direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Hogewaldseweg 10, Groesbeek
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1945.BpGroHogewaweg10-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het wijzigingsplan

Aan de Hogewaldseweg 10 in het buitengebied van Groesbeek ligt een bedrijfswoning met daaromheen een ruim agrarisch bouwvlak. Ten behoeve van de verkoop van de woning wenst de initiatiefnemer het perceel van de woning om te zetten naar de bestemming Wonen. In het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Groesbeek' is hiervoor in artikel 3.8.5. een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Deze regeling vormt de juridische basis van dit plan.

Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een wijziging van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Hogewaldseweg 10 in het buitengebied van Groesbeek, tegen de grens met Duitsland. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BpGroHogewaweg10-VSG1_0002.png"

plangebied en omgeving (Openstreetmaps)

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

De locatie ligt in het buitengebied van Groesbeek. De omgeving bestaat uit een afwisseling van bospercelen, agrarische bedrijven met bijbehorende weilanden en enkele reguliere woonpercelen. Het glooiende landschap geeft het gebied een uniek karakter. In de directe omgeving ligt ten noordoosten een melkveebedrijf. Verder wordt de locatie omringd door weilanden. Het plangebied bestaat uit een woning, bijgebouwen en weilanden. De bebouwing dateert uit de jaren 50 van de vorige eeuw. Het woonerf is reeds landschappelijk ingepast door groen op de zijdelingse perceelsgrenzen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BpGroHogewaweg10-VSG1_0003.png"

Luchtfoto van het plangebied (bron foto: omgevingsvisie Gelderland)

2.2 Toekomstige situatie

Voorliggend plan voorziet enkel in omzetting van de bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het agrarisch bouwvlak wordt van het plangebied verwijderd. Er vinden geen fysieke wijzigingen plaats.

Het bestaande groen op de zijdelingse perceelsgrenzen blijft behouden, waardoor de woning ook in de toekomstige situatie landschappelijk ingepast is. Om dit te waarborgen is in de regels van dit plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijks- en provinciaal beleid

Onderhavig plan betreft enkel de omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning.

Er wordt daarbij gebruik gemaakt van een wijzigingsmogelijkheid uit het vigerende bestemmingsplan. Dit plan heeft geen fysieke wijzigingen als gevolg. Daarmee is dit initiatief dusdanig gering van omvang en niet gelegen in een bijzonder of waardevol gebied, dat er geen rijks- of provinciale belangen in het geding zijn. Nadere toetsing aan het rijks- en provinciaal beleid is om die reden niet noodzakelijk.

3.2 Gemeentelijk beleid

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Groesbeek', vastgesteld door de gemeente op 29 april 2013. Voor de gehele locatie geldt de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden'. Daarbinnen ligt over het gehele plangebied een bouwvak. Ook is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarden' van toepassing. Verder ligt de locatie binnen de gebiedsaanduidingen 'overig - ehs-verweving' en 'overig - zuidelijk deel lage middengebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BpGroHogewaweg10-VSG1_0004.png"

Uitsnede van het geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Groesbeek'

Om het woonperceel te wijziging naar een woonbestemming, wordt gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid zoals die in artikel 3.8.5. 'Wonen' is opgenomen. Aan het gebruik van deze wijzigingsregeling zijn enkele voorwaarden opgenomen. In het vervolg van deze paragraaf zijn deze voorwaarden opgenomen, waarna per voorwaarde wordt aangetoond op welke wijze daaraan wordt voldaan.

Wijzigingsbevoegdheid artikel 3.8.5 'Wonen'

Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen teneinde bij de beëindiging van een agrarisch bedrijf, dit bedrijf om te zetten ten behoeve van burgerbewoning, waarbij de volgende voorwaarden gelden:

  • a. Wijziging is uitsluitend toegestaan ter plaatse van het bouwvlak.
  • b. Het bouwvlak wordt verwijderd en het bestemmingsvlak ‘Wonen’ bestaat uit de voormalige agrarische bedrijfswoning met bijhorende tuinen, erven en verhardingen.
  • c. De agrarische bedrijvigheid dient te zijn beëindigd.
  • d. Het aantal burgerwoningen mag niet meer bedragen dan één.
  • e. In afwijking van het bepaalde onder d dient de voormalige bedrijfsbebouwing te worden gesloopt, waarbij geldt dat:
    • 1. in geval van sloop van minimaal 750 m² aan bedrijfsbebouwing en/of bijbehorende bouwwerken is 1 nieuwe vrijstaande woning toegestaan;
    • 2. in aanvulling op sub 1 geldt in geval van sloop van minimaal 1500 m² aan bedrijfsbebouwing en/of bijbehorende bouwwerken dat 2 nieuwe vrijstaande woningen zijn toegestaan;
  • f. In afwijking van het bepaalde onder lid d geldt bij sloop van alle kassen en bestaande bedrijfsgebouwen ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve kwekerij’ dat:
    • 1. Bij sloop van 0 m² - 1.000 m²: geen mogelijkheden voor bouw woning.
    • 2. Bij sloop van 1.000 m² - 2.500 m²: maximaal 1 nieuwe vrijstaande woning is toegestaan.
    • 3. Bij sloop van 2.500 m² - 8.000 m²: maximaal 1 nieuwe vrijstaande woning is toegestaan.
    • 4. Bij sloop van > 8.000 m²: maximaal 2 nieuwe vrijstaande woningen zijn toegestaan.
  • g. In afwijking van en in aanvulling op het bepaalde in lid d, e en f dient karakteristieke en/of monumentale bebouwing gehandhaafd te blijven. Karakteristieke en/of monumentale bebouwing mag worden hergebruikt voor wonen, waarbij geldt dat naast de bestaande (bedrijfs)woning:
    • 1. de extra woonfunctie uitsluitend mag plaatsvinden in de karakteristieke en/of monumentale bebouwing;
    • 2. het gehele gebouw mag worden gebruikt voor de woonfunctie;
    • 3. de bestaande inhoud van het gebouw niet mag worden vergroot;
    • 4. de toevoeging van de extra woonfunctie noodzakelijk is in verband met het herstel of de verbetering van de te beschermen cultuurhistorische en/of monumentale waarden;
    • 5. de nieuwe woningen na splitsing en/of toevoeging ieder een inhoud dienen te hebben van minimaal 300 m³.
  • h. De woning dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn.
  • i. Het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkeling van de omliggende agrarische bedrijven voortvloeiende uit de milieuwetgeving.
  • j. Parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein, binnen het bestemmingsvlak.
  • k. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfbeplantingsplan, waarbij de landschappelijke kenmerken zoals genoemd in artikel 26.5 in acht worden genomen en waarbij gebruik wordt gemaakt van inheemse soorten.

Ad.

  • a. Wijziging is uitsluitend toegestaan ter plaatse van het bouwvlak.

Het plangebied betreft, zoals deze voorwaarde voorschrijft, het bestaande agrarische bouwvlak.

  • b. Het bouwvlak wordt verwijderd en het bestemmingsvlak ‘Wonen’ bestaat uit de voormalige agrarische bedrijfswoning met bijhorende tuinen, erven en verhardingen.

Voorliggend plan voorziet in het verwijderen van het bestaande bouwvlak. Het perceel, kadastraal bekend als gemeente Groesbeek, sectie Q, nr. 384 wordt omgezet naar Wonen. Het gaat om de gronden direct rondom de woning, met bijbehorende tuin en verharding. De overige gronden binnen het plangebied behouden de bestaande bestemming.

  • c. De agrarische bedrijvigheid dient te zijn beëindigd.

Hiervan is sprake.

  • d. Het aantal burgerwoningen mag niet meer bedragen dan één.

De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Dit plan maakt geen extra woningen mogelijk.

  • e. In afwijking van het bepaalde onder d dient de voormalige bedrijfsbebouwing te worden gesloopt, waarbij geldt dat:
    • 1. in geval van sloop van minimaal 750 m² aan bedrijfsbebouwing en/of bijbehorende bouwwerken is 1 nieuwe vrijstaande woning toegestaan;
    • 2. in aanvulling op sub 1 geldt in geval van sloop van minimaal 1500 m² aan bedrijfsbebouwing en/of bijbehorende bouwwerken dat 2 nieuwe vrijstaande woningen zijn toegestaan;

Er is bij voorliggend plan geen sprake van sloop van bestaande bedrijfsbebouwing.

  • f. In afwijking van het bepaalde onder lid d geldt bij sloop van alle kassen en bestaande bedrijfsgebouwen ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve kwekerij’ dat:
    • 1. Bij sloop van 0 m² - 1.000 m²: geen mogelijkheden voor bouw woning.
    • 2. Bij sloop van 1.000 m² - 2.500 m²: maximaal 1 nieuwe vrijstaande woning is toegestaan.
    • 3. Bij sloop van 2.500 m² - 8.000 m²: maximaal 1 nieuwe vrijstaande woning is toegestaan.
    • 4. Bij sloop van > 8.000 m²: maximaal 2 nieuwe vrijstaande woningen zijn toegestaan.

Er is bij voorliggend plan geen sprake van sloop van bestaande bedrijfsbebouwing.

  • g. In afwijking van en in aanvulling op het bepaalde in lid d, e en f dient karakteristieke en/of monumentale bebouwing gehandhaafd te blijven. Karakteristieke en/of monumentale bebouwing mag worden hergebruikt voor wonen, waarbij geldt dat naast de bestaande (bedrijfs)woning:
    • 1. de extra woonfunctie uitsluitend mag plaatsvinden in de karakteristieke en/of monumentale bebouwing;
    • 2. het gehele gebouw mag worden gebruikt voor de woonfunctie;
    • 3. de bestaande inhoud van het gebouw niet mag worden vergroot;
    • 4. de toevoeging van de extra woonfunctie noodzakelijk is in verband met het herstel of de verbetering van de te beschermen cultuurhistorische en/of monumentale waarden;
    • 5. de nieuwe woningen na splitsing en/of toevoeging ieder een inhoud dienen te hebben van minimaal 300 m³.

Binnen het plangebied is geen karakteristieke en/of monumentale bebouwing aanwezig.

  • h. De woning dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn.

Hiervan is sprake. Zoals nader toegelicht in paragraaf 4.1.5 is er van geurhinder van het naastgelegen melkveebedrijf geen sprake. Andere (agrarische) bedrijven zorgen ook niet voor milieuhygiënische hinder (zie paragraaf 4.1.4). Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

  • i. Het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkeling van de omliggende agrarische bedrijven voortvloeiende uit de milieuwetgeving.

Omliggende agrarische bedrijven worden door dit plan niet gehinderd in hun bedrijfsvoering. Zie voor een nadere toelichting paragraaf 4.1.4 'milieuzonering' en 4.1.5 'geur'.

  • j. Parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein, binnen het bestemmingsvlak.

Zoals nader is gemotiveerd in paragraaf 4.4 'Verkeer' heeft dit plan geen gevolgen voor de verkeerssituatie ter plaatse. Parkeren gebeurt op eigen terrein, op het bestaande woonperceel. In de regels van dit plan is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

  • k. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door burgemeester en wethouders goedgekeurd erfbeplantingsplan, waarbij de landschappelijke kenmerken zoals genoemd in artikel 26.5 in acht worden genomen en waarbij gebruik wordt gemaakt van inheemse soorten.

In de bestaande situatie is de woning reeds landschappelijk ingepast. De bestaande landschappelijke elementen worden in stand gehouden, hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.

Conclusie

Op basis van voorgaande motivatie kan geconcludeerd worden dat het initiatief passend is bij de voorwaarden behorende bij de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 3.8.5 'Wonen'.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Planspecifiek

Voorliggend plan voorziet ter plaatse van het woonperceel in een functiewijziging van agrarisch naar wonen. Wonen is een bodem gevoelige functie. Om aan te kunnen tonen dat de bodemkwaliteit ter plaatse overeenkomt met het toekomstig functie gebruik, is een vooronderzoek naar de bodemkwaliteit uitgevoerd. Het gehele rapport is als bijlage 1 toegevoegd. De belangrijkste conclusies van het onderzoek zijn dat:

  • er met betrekking tot de kwaliteit van de bodem, met uitzondering van de parameter asbest, geen belemmeringen bestaan voor de bestemmingsplanwijziging;
  • het verkennend onderzoek aanleiding geeft om asbestverontreinining op de locatie te verwachten. Een onderzoek asbest in puin conform NEN 5897 zal moeten uitwijzen of deze verwachting juist is.

Het onderzoek asbest in puin is opgenomen in bijlage 2. Hierin wordt geconcludeerd dat er buiten een asbestverdachte plaat, geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen. Ook analytisch is er geen asbest geconstateerd. Gelet op het feit dat de asbestverdachte plaat gekwalificeerd is als begraven bouwstof, bestaat er echter géén reden voor een nader onderzoek asbest in bodem. De initiatiefnemer neemt zelf de verantwoordelijkheid voor het verwijderen van de asbestverdachte plaat. Er zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

4.1.2 Lucht

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' is het van belang te bepalen wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.

Bijdrage aan luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt (aan de Bredeweg ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

  NO2 (stikstofdioxide)   PM10 (Fijn stof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2015 (µg/m3)   19,3 µg/m3   18,5 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3  

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief, dat enkel uit het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning bestaat, van geringe omvang vergeleken met een ontwikkeling van 1.500 woningen (grenswaarde van 3%). Op basis daarvan is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

4.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

  • woningen;
  • geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek

Met voorliggend plan wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Er worden geen extra woningen mogelijk gemaakt. In de bestaande situatie is de woning reeds een geluidgevoelig object aan een rustige weg. Voorliggend plan verandert niets aan die situatie. Er is geen sprake van geluidhinder.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geluid.

4.1.4 Milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.

De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

Planspecifiek 

Voorliggend plan betreft een functiewijziging van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Er worden geen nieuwe gevoelige objecten toegevoegd.

Ten noordoosten ligt, direct naast de planlocatie, een melkveebedrijf. Het wederzijds effect van de woning en het bedrijf wordt vanuit het aspect geur nader toegelicht in navolgende paragraaf 4.1.5 Geur. Vanuit de overige aspecten m.b.t. milieuzonering geldt voor dit bedrijf een maximale richtafstand van 30 m. (stof en geluid). De daadwerkelijke afstand tussen de woning en het bedrijf bedraagt 50 m. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven worden door voorliggend plan ook niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit milieuzonering.

4.1.5 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:

geurgevoelig object gelegen in:   maximaal toegestane geurbelasting
(odour units per m3 lucht)  
concentratiegebied binnen bebouwde kom   3,0 ouE/m3   
concentratiegebied buiten bebouwde kom   14,0 ouE/m3  
niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom   2,0 ouE/m3  
niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom   8,0 ouE/m3  

Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:

  • binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;
  • buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter.

Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen danwel buiten de bebouwde kom.

De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel. De gemeente Berg en Dal heeft de Verordening geurhinder en veehouderij 2017 vastgesteld.

Planspecifiek

Het bestaande agrarische woonperceel wordt door dit plan omgezet naar een woonfunctie. Wonen is een geur gevoelige functie. Derhalve is het van belang te kijken naar veehouderijen in de omgeving van de locatie.

Direct naast het plangebied ligt aan de Hogewaldseweg 12 een melkveehouderij. In de gemeentelijk geurverordening is opgenomen dat de minimale afstand tussen woningen en agrarische bouwvlakken van veehouderijen met minder dan 200 stuks melkrundvee (en 140 stuks jongvee), 25 meter dient te bedragen. De daadwerkelijk afstand tussen het woonperceel en het agrarische bouwvlak bedraagt 35 meter. Daarmee wordt voldaan aan de minimale afstand zoals opgenomen in de gemeentelijke geurverordening.

In de nabijheid van de planlocatie liggen geen andere veehouderijen die vanuit geur van belang zijn. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend initiatief geen negatief effect heeft op de bedrijfsvoering van omliggende veehouderijen en dat er in de woning sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geur.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.

De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.

Planspecifiek

Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BpGroHogewaweg10-VSG1_0005.png"

Uitsnede risicokaart

Voorliggend plan voorziet niet in een toename van het aantal (beperkt) kwetsbare objecten. Voorgaande afbeelding toont daarnaast dat er in de omgeving van de bestaande woning (rode pijl) geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes gelegen zijn.

Het plan is uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid.

4.2 Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Beleid waterschap Rivierenland

Met ingang van 22 december 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 'Koers houden, kansen benutten' bepalend voor het waterbeleid van waterschap Rivierenland. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het Waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2016-2021) wil bereiken en hoe het dat wil doen. Speerpunten zijn bescherming tegen overstromingen (veel dijkverbeteringen), innovatie bij de zuivering van afvalwater en een klimaatbestendig watersysteem (onder andere beperken van wateroverlast).

Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

Waterplan Groesbeek (2008)

Het doel van het waterplan Groesbeek is te komen tot een gezond en veerkrachtig watersysteem binnen de gemeentegrenzen met een concreet uitvoeringsprogramma als eindresultaat. Hierbij zijn goede afspraken gemaakt tussen gemeente, waterschap en andere betrokken partijen over de uitvoering, planning en financiering van de voorgenomen maatregelen. Het leeuwendeel van de maatregelen richt zich op de beleving en het bergen van regenwater. Het meest effectief is het zoveel mogelijk afkoppelen van regenwater door infiltratie, omdat de bodemgesteldheid hiervoor bijzonder geschikt is.


Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Planspecifiek

Voorliggend plan heeft geen fysieke wijzigingen als gevolg. De functiewijziging van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning heeft geen nadere gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.

4.3 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.


Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Voorliggend plan voorziet in een functiewijziging waardoor de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Er vinden geen fysieke wijzigingen plaats. Vanuit ecologie heeft dit plan dan ook geen effecten.

De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

4.4 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. De woning is ontsloten op de Hogewaldseweg. Parkeren gebeurt in de bestaande situatie al op eigen terrein, naast de woning. Er is hier voldoende ruimte aanwezig voor het parkeren van 3 voertuigen, waarmee de situatie in lijn is met de parkeernorm van 2,7 (CROW, vrijstaande woning, buitengebied). In de regels van dit plan is vastgelegd dat er dient te worden voldaan aan de parkeernorm van 2,7 parkeerplaatsen. Dit plan verandert niets aan de verkeerssituatie ter plaatse.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Archeologie

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Op basis van de Wamz zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek

Cultuurhistorie

In en rondom het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Tevens vinden door dit plan geen bouwingrepen plaats. Vanuit cultuurhistorie treden er geen negatieve effecten op.

Archeologie

Ter plaatse van het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde' opgenomen. In de regels van het vigerende plan is aangegeven dat archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij nieuwe bouwwerken van 100 m² of groter. Echter voorziet voorliggend plan niet in fysieke veranderingen. Van archeologisch onderzoek is dan ook geen sprake. Wel blijft de bestaande dubbelbestemming voor het plangebied behouden. Op deze wijze blijven bij eventuele toekomstige fysieke ingrepen mogelijke waardevolle archeologische resten beschermd.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect cultuurhistorie en archeologie.

4.6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

Voorliggend plan voorziet enkel in een functie wijziging. Er vinden geen fysieke ingrepen plaats, waardoor een bouwplan ontbreekt. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges.

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het wijzigingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.

Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het wijzigingsplan.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

Regels

De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
  • Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
  • Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2 Wijze van bestemmen

Voorliggend wijzigingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • Enkelbestemming: 'Wonen', ter plaatse van het woonperceel van de bestaande woning. Ten behoeve van de landschappelijke inpassing is in de regels van dit plan tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen, evenals voor het voldoen aan de parkeernorm.
  • 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden', ter plaatse van de overige delen van het plangebied. Het bestaand agrarisch bouwvlak komt door voorliggend plan te vervallen.

Verder blijven de bestaande gebiedsaanduidingen 'overig: ehs-verweving' en 'overig: zuidelijk deel lage middengebied' voor het plangebied behouden.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp wijzigingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het wijzigingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpwijzigingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door het college wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het wijzigingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het wijzigingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.

6.2 Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Dit wijzigingsplan is vanwege de beperkte omvang niet toegezonden aan de provincie en het waterschap.

6.3 Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro

Voor het plan is geen formele inspraakprocedure gehouden. Het plan is direct als ontwerp ter inzage gelegd.

6.4 Verslag zienswijzen

Het wijzigingsplan heeft vanaf 3 mei 2019 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.