmee geen sprake van mogelijke invloed van het gebruik van eventuele gewasbeschermingsmiddelen op de omliggende gronden.

4.1.11 Voortoets MER-beoordeling

Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:

  • 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten;
    of
  • 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.

4.1.11.1 Omvang van het project

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de bouw van een nieuwe loods voor het aannemen van asbestsanering en gevelreiniging. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt geen drempelwaarde voor dit type project. De activiteit zal de drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten.

4.1.11.2 Plaats van het project

De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) en de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad.

4.1.11.3 Kenmerken van het potentiële effect van het project

De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Milieuzonering", "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid", "Woon- en leefklimaat", "Externe veiligheid" en "Bodem" (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.9) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden.

Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

4.2 Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang.

De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten.

Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.

4.2.1.1 Gebiedsbescherming

Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Kampina & Oisterwijkse Vennen) is gelegen op een afstand van ongeveer 14,5 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied. Echter gaat het hier niet om een uitbreiding van een veehouderij en dus ook niet van een toename van stikstof en/of ammoniak. Daarnaast zullen op een dergelijke afstand overige effecten als geluid, licht en trillingen niet merkbaar zijn in de betreffende gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0012.png"

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden.
Bron: Aerius Calculator.

Voor wat betreft de bouw- en gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling dienen eventuele effecten op de betreffende gebieden nog nader in beeld te worden gebracht. Hiertoe is met het rekenprogramma Aerius een berekening van de depositie als gevolg van de werkzaamheden en machines tijdens de bouw- en gebruiksfase van het bedrijf. Uit deze berekening, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting, blijkt dat zowel de bouwfase als de gebruiksfase geen nadelige effecten zullen hebben op de betreffende gebieden.

Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.

4.2.1.2 Houtopstanden

Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.

Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:

  • buiten de bebouwde kom-boswet liggen;
  • een oppervlakte hebben van 10 are of meer;
  • rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen;

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.1.3 Soortenbescherming

De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben.

  • Vogelrichtlijn:
    Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort).
  • Habitarichtlijn:
    Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.
  • Nationaal beschermde soorten:
    Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.
  • Zorplicht:
    Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren.

Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.

Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten zal hebben op mogelijk voorkomende soorten. Wel dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen voor vogels te worden uitgevoerd en dient met betrekking tot de te dempen vijver eerst een nieuwe vijver te worden aangelegd en dienen alle in de huidige vijver aanwezige vissen en overige daarin voorkomende dieren worden overgeplaatst naar de nieuwe vijver. Aan deze voorwaarden zal met de voorgenomen ontwikkeling worden voldaan. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland

Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.

Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 500 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0013.png"

Uitsnede kaart NNN.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.

Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Meierijstad voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Indicatieve Archeologische Waarden: Hoog of middelhoog'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0014.png"

Uitsnede archeologische verwachtingskaart.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar bestemmingsplan dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 250 m² en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van ingrepen van meer dan 250 m² en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld. Echter zal de nieuwe loods worden gebouwd op een plaats waar reeds bebouwing aanwezig is en waar de bodem reeds is verstoord. Er is daarmee geen sprake van een nieuwe verstoring van het gebied, waarmee het niet aannemelijk is dat met de voorgenomen ontwikkeling mogelijk voorkomende archeologische resten worden geschaad.

Mochten tijdens de werkzaamheden alsnog (toevals)vondsten worden gedaan dan zullen deze volgens de juiste weg worden gemeld bij het bevoegd gezag.

4.3.2 Cultuurhistorie

Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.

Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0015.png"

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Gezien de locatie niet nabij cultuurhistorisch waardevolle elementen is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden

Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0016.png"

Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.

4.4 Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur en parkeren

Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Willibrordushoek. De locatie is voorzien van twee inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.

Door het gebruik van de zuidelijke in-/uitrit (geel aangegeven op onderstaande afbeelding) is het bedrijf goed ontsloten en zit men zo op de zuidelijk gelegen Abenhoefweg.

Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.

In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0017.png" Ontsluiting Willibrordushoek 1 Veghel.
Bron: Google Maps, bewerkt.

4.4.2 Verkeersbewegingen

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het slopen van bedrijfsgebouwen en het bouwen van een nieuwe loods, en de omschakeling naar een niet-agrarisch bedrijf in de vorm van asbestsanering en gevelreiniging. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen wellicht in beperkte mate toenemen. Echter is dit vergelijkbaar of slechts in beperkte mate meer dan de verkeersbewegingen die gepaard gaan met het uitvoeren van een volwaardig agrarisch bedrijf. Het aandeel vrachtverkeer zal in ieder geval afnemen met de voorgenomen ontwikkeling.

De machines van het bedrijf bestaan volgens de aangevraagde omgevingsvergunning uit ongeveer 3 busjes, 4 aanhangers, 2 trekkers, 2 verreikers en 1 vrachtwagen. De Willibrordushoek, en met name de Aberhoefweg, biedt, volgens gegevens van de gemeente, voldoende capaciteit om dit verkeer te kunnen verwerken. Het verkeer dat zich van en naar het bedrijf begeeft zal, mede door de capaciteit en drukte van de Willibrordushoek en de Abenhoefweg en door de afstand van de inrichting tot gevoelige objecten, volledig in het normale wegverkeer zijn opgenomen voordat het een woning van derden zal bereiken, waarmee geen sprake is van een extra overlast.

4.5 Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden.

De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Aa en Maas (hierna: het waterschap).

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen.

Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de Digitale Watertoets doorlopen. Hieruit blijkt dat bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van de korte procedure. Het waterschap wordt vroegtijdig bij de plan- of projectvorming betrokken.

4.5.1 Voorgenomen activiteit

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het slopen van bedrijfsgebouwen en het bouwen van een nieuwe loods, en de omschakeling naar een niet-agrarisch bedrijf in de vorm van asbestsanering en gevelreiniging.

Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie).

Vanuit het beleid van het waterschap is voor ontwikkelingen van minder dan 2.000 m² geen aanvullende compensatie noodzakelijk. Gezien met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een ontwikkeling van minder dan 2.000 m² is geen aanvullende compensatie nodig en kan worden gesteld dat sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een groot deel van de huidige aanwezige bebouwing worden gesloopt. In de volgende figuur is de te slopen bebouwing weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1948.BGV000BO0072020P-VG01_0018.png"

Luchtfoto met te slopen bebouwing.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl (bewerkt).

In ruil voor de te slopen bebouwing zal een nieuwe loods van 1.120 m² worden teruggebouwd. De totale oppervlakte van de nieuwe loods is minder dan 2.000 m². Hiermee zal geen sprake zijn van een toename van het verhard oppervlak met 2.000 m² of meer. Er is hiervoor dan ook geen compenserende waterberging nodig.

Naast een toename van bebouwing dient ook de oppervlakte aan (erf)verharding meegenomen te worden. In de huidige situatie is ongeveer 2.025 m² aan (erf)verharding aanwezig. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een deel van de verharding worden verwijderd en zal nieuwe verharding worden aangelegd. In de gewenste situatie zal ongeveer 2.100 m² aan (erf)verharding aanwezig zijn. In totaal zal het verhard oppervlak daarmee met ongeveer 75 m² toenemen. Dit betreft geen onevenredige toename van het verhard oppervlak. Tevens zal het verhard oppervlak niet met meer dan 2.000 m² toenemen, waardoor aanvullende compensatie niet is vereist.

Ook als de te slopen bebouwing niet mee mag worden gerekend in het bepalen van de toename van het verharde oppervlak dan is met de bouw van de nieuwe loods nog steeds geen sprake van een ontwikkeling waarbij het verharde oppervlak toeneemt met 2.000 m² of meer, waarmee geen aanvullende compensatie noodzakelijk is en waarmee sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

Het waterschap hanteert bij afkoppeling van hemelwater de volgende waterkwantiteitstrits:

  • 1. Hergebruik;
  • 2. Vasthouden / infiltreren;
  • 3. Bergen;
  • 4. Afvoeren naar oppervlaktewater;
  • 5. Afvoeren naar een rioolstelsel;

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een bestaande poel ten behoeve van de waterberging verplaatst. Daarbij wordt de huidige poel gedempt en wordt op een andere plek een nieuwe poel ten behoeve van de waterberging aangelegd. De huidige poel heeft een oppervlakte van ongeveer 125 m². Met een diepte van ongeveer 30 cm heeft de poel een inhoud 37,5 m³. De nieuw aan te leggen poel zal een inhoud hebben van ongeveer 41 m³. Hiermee zal het waterbergend vermogen in het gebied toenemen.

Het hemelwater afkomstig van de bebouwing en de verharding zal door middel van dakgoten en straatkolken worden afgevoerd naar de bestaande bergingsvoorzieningen (sloten) en de nieuw aan te leggen poel. Er zal geen hemelwater worden afgekoppeld op de riolering. Bij de voorgenomen ontwikkeling kan het hemelwater niet worden hergebruikt. Wel zal het water worden afgevoerd naar een bergingsvoorziening, waarin het hemelwater wordt vastgehouden en rustig kan infiltreren in de bodem. Daarmee wordt de waterkwantiteitstrits zoveel mogelijk in acht genomen.

4.5.2 Compenserende waterberging

Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling geen compenserende waterberging nodig.

De initiatiefnemer zal echter, mede in het kader van een kwaliteitsbijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit in het gebeid, ter plaatse een nieuwe poel of vijver aanleggen, waarin het hemelwater afkomstig van het erf in kan worden opgevangen.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen.

Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven:

" Artikel 6.2.1

Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor:

  • a. de bouw van een of meer woningen;
  • b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
  • c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen;
  • d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
  • f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte."

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub b en/of c. van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Meierijstad. Verder zal ook eventuele planschade in een separate overeenkomst worden geregeld.

Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld.

Het is, omdat de huidige bedrijfsbebouwing nog aanwezig is, tot op heden niet mogelijk om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek is echter wel een voorwaarde die wordt gesteld voor het realiseren van de nieuw te bouwen loods. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels behorende bij dit plan. Echter dient nog wel aangetoond te worden of het plan, wanneer uit het nog uit te voeren bodemonderzoek blijkt dat sanering van de bodem ter plaatse nodig is, financieel nog haalbaar is. De initiatiefnemer heeft voldoende financiële middelen beschikbaar om een eventuele sanering van de bodem ter plaatse te kunnen dragen. Daarnaast is de oppervlakte van de betreffende gronden relatief klein, waarmee de kosten voor bodemsanering niet uitzonderlijk hoog zullen zijn. De kosten voor een eventuele bodemsanering kunnen daarmee door de initiatiefnemer worden gedragen.

Hiermee wordt het project financieel haalbaar geacht.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied" van gemeente Meierijstad en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.

5.3 Handhaving

Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Meierijstad vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.

Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.

5.4 Borging investering in de ruimtelijke kwaliteit

Vanuit het ruimtelijk beleid van gemeente en provincie is een investering in de ruimtelijke kwaliteit noodzakelijk. De mate van investeren wordt bepaald aan de hand van de behaalde bestemmingswinst met het voorgenomen initiatief. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) wordt ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een zorgvuldige, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 1 van deze toelichting) waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Zoals blijkt uit de berekening die is gemaakt ten behoeve van de bestemmingswinst en de investeringen door kwaliteitsverbeterende maatregelen, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting, wordt met de voorgenomen kwaliteitsverbeterende maatregelen ruimschoots voldoende geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit.

De aanleg en het in stand houden van de landschappelijke inpassing op basis van het landschappelijk inrichtingsplan zullen worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente. De aanleg en het in stand houden van de landschappelijke inpassing is daarnaast als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels behorende bij dit plan.

Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen

6.1 Doel en reikwijdte

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:

  • 1. goede ruimtelijke ordening;
  • 2. uitvoerbaarheid.

Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.

Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en;
  • 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor:

  • 1. het bebouwen van de gronden;
  • 2. het verrichten van werken (aanleggen).

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).

6.2.1 De toelichting

De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht).

Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.

Bijlagen bij de toelichting:

Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar.

Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.

6.2.2 De planregels

De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels:
    In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald;
  • 2. Bestemmingsregels:
    In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld;
  • 3. Algemene regels:
    In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen;
  • 4. Overgangs- en slotregels:
    In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel).

Bijlagen bij de planregels:

Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.

6.2.3 De verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.

De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

6.3 Voorliggend bestemmingsplan

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.

Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • 'Bedrijf', waarbij de functie voor het uitvoeren van een niet-agrarisch bedrijf wordt neergelegd.
  • 'Agrarisch', waarbij de functie voor het agrarisch gebruik van gronden, zonder bouwmogelijkheden wordt neergelegd.
  • 'Groen', waarbij de functie voor het realiseren en onderhouden van landschapselementen ten behoeve van de landschappelijke inpassing ter plaatse en de gevraagde bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit wordt neergelegd.
  • 'Verkeer', waarbij de functie voor de ontsluiting van de locatie wordt neergelegd.

Dit plan kent daarnaast nog de volgende bijzonderheden:

  • Het bouwvlak ter plaatse wordt verkleind van 0,9 naar 0,5 hectare. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan het ruimtelijk beleid van de gemeente en de provincie.
  • Een deel van de gronden wordt bestemd voor groenvoorzieningen. Hiermee wordt de realisatie en aanleg van de landschappelijke elementen zoals zijn opgenomen in het ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling opgestelde landschappelijk inrichtingsplan wordt geborgd.
  • De huidige ruimte ten zuiden van de bedrijfswoning zal in gebruik worden genomen als tuin bij de woning. Deze gronden zullen hiervoor een specifieke aanduiding krijgen.
  • De gronden buiten de groenbestemming en buiten de bedrijfsbestemming worden teruggebracht naar een agrarische bestemming zonder bouwmogelijkheden.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).