direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Rotsterhaule - Hoge Dijk 9
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Hoge Dijk 9 te Rotsterhaule is een voormalige agrarische bedrijfslocatie aanwezig. Op het perceel bevinden zich diverse bedrijfsgebouwen zoals een ligboxenstal, een bedrijfswoning, een plattelandswoning, diverse bijgebouwen en voer- en mestopslagen. Allen ten behoeve van de voormalige melkveehouderij.

Door het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten is bij initiatiefnemer het idee ontstaan om van deze locatie een woonlocatie te maken. Door sloop van voldoende vierkante meters aan gebouwen en opslagen mag op grond van provinciaal beleid een woning terug gebouwd worden.

Aan de gemeente de Fryske Marren is gevraagd medewerking te verlenen aan dit initiatief. Op 16 september 2021 is door het college van B&W een positief principebesluit afgegeven.

Om dit planologisch mogelijk te maken is voorliggen bestemmingsplan opgesteld. Uit dit bestemmingsplan volgt dat het initiatief ruimtelijk inpasbaar is, er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van gemeente de Fryske Marren dichtbij de het Tjeukemeer. De begrenzing van het plangebied is afgestemd op de huidige planologische situatie van het agrarisch bedrijf. De globale ligging van het plangebied is op onderstaande afbeelding weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0001.png"

Afbeelding 1.1: Luchtfoto bedrijfslocatie met globale ligging plangebied. (Bron: Arcgis)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente de Fryske Marren. Op grond van het bestemmingsplan 'Buitengebied Noord - 2017' heeft de locatie de bestemming 'Agrarisch' met de aanduiding 'Bouwvlak'. Ter plaatse van de Hoge Dijk 11, dat onderdeel is van het agrarisch bouwvlak is de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' van toepassing. Voor het achterste deel van het bouwvlak geldt de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0002.png"

Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Noord - 2017

In het bestemmingsplan Noord - 2017 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om (onder voorwaarden) de bestemming van gebouwen van (voormalige) agrarische bedrijven met de bijbehorende erven te wijzigen naar Wonen. Bij het gemeentelijk beleid worden deze voorwaarden toegelicht in het kader van dit plan. Zoals aangegeven is ook de functieaanduiding plattelandswoning van toepassing op het plangebied. Het verwijderen van deze aanduiding is geen onderdeel van de wijzigingsbevoegdheid. Derhalve is dit bestemmingsplan opgesteld om dit wel mogelijk te maken, rekening houdend met de voorwaarden en uitgangspunten van de wijzigingsbevoegdheid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten.

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een weergave van de huidige en de toekomstige situatie weergegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. Het laatste hoofdstuk gaat in op maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie zijn er een aantal voormalige agrarische bedrijfsgebouwen en opslagen aanwezig aan de Hoge Dijk 9. Dit zijn een ligboxenstal, een aantal kleinere schuren en overkappingen, een mestplaat, een spoelplaats en overige erfverharding. De woning op Hoge Dijk 11 is kadastraal al afgesplitst maar maakt planologisch wel onderdeel uit van het agrarisch bedrijf in de vorm van een plattelandswoning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0003.png"

Afbeelding 2.1: luchtfoto huidige situatie aan de Hoge Dijk

2.2 Toekomstige situatie

Initiatiefnemer is voornemens de voormalige agrarische opstallen en opslagen te slopen en hier een nieuwe woning te realiseren. De woning wordt gerealiseerd op de plek waar nu de ligboxenstal staat. Op deze manier ontstaan er een drietal kadastrale woonpercelen naast elkaar. Een deel van het bestaande achtererf wordt onderdeel van het nieuwe woonperceel en een deel van het achtererf komt bij de woning op nummer 11.

Op afbeelding 2.2 zijn een aantal impressies weergegeven van de nieuw te bouwen woning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0004.png"

Afbeelding 2.2: impressie gewenste woning

2.3 Ruimtelijke kwaliteit

Voor het initiatief in een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit is bijgevoegd als Bijlage 1. De nieuwe woning wordt evenwijdig met de nokrichting van de huidige stal gerealiseerd, evenals het bijgebouw. Als directe afscheiding tussen de percelen komt er een haag op de de erfgrens. Het achtererf wordt ingekleed met een houtwal en bomensingel. Zo ontstaat er een duidelijke afscheiding tussen de erven, ook aan de achterkant.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0005.png"

Afbeelding 2.2: fragment landschappelijk inpassingsplan

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

Dit hoofdstuk behandelt het beleid dat betrekking heeft op dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens wordt ingegaan op het Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, welke een relatie hebben met het plangebied en het onderliggende initiatief.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 NOVI en Barro

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro.
Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw.
Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI, valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.

Toets

Het planvoornemen heeft geen directe invloed op één van de prioriteiten uit de NOVI. Ook het Barro bevat geen regels die invloed uitoefenen op het planvoornemen.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument.

Om een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.

In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:

  • Bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
  • Stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Bij de behoefteomschrijving zal uitgegaan moeten worden van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (komende 10 jaar, looptijd bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

Toets

Het plangebied aan de Hoge Dijk maakt de bouw van 1 extra grondgebonden woning mogelijk. In de uitspraak ECLI:NL:RVS:2015:2921 oordeelt de Raad van State dat het toevoegen van 11 extra woningen binnen een (dorps) kern geen stedelijke ontwikkeling is. In dit geval wordt er 1 woning toegevoegd aansluitend aan een bestaande lintbebouwing. Op basis van deze uitspraak kan geconcludeerd worden dat het ontwikkelen van de woning aan de Hoge Dijk geen stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in artikel 3.1.6. van het Bro.

Op basis hiervan is een verdere toetsing aan de ladder niet noodzakelijk.

3.1.3 Conclusie Rijksbeleid

De toets aan het SIVR en Barro laat zien dat het initiatief in overeenstemming is met het relevante Rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân - De romte diele

De omgevingsvisie stelt een vitale, veerkrachtige, karakteristieke en gezonde Friese leefomgeving centraal. De provincie stelt zich vier opgaven ten aanzien van de leefomgeving. De eerste opgave betreft een leefbaar, vitaal en bereikbaar Fryslân. Hier wordt stilgestaan bij o.a. de vergrijzing, krimp op het platteland,verouderde bebouwing en de betaalbaarheid van het OV. De tweede opgave betreft de energietransitie. De opgave bestaat uit het reduceren van broeikasgassen en een balans vinden tussen duurzaamheidsdoelstellingen en ruimtegebruik. De derde opgave gaat over de klimaatadaptatie van de Provincie Fryslân. Doelstelling is Fryslân in 2050 klimaatbestendig ingericht te hebben. Opgave vier gaat over het versterken van de biodiversiteit. De biodiversiteit dient versterkt te worden via herstel van de kwaliteit van de leefgebieden. Daarnaast wil men de verbinding leggen tussen biodiversiteit en de samenleving.

Naast de vier opgaven wordt er voor drie specifieke gebieden integrale opgaven beschreven. Het gaat om de gebieden: Waddengebied, IJsselmeer en het Veenweidegebied.

Er wordt in de Omgevingsvisie toegelicht hoe de werkwijze rondom ruimtelijke initiatieven vorm wordt gegeven. Hierbij wordt er uitgegaan van een ja, mits principe ten aanzien van ruimtelijke plannen. Er zijn vier inhoudelijke principes waar een plan aan tegemoet moet komen. Zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities en gezondheid en veiligheid.

Toets

Het voornemen raakt voornamelijk aan een leefbaar en vitaal houden van Fryslân. Dit initiatief op perceelsniveau draagt bij aan deze opgave in de zin van een nieuwe functie aan een buiten gebruik is geraakt. Ruimtegebruik is efficiënt door toevoegen van een woning tussen de bestaande woningen en omgevingskwaliteit wordt toegevoegd door de landschappelijke inpassing. Dit is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Fryslân.

3.2.2 Grutsk op 'e Romte

Provinciale Staten hebben op 26 maart 2014 het document “Grutsk op ‘e Romte” als thematische structuurvisie over landschap en cultuurhistorie vastgesteld. In deze thematische structuurvisie zijn landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, inspireren en adviseren. Op deze wijze verwacht Provincie Fryslân de doorwerking van provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, rijk en provincie te borgen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0006.png"

Afbeelding 3.1: Deelgebied Laagveengebied (Bron: Provincie Fryslân)

Het laagveengebied van het Lage Midden is een laag gelegen kom bestaande uit een aan keileem en zand grenzend westelijk deel en een aan zand grenzend oostelijk deel. In het langwerpige zuidelijk deel liggen veel lineaire veenontginningsdorpen (agrarische ontginningscultuur) en verveningsdorpen (commerciële ontginningscultuur). In dit gebied komen veenarbeiderswoningen en kleine boerderijen voor.

  • De opstrekkende verkaveling is vertrekpunt bij ruimtelijke inrichting. Bij nieuwe ontwikkelingen rekening houden met de ontginningsbasis. Bijvoorbeeld nieuwe bebouwing aansluiten bij het lint, of dwars erop bij een aanleiding in de landschappelijke onderlegger, zoals een overgang in de verkavelingsrichting, of een kruising van wegen en/of water.
  • Het behouden en versterken van het historische, op transport over water georiënteerde, bebouwingslint.
  • Geen verdere verdichting of verbossing in de veenweidegebieden en de veenpolders: de langgerekte ontginningsrichting zichtbaar houden.
  • Het stimuleren van nieuwe functies in de kleinschalige gebouwen met behoud van hun oorspronkelijke vorm en ligging in het veenontginningslandschap.

Toets

De nieuwe woning wordt toegevoegd aan het bestaande bebouwingslint. Door de nokrichting en de accentuering van het bestaande erf wordt aangesloten bij de oorspronkelijke ontginningsbasis en wordt deze versterkt. Het voornemen sluit aan bij de kenmerken van het 'Laagveengebied' uit Grutsk op'e Romte.

3.2.3 Provinciale Verordening Romte Fryslân

In de 'Verordening Romte Fryslân 2014' worden die onderwerpen uit het 'Streekplan 2007' en 'Grutsk op 'e Romte' geregeld, waarvan de juridische doorwerking en borging in ruimtelijke plannen van gemeenten noodzakelijk is. Het onderhavige initiatief betreft een ruimtelijk plan. Dit betekent dat bij de interpretatie en toepassing van bepaalde artikelen in concrete situaties zoals deze, getoetst moet worden aan het provinciale beleid. De volgende regels uit de verordening zijn voor dit planvoornemen van belang.

Artikel 1.6 Ruimte-voor-ruimte voor sloop beeldverstorende bebouwing

In afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid kan maximaal één nieuwe woning in het landelijk gebied worden toegestaan op een bestaand solitair bouwperceel , mits:

  • a. minimaal 1.000 m² aan beeldverstorende bebouwing van een voormalig agrarisch bedrijf of minimaal 3.000 m² aan kassen van een voormalig glastuinbouwbedrijf in het landelijk gebied wordt gesloopt,
  • b. in de plantoelichting is onderbouwd dat de ruimtelijke kwaliteit op en rond het perceel aanzienlijk zal verbeteren en dat geen beperkingen ontstaan voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving, en
  • c. de oppervlakte per woning inclusief bijgebouwen niet meer bedraagt dan 300 m², of de maat die het bestemmingsplan buitengebied als algemene regel hanteert voor bestaande burgerwoningen. Artikel 3.1.1 is mede van toepassing.

Artikel 3.1.1. Woonplan

  • 1. Een ruimtelijk plan kan mogelijkheden voor woningbouw bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft.
  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan een woningbouwproject bevatten dat niet is opgenomen in een woonplan, indien:
    • a. het woningbouwproject niet meer dan 3 woningen bevat dan wel, voor zover gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, niet meer dan 11 woningen bevat, en
    • b. in de plantoelichting is gemotiveerd dat en op welke wijze overschrijding van het woningbouwprogramma van het woonplan kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van projecten

Toets

Artikel 1.6 Ruimte-voor-ruimte voor sloop beeldverstorende bebouwing

  • a. Er wordt aan de Hoge Dijk 9 meer dan 1.000 m2 aan beeldverstorende bebouwing gesloopt en verwijderd. Dit is weergegeven in Bijlage 2. Ten opzichte van het vooroverleg wordt er 127 m2 minder gesloopt, echter aan de minimale eis van 1.000 m2 wordt voldaan en de opzet van het plan blijft gelijk. Het slopen van de elementen is vastgelegd in een voorwaardelijke verplichting (5.5.4) in de regels bij dit plan.
  • b. Er is een landschappelijk inpassingplan opgesteld voor de gewenste nieuwe indeling van het perceel. In paragraaf 2.3 ruimtelijke kwaliteit is dit verder onderbouwd. De woonbestemming zal geen beperkingen opleveren voor bedrijven in de omgeving. Dit is onderbouwd in Hoofdstuk 4. De uitvoering en instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt geborgd met een voowaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan.
  • c. De oppervlakte geplande woning, inclusief bijgebouwen, wordt niet groter dan 300 m2. Dit is tevens vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan die overeenstemmen met de regels voor de bestemming 'Wonen' van bestemmingsplan 'Buitengebied Noord 2017'.

Artikel 3.1.1. Woonplan

Het is de bedoeling dat het planvoornemen in overeenstemming is met een woonplan waar Gedeputeerde Staten mee ingestemd heeft. Dit wordt beschreven in paragraaf 3.3. Conclusie is dat hier aan wordt voldaan. 

3.2.4 Conclusie provinciaal beleid

Het initiatief voldoet aan het van toepassing zijnde provinciaal beleid en regels. Provinciaal beleid en regelgeving vormen geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Visie De Friese Meren

De gemeenteraad van De Fryske Marren heeft de ‘Visie De Friese Meren’ vastgesteld. De ‘Visie De Friese Meren’ beschrijft hoe de fusiegemeente er uit ziet en wat haar ambities zijn. De visie biedt op hoofdlijnen richting. Zowel zaken die ‘zijn’ (kenmerken), als zaken die nog moeten ‘worden’ (ambities) passeren de revue.

De Friese meren is een krachtige plattelandsgemeente en van belang is dat het plattelandskarakter behouden blijft. Ten aanzien van (nieuwe) ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de ontwikkelingen in balans moeten zijn met de huidige waarden van het gebied. Van oudsher kent het gebied een sterke agrarische sector die voor werkgelegenheid en inkomsten zorgt, en als samenbindend maatschappelijk element fungeert. De gemeente staat hierbij afgewogen ontwikkelingsmogelijkheden voor de grondgebonden agrarische sector in combinatie met behoud van de landschappelijke waarden en conservering van meer kwetsbare gebieden.

Toets

De ontwikkeling van een woning op een voormalig agrarisch erf in het bestaande lint van Rotsterhaule past binnen de landschappelijke waarden en kwaliteiten van de Friese Meren. Dit is uitgewerkt in het landschappelijk inpassingsplan.

3.3.2 Woonvisie 2019 - 2023 & Uitvoeringsprogramma Woningbouw De Fryske Marren 2019 - 2026

Woonvisie 2019 - 2023

Op 27 maart 2019 heeft de gemeenteraad de Woonvisie De Fryske Marren 2019 - 2023 vastgesteld. In deze woonvisie beschrijft de gemeente De Fryske Marren het beleid op het gebied van wonen voor de periode 2019 tot 2023. De woonvisie vormt de basis voor woningbouw in de gemeente en voor samenwerkingsafspraken op het terrein van het wonen, zoals de prestatieafspraken met de woningcorporaties en huurdersorganisaties.

De woonvisie gaat over de inwoners. Hoe zij wonen, werken en recreëren in onze gemeente. Onze inwoners zijn verschillend en divers, elk met hun eigen woonbehoeften. Dat was in het verleden zo en zal in de toekomst niet anders zijn.

De samenleving kenmerkt zich door steeds sneller gaande veranderingen op technologisch, maatschappelijk en sociaal gebied. Dit maakt dat het wonen of het woonbeleid niet als zelfstandig ‘fenomeen’ kan worden beschouwd, maar zich altijd binnen een maatschappelijke context beweegt.

Wonen kent in haar basis een sterke verbinding met de woonomgeving. De gemeente De Fryske Marren kent een hoge kwaliteit van de leefomgeving. Dit maakt het aantrekkelijk om hier te wonen. Om die kwaliteit te behouden en te versterken staan er grote uitdagingen op stapel. De omslag naar een duurzame woningvoorraad, de transitie in de zorg en demografische veranderingen in de bevolking zijn lange termijn opgaven.

(Hereiking) Uitvoeringsprogramma Woningbouw De Fryske Marren 2019 -2026

Op basis van het Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2016 tot 2026 zijn met de gemeente Súdwest-Fryslân en de provincie Fryslân in februari 2018 de zogenaamde regionale Woningbouwafspraken Regio Zuidwest Friesland 2016 tot 2026 gemaakt. Hierin is de woningbouwruimte afgesproken die beschikbaar is voor de beide gemeenten.

In het uitvoeringsprogramma wordt een afwegingskader geboden. In Lemmer e.o zijn mogelijkheden om > 450 woningen te realiseren. Hier valt ook het plangebied onder. Bovenop deze aantallen zijn er in afspraken met de provincie extra mogelijkheden voor 200 woningen gecreëerd om inbreiding te stimuleren. Deze verdeling vormt het kwantitatieve kader voor woningbouwontwikkelingen in de toekomst

Toets

Het planvoornemen voorzien in het toevoegen van één extra woning op een voormalig agrarisch bedrijfsperceel. Binnen de aantallen van de woningbouwprogrammering is voldoende ruimte voor deze woning.

3.3.3 Welstandsnota de Friese Meren 2014

Op 22 april 2015 heeft de raad de ‘Welstandsnota De Friese Meren 2014’ gewijzigd vastgesteld. Deze nota bevat de criteria waarop bouwplannen architectonisch worden getoetst. De welstand toetst of een bouwplan aan de minimale beeld- en kwaliteitseisen voldoet en past in de omgeving. De gebieds- en objectgerichte aanpak beoogt de belangrijkste karakteristieken van de bebouwing te beschermen en te zorgen dat nieuwe ontwikkelingen daarop voortbouwen. Zo ook voor de gewenste ontwikkeling in het plangebied.

Toets

De woning wordt gerealiseerd in het bijzonder welstandsgebied met regels voor 'lintbebouwing'. De lintbebouwing is ontstaan langs doorgaande ontsluitingswegen en waterlopen. Kenmerkend is de enkele rij van individuele gebouwen langs de weg (of waterloop), waarbij het opvalt dat de gebouwen allemaal sterk gericht zijn op de weg (of de waterloop). De gebouwen staan meestal los van elkaar waardoor regelmating, tussen de bebouwing door, het landschap ervaren wordt. De individuele karakteristiek van de panden is daarom van groot belang. Over het algemeen is het beeld van de historische panden richtinggevend: nieuwe bebouwing of aanpassingen moeten aansluiten bij het overkoepelende straatbeeld langs het lint.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0007.png"

Afbeelding 3.2: fragment kaart welstandsgebied

3.3.4 Bestemmingsplan

Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Buitengebied Noord - 2017, van de gemeente de Fryske Marren. In dit bestemmingsplan is een beleidskader opgenomen in de vorm van een wijzigingsbevoegdheid voor toepassing van de ruimte-voor-ruimte regeling. Met dit bestemmingplan wordt aansluiting gezocht bij deze voorwaarden. In deze paragraaf worden deze voorwaarden beschreven en getoetst.

Het college van burgemeester en wethouders kan de bestemming van gebouwen van (voormalige) agrarische bedrijven met de bijbehorende erven wijzigen in de bestemming Wonen of Wonen - Voormalig boerderij ten behoeve van één bouwtitel voor een (vrijstaande) woning, mits:

  • a. bestaande karakteristieke bebouwing behouden blijft;
  • b. er minimaal 1.000 m2 aan beeldverstorende bebouwing van een voormalig agrarisch bedrijf wordt gesloopt en de nieuwe woning wordt gebouwd op een bestaand solitair bouwperceel;
  • c. er bij het opstellen van het wijzigingsplan een beeldkwaliteitsparagraaf wordt opgenomen, waarbij onder meer aandacht wordt besteed aan de inpasbaarheid van de bebouwing op het erf, mede in relatie tot de bestaande gebouwen;
  • d. de initiatiefnemer, voordat de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast, een voorstel tot landschappelijke inpassing overlegt aan het college van burgemeester en wethouders; het gebruik in de nieuwe functie is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing is uitgevoerd en instandgehouden conform het landschappelijk inpassingsplan;
  • e. de omvang en aard van de nieuwe functie en de bebouwing past binnen de voorgestane ontwikkeling van het gebied;
  • f. na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid de bestemmingsregels van respectievelijk Artikel 25 dan wel Artikel 26 van overeenkomstige toepassing zijn.

Ad a:

Binnen het agrarisch erf is geen karakteristieke bebouwing aanwezig;

Ad b:

Er is sprake van het verwijderen van c.a. 1.360 m2 aan beeldverstorende bebouwing. Hiermee wordt voldaan aan de minimale eis van 1.000 m2. Dit is tevens bevestigd door de provincie Fryslân aan de gemeente de Fryske Marren.

Ad c:

Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waar uit blijkt dat de nieuwe woning zich goed voegt in het bestaande lint. Dit is nader omschreven in paragraaf 2.3.

Ad d: Idem ad c:

De wijziging van de agrarische naar een woonbestemming voegt zich in het bestaande lint van Rotsterhaule. Hier zijn voornamelijk woonbestemmingen aanwezig waardoor de nieuwe functie hier goed bij aansluit.

Ad f

De regels van bestemming 'Wonen' Artikel 25 in bestemmingsplan Buitengebied Noord - 2017 zijn van toepassing voor dit bestemmingsplan.

3.3.5 Conclusie gemeentelijk beleid

Het voornemen voldoet aan beleid en visie in de gemeente en het concrete beleidskader uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Noord - 2017', van de gemeente De Fryske Marren.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 M.e.r.-beoordeling

In kolom C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Indien er belangrijk nadelige gevolgen en/of bijzondere omstandigheden worden geconstateerd moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0008.png"

Afbeelding 4.1: schema drempels milieueffect rapportage.

Toets

Het voorliggende project voorziet in het bouwen van één grondgebonden woning. Hiermee wordt geen drempelwaarde als genoemd in kolom C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. overschreden. Er treden als gevolg van dit project geen belangrijke nadelige gevolgen op voor het milieu. Ook doen zich geen bijzondere omstandigheden voor die het maken van een milieueffectrapport noodzakelijk maken.

Conclusie

Voor het plan is geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

4.2 Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype tot rustig buitengebied:

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0009.png"

Tabel 1: richtafstanden per categorie en gebied

Daarnaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

Toets

In dit geval is er sprake van een gemengd gebied gelet op de verschillende functies zoals woningen en (agrarische) bedrijven op korte afstand van elkaar.

In de omgeving zijn de volgende bedrijven met bijbehorende richtafstand aanwezig:

Adres   Omschrijving + SBI 2008   Milieucategorie   Richtafstand gemengd gebied   Afstand tot 'Wonen'  
Hoge Dijk 180   niet bekend   1 - 2   10 meter   33 meter  
Gaasterweg 1   Fokken en houden van rundvee 0141/0142   3.2   50 meter   67 meter  

Tabel: richtafstanden bedrijven in de omgeving

De kortste afstand gemeten van de nieuwe woonbestemming tot de bedrijfsbestemming (worst-case) is 33 meter. Hiermee wordt voldaan aan de minimale richtafstand die van toepassing is.

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.3 Bodemkwaliteit

Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. Aangetoond dient te worden dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik.

Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat.

Toets

Op de voormalige agrarische bedrijfslocatie is sprake van een bodemrisico in verband met de agrarische activiteiten die daar hebben plaatsgevonden. In dit kader is een verkennend bodemonderzoek (inclusief asbest) uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3.

Uit het bodemonderzoek volgt dat er een klein deelgebied verontreinigd is met minerale olie van de voormalige dieseltank. Hier zal nader onderzoek moeten volgen en/of een sanering. Voor wat betreft asbest in het puinpad zal ook nader onderzoek moeten volgen om uit te sluiten dat de asbestconcentratie de grenswaarde van 100 mg/kg d.s. niet overschrijd.

Conclusie

Binnen het plangebied is voor een beperkte oppervlakte verontreiniging aangetroffen. Hier zal vervolgonderzoek plaatsvinden en uiteindelijk een sanering van de grond. Voor het aspect bodem het plan uitvoerbaar worden geacht.

4.4 Geluid

De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In de ruimtelijke onderbouwing moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidgevoelige functies binnen de geluidszone van (spoor)wegen en/of industrieterreinen worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting.

Toets

Wegverkeerslawaai

Met het planvoornemen wordt nieuwe geluidgevoelige objecten gecreëerd binnen de geluidszone van de N924 (Hoge Dijk). In dit kader is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om te onderzoeken of het plan voor wat betreft wegverkeerslawaai uitvoerbaar is. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4

De conclusie van het onderzoek is dat de geluidbelasting vanwege de N924 de voorkeursgrenswaarde van 48dB overschrijdt. Het treffen van maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting van deze weg zijn niet doeltreffend, financieel haalbaar of vanuit landschappelijk oogpunt ongewenst. Daarom ligt het voor de hand om hogere waarden aan te vragen vanwege de ligging t.o.v. de N924.

De berekende hogere waarde op de nieuwe woning bedraagt maximaal 53 dB, met toepassing van de aftrek ex art. 110g Wgh. Dit betreft tevens de maximaal vast te stellen hogere waarde in buitenstedelijk gebied. De gecumuleerde waarde bedraagt 58 dB zonder aftrek. De zuidoostgevel is geluidsluw.

De geluidsbelasting wordt aanvaardbaar geacht. Voor de vast te stellen hogere waarde zal een apart besluit worden genomen door het college.

Industrielawaai

Zoals in de paragraaf bedrijven en milieuzonering zijn de richtafstanden getoetst voor de verschillende aspecten zoals geluid. In dit geval zit er op 67 meter een agrarisch bedrijf. Er wordt in dit geval ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Daar komt bij dat tussen het betreffende bedrijf en de nieuwe woonfunctie al andere, maatgevende, woonfuncties aanwezig zijn. het bedrijf zal met de voorgenomen bestemmingswijziging niet worden beperkt in het uitvoeren van geluidproducerende activiteiten.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect geluid geen belemmeringen bestaan.

4.5 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.

De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

Toets

het toevoegen van een reguliere woning ter aan de Hoge dijk 9 zal geen geurhinder met zich meebrengen voor de omgeving. Er zullen geen relevante geuremissies vanuit de woning optreden.

Wel zijn er in de omgeving enkele agrarische bedrijven aanwezig waarbij de dichtstbijzijnde is gelegen aan de Gaasterweg 1.

Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (artikel 14.2 lid 2) worden compensatiewoningen in het kader van ruimte-voor-ruimte en voormalige agrarische bedrijfswoningen (in combinatie met het buiten werking stellen van een agrarisch bedrijf) gelijk gesteld aan bedrijfswoningen. In deze gevallen dient rekening te worden gehouden met een minimale (vaste) afstandsnorm van 50 meter. In voorliggend geval wordt ruimschoots aan de (vaste) afstandsnorm voldaan.

Toekomstige ontwikkelingen van het agrarisch bedrijf kunnen niet dichter bij beoogde woonbestemming aan de Hoge Dijk 9 plaatsvinden omdat op kortere afstand van het agrarisch bouwvlak reeds woonbestemmingen aanwezig zijn. Deze zijn maatgevend. Er wordt dan ook geen afbreuk gedaan op de vergunde rechten van veehouderijen in de omgeving.

Conclusie

Voor het aspect geur is het plan uitvoerbaar.

4.6 Luchtkwaliteit  

De milieukwaliteitseisen omtrent luchtkwaliteit zijn verankerd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarde die voor een aantal verontreinigende stoffen in de wet is gesteld.

Als aannemelijk is dat aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormt luchtkwaliteit geen belemmering om een projectplan vast te stellen. Deze voorwaarden zijn:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per m3 (µg/m3 ) voor fijn stof en stikstofoxiden (NO2).

Toets

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de bouw van een woning. De ontwikkeling zal geen toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie tot gevolg hebben. Uit de 'Niet in betekenende mate-tool' van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, blijkt dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Formele toetsing aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer kan daarom achterwege blijven.

Om aan te tonen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning is ook gekeken naar de fijnstofemissie van het omliggende agrarische bedrijven. In dit geval is alleen de melkveehouderij aan de Gaasterweg 1 te Rotsterhaule relevant.

Voor agrarische activiteiten, met uitzondering van o.a. akker- tuin en glastuinbouwbedrijven, zijn geen grenzen vastgesteld. In mei 2010 is de definitieve “Handreiking fijn stof en veehouderijen” gepubliceerd. In deze handreiking worden richtlijnen gegeven wanneer de uitstoot van een agrarisch bedrijf als NIBM kan worden beschouwd. Met behulp van fijn stofemissie factoren kan de emissie van fijn stof uit de stallen worden berekend. Gelet op de melding Activiteitenbesluit 2013 mogen er 150 stuks melk- en kalfkoeien, 80 stuks bijbehorend jongvee worden gehouden. Op basis van standaard emissiefactoren van de toegepaste huisvestingssystemen en het aantal dieren dat in de stallen wordt gehouden gedraagt de totale emissie fijn stof van de locatie 25.240 gram PM10 per jaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0010.png"

Tabel 4.1 NIBM bijdrage

In bovenstaande tabel, die afkomstig is uit paragraaf 2.2 van de "handreiking fijn stof en veehouderijen” is aangegeven wanneer er sprake is van een NIBM-bijdrage. Als in de tabel bij de aangegeven afstand tot een te beoordelen object de toename van de emissie van fijn stof niet meer bedraagt dan het getal dat is aangegeven in dezelfde kolom dan is er conform de “Handreiking fijn stof en veehouderijen” sprake van een NIBM-bijdrage. Uit deze tabel blijkt dat bij een afstand van 70 meter er sprake is van een NIBM-bijdrage als de toename van de fijn stofemissie minder is dan 324.000 gram/jaar. Aangezien de totale fijnstof emissie slechts 25.240 gram bedraagt en de afstand tot een te beoordelen stal 67 meter bedraagt, is er sprake van een NIBM-bijdrage van de veehouderij ter plaatse van het plangebied.

Conclusie

Het project draagt niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit in de omgeving en kan op dit punt uitvoerbaar worden geacht.

4.7 Externe veiligheid

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is vastgelegd dat er rekening wordt gehouden met de invloed van de risicovolle inrichtingen en/of transportroutes op geplande gevoelige objecten. Er wordt voorkomen dat zich (beperkt) kwetsbare objecten binnen de 10-6 risicocontour van risicovolle inrichtingen/transportroutesbevinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0011.png"

Afbeelding 4.2: fragment risicokaart

Na raadpleging van de risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat er binnen een straal van circa 2.200 meter van het projectgebied geen inrichtingen aanwezig zijn die een belemmering zouden kunnen opleveren voor de beoogde ontwikkeling. Ook is er geen sprake van transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor en/of buisleidingen (Besluit externe veiligheid buisleidingen) in de directe omgeving. Tevens wordt met de uitbreiding geen nieuw gebruik mogelijk gemaakt welke externe veiligheidsrisico's veroorzaakt.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid staat het de uitvoering van het project niet in de weg.

4.8 Water

In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

4.8.1 Wateradvies

Voor het onderhavige initiatief is de digitale watertoets doorlopen. Op het plan is de korte watertoesprocedure van toepassing en zijn enkele adviezen gegeven door het Wetterskip over de water aspecten. Het wateradvies is bijgevoegd als Bijlage 5 bij deze onderbouwing.

Kaderrichtlijn water

Met het omschakelen van een agrarische naar een woonbestemming wordt zal er geen erfafspoeling meer plaatsvinden. Binnen de woonbestemming vinden geen activiteiten plaats die een bedreiging vormen voor de huidige ecologische situatie van de omliggende binnenwateren.

Compensatie

Met dit project is er sprake van een afname van verharding ten opzichte van de huidige situatie. Er worden geen sloten gedempt of gegraven. Er is in dit geval geen compenserende maatregel nodig.

Klimaat

Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.

Door een afname van oppervlakte verharding (1.000 m2) binnen het plangebied zal een groter gebied ontstaan waar water kan infiltreren dan nu het geval is. Er zal minder water afvloeien naar het oppervlaktewater. Zo ontstaat meer capaciteit voor waterbering van gebieden die wel gevoelig zijn voor overstroming zoals het achterliggend land. Regenwater dat op de woning terecht komt zal wel worden afgevoerd naar het oppervlaktewater.

Vloerpeil

Het plangebied ligt in een gebied met een overstromingskans van 1:100. De regionale waterkering is ontworpen op basis van een maatgevend boezempeil met een kans van voorkomen van 1 op 100 jaar. Het wetterskip adviseert in dit geval om het vloerpeil van nieuwe bebouwing op -0,1 m NAP aan te leggen. Dit zal als minimale hoogte voor het vloerpeil worden aangehouden bij realisatie van de woning.

Conclusie

Het aspect water staat de uitvoering van het initiatief niet in de weg.

4.9 Ecologie

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de (mogelijke) natuurwaarden. Daartoe wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming.

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000- gebieden. Daarnaast is het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), in het kader van de gebiedsbescherming van belang. Op basis van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) zijn zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Deze gebieden kunnen nadelige invloed ondervinden als de uitstoot van ammoniak op de gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom de gebieden aangewezen als buffer, om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken.

Soortenbescherming

Sinds 1 januari 2017 regelt Wet natuurbescherming de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. Bekeken moet worden of er beschermde soorten aanwezig zijn in of nabij het plangebied, in hoeverre het plan negatieve gevolgen kan hebben op die beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen moeten worden genomen.

Toets

Gebiedsbescherming

Natura 2000

Het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied 'de Rottige Meenthe & Brandemeer' is gelegen op circa 4.300 meter. Het wijzigen van de agrarische naar een woonbestemming zal gelet op de afstand geen effect hebben op dit gebied. Het stoppen van het agrarisch bedrijf betekent wel een afnamen van stikstofemissie van het erf. Dit zal een positief effect hebben op het gebied en mogelijk andere Natura 2000 gebieden op grotere afstand.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0012.png"

Afbeelding 4.3: Afstand tot Natura 2000-gebieden

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied is deels gelegen binnen het aangrenzende NNN gebied. In de huidige situatie is het agrarisch bouwvlak binnen het NNN gebied zal verdwijnen. Hier zullen bouwmogelijkheden verdwijnen. De mogelijkheid om de agrarische bestemming om te zetten naar 'Natuur' blijft van toepassing. De toekomstige woonbestemming zal grenzen aan het NNN gebied maar geen negatieve effecten op het gebied met zich meebrengen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0013.png"

Afbeelding 4.4: Plangebied (Rood) gelegen t.o.v. NNN gebied (Groen), met geel de nieuwe woonbestemming.

Soortbescherming

In het kader van dit initiatief is een Quickscan flora & fauna uitgevoerd. (Bijlage 6) . De samenvatting en belangrijkste conclusies uit het onderzoek luiden als volgt.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten beschermde grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een vaste (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied, maar benutten het plangebied wel als foerageergebied.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de toegankelijke bebouwing gesloopt, beplanting verwijderd en de sloop- en bouwwerkzaamheden uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie beschadigd en vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen `doden’ en het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.

Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden worden als volgt samengevat. De werkzaamheden dienen afgestemd te worden op de voortplantingsperiode van vogels.

Conclusie

Voor het aspect Ecologie is het initiatief uitvoerbaar.

4.10 Cultuurhistorie en archeologie

Vanaf 1 januari 2012 dient met de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening te worden ingegaan op de relatie van het ruimtelijk voornemen en de aanwezige cultuurhistorische waarden. Naast de cultuurhistorische waarde dient er rekening te worden gehouden met de archeologische (verwachtings)waarde van een gebied. De omgang met het archeologisch erfgoed is geregeld in de Erfgoedwet (2016). Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische resten, indien een bestemmingsplan dat voorschrijft.

4.10.1 Cultuurhistorie

Om de cultuurhistorische waarde(n) van de locatie in beeld te brengen is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0014.png"

Afbeelding 4.3: uitsnede cultuurhistorische kaart Fryslân (CHK) (Bron: provincie Fryslân)

Binnen het plangebied is alleen de 'verkaveling' (Symbool) aangegeven als cultuurhistorisch waardevol element. Er is hier sprake van 'Opstrekkende verkaveling, grootschalige regelmaat. Hierbij is de lengterichting van de verkaveling dominant in de percelering en bovendien sprake van een grote lengte-breedte verhouding.

Op circa 60 meter van het plangebied, aan de Gaasterweg, is een vestigingswerk aanwezig in de vorm van een 'Schans'. Schansen bewaakten en verdedigden strategische doorgangsroutes in moeilijk toegankelijk terrein en die soms opzettelijk onder water werden gezet (inundatiesysteem).

Deelconclusie cultuurhistorie

Het planvoornemen brengt geen onevenredige aantasting van het waardevolle verkavelingspatroon en het vestigingswerk met zich mee.

4.10.2 Archeologie

Om de archeologische waarden van het plangebied te kunnen bepalen is Archeologische Kaart (FAMKE) van de provincie Fryslân geraadpleegd.

Er zijn een tweetal advieskaarten die moeten worden geraadpleegd. Een kaart voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.) en een kaart voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. 1500 n Chr.)

IJzertijd - Middeleeuwen

Uit de FAMKE kaart voor de periode ijzertijd - middeleeuwen blijkt dat het gebied wordt aangemerkt met "Karterend onderzoek 3 (middeleeuwen)".

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0015.png"

Afbeelding 4.4: Uitsnede Archeologische Kaart (FAMKE) ijzertijd - middeleeuwen (Bron: provincie Fryslân).

Bij dit gebied wordt door de provincie de volgende beschrijving gegeven: "In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. Het gaat hier dan met name om vroeg en vol-middeleeuwese veenontginningen. Daarbij bestaat de kans dat er zich terpjes uit deze tijd in het plangebied bevinden Ook de wat oudere boerderijen kunnen archeologische sporen of resten afdekken, hoewel de veengronden eromheen al afgegraven zijn. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5000 m2 een historisch en karterend onderzoek te verrichten, waarbij speciale aan speciale aandacht moet worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of vroeg-middeleeuwse ontginningen. Mochten er, als gevolg van het karterend archeologisch onderzoek, een of meerdere vindplaatsen worden aangetroffen, dan zal uit nader (waarderend) onderzoek moeten blijken hoe waardevol deze vindplaatsen zijn. De aard van dit waarderend (vervolg)onderzoek hangt af van het type aangetroffen vindplaats, en de strategie van onderzoek dient te worden bepaald door het desbetreffende onderzoeksbureau. Indien de vindplaats een nieuw aangetroffen terp betreft, geldt het advies: ‘waarderend onderzoek op terpen'. De resultaten van het karterend onderzoek kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden. Mocht het plangebied een bebouwde kom betreffen, dan dient in de onderzoeksstrategie rekening te worden gehouden met recente verstoringen die zich kunnen hebben voorgedaan".

Steentijd - Bronstijd

Op de FAMKE kaart voor de periode steentijd - bronstijd heeft het plangebied de aanduiding 'karterend onderzoek 1 (steentijd)' en deels 'karterend onderzoek 3 (steentijd).

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPROTS22HOGEDIJK9-VA01_0016.png"

Afbeelding 4.5: Fragment FAMKE kaart steentijd-bronstijd (Bron: provincie Fryslân)

In deze gebieden kunnen zich archeologische resten uit de steentijd vlak onder de oppervlakte bevinden, die zijn afgedekt door een dun veen- of kleidek. De conservering van eventueel aanwezige resten in nu nog goed, maar de archeologische resten zijn wel zeer kwetsbaar. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 500 m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren. De resultaten van een dergelijk karterend booronderzoek kunnen inzicht geven in de aanwezigheid van dekzandkopjes of -ruggen, waarop zich archeologisch resten kunnen bevinden. Het booronderzoek dient zich vooral te richten op het microreliëf van het zand onder het veen- of kleidek. Mochten zich in de gebieden dekzandkoppen of -ruggen bevinden, dan beveelt de provincie aan een waarderend onderzoek te laten verrichten op de gevonden koppen (zie advies ‘waarderend onderzoek - kopjes'). De resultaten kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden.

Deelconclusie archeologie

Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (rapport Bodemvisie, projectnummer 210560-v2). Daarbij zijn verspreid over het plangebied 23 grondboringen gezet. De meeste van deze boringen zijn gezet tot 60 cm beneden maaiveld waarbij een viertal boringen is doorgezet tot in de pleistocene bodem (200-250cm beneden maaiveld). Hoewel deze boringen niet zijn beschreven volgens de standaardmethode voor archeologische grondboringen is uit de beschrijving op te maken dat eventuele archeologische resten pas vanaf 50cm beneden maaiveld mogen worden verwacht. Uitgaande van het voorliggende plan zal het totaal aan bodemingrepen nu en in de directe toekomst (sloop/nieuwbouw, aanleg boomsingel, verwijderen/aanleg verharding en (nutsleidingen) en algehele herinrichting van het terrein) dat dieper reikt dan 50 cm onder maaiveld de grens van 500m2 niet overschrijden.

Op grond van par. 2.2.1, lid 2 van de Verordening Romte Fryslân wijkt de gemeente met bovenstaande onderbouwing af van de onderzoeksplicht zoals gesteld in de FAMKE. Om eventueel aanwezige archeologische resten te beschermen en te voldoen aan de eisen zoals gesteld in de Erfgoedwet zal voor het gehele bestemmingsplangebied een dubbelbestemming waarde archeologie worden opgenomen.

Conclusie

Het project is voor het aspect cultuurhistorie en archeologie uitvoerbaar.

4.11 Verkeer en parkeren

Het verkeer van en naar de inrichting kan gebruik blijven maken van de bestaande inrit. Op het erf blijft voldoende ruimte voor parkeren bij de woningen. Ten opzichte van de huidige agrarische funcite zal het aantal (vracht) verkeersbewegingen van en naar de locatie sterk afnemen.

Conclusie

Het verkeer en parkeren zit de uitvoerbaarheid van het project niet in de weg.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Algemeen 

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn eventuele aanlegregels, uitwerkingsregels, nadere eisen, ontheffing- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen.

5.2 Juridische vormgeving

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012. Voor de inhoudelijke systematiek is aangesloten op het bestemmingsplan 'Buitengebied Noord - 2017' van de gemeente de Fryske Marren.

Hieronder wordt de opbouw en dergelijke kort toegelicht.

5.2.1 Inleidende regels

Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten.

5.2.2 Bestemmingsregels

In het hoofdstuk bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Hieronder worden de gehanteerde bestemmingen kort toegelicht.

Artikel 3 Agrarisch

Binnen het plangebied is deels nog de bestemming agrarisch aanwezig met de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied'. Binnen deze zone geldt het gebruik voor agrarische gronden met daarbij de mogelijkheid de bestemming te wijzigen tot 'natuur'.

Artikel 4 Wonen

De gronden in het plangebied zijn primair bestemd voor wonen. Binnen deze bestemming kan één woning worden gebouwd door gebruik te maken van de ruimte voor ruimte regeling. Door middel van de bouwregels wordt geregeld dat uitsluitend gebouwen ten behoeve van wonen kunnen worden gebouwd. Deze gebouwen zullen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak moeten worden gebouwd.

5.2.3 Algemene regels

Bij de bestemming aanvullende regels opgenomen met betrekking tot bouwen. Daarnaast bevat dit hoofdstuk algemene gebruiksregels en afwijkingsregels.

5.2.4 Overgangsrecht en slotregels

In artikel 3.2.1 Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Bij de uitvoering van een voornemen kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij de eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Bij het tweede gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Omtrent de wettelijke verplichting inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een plan, wordt in deze paragraaf ingegaan op de economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen.

Het plan wordt gefinancierd door de initiatiefnemer, de gemeentelijke kosten aan het plan zijn gedekt middels de te heffen leges. De kosten voor het opstellen van de documenten ten behoeve van de omgevingsvergunning zijn voor de initiatiefnemer. Er wordt vanuit gegaan dat de initiatiefnemer het plan kan financieren en dat het daarom economisch uitvoerbaar is.

Met de initiatiefnemer zal een planschade overeenkomst gesloten worden waarin onder andere het verhaal van eventuele planschade is geregeld.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.3 Procedure

Het plan wordt naar een aantal instanties verzonden in het kader van het vooroverleg. De relevante reacties van dit vooroverleg zijn opgenomen in Bijlage 7. De reacties van de provincie Fryslân en het Wetterskip hebben geleid tot aanpassing van het concept.

Provincie Fryslân

Er is een kaartje opgesteld met de te slopen bebouwing en deze is toegevoegd aan de regels (Bijlage 3) en als voorwaardelijke verplichting. De paragraaf archeologie is in overleg met de gemeente aangevuld met een toelichting op de te verstoren oppervlakte. Het planvoornemen zal de grens van 500 m2 niet overschrijden. Voor het aanpassen van de regels van het plan wordt geen aanleiding gezien.

Het plan voorziet in een landschappelijke inpassing die een positief effect zal hebben op het aantrekken van soorten. Het is op het moment van opstellen van dit plan nog niet duidelijk wanneer de omgevingswet in werking treedt. De wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming 'natuur' blijft eerst gehandhaafd.

Wetterkip Fryslân

De opmerkingen van het wetterskip over de adviezen en klimaat zijn verwerkt in de paragraaf 4.8 Water.

Het ontwerpbestemmingsplan wordt daarna gedurende zes weken ter inzage gelegd op grond van artikel 3.1 Wro. Gedurende deze termijn heeft iedereen mondeling of schriftelijk de mogelijkheid een zienswijze in te dienen. Ontvangen zienswijzen zullen worden beoordeeld en beantwoord. De zienswijzen kunnen eventueel leiden tot aanpassing van het bestemmingsplan. De resultaten van de ter inzage legging worden opgenomen in een bijlage bij het plan.

Vervolgens wordt het bestemmingsplan, al dan niet gewijzigd naar aanleiding van zienswijzen, vastgesteld door de gemeenteraad en 6 weken ter visie gelegd. Belanghebbenden kunnen dan beroep indienen bij de Raad van State.

6.4 Informeren omgeving

De initiatiefnemers hebben omwonenden persoonlijk geïnformeerd over het plan voor het bouwen van de woning. Het plan is door omwonenden positief ontvangen en er zijn geen opmerkingen geplaatst.