direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De herontwikkeling van de voormalige schoollocatie tussen de Chopinstraat, de Vivaldistraat en het Gengske bestaat uit drie fasen. Voor het zuidelijk deel van dit plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Herontwikkeling Schoollocatie Chopinstraat 3’, zoals vastgesteld op 7 februari 2012. Op basis van dit bestemmingsplan zijn twee van de drie fasen ingevuld met concrete bouwplannen, die inmiddels zijn gerealiseerd.

Aan de oostzijde (fase 1) is een complex met 20 huurappartementen en een kinderdagverblijf gebouwd. Het gebouw kenmerkt zich door een oriëntatie naar alle zijden. Het gebouw aan de westzijde (fase 2) bestaat uit drie bouwlagen met een kap, met in totaal 21 appartementen. De woningen worden ontsloten via een galerij aan het binnengebied.

De onderhavige planlocatie betreft de afrondende 3e fase van de herontwikkeling. De gemeenteraad van Berg en Dal heeft op 17 juni 2021 besloten de schoollocatie 3e fase her te ontwikkelen voor de bouw van 26 sociale huurwoningen. Woningcorporatie Waardwonen is voornemens het appartementencomplex te realiseren. De ontwikkeling vindt plaats conform het stedenbouwkundig plan en de beeldkwaliteitseisen die de gemeenteraad eveneens op 17 juni 2021 heeft vastgesteld.

Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, moet het geldende bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied worden herzien. Het betreft een bestemmingsplan met enige flexibiliteit, aangezien het ontwerp van het woongebouw in een later stadium middels een Design & Build aanpak zal worden gerealiseerd. Bij een Design & Build project wordt zowel het ontwerp als de realisatie van een object aan één marktpartij overgelaten.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in de kern Millingen aan de Rijn en staat kadastraal bekend als gemeente Millingen, sectie A, nummers 4.778, 4.779 en 6.073 en heeft een totale oppervlakte van circa 3.380 m². Het plangebied wordt begrensd door:

  • Noordzijde: de Chopinstraat en een basisschool;
  • Oostzijde: het Gengske en een drietal woonpercelen;
  • Zuidzijde: de wooncomplexen uit fase 1 en 2;
  • Westzijde: de Vivaldistraat en een begraafplaats.

Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-VSG1_0001.jpg"

Globale ligging plangebied (rode stip)

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-VSG1_0002.jpg"

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

1.3 Geldend(e) plan(nen)

Voor de gronden in het plangebied gelden de bestemmingsplannen 'Kom Millingen' en 'Herontwikkeling Schoollocatie Chopinstraat 3', zoals de gemeenteraad van de voormalige gemeente Millingen aan de Rijn op respectievelijk 6 juli 2004 en 7 februari 2012 heeft vastgesteld.

Op basis van het bestemmingsplan 'Kom Millingen' geldt ter plaatse van het plangebied de bestemming 'Maatschappelijke doeleinden' met bouwvlak. Daarnaast is voor het plangebied een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, om herontwikkeling van het volledige wijzigingsgebied mogelijk te maken. In het kader van deze wijzigingsbevoegdheid kunnen Burgemeester en wethouders de bestemmingen 'Maatschappelijke doeleinden' in het plangebied, 'wijzigen in de bestemmingen 'Woondoeleinden', 'Groen' en 'Verblijfsdoeleinden', indien onder andere wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de wijziging in de bestemming ''Woondoeleinden'' mag uitsluitend plaatsvinden ten behoeve van maximaal 60 woningen, waarvan maximaal 40 gestapelde woningen uitsluitend gelegen aan ’t Gengske en voor het overige vrijstaande, half-vrijstaande en aaneengesloten woningen, waarbij de volgende maatvoering van toepassing is:
    • 1. de bouwhoogte van de gestapelde woningen bedraagt maximaal 9 m, met dien verstande dat geen kap verplicht is;
    • 2. de goothoogte van de vrijstaande, half-vrijstaande, geschakelde en aaneengesloten woningen bedraagt maximaal 6 m.

Op basis van het bestemmingsplan 'Herontwikkeling Schoollocatie Chopinstraat 3' gelden ter plaatse van het plangebied de bestemmingen 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-VSG1_0003.jpg"

Uitsnede geldende bestemmingsplannen met globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

Omdat de beoogde 26 sociale huurappartementen, de ontsluiting van het complex en de bijbehorende parkeervoorziening niet passend zijn binnen enerzijds de maatschappelijke bestemming en de wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan 'Kom Millingen' en anderzijds de bestemming 'Groen' uit het bestemmingsplan 'Herontwikkeling Schoollocatie Chopinstraat 3', worden de bestemmingen van de gronden in het plangebied herzien.

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen.

Inleiding en gebiedsvisie
In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied.

Verantwoording
Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet.

Juridische planbeschrijving
In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.

Uitvoerbaarheid
Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied is onderdeel van een voormalige schoollocatie tussen de Chopinstraat, de Vivaldistraat en het Gengske. Het oude schoolcomplex is gesloopt en het zuidelijk deel van de voormalige schoollocatie is nadien ingevuld met twee nieuwe woongebouwen. Aan de oostzijde is één complex met 20 huurappartementen en één kinderdagverblijf gebouwd (fase 1) en aan de westzijde is één complex met 21 appartementen gebouwd (fase 2).

Het onderhavige plangebied vormt de afrondende 3e fase van de herontwikkeling. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een gazon, met een wandelpad en verschillende bomen, waaronder een plataan met bijzondere status. Navolgend zijn verschillende impressies opgenomen van de bestaande situatie in en om het plangebied:

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-VSG1_0004.jpg"

Impressie plangebied vanaf de Chopinstraat met op de achtergrond de bebouwing uit fase 1 en 2

Aan de overzijde van de Chopinstraat, ten noorden van het plangebied, ligt een basisschool. De toegangswegen ten oosten en westen van de school en het Gengske worden begeleid door bomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-VSG1_0005.jpg"

Impressie vanuit het plangebied in noordelijke richting met de school en de bomenrijen

Tegenover het Gengske ligt een kerk, drie vrijstaande woningen en de achterzijde van winkelbebouwing:

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-VSG1_0006.jpg"

Impressie vanaf de Chopinstraat in de richting van het Gengske

Het plangebied is gelegen in een groene omgeving. Het groene raamwerk zorgt voor de samenhang in het gebied. Vooral in de noord-zuid richting begeleiden grote bomen de verkeersstructuur en de randen van de percelen. De losse bomenstructuur binnen de percelen geeft een parkachtige sfeer. In oost-westrichting liggen de langzaamverkeersroutes, grotendeels in een groene zone:

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-VSG1_0007.jpg"

Impressie van de groenstructuur rond het plangebied

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Stedenbouwkundige opzet

Fase 3 van de herontwikkeling van de voormalige schoollocatie bestaat uit één gebouw, bestaande uit twee geschakelde volumes. Het nieuwe complex vormt één ensemble met de twee zuidelijke gebouwen (fase 1 en 2). De haakvorm van het beoogde gebouw complementeert het ensemble. Het oostelijke volume volgt de oriëntatie van fase 1 en presenteert zich aan het Gengske, het westelijke volume staat haaks op fase 2 en heeft de meest representatieve gevel aan de Chopinstraat.

Het gebouw staat vrij in het groen, in een parkachtige setting. De begeleiding van de toegangswegen en het Gengske wordt in het plangebied voorgezet, door de bestaande bomen te behouden en nieuwe bomen ter omkadering van het plangebied aan te planten. Het bouwvlak van het gebouw is afgestemd op de grote Plataan aan de zijde van de Chopinstraat, zodat deze behouden kan blijven. Ook bij het nader civieltechnisch uitwerken van de nieuwe parkeerplaatsen wordt rekening gehouden met deze boom.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-VSG1_0008.png" Verkavelingsopzet en beoogde gebiedsinrichting van de herontwikkeling aangevuld met bouwvlak (gele omkadering)

Het appartementengebouw wordt voorzien van een galerijontsluiting en bestaat uit 3 bouwlagen met 26 sociale huurappartementen. Het gebouw heeft een samenhang in maat en schaal met de gebouwen uit fase 1 en 2. De oppervlakte van het complex bedraagt circa 1.020 m2, inclusief galerij en balkons. De appartementen krijgen een oppervlakte van circa 60 - 90 m2 bvo en zijn bestemd voor de doelgroep kleine huishoudens, waarbij de nadruk ligt op 55-plussers.

Aan de noordzijde van het gebouw worden 20 parkeerplaatsen gerealiseerd, die via een inrit vanaf de Vivaldistraat te bereiken zijn. Aanvullend worden in het verlengde van de bestaande parkeerplaatsen aan de Vivaldistraat 7 parkeerplaatsen aangelegd. Hier geldt reeds een verkeersbestemming. Vandaar dat deze gronden niet zijn opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Daarnaast worden 4 van de bestaande parkeerplaatsen aan de Vivaldistraat toegeschreven aan fase 3, deze vormen een overcapaciteit uit fase 1 en 2.

De gewenste ontsluiting via de Vivaldistraat en het behoudt van de oude grote Plataan zijn kaderstellend voor het stedenbouwkundig ontwerp. Vandaar dat de mogelijkheden om het gebouw te draaien beperkt zijn. Het stedenbouwkundig plan is als bijlage 1 bij de toelichting toegevoegd.

2.2.2 Beeldkwaliteit

Ook bij het opstellen van de beeldkwaliteitseisen (zie bijlage 2) is rekening gehouden met de gewenste dorpse uitstraling. Daarnaast wordt in het kader van de Design & Build aanpak ruimte geboden binnen de gestelde beeldkwaliteitseisen om te komen tot een passende architectonische invulling. Navolgend is op hoofdlijnen aangegeven wat de beeldkwaliteitseisen zijn. Voor meer details wordt verwezen naar het document beeldkwaliteitseisen zelf.

De beeldkwaliteitseisen zijn vooral een communicatiemiddel, waarmee wordt aangegeven wat de ‘doelstellingen’ zijn ten aanzien van de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit en samenhang.

De herkenbaarheid van het plangebied als zelfstandige eenheid (het ‘eilandgevoel’) wordt vertaald in de inrichting van het openbaar gebied, de vormgeving van de gebouwen en de samenhang hiertussen. In de uitwerking van de stedenbouwkundige opzet staat de onderlinge afstemming en gelijkheid voorop. Het nieuwe appartementengebouw van fase 3 moet in samenhang worden bezien met de bestaande appartementengebouwen uit fase 1 en 2. Op hoofdlijnen (bouwmassa, bouwhoogte e.d.) is gekozen voor verwantschap, op onderdelen (gevelbeeld, detaillering e.d.) kunnen andere keuzes worden gemaakt.

De beeldkwaliteitsaspecten zijn onderverdeeld in vier categorieën:

  • 1. Situering;
  • 2. Bouwmassa;
  • 3. Vormgeving en detaillering;
  • 4. Kleur- en materiaalgebruik.

Voorbeelden architectonische uitwerking
In de paragraaf over beeldkwaliteit zijn ook enkele referentiebeelden opgenomen als voorbeeld voor de architectonische uitwerking:

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-VSG1_0009.png"

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De kaders van het rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In de SVIR schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid meer bij provincies en gemeenten komen te liggen. Het Rijk zal zich alleen bezig houden met de zaken die prioriteit hebben. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De structuurvisie is juridisch vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie 3.1.2.

Planspecifiek
Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. De SVIR is niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de SVIR. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

Planspecifiek
Voor het plangebied is alleen nationaal belang 13 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde' van belang. Het plangebied valt namelijk binnen de indicatieve zone voor de 'Romeinse Limes' (Voorlopige Lijst). De categorie 'Voorlopige Lijst' bevat erfgoederen die het Rijk op verzoek van de betrokken medeoverheden de komende jaren gaat voordragen voor de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Het rijksbelang heeft betrekking op het behoud en de versterking van de uitzonderlijke universele waarde van de erfgoederen. De kernkwaliteiten die bepalend zijn voor deze waarde zijn in het Barro als volgt omschreven:

'De unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven voormalige (militaire) grens van het Romeinse Rijk. De Limes ligt langs de toenmalige loop van de Rijn met archeologische overblijfselen uit de periode 0 tot 400 na Chr. bestaande uit:

  • forten (castella)
  • burgerlijke nederzettingen (kampdorpen/vici) en grafvelden;
  • militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens;
  • scheepswrakken.'

De in het besluit omschreven kernkwaliteiten dienen door het provinciaal bestuur te worden uitgewerkt. De uitwerking moet dusdanig zijn, dat de uitgewerkte kernkwaliteiten sturend kunnen zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen op het niveau van bestemmingsplannen. Het uitgangspunt is, dat ruimtelijke ontwikkelingen in erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde mogelijk zijn, mits de uitgewerkte kernkwaliteiten van de erfgoederen worden behouden of versterkt («ja, mits»-principe). Ontwikkelingen die de uitgewerkte kernkwaliteiten niet aantasten zijn dus in beginsel toegestaan. Maatvoering, schaal en ontwerp van ruimtelijke projecten bepalen sterk het effect van het project op de kernkwaliteiten.

In toelichting paragraaf 4.10 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'

In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied.

Planspecifiek

Kwantitatieve behoefte
Voor de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen is sinds 15 december 2020 de nieuwe gezamenlijk regionale 'Woonagenda Nijmegen e.o. 2020-2030' van kracht. Op basis van een analyse van de regionale behoefte, kunnen in de regio gedurende de looptijd van de agenda circa 20.500 woningen worden gebouwd. Voor Berg en Dal komt dit neer op circa 1.455 woningen. In de provinciale 'Woningmarktmonitor' is voor de gemeente Berg en Dal een netto plancapaciteit van 588 woningen opgenomen (harde en zachte plannen), waardoor er nog ruimte is voor het toevoegen van nieuwe woningen.

Uit het recente Actieplan wonen van de gemeente Berg en Dal (zie subparagraaf 3.3.2) blijkt dat er behoefte is aan 1.200 woningen tot 2030. Omdat de behoefte aan woningen tot 2030 vooralsnog groter is dan het beoogde aanbod 'netto plancapaciteit', is de kwantitatieve behoefte voldoende aangetoond.

Kwalitatieve behoefte
De beoogde woningbouwontwikkeling met 26 sociale huurappartementen voorziet specifiek in de groeiende vraag naar kleine(re) en betaalbare woningen.

Ligging binnen bestaand stedelijk gebied
Tot slot dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan een 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur' (artikel 1.1.1 onder h Bro). Gelet op de ligging van het plangebied nabij het centrum van Millingen aan de Rijn en het feit dat het plangebied voorheen bebouwd was (er is sprake van herstructurering), is het plangebied aan te merken als bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.4 Conclusie

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

3.2 Provinciaal beleid

Op 19 december 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' vastgesteld. De bijbehorende geactualiseerde 'Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021)' heeft het college van Gedeputeerde Staten op 31 maart 2021 vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren.

De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie 2 keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast.

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De wereld verandert ingrijpend en er komt veel op de inwoners van Gelderland af. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. We moeten samen keuzes maken over de voorliggende vraagstukken en de betekenis daarvan voor de inrichting van Gelderland. In onderling overleg zoeken naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden. Daarom zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.

Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen worden uitgebreid.

De dynamiek op de woningmarkt is groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Het grootste deel van de woningen die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden.

Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden. Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van de Gelderlanders.

Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling sluit aan bij het vertrekpunt dat zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gebouwd wordt. Bovendien betreft het woningen, die onder andere geschikt zijn voor ouderen om langer zelfstandig te wonen. Hiermee wordt bijgedragen aan de provinciale ambitie om voor een ieder een passende woning te hebben. Daarnaast wordt ook aan de provinciale duurzaamheidambities gedacht door de nieuwe woningen zonder aardgasaansluitingen te realiseren.

De Omgevingsvisie doet verder geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor de voorliggende ontwikkeling. De Omgevingsvisie vormt geen belemmering voor de nieuw te bouwen appartementen.

3.2.2 Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.

Planspecifiek
In artikel 2.2 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een ruimtelijk plan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt, als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Zoals in subparagraaf 3.3.2 is beschreven, past de beoogde ontwikkeling binnen de gemeentelijke woonagenda (en derhalve binnen de subregionale woonagenda). Daarmee is het plan passend binnen de omgevingsverordening.

Daarnaast is het plangebied onderdeel van de Romeinse Limes. Voor de Romeinse Limes, die op de Voorlopige Lijst Unesco Werelderfgoed van het Koninkrijk der Nederlanden staat om als werelderfgoed aangewezen te worden, zijn de begrenzingen van de gebieden indicatief aangegeven. In artikel 2.60 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, voor gronden gelegen binnen de Romeinse Limes, geen activiteiten mogelijk mag maken die de kernkwaliteiten (forten, burgerlijke nederzettingen, kampdorpen, grafvelden en militaire infrastructuur) aantasten. Hiervan is geen sprake, zie ook paragraaf 4.10.

Voor het onderhavige plangebied zijn geen andere specifieke doelstellingen geformuleerd in de Omgevingsverordening. Vandaar dat de Omgevingsverordening geen belemmering vormt voor de nieuw te bouwen appartementen.

3.2.3 Conclusie

In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Millingen aan de Rijn 2025

Op 29 januari 2013 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Millingen aan de Rijn de 'Structuurvisie gemeente Millingen aan de Rijn 2025' vastgesteld. In de structuurvisie wordt voor verschillende thema's aangegeven wat de basisverantwoordelijkheid van de gemeente is, wat de ambities en ontwikkelingen zijn die de gemeente mede wil realiseren, wat de kansen en ontwikkelingen zijn die de gemeente mogelijk wil maken en wat de bedreigingen en ontwikkelingen zijn die de gemeente tegen wil houden. De thema's betreffen:

  • Wonen en woonomgeving;
  • Voorzieningen;
  • Bedrijvigheid en werken;
  • Recreatie en toerisme;
  • Ruimtelijke kwaliteit;
  • Verkeer en infrastructuur.

De integrale structuurvisiekaart geeft de hoofdlijnen van de thema's in structuurvisie weer:

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-VSG1_0010.jpg"

Structuurvisiekaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering)

De gemeente richt haar woonbeleid voor de voormalige gemeente Millingen op:

  • het bouwen op basis van de behoefte, levensloopbestendig, aansluitend op de sociaal-economische positie van de bevolking;
  • accenten in het programma voor starters én goed en betaalbaar wonen voor jong en oud;
  • het aantrekken van huishoudens van buiten de gemeente;
  • het behouden en versterken van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.

Planspecifiek
Het plan om betaalbare sociale huurappartementen te realiseren, voor kleine huishoudens en in het bijzonder 55-plussers, past binnen de in de structuurvisie gestelde ambities. Bovendien gaat het om een inbreidingslocatie, waarvoor woningbouw voorzien is. Daarnaast worden de gronden rond het beoogde wooncomplex passend binnen het bestaande groene raamwerk ingepast, waardoor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving versterkt wordt. Door de voortzetting van de parkachtige setting heeft het openbaar gebied binnen het plangebied een functie als ontmoetingsplek.

3.3.2 Actieplan Wonen

Op 24 september 2020 heeft de gemeenteraad het Actieplan wonen vastgesteld.

Sinds de vorige woonagenda is de druk op de woningmarkt toegenomen Het is lastiger geworden om een betaalbare woning te vinden in Berg en Dal. Zeker in de kernen nabij Nijmegen zorgt de instroom vanuit deze stad voor meer schaarste van beschikbare woningen. Om hier een antwoord op te hebben en het woningaanbod toe te laten nemen is het zorg voor de gemeente om in de ruimtelijke ordening stimulerend en faciliterend op te treden. De druk op de woningmarkt maakt dat er minder betaalbare woningen beschikbaar zijn. Daarnaast is het lastiger geworden voor corporaties en ontwikkelaars om goedkope woningen te realiseren. Dit zorgt dat de gemeente werk moeten maken om beschikbaar goedkoop aanbod te realiseren.

De voor het plangebied relevante punten zijn hieronder weergegeven:

Ontwikkeling voorraad

  • 1.200 woningen toe voegen tot 2030;
  • De gemeente houdt bij ontwikkelingen vinger aan de pols. Dat betekent monitoren of de vraag wijzigt, bijhouden of de ontwikkelingen op peil blijven en planuitval van 30 % incalculeren.

Betaalbaarheid

  • De helft van de te bouwen 1.200 woningen is sociale huur en koop, middenhuur en betaalbare koop, waar mogelijk vast te leggen in bestemmings- of omgevingsplannen;
  • Stimuleren van doorstroming door toegankelijke woningen te bouwen, daarnaast in kaart brengen andere stimuleringsmaatregelen voor doorstroming;
  • Betaalbaarheid borgen door enerzijds passend toewijzen door de woningcorporaties en anderzijds prioriteit geven aan ontwikkelingen in het betaalbare segment.

Duurzaamheid

  • Berg en Dal is in 2050 klimaatneutraal;
  • Herbestemmen van vastgoed stimuleren.

Leefbaarheid

  • Sturen op een goede verdeling koop/huur en duur/goedkoop per wijk, waarbij de gemeente op inbreidingslocaties ook de verdeling in de directe omgeving meeweegt.

In het actieplan komen verschillende ambities bijeen, zoals 1.200 woningen realiseren voor 2030, vergroening van de wijken, aanbod goedkope woningen vergroten, toegankelijke hofjeswoningen, etc.. Het liefst wil de gemeente alle ambities voor de volle 100 % realiseren, maar zij weet ook dat dit niet altijd (financieel) haalbaar is. Bij plannen zullen concessies gedaan moeten worden.

Om realistisch om te gaan met dit spanningsveld werkt de gemeente met het ambitiekader woningbouw. Hiermee daagt de gemeente ontwikkelaars uit om aan zo veel mogelijk ambities te voldoen. Het college van burgemeester en wethouders houdt regie op het totale programma, zodat alle ambities in vergelijkbare mate aandacht krijgen.

Planspecifiek
Het plangebied betreft een inbreidingslocatie in Millingen aan de Rijn waar 26 sociale huurappartementen worden gerealiseerd. Er is grote behoefte aan meer betaalbare huurwoningen binnen de gemeente.

Alle nieuwe woningen zijn gasloos en voldoen aan de Bijna Energieneutraal Gebouwen (BENG)-norm. De beoogde ontwikkeling draagt daarmee zeker ook bij aan het aspect 'duurzaamheid' (klimaatneutraliteit) binnen het ambitiekader woningbouw.

3.3.3 Conclusie

In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.

3.4 Conclusie

Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig met het beleid van de verschillende overheden.

Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten

4.1 Verkeer & parkeren

4.1.1 Verkeer

De Heerbaan is de hoofdstraat van Millingen en de doorgaande route van Duitsland richting Nijmegen. Hieraan liggen de meeste functies van het dorp verbonden. Het plangebied ligt direct achter de Heerbaan. Het plangebied ligt niet aan een doorgaande autoweg en is daarom autoluw. Er bevinden zich wel doorgaande langzaamverkeersroutes in het gebied. Twee horizontale verbindingen met het centrum en het Genske, richting het sportpark. Voor de ontsluiting van het woongebouw zal gebruik worden gemaakt van de bestaande omliggende infrastructuur. Dit zijn de Vivaldistraat en Ravelstraat, richting de Zeelandsestraat.

Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan wordt gefaciliteerd, moet de verkeersaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag.

Om de verkeersgeneratie van de nieuwe woningen te bepalen is gekeken naar de ligging van het plangebied. De gemeente Berg en Dal is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'weinig stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van de 'rest bebouwde kom', waardoor de verkeersgeneratie (uitgaande van het gemiddelde van de aangegeven bandbreedtes) uitkomt op:

  • 4,1 voertuigbewegingen per appartement, sociale huur;

Uitgaande van de beoogde 26 appartementen betekent dit dat er: 26 x 4,1 = 106,6 extra voertuigbewegingen per etmaal plaatsvinden.

De infrastructuur rond het plangebied kan de extra 107 voertuigbewegingen per etmaal verwerken. Ook omdat voorheen in het plangebied een basisschool gevestigd was en ter plaatse van het plangebied een brede 'maatschappelijke' bestemming geldt. Oftewel de infrastructuur rond het plangebied is berekend op de maatschappelijke functies die volgens het huidige bestemmingsplan binnen het bouwvlak in het plangebied mogelijk zijn.

Vanwege de beperkte verkeersgeneratie is er qua verkeersveiligheid geen indicatie dat door het bouwplan de straten in de omgeving dusdanig druk worden dat verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn.

Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.1.2 Parkeren

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van CROW publicatie 381 'Toekomstbestending parkeren'. De gemeente Berg en Dal is qua omgevingsadressendichtheid aan te merken als een 'weinig stedelijke gemeente' en het plangebied is gelegen in de 'rest bebouwde kom'. De parkeerkencijfers uit de publicatie worden weergegeven in de vorm van een bandbreedte. De gemeente Berg en Dal gaat bij het bepalen van de parkeerbehoefte uit van het gemiddelde van deze bandbreedte. Navolgend is de parkeerbalans voor de bouw van het wooncomplex weergegeven.

Woningtype   Aantal   Parkeernorm   Parkeerbehoefte  
Appartement, sociale huur   26   1,2   31,2  


In totaal zijn voor 26 wooneenheden 31,2 parkeerplaatsen nodig. Van de 1,2 parkeerplaatsen per appartement, moeten 0,3 parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden gesitueerd, zodat deze toegankelijk zijn voor bezoekersparkeren. Oftewel minimaal 8 parkeerplaatsen moeten in de openbare ruimte worden gerealiseerd.

In deze berekening is nog geen rekening gehouden met het feit dat bewoners en bezoekers niet allemaal tegelijkertijd aanwezig zijn. Daardoor kan er sprake zijn van zogeheten dubbelgebruik. Voorwaarde is dat bezoekers en bewoners van dezelfde parkeerplaatsen gebruik kunnen maken (volledig uitwisselbaar). Om de werkelijke parkeerbehoefte te kunnen berekenen heeft het CROW zogeheten aanwezigheidspercentages gepubliceerd. Die geven aan, verspreid over de week, wanneer een doelgroep ook daadwerkelijk gebruik maakt van de parkeerplaatsen.

Het toepassen van de aanwezigheidspercentages voor bewoners en bezoekers levert de volgende parkeervraag op:

Aanwezigheidspercentages   Werkdag   Koopavond   Zaterdag   Zondagmiddag  
  Ochtend   Middag   Avond   Nacht     Middag   Avond    
Woningen
bewoners  
11,7   11,7   21,1   23,4   18,7   14,0   18,7   16,4  
Woningen bezoekers   0,8   1,6   6,2   0,0   5,5   4,7   6,2   5,5  
Totaal   12,5   13,3   27,3   23,4   24,2   18,7   25,0   21,8  

Bij volledige uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen ligt de piek van de parkeervraag op de werkdag in de avond. Op dat moment bedraagt de behoefte, afgerond naar boven op hele aantallen, 28 parkeerplaatsen.

In onderhavig plan wordt voorzien in 31 parkeerplaatsen, waarvan minimaal 11 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen aan de Vivaldistraat. Dit betekent dat het plan voldoet aan zowel de parkeervraag, als de parkeernorm.

Aan de noordzijde van het gebouw worden 20 parkeerplaatsen gerealiseerd, die via een inrit vanaf de Vivaldistraat te bereiken zijn. Aanvullend worden in het verlengde van de bestaande parkeerplaatsen aan de Vivaldistraat 7 parkeerplaatsen aangelegd. Daarnaast worden 4 van de bestaande parkeerplaatsen aan de Vivaldistraat toegeschreven aan fase 3, deze vormen een overcapaciteit uit fase 1 en 2.

Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.2 Bodem

4.2.1 Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

4.2.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Er is in het kader van de geplande woningbouw een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest en PFAS uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd.

Grond
In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen aangetoond. De verhoogde gehalten zijn vermoedelijk te relateren aan de bodemvreemde bijmenging met puin en/of het gebruik van de locatie door de jaren heen. Ten aanzien van de stoffengroep PFAS voldoet de bovengrond aan de functieklasse landbouw/natuur. De puinhoudende bovengrond bevat geen asbest.

In de toplaag van de bodem, op het noordoostelijk terreindeel, is HCB licht verhoogd gemeten. Het gemeten gehalte is vermoedelijk te relateren aan het voormalige gebruik van de locatie.

In de ondergrond zijn geen parameters verhoogd gemeten. Ten aanzien van de stoffengroep PFAS voldoet de ondergrond aan de functieklasse landbouw/natuur.

Op basis van de rekenregels voldoet zowel de boven- als de ondergrond ten aanzien van de reguliere chemische parameters aan de achtergrondwaarde. De milieuhygiënische kwaliteit van zowel de boven- als ondergrond vormt geen belemmering voor de geplande herontwikkeling.

Grondwater
In het grondwater zijn geen parameters in een verhoogde concentratie gemeten. Er bestaat ten aanzien van de chemische kwaliteit van het grondwater geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Conclusie
Milieuhygiënisch zijn er geen belemmering voor de herontwikkeling van het plangebied. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3 Geluid

4.3.1 Regelgeving

Algemeen
Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen.

De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie:

  • waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;
  • waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woon- en leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.

Wegverkeerslawaai
In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt.

Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel 76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-VSG1_0011.png"

Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg)

De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.

4.3.2 Doorvertaling bestemmingsplan

De wegen in en om het plangebied (o.a. de Vivaldistraat, de Chopinstraat, het Gengske en de Heerbaan) kennen allemaal een snelheidsregime van 30 km/u, zodat nader onderzoek naar het aspect wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. Het plangebied valt niet binnen een zone (200 m) van een weg met een snelheidsregime van 50 km/u of hoger. Bovendien zijn de wegen rond het plangebied autoluw en is de doorgaande weg, de Heerbaan, op circa 150 m van het plangebied gelegen. Door de afstand tot deze weg en de tussen gelegen bebouwing wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden.

Er zijn geen spoorwegen in de directe nabijheid van het plangebied gelegen. Voor nader onderzoek naar het aspect industrielawaai wordt verwezen naar paragraaf 4.4.

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4 Milieuzonering

4.4.1 Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.

Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.

Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-VSG1_0012.jpg" Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'

Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.

4.4.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Ten noorden van het beoogde woongebouw, bevindt zich basisschool St. Martinus en ten zuidoosten bevindt zich kinderdagverblijf De Kinderkorf. Vanwege het maatgevende aspect geluid zijn een school en een kinderdagverblijf inrichtingen uit milieucategorie 2, met een richtafstand van 30 m in rustig woongebied. Het plangebied ligt binnen deze richtafstand. Vandaar dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een akoestisch onderzoek industrielawaai is uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd.

In het onderzoek wordt de geluidsbelasting op de geluidsgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor de inpasbaarheid van het plan in relatie tot de activiteiten en geluidbelastingen door de basisschool kan de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' worden gehanteerd. Voor de basisschool gelden conform de VNG-publicatie in beginsel de grenswaarden volgens stap 2 voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), het maximale geluidniveau (LAmax) en de verkeersaantrekkende werking (Lih). Tevens mag de basisschool St. Marinus niet door het plan worden beperkt. Ook is er getoetst aan het Activiteitenbesluit.

De geluidsbelastingen op de appartemeten is eerst getoetst op de VNG-publicatie. Hierbij bedraagt het hoogst berekende geluidniveau van de indirecte hinder op de appartementen 46 dB(A). Hiermee wordt de richtwaarde van de indirecte hinder niet overschreden. De grenswaarde van het langtijdsgemiddeld beoordelingsniveau (stap 3) op de appartementen wordt met maximaal 4 dB overschreden. Het maximale geluidsniveau wordt met maximaal 5 dB overschreden. Een afweging van geluidsreducerende maatregelen is noodzakelijk. De grenswaarden uit het Activiteitenbesluit worden met de geluidsbelasting op de appartementen niet overschreden.

De geluidbelastingen op de appartementen zijn lager dan de geluidsbelastingen op omliggende woningen van de St. Martinus en het kinderdagverblijf De Kinderkorf. Het beoogde appartementencomplex zal hierdoor geen belemmeringen vormen voor de school en het kinderdagverblijf. De geluidsbelastingen kunnen met een aanvullende motivatie acceptabel worden geacht. Ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk, zodat het binnenniveau kan worden gegarandeerd.

De ten zuidoosten van het plangebied gelegen detailhandel, evenals de ten zuidwesten van het plangebied gelegen begraafplaats, vormen geen belemmering. Dit zijn bedrijven/inrichtingen in milieucategorie 1, met een richtafstand van 10 m, terwijl de minimale afstand tussen het plangebied en deze bedrijvigheid 10 m bedraagt. Bovendien zijn de dichterbij gelegen bestaande woningen maatgevend voor de mogelijkheden van deze bedrijven/inrichtingen.

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling, mits voor het aanvragen van de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van het nieuwe woongebouw een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels plaatsvindt.

4.5 Luchtkwaliteit

4.5.1 Regelgeving

Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:

  • negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken.
  • mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt.
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 % ten opzichte van de grenswaarde). Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen.
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend.

Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.

4.5.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief heeft betrekking op de realisatie van maximaal 26 wooneenheden en valt qua woningbouw dus ruimschoots binnen de NIBM-regeling. Vandaar dat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.

Goede ruimtelijke ordening
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn aan de hand van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten (GCN en GDN), de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter hoogte van het plangebied. Daaruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk circa 14,0 µg/m3, 16,0 µg/m3 en 9,0 µg/m3 bedragen in 2020. Daarmee worden de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet overschreden.

Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6 Geur

4.6.1 Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:

  • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;
  • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.

    Concentratiegebied   Niet-concentratiegebied  
Binnen bebouwde kom   diercategorieën Rgv   max. 3 ouE/m³   max. 2 ouE/m³  
  andere diercategorieën   min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object   min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object  
Buiten bebouwde kom   diercategorieën Rgv   max. 14 ouE/m³   max. 8 ouE/m³  
  andere diercategorieën   min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object   min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object  

Geurnormen Wgv

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.

Regeling geurhinder en veehouderij
In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:

  • de geurbelasting wordt bepaald;
  • de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten.

Activiteitenbesluit
Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

Geur bij niet-agrarische bedrijven
Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid. Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument ‘Handleiding Geur Industrie’ en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de ‘Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017’ voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is. Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder. Over het algemeen wordt een geurcontour die ligt tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf.

4.6.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving van het plangebied, met een geurcontour die (deels) over het plangebied ligt. Bovendien zijn tussen de omliggende agrarische bedrijven en het plangebied andere gevoelige (woon)bestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven.

Het aspect 'geurhinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7 Externe veiligheid

4.7.1 Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten.

In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.

Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen.

Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

4.7.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:
afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-VSG1_0013.jpg"

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering)

Inrichtingen c.q. bedrijven
Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting. Shipyard Millingen bv aan de Rijndijk 19 ligt op circa 600 m, zodat de aldaar aanwezige bovengrondse propaantank en zuurstoftank niet van invloed zijn op het plangebied.

Vervoer van gevaarlijke stoffen
Het plangebied is op circa 700 m van de Waal gelegen. Conform het Basisnet Water, is de Waal een zwarte vaarweg (belangrijke vaarwegen). Voor een dergelijke vaarweg geldt dat de 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour niet verder dan de oever komt.

Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van een transportroute voor gevaarlijke stoffen (weg of spoorlijn). Voor zover het plangebied al is gelegen binnen het invloedsgebied van een vervoersas, is deze in ieder geval buiten het aandachtsgebied gesitueerd. Het vervoer van gevaarlijke stoffen is dan ook niet van invloed op deze ontwikkeling.

Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding
De kortste afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde hogedruk aardgastransportleiding betreft circa 1,2 km. De woningen zijn daarmee buiten de invloedssfeer van deze leiding gelegen.

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.

Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8 Waterhuishouding

4.8.1 Regelgeving

Algemeen
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:

  • Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;
  • Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland;
  • Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2018) en de Keur voor waterkeringen en wateren;

Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen:

  • 1. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden.
  • 2. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden.
  • 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden om watervervuiling te voorkomen.

Uitgangspunten Waterschap Rivierenland
De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:

  • a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren.
  • b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater dienen te worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding).
  • c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.

Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:

  • De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.
  • De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen.

Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur te bedragen.

Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt vanaf nieuw verhard oppervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden, Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt.

4.8.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Ten aanzien van een eerdere ontwikkeling van de voormalige schoollocatie (fase 1 en 2) is in 2011 reeds een watertoets opgesteld. Voor de ontwikkeling van fase 3 is de plansituatie opnieuw beoordeeld en is de watertoets uit 2011 daar waar nodig aangevuld en geactualiseerd. De watertoets is als bijlage 5 bij de toelichting gevoegd.

Randvoorwaarden en uitgangspunten
In het kader van de planontwikkeling is het proces van de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de digitale procedure blijkt dat het plan geen groot effect heeft op water (geen groot waterbelang) en dat kan worden volstaan met een standaard wateradvies van het waterschap. Het waterschap adviseert positief over het plan onder de voorwaarde dat er wordt voorzien in voldoende waterberging. Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren);
  • Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren);
  • De ontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden (HNO);
  • Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd;
  • De wateropgave baseren op de daadwerkelijke toekomstig verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van 1.800 m2;
  • Eenmalige vrijstelling van 500 m2;
  • Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 664 m3/ha (T=100+10%) gerekend over het aantal m2;
  • Wateropgave 90 m3;
  • De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 48 tot 96 uur;
  • Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden);
  • Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG;
  • GHG ingeschat op 11,0 m +NAP (1,5 m -mv).

Hemelwater
In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) separaat van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden ingezameld en binnen het plangebied worden verwerkt.

Infiltratie van hemelwater in de bodem is op, qua bodemopbouw, niet goed mogelijk. Het infiltreren van hemelwater in het diepere goed doorlatende watervoerend pakket zal vanwege het optreden van hoge grondwaterstanden en stijghoogten ten tijde van hoogwater op de Rijn eveneens niet tot de mogelijkheden behoren.

Het plan voorziet in de mogelijkheid om aan de noord en/of zuidzijde van het plan een "groene" bovengrondse voorziening (wadi) aan te leggen. Een wadi is een bovengrondse afkoppelvoorziening waarbij het hemelwater bij voorkeur oppervlakkig wordt getransporteerd naar een laagte in de openbare ruimte. Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. In sommige situatie kan een gemeente specifieke eisen stellen aan het ontwerp, aanleg, beheer en onderhoud.

In verband met de landschappelijke inpassing, onderhoud en veiligheid is bij het ontwerp van de wadi net als in 2011 uitgegaan van een talud 1:3 en een maximale waterdiepte van 0,3 m. Wanneer een wadi wordt aangelegd met een diepte van 0,5 m en een talud van 1 op 3 is, met inachtneming van een waking van 0,2 m, een oppervlak van circa 345 m2 benodigd om de volledige wateropgave te kunnen bergen. Indien wordt uitgegaan van een talud van 1 op 5 bedraagt de benodigde ruimte 380 m2. Voor de berekening van het te bergen volume en ruimtebeslag in de wadi is gebruik gemaakt van de formule voor de bepaling van de inhoud van een (afgeknotte) kegel.

Hemelwater wordt, indien mogelijk, zoveel mogelijk zichtbaar afgevoerd richting de wadi. Daar waar dit niet mogelijk blijkt zal afvoer verbuisd plaatsvinden.

Lediging en calamiteit
De hemelwatervoorziening kan vertraagd worden afgevoerd op het hemelwaterriool in de Vivaldistraat of mogelijk worden aangesloten op de bestaande voorzieningen van fase 1 en 2. De (vertraagde) afvoer mag niet meer bedragen dan 1,5 l/s/ha. Op basis van de waterbergingsopgave (volume) en toegestane afvoer bedraagt de ledigingstijd maximaal 48 uur. Het beschreven systeem is dusdanig robuust dat een situatie waarbij in een korte tijd 66,4 mm neerslag valt geborgen kan worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt kan water overstorten op hemelwaterriool in de rondom liggende wegen. Indien wordt aangesloten op de bestaande voorzieningen van fase 1 en 2 kan ook de overstort via dit systeem plaatsvinden. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen wordt in ieder geval ten aller tijde voorkomen.

Kwaliteit
Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. De gemeente streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) en is ook van toepassing op onderhavige plangebied.

Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding wordt het landelijke beleid gevolgd. Onkruidwerende middelen worden niet meer gebruikt in het openbaar groen. Voor bestrijding op verhardingen vindt gebruik, voor zover toegestaan, plaats via de DOB-systematiek en wordt gezocht naar alternatieven zoals branden, heet water en/of borstelen.

Riolering
Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) wordt in de toekomstige situatie aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting wordt in overleg met de gemeente bepaald.

Conclusie
Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.

Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.9 Ecologie

4.9.1 Regelgeving

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes:

  • 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn;
  • 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen.

De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.

afbeelding "i_NL.IMRO.1945.BPCHOPINSTR3-VSG1_0014.png" Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich:

  • 1. Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn gedeputeerde staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen.
  • 2. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde 'tabelsoorten' niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan wordt met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt.
  • 3. Ten derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd.

In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.

Onder de Wnb geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering
Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop- en eenmalige aanlegactiviteiten, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen, in het kort de bouwvrijstelling. Er is een knip gemaakt tussen het bouwen en het gebruiken van een bouwwerk. De milieubelasting tijdens de bouw is tijdelijk, terwijl het gebruik een permanent karakter heeft. Vanwege de vrijstelling is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies te toetsen op stikstof. Dit betekent dat voor het aspect stikstof alleen nog de depositie in de gebruiksfase een rol speelt. De vrijstelling geldt expliciet alleen voor stikstof en niet voor andere negatieve effecten die tijdens de bouwfase als gevolg van geluid, licht en trillingen op Natura 2000-gebieden kunnen optreden.

4.9.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In het kader van de beoogde herontwikkeling van het plangebied is er een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd.

Soortenbescherming
Het plangebied heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels, welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.

Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Rijntakken', circa 500 m ten noordwesten van het plangebied en op circa 700 m afstand liggen Duitse Natura 2000-gebieden, waarvan ‘Vogelschutzgebiet Unterer Niederrhein’ het meest nabij ligt. Vanwege de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied, worden geen significante nadelige effecten, als gevolg van verstoring door geluid, licht, trillingen en dergelijke, op de aangewezen habitattypen en doelsoorten van dit Natura 2000-gebied verwacht. Voor deze storingsfactoren is daarom geen verdere toetsing aan de natuurwetgeving nodig.

Ten aanzien van stikstofdepositie naar de Natura 2000-gebieden is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 8 bij de toelichting gevoegd.

Nederlandse Natura 2000-gebieden: Uit de berekeningen blijkt dat er ten gevolge van de aanlegfase tijdelijke stikstofdeposities op Natura 2000-gebieden optreden. De maximale tijdelijke stikstofdepositiebijdrage op een Natura 2000-gebied bedraagt 0,07 mol N/ha/jaar gedurende 1 jaar. Hiermee kan er aangesloten worden op de provinciale redeneerlijn. Sinds 1 juli 2021 kan voor de aanlegfase bovendien worden aangesloten bij de in de Wet stikstofreductie en natuurbescherming (Wsn) opgenomen vrijstelling.

Het effect van de gebruiksfase op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.

Duitse Natura 2000-gebieden: Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie op de rekenpunten voor de aanlegfase 0,04 mol/ha/jaar bedraagt en voor de gebruiksfase maximaal 0,00 mol/ha/jaar. Het projecteffect is hiermee ruim lager dan de drempelwaarde van 7,14 mol/ha/jaar voor Duitse Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden in Duitsland worden geen significant negatieve effecten verwacht met de realisatie van het plan.

Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgt en negatieve effecten als gevolg hiervan kunnen worden uitgesloten. Voor dit plan is geen vergunning voor de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Houtopstanden
In het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

Conclusie
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb en negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming zijn op basis van de AERIUS berekeningen uitgesloten. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden moet wel rekening worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels in het kader van Algemene Zorgplicht.

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.10 Archeologie & cultuurhistorie

4.10.1 Regelgeving

In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker.

Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet.

De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2022. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussenliggende periode. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt.

Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Algemeen
Het plangebied ligt in de historische woonzone van de dorpskern van Millingen aan de Rijn.

Archeologie
Volgens de gemeentelijke beleidskaart geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting. Vandaar dat ter plaatse van het plangebied een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek is uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 7 bij de toelichting gevoegd.

Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is in het plangebied sprake van een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten vanaf een diepte van 1,2 - 1,3 m -mv (10,9 - 11,2 m +NAP). Aangezien van de voorgenomen nieuwbouw (1.000 m²) nog geen bouwtekeningen en verstoringsdieptes beschikbaar zijn, is het onduidelijk of de voorgenomen ingrepen tot in het archeologisch relevante niveau zullen reiken. Aangezien het archeologisch relevante niveau bestaat uit kleigrond, bestaat echter het risico dat door het bebouwen van het plangebied kan verblauwen (ook wel verstikken genoemd) waardoor het niveau in de toekomst archeologisch onleesbaar zal worden.

Gezien de archeologische verwachting en de vastgestelde vindplaatsen in de omgeving van het plangebied, adviseert Transect daarom een aanvullend archeologisch onderzoek uit te laten voeren naar de aanwezigheid en aard van een vindplaats in het plangebied. Het verdient de aanbeveling een dergelijk onderzoek uit te voeren in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). De kaders en wetgeving waarbinnen een dergelijk onderzoek uitgevoerd dient te worden, moet vooraf worden vastgelegd in een Programma van Eisen (PvE), dat voorafgaand aan het gravende onderzoek moet zijn goedgekeurd door de bevoegde overheid, de gemeente Berg en Dal. De gemeente onderschrijft de resultaten van dit onderzoek.

Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Ter waarborging van de archeologische waarden is het hele plangebied voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Te zijner tijd, als er meer informatie over het bouwplan bekend is, zal er (indien noodzakelijk) een PvE opgesteld worden.

Cultuurhistorie
In het plangebied zelf zijn geen monumenten aanwezig. In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende gemeentelijke- en rijksmonumenten te vinden. Ten noordoosten van het plangebied zijn twee rijksmonumenten te vinden (Antonius van Paduakerk en pastorie) en twee gemeentelijke monumenten (gevelkunstwerk en kosterswoning). Ten noordwesten van het plangebied is een agrarisch rijksmonument gesitueerd (Zeelandsestraat 1).

Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.11 Leidingen

4.11.1 Regelgeving

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones dienen te worden opgenomen.

4.12 Duurzaamheid

Het klimaat verandert; de neerslaghoeveelheid (en intensiteit) neemt toe, waardoor er meer kans is op wateroverlast. Daarnaast stijgt de gemiddelde temperatuur en neemt de kans op hittegolven toe, wat in de zomer kan leiden tot hittestress. In Nederland zijn de gevolgen van klimaatverandering waarschijnlijk te beheersen. Hoe groot de problemen straks worden, hangt af van de maatregelen die we nemen. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen zodat de opwarming beperkt blijft (deze aanpak wordt ‘mitigatie’ genoemd, dat betekent ‘vermindering’). Aan de andere kant is het verstandig dat we ons aanpassen aan een ander klimaat (dit type maatregelen wordt ‘adaptatie’ genoemd). Beide type maatregelen zijn nodig.

Voor alle nieuwbouw (woning en utiliteit) geldt dat sinds 1 januari 2021 de aanvraag van de omgevingsvergunning moet voldoen aan de BENG-eisen (Bijna EnergieNeutrale Gebouwen). BENG gaat uit van 1) het beperken van de energiebehoefte van de buitenkant van het gebouw, 2) het zo efficiënt mogelijk opwekken van de primaire fossiele energiegebruik van het gebouw, voor bijvoorbeeld verwarming, koeling, warmtapwaterbereiding en ventilatoren, en 3) de energievraag van een gebouw bestaat zoveel mogelijk uit hernieuwbare energie.

Doorwerking plangebied
Dat de nieuwe woningen in het plangebied gasloos en aan de BENG-eisen voldoen, is niet het enige wat er op het gebied van duurzaamheid gebeurd. Bovenop de BENG-eisen verlangt Waardwonen dat de toekomstige nieuwbouw volledig energieneutraal word gerealiseerd en wordt de markt uitgedaagd om een circulair gebouw te realiseren. Hierbij wordt aandacht gegeven aan zowel het materiaalgebruik alsmede het toekomstig hergebruik van het gebouw ten tijde van het einde van de levensduur. Verder wordt tijdens het ontwerp de toekomstige demontabiliteit als uitgangspunt meegenomen.

Naast de circulariteit worden ook de aspecten natuurinclusief- en klimaatadaptief bouwen meegewogen in de selectieprocedure.

Door in het ontwerp van de openbare ruimte daarnaast rekening te houden met de mogelijke gevolgen van klimaatverandering, wordt de leefbaarheid van het nieuwe woongebied in de toekomst gegarandeerd.

Deze verwachte gevolgen zullen het meest merkbaar zijn in een toenemende regenintensiteit enerzijds en een toenemende droogte en hitte anderzijds. De keuzes met betrekking tot het voorliggende plangebied houden direct verband met deze aspecten.

Hieronder een opsomming van die onderdelen van de inrichting die tegemoet komen aan het klimaatbestendig maken van het nieuwe woongebied:

  • Afkoppelen regenwater: door het regenwater bovengronds af te koppelen wordt wateroverlast tegengegaan en verkoeling gebracht.
  • Ruimte bieden aan een groene inrichting met verschillende soorten (inheemse) beplanting en nieuwe bomen ter verbetering van het microklimaat en de biodiversiteit, waardoor een bijdrage wordt geleverd aan een gezonde leefomgeving. Voorbeelden zijn: de groenzone langs de noord-, oost- en zuidzijde.
  • Het behouden van de bestaande grote Plataan in het plangebied. Bomen dragen bij aan een gezonde leefomgeving: zuiveren lucht en kunnen zorgen voor verkoeling.

Bovenstaande adaptaties in de openbare ruimte richten zich voornamelijk op het beperken van de verwachte gevolgen van klimaatverandering; wateroverlast en hitte. Dit gebeurt grotendeels door het aanleggen van betere groenvoorzieningen. Dit heeft niet alleen positieve gevolgen voor het tegengaan van de mogelijke effecten van klimaatverandering. De aanleg van groen heeft tevens invloed op de gezondheid en het woongenot van de nieuwe bewoners.

4.13 Vormvrije MER-beoordeling

Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten.

Planspecifiek
Voorliggend bestemmingsplan maakt het toevoegen van maximaal 26 appartementen mogelijk. Woningbouwontwikkelingen zijn opgenomen in de eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (categorie D.11.2). Het toevoegen van maximaal 26 woningen in het voorliggende plangebied blijft echter ver onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Het opstellen van een milieueffectrapportage is derhalve niet noodzakelijk. Wel dient een vormvrije mer-beoordeling te worden opgesteld.

Natuurlijke hulpbronnen
In de woningbouw wordt op beperkte schaal gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen. Nieuwe woningen moeten immers gasloos gebouwd worden. Het gaat daarom alleen nog om fossiele brandstoffen voor transport en het ruimtebeslag door het bouwen van de woningen.

Standaard wordt in milieuregelgeving al aandacht besteed aan een zuinig gebruik van grondstoffen, water en energie. Het project moet hieraan voldoen. Dit betreft onder andere de per 1 januari 2021 in werking getreden BENG-normen. Voor dit project zijn er geen bijzondere omstandigheden die het noodzakelijk maken dat het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, en alternatieven daarvoor, via een milieueffectrapportage nader worden onderzocht.

Daarnaast zijn in de directe omgeving geen belangrijke natuurlijke hulpbronnen aanwezig, zoals bijvoorbeeld een waterwingebied.

Afvalstoffen
Het afvalwater van huishoudelijke aard wordt geloosd op het openbare riool. Er wordt geen afvalwater geloosd op het oppervlaktewater.

Verontreiniging en hinder
Er is geen sprake van verontreiniging en milieuhinder vanuit de nieuwe woningen naar omliggende woningen.

Voor de beoordeling van de aspecten milieuzonering, geluidhinder en de emissie van fijn stof wordt verwezen naar de paragrafen 4.4 Milieuzonering, 4.3 Geluid respectievelijk 4.5 Luchtkwaliteit. De grenswaarde van het langtijdsgemiddeld beoordelingsniveau (stap 3) op de appartementen wordt als gevolg van de basisschool en het kinderdagverblijf met maximaal 4 dB overschreden. Het maximale geluidsniveau wordt met maximaal 5 dB overschreden. Een afweging van geluidsreducerende maatregelen is uitgevoerd. De grenswaarden uit het Activiteitenbesluit worden met de geluidsbelasting op de appartementen niet overschreden.

De geluidbelastingen op de appartementen zijn lager dan de geluidsbelastingen op omliggende woningen van de school en het kinderdagverblijf. Hierdoor vormt de realisatie van het appartementencomplex geen belemmering voor de school en het kinderdagverblijf. De geluidsbelastingen worden met de aangevoerde aanvullende motivatie acceptabel geacht.

Wat betreft soorten- en gebiedsbescherming wordt verwezen naar paragraaf 4.9 Ecologie. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb en negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming zijn doormiddel van de AERIUS berekeningen uitgesloten. Er hoeft geen vergunningsaanvraag ingediend te worden in het kader van de Wet natuurbescherming.

Ongevallenrisico
Woningen vormen geen bijzonder risico voor externe veiligheid. Incidenten als brand en explosie hebben doorgaans alleen gevolgen voor mensen, dieren en zaken op het bedrijf zelf. Aan de omgevingsvergunning worden standaard voorschriften verbonden om de risico's op ongevallen te verkleinen en de gevolgen van bijvoorbeeld brand te beperken.

Het plan leidt tot een beperkte toename in het aantal aanwezigen. Het ligt in de verwachting dat de aanwezige personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd.

Cultuurhistorische, archeologische en/of landschappelijke waarden
Het plangebied kent geen hoge cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden. Omdat het exacte bouwplan nog niet duidelijk is, is ter bescherming van de archeologische waarden een dubbelbestemming in de regels en op de verbeelding opgenomen. Zie verder paragraaf 4.10 Archeologie & cultuurhistorie.

Uit voorgaande analyse volgt dat de gevolgen voor de milieuaspecten goed in beeld zijn gebracht en dat de gevolgen voor deze aspecten in relatie tot de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt nihil zijn, danwel gemitigeerd kunnen worden. Bijzondere omstandigheden waarvoor deze wetten of regelingen geen kader vormen doen zich bij dit bestemmingsplan niet voor. Een verdere m.e.r.-beoordeling wordt zodoende niet noodzakelijk geacht.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. 

In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere bestemmingsplannen van de gemeente. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen.

Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

5.1.1 Inleidende regels

Begrippen 
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Wijze van meten 
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.1.2 Bestemmingsregels

In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde.

Bestemmingsomschrijving 
Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.

Bouwregels 
In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.

Afwijken van de bouwregels 
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.

Afwijken van de gebruiksregels 
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

5.1.3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel 
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels 
Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen.

Algemene wijzigingsregels 
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

5.1.4 Overgangs- en slotregels

Overgangsregels 
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2 Bestemmingsplan

In het plangebied komen de volgende (dubbel)bestemmingen voor:

Artikel 3 Groen
De gronden met een structureel groen karakter hebben de bestemming 'Groen' gekregen.

Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied
De toegangsweg en de parkeerplaatsen in het plangebied zijn voorzien van deze bestemming.

Artikel 5 Wonen
Deze bestemming heeft betrekking op nieuw te bouwen woningen. Omdat de regulering van nieuw te bouwen woningen een ontwikkelingsgericht karakter heeft, is bijvoorbeeld ook het woningtype en het maximum aantal wooneenheden voorgeschreven.

De woningen en bijgebouwen moeten worden gerealiseerd binnen het aangeduide bouwvlak. Binnen dit bouwvlak wordt via verschillende aanduidingen de bouwmogelijkheden verder gereguleerd. Tevens zijn in de regels enkele nadere voorwaarden opgenomen.

Ter waarborging van de privacy van een direct omwonende mogen in de oostelijke gevel, ter hoogte van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten – balkons', geen balkons worden gerealiseerd aan de zijde van het Gengske. Tevens is het ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – balkons inpandig' uitsluitend toegestaan om inpandige balkons danwel balkons met een omkadering (=dichtgezette zijkanten) te realiseren in de zuidoostelijke gevel.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 2
Met deze bestemming worden de archeologisch te verwachten waarden binnen het plangebied beschermd. Voor bouwplannen en werkzaamheden (in de regels nader beschreven) die groter zijn dan 100 m² en waarbij een bodemingreep moet worden gepleegd van 0,3 m of dieper, is een onderzoek naar de archeologisch waarden en omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders noodzakelijk.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro):

  • de bouw van één of meer woningen;
  • de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen;
  • de uitbreiding van een hoofdgebouw met tenminste 1.000 m² of met één of meer woningen;
  • de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt;
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m².

Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.

Alle kosten die gemaakt moet worden het opstellen van het bestemmingplan zijn voor rekening van Waardwonen. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Daarmee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.

6.2 Overleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van het vooroverleg is het plan onder andere besproken worden met de volgende partijen:

  • Provincie Gelderland;
  • Waterschap Rivierenland.

Er zijn geen vooroverlegreacties ingediend op heb bestemmingsplan.

6.3 Inspraak

Er is nog geen architectonisch ontwerp van het appartementencomplex. Om omwonden alvast wel te kunnen betrekken bij de planvorming is op basis van het stedenbouwkundig plan een eerste schets van het gebouw ingetekend waarbij is getoond hoe het gebouw op de kavel gesitueerd kan zijn. Daarnaast is aangegeven dat de ontwikkeling 26 appartementen betreft met als doelgroep senioren en is de maximale bouwhoogte van 3 bouwlagen genoemd.

Deze situatie is in maart 2021 gedeeld met de circa 50 omwonenden van de ontwikkeling. Vanwege de corona-maatregelen destijds was een algemene informatiebijeenkomst niet mogelijk en is gekozen om omwonenden per brief te informeren vooruitlopende op formele besluitvorming in college/raad en de daaropvolgende bestemmingsplanprocedure. Bewoners is gevraagd hun mening en gedachtes te geven over de voorgenomen ontwikkeling en hiervan is gebruik gemaakt.

Er zijn veelal positieve reacties binnengekomen die de noodzaak en behoefte van deze ontwikkeling benadrukken, maar er zijn vanuit één direct omwonende aan het Gengske ook zorgen gedeeld in verband (verkeers)veiligheid en privacy vanwege o.a. de voorgenomen hoogte in combinatie met de oriëntatie van balkons.

Met iedere omwonende die hier behoefte aan had is in de periode maart/april 2021, middels een video-overleg, doorgesproken over de door hen ingebrachte aandachtspunten/vragen. Hierbij zijn zowel Waardwonen alsook gemeente Berg en Dal betrokken geweest.

Naar aanleiding van deze gesprekken en de discussie in de gemeenteraad ten tijde van het ontwikkelingsbesluit en vaststelling van de grondexploitatie is begin september nogmaals een dialoogronde met omwonenden gevoerd. In deze tweede ronde zijn direct omwonenden 'per gebouw/woning' actief uitgenodigd om om tafel te gaan. Dit betreffen de bewoners van één particuliere woning aan het Gengske, bewonersvertegenwoordiging van appartementencomplex Gengske en appartementencomplex Vivaldistraat. Ook het schoolbestuur van de basisschool gelegen aan de Chopinstraat is actief betrokken bij de voorgenomen planvorming. Tijdens deze gesprekken, die deze keer fysiek hebben plaatsgevonden, is een concept plankaart met bouwvlak getoond waarbij ruimte is gecreëerd in het bouwvlak om zodoende de eerder genoemde aandachtspunten van privacy en oriëntatie van appartementen/balkons een plek te kunnen geven en tevens de verkeersveiligheid te kunnen blijven waarborgen.

Daarnaast is een toelichting gegeven over de te verwachtte doorlooptijd van het project, de doelgroep van de appartementen, (tijdelijke en permanente) verkeersaspecten, communicatie en contactmogelijkheden.

Het overgrote deel van de omwonenden kan zich vinden in deze beoogde ontwikkeling en juicht een snelle realisatie toe om zodoende invulling te geven aan deze ontwikkellocatie en het woningtekort terug te dringen. Alleen de bewoners van de eerder genoemde woning aan het Gengske geven echter nog steeds aan de doorgevoerde verbeteringen onvoldoende recht doen aan o.a. privacy en bezonning en geven aan geen voorstander te zijn van de beoogde ontwikkeling.

In de nog uit te zetten Design & Build-opgave wordt vanuit de opdrachtgever aan de bouwer/architect gevraagd om binnen de gestelde kaders ook nadrukkelijk rekening te houden met deze ingebrachte signalen en hiermee rekening te houden in het architectonisch ontwerp van het gebouw.

6.4 Zienswijzen

Het bestemmingsplan heeft met ingang van vrijdag 29 oktober 2021 tot en met donderdag 9 december 2021 (gedurende zes weken) ter visie gelegen. Iedereen kon tijdens deze periode een zienswijze indienen.

Er zijn in totaal twee zienswijzen ingediend. Deze zijn voorzien van een gemeentelijke reactie in het zienswijzenverslag, dat als bijlage 9 bij de toelichting is gevoegd.

De beoogde wijzigingen van het bestemmingsplan als gevolg van de zienswijzen zijn in deze bijlage terug te vinden.

6.5 Vaststellingsfase

De gemeenteraad van Berg en Dal heeft het bestemmingsplan vervolgens op donderdag 10 februari 2022 gewijzigd vastgesteld.

Tijdens de raadsbehandeling heeft de gemeenteraad een amendement aangenomen, waarbij het bestemmingsvlak 'Wonen'op de verbeelding, in aanvulling op de aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen (zie bijlage 9), op twee locaties is aangepast om aan de wensen van de omgeving en de raad tegemoet te komen:

  • Aan de zuidoostzijde is het bestemmingsvlak (inclusief het bijbehorende bouwvlak) over een lengte van circa 3,0 m ingekort, waarbij als nieuwe grens van het bestemmingsvlak 'Wonen' het verlengde van de noordelijke perceelsgrens van de woning aan het Gengske 16 (kadastraal nr. 5.562) is aangehouden;
  • Aan de westzijde is het bestemmingsvlak (inclusief het bijbehorende bouwvlak) juist over een lengte van circa 2,5 m uitgebreid, waarbij als nieuwe grens van het bestemmingsvlak 'Wonen' het verlengde van de voorgevelrooilijn van het meest zuidelijke deel van het bestaande appartementencomplex aan de Vivaldistraat 4 t/m 44 is aangehouden.

Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.