direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Dekkerswald, Groesbeek
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1945.TAMDEKKERSWALD-ONW1

Regels

Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling voor Dekkerswald in Groesbeek en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22b]) van het omgevingsplan van de gemeente Berg en Dal. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voor-ziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel)
weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Berg en Dal. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22b' gelezen worden. In de
kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie
en direct voor het nummer van de bijlage '22b' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • b. De regels in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan (de bruidsschat) gelden ook voor dit
    TAM-omgevingsplan. Behalve voor zover de regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk of voor zover in dit
    TAM-omgevingsplan specifiek van deze regels is afgeweken.
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Dekkerswald, Groesbeek, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1945.TAMDEKKERSWALD-ONW1 zoals vastgelegd op www.regelsopdekaart.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 TAM-omgevingsplan:

het TAM-omgevingsplan Dekkerswald, Groesbeek van de gemeente Berg en Dal vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1945.TAMDEKKERSWALD-ONW1 met de bijbehorende regels en bijlagen;

2.2 aan huis verbonden beroep of bedrijf

in de bijlage Bedrijvenlijst (ontleend aan de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG) genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

2.3 aanbouw:

een aan een hoofdgebouw aangebouwde afzonderlijke ruimte, die een directe verbinding vormt met dat hoofdgebouw en die door zijn situering en/of afmetingen ondergeschikt is aan dat op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw;

2.4 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.5 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.6 achtererfgebied:

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw;

2.7 ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

2.8 archeologisch onderzoek:

onderzoek naar de (aanwezigheid en/of waarde van) archeologische resten door een op basis van artikel 5.1 van de Erfgoedwet gecertificeerde instantie en werkend conform de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;

2.9 archeologisch rapport:

rapport waarin de resultaten van archeologisch onderzoek zijn vastgelegd en dat is opgesteld conform de richtlijnen van de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;

2.10 archeologische begeleiding:

het begeleiden van niet-archeologische werkzaamheden door een op basis van artikel 5.1 van de Erfgoedwet gecertificeerde instantie die de aanwezige archeologische resten en de landschappelijke en bodemkundige context documenteert en verzamelt conform de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en op basis van een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd Programma van Eisen Archeologie en Plan van Aanpak.

2.11 archeologische verwachting:

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische resten in dat gebied;

2.12 archeologische vindplaats:

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische resten;

2.13 archeologische waarden:

waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk in de bodem bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde;

2.14 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

2.15 bedrijf:

een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikte onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte, of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen;

2.16 bedrijfsgebouw:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

2.17 bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor de huisvesting van één huishouden, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of terrein noodzakelijk is;

2.18 begane grondvloer:

de vloer van de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder;

2.19 beroeps- of bedrijfsvloeroppervlakte:

de totale oppervlakte van de voor beroeps- of bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag en administratieruimten en dergelijke;

2.20 bestaand:
  • a. bij bouwwerken: bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het TAM-omgevingsplan als ontwerp;
  • b. bij gebruik: bestaand ten tijde van het van kracht worden van het betreffende TAM-omgevingsplan;
2.21 bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

2.22 bijzondere woondoeleinden:

vorm van al dan niet zelfstandig wonen dat - in ieder geval functioneel - gekoppeld is aan een instelling van maatschappelijke zorgverlening en/of verpleging;

2.23 bluswaterbron:

een voorziening of natuurlijke locatie waaruit water kan worden onttrokken ten behoeve van brandbestrijding;

2.24 bodemverstoring:

alle effecten die het gevolg zijn van veranderingen van en/of aan de fysische bodemkarakteristieken, zoals door bouw, aanleg en/of sloopwerkzaamheden;

2.25 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

2.26 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

2.27 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

2.28 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

2.29 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

2.30 cumulatieve verstoring:

alle gezamenlijke bodemverstoringen die plaatsvinden ten gevolge van één of meerdere activiteiten in het kader van de uitvoering van een samenhangend project, bezien vanaf de start van de uitvoering van het betreffende project;

2.31 dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

2.32 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit,alsmede anders dan voor verbruik ter plaatse;

2.33 dienstverlening:

het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp- technisch of hiermee gelijk te stellen gebied;

2.34 dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling:

een bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;

2.35 erf:

al dan niet bebouw perceel of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en de bestemming deze inrichting niet verbiedt;

2.36 erker:

hoekige of ronde uitbouw aan een gevel, ondergeschikt aan het hoofdgebouw in vorm en uitstraling;

2.37 extensieve recreatie:

recreatie met weinig dynamiek die nauwelijks druk uitoefent op de omgeving. Bijvoorbeeld wandelen, fietsen, niet zijnde fiets-, wandel- en hardloopevenementen. Er zijn weinig of geen gebouwen nodig en het aantal recreanten (per tijdseenheid of oppervlakte-eenheid) is beperkt;

2.38 functiegrens:

de grens van een functievlak;

2.39 functievlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie;

2.40 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

2.41 geluidsgevoelig gebouw:
  • a. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
    • 1. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
    • 2. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
    • 3. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
    • 4. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
  • b. Een gedeelte van een gebouw wordt niet als geluidgevoelig gebouw aangemerkt als het omgevingsplan in dat gedeelte geen geluidgevoelige ruimten toestaat. Dit geldt niet voor woonwagens en woonschepen.
  • c. Onder een geluidgevoelig gebouw wordt ook verstaan een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd.
2.42 grondgebonden:

een woning met een eigen erf die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan één van de woonlagen aansluit op het maaiveld.

2.43 horeca:

het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren en/of logies;

  • horeca, categorie 1:

een horecabedrijf, dat qua exploitatievorm aansluit bij winkelvoorzieningen en waarnaast overwegend niet ter plaatse bereide kleinere etenswaren en in hoofdzaak alcoholvrije drank worden verstrekt.

  • horeca, categorie 2:

een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden.

Daaronder worden begrepen: cafetaria/snackbar, fastfood en broodjeszakenlunchroom, konditorei, ijssalon/ijswinkel koffie en/of theeschenkerij, afhaalcentrum, eetwinkels, restaurant;

  • horeca, categorie 3:

een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van(alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse, alsmede het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden, alsmede (in sommige gevallen) de gelegenheid biedt tot dansen.

Daaronder worden begrepen: café, bar, grand-café, eetcafé, danscafé, pubs, juice- en healthbar;

  • horeca, categorie 4:

een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het bieden van vermaak en ontspanning (niet zijnde een recreatieve voorziening) en/of het geven van gelegenheid tot de dansbeoefening, al dan niet met levende muziek en al dan niet met de verstrekking van dranken en kleine etenswaren.

Daaronder worden begrepen: discotheek/dancing, nachtcafé en een zalencentrum (met nachtvergunning);

  • horeca, categorie 5:

een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van nachtverblijf. Daaronder worden begrepen: hotel, motel, pension en overige logiesverstrekkers;

2.44 hoofdgebouw:

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken;

2.45 intensieve recreatie:

recreatie met veel dynamiek die druk uitoefent op de omgeving, waaronder ook begrepen fiets- wandel- en/of hardloopevenementen met meer dan 100 deelnemers. Bijvoorbeeld pret- en bungalowparken. Er zijn veel gebouwen en/of grote gebouwen nodig en het aantal recreanten (per tijdseenheid of oppervlakte-eenheid) is groot;

2.46 jachthuisje:

een gebouw met historische context met daarin sociaal-maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van de zorgzame buurt;

2.47 kantoor:

een inrichting of een deel van een gebouw waar in hoofdzaak administratieve werkzaamheden worden verricht;

2.48 kelder(bouwlaag):

een bouwlaag met een hoogte van ten minste 2 m, die wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant op enig punt minder dan 0,5 m boven de laagste hoogte van de aan de kelder aansluitende grond is gelegen;

2.49 landschappelijke waarde:

een aan een gebied toegekende waarde, in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;

2.50 lighuisje:

een gebouw met historische context met daarin sociaal-maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van de zorgzame buurt;

2.51 maatschappelijk wonen:

het tijdelijk verblijven van personen die werkzaam zijn binnen een zorginstelling, op het terrein of in het gebouw van die zorginstelling, ten behoeve van de uitoefening van hun werkzaamheden. Het betreft een vorm van shortstay, waarbij het verblijf gericht is op het faciliteren van zorgverlening en niet op permanente bewoning. De verblijfsduur is beperkt tot maximaal zes maanden aaneengesloten per persoon;

2.52 maatschappelijke voorzieningen:

educatieve, (sociaal)medische, sociaalculturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatievoorzieningen;

2.53 middeldure huur/koop:
  • In geval van huur: een huurwoning met een exploitatietermijn van minimaal 15 jaar en een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste de door het ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties aangegeven of bij benadering aangegeven actuele maximale huurprijs voor middenhuur. Voor de middeldure huurwoningen geldt een huurprijs van maximaal € 1184,82 per woning per maand (prijspeil 1-1-2025);
  • In geval van koop: een koopwoning met een minimale woonoppervlakte van 50 m2 gebruiksoppervlakte. Voor woningen met minimale woonoppervlakte van 50m² gebruiksoppervlakte geldt een Vrij Op Naam (VON) prijs van €250.000,- (prijspeil 1-1-2020). Voor woningen met een minimaal woonoppervlakte van 65m² GO geldt een VON prijs € 325.000,- VON (prijspeil 1-1-2020);
2.54 ondergronds:

geheel gesitueerd onder het maaiveld;

2.55 ondersteunend:

een activiteit die ondersteunend is aan een andere hoofdactiviteit;

2.56 opgraving:

de ontsluiting van een archeologische vindplaats door een op basis van artikel 5.1 van de Erfgoedwet gecertificeerde instantie met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen Archeologie verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstelling(en);

2.57 peil:
  • de gemiddelde hoogte van het bestaande omliggende maaiveld;
  • ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - maatschappelijk 5' geldt als peil: 4,5 meter boven de gemiddelde hoogte van het bestaande omliggende maaiveld;
2.58 Programma van Eisen Archeologie (PvE):

document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek, op grond van de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, in de vorm van proefsleuven of een opgraving staan geformuleerd. Voor aanvang van het onderzoek moet het PvE door het college van burgemeester en wethouders zijn goedgekeurd;

2.59 poortwachtershuisje:

gebouwde voorziening met technische utilitaire voorzieningen ten dienste van de zorgzame buurt;

2.60 seksinrichting:

een gelegenheid waarin beroepsmatig of bedrijfsmatig voorstellingen en/of vertoningen van hoofdzakelijk porno-erotische aard plaatsvinden, en/of verkoop en/of uitstalling van hoofdzakelijk goederen van porno-erotische aard plaatsheeft en/of tegen vergoeding seksuele diensten worden verricht;

2.61 shortstay:

het structureel aanbieden van een zelfstandige woonruimte voor tijdelijke bewoning kamerverhuur aan een huishouden voor een aangesloten periode van tenminste een dag en maximaal zes maanden;

2.62 sociaal-maatschappelijke voorziening:

maatschappelijke voorzieningen ten dienste van de zorgzame buurt, met een specifieke focus op het sociale domein: het welzijn van mensen, sociale rechtvaardigheid en ondersteuning van kwetsbare groepen;

2.63 sociale huurwoning:

huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag;

2.64 sportpaviljoen:

een gebouw bedoeld voor een kantine, opslag en kleedruimte ten behoeve van een tennisveld voor sportief recreatief gebruik;

2.65 teeltondersteunende voorzieningen:

constructies en maatregelen die in, op of boven de grond worden gebruikt om de groei, bescherming en oogst van gewassen te verbeteren;

2.66 uitbouw:

een ruimte die in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en die tevens een vergroting van dat bestaande hoofdgebouw vormt en die door zijn situering en/of afmetingen ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw;

2.67 verdieping:

de bouwlaag/-lagen boven de begane grondbouwlaag;

2.68 verdiept aangelegde parkeervoorzieningen:

een niet geheel ondergronds gelegen parkeervoorziening;

2.69 versterkingsplan:

een plan met daarin maatregelen ten behoeve van het versterken van natuur- en landschapselementen;

2.70 voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan een weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel;

2.71 voorgevelrooilijn:

de denkbeeldige lijn die langs de voorgevel van een gebouw loopt alsmede het verlengde van die lijn tot aan de bouwperceelgrens;

2.72 waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen ten behoeve van waterbeheersing en waterhuishouding in de ruimste zin, waaronder begrepen oevervoorzieningen, bruggen, dammen, duikers, etc.;

2.73 woning:

geschikt en bestemd voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, met de daarbij behorende niet voor bewoning bestemde bergingen,

2.74 wooneenheid:

gedeelte van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur voor afzonderlijke bewoning;

2.75 zorgwoning:

een woning, ten behoeve van al dan niet zelfstandige bewoning, die functioneel gekoppeld is aan een instelling van maatschappelijke zorgverlening en/of verpleging;

2.76 zorgwooneenheid:

een woning ten behoeve van tijdelijk verblijf in het kader van revalidatie;

2.77 zorgzame buurt

een zorgzame buurt is een woonomgeving waarin bewoners actief bijdragen aan een inclusieve samenleving, de instandhouding van natuur en het versterken van gemeenschapszin. De buurt kenmerkt zich door een mix van woningtypen, verwevenheid van zorg- en reguliere woningen, natuurinclusieve inrichting en voorzieningen die ontmoeting en onderlinge betrokkenheid bevorderen.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige
toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt,
voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel.

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten (NEN 2580):

3.1 bebouwingspercentage:

het percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd;

3.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:
  • a. de hoogte ten opzichte van het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde,
  • b. met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals liftschachten, trappenhuizen, schoorstenen, antennes, dakranden, dakopstanden en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
3.3 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.4 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.5 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.6 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.7 verticale diepte van een gebouw

vanaf het peil tot het laagste punt van het gebouw met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals liftschachten, trappenhuizen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 4 Functie Bos

4.1 Functieomschrijving

Binnen de 'Functie Bos' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan zonder voorafgaande toestemming:

  • a. bos;
  • b. instandhouding, bescherming en herstel van de bestaande en de te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden, zoals vermeld in het Versterkingsplan;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' een ontsluitingsweg conform het profiel zoals opgenomen in Bijlage 3;
  • d. parkeerplaatsen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' en 'specifieke vorm van bos - parkeren afweegbaar';
  • e. onverharde paden;
  • f. nutsvoorzieningen;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' is een bestaande nutsvoorziening toegelaten; en
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen waaronder infiltratievoorzieningen.
4.2 Beoordelingsregels bouwen

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken,
zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen
uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het
omgevingsplan.

4.2.1 Algemene bouwregel

Op de voor de 'Functie Bos' aangewezen gronden zijn uitsluitend toegestaan:

  • a. bestaande nutsvoorzieningen;
  • b. andere bouwwerken die ten dienste staan van deze functie.
4.2.2 Bestaande nutsvoorzieningen

Ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' zijn bestaande nutsvoorzieningen toegestaan.

4.2.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

De hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde mag maximaal 1 meter bedragen.

4.3 Aanvullende beoordelingsregels bouwen (met beoordelingsruimte)

In aanvulling op de beoordelingsregels in 4.2.1 wordt de omgevingsvergunning ook verleend in afwijking van de genoemde regels voor de hierna genoemde gevallen voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden in dit lid (4.3).

4.3.1 Verhogen van (erf)afscheidingen

Voor het bouwen van (erf)afscheidingen tot een hoogte van maximaal 2 m, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de belendende erven;
  • b. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de natuurwaarden in het gebied;
  • c. er vindt geen onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid plaats; en
  • d. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het beoogd stedenbouwkundig karakter en beeldkwaliteit.
4.3.2 Nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van nutsvoorzieningen tot een hoogte van maximaal 2,5 m en met een oppervlakte van maximaal 30 m2, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. een nutsvoorziening is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening';
  • b. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de belendende erven;
  • c. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de natuurwaarden in het gebied;
  • d. er vindt geen onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid plaats; en
  • e. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het beoogd stedenbouwkundig karakter en beeldkwaliteit.
4.4 Uitvoeren van een werk of werkzaamheden
4.4.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van halfopen en gesloten oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • c. het afgraven, het egaliseren, het verhogen en het verlagen van de bodem;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m, waartoe ook gerekend wordt draineren;
  • e. het tot stand brengen van en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; of
  • g. het kappen van bomen.
4.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in lid 4.4.1 opgenomen verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning is verleend;
  • b. die betrekking hebben op het aanleggen en/of vervangen van ondergrondse leidingen voor de bestaande nutsvoorziening;
  • c. die betrekking hebben op de instandhouding, de bescherming en het herstel van de bestaande en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden, zoals vermeld in het Versterkingsplan;
  • d. welke ten tijde van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan in uitvoering waren en waarvoor tot het van kracht geen omgevingsvergunning vereist was; of
  • e. die behoren tot het normale onderhoud.
4.4.3 Beoordelingsregels

De in lid 4.4.1 genoemde omgevingsvergunning wordt verleend indien uit onderzoek blijkt dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurwetenschappelijke en/of landschappelijke waarden van de gronden.

Artikel 5 Functie Dienstverlening

5.1 Functieomschrijving

Binnen de 'Functie Dienstverlening' zijn de volgende
gebruiksactiviteiten toegestaan zonder voorafgaande toestemming:

  • a. het bedrijfsmatig verlenen van diensten;
  • b. kantoren ten dienste van deze functie; of
  • c. instandhouding, bescherming en herstel van de bestaande en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden, zoals vermeld in het Versterkingsplan;

met de daarbij behorende voorzieningen zoals een bedrijfswoning, tuinen, erven, achterpaden, opritten, parkeerplaatsen en bouwwerken.

5.2 Beoordelingsregels bouwen

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken,
zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen
uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het
omgevingsplan.

5.2.1 Algemene bouwregels

Op de voor 'Functie Dienstverlening' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden opgericht bouwwerken die ten dienste staan van deze bestemming.

5.2.2 Bebouwing binnen het bouwvlak

Binnen het “bouwvlak” zijn uitsluitend toegestaan:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. kelders;
  • c. bijbehorende bouwwerken;
  • d. andere bouwwerken.
5.2.3 Bouwregels binnen het bouwvlak
  • a. de maximale bouwhoogte en goothoogte van het hoofdgebouw zijn niet hoger dan de aangegeven bouwhoogte en goothoogte;
  • b. de goot- en bouwhoogte voor bijbehorende bouwwerken bedragen respectievelijk maximaal 3 en 5 meter;
  • c. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag maximaal 5 meter bedragen en van lichtmasten 9 meter;
  • d. de bouwhoogte van andere bouwwerken mag maximaal 3 meter bedragen.
5.2.4 Bebouwing buiten het bouwvlak

Bebouwing buiten het bouwvlak is onder de volgende voorwaarden toegestaan:

  • a. bijbehorende bouwwerken voor zover ze voldoen aan de volgende voorwaarden:
    • 1. de goot- en bouwhoogte voor deze bijbehorende bouwwerken respectievelijk niet meer bedraagt dan 3 en 5 meter;
    • 2. de bebouwing is gelegen in het achtererfgebied;
    • 3. de gezamelijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak niet meer bedraagt dan 50 m²;
  • b. andere bouwwerken, in overeenstemming met lid 5.2.5; of
  • c. aangebouwde kleinere bouwwerken zoals portieken, erkers en balkons, in overeenstemming met lid 5.2.6.
5.2.5 Bouwregels andere bouwwerken buiten bouwvlak

Voor de bouwhoogte van andere bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van kunstwerken mag maximaal 5 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag maximaal 5 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van de overige andere bouwwerken mag maximaal 1 meter bedragen.
5.2.6 Aangebouwde bouwwerken buiten bouwvlak

Aangebouwde bouwwerken, zoals portieken, erkers en balkons, zijn onder de volgende voorwaarden toegelaten:

  • a. de bebouwde oppervlakte niet meer mag bedragen dan 3 m² voor portieken en balkons en 6 m² voor erkers;
  • b. de diepte niet meer mag bedragen dan 1,5 meter;
  • c. de breedte van een erker niet meer mag bedragen dan 3/5 van de oorspronkelijke voorgevel waaraan de erker wordt gebouwd;
  • d. de afstand van een erker tot de naar de weg gekeerde erfgrens mag niet minder bedragen dan 2,5 m.
5.3 Aanvullende beoordelingsregels bouwen (met beoordelingsruimte)
  • 1. In aanvulling op de beoordelingsregels in 5.2.5 wordt de omgevingsvergunning ook verleend in afwijking van de genoemde regels voor de hierna genoemde gevallen voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden in lid 2.
  • 2. De omgevingsvergunning wordt ook verleend voor het bouwen van (erf)afscheidingen tot een hoogte van maximaal 2 m, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    • a. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de belendende erven;
    • b. er vindt geen onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid plaats;
    • c. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het beoogd stedenbouwkundig karakter en beeldkwaliteit.

Artikel 6 Functie Groen

6.1 Functieomschrijving

Binnen de 'Functie Groen' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan zonder voorafgaande toestemming:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. instandhouding, bescherming en herstel van de bestaande en de te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden, zoals vermeld in het Versterkingsplan;
  • c. paden;
  • d. moestuin ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - moestuin';
  • e. historische tuin ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - historische tuin', waarbij het doel het behoud van cultureel erfgoed is;
  • f. lighuisje ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - lighuisje';
  • g. jachthuisje ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - jachthuisje';
  • h. sportpaviljoen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - sportpaviljoen'
  • i. sport- en speelvoorzieningen, met dien verstande dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'tennisbaan' twee tennisbanen zonder verlichting zijn toegestaan;
  • j. cultuurhistorische muur, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - cultuurhistorische muur';
  • k. teeltondersteunende voorzieningen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen-moestuin';
  • l. nutsvoorzieningen;
  • m. voorzieningen ten behoeve van de verkeersgeleiding;
  • n. parkeervoorzieningen;
  • o. water en waterhuishoudkundige voorzieningen waaronder infiltratievoorzieningen;
  • p. speelvoorzieningen;
  • q. kunstwerken.

met dien verstande dat sub l tot en met p niet van toepassing is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - historische tuin'.

6.2 Specifieke functieregels
6.2.1 Jachthuisje

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - jachthuisje' zijn de volgende activiteiten toegestaan:

6.2.2 Lighuisje

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - lighuisje' zijn de volgende activiteiten toegestaan:

6.2.3 Sportpaviljoen

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - sportpaviljoen' zijn de volgende activiteiten toegestaan:

6.3 Beoordelingsregels bouwen

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken,
zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen
uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het
omgevingsplan.

6.3.1 Algemene bouwregel
  • a. Op de voor 'Functie Groen' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd die ten dienste staan van deze functie.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - historische tuin' is het verrichten van bouwactiviteiten verboden, met dien verstande dat bestaande gebouwen en bouwwerken alsmede het herstel hiervan zijn toegestaan.
  • c. Het gebied binnen de aanduiding 'specifieke vorm van groen - historische tuin' behoort niet tot het achtererfgebied.
6.3.2 Bebouwing binnen bouwvlak

Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak met dien verstande dat:

  • 1. de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte bedraagt;
  • 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - lighuisje' uitsluitend een lighuisje is toegestaan;
  • 3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - jachthuisje' uitsluitend een jachthuisje is toegestaan;
  • 4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - sportpaviljoen' uitsluitend een sportpaviljoen is toegestaan.
6.3.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor de bouwhoogte van bouwwerken, die geen gebouw zijn, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van speeltoestellen en kunstwerken mag maximaal 5 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van teeltondersteunende voorzieningen mag maximaal 2,5 m bedragen;
  • c. de bouwhoogte van lichtmasten en verkeersinstallaties mag maximaal 9 m bedragen;
  • d. de bouwhoogte van andere bouwwerken zoals pergola's en nutskasten mag maximaal 3,5 m bedragen;
  • e. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen, banken en bloembakken mag maximaal 1 meter bedragen.
6.4 Aanvullende beoordelingsregels bouwen (met beoordelingsruimte)
  • 1. In aanvulling op de beoordelingsregels in 6.3.3 wordt de omgevingsvergunning ook verleend in afwijking van de genoemde regels voor de hierna genoemde gevallen voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden in lid 2, 3 en 4.
  • 2. De omgevingsvergunning wordt ook verleend voor het bouwen van erf)afscheidingen tot een hoogte van maximaal 2 m, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    • a. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de belendende erven;
    • b. er vindt geen onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid plaats;
    • c. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het beoogd stedenbouwkundig karakter en beeldkwaliteit;
  • 3. De omgevingsvergunning wordt ook verleend voor het bouwen van een brug, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    • a. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het beoogd stedenbouwkundig karakter en beeldkwaliteit;
    • b. niet in strijd is met de maatregelen zoals opgenomen in het Versterkingsplan;
  • 4. De omgevingsvergunning wordt ook verleend voor het bouwen van een schuurtje mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    • a. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter;
    • b. de oppervlakte bedraagt maximaal 10 m2;
    • c. het schuurtje is functioneel verbonden aan een moestuin;
    • d. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het beoogd stedenbouwkundig karakter en beeldkwaliteit;
    • e. niet in strijd is met de maatregelen zoals opgenomen in het Versterkingsplan;
  • 5. Dit artikel is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - historische tuin'.
6.5 Uitvoeren van werken en werkzaamheden
6.5.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bodemverstorende activiteiten te verrichten ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - historische tuin'.

6.5.2 Vergunningplichtige activiteiten

Het in lid 6.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op de volgende werken en werkzaamheden:

  • a. graaf- en aanlegactiviteiten die verband houden met het onderhouden van nutsvoorzieningen;
  • b. aanplant van groen;
  • c. aanleggen van verharding in de vorm van onder andere paden en terrassen.
6.5.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt verleend als het zo goed mogelijk behouden van de culthuurhistorische waarde van de historische tuin in voldoende mate vaststaat.

6.5.4 Specifieke aanvraagvereisten

Bij het indienen van een aanvraag voor het verrichten van werkzaamheden die verband houden met het onderhouden van nutsvoorzieningen worden de volgende gegevens en bescheiden ingediend:

  • a. een plan van aanpak waaruit volgt hoe de historische tuin zo goed mogelijk wordt behouden;
  • b. afhankelijk van de mate waarin de historische tuin wordt aangetast is een herstelplan onderdeel van het plan van aanpak.

Artikel 7 Functie Horeca

7.1 Functiebeschrijving

Binnen de 'Functie Horeca' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan zonder voorafgaande toestemming:

  • a. horeca in de horecacategorie 1 t/m 3 en 5;
  • b. terras met een functionele binding met de aangrenzende horecafunctie ter plaatse van de aanduiding 'terras';
  • c. ondergeschikte detailhandel;
  • d. sociaal-maatschappelijke voorzieningen;
  • e. levensbeschouwelijke, religieuze voorzieningen;
  • f. parkeren.
7.2 Beoordelingsregels bouwen

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken,
zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen
uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het
omgevingsplan.

7.2.1 Algemene bouwregels

Op de voor 'Functie Horeca' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken die ten dienste staan van deze functie worden gebouwd.

7.2.2 Bebouwing binnen bouwvlak

Binnen het 'bouwvlak' zijn uitsluitend toegestaan:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. bijbehorend bouwwerken.
7.2.3 Maatvoering en aantallen

Voor de op deze gronden toegestane gebouwen gelden de volgende maatvoeringsregels:

  • a. de bouwhoogte bedraagt maximaal de bestaande hoogte;
  • b. het bebouwingspercentage bedraagt maximaal 100%.

Artikel 8 Functie Maatschappelijk

8.1 Functiebeschrijving

Binnen de 'Functie Maatschappelijk' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan zonder voorafgaande toestemming:

  • a. maatschappelijke voorzieningen, zoals voorzieningen ten behoeve van lichamelijke en/of geestelijke volksgezondheid, religie, verenigingsleven, cultuur, sport en dagrecreatie;
  • b. bijzondere woondoeleinden in de vorm van zorgwoningen en zorgwooneenheden, uitsluitend in overeenstemming met de regels in lid 8.3.3;
  • c. horeca in de categorieën 1 t/m 3 en 5, ondersteunend aan de hoofdfunctie, uitsluitend in overeenstemming met de regels in lid 8.2 en 8.3;
  • d. detailhandel, ondersteunend aan de hoofdfunctie;
  • e. ondergrondse en/of verdiept aangelegde parkeervoorzieningen;
  • f. entrees naar parkeervoorzieningen;
  • g. ondergrondse bouwkundige verbindingen tussen de hoofdgebouwen;
  • h. wegen en paden voor de ontsluiting van het plangebied;
  • i. instandhouding, bescherming en herstel van de bestaande en de te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden, zoals vermeld in het Versterkingsplan; of
  • j. de instandhouding en bescherming van gemeentelijke monumenten;

met de daarbij behorende voorzieningen zoals tuinen, terrassen, erven, achterpaden, opritten, parkeerplaatsen en bouwwerken.

8.2 Omgevingsplanactiviteit gebruik
8.2.1 Aanwijzing vergunningplicht maatschappelijk wonen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in afwijking van lid 8.1 shortstay van zorgmedewerkers toe te staan in de vorm van maatschappelijk wonen.

8.2.2 Beoordelingsregels maatschappelijk wonen

De omgevingsvergunning wordt verleend als aan de volgende voorwaarde is voldaan:

  • a. er is uitsluitend sprake van een logiesfunctie die is gekoppeld aan en in verband staat met de activiteit zoals genoemd in lid 8.1 onder a;
  • b. er bestaat een aantoonbaar functioneel verband tussen de gebruiker van de logiesfunctie en diens rol binnen de maatschappelijke voorziening waarvan de logiesfunctie onderdeel uitmaakt;
  • c. de logiesfunctie is ruimtelijk inpasbaar binnen de maatschappelijke voorziening en leidt niet tot onevenredige aantasting van de woon- en leefklimaat;
  • d. de logiesfunctie ondersteunt de continuïteit, bereikbaarheid of kwaliteit van de zorgverlening binnen de maatschappelijke voorziening;
  • e. er uitsluitend sprake is van een tijdelijke logiesfunctie en mag niet worden gebruikt als hoofdverblijf, waarbij het verblijf van een persoon, onafgebroken, niet langer mag plaatsvinden dan 6 maanden.
8.3 Beoordelingsregels bouwen

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken,
zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen
uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het
omgevingsplan.

8.3.1 Algemene bouwregels

Op de voor 'Functie Maatschappelijk' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken die ten dienste staan van deze functie worden gebouwd.

8.3.2 Bebouwing binnen bouwvlak

Binnen het 'bouwvlak' zijn uitsluitend toegestaan:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. ondergrondse en/of verdiept aangelegde parkeervoorzieningen, kelders en ondergrondse bouwkundige verbindingen tussen hoofdgebouwen;
  • c. ruimten ten behoeve van horeca, als bedoeld onder lid 8.1 sub c met een maximale oppervlakte van 800 m². Deze maximale oppervlakte geldt voor de functievlakken Functie Maatschappelijk gezamenlijk;
  • d. ruimten ten behoeve van detailhandel, als bedoeld onder lid 8.1 sub d, met een maximale oppervlakte van 400 m². Deze maximale oppervlakte geldt voor de functievlakken Functie Maatschappelijk gezamenlijk;
  • e. bijbehorende bouwwerken;
  • f. andere bouwwerken, in overeenstemming met lid 8.3.3.
8.3.3 Bouwvlakken en bouwhoogte andere bouwwerken

Voor de hieronder vermelde bouwvlakken en voor de bouwhoogte van andere bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. binnen het bouwvlak ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - m5' is uitsluitend een ondergronds gebouw toegestaan met een verticale diepte van maximaal 7 meter;
  • b. zorgwoningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van 'specifieke bouwaanduiding -m1';
  • c. zorgwooneenheden zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van 'specifieke bouwaanduiding -m4' en -m6';
  • d. het aantal zorgwoningen bedraagt het maximaal aangegeven aantal met de omgevingsnorm 'maximum aantal zorgwoningen';
  • e. het aantal zorgwooneenheden bedraagt het maximaal aangegeven aantal met de omgevingsnorm 'maximum aantal zorgwooneenheden'.
8.3.4 Maatvoering en aantallen

Voor de op deze gronden toegestane gebouwen gelden de volgende maatvoeringsregels:

  • a. de bouwhoogte bedraagt de maximaal aangegeven hoogte met de omgevingsnorm 'maximum bouwhoogte';
  • b. de goothoogte bedraagt de maximaal aangegeven hoogte met de omgevingsnorm 'maximum goothoogte';
  • c. het bebouwingspercentage bedraagt het maximaal aangegeven percentage met de omgevingsnorm maximum bebouwingspercentage, met dien verstande dat het bouwvlak volledig bebouwd mag worden indien een percentage op het bouwvlak ontbreekt;
  • d. het bepaalde in sub c heeft ter plaatse van de specifeke bouwaanduidingen - m4, -m5, -m6 geen betrekking op de ondergrondse bouwkundige verbindingen.
8.3.5 Bebouwing buiten bouwvlak

Buiten het bouwvlak zijn uitsluitend toegestaan:

  • a. andere bouwwerken, voor zover wordt voldaan aan de regels in lid 8.3.6;
  • b. aangebouwde kleinere bouwwerken zoals portieken, erkers en balkons, voor zover wordt voldaan aan de regels in lid 8.3.7;
  • c. in- en uitgangen van ondergrondse en/of verdiept aangelegde parkeervoorzieningen, kelders en voor zover wordt voldaan aan de regels in lid 8.3.8;
  • d. ondergrondse bouwkundige verbindingen, voor zover wordt voldaan aan de regels in lid 8.3.8.
8.3.6 Bouwhoogte andere bouwwerken buiten bouwvlak

Voor de bouwhoogte van bouwwerken zoals genoemd in lid 8.3.5 onder a gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van kunstwerken mag maximaal 5 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag maximaal 5 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van de overige andere bouwwerken mag maximaal 1 meter bedragen.
8.3.7 Aangebouwde bouwwerken buiten het bouwvlak

Aangebouwde bouwwerken, zoals genoemd in lid 8.3.5 onder b zijn onder de volgende voorwaarden toegelaten:

  • a. de bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 3 m² voor balkons en portieken en 6 m² voor erkers;
  • b. de diepte mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
  • c. de breedte van een erker mag niet meer bedragen dan 3/5 van de oorspronkelijke voorgevel waaraan de erker wordt gebouwd;
  • d. de afstand van een erker tot de naar de weg gekeerde erfgrens dan wel -grenzen mag niet minder bedragen dan 2,5 m.
8.3.8 Bouwdiepte gebouwen

De verticale diepte van de gebouwen als bedoeld in lid 8.3.5, sub c en d bedraagt maximaal 7 meter.

8.4 Aanvullende beoordelingsregels bouwen (met beoordelingsruimte)

In aanvulling op de beoordelingsregels in 8.3 wordt de omgevingsvergunning ook verleend in afwijking van de genoemde regels voor de hierna genoemde gevallen voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden in dit lid (8.4).

8.4.1 Verhogen goot- en bouwhoogte

De omgevingsvergunning wordt in afwijking van lid 8.3.3 ook verleend voor het verhogen van de maximale goot- en /of bouwhoogte van gebouwen binnen het bouwvlak met een maximum van 10%, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. er moet voorzien worden in voldoende parkeergelegenheid;
  • b. er wordt voorzien in een goede verkeersontsluiting;
  • c. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het beoogd stedenbouwkundig karakter en de beeldkwaliteit.
8.4.2 Verhogen bebouwingspercentage

De omgevingsvergunning wordt in afwijking van lid 8.3.4 ook verleend voor het verhogen van het maximale bebouwingspercentage voor het bouwvlak met maximaal 10%, met uitzondering voor de gronden ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding -m1, -m7', mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende erven;
  • b. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het beoogd stedenbouwkundig karakter en beeldkwaliteit, als verwoord in Bijlage 1;
  • c. er dient een stedenbouwkundig evenwichtig geheel te ontstaan met de bebouwde omgeving;
  • d. er mag geen aantasting van de waterhuishoudkundige situatie optreden met betrekking tot de waterkwantiteit- en -kwaliteit;
  • e. burgemeester en wethouders kunnen voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning ten aanzien van de geleding van de afzonderlijke bouwblokken en van de landschappelijke inpassing;
  • f. uit onderzoek dient te blijken dat er uit het oogpunt van luchtkwaliteit geen bezwaren bestaan tegen de verhoging van het bebouwingspercentage;
  • g. voldaan dient te worden aan de regels in artikel 18 over geluidgevoelige gebouwen.
  • h. uit onderzoek dient te blijken dat het behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden niet in het geding is;
  • i. er moet voorzien worden in voldoende parkeergelegenheid; en
  • j. er wordt voorzien in een goede verkeersontsluiting.
8.4.3 Hogere (erf)afscheiding buiten bouwvlak

De omgevingsvergunning wordt in afwijking van lid 8.3.6 sub c ook verleend voor het verhogen van de maximale bouwhoogte van (erf)afscheidingen buiten het bouwvlak tot 2 meter, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de belendende erven;
  • b. er vindt geen onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid plaats;
  • c. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het beoogd stedenbouwkundig karakter en de beeldkwaliteit.

Artikel 9 Functie Natuur

9.1 Functiebeschrijving

Binnen het voor de 'Functie Natuur'' aangewezen gebied zijn de volgende functies/ gebruiksactiviteiten toegestaan zonder voorafgaande toestemming:

  • a. instandhouding van het bos en de ecologische en landschappelijke waarde van het gebied alsmede de houtproductie;
  • b. instandhouding van niet beboste natuur zoals heide, stuifzand, poelen, vijvers en paden;
  • c. extensief recreatief medegebruik; en
  • d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
9.2 Beoordelingsregels bouwen

De regels in dit artikel gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het omgevingsplan.

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende voorwaarden:

9.2.1 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
  • a. De bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van het bos- en natuurbeheer en het extensief recreatief medegebruik mag niet meer bedragen dan 2 m.
  • b. Overige bouwwerken zijn niet toegestaan.
9.3 Uitvoeren van werken en werkzaamheden
9.3.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden op of in de bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het ontginnen, afgraven, egaliseren en ophogen van gronden, waarbij de hoogte van het maaiveld met meer dan 0,50 m wordt gewijzigd;
  • b. bebossen of anderszins beplanten van dieper dan 0,50 m wortelende houtopstanden, waaronder begrepen het kweken van bomen, struiken en heesters, behoudens ter vervanging van bestaande boomgaarden;
  • c. het doen van ingrepen die een verandering van de waterhuishouding tot gevolg hebben, waaronder het graven en dempen van sloten en oppervlaktewateren;
  • d. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse leidingen;
  • f. het verwijderen en/of rooien van houtopstanden.
9.3.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in lid 9.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. onderdeel uitmaken van het Versterkingsplan;
  • c. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
9.3.3 Beoordelingsregels

De in lid 9.3.1 genoemde omgevingsvergunning wordt verleend mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. Door de werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke en ecologische waarden en de recreatieve betekenis alsmede de ontwikkelingspotenties voor landschap en natuur, niet onevenredig worden aangetast.
  • b. Voor de in lid 9.3.1 sub e genoemde werken en werkzaamheden geldt ook als criterium dat er sprake dient te zijn van noodzaak tot het aanbrengen van leidingen op die locatie en een alternatief tracé niet mogelijk dan wel niet doelmatig is.

Artikel 10 Functie Tuin

10.1 Functieomschrijving

Binnen het voor de 'Functie Tuin' aangewezen gebied zijn de volgende functies/ gebruiksactiviteiten toegestaan zonder voorafgaande toestemming:

  • a. tuinen;
  • b. instandhouding, bescherming en herstel van de bestaande en de te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden, zoals vermeld in het Versterkingsplan;
  • c. met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en voor voorzieningen behorende bij de op hetzelfde bouwperceel gelegen woning.
10.2 Beoordelingsregels bouwen

De regels in dit artikel gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het omgevingsplan.

10.2.1 Bouwregels algemeen
  • a. Op de voor 'Functie Tuin' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden opgericht bouwwerken die ten dienste staan van deze functie;
  • b. De 'Functie Tuin' behoort niet tot het achtererfgebied.
10.2.2 Specifieke gebouwen

Aan de naar de weg gekeerde zijde van de gevel van de woning zijn binnen de functie 'Tuin' portieken, erkers en balkons onder de volgende voorwaarden toegelaten:

  • a. de bebouwde oppervlakte niet meer mag bedragen dan 3 m² voor portieken en balkons en 6 m² voor erkers;
  • b. de diepte niet meer mag bedragen dan 1,5 m;
  • c. de breedte van een erker niet meer mag bedragen dan 3/5 van de oorspronkelijke voorgevel waaraan de erker wordt gebouwd;
  • d. de afstand van een erker tot de naar de weg gekeerde erfgrens dan wel –grenzen mag niet minder bedragen dan 2,5 m.
10.2.3 Bouwwerken die geen gebouw zijn

De bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 1 m bedragen, met uitzondering van een vlaggenmast waarvoor een maximale hoogte van 5 m geldt.

10.2.4 Aanvullende beoordelingsregel voor afwijkende hoogte erfafscheidingen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van (erf)afscheidingen tot een hoogte van maximaal 2 m wordt in afwijking van artikel 10.2.3 ook verleend, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de belendende erven;
  • b. er vindt geen onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid plaats;
  • c. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het beoogd stedenbouwkundig karakter en de beeldkwaliteit.

Artikel 11 Functie Verkeer - Verblijfsgebied

11.1 Functieomschrijving

Binnen het voor de Functie Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gebied zijn de volgende functies/
gebruiksactiviteiten toegestaan zonder voorafgaande toestemming:

  • a. voorzieningen ten behoeve van auto-, fiets- en voetgangersverkeer alsmede parkeren;
  • b. groenvoorzieningen;
  • c. speelvoorzieningen;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. poortwachtershuisje ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - poortwachtershuisje';
  • f. kunstwerken.
11.2 Beoordelingsregels bouwen

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken,
zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen
uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het
omgevingsplan.

11.2.1 Algemene bouwregel

Op de voor 'Functie Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht die ten dienste staan van deze functie.

11.2.2 Poortwachtershuisje

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - poortwachtershuisje' gelden de volgende bouwregels:

  • a. de goot- en bouwhoogte is maximaal de bestaande goot- en bouwhoogte;
  • b. de oppervlakte is maximaal de bestaande oppervlakte.
11.2.3 Bouwhoogte
  • a. de bouwhoogte van openbare nutsgebouwen, zoals telefoongebouwen, wachthuisjes voor busdiensten (abri's) e.d. is maximaal 3,5 m en de bebouwde oppervlakte maximaal 6 m² ;
  • b. de bouwhoogte van kunstwerken is maximaal 5 m;
  • c. de bouwhoogte van lichtmasten en verkeersinstallaties is maximaal 9 m;
  • d. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken, zoals banken, bloembakken, nutskasten en containers voor het inzamelen van huishoudelijk afval is maximaal 3,5 m;
  • e. de bouwhoogte van de overige andere bouwwerken is maximaal 1 meter.

Artikel 12 Functie Wonen

12.1 Functieomschrijving

Binnen het voor de 'Functie Wonen' aangewezen gebied zijn de volgende functies/
gebruiksactiviteiten toegestaan zonder voorafgaande toestemming:

  • a. wonen in één woning met de bij de woningen behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, achterpaden, opritten, parkeerplaatsen en bouwwerken, alsmede - bij wijze van nevenactiviteit - voor het uitoefenen van een beroep of het verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig of daarmee gelijk te stellen gebied;
  • b. instandhouding en bescherming van monumenten.
12.2 Specifieke functieregels
12.2.1 Aan huis verbonden beroep of bedrijf

Het gebruiken van een gedeelte van de woning en/of bijgebouwen ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep en/of een aan-huis-verbonden bedrijf is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan de volgende regels:

  • a. maximaal 70 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van gerealiseerde bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, met dien verstande dat het bebouwingspercentage ten behoeve van de benodigde ruimte voor de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit niet meer mag bedragen dan 40%;
  • b. het gebruik dient de woonfunctie te ondersteunen dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in de woning of het daarbij behorende bijbehorend bouwwerk zal uitvoeren, tevens de bewoner van de woning dient te zijn;
  • c. activiteiten waarvoor een geluidsonderzoek als bedoeld in artikel 22.60 van dit omgevingsplan verricht moet worden zijn verboden;
  • d. activiteiten die geur veroorzaken zijn verboden;
  • e. er mag geen detailhandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de activiteit;
  • f. het onbebouwde deel van het bouwperceel mag niet worden gebruikt voor de activiteiten, buitenopslag is niet toegestaan;
  • g. er mogen maximaal 2 parkeerplaatsen in het openbaar gebied worden gebruikt;
12.3 Omgevingsplanactiviteiten gebruik
12.3.1 Aanwijzing vergunningplicht nevenactiviteit bed and breakfast

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in afwijking van lid 12.2.1 nevenactiviteiten in de vorm van een bed and breakfast te verrichten.

12.3.2 Beoordelingsregels nevenactiviteit bed and breakfast

De omgevingsvergunning wordt verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. maximaal 70 m² van de woning of bijbehorende gebouwen gebruikt wordt voor de bed and breakfast;
  • b. er zijn maximaal 2 logeereenheden en maximaal 2 bedden per logeereenheid aanwezig;
  • c. de bezoekers gebruiken maximaal 2 parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Als deze niet op eigen terrein beschikbaar zijn en in de openbare ruimte wel;
  • d. in de logeereenheden geen zelfstandige kookgelegenheid aanwezig is.
12.4 Beoordelingsregels bouwen

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken,
zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen
uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het
omgevingsplan.

12.4.1 Algemene regels bouwen

Op de voor 'Functie Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden opgericht bouwwerken die ten dienste staan van deze functie.

12.4.2 Bebouwing binnen bouwvlak

Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd waarbij uitsluitend de volgende bouwwerken zijn toegestaan:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. kelders;
  • c. bijbehorende bouwwerken; en
  • d. andere bouwwerken.
12.4.3 Goot- en bouwhoogte binnen bouwvlak
  • a. de maximale goothoogte en bouwhoogte voor hoofdgebouwen is zoals ter plaatse van 'maximale goot- en bouwhoogte' is aangegeven;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag maximaal 5 meter bedragen en de bouwhoogte van andere bouwwerken mag maximaal 3 meter bedragen.
12.4.4 Hoofdgebouw
  • 1. Een hoofdgebouw is uitsluitend toegestaan in het bouwvlak;
  • 2. Per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan.
12.4.5 Bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak gelden de volgende regels:

  • a. de goothoogte en bouwhoogte bedragen respectievelijk maximaal 3 en 5,5 meter;
  • b. bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend in het achtererf toegestaan, met uitzondering van een erker;
  • c. de breedte van een erker mag niet meer bedragen dan 3/5 van de oorspronkelijke voorgevel waaraan de erker wordt gebouwd.
12.4.6 Bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak gelden de volgende regels:

  • a. voor bouwactiviteiten binnen de aanduiding 'overige zone - GO en 'overige zone - GNN' wordt niet eerder een omgevingsvergunning verleend dan nadat is voldaan aan de voorwaardelijke verplichting in artikel 12.4.9.
  • b. de gezamenlijke oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 70 m²;
  • c. de goothoogte en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedragen respectievelijk maximaal 3 en 5 meter.
12.4.7 Aanvullende beoordelingsregels specifieke bijbehorende bouwwerken

Voor aangebouwde bouwwerken, zoals portieken, erkers en balkons, gelden de volgende regels:

  • a. de bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 3 m² voor portieken en balkons en 6 m² voor erkers;
  • b. de diepte mag niet meer bedragen dan 1,5 m
  • c. de breedte van een erker mag niet meer bedragen dan 3/5 van de oorspronkelijke voorgevel waaraan de erker wordt gebouwd; en
  • d. de afstand van een erker tot de naar de weg gekeerde erfgrens dan wel erfgrenzen mag niet minder bedragen dan 2,5 m.
12.4.8 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor overige bouwwerken, die geen gebouw zijn gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van kunstwerken mag maximaal 5 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten en antennes mag maximaal 5 meter bedragen; en
  • c. de bouwhoogte van de overige andere bouwwerken mag maximaal 2 meter bedragen.
12.4.9 Voorwaardelijke verplichting
  • a. Bouwactiviteiten binnen 'overige zone - GO' en 'overige zone - GNN' zijn niet eerder toegestaan dan is voldaan aan de compensatieplicht volgens het Versterkingsplan;
  • b. Er geldt een instandhoudingsverplichting voor het Versterkingsplan.

Artikel 13 Functie Woongebied

13.1 Functieomschrijving

Binnen het voor de 'Functie Woongebied'' aangewezen gebied zijn de volgende functies/ gebruiksactiviteiten toegestaan zonder voorafgaande toestemming:

  • a. wonen in een woning met dien verstande dat er binnen de functie in totaal maximaal 395 woningen zijn toegestaan;
  • b. bij de woningen behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, achterpaden, opritten, parkeerplaatsen en bouwwerken, alsmede - bij wijze van nevenactiviteit - voor het uitoefenen van een beroep of het verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig of daarmee gelijk te stellen gebied;
  • c. op de begane grond: sociaal-maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' met een maximum bruto vloeroppervlak van 2 m2 per appartement;
  • d. horeca in de categorieën 1 tot en met 3 en categorie 5, ondergeschikt en verbonden aan de sociaal-maatschappelijke voorzieningen, zoals genoemd onder b;
  • e. detailhandel, ondergeschikt en verbonden aan de sociaal-maatschappelijke voorzieningen, zoals genoemd onder b;
  • f. instandhouding, bescherming en herstel van de bestaande en de te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden, in overeenstemming met het Versterkingsplan;
  • g. instandhouding en bescherming van monumenten;
  • h. groen en groenvoorzieningen;
  • i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • j. wegen, wandel- en fietspaden en in- en uitritten;
  • k. parkeren en parkeervoorzieningen;
  • l. speelvoorzieningen; en
  • m. nutsvoorzieningen;
13.2 Specifieke functieregels
13.2.1 Aan huis verbonden beroep of bedrijf

Het gebruiken van een gedeelte van de woning en/of bijgebouwen ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep en/of een aan-huis-verbonden bedrijf is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan de volgende regels:

  • a. maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning (begane grond + verdiepingen) met inbegrip van gerealiseerde bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, met dien verstande dat het bebouwingspercentage ten behoeve van de benodigde ruimte voor de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit niet meer mag bedragen dan 40%;
  • b. het gebruik dient de woonfunctie te ondersteunen dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in de woning of het daarbij behorende bijbehorend bouwwerk zal uitvoeren, tevens de bewoner van de woning dient te zijn;
  • c. activiteiten waarvoor een geluidsonderzoek als bedoeld in artikel 22.60 van dit omgevingsplan moet worden verricht, zijn verboden;
  • d. activiteiten die geur veroorzaken zijn verboden;
  • e. er mag geen detailhandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de activiteit;
  • f. het onbebouwde deel van het bouwperceel mag niet worden gebruikt voor de activiteiten, buitenopslag is niet toegestaan;
  • g. er mogen maximaal 2 parkeerplaatsen in het openbaar gebied worden gebruikt.
13.2.2 Voorwaardelijke verplichting uitvoeren Versterkingsplan
  • a. de verplichtingen uit het Versterkingsplan gelden vanaf het moment dat binnen de 'Functie Woongebied' 163 nieuwe wooneenheden zijn vergund;
    • 1. het gebruiken van de overige woningen in fase 1, te weten vanaf wooneenheid 164 t/m 200 is alleen toegestaan onder de volgende voorwaarde:
      • de aanleg en instandhouding van het Versterkingsplan, onderdeel 1 (zie Bijlage 2) moet binnen 24 maanden na het in gebruik nemen van de eerste woningen in fase 1 gerealiseerd zijn en in stand worden gehouden. De monitoringsregels van het Versterkingsplan worden hierbij in acht genomen.
  • b. in afwijking van de voorwaardelijke verplichting in sub a geldt deze verplichting niet voor de eerste 163 woningen, mits ten minste eenzelfde aantal zorgwoningen is gesloopt voor ingebruikname, niet zijnde vervangende nieuwbouw waardoor het aantal woningen per saldo gelijk blijft.
  • c. het gebruiken van de woningen in fase 2 is alleen toegestaan onder de volgende voorwaarde:
    • 1. de aanleg en instandhouding van het Versterkingsplan, onderdeel 2 (zie Bijlage 2 ) moet binnen 24 maanden na het in gebruik nemen van de eerste woningen in fase 2 gerealiseerd zijn en in stand worden gehouden. De monitoringsregels van het Versterkingsplan worden hierbij in acht genomen.
13.2.3 Voorwaardelijke verplichting verkeersvoorziening

Het gebruik van de hoofdgebouwen binnen de 'Functie Woongebied' is uitsluitend toegestaan nadat na fase 1 zoals beschreven in 16.4 een extra strook is toegevoegd aan de Parklaan en een verkeerslichtinstallatie (VRI) op het kruispunt wordt gerealiseerd conform respectievelijk variant 1 en variant 2 zoals beschreven in Variantenstudie Parklaan-Nijmeegsebaan en deze in stand wordt gehouden.

13.3 Omgevingsplanactiviteit gebruik
13.3.1 Aanwijzing vergunningplicht nevenactiviteiten

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in afwijking van lid 13.2.1 nevenactiviteiten in de vorm van een bed and breakfast te verrichten.

13.3.2 Beoordelingsregels nevenactiviteit bed and breakfast

De omgevingsvergunning wordt verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. maximaal 50 m² van de woning of bijbehorende gebouwen gebruikt wordt voor de bed and breakfast;
  • b. er zijn maximaal 2 logeereenheden en maximaal 2 bedden per logeereenheid aanwezig;
  • c. de bezoekers gebruiken maximaal 2 parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Als deze niet op eigen terrein beschikbaar zijn en in de openbare ruimte wel;
  • d. in de logeereenheden geen zelfstandige kookgelegenheid aanwezig is.
13.4 Beoordelingsregels bouwen

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken,
zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen
uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het
omgevingsplan.

13.4.1 Algemene regels bouwen
  • a. het bouwvlak mag worden bebouwd tot maximaal het aangegeven bebouwingspercentage;
  • b. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het beoogd stedenbouwkundig karakter en beeldkwaliteit, als verwoord in Bijlage 1;
  • c. er zijn binnen 'Functie Woongebied' maximaal 395 woningen toegestaan;
  • d. ter waarborging van de beeldkwaliteit zijn artikel 22.27 sub a t/m e, g t/m i en artikel 22.36 sub a en c van het omgevingsplan niet van toepassing.
13.4.2 Situering en aantal hoofdgebouwen

Voor het bouwen van het hoofdgebouw gelden de volgende regels:

  • a. bouwen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan het aangegeven percentage per bouwvlak, met dien verstande dat het bouwvlak volledig bebouwd mag worden indien een percentage op het bouwvlak ontbreekt;
  • c. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan per bouwvlak is aangegeven, met dien verstande dat het totaal aantal woningen het bepaalde in lid 13.4.1 sub c niet wordt overschreden.
13.4.3 Bouwvorm

De volgende bouwvormen zijn toegestaan:

  • a. gestapelde woningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld'; en
  • b. grondgebonden woningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden';
  • c. vrijstaande woningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand'.
13.4.4 Bouw- en goothoogte hoofdgebouw

De maximale bouwhoogte en goothoogte van het hoofdgebouw zijn niet hoger dan de aangegeven bouwhoogte en goothoogte.

13.4.5 Specifieke bouwregels

Voor grondgebonden woningen gelden naast de overige bouwregels, de volgende aanvullende bouwregels:

  • a. de diepte van grondgebonden woningen mag niet meer bedragen dan 12,0 m;
  • b. de breedte van vrijstaande woningen mag niet meer bedragen dan 12,0 m;
  • c. de afstand van vrijstaande woningen (niet zijnde een bijbehorend bouwwerk) tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 1 m;
  • d. voor zover een geluidgevoelig gebouw in binnen de zone 'overige zone - geluidzone 1' of overige zone - geluidzone 2' wordt gebouwd, dient te worden voldaan aan artikel 18.1 en 18.2.
13.4.6 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan in het achtererfgebied bij grondgebonden woningen;
  • b. de goothoogte en bouwhoogte bedragen respectievelijk maximaal 3 en 5 meter, danwel 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 70 m², met dien verstande dat maximaal 50% van het achtererfgebied bebouwd mag worden;
  • d. in afwijking van sub c mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - wonen 1' het achtererfgebied 100% bebouwd worden.
13.4.7 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor overige bouwwerken, die geen gebouw zijn gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van kunstwerken mag maximaal 5 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten en antennes mag maximaal 5 meter bedragen; en
  • c. de bouwhoogte van de overige andere bouwwerken mag maximaal 1 meter bedragen, met dien verstanden dat in het achtererfgebied een bouwhoogte van 2 meter is toegestaan.
13.5 Aanvullende beoordelingsregels bouwen met afwegingsruimte
  • 1. In aanvulling op de beoordelingsregels in 13.4.1 t/m 13.4.6 wordt de omgevingsvergunning ook verleend in afwijking van de genoemde regels voor de hierna genoemde gevallen voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden.
  • 2. Het bouwen van een hoofdgebouw buiten het bouwvlak, waarbij het volgende geldt:
    • a. deze regeling geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bouwvlak afweegbaar';
    • b. het areaal van de gronden dat wordt bebouwd binnen de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bouwvlak afweegbaar' mag niet voor de bouw van hoofdgebouwen worden aangewend binnen het bouwvlak;
    • c. er dient te worden voldaan aan de de beoordelingsregels in 13.4.1 t/m 13.4.6;
    • d. er dient te worden voldaan aan het Versterkingsplan;
    • e. er dient te worden voldaan aan het beeldkwaliteitsplan zoals opgenomen in Bijlage 1;
  • 3. Het bouwen van een hoofdgebouw met een hogere goot- en bouwhoogte dan aangegeven, waarbij het volgende geldt:
    • a. de hoogte is maximaal 1 meter hoger dan de aangegeven goot- en bouwhoogte;
    • b. de verhoging is noodzakelijk voor duurzaamheids- en energiemaatregelen;
  • 4. Het bouwen van collectieve zelfstandige bijbehorende bouwwerken buiten het achtererfgebied, waarbij het volgende geldt:
    • a. de bijbehorende bouwwerken worden gerealiseerd binnen het bouwvlak;
    • b. de goothoogte en bouwhoogte bedragen respectievelijk maximaal 3 en 5 meter, danwel 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw;
    • c. de oppervlakte voldoet aan lid 13.4.2 sub b;
    • d. er dient te worden voldaan aan het Versterkingsplan;
    • e. er dient te worden voldaan aan het beeldkwaliteitsplan zoals opgenomen in Bijlage 1.
  • 5. Het bebouwen van het achtererfgebied voor meer dan 50%, waarbij het volgende geldt:
    • a. er mag maximaal 75% van het achtererfgebied worden bebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - wonen 1' nog steeds 100% van het achtererfgebied bebouwd mag worden.;
    • b. er dient te worden voldaan aan het Versterkingsplan;
    • c. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het beoogd stedenbouwkundig karakter en de beeldkwaliteit.

Artikel 14 Waarde - Archeologische verwachtingswaarden

14.1 Voorrangsbepaling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in Hoofdstuk 2 en Hoofdstuk 3.

14.2 Toepassingsbereik
  • 1. De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1945.TAMDEKKERSWALD-ONW1 is aangewezen als 'overige zone - waarde - archeologie 2', 'overige zone - waarde - archeologie 3' 'overige zone - waarde - archeologie 4';
  • 2. De regels van dit artikel hebben in ieder geval betrekking op de volgende activiteiten:
    • a. het bouwen van een of meerdere bouwwerken;
    • b. het afgraven of anderszins roeren van gronden, waaronder tenminste worden verstaan: ontgronden, afgraven, saneren, onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen, diepploegen, frezen, scheuren van grasland en/of anderszins wijzigen van de bodemstructuur of fysische bodemkarakteristieken;
    • c. het aanbrengen van oppervlakteverharding en/of drainage;
    • d. het ophogen van de bodem;
    • e. het rooien van diepwortelende beplanting en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd;
    • f. het aanleggen, vergroten of wijzigen van watergangen;
    • g. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze inbrengen van objecten in de bodem;
    • h. het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand;
    • i. het verwijderen van ondergrondse fundamenten en het verwijderen en/of uittrekken van heipalen;
    • j. het toepassen van metaaldetectie.
14.3 Specifieke zorgplicht

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van archeologische waarden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.

14.4 Bijzondere meetinstructies

De volgende meet- en rekenbepalingen zijn een aanvulling op Hoofdstuk 1:

  • a. bij het bepalen van het maaiveld moet uitgegaan worden van het verloop van de aansluitende gronden.
  • b. bij het bepalen of voor activiteiten als genoemd onder 14.2, tweede lid een omgevingsvergunning noodzakelijk is op grond van artikel 14.5, geldt het volgende:
    • 1. het te verstoren gebied: de totale oppervlakte waar de bodemverstoring verricht wordt, en
    • 2. verstoringsdiepte: de diepste ingreep ten opzichte van het maaiveld in de bodem op enige plaats binnen de oppervlakte van de verstoring;
    • 3. bij een gefaseerde uitvoering wordt het gehele project in aanmerking genomen.
14.5 Aanwijzen vergunningplichtige gevallen
  • 1. De activiteiten als genoemd onder 14.2, tweede lid, zijn vergunningplichtig als het een bodemverstoring betreft:
    • a. in een gebied met de aanduiding 'overige zone - waarde – archeologie 2' en het te verstoren gebied een grotere oppervlakte heeft dan 250 m2 en met een verstoringsdiepte dieper dan 30 centimeter vanaf het maaiveld, waarbij rekening wordt gehouden met cumulatieve verstoringen;
    • b. in een gebied met de aanduiding 'overige zone - waarde – archeologie 3' en het te verstoren gebied een grotere oppervlakte heeft dan 1000 m2 en met een verstoringsdiepte dieper dan 30 centimeter vanaf het maaiveld, waarbij rekening wordt gehouden met cumulatieve verstoringen;
    • c. in een gebied met de aanduiding 'overige zone - waarde – archeologie 4' en het te verstoren gebied een grotere oppervlakte heeft dan 5000 m2 e n met een verstoringsdiepte dieper dan 30 centimeter vanaf het maaiveld, waarbij rekening wordt gehouden met cumulatieve verstoringen;
  • 2. De in lid 1 bedoelde vergunningplicht geldt niet als:
    • a. de werkzaamheden worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    • b. ermee gestart mag worden op het tijdstip van het onherroepelijk worden van deze paragraaf of blijkens een onherroepelijk geworden verleende omgevingsvergunning;
    • c. deze plaatsvinden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek en/of het bergen van oorlogsslachtoffers door de Bergings- en Identificatiedienst van de Koninklijke Landmacht; of
    • d. deze in een gebied plaatsvinden zonder aanduiding ''overige zone - waarde – archeologie 2', 'overige zone - waarde – archeologie 3', 'overige zone - waarde – archeologie 4';
    • e. bij de uitvoering van de activiteiten geheel gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering en er geen werkzaamheden plaatsvinden aan de zij- en/of onderkant van deze bestaande fundering.
  • 3. Als de bodemverstoring(en) in meer dan één functieaanduiding als genoemd in het eerste lid, onder a. vallen, geldt voor de toepassing van dit lid de zone die de minste bodemverstoring toestaat voor het gehele te verstoren gebied.
14.6 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
  • 1. Bij een aanvraag omgevingsvergunning worden naast de gegevens en bescheiden als genoemd in artikel 22.35 van dit omgevingsplan, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. een archeologisch rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
    • b. in geval van het bouwen of slopen van een of meerdere bouwwerken:
      • gemaatvoerde funderingstekeningen en -doorsnedes, inclusief palenplan en voorzien van volledige maatvoering en dwarsdoorsnedes, inclusief maaiveldbepaling;
      • topografische kaarten op schaal voorzien van een noordpijl en tenminste twee (RD-)coördinatieparen, met de exacte locatie, omvang van de activiteit en het verloop van het maaiveld in de bestaande en nieuwe situatie, aangegeven met NAP-hoogtes;\
      • een opgave van de omvang van de bodemverstoring in vierkante meters en de diepte in centimeters ten opzichte van het maaiveld als gevolg van de bouw- en/of sloopwerkzaamheden;
      • informatie over grondverzet dat noodzakelijk is voor het realiseren van het bouwwerk, over (indien van toepassing) grondverbetering, aanleglocatie en -tracé van nieuwe nutsinfrastructuur;
    • a. in geval van werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid:
      • een omschrijving van de aard van het werk, met daarbij opgegeven de omvang van de bodemverstoring in vierkante meters en de diepte in centimeters ten opzichte van het maaiveld;
      • topografische kaarten op schaal voorzien van een noordpijl en tenminste twee (RD-)coördinatieparen, met de exacte locatie, omvang van de activiteit en het verloop van het maaiveld in de bestaande en nieuwe situatie, aangegeven met NAP-hoogtes;
      • gemaatvoerde doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld
  • 2. Het overleggen van een archeologisch rapport is niet nodig indien de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare bescheiden, hetgeen naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, afdoende is vastgesteld.
14.7 Beoordelingsregels

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 14.5, moet aan een van de volgende beoordelingsregels worden voldaan:

  • a. Er is gemotiveerd aangetoond dat de archeologische waarden in de bodem (in situ) behouden kunnen blijven door concrete maatregelen;
  • b. op basis van een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch onderzoek is aangetoond dat:
    • 1. er geen archeologische waarden aanwezig zijn op de betreffende locatie; of
    • 2. de archeologische waarden door concrete maatregelen te treffen in de bodem (in situ) behouden kunnen blijven;
    • 3. behoud van archeologische waarden op de locatie in de bodem (in situ) niet mogelijk is, waarbij deze met het toepassen van de verplichtingen uit artikel 14.8, eerste lid onder a, b en/of c alsnog kunnen worden veilig gesteld (ex situ);
  • c. Voordat het college van burgemeester en wethouders beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.5, wint zij advies in bij een archeologisch deskundige. De archeologisch deskundige adviseert of met het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan archeologische waarden, vindplaatsen en/of monumenten. Ook adviseert de archeologische deskundige over welke verplichtingen als genoemd in artikel 14.8 aan de omgevingsvergunning gekoppeld moeten worden.
14.8 Aanvullende vergunningsvoorschriften
  • 1. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan een omgevingsvergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:
    • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht op basis van een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    • b. de verplichting tot het doen van een booronderzoek, proefsleuvenonderzoek en/of opgraving op basis van een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd Programma van Eisen en Plan van Aanpak; en/of
    • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd Programma van Eisen en Plan van Aanpak; en/of
    • d. de verplichting om binnen een bepaalde termijn te starten met de werkzaamheden; en/of
    • e. de verplichting om de start van de werkzaamheden vooraf te melden; en/of
    • f. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; en/of
    • g. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en/of
    • h. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een Programma van Eisen Archeologie; en/of
    • i. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
  • 2. In een omgevingsvergunning wordt in ieder geval verwezen naar de wettelijke meldingsplicht toevalsvondsten en waarnemingen, zoals omschreven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.
  • 3. Het college van burgemeester en wethouders kan vergunningsvoorschriften stellen aan de omgevingsvergunning over de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of vindplaatsen aanwezig zijn. De vergunningsvoorschriften zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 15 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 16 Algemene bouwregels

16.1 Bouwen volgens functie

Het bouwen van bouwwerken is alleen toegestaan voor zover de bouwwerken worden gebruikt in overeenstemming met de functieregels en regels voor activiteiten in hoofdstuk 2.

16.2 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van de verbeelding en het
gestelde in de regels worden overschreden door tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden,
galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, afdaken zonder eigen wanden en andere ondergeschikte bouwdelen van gebouwen, uitgezonderd erkers, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 meter bedraagt.

16.3 Ondergronds bouwen
  • 1. Kelders, ondergrondse parkeergarages en verdiepte verkeersvoorzieningen zijn toegestaan ter plaatse van een bouwvlak, tenzij elders in de regels anders is bepaald;
  • 2. De oppervlakte van de ondergrondse bouwwerken overschrijden de ter plaatse toegestane maximale bebouwingspercentages niet.
16.4 Fasering bouwplannen

De bouw van 395 nieuwe wooneenheden vindt gefaseerd plaats. In verband met fasering gelden de volgende bouwregels.

16.4.1 Basisregel fasering

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van de laatste 195 wooneenheden (fase 2) wordt niet eerder verleend dan nadat de eerste 200 wooneeenheden verkocht of verhuurd zijn (fase 1).

16.4.2 Afwijkmogelijkheid

Van de aantallen genoemd in artikel 16.4.1 kan met 10% worden afgeweken indien:

  • a. dit noodzakelijk is voor een optimale verdeling van de wooneenheden over de bouwvlakken;
  • b. bijdraagt aan de voortgang van het bouwplan;
  • c. het Versterkingsplan in acht wordt genomen;
  • d. er geen andere stedenbouwkundige belemmeringen zijn.
16.5 Beeldkwaliteitsplan

Een omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten kan, in afwijking van artikel 22.29, eerste lid, onder b (van het omgevingsplan) slechts worden verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met Beeldkwaliteitsplan Dekkerswald of er naar oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een gelijkwaardige beeldkwaliteit.

16.6 Uitwisselbaarheid woningen
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 13.4.2 sub c.
  • 2. Een omgevingsvergunning voor het bepaalde in lid 1 wordt verleend mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    • a. het totaal aantal woningen overschrijdt het maximaal aantal zoals bepaald in lid 13.4.1 sub c niet;
    • b. er wordt voldaan aan het bepaalde in lid 16.4;
    • c. het stedenbouwkundige karakter en beeldkwaliteit past binnen het Beeldkwaliteitsplan Dekkerswald;
    • d. het type woning past binnen de op de verbeelding aangegeven toegestane typologieën;
    • e. er wordt voldaan aan het bepaalde in lid 19.1;
    • f. de monitoringsregels van het Versterkingsplan worden hierbij in acht genomen.
16.7 Aanvullende beoordelingsregel bouwen (afwijken maatvoering)

Een omgevingsvergunning wordt in afwijking van de beoordelingsregels bouwen ook verleend voor het
bouwen voor de in a t/m c genoemde gevallen indien wordt voldaan aan de regels onder 1 t/m 4:

  • a. het afwijken van maten met ten hoogste 10%;
  • b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde functiegrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband
    met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 meter bedragen en het bouwvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;
  • c. het toestaan van dichte erfafscheidingen tot een maximale bouwhoogte van 3 meter ten behoeve van geluidsreducering;

met inachtneming van de volgende regels:

  • 1. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
  • 2. er bestaan geen bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en
    architectonische vormgeving;
  • 3. er vindt geen onevenredige afbreuk plaats aan de natuurwetenschappelijke en/of landschappelijke waarden van de gronden;
  • 4. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, ook niet door een cumulatie van activiteiten;
  • 5. de brand-, verkeers- en openbare veiligheid komen niet in het gedrang.
16.8 Afwijken beeldkwaliteitsplan
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 16.5.
  • 2. Een omgevingsvergunning voor het bepaalde in lid 1 wordt verleend mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    • a. naar oordeel van het bevoegd gezag is er sprake van een naar aard gelijkwaardig beeldkwaliteit;
    • b. de monitoringsregels in het Versterkingsplanworden in acht genomen.
16.9 Bouwen binnen bouwvlak afweegbaar
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 8.3.2 en 13.4.2 sub a voor het bouwen buiten het bouwvlak en binnen de zone 'bouwvlakafweegbaar'.
  • 2. Een omgevingsvergunning voor het bepaalde in lid 1 wordt verleend mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    • a. de absolute oppervlakte van de bebouwing is niet groter dan wat op basis van het maximaal bebouwingpercentage binnen het bouwvlak is toegestaan;
    • b. het plan voldoet aan het Beeldkwaliteitsplan Dekkerswald;
    • c. de regels in het Versterkingsplan worden in acht genomen.
16.10 Ondergronds bouwen buiten het bouwvlak
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 16.3 voor het ondergronds bouwen, niet zijnde verdiept parkeren, buiten het bouwvlak.
  • 2. Een omgevingsvergunning voor het bepaalde in lid 1 wordt verleend mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

Artikel 17 Algemene gebruiksregels

17.1 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden de in dit TAM-omgevingsplan bedoelde gronden en bouwwerken te gebruiken of laten
gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven functie.

17.2 Strijdig gebruik

Als gebruik in strijd met de functie wordt in dit TAM-omgevingsplan in ieder geval aangemerkt:

  • a. het gebruik of laten gebruiken van gronden en opstallen als of ten behoeve van een seksinrichting
    dan wel ten behoeve van (raam)prostitutie;
  • b. het gebruik of laten gebruiken van opstallen ten behoeve van coffeeshops;
  • c. het gebruik van onbebouwde gronden, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de functie gerichte gebruik van de gronden:
    • 1. als stand- of ligplaats van onderkomens;
    • 2. als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet
      afgedankte stoffen, voorwerpen en producten.

Artikel 18 Algemene milieuregels

18.1 Bouwen van een geluidgevoelig gebouw binnen overige zone - geluid zone 1

Het bouwen van geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen de aanduiding 'overige zone - geluidzone 1' is uitsluitend toegestaan indien:

  • a. de geluidgevoelige gebouwen met een dove gevel worden gerealiseerd;
  • b. een dove gevel zoals opgenomen in sub a hoeft niet te worden gerealiseerd, mits:
    • 1. de gecumuleerde geluidbelasting op de gevel van het geluidgevoelig gebouw lager is dan 60 Lden;
    • 2. de geluidbelasting zoals opgenomen in sub b1 dient middels een akoestisch onderzoek te worden aangetoond;
  • c. voor zover ook gelegen binnen de aanduiding 'overige zone - geluidzone 2' dient voldaan te worden aan het bepaalde in lid 18.2.
18.2 Bouwen van een geluidgevoelig gebouw binnen overige zone - geluid zone 2

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van geluidgevoelige gebouwen binnen de aanduiding 'overige zone - geluid zone 2' wordt uitsluitend verleend indien middels een gevelweringonderzoek is aangetoond dat de binnenwaarde, al dan niet na het treffen van (bouw)kundige maatregelen, in de geluidgevoelige ruimten binnen de woningen niet meer dan 33 dB bedraagt.

Artikel 19 Overige algemene regels

19.1 Parkeren
19.1.1 Algemeen
  • a. De gronden zoals aangewezen in de verschillende functies mogen slechts worden bebouwd onder de voorwaarden dat binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan voldoende parkeergelegeheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
  • b. Bij omgevingsvergunning voor bouwen wordt aan de hand van de 'Programma Mobiliteit', dan wel op het moment van indienen geldende gemeentelijk mobiliteits- en/of parkeerbeleid bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid, of het op dat moment geldend parkeerbeleid.
19.1.2 Monitoringsplicht
  • a. in afwijking van artikel 19.1.1 is het voor de toegestane functies/gebruiksactiviteiten binnen 'Functie Maatschappelijk', 'Functie Horeca' en 'Functie Woongebied', toegestaan om maximaal 86,5% van het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen te realiseren, mits:
    • 1. binnen het plangebied voldoende ruimte is gereserveerd voor minimaal 86,5% van de parkeerbehoefte op basis van de parkeernorm zoals opgenomen in het gemeentelijke parkeerbeleid 'Programma Mobilitieit';
    • 2. uit monitoring blijkt dat de parkeerdruk binnen het plangebied niet hoger is dan 85%;
    • 3. de monitoring dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:
      • de bezettingsgraad van de parkeerplaatsen dient in ieder geval elke twee jaar te worden gemeten;
      • op het moment dat de gemeente een klacht ontvangt van een te hoge parkeerdruk bij de genoemde functies zoals in sub a (aanhef), en deze klacht door de gemeente als rechtvaardig is beoordeeld, dient er een aanvullend rapport te worden aangeleverd om aan te tonen dat binnen acceptabele loopafstand (conform het bepaalde in lid 19.1.1 sub b) vanaf de betreffende functie de parkeerdruk lager is dan 85% op het drukst gemeten moment;
      • alvorens er een bezettingsgraadmeting of rapport wordt uitgevoerd, dient er afstemming over de uitgangspunten plaats te vinden met de afdeling Verkeer van de gemeente;
  • b. als blijkt dat de parkeerdruk hoger is dan het bepaalde in sub a, dienen extra parkeerplaatsen te worden gerealiseerd en in stand worden gehouden binnen 'Functie Woongebied', 'Functie Maatschappelijk' en 'Functie Verkeer - Verblijfsgebied' of binnen de aanduiding 'specifieke vorm van bos - uitbreiding parkeerplaatsen afweegbaar' tot een maximum van 100% van de parkeerbehoefte op basis van de parkeernorm zoals opgenomen in het gemeentelijke parkeerbeleid 'Programma Mobiliteit', met dien verstande dat:
      • door de realisatie van de extra parkeerplaatsen de parkeerdruk wordt verlaagd naar het bepaalde in sub a;
      • bij de realisatie van de parkeerplaatsen het Versterkingsplan in acht wordt genomen.
  • c. het bepaalde in sub a is niet van toepassing op de toegestane gebruiksactiviteiten binnen de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - parkeren algemeen'.
19.1.3 Aanvullende beoordelingsregel bouwen - met beoordelingsruimte

Bij een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden afgeweken van het bepaalde artikel 19.1.1 
indien:

  • a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
  • b. op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.
19.2 Waterberging
  • a. Het gebruik van gronden en gebouwen ter plaatse van het functievlak Functie Woongebied is uitsluitend toegestaan indien binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan is voorzien in een waterbergingsvoorziening van voldoende omvang en deze voorziening in stand wordt gehouden;
  • b. Het vergroten van het verhard oppervlak binnen het plangebied is uitsluitend toegestaan indien binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan is voorzien in een waterbergingsvoorziening van voldoende omvang en deze voorziening in stand wordt gehouden;
  • c. Er is sprake van voldoende omvang als de waterberingsvoorziening de capaciteit heeft van minimaal 43 mm per m² toename verhard oppervlak.
19.3 Doelgroepen
19.3.1 Algemene regel doelgroepen

Binnen de Functie Woongebied gelden de volgende regels;

  • a. ten minste 30% van de woningen bestaat uit sociale huurwoningen; en
  • b. ten minste 20% van de woningen bestaat uit middeldure huur/koopwoningen.

Met dien verstande dat bij de realisatie van 200 woningen in fase 1 zoals opgenomen in artikel 16.4 een afwijking van 10% ten opzichte van sub a mogelijk is, met dien verstande dat fase 1 en 2 voor het overige voldoen aan het bepaalde in sub a en b.

19.3.2 Instandhoudingstermijnen

De termijn voor instandhouding voor het bepaalde in 19.3.1 is na ingebruikname voor middeldure huurwoningen ten minste 15 jaar.

19.4 Waardevolle bomen
19.4.1 Omschrijving

Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - monumentale bomen te beschermen' zijn de gronden, naast de aldaar voorkomende functies, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de groeiplaats (uitgaande van de kroonprojectie) van waardevolle bomen.

19.4.2 Beoordelingsregels bouwen

Ter plaatse van de aanduiding 'waardevolle boom' mag niet worden gebouwd waardoor de bomen beschadigd raken.

19.4.3 Uitvoeren van een werk of werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het kappen van de boom;
  • b. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • c. de aanleg van leidingen;
  • d. het egaliseren, ophogen, verharden en afgraven van gronden binnen 5 meter uit het hart van een waardevolle boom.
19.4.4 Uitzondering vergunningplicht

Het bepaalde in artikel 19.4.3 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. van geringe omvang zijn, dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • b. op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn.
19.4.5 Beoordelingsregels werk en werkzaamheden

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen zoals bedoeld in artikel 19.4.3 indien door die werken en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, de waarde of functie van de in artikel 19.4.1 bedoelde gronden, die het plan beoogt te beschermen, niet onevenredig wordt of kan worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarde of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

19.5 Veiligheid

Voor het bouwen op en het gebruik van de gronden ter plaatse van de functievlakken Functie Woongebied en Functie Maatschappelijk is uitsluitend toegestaan indien:

  • 1. binnen dit TAM-omgevingsplan is voorzien in twee bluswaterbronnen die voldoen aan artikel 22.13 van dit omgevingsplan, en deze in stand worden gehouden;
  • 2. bij niet-grondgebonden woningen een zone van minimaal 5 meter breedte gemeten vanaf alle naar de bouwvlakgrens gekeerde gevels zodanig wordt ingericht en in stand gehouden dat brandoverslagrisico wordt beperkt. Wanneer sprake is van een de aanplant of instandhouding van groen dienen de volgende inrichtingsvereisten in acht te worden genomen:
    • a. het groen bestaat in basis uit extensief kort gras;
    • b. maximale vegetatiehoogte van beplanting is 5 tot 10 cm;
    • c. maximale grond-bedekking kruidenlaag van 60 tot 80%;
    • d. incidentele (iconische) solitaire bomen toegestaan, mits deze de gebouwen niet raken. Vanaf het maaiveld dient er voldoende hoog opgesnoeid te worden zodat een beginnende brand vanaf het maaiveld niet over kan slaan naar de top van de iconische boom. Indien de iconische boom komt te vervallen mag er geen boom op dezelfde afstand herplant worden;
    • e. maaisel direct (dezelfde dag) wordt afgevoerd;
    • f. maximale bedekking van natuurlijk afval (bladeren, dennennaalden,takken en dergelijken) bedraagt 5% gedurende het hele jaar; 
    • g. er vindt geen bemesting plaats.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 20 Overgangsrecht

20.1 Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwwerken geldt het volgende overgangsrecht:

  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in
    uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen,
    en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits
      de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag verleent eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip
    van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
20.2 Overgangsrecht gebruik

Voor gebruik geldt het volgende overgangsrecht:

  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit
    TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze
    verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te
    hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.