Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Sondel - Jacobus Boomsmastraat 64 te Sondel
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1940.BPSON18JCBOOMSMA64-VA01
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
 
In deze regels wordt verstaan onder:
 
1. plan:
het Bestemmingsplan ‘Sondel - Jacobus Boomsmastraat 64 te Sondel’ met
identificatienummer NL.IMRO.1940.BPSON18JCBOOMSMA64-VA01;
 
2. bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij
behorende bijlagen;
 
3. verbeelding:
de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Sondel - Jacobus Boomsmastraat 64 te
Sondel’;
 
4. aan- of uitbouw:
een aan een (hoofd)gebouw aanwezig bouwwerk, dat ruimtelijk ondergeschikt is aan
dat (hoofd)gebouw, maar in functioneel opzicht deel uitmaakt van dat (hoofd)gebouw;
 
5. aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar
ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen
van deze gronden;
 
6. aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
7. agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen
van gewassen en/of het houden van dieren;
 
8. agrarisch dienstverlenend bedrijf:
een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht ter productie of
levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven;
 
9. bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
 
10. bedrijfsgebouw:
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
 
11. bedrijfsvloeroppervlakte:
de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een functie die wordt gebruikt voor een
bedrijf, een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit,
inclusief opslag en administratieruimten en dergelijke;
 
12. bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het
huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het
gebouw of het terrein noodzakelijk is;
 
13. bestaand:
  1. ten aanzien van de bij of krachtens de Woningwet aanwezige bouwwerken, en de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden: bestaand: bestaand ten tijde van de eerste terinzagelegging van dit plan;
  2. ten aanzien van het overige gebruik: bestaand ten tijde van het van kracht worden van dit plan;
14. bestemmingsgrens:
een op de kaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bestemmingsvlak;
 
15. bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
 
16. bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde
perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en
met de aarde verbonden bouwwerk met een dak;
 
17. bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het
vergroten van een bouwwerk;
 
18. bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
 
19. bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij
elkaar behorende bebouwing is toegestaan;
 
20. bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel;
 
21. bouwvlak:
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de
regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
 
22. bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde
is verbonden;
 
23. bijgebouw:
een gebouw dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan het op hetzelfde
bouwvlak gelegen (hoofd)gebouw, en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw;
 
24. gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk
met wanden omsloten ruimte vormt;
 
25. geluidsgevoelige gebouwen:
gebouwen welke dienen ter bewoning of ten behoeve van een functie als bedoeld in
het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit Geluidhinder
Spoorwegen en/of het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen;
 
26. geluidsbelasting vanwege het wegverkeer:
de etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau in dB(A) op een bepaalde plaats,
veroorzaakt door het gezamenlijke wegverkeer op een bepaald weggedeelte of een
combinatie van weggedeelten, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder;
 
27. grondgebonden agrarische bedrijfsvoering:
een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij
het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het
bedrijf;
 
28. hogere grenswaarde:
een maximale waarde voor de geluidsbelasting, die hoger is dan de
voorkeurgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond
van de Wet geluidhinder, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of
het Besluit Geluidhinder Spoorwegen en/of het Besluit grenswaarden binnen zones
rond industrieterreinen;
 
29. hoofdgebouw:
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de
verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en,
indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die
bestemming het belangrijkst is;
 
30. kantine:
een ruimte waarin de bedrijfsuitoefening is gericht op het tegen vergoeding verstrekken
van maaltijden, eenvoudige etenswaren en dranken;
 
31. kleinschalige bedrijfsmatige activiteit:
de in bijlage 5 genoemde bedrijvigheid, dan wel een naar de aard en de invloed op de
omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of
bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;
 
32. landhuis:
royaal opgezet, aanzienlijk huis van allure op het land;
 
33. loon(werk)bedrijf:
een bedrijf dat
  • voornamelijk met behulp van verplaatsbare werktuigen
  • diensten verleent aan met name agrarische bedrijven, hetzij in verband met de bodemcultuur, hetzij ter uitvoering van grondwerkzaamheden;
34. nevenactiviteiten:
activiteiten die ruimtelijk in aard en omvang ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie ter
plekke;
 
35. normaal onderhoud:
het onderhoud, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goed
beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming
behoren;
 
36. overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en
duurzaam met de aarde is verbonden;
 
37. overkapping:
elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel
met ten hoogste één wand;
 
38. pand
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige
eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en
afsluitbaar is;
 
39. peil
  1. indien op het land wordt gebouwd:
    1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
      • de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
    2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:
      • de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  2. indien in het water wordt gebouwd:
    • het Normaal Amsterdams Peil;
40. permanente bewoning:
bewoning als hoofdverblijf binnen de vaste woonplaats;
 
41. reëel agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf waarin de agrariër in hoofdberoep verbonden is aan het agrarisch
bedrijf en waarbij sprake is van een omvang waarbinnen voor een goede agrarische
bedrijfsvoering een halve tot een hele arbeidskracht noodzakelijk is;
 
42. voorkeurgrenswaarde:
de maximale waarde voor de geluidsbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden
afgeleid uit de Wet geluidhinder en/of het Besluit grenswaarden binnen zones langs
wegen en/of het Besluit Geluidhinder Spoorwegen en/of het Besluit grenswaarden
binnen zones rond industrieterreinen;
 
43. woonhuis:
een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel
of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke
verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;
 
44. woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk
huishouden dan wel een naar de aard daarmee gelijk te stellen groep personen.
Artikel 2 Wijze van meten
 
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten.
 
1. de dakhelling:
langst het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
2. de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een
daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
3. de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of
het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
4. de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen
gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals
schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
5. de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren,
neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein
ter plaatse van het bouwwerk.
 
6. de hoogte van een windturbine:
vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine;
 
7. de afstand tot de perceelgrens:
vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (bouw)perceelgrens;
 
8. de afstand tot de weg:
vanaf enig punt van een bouwwerk tot de rand van de wegberm aan de zijde van de
weg;
2 Bestemmingsregels
 
Artikel 3 Agrarisch met waarden - Agrarisch gebied in een open landschap
 
3.1 Bestemmingsomschrijving
 
De op de verbeelding voor ‘Agrarisch met waarden - Agrarisch gebied in een open
landschap’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
  2. het wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, voorzover de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "bouwvlak";
  3. cultuurgrond;
  4. bedrijfsgebouwen;
  5. bedrijfswoningen
met daaraan ondergeschikt:
  1. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden van de gronden;
  2. openbare nutsvoorzieningen;
  3. infrastructurele voorzieningen;
  4. waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder kaden en dijken;
  5. sloten, beken, en daarmee gelijk te stellen waterlopen; met de daar bijbehorende:
  6. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen;
  7. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  8. de uitoefening van een loon(werk) bedrijf met een maximum oppervlakte gebouwen van 950 m2 en erf van 3000 m2 als ondergeschikte nevenactiviteit ter plaatse van de functieaanduiding ‘loon(werk)bedrijf’
3.2 Bouwregels
 
3.2.1 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. er zullen uitsluitend gebouwen ten behoeve van agrarische bedrijven worden gebouwd;
  2. de gebouwen zullen uitsluitend worden gebouwd op de gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding ‘bouwvlak’;
  3. per gebied, dat op de verbeelding is voorzien van de aanduiding ‘bouwvlak’ mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van één agrarisch bedrijf worden gebouwd;
  4. het aantal bedrijfswoningen zal ten hoogste één per bouwvlak bedragen;
  5. de afstand van een bedrijfswoning ten opzichte van de weg zal ten minste de bestaande afstand bedragen;
  6. de bedrijfsgebouwen, de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen achter de naar de weg(en) gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd;
  7. er zullen geen kassen, tunnelkassen en torensilo’s worden gebouwd;
  8. voor het bouwen ten behoeve van de nevenactiviteit loon(werk)bedrijf geldt een maximum van 950 m2;
  9. de maatvoering van een gebouw zal voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld:
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende
bepalingen:
  1. silo’s, platen en bassins zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak;
  2. de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal, voor zover gebouwd vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning dan wel het verlengde daarvan, ten hoogste 2 m² bedragen;
  3. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal binnen het bouwvlak ten hoogste 15,00 m bedragen;
  4. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal buiten het bouwvlak ten hoogste 5,00 m bedragen.
3.2.3 Specifieke bouwregels
Binnen de op de verbeelding aangegeven bouwpercelen wordt met toepassing van de
nadere eisen of de afwijkingsbevoegdheden gestreefd naar een concentratie van de
bebouwing, naar compactheid en ruimtelijke samenhang. Bij nieuwbouw dient gelet te
worden op de relatie met het aanwezige bebouwingspatroon.
 
3.3 Nadere eisen
 
Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de
afmetingen van de bebouwing ten behoeve van de waarborging van de
landschappelijke waarden als bedoeld in artikel 3.1 onder d, de verkeersveiligheid, het
milieu, de natuurlijke waarden, cultuurhistorische waarden en archeologische waarden.
 
3.4 Afwijken van de bouwregels
 
Burgemeester en Wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het
bepaalde in:
  1. lid 3.2.1 onder b en toestaan dat ten behoeve van een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering een gebouw buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits:
    1. ten hoogste één gebouw per agrarisch bedrijf wordt gebouwd;
    2. de oppervlakte van het gebouw niet meer bedraagt dan 50 m²;
    3. de hoogte van het gebouw niet meer bedraagt dan 3,50 m;
    4. de landschappelijke waarden niet worden aangetast.
  2. lid 3.2.1 onder i en toestaan dat de goothoogte van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen wordt vergroot tot 6,50 m, mits het bebouwingsbeeld en de landschappelijke waarden niet worden aangetast;
  3. lid 3.2.2 onder d en toestaan dat de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot 15,00 m, mits het bebouwingsbeeld en de landschappelijke waarden niet worden aangetast.
3.5 Specifieke gebruiksregels
 
3.5.1 Toegestaan gebruik
Het gebruik van de gronden en bouwwerken voor ondergeschikt loon(werk)bedrijf, is
toegestaan mits:
  1. het parkeren op eigen erf plaatsvindt.
3.5.2 Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend:
  1. het opslaan van mest en/of overige landbouwproducten buiten het bouwvlak;
  2. het gebruik van de gronden als erf bij de woning, buiten een zone van 25,00 m vanaf de zij- en achtergevel(s) van de bedrijfswoningen.
3.5.3 Voorwaardelijke verplichting
Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van
de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen: het gebruik
van de gronden en bouwwerken zonder realisatie en instandhouding van de beplanting,
zoals weergegeven in hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.3 bij de toelichting, teneinde te komen
tot een goede landschappelijke inpassing.
 
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk
zijnde, of van werkzaamheden
 
3.6.1 Vergunningsplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van
Burgemeester en Wethouders op de in lid 3.1 omschreven gronden de volgende
werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het kappen en/of rooien van bomen en houtgewas;
  2. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden, zodanig dat er een verschil in hoogte, c.q. diepte ten opzichte van het bestaande maaiveld ontstaat van meer dan 50 cm, waaronder het ophogen en/of maken van kaden en dijken;
  3. het graven of dempen van sloten en daarmee gelijk te stellen waterlopen, uitsluitend indien dit een wijziging van het kavelpatroon tot gevolg heeft;
  4. het graven of dempen van poelen en pingo-ruïnes en daarmee gelijk te stellen waterpartijen.
3.6.2 Voorwaarden
Burgemeester en wethouders kunnen de volgende voorschriften aan de in lid 3.6.1
genoemde omgevingsvergunning verbinden:
  1. de verplichting tot het treffen van maatregelen waardoor geen of slechts marginale schade aan de basisfuncties (landbouw, natuur en landschap en bosbouw) wordt toegebracht;
  2. de verplichting tot het treffen van maatregelen waardoor de karakteristieke hoofdvorm van het gebouw zoveel mogelijk intact blijft.
3.6.3 Uitzondering vergunningplicht
Het in lid 3.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden
die:
  1. het normale onderhoud betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
3.6.4 Toetsing vergunningsplicht
Toetsing zal plaatsvinden aan de hand van het volgende schema vanuit de vraag of er
al dan niet sprake is van een onevenredige afbreuk aan het landschap of de natuur
(o.a. weidevogelbeheer en het fourageren van ganzen, zwanen en eenden) dan wel
beide en of de agrarische activiteit al dan niet kan worden toegestaan:
3 Algemene regels
 
Artikel 4 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan
waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling
van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 5 Algemene gebruiksregels
 
5.1 Algemene gebruiksregels
 
Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemmingen;
Burgemeester en Wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 6.1 onder a, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
 
5.2 Strijdig gebruik
  1. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  2. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een prostitutiebedrijf;
  3. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  4. het storten van puin en afvalstoffen;
  5. de stalling en opslag van aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen dan wel de (winter)stalling van caravans en vaartuigen;
  6. het gebruik van de gronden en bouwwerken als aanlegplaats voor vaartuigen en naar de aard daarmee gelijk te stellen objecten;
  7. het gebruik van de gronden ten behoeve van exploitatieboringen;
Artikel 6 Algemene afwijkingsregels
 
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:
  1. de bij recht in de voorschriften gegeven maten, afmetingen en percentages, met uitzondering van oppervlaktematen, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  2. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvangst- en/of antennemasten wordt vergroot tot 45,00 m.
Artikel 7 Algemene wijzigingsregels
 
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de gronden
worden voorzien van de aanduiding “minicamping”
.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 8 Overgangsrecht
 
8.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde in lid 8.1 onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 8.1 onder a met maximaal 10 %;
  3. lid 8.1 onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsregel van dat plan.
8.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 8.2 onder a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  3. Indien het gebruik, bedoeld in lid 8.2 onder a na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  4. lid 8.2 onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan;
  5. lid 8.2 onder a is voor wat betreft het bestaand gebruik van bijgebouwen voor recreatieve bewoning, uitsluitend beperkt tot diegenen die ten tijde van het van kracht worden van het plan de bijgebouwen voor recreatieve bewoning gebruiken en/of laten gebruiken.
Artikel 9 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als:
 
Regels van het bestemmingsplan ‘Sondel - Jacobus Boomsmastraat 64 te Sondel’.