Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
- risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is in eerste instantie de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
Uitsnede risicokaart externe veiligheid (plangebied zwart omcirkeld)
De risicokaart geeft aan dat er ten zuidwesten van het plangebied een LPG-tankstation aanwezig is, hier is echter uitsluitend sprake van benzine- en dieselverkoop. Tevens bevindt zich ten zuiden en westen van het plangebied een buisleiding. Verder is op basis van de 'Verordening Routering Vervoer Gevaarlijke Stoffen Gooise Meren 2018' de N236 aangewezen als transportroute van gevaarlijke stoffen.
Derhalve is er voor de ontwikkeling een quickscan externe veiligheid uitgevoerd (Krachten, 20 juli 2022,
bijlagen bij toelichting, bijlage 7a).
Transport over het water
Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een waterweg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water vormen geen aandachtspunt voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde.
Transport over wegen
Het plangebied ligt niet binnen een PR 10-6-risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van een weg in de directe omgeving. Het plan grenst aan de provinciale weg N236, die deel uitmaakt van de routering gevaarlijke stoffen Gooise Meren. Het plan ligt binnen het invloedsgebied van deze weg, waardoor de risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de N236 (BLEVE scenario) dienen meegenomen te worden in een verantwoording van het groepsrisico.
Transport over het spoor
Op circa 1.500 meter is de spoorlijn Weesp - Hilversum gelegen. Het plaatsgebonden risico en het PAG vormen geen aandachtspunt voor de planvorming, evenals de hoogte van het groepsrisico.
Het plan ligt binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn, waardoor de risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor (toxisch scenario) meegenomen dienen te worden in een verantwoording van de hoogte van het groepsrisico.
Buisleidingen
Het plangebied ligt binnen zowel de 100% letaliteitsafstand als de 1% letaliteitsafstand van buisleiding W-533-01. Derhalve is middels een berekening met het rekenprogramma CAROLA uitgevoerd waarmee het groepsrisico is vastgesteld (Krachten, 27 juni 2022,
bijlagen bij toelichting, bijlage 7b).
Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van een plaatsgebonden 10-6-risicocontour. Dit vormt derhalve geen belemmering voor het plan.
Uit de resultaten blijkt dat voor betreffende buisleiding zowel in de huidige als toekomstige situatie sprake is van een groepsrisico dat lager is dan de oriëntatiewaarde. In de huidige situatie is de hoogte van het groepsrisico zelfs kleiner dan 0,1 * OW, echter in de toekomstige situatie is de hoogte van het groepsrisico hoger dan 0,1 * OW
In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een uitgebreide verantwoordingsplicht. Voor een verantwoording van het groepsrisico moet door het bevoegd gezag advies worden gevraagd bij de regionale brandweer/Veiligheidsregio.
Inrichtingen
Ten zuidwesten van het plangebied is op korte afstand een tankstation gelegen. Er wordt hier thans geen LPG verkocht, maar het is op basis van het bestemmingsplan 'Zuidwest' planologisch wel toegestaan dat op deze locatie LPG wordt verkocht. Er is voor het tankstation op 6 april 2010 een milieuvergunning verleend. De doorzet is gelimiteerd op minder dan 500 m³ LPG per jaar. De opslag van LPG vindt plaats in een ondergrondse tank van 20 m³.
De PR10
-6-risicocontour van het vulpunt reikt weliswaar tot aan het plangebied, maar dat de geprojecteerde bebouwing buiten deze contour ligt. De grens van het invloedsgebied bij een LPG-tankstation is op 150 meter afstand rondom het LPG-vulpunt en het LPG-reservoir gelegen. De planlocatie is daarmee gelegen binnen de invloedsgebieden van het LPG-tankstation, waardoor de hoogte van het groepsrisico ten gevolge van het LPG-tankstation dient te worden bepaald. Om die reden is de hoogte groepsrisico berekend, uitgaande van de verkoop van LPG (Kragten, 10 oktober 2024,
bijlagen bij toelichting, bijlage 7c).
In het rapport wordt geconcludeerd dat de plaatsgebonden 10-6-risicontour ten gevolge van het LPG-tankstation niet reikt tot aan de bebouwing binnen het plangebied. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de planvorming.
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat het groepsrisico in de beoogde situatie marginaal afneemt ten opzichte van de huidige situatie. De normwaarde neemt toe van 1,14 [-] naar 5,75 [-]. De oriëntatiewaarde wordt in de huidige en de beoogde situatie overschreden.
In de ‘Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations’ wordt het bevoegd gezag verzocht rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten en 160 meter tot zeer kwetsbare objecten. De geprojecteerde bebouwing binnen het plangebied ligt op een afstand van minder dan 60 meter van het LPG-tankstation, echter de bestaande bebouwing ligt in de huidige situatie nog dichter bij het LPG-tankstation.
De planvorming leidt tot een verbetering van deze situatie. Binnen het plan worden verder geen zeer kwetsbare objecten gerealiseerd, waardoor de bovengenoemde afstanden geen belemmering vormen.
In artikel 13 van het Bevi is bepaald dat een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico verplicht is ten aanzien van het vaststellen van een bestemmingsplan.
Verantwoording groepsrisico
Uit een inventarisatie is gebleken dat in de nabijheid van het plan een aantal relevante risicobronnen aanwezig zijn. Op korte afstand van het plangebied is het LPG-tankstation Bantam, gelegen aan de Franse Kampweg 40 te Bussum, aanwezig. Conform de Revi bedraagt het invloedsgebied van een LPG-tankstation 150 meter. Hierdoor ligt het plan deels binnen het invloedsgebied dit tankstation. Op grond hiervan is de invloed van de planvorming op de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk gemaakt (Kragten, 14 november 2024,
bijlagen bij toelichting, bijlage 7d). In dit document wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken.
In de notitie zijn elementen aangedragen die de gemeenteraad kan gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de verantwoording van het groepsrisico. De gemeente Gooise Meren dient in het kader van de ruimtelijke procedure advies in te winnen bij de Veiligheidsregio en een standpunt in te nemen aangaande de verantwoording van het groepsrisico.
- Zelfredzaamheid
Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.
- Mobiliteit van de aanwezigen
Binnen het plangebied zijn geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Zo zijn 'zeer kwetsbare gebouwen' binnen de bestemming 'Maatschappelijk' uitgesloten. Aanwezige personen kunnen zich bij een eventuele dreigende situatie op eigen kracht in veiligheid brengen.
- Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen
De mogelijkheden voor ontvluchting van het gebied, de ontvluchting van gebouwen en de schuilmogelijkheden in gebouwen worden bij de onderscheidenlijke risicobronnen beschouwd aangezien deze afhankelijk zijn van het ongevalsscenario.
- Risicocommunicatie
In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de relevante scenario’s. In geval van een calamiteit is een snelle alarmering van aanwezige personen binnen het effectgebied essentieel voor een goede zelfredzaamheid. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. Hierbij zijn het opstellen van een bedrijfsnoodplan en de bedrijfshulpverlening inrichten en oefenen op het beschreven scenario interne maatregelen die de zelfredzaamheid verhogen. In het ontruimingsplan (dit maakt onderdeel uit van het bedrijfsnoodplan) dient onder andere te worden beschreven:
- wie de organisatie van het evacueren begeleidt;
- de verantwoordelijkheden;
- waar de verzamelplaats is;
- de organisatie op de verzamelplaats;
- wie zorg draagt voor alarmering;
Het ontruimingsplan dient opgesteld te worden in samenspraak met de brandweer. Daarnaast dienen ontruimingsoefeningen te worden gedaan waarbij de frequentie hiervan in overleg met de brandweer kan worden vastgesteld.
De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen.
- Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid
De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland.
- Bereikbaarheid en bluswatervoorziening
Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is.
De locatie en de capaciteit van de benodigde bluswatervoorzieningen worden bij de onderscheidenlijke risicobronnen beschouwd aangezien deze afhankelijk zijn van het ongevalsscenario.
- Zorgnorm
De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden.
Beperkte verantwoording Bevt - Weg- en spoorwegtransport
Voor de N236 en het spoor kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van de risico’s. In een beperkte verantwoording worden de volgende aspecten beschouwd:
- mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval;
- zelfredzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten.
Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor zijn voor het plangebied het BLEVE-scenario en het toxisch scenario relevant.
- Zelfredzaamheid
Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Het advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg of het spoor is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden.
Aangezien het nieuwbouw betreft, zal op grond van de vigerende bouwregelgeving voldoende aandacht zijn voor de luchtdichtheid van de gebouwen. Eventueel aanwezige luchtbehandelingsinstallaties dienen met één handeling uitgeschakeld te worden.
Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn.
- Bestrijdbaarheid
Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagen of meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagen tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust.
Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxische scenario niet relevant.
Verantwoording Bevb - Transport door buisleidingen
- De mogelijkheden om zelfredzaamheid te vergroten
Het risico op een incident met een hoge druk aardgasleiding wordt voornamelijk bepaald door het risico van schade aan de leiding door (graaf)werkzaamheden nabij de leiding.
Een belangrijkste bronmaatregel om het risico te verkleinen is het opnemen van een aanlegvergunningstelsel voor een strook aan weerszijden van de aardgastransportleiding. Daarnaast dient in het bestemmingsplan te worden opgenomen dat binnen de belemmeringsstrook (5 meter aan weerszijden van de leiding) een bouwverbod geldt. Tot slot wordt geadviseerd om grondwerkzaamheden, zoals heien, op minder dan 20 meter van de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder te laten uitvoeren. Door deze maatregelen wordt het groepsrisico verder gereduceerd.
- Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen
Binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleiding is vluchten de beste optie. Wat betreft een fakkelbrand na leidingbreuk geldt dat het zich snel kan ontwikkelen. Afhankelijk van de afstand van bebouwing tot de aardgasleiding, zijn er scenario´s waarbij vluchten niet of nauwelijks mogelijk is. De hittestraling is daarvoor te groot. Personen die aanwezig zijn binnen de 100% letaliteitsgrens komen te overlijden. Indien het incident op grotere afstand van het plangebied plaatsvindt zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid, voor het gebied dat buiten de 100% letaliteitsgrens valt, groter. Het plangebied ligt binnen deze 100% letaliteitsgrens.
Indien het incident zich op grotere afstand voordoet, is zelfredzaamheid mogelijk, mits ontvluchting uit gebouwen en omgeving op een juiste manier mogelijk is. Vluchten kan dan alleen maar via een route buiten het 'zicht' van de fakkel. Vluchtroutes moeten personen direct van de calamiteit wegleiden. Hier dient in de nader planuitwerking aandacht voor te zijn.
Verantwoording Bevi - LPG-tankstation
Als gevolg van de planontwikkeling neemt de personendichtheid binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation toe en wordt de oriënterende waarde overschreden. In de gemeentelijke beleidsvisie is aangegeven dat een overschrijding van de oriënterende waarde in beginsel niet is toegestaan. Omdat er dringende redenen kunnen zijn een ontwikkeling toch toe te laten of omdat in een bestaande situatie er reeds een overschrijding van de oriënterende waarde plaatsvindt, zal een overschrijding van de oriënterende waarde in de toekomstige situatie niet geheel vermeden kunnen worden. In de rapportage 'Verantwoording hoogte groepsrisico' van Kragten (zie
bijlagen bij toelichting, bijlage 7d) is beschreven waarom de oriënterende waarde bij de voorgenomen ontwikkeling toch kan worden overschreden. Hier is ingegaan op het maatschappelijk nut, de te treffen maatregelen, het zicht op afname van het groepsrisico, de te nemen voorzieningen, het informeren van de bevolking en het niet toelaten van beperkt zelfredzame personen binnen het invloedsgebied.
In de ‘Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations’ wordt het bevoegd gezag verzocht rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Er worden geen zeer kwetsbare objecten gerealiseerd binnen het plan (dit is ook in de planregels opgenomen), waardoor de bovengenoemde afstanden geen belemmering vormen.
Cumulatie van meervoudige risicobronnen
In het voorgaande is het risico van meerdere bronnen (routering gevaarlijke stoffen, buisleidingen en LPG-tankstation) beschouwd. Het is in dat kader belangrijk om eventuele cumulatie te beschouwen. Over cumulatie wordt gesproken als personen zich binnen het invloedsgebied van meervoudige risicovolle activiteiten bevinden, waardoor de kans dat deze personen slachtoffer worden als gevolg van een incident dat groter is dan ten gevolge van één risicovolle activiteit. Een rekenkundige bepaling van het gecumuleerde groepsrisico is niet mogelijk, gezien de definiëring van de normen.
Uit de groepsrisicoberekeningen blijkt dat het groepsrisico vanwege het LPG-tankstation in de beoogde situatie de oriënterende waarde overschrijdt wat bij de andere risicobronnen (weg en buisleiding) niet het geval is. Het eventuele gecumuleerde groepsrisico – als daar al van gesproken kan worden – zal daarmee door het groepsrisico vanwege het LPG-tankstation worden bepaald. Daarnaast wordt bij iedere risicobron een andere groep beschouwd doordat de invloedsgebieden van de beschouwde bronnen niet gelijk zijn aan elkaar. Feit blijft wel dat personen binnen het plangebied zich binnen het invloedsgebied van meerdere risicobronnen bevinden. De invloed van deze risicobronnen en hoe om te gaan bij een incident is in de vorige paragrafen uitgebreid beschouwd.
Verder zal in deze situatie geen sprake zijn van domino-effecten (bijvoorbeeld in de voorliggende situatie: een incident bij het LPG-tankstation leidt niet tot een incident als gevolg van een buisleiding), waardoor het effect van een incident bij de ene risicobron niet groter wordt door de aanwezigheid van een andere risicobron.
Conclusie
Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden van het aspect externe veiligheid.